Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-4274

van Elke Sleurs (N-VA) d.d. 28 december 2011

aan de minister van Justitie

Allochtone bevolking - Intrafamiliaal geweld - Aantallen - Registratie van de nationaliteit

migrant
huiselijk geweld
migrerende vrouw
officiŽle statistiek

Chronologie

28/12/2011 Verzending vraag
13/11/2012 Antwoord

Herindiening van : schriftelijke vraag 5-1230

Vraag nr. 5-4274 d.d. 28 december 2011 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

De politiŽle criminaliteitsstatistieken zijn een belangrijk middel van de overheid om proactief op te treden tegen fysiek, seksueel en psychologisch geweld in onze maatschappij. Hoewel er een sterk vermoeden bestaat dat allochtone vrouwen en meisjes in dit land disproportioneel vaak met zulk geweld worden geconfronteerd, valt dit op heden niet op te maken uit de criminaliteitsstatistieken.

De nood van zulk een registratie werd nochtans recent aangetoond door een Nederlands onderzoek onder de spraakmakende titel " Tot de Dood ons scheidt ". Men stelde vast dat een vijfde van de slachtoffers van partnergeweld een andere dan de Nederlandse nationaliteit had. Wanneer dit partnergeweld een dodelijke afloop had, bleek dat ťťn derde van de slachtoffers niet in Nederland werd geboren. Wellicht zouden de cijfers nog hoger liggen indien in het onderzoek niet zozeer naar nationaliteit maar naar afkomst werd gepeild.

Onder impuls van de Vereniging voor ontwikkeling en emancipatie van moslims (VOEM) en de Stad Antwerpen, loopt er sinds augustus 2010 een lokaal project dat zich inzet voor de Maghrebijnse slachtoffers van intrafamiliaal geweld. Het succes van dit initiatief toont op een haast cynische wijze de nood aan tot een grootschaliger doelgroepenbeleid met betrekking tot huiselijk geweld.

Terwijl het waar is dat het registreren van de etniciteit van de dader van een misdrijf enig risico tot stigmatisatie met zich meebrengt, kan dit argument bezwaarlijk doorwegen wanneer over de afkomst van het slachtoffer bij familiaal geweld wordt gesproken. Laat ons dit taboe dan ook doorbreken.

In dit kader had ik dan ook graag de volgende vragen gesteld:

1) Welke initiatieven heeft de geachte minister recent genomen om het intrafamiliaal geweld onder de allochtone bevolking in kaart te brengen en te verminderen?

2) Wanneer er in de afgelopen vijf jaar een proces-verbaal werd opgesteld met betrekking tot opzettelijke slagen en verwondingen binnen de familie, welke was de nationaliteit van het slachtoffer? Graag had ik de cijfers opgesplitst verkregen per jaar, volgens de vorm van geweld (tussen partners of ex-partners, bij algehele familiale moeilijkheden, door de ouders op een minderjarige, door de ouders op een onbekwame, tegen de ouders, tegen andere bloedverwanten in opgaande lijn), en per arrondissement.

3) Wanneer er in de afgelopen vijf jaar een proces-verbaal werd opgesteld met betrekking tot intrafamiliaal geweld, welke was de nationaliteit van het slachtoffer? Graag had ik de cijfers opgesplitst verkregen per jaar, volgens de vorm van geweld (fysisch, seksueel, psychisch), naar slachtoffer (binnen het koppel, tegen afstammelingen, tegen andere leden) en per arrondissement.

4) Hoeveel dossiers met betrekking tot respectievelijk "opzettelijke slagen en verwondingen binnen de familie" en "intrafamiliaal geweld" werden er in de afgelopen vijf jaar overgemaakt aan het parket? Wanneer deze dossiers werden overgemaakt, welk gevolg werd eraan gegeven door het parket? Graag had ik deze cijfers opgesplitst verkregen per jaar en per arrondissement. Vallen hier significante verschillen te bemerken tussen slachtoffers met de Belgische nationaliteit en slachtoffers met een andere nationaliteit?

5) In de praktijk moet(en) het (de) slachtoffer(s) van het intrafamiliaal geweld vaak de woning verlaten om hun veiligheid te garanderen. Welke maatregelen plant u om de verwijdering van de dader uit de woning te vergemakkelijken?

6) Vindt u het wenselijk dat de nationaliteit van de ouders van het slachtoffer bij gevallen van "opzettelijk geweld binnen de familie" of "intrafamiliaal geweld" wordt geregistreerd?

Antwoord ontvangen op 13 november 2012 :

Op basis van de inlichtingen die door de bevoegde diensten werden overgemaakt, kan ik u het volgende antwoorden.

Gelijkaardige parlementaire vragen, met name vraag nr. 2354 van de heer Bert Schoofs in de Kamer en vraag nr. 5-4628 van de heer Bert Anciaux in de Senaat, werden reeds eerder beantwoord. Ik verwijs dan ook graag naar desbetreffende antwoorden die nog steeds relevant zijn. Hierbij enkele aanvullingen en specificaties.

1. De verschillende databanken laten het in kaart brengen van intrafamiliaal geweld onder de allochtone bevolking niet toe. Initiatieven om hieraan tegemoet te komen werden nog niet genomen en lijken mijns inziens niet wenselijk noch haalbaar. Deze informatie is immers meestal niet dienstig voor het strafrechtelijk onderzoek. Om het fenomeen in kaart te kunnen brengen, zou een systematische registratie van de nationaliteit van het slachtoffer (en de dader) moeten gebeuren en dus ook een systematische bevraging hierover van de slachtoffers door de interveniërende politiediensten. Deze registratie zou zich dan verder moeten zetten op het niveau van het parket. Deze extra belasting, indien ze al haalbaar zou zijn, weegt m.i. niet op tegen de kennis die we er vervolgens uit zouden kunnen halen.

Het klopt dat geweld in allochtone gezinnen of ten aanzien van slachtoffers in een situatie van asiel en migratie, bijzonderheden kent. Deze bijzondere problemen worden oonder andere besproken in het kader van het Nationaal Actieplan ter bestrijding van Partnergeweld en andere vormen van intrafamiliaal geweld 2010-2014.

Indien er vanuit de werkgroepen betrokken bij dit actieplan, of vanuit (toe te juichen) initiatieven zoals van de Vereniging voor ontwikkeling en emancipatie van moslims (VOEM), bepaalde tips komen om de strafrechtelijke aanpak van intrafamiliaal geweld te verbeteren, zullen die zeker in beschouwing genomen worden. Maar het is geenszins de bedoeling om een gedifferentieerd strafrechtelijk beleid naar aanleiding van verschillende doelgroepen te voeren. De (straf)wet is immers voor iedereen gelijk.

Daarenboven werden er uiteraard al vele maatregelen genomen om het intrafamilaal geweld – onder alle burgers – te verminderen. Wat betreft justitie verwijs ik onder andere naar de gemeenschappelijke omzendbrief nr. COL 4/2006 van de minister van Justitie en het college van procureurs-generaal betreffende het strafrechtelijk beleid inzake partnergeweld en de omzendbrief COL 3/2006 betreffende de definitie van het intrafamiaal geweld en de extrafamiliale kindermishandeling, de identificatie en de registratie van de dossiers door de politiediensten en de parketten.

2., 3. en 4. Deze vragen kunnen niet beantwoord worden. Zowel de databanken van de politie als die van het openbaar ministerie laten niet toe om bepaalde statistieken met betrekking tot de nationaliteit van slachtoffers op te maken.

De algemene cijfergegevens betreffende intrafamiliaal geweld werden eerder al toegelicht in de Senaat als antwoord bij de parlementaire vragen nr. 4-6835 van de heer Dirk Claes en nr. 5-2356 van mevrouw Sabine de Bethune.

5. De problematiek van de huisvesting naar aanleiding van partnergeweld staat opgenomen in het Nationaal Actieplan 2010-2014.

Daarnaast heb ik vorige maand een wetsvoorstel uit de Senaat (nr. 5-539) als ontwerp ingediend in de Kamer (nr. 1994), hetgeen de tijdelijke uithuisplaatsing ingeval van huiselijk geweld behandeld.

Deze problematiek werd overigens onlangs geanalyseerd door de Dienst voor het Strafrechtelijk beleid. Het rapport “Uithuisplaatsing als juridisch instrument in de aanpak van partnergeweld” dat uit deze analyse is voortgekomen is beschikbaar op haar website (www.dsb-spc.b).

6. Dit zou mijns inziens geen enkele meerwaarde met zich meebrengen. Bovendien zou dit leiden tot een verhoging van de werklast van de actoren op het terrein die de registraties dienen uit te voeren. Als deze verhoging van werklast niet leidt tot een verbeterde aanpak van de criminaliteit, lijkt deze ook niet opportuun. De registratie van intrafamiliaal geweld is substantieel verbeterd n.a.v. omzendbrief COL 3/2006. Het lijk mij opportuun eerst de ingeslagen weg verder te optimaliseren, zonder de registratie te bemoeilijken met nieuwe initiatieven.