BELGISCHE SENAAT
________
Zitting 2008-2009
________
12 januari 2009
________
SENAAT Schriftelijke vraag nr. 4-2249

de Wouter Beke (CD&V)

aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen
________
Onverschuldigde betaling van bedrijfsvoorheffing - Vordering - Verjaring
________
belastbaar inkomen
loonbelasting
belastingteruggave
verjaring van de vordering
inkomstenbelasting
fiscaal recht
________
12/1/2009 Verzending vraag
7/5/2009 Antwoord
________
Herindiening van : schriftelijke vraag 4-1073
________
SENAAT Schriftelijke vraag nr. 4-2249 d.d. 12 januari 2009 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Wanneer een aanslag te laat (de aanslagtermijn is verlopen) of zelfs nooit (de belastingheffing is verjaard) ingekohierd wordt, dan kan de belastingplichtige alle voor dat jaar onterecht voorafbetaalde voorheffingen terugvorderen, aangezien er dan immers geen schuld ten aanzien van de Belgische Staat ontstaat.

Het Hof van Cassatie besliste in een arrest van 27 mei 1993 het volgende:

“Een belastingplichtige kan, in geval de administratie nagelaten heeft voor een bepaald aanslagjaar een aanslag te vestigen, toch een bezwaarschrift indienen conform de bepalingen van artikel 366 en volgende van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en aldus de terugbetaling vorderen van de voorheffingen die voor de belastbare periode ten onrechte werden ingehouden.”.

Indien er zelfs geen aanslag wordt gevestigd, dan kan de terugbetaling van de voorheffing ook door middel van een gewoon bezwaarschrift worden gevorderd.

Het hof van beroep van Brussel besliste in een arrest van 15 januari 1997 het volgende:

“Bij gebreke aan een enige inkohiering van de belasting op het globale inkomen tijdens de wettelijke termijn, heeft de belastingplichtige het recht om de terugbetaling te vorderen van de bedrijfsvoorheffing middels het indienen van een bezwaarschrift. De ontvankelijkheid van het bezwaarschrift is niet afhankelijk van enige inkohiering. Een bezwaarschrift dat werd opgesteld met het oog op de terugbetaling van de bedrijfsvoorheffing die aan de bron werd ingehouden, is ontvankelijk van zodra de omvang van de belastingschuld zeker is. Daar geen enkele inningshandeling werd betekend, kan de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift niet lopen en geldt derhalve voor de belastingplichtige de gemeenrechtelijke termijn van dertig jaar.”.

Daarnaast staat het de belastingplichtige ook vrij om de ten onrechte betaalde voorheffingen terug te vorderen door gebruik te maken van de burgerrechtelijke vordering wegens onverschuldigde betaling (artikelen 1376 tot 1381 van het Burgerlijk Wetboek).

Het Hof van Cassatie besliste in een arrest van 27 mei 1993 het volgende:

“Attendu que l’arrêt constate que la demande formée par le défendeur tendait “au remboursement des précomptes professionnels retenus dans son chef durant les années 1978 et 1979” et “qu’il n’est pas contesté que suite à des pertes encourues par le (défendeur) dans une activité accessoire à celle de salarié, ses revenus globaux n’ont pas atteint le minimum imposable, que, en raison de la non-imposabilité des revenus, l’administration n’a enrôlé aucun impôt et que, dès lors, le (défendeur) pouvait prétendre au remboursement des précomptes retenus sur ses appointements”

Attendu que le moyen, loin de critiquer l’arrêt à cet égard, confirme au contraire l’inexistence de toute créance fiscale pour les exercices litigieux et donc l’absence de cause du paiement des susdits précomptes; que le demandeur considère toutefois que ceux-ci “doivent être répétés conformément à l’article 1376 du Code civil” et que la cour d’appel a méconnu cette disposition légale;

Attendu qu’aux termes dudit article 1376, celui qui reçoit ce qui ne lui est pas dû, s’oblige à le restituer à celui de qui il l’a indûment reçu;

Qu’il s’ensuit que l’Etat belge, qui reconnaît l’absence de cause de paiement des précomptes professionnels reçus du défendeur, a l’obligation de les lui restituer, ce qui suffit à justifier légalement la décision condamnant l’État à cette restitution.”.

Met betrekking tot de verjaringstermijn voor het uitoefenen van deze vordering wegens onverschuldigde betaling bestaat er echter nogal wat onduidelijkheid in de rechtsleer en rechtspraak.

Artikel 443bis, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepaalt immers het volgende: “De roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing verjaren door verloop van vijf jaren vanaf de datum van uitvoerbaarverklaring van het kohier waarin ze zijn opgenomen krachtens artikel 304, §1, tweede lid.”. Het probleem voor het toepassen van dat artikel bestaat er echter in dat er nooit geen inkohiering is gebeurd aangezien er geen aanslag werd gevestigd.

Artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek voorziet echter in een dertigjarige verjaringstermijn voor alle zakelijke rechtsvorderingen. Daarnaast voorziet artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek in een verjaringstermijn van tien jaar voor alle persoonlijke rechtsvorderingen en een verjaringstermijn van vijf jaar voor alle vorderingen wegen buitencontractuele aansprakelijkheid.

Om voorgaande reden had ik van de geachte minister graag een antwoord gekregen op de volgende vragen:

- Wat is de verjaringstermijn van toepassing op de vordering wegens onverschuldigde betaling (artikel 1376 van het Burgerlijk Wetboek) van de belastingplichtige die op deze wijze ten onrechte betaalde voorheffingen wenst te recupereren omdat er geen aanslag is gevestigd?

- Bedraagt deze verjaringstermijn vijf jaar conform het Wetboek van de inkomstenbelastingen of is de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van toepassing?

Antwoord ontvangen op 7 mei 2009 :

De op het loon van de belastingplichtige wettelijk ingehouden bedrijfsvoorheffing is in de regel geen belasting maar een wijze van heffing van de belasting.

Wanneer de administratie binnen de wettelijke termijn geen aanslag vestigt op het gezamenlijk belastbaar inkomen van de persoon op wiens loon de bedrijfsvoorheffing werd ingehouden, heeft deze laatste dan ook recht op de teruggave van die ingehouden bedrijfsvoorheffing.

Daartoe kan de betrokken belastingplichtige een bezwaarschrift indienen. Vermits geen aanslagbiljet op diens naam werd verzonden en evenmin een kennisgeving van aanslag of kennisgeving van inning van de belasting op een andere wijze dan per kohier werd gedaan, is de bezwaartermijn niet beginnen lopen.

Evenwel moet rekening worden gehouden met de verjaringstermijn van vijf jaar beoogd in artikel 100, 1° van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 11 juli 1991 en niet met de termijnen van gemeen recht.

Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arresten met nummer 32/96, 75/97, 5/99, 85/2001, 42/2002, 64/2002, 37/2003, 1/2004, 86/2004, 127/2004, 165/2004, 170/2004, 153/2006, 90/2007, 122/2007, 124/2007 en 17/2008 geoordeeld dat de wetgever, door de vorderingen gericht tegen de Staat aan de vijfjarige verjaring te onderwerpen, een maatregel genomen heeft die in verband staat met het nagestreefde doel dat erin bestaat de rekeningen van de Staat binnen een redelijke termijn af te sluiten. Er werd geoordeeld dat een dergelijke maatregel noodzakelijk was omdat de Staat op een bepaald ogenblik zijn rekeningen moet kunnen afsluiten. Het is een verjaring van openbare orde, die noodzakelijk is in het licht van een goede comptabiliteit.

Krachtens artikel 2 van de wet van 21december 2007 houdende diverse bepalingen, zijn met ingang van 1 januari 2009 de verjaringstermijnen van toepassing bepaald in de artikelen 113 tot 115 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat.

In beginsel is dus vanaf 1 januari 2009 de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van toepassing (artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek).