REGLEMENT

VAN DE

BELGISCHE SENAAT




INHOUD

Titel I ­ Organisatie en werkwijze van de Senaat

Hoofdstuk I ­ Voorlopig bureau, onderzoek van de geloofsbrieven en samenstelling van de vergadering
Art. 1 ­ Voorlopig bureau
Art. 2 ­ Commissie voor het onderzoek van de geloofsbrieven
Art. 3 ­ Geldigverklaring van de verkiezingen en onderzoek van de geloofsbrieven
Art. 4 ­ Gemeenschapssenatoren
Art. 5 ­ Gecoöpteerde senatoren
Art. 6 ­ Latere vervangingen
Art. 7 ­ Eedaflegging
Hoofdstuk II ­ Vast bureau
Art. 8 ­ Samenstelling van het bureau
Art. 9 ­ Benoeming van leden van het bureau
Art. 10 ­ Wijze van beslissen van het bureau
Art. 11 ­ Bevoegdheden van het bureau
Art. 12 ­ De geconstitueerde Senaat
Art. 13 ­ Bevoegdheden van de voorzitter
Art. 14 ­ Bevoegdheden van de ondervoorzitters
Art. 15 ­ Bevoegdheden van de quaestoren
Art. 16 ­ Duur van de mandaten
Hoofdstuk III ­ Taalgroepen
Art. 17 ­ Indeling in taalgroepen
Hoofdstuk IV ­ Fracties
Art. 18 ­ Fracties
Hoofdstuk V ­ Afvaardiging van de Senaat in de parlementaire overlegcommissie
Art. 19 ­ Afvaardiging in de parlementaire overlegcommissie
Hoofdstuk VI ­ Regeling van de werkzaamheden
Art. 20 ­ Regeling van de werkzaamheden
Hoofdstuk VII ­ Commissies
Art. 21 ­ Samenstelling van de commissies
Art. 22 ­ Taken van de commissies
Art. 23 ­ Werking van de commissies
Art. 24 ­ Verzoek om advies aan een andere commissie
Art. 25 ­ Verenigde commissies
Art. 26 ­ Subcommissies en werkgroepen
Art. 27 ­ Verslagen
Art. 28 ­ Externe medewerking
Art. 29 ­ Medewerkers van de fracties
Art. 30 ­ Herziening van de Grondwet
Art. 31 ­ Bijzondere commissies
Hoofdstuk VIII ­ Plenaire vergadering
Art. 32 ­ Opening en sluiting van de vergadering
Art. 33 ­ Mededelingen
Art. 34 ­ Opening en sluiting van de bespreking
Art. 35 ­ Aanwezigheid
Art. 36 ­ Notulen
Art. 37 ­ Verslag van de debatten
Art. 38 ­ Het woord voeren
Art. 39 ­ Spreektijd
Art. 40 ­ Voorranghebbende vragen
Art. 41 ­ Stemverklaringen
Art. 42 ­ Wijze van stemmen ­ algemeen
Art. 43 ­ Stemmen bij zitten en opstaan
Art. 44 ­ Stemmen bij naamafroeping
Art. 45 ­ Splitsing en volgorde van stemmen
Art. 46 ­ Aanwezigheidsquorum
Art. 47 ­ Vereiste meerderheid
Art. 48 ­ Vergadering met gesloten deuren
Art. 49 ­ Spreektucht ­ algemeen
Art. 50 ­ Persoonlijke aantijgingen
Art. 51 ­ Weglating van woorden
Art. 52 ­ Verbod van gebruik van zaktelefoons
Art. 53 ­ Tot de orde roepen en uitsluiting
Art. 54 ­ Rumoer in de vergadering

Titel II ­ Grondwetgevende en wetgevende functie

Hoofdstuk I ­ Procedure inzake ontwerpen en voorstellen
Art. 55 ­ Wetsontwerpen
Art. 56 ­ Voorstellen ­ Inoverwegingneming
Art. 57 ­ Verplichte samenwerking met de gemeenschappen en de gewesten
Art. 58 ­ Bespreking ­ Intrekking en overname van voorstellen
Art. 59 ­ Amendementen en subamendementen
Art. 60 ­ Tweede lezing
Art. 61 ­ Uitstel van de eindstemming (5 dagen)
Art. 62 ­ Voorstellen van resolutie
Hoofdstuk II ­ Behandeling van de wetsontwerpen bedoeld in de artikelen 78 tot 81 van de Grondwet
Art. 63 ­ Wetsontwerpen overgezonden aan de Senaat (evocatieprocedure)
Art. 64 ­ Wetsontwerpen teruggezonden naar de Senaat (tweede behandeling)
Art. 65 ­ Evocatietermijn en onderzoekstermijnen
Hoofdstuk III ­ Incidenten
Art. 66 ­ Raadpleging van de Raad van State
Art. 67 ­ Alarmbelprocedure
Art. 68 ­ Beroep bij het Arbitragehof

Titel III ­ Controle- en informatiefunctie

Hoofdstuk I ­ Schriftelijke en mondelinge vragen, vragen om uitleg en moties
Art. 69 ­ Ontvankelijkheid
Art. 70 ­ Schriftelijke vragen
Art. 71 ­ Mondelinge vragen
Art. 72 ­ Vragen om uitleg
Art. 73 ­ Moties
Hoofdstuk Ibis - Actualiteitendebatten
Art. 73bis - Actualiteitendebatten
Hoofdstuk II ­ Themadebatten
Art. 74 ­ Themadebatten
Hoofdstuk III ­ Verzoekschriften
Art. 75 ­ Verzoekschriften
Hoofdstuk IV ­ Parlementair onderzoek
Art. 76 ­ Parlementaire onderzoekscommissies
Art. 77 ­ Schending van de plicht tot geheimhouding

Titel IV ­ Regeling van belangenconflicten

Art. 78 ­ Procedure ingesteld door de Senaat
Art. 79 ­ Procedure ingesteld tegen de Senaat
Art. 80 ­ Gemotiveerd advies van de Senaat aan het Overlegcomité
Art. 81 ­ Voorrang van bevoegdheidsconflicten

Titel V ­ Diverse bepalingen

Hoofdstuk I ­ Voordracht en benoeming van kandidaten en evenredige vertegenwoordiging
Art. 82 ­ Benoemingen en voordrachten ­ Procedure
Art. 83 ­ Externe benoemingen en voordrachten
Art. 84 ­ Evenredige vertegenwoordiging
Hoofdstuk II ­ Federaal adviescomité voor Europese Aangelegenheden
Art. 85 ­ Federaal adviescomité voor Europese Aangelegenheden
Hoofdstuk III ­ Adviescomité voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen
Art. 86 ­ Adviescomité voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen
Hoofdstuk IIIbis - Commissie belast met de begeleiding van het Vast Comité I
Art. 86bis - Commissie belast met de begeleiding van het Vast Comité I
Hoofdstuk IV ­ Zendingen in het buitenland
Art. 87 ­ Zendingen in het buitenland
Hoofdstuk V ­ Orde in de Senaat en op de tribunes
Art. 88 ­ Orde en tucht in de Senaat
Art. 89 ­ Toegang tot de vergaderzaal
Art. 90 ­ Openbare tribunes
Hoofdstuk VI ­ Griffier, diensten en bibliotheek
Art. 91 ­ Benoeming van de griffier
Art. 92 ­ Bevoegdheden en vervanging van de griffier
Art. 93 ­ Diensten van de Senaat
Art. 94 ­ Bibliotheek van het Parlement
Hoofdstuk VII ­ Dotatie
Art. 95 ­ Dotatie van de Senaat
Hoofdstuk VIIbis ­ Cumulatiebeperking
Art. 95bis ­ Cumulatiebeperking
Hoofdstuk VIII ­ Herziening van het reglement
Art. 96 ­ Herziening van het reglement

Titel VI ­ Slotbepalingen

Art. 97 ­ Opheffing reglement van 19 oktober 1831
Art. 98 ­ Inwerkingtreding reglement van 7 april 1995

BIJLAGEN

­ Wet van 6 april 1995 houdende inrichting van de parlementaire overlegcommissie bedoeld in artikel 82 van de Grondwet en tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State
­ Reglement van orde van de parlementaire overlegcommissie
REGISTER VAN HET REGLEMENT

REGLEMENT

VAN     DE

BELGISCHE SENAAT

(Aangenomen door de Senaat op 7 april 1995 - Wijzigingen  : 23 november 1995, 18 december 1995, 9 januari 1997, 22 april 1999, 10 november 1999, 6 april 2000, 25 januari 2001,11 oktober 2001, 22 november 2001, 17 juli 2003 en 12 november 2009)  (1)

TITEL I

ORGANISATIE EN WERKWIJZE VAN DE SENAAT

HOOFDSTUK I

VOORLOPIG BUREAU, ONDERZOEK VAN DE GELOOFSBRIEVEN EN SAMENSTELLING VAN DE VERGADERING

Voorlopig bureau. ARTIKEL 1. ­ Bij de opening van de zitting treedt het lid dat, als aftredend senator, gedurende de langste tijd een parlementair mandaat heeft uitgeoefend, als voorzitter op totdat het vast bureau is samengesteld. Bij gelijke anciënniteit wordt de voorkeur gegeven aan het oudste lid in jaren.
Hij wordt bijgestaan door de twee jongste leden van de vergadering, die samen met hem het voorlopig bureau vormen.
Onderzoek van de geloofsbrieven. ART. 2. Bij elke vernieuwing van de Senaat en totdat het vast bureau is samengesteld, vormen de zeven oudste leden in jaren, gekozen door het kiezerskorps, samen de commissie voor het onderzoek van de geloofsbrieven.
ART. 3. De bewijsstukken betreffende de verkiezingen, alsook de bezwaar- en verzetschriften waartoe de verkiezingen aanleiding zouden hebben gegeven, worden overgezonden aan de commissie, die een of meer van haar leden aanwijst om aan de Senaat verslag uit te brengen.
De bezwaren moeten vóór het onderzoek van de geloofsbrieven bij de Senaat inkomen. Zijn die bezwaren gegrond op feiten die uit documenten blijken, dan worden die documenten bijgevoegd.
Geldigverklaring van de verkiezingen. De Senaat doet uitspraak over de geldigheid van de verkiezingen. Zij wier geloofsbrieven geldig zijn verklaard, worden door de voorzitter tot senator of senator-opvolger uitgeroepen.
(Gewijzigd op 22 april 1999)
Gemeenschapssenatoren. ART. 4. Bij de volledige vernieuwing van de Senaat stelt het voorlopig bureau, na de geloofsbrieven van de door het kiezerskorps rechtstreeks gekozen leden te hebben onderzocht en na de vergadering te hebben geraadpleegd, de datum vast waarop de senatoren worden aangesteld die door de Gemeenschapsraden zijn aangewezen overeenkomstig de artikelen 211 en 212 van het Kieswetboek.
Op de gestelde dag onderzoekt de commissie bedoeld in artikel 2, de geloofsbrieven van de leden die gekozen zijn verklaard door de voorzitters van de Gemeenschapsraden. Vervolgens doet de Senaat uitspraak over de conclusies van de commissie en worden zij wier geloofsbrieven geldig zijn verklaard, door de voorzitter tot senator uitgeroepen.
Gecoöpteerde senatoren. ART. 5. Wanneer bij de volledige vernieuwing van de Senaat de geloofsbrieven zijn onderzocht van alle door het kiezerskorps rechtstreeks verkozen leden en van de door de Gemeenschapsraden aangewezen senatoren, stelt het voorlopig bureau, na de vergadering te hebben geraadpleegd, de datum vast voor de verkiezing van de senatoren die door de Senaat moeten worden aangewezen overeenkomstig de artikelen 218 tot 220 van het Kieswetboek.
Op de gestelde dag onderzoekt de Senaat, op verslag van de commissie bedoeld in artikel 2, de geloofsbrieven van de aldus aangewezen leden, en worden zij wier geloofsbrieven geldig zijn verklaard, door de voorzitter tot senator uitgeroepen.
Latere vervangingen. ART. 6. Nadat het vast bureau is samengesteld, onderzoekt het bureau bij gedeeltelijke verkiezingen of vervanging van een senator de geloofsbrieven overeenkomstig artikel 3. Het bureau wijst een van zijn leden aan om verslag uit te brengen aan de vergadering.
Eedaflegging. ART. 7. Voor zij hun mandaat opnemen, moeten de leden van de Senaat de eed afleggen in de openbare vergadering.
Verkozen verklaarde senatoren die de eed nog niet hebben afgelegd, mogen niet deelnemen aan de beraadslagingen of aan de stemmingen, behalve over de geldigverklaring van de verkiezingen en het onderzoek van de geloofsbrieven.

HOOFDSTUK II

VAST BUREAU

Samenstelling van het bureau. ART. 8. Uiterlijk binnen veertien dagen na de aanwijzing van de gecoöpteerde senatoren installeert de Senaat zijn vast bureau, dat is samengesteld uit  :
1º een voorzitter, een eerste ondervoorzitter, een tweede ondervoorzitter en een derde ondervoorzitter, die achtereenvolgens worden benoemd bij afzonderlijke verkiezingen, en drie quaestoren, die daarna worden verkozen bij stemming op een lijst;
2º de voorzitters van de fracties die vertegenwoordigd zijn in de vaste commissies; zij zijn gelijkgesteld met de ondervoorzitters.
De voorzitters van de fracties vertegenwoordigd in de vaste commissies delen aan de voorzitter de naam mee van het lid van hun fractie dat hen bij verhindering zal vervangen.
Benoeming van leden van het bureau. ART. 9. Behoudens hetgeen hierna bepaald wordt, geschieden alle benoemingen bedoeld in artikel 8, eerste lid, 1º, met inachtneming van de in artikel 84 bepaalde evenredige vertegenwoordiging van de fracties, overeenkomstig artikel 82.
De voorzitter wordt evenwel slechts verkozen verklaard indien hij de volstrekte meerderheid van stemmen van de aanwezige leden verkrijgt. Indien na de eerste stemming geen enkele kandidaat deze meerderheid verkrijgt, heeft herstemming plaats tussen de twee kandidaten die de meeste stemmen hebben behaald, eventueel nadat een beter geplaatste kandidaat zich heeft teruggetrokken. Indien bij de tweede stemming geen van beide kandidaten de vereiste meerderheid verkrijgt, wordt de vergadering gesloten en de benoeming van de leden van het bureau tot de volgende vergadering verdaagd. Tijdens die vergadering wordt overgegaan tot de derde stemming; degene van de twee kandidaten die de meeste stemmen heeft behaald, is verkozen.
Wijze van beslissen van het bureau. ART. 10. Wanneer het bureau niet bij consensus beslist, heeft elke fractie die in het bureau vertegenwoordigd is, recht op een aantal stemmen dat gelijk is aan het aantal mandaten waarop ze aanspraak zou kunnen maken indien het gehele bureau zou worden samengesteld overeenkomstig de regels van de in artikel 84 bepaalde evenredige vertegenwoordiging van de fracties.
De leden bedoeld in artikel 8, eerste lid, 1º, zijn steeds stemgerechtigd.
In voorkomend geval hebben de leden bedoeld in artikel 8, eerste lid, 2º, die met toepassing van de vorige leden, niet het recht zouden hebben een of eventueel meer stemmen uit te brengen, een raadgevende stem.
Bevoegdheden van het bureau. ART. 11. Onverminderd de bevoegdheden van de quaestoren bepaald in artikel 15, kan het bureau, voor de aangelegenheden en voor de tijd die het bepaalt, de uitoefening van zijn bevoegdheden overdragen aan de leden bedoeld in artikel 8, eerste lid, 1º.
De geconstitueerde Senaat. ART. 12. Wanneer de Senaat geconstitueerd is, geeft hij hiervan kennis aan de Koning, aan de Kamer van volksvertegenwoordigers en aan de Gemeenschaps- en Gewestraden.
Bevoegdheden van de voorzitter. ART. 13. De voorzitter handhaaft de orde in de vergadering, doet het reglement naleven, stelt de vraagpunten en brengt ze in stemming, kondigt de uitslag van de stemmingen en de verkiezingen af, spreekt de besluiten van de Senaat uit, voert het woord uit naam van de Senaat en overeenkomstig zijn wens en zorgt voor de in- en uitwendige veiligheid van de Senaat.
De voorzitter mag zich slechts in het debat mengen om de stand van de zaak toe te lichten en de beraadslaging tot het punt in behandeling terug te brengen. Wil hij zelf aan de beraadslaging deelnemen, dan verlaat hij de voorzitterszetel en neemt die niet weer in zolang de zaak aan de orde is.
  Onverminderd de toepassing van artikel 15-1 vertegenwoordigt de voorzitter de Senaat buiten rechte.
  (Gewijzigd op 12 november 2009)
Bevoegdheden van de ondervoorzitters. ART. 14. De ondervoorzitters oefenen dezelfde bevoegdheden uit als de voorzitter, wanneer zij hem vervangen.
Bevoegdheden van de quaestoren. ART. 15. 1. De quaestoren zijn belast met alle maatregelen betreffende het ceremonieel, het materieel en de uitgaven van de Senaat.
Zij plegen overleg met hun collega's van de Kamer van volksvertegenwoordigers voor de maatregelen tot onderhoud van het Paleis en voor die waarbij beide vergaderingen gemeenschappelijk belang hebben.
  Inzake de in het eerste lid bedoelde aangelegenheden vertegenwoordigen de quaestoren de Senaat buiten rechte.
  De quaestoren kunnen, voor de aangelegenheden en voor de tijd die zij bepalen, de uitoefening van hun bevoegdheden, met inbegrip van de bevoegdheid de Senaat buiten rechte te vertegenwoordigen, overdragen aan een of twee van hen of aan de ambtenaren-generaal.
2. Op verslag van de quaestoren onderzoekt het bureau het geldelijk beheer van de Senaat, het ziet de rekeningen na en zuivert ze aan en stelt de begroting van de Senaat vast; het onderwerpt de rekeningen en de begrotingen aan de goedkeuring van de vergadering.
  (Gewijzigd op 12 november 2009)
Duur van de mandaten. ART. 16. 1. De voorzitter, de ondervoorzitters en de quaestoren worden benoemd voor een zitting.
De leden van het bureau bekleden hun ambt tot de opening van de volgende zitting.
Vervangingen. 2. Bij ontstentenis van de voorzitter en de ondervoorzitters bekleedt het oudste lid in jaren het voorzitterschap van de Senaat of van de Senaatsafvaardigingen.

HOOFDSTUK III

TAALGROEPEN

Taalgroepen. ART. 17. Met uitzondering van de senator aangewezen door de Raad van de Duitstalige Gemeenschap maakt elk gekozen lid van de Senaat deel uit van de Nederlandse of van de Franse taalgroep overeenkomstig artikel 43, § 2, van de Grondwet.

HOOFDSTUK IV

FRACTIES

Fracties. ART. 18. 1. De senatoren die rechtstreeks door het kiezerskorps verkozen zijn, kunnen zich tot fracties verenigen volgens de lijsten waarop zij verkozen zijn. Geen lid mag tot meer dan één fractie behoren.
De senatoren die aangewezen zijn door de Vlaamse Raad, door de Raad van de Franse Gemeenschap of door de Senaat, kunnen alleen toetreden tot de fractie door wier toedoen zij aangewezen zijn overeenkomstig artikel 211 of 220 van het Kieswetboek.
De senator die aangewezen is door de Raad van de Duitstalige Gemeenschap, kan toetreden tot een van de fracties bedoeld in het eerste lid.
2. De fracties overhandigen aan de voorzitter de lijst van hun leden, die door hen wordt ondertekend ten blijke van hun individuele toetreding, en de naam van hun voorzitter.
3. Elke wijziging in de samenstelling van de fracties wordt door de fractievoorzitter ter kennis van de voorzitter gebracht.
4. Elke fractie kan een administratief secretariaat organiseren waarvan zij het personeel aanstelt.
Op voorstel van het college van quaestoren bepaalt het bureau het bedrag van de toelage die aan de fracties wordt verleend, alsook de voorwaarden van hun materiële installatie en het recht van toegang van hun personeel tot de lokalen van de Senaat.
5. Het bureau beslist welk tijdstip van de week wordt gereserveerd voor de fractievergaderingen.
Tenzij het bureau anders beslist, heeft op dat tijdstip geen commissie of plenaire vergadering plaats.

HOOFDSTUK V

AFVAARDIGING VAN DE SENAAT

IN DE PARLEMENTAIRE OVERLEGCOMMISSIE

Parlementaire overlegcommissie. ART. 19. 1. Bij iedere vernieuwing van de Senaat benoemt de vergadering, onmiddellijk nadat het vast bureau is samengesteld, voor de gehele zittingsperiode uit haar midden de afvaardiging van de Senaat in de parlementaire overlegcommissie bedoeld in artikel 82 van de Grondwet.
2. Deze afvaardiging telt elf leden, onder wie de voorzitter van de Senaat, die worden benoemd volgens de regelen bepaald in artikel 84.
Voor elke lijst van vaste leden worden op dezelfde wijze plaatsvervangers benoemd, wier aantal gelijk is aan dat van de vaste leden.
3. Valt een mandaat open door overlijden, ontslag of intrekking van dat mandaat op verzoek van de fractie die het lid had voorgedragen, dan wijst de Senaat een nieuw lid aan op voordracht van diezelfde fractie. Wanneer de Senaat niet in vergadering bijeen is, voorziet de voorzitter in die vervanging.
(Gewijzigd op 22 april 1999)

HOOFDSTUK VI

REGELING VAN DE WERKZAAMHEDEN

Regeling van de werkzaamheden. ART. 20. 1. Het bureau regelt de werkzaamheden van de Senaat. Het komt bijeen na bijeenroeping door de voorzitter.
2. Wanneer het bureau vergadert voor de vaststelling van de agenda, wordt de Regering uitgenodigd een van haar leden naar die vergadering af te vaardigen.
De voorzitters van de commissies kunnen worden gehoord.
3. Het bureau kan bepalen binnen welke termijnen de commissies hun verslagen zullen indienen.
4. Het bureau kan bepalen hoeveel tijd aan een bespreking mag worden besteed en hoe laat de stemmingen uiterlijk zullen worden gehouden. Te dien einde stelt het vast hoeveel spreektijd wordt toegestaan aan elke fractie en aan de leden die van geen enkele fractie deel uitmaken.
5. De voorzitter legt de regeling van de werkzaamheden, opgemaakt door het bureau, aan de Senaat ter goedkeuring voor. In geval van betwisting spreekt de Senaat zich uit na een spreker voor en een spreker tegen te hebben gehoord, die ieder ten hoogste drie minuten spreektijd krijgen.

HOOFDSTUK VII

COMMISSIES

Bevoegdheden en samenstelling van de commissies. ART. 21. 1. Bij elke vernieuwing van de Senaat benoemt de vergadering, nadat het vast bureau is samengesteld, voor de gehele zittingsperiode uit haar midden de vaste commissies, waarvan het aantal, met een maximum van zes, de benaming en de bevoegdheid worden bepaald door het bureau.
2. Elke commissie telt zeventien leden, die door de Senaat worden aangewezen volgens de regelen bepaald in artikel 84.
Voor elke lijst van vaste leden van de commissies worden op dezelfde wijze plaatsvervangers benoemd wier aantal gelijk is aan dat van de vaste leden vermeerderd met een eenheid.
3. Iedere senator die met toepassing van punt 2 tot een fractie behoort die in de vaste commissies vertegenwoordigd is, maakt deel uit ten minste van een commissie als lid en van een andere commissie als plaatsvervanger.
4. Valt een mandaat open door overlijden, ontslag of intrekking van dat mandaat op verzoek van de fractie die het lid had voorgedragen, dan wijst de Senaat een nieuw lid aan op voordracht van diezelfde fractie. Wanneer de Senaat niet in vergadering bijeen is, voorziet de voorzitter in die vervanging.
(Gewijzigd op 22 april 1999 en op 17 juli 2003)
Taken van de commissies. ART. 22. 1. De commissies zijn belast met het onderzoek van de ontwerpen van wet, de voorstellen en alle aangelegenheden die de Senaat of zijn voorzitter naar hen verwijst. Ze brengen hierover verslag uit aan de vergadering.
2. Met toestemming van het bureau of van de voorzitter kunnen de commissies ook hoorzittingen en studiedagen organiseren. Ze bepalen vooraf de wijze waarop hierover eventueel verslag zal worden uitgebracht.
3. Wanneer de commissies naar aanleiding van een bespreking beslissen dat een wetgevend initiatief nodig is of dat de Senaat zijn standpunt te kennen moet geven, kunnen ze zelf een voorstel van wet of van resolutie opstellen, het bespreken, erover stemmen en hierover verslag uitbrengen, zonder dat de Senaat het vooraf in overweging neemt.
Deze procedure kan alleen worden aangevat als twee derden van de leden van de commissie zich schriftelijk akkoord verklaren en de voorzitter van de Senaat vooraf zijn toestemming heeft gegeven. In geval van twijfel over de ontvankelijkheid of over de bevoegdheid van de commissie, raadpleegt de voorzitter het bureau.
4. De commissies kunnen ook de Regering verzoeken inlichtingen te komen verstrekken over aangelegenheden die tot hun bevoegdheden behoren.
5. De commissie die bevoegd is voor de Buitenlandse Aangelegenheden bepaalt, in overleg met de bevoegde minister, op welke wijze ze de vervolgcontrole op de procedure tot instemming met de verdragen uitoefent.
(Gewijzigd op 22 april 1999)
Werking van de commissies. ART. 23. 1. Elke commissie benoemt voor de duur van de zitting een voorzitter, een eerste ondervoorzitter en een tweede ondervoorzitter.
Geen enkel lid mag meer dan één van de vaste commissies, bedoeld in artikel 21-1, voorzitten.
Overeenkomstig het vorige lid is de voorzitter van de Senaat van rechtswege voorzitter van één van de vaste commissies waarvan hij deel uitmaakt.
2. De commissies vergaderen op bijeenroeping door hun voorzitter of op initiatief van het bureau of van de voorzitter van de Senaat.
De commissies regelen hun werkzaamheden, onverminderd het bepaalde in artikel 20-3. De voorstellen over de regeling van de werkzaamheden worden vastgelegd door de voorzitter van de commissie in overleg met haar bureau.
3. De commissievergaderingen worden in de regel 's ochtends om 10 uur, 's namiddags om 14 uur en 's avonds om 19 uur gehouden. Behalve met toestemming van het bureau of van de voorzitter van de Senaat en onverminderd het bepaalde in artikel 60, kunnen de commissies niet worden bijeengeroepen gedurende de tijd dat de assemblee in vergadering bijeen is.
4. Het vast lid dat om een geldige reden verhinderd is de vergadering van een commissie bij te wonen, moet zich tijdig laten vervangen door een plaatsvervanger van dezelfde commissie. Hij geeft aan de voorzitter van de commissie kennis van deze vervanging, die in de notulen wordt aangetekend.
5. Behoudens andersluidende beslissing van de commissie, goedgekeurd door de voorzitter van de Senaat, mogen de leden van de Senaat de vergaderingen bijwonen van de commissies waarvan zij geen deel uitmaken, en daar gehoord worden, doch zij hebben geen stemrecht.
6. De stemming over de voorgestelde teksten is alleen dan geldig, wanneer de meerderheid van de leden bijeen is.
7. Van elke commissievergadering worden notulen gemaakt, die worden ondertekend door de voorzitter.
De voorzitter van de Senaat kan beslissen dat van de commissievergaderingen die hij bepaalt, een integraal verslag wordt opgemaakt.
8. De commissievergaderingen zijn openbaar.
Worden niettemin met gesloten deuren gehouden:
a) de vergaderingen van de commissie voor het onderzoek van de geloofsbrieven;
b) de vergaderingen waarbij een commissie met toepassing van artikel 59 van de Grondwet beraadslaagt over het verlof voor de gerechtelijke aanhouding van een lid, zijn verwijzing naar of rechtstreekse dagvaarding voor de strafrechter of over de schorsing van een vervolging;
c) op beslissing van het bureau van de commissie, de vergaderingen betreffende administratieve aangelegenheden of de regeling van de werkzaamheden;
d) de vergaderingen van de commissie belast met de begeleiding van het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten;
e) de vergaderingen van de bijzondere commissies waarop bijzondere vertrouwelijkheidsregels van toepassing zijn die afwijken van de bepalingen in dit artikel.
Voor het overige vergaderen de commissies eveneens met gesloten deuren hetzij op verzoek van een lid van de regering, hetzij wanneer het bureau van de Senaat of de commissie daartoe beslist voor een vergadering of voor een specifiek punt op de agenda.
Bij openbare commissievergaderingen is het publiek toegelaten op de tribunes. De artikelen 88 en 90 zijn van overeenkomstige toepassing.
Wanneer een vergadering met gesloten deuren plaatsvindt, worden alleen de goedgekeurde verslagen en de mededelingen die onder de verantwoordelijkheid van de voorzitter zijn opgesteld openbaar gemaakt.
(Gewijzigd op 22 april 1999, op 10 november 1999, op 6 april 2000 en op 22 november 2001)
Verzoek om advies aan een andere commissie. ART. 24. 1. De voorzitter van de Senaat kan ambtshalve, indien hij het nuttig oordeelt of op verzoek van de voorzitter van een van de commissies, beslissen dat over een ontwerp of voorstel van wet dat naar een commissie is verzonden, een beredeneerd advies van een andere commissie wordt gevraagd.
De voorzitter stelt de termijn vast binnen welke het advies wordt uitgebracht.
2. De commissie waarnaar het ontwerp of voorstel verzonden is, sluit de bespreking niet af vóór zij dat advies heeft ontvangen of, bij gebreke daarvan, vóór het einde van de vastgestelde termijn.
Verenigde commissies. ART. 25. 1. De Senaat of zijn voorzitter kan meerdere commissies belasten met een gezamenlijk onderzoek van aangelegenheden die tot hun bevoegdheid behoren.
De verenigde commissies worden voorgezeten door de oudste voorzitter in jaren van de betrokken commissies.
2. De verenigde commissies beslissen gezamenlijk. Leden die deel uitmaken van meer dan een van die commissies, brengen een stem uit voor elke commissie waartoe zij behoren.
Bij stemming worden quorum en meerderheid bepaald op grond van het gezamenlijk aantal leden van de verenigde commissies.
Subcommissies en werkgroepen. ART. 26. De commissies kunnen, na overleg met de voorzitter van de Senaat, uit hun midden subcommissies en werkgroepen vormen, waarvan zij de samenstelling en de bevoegdheid bepalen.
De subcommissies en werkgroepen brengen verslag uit aan de commissies waartoe zij behoren binnen de termijn welke die commissies bepalen.
De werkgroepen vergaderen met gesloten deuren.
De subcommissies vergaderen met gesloten deuren, behoudens andersluidende beslissing van het bureau van de Senaat of, in dringende gevallen, van de voorzitter van de Senaat.
De werkzaamheden van de subcommissies en werkgroepen kunnen slechts openbaar gemaakt worden nadat het in het tweede lid van dit artikel bedoelde verslag is uitgebracht en nadat de betrokken commissie of commissies daartoe besloten hebben.
(Gewijzigd op 22 april 1999 en op 22 november 2001)
Verslagen. ART. 27. 1. De commissies kiezen onder hun leden een of meer rapporteurs voor elk ontwerp of voorstel. Hetzelfde geldt bij toepassing van artikel 22-2.
Is bij de Kamer van volksvertegenwoordigers een ontwerp of voorstel van wet aanhangig, dan kan de bevoegde commissie nog vóór de stemming in de Kamer een rapporteur aanwijzen en de behandeling van de tekst aanvatten, zonder stemmingen.
2. De verslagen van de commissies bevatten een korte inhoud van de beraadslagingen en vermelden elk amendement met de naam van de indiener; zij bevatten tenslotte ook met redenen omklede besluiten. In de verslagen over wetsontwerpen en voorstellen die in openbare commissievergaderingen werden behandeld, worden de sprekers bij name vermeld.
Wanneer zulks wegens dringende noodzakelijkheid of om materiële redenen verantwoord is, kan de voorzitter van de Senaat bevelen dat verklarende nota's en statistische tabellen niet bij het verslag worden gevoegd maar ter griffie worden neergelegd, waar de senatoren er kennis van kunnen nemen.
3. Met de algemene instemming van de aanwezige leden kan de commissie besluiten aan de rapporteur vertrouwen te schenken voor het opstellen van het verslag.
Doet ze dat niet, dan wordt de ontwerptekst van het verslag goedgekeurd met een stemming, overeenkomstig artikel 23-6.
4. De verslagen worden vertaald, gedrukt in het Nederlands en het Frans en aan de senatoren rondgedeeld uiterlijk de dag vóór de algemene bespreking.
Verzending over de post, per faxpost of per elektronische post geldt als ronddeling. Bij verzending over de post wordt de vorenbedoelde termijn met een dag verlengd.
In spoedeisende gevallen kan de Senaat voorlezing van de verslagen in de plenaire vergadering gelasten.
(Gewijzigd op 22 november 2001)
Externe medewerking. ART. 28. 1. Met toestemming van het bureau of van de voorzitter van de Senaat kan een commissie, bij de uitvoering van haar opdrachten, het advies inwinnen van personen of instellingen die niet tot de Senaat behoren, hun om documentaire inlichtingen vragen of om hun medewerking verzoeken.
Een dergelijke tussenkomst mag alleen van adviserende aard zijn.
2. De voorwaarden waaronder een of meer personen die geen lid zijn van de Senaat, door een commissie gehoord kunnen worden of aan haar werkzaamheden kunnen deelnemen, worden vastgesteld door de voorzitter van de commissie, met haar instemming.
Medewerkers van de fracties. ART. 29. 1. De leden van een fractie kunnen zich in de commissie laten bijstaan door een medewerker van hun fractie, tenzij de commissie anders beslist.
De naam en de hoedanigheid van de medewerker moeten vóór elke vergadering medegedeeld worden aan de voorzitter van de commissie.
De fractiemedewerker kan slechts toegang tot de vergadering krijgen voor zover een lid van zijn fractie aanwezig is. In beginsel mag hij enkel de vergadering bijwonen als een lid van zijn fractie aanwezig is; de commissievoorzitter kan echter, bij tijdelijke afwezigheid van de leden van de fractie, van die regel afwijken.
De medewerker mag niet deelnemen aan de bespreking.
De medewerker moet de vergadering verlaten zodra de commissie een andersluidende beslissing neemt als bedoeld in artikel 23-5, en wordt niet toegelaten zolang deze beslissing van toepassing is.
De medewerker heeft geen toegang tot de commissie bedoeld in artikel 2, noch tot de bijzondere commissies die de voorzitter aanwijst.
2. Onder medewerker van een fractie wordt verstaan de secretaris en de geaccrediteerde wetenschappelijke medewerkers van deze fractie, of van een overeenstemmende fractie in een andere assemblee.
Herziening van de Grondwet. ART. 30. 1. In afwijking van artikel 56 wordt elk voorstel tot herziening van de Grondwet verwezen naar de commissie die bevoegd is voor de institutionele aangelegenheden, zonder dat de Senaat het vooraf in overweging neemt.
2. Al is de zitting gesloten, toch kan de commissie zitting houden en rechtstreeks mededeling ontvangen van voorstellen uitgaande van de regering of van parlementsleden.
(Gewijzigd op 10 november 1999)
Bijzondere commissies. ART. 31. De Senaat kan, telkens als hij het dienstig acht, bijzondere commissies instellen voor de aangelegenheden en voor de tijd die hij bepaalt.
Tenzij de Senaat anders beslist, zijn de artikelen 21 tot 29 van overeenkomstige toepassing op de bijzondere commissies.

HOOFDSTUK VIII

PLENAIRE VERGADERING

Opening en sluiting van de vergadering. ART. 32. 1. De voorzitter opent en sluit de vergadering.
Hij geeft tijdens of op het einde van elke vergadering kennis van de dag, het uur en de agenda van de volgende vergadering.
2. Tenzij de Senaat anders beslist, beginnen de ochtendvergaderingen om 10 uur, de namiddagvergaderingen om 14 uur en de avondvergaderingen om 19 uur.
Mededelingen. ART. 33. Bij de aanvang van de vergadering geeft de voorzitter kennis van de mededelingen, boodschappen, brieven en andere stukken die de Senaat betreffen, met uitzondering van naamloze of beledigende geschriften.
Tevens wordt de zakelijke inhoud bekendgemaakt van tot de Senaat gerichte verzoekschriften.
Opening en sluiting van de bespreking. ART. 34. De voorzitter opent de bespreking; hij sluit ze wanneer geen enkele spreker meer het woord vraagt.
Wanneer de voorzitter van oordeel is dat de verschillende standpunten tot uiting zijn gekomen, kan hij voorstellen de sprekerslijst af te sluiten.
Aanwezigheid. ART. 35. 1. Geen senator mag nalaten een vergadering van de Senaat bij te wonen zonder de voorzitter van de Senaat daarvan op de hoogte te hebben gebracht.
2. De namen van hen die hebben verzocht hun afwezigheid in de plenaire vergadering te verontschuldigen, worden vermeld in de Handelingen met opgave van de redenen van verhindering.
(Gewijzigd op 22 april 1999 en op 6 april 2000)
Notulen. ART. 36. De notulen van de vorige vergadering worden ter inzage gelegd bij het bureau; de leden mogen daarvan kennis nemen en eventueel bezwaar inbrengen tegen de redactie ervan. Wordt het bezwaar als gegrond erkend, dan wordt, staande de vergadering of op de eerstvolgende vergadering, een nieuwe redactie, overeenstemmend met de beslissing van de Senaat, voorgelegd.
Loopt de vergadering ten einde zonder enig bezwaar tegen de notulen, dan zijn die, na ondertekening door de voorzitter en de griffier, goedgekeurd; ze worden in het archief van de Senaat bewaard.
De Senaat kan beslissen dat er van vergaderingen met gesloten deuren geen notulen worden gehouden.
Verslag van de debatten. ART. 37. 1. De debatten worden in de Handelingen weergegeven, in extenso in de taal van de spreker en samengevat in de andere taal.
2. De sprekers kunnen correcties meedelen. Die moeten de dienst Verslaggeving bereiken uiterlijk de tweede werkdag na de vergadering, om 17 uur.
Na het verstrijken van deze termijn worden de sprekers geacht in te stemmen met de tekst die door de dienst is uitgeschreven en gereviseerd.
(Gewijzigd op 22 april 1999 en op 6 april 2000)
Het woord voeren. ART. 38. 1. Geen senator mag spreken dan nadat hij zich heeft laten inschrijven of nadat hij het woord heeft gekregen.
2. De voorzitter bepaalt de volgorde van de sprekers. Daarbij ziet hij erop toe dat de uiteenzettingen voor of tegen het voorstel in behandeling elkaar afwisselen.
3. De spreker spreekt van zijn plaats of van het spreekgestoelte. Hij mag slechts het woord richten tot de voorzitter of tot de vergadering.
4. Niemand spreekt meer dan tweemaal over dezelfde zaak, tenzij met bijzondere toestemming van de voorzitter.
5. De rapporteurs van de ontwerpen of voorstellen die in behandeling zijn, alsook de ministers en de staatssecretarissen, worden gehoord wanneer zij het vragen.
6. De rapporteur heeft het recht als eerste het woord te voeren om het verslag van de commissie toe te lichten. Hij mag daarbij het verslag niet voorlezen noch persoonlijke overwegingen uiten die strijdig zijn met de besluiten van de commissie.
Spreektijd. ART. 39. 1. Voor zover de vergadering, op voorstel van het bureau, niet anders beslist, is de spreektijd in de algemene bespreking beperkt tot dertig minuten voor een gemandateerde spreker van iedere fractie en tot tien minuten voor de andere sprekers; in de bespreking van de amendementen en de artikelsgewijze bespreking tot vijf minuten; bij prejudiciële kwesties, in overwegingnemingen van voorstellen en moties betreffende de procedure tot drie minuten.
Ieder lid kan zijn stem in de vergadering verantwoorden; de spreektijd is beperkt tot twee minuten.
2. Wordt de aldus begrensde spreektijd door de spreker overschreden, dan kan de voorzitter hem, na een waarschuwing, het woord ontnemen.
3. Onverminderd artikel 100, eerste lid, van de Grondwet, kan de voorzitter te allen tijde de spreektijd van alle sprekers beperken.
(Gewijzigd op 22 april 1999)
Voorranghebbende vragen. ART. 40. 1. Het woord mag steeds gevraagd worden om  :
1º de voorafgaande vraag te stellen tegen verdere behandeling;
2º de verdaging van het debat of van de stemming voor te stellen;
3º de terugzending naar een commissie voor te stellen;
4º de sluiting van het debat voor te stellen;
5º naar het reglement te verwijzen;
6º een aangevoerd feit recht te zetten;
7º te antwoorden op een persoonlijk feit;
8º een wijziging in de regeling van de werkzaamheden voor te stellen.
2. De voorafgaande vraag (1º), de verzoeken tot verdaging (2º), tot terugzending naar een commissie (3º), tot sluiting van het debat (4 º) of de verwijzing naar het reglement (5º) hebben voorrang boven de zaak zelf en schorsen de behandeling ervan.
Alleen de verzoeker en één spreker per fractie mogen het woord voeren. Indien de voorzitter echter van mening is dat een verzoek tot verdaging of tot sluiting alleen strekt om de werkzaamheden van de vergadering te belemmeren, kan hij dit verzoek onmiddellijk en zonder debat in stemming brengen bij zitten en opstaan.
3. De voorzitter oordeelt over de ontvankelijkheid van de verzoeken om een aangevoerd feit recht te zetten (6º), op een persoonlijk feit te antwoorden (7º) of een wijziging in de regeling van de werkzaamheden voor te stellen (8º) en bepaalt eventueel het tijdstip waarop ze kunnen worden voorgedragen.
Stemverklaringen. ART. 41. Na het sluiten van de bespreking zijn stemverklaringen toegestaan vóór de naamstemming over een ontwerp of een voorstel in zijn geheel, over een beslissing niet te amenderen, of over een motie ingediend bij het sluiten van een debat.
De voorzitter kan dit recht beperken tot wie aan de bespreking hebben deelgenomen en het aantal sprekers tot één per fractie bepalen. De spreektijd is beperkt overeenkomstig artikel 39.
Wijze van stemmen. ART. 42. 1. Behoudens in het geval van algemene instemming, vastgesteld door de voorzitter, spreekt de Senaat zich uit bij stemming.
2. Onder voorbehoud van hetgeen verder wordt bepaald, geschiedt de stemming bij zitten en opstaan.
3. Over de wetten in hun geheel wordt bij naamafroeping gestemd of op een van de wijzen van stemmen bedoeld in artikel 44-2.
Er wordt op dezelfde wijze te werk gegaan wanneer ten minste vijf leden daarom verzoeken voor de stemmingen over ofwel moties ingediend bij het sluiten van een debat, ofwel conclusies van een verslag, ofwel artikelen van een ontwerp of een voorstel, ofwel amendementen of subamendementen op die artikelen of moties, ofwel een beslissing om niet te amenderen.
Wordt de hoofdelijke stemming gevraagd, dan kan de voorzitter, zo hij dat nuttig acht, de naam van de leden die dit verzoek hebben ingediend, doen opschrijven; antwoordt een van deze leden niet op de afroeping van zijn naam, dan wordt de hoofdelijke stemming niet voortgezet en wordt er gestemd bij zitten en opstaan.
Behoudens bij geheime stemming kan de voorzitter steeds, ongeacht over welke aangelegenheid het gaat, tot de hoofdelijke stemming overgaan, onder meer wanneer er twijfel bestaat over de regelmatigheid van de stemmen die op een andere wijze zijn uitgebracht.
4. Over benoemingen en voordrachten wordt er een geheime stemming gehouden overeenkomstig de regels vastgesteld in artikel 82.
(Gewijzigd op 22 april 1999)
Stemmen bij zitten en opstaan. ART. 43. 1. Een stemming bij zitten en opstaan is niet volledig dan nadat proef en tegenproef hebben plaatsgehad. De voorzitter beslist over het resultaat van de proef en de tegenproef, die worden overgedaan indien hij dat nodig acht of indien vijf leden daarom verzoeken.
2. Bestaat er na het overdoen nog steeds twijfel, dan wordt er een hoofdelijke stemming gehouden.
3. Tussen twee proeven van een stemming mag het woord niet worden genomen.
Naamafroeping. ART. 44. 1. Naamafroeping geschiedt naar alfabetische volgorde en begint met de naam van het lid dat op elke vergadering door het lot wordt aangewezen.
De stemming geschiedt met luider stemme; iedere senator stemt onvoorwaardelijk en met ja of neen.
Naamstemming. 2. Met mondelinge hoofdelijke stemming bij naamafroeping staan gelijk de mechanisch of elektronisch uitgebrachte naamstemming en de stemming met ondertekende stembriefjes.
De voorzitter heeft steeds het recht mondeling te laten herstemmen wanneer er twijfel is over de regelmatigheid van de mechanische of elektronische stemverrichting.
Onthoudingen. 3. Na de naamafroeping verzoekt de voorzitter de leden die niet gestemd hebben, alsnog aan de stemming deel te nemen.
De getelde stemmen worden vastgesteld door de voorzitter, die de uitslag van de stemming aan de Senaat mededeelt. Hij verzoekt vervolgens de leden die zich onthouden hebben, bondig de redenen van hun onthouding te doen kennen.
4. De leden die aanwezig waren bij de stemming maar er niet aan hebben deelgenomen, worden geacht zich te hebben onthouden.
De onthoudingen worden meegerekend om het aantal aanwezige leden te bepalen; ze worden niet meegerekend om de meerderheid vast te stellen, tenzij uitdrukkelijk anders wordt bepaald.
Splitsing. ART. 45. 1. Een tekst die verscheidene punten behandelt, wordt van rechtswege gesplitst wanneer zulks wordt gevraagd; de stemming over de tekst in zijn geheel is niettemin vereist.
Volgorde van de stemmingen. 2. Wanneer over een zelfde onderwerp verscheidene voorstellen zijn ingediend, hebben die voorstellen voorrang die in stemming kunnen worden gebracht zonder de aanneming van de andere uit te sluiten, te beginnen met die met de verste strekking.
Evenzo wordt onder de voorstellen waarvan de aanneming het in stemming brengen van de andere uitsluit, voorrang verleend aan die met de verste strekking.
3. Amendementen worden in stemming gebracht vóór het oorspronkelijke voorstel en subamendementen vóór de amendementen.
Quorum. ART. 46. 1. De assemblee kan slechts een besluit nemen indien de meerderheid van de leden aanwezig is.
Indien de Grondwet de aanwezigheid van twee derden van de leden vereist, moeten minstens achtenveertig leden aanwezig zijn.
2. Wanneer er bij zitten en opstaan moet worden gestemd, hetzij over moties tot besluit van een debat, hetzij over conclusies van een verslag, hetzij over artikelen van een ontwerp of voorstel, hetzij over amendementen of subamendementen op die moties of artikelen, hetzij over een beslissing om niet te amenderen, en de meerderheid van de leden niet aanwezig is, kan ieder lid de verwijzing naar een volgende vergadering vragen.
In geval van twijfel doet de voorzitter tot een naamafroeping overgaan.
3. Indien bij een hoofdelijke stemming blijkt dat er niet voldoende leden aanwezig zijn, kan de voorzitter de vergadering gedurende hoogstens twee uur schorsen.
Indien hij geen gebruik maakt van deze mogelijkheid of indien het vereiste aantal leden nog niet aanwezig is wanneer de stemming na de schorsing hervat wordt, kan de Senaat overgaan tot de bespreking van de andere agendapunten. Deze mogen echter niet meer in stemming worden gebracht en de onbeslist gebleven stemming wordt hervat, vóór elke bespreking, bij de aanvang van de eerstvolgende vergadering, waarvan de voorzitter dag en uur bepaalt na eventuele raadpleging van het bureau.
(Gewijzigd op 22 april 1999)
Vereiste meerderheid. ART. 47. 1. Tenzij de Grondwet, een wet of een verordening anders bepaalt, wordt elk besluit genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen.
2. Bij staking van stemmen is het behandelde voorstel verworpen.
Vergadering met gesloten deuren. ART. 48. Op verzoek van de voorzitter of van tien leden vergadert de Senaat met gesloten deuren; vervolgens beslist de Senaat, bij volstrekte meerderheid van stemmen, of de vergadering in het openbaar zal worden hervat over hetzelfde onderwerp.
De senatoren die een vergadering met gesloten deuren wensen, dienen daartoe een schriftelijk en door hen ondertekend voorstel in. Hun naam wordt in de notulen opgenomen.
Spreektucht. ART. 49. 1. Een spreker mag niet in de rede worden gevallen, tenzij voor een beroep op het reglement. Alleen de voorzitter kan hem terugroepen tot de behandeling van het onderwerp, wanneer hij daarvan afwijkt.
2. Is een spreker reeds tweemaal tijdens een zelfde redevoering teruggeroepen tot de behandeling van het onderwerp, en gaat hij voort ervan af te wijken, dan ontneemt de voorzitter hem het woord voor de verdere duur van het debat over dat onderwerp.
3. Hetzelfde geldt wanneer een spreker, na twee waarschuwingen, voortgaat met het herhalen van zijn eigen argumenten of van die welke een ander lid in het debat heeft aangevoerd.
Persoonlijke aantijgingen. ART. 50. Een lid dat aan een ander kwade bedoelingen toeschrijft of beledigende persoonlijke toespelingen maakt, kan tot de orde worden geroepen overeenkomstig artikel 53.
Weglating van woorden. ART. 51. De voorzitter kan uit de Handelingen de woorden doen schrappen die strijdig zijn met de orde of die zijn uitgesproken door een lid dat niet aan het woord was of dat blijft spreken nadat de voorzitter hem het woord heeft ontnomen.
Hij kan dergelijke woorden ook doen weglaten uit de verslagen, voorstellen en andere teksten die als parlementaire stukken worden gedrukt.
(Gewijzigd op 6 april 2000)
Zaktelefoons. ART. 52. Het is verboden tijdens alle plenaire vergaderingen, vergaderingen van commissies, sub-commissies en werkgroepen en vergaderingen van het bureau, gebruik te maken van zaktelefoons, hetzij om op te bellen, hetzij om telefoonoproepen te beantwoorden.
Overeenkomstig artikel 53, roept de voorzitter elk lid tot de orde dat de vergadering door het gebruik van dergelijke toestellen verstoort.
(Ingevoegd en hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 51bis)
Tot de orde roepen. ART. 53. 1. Stoort een lid de orde, dan wordt hij bij name door de voorzitter tot de orde geroepen.
In geval van herhaling roept de voorzitter de betrokkene andermaal tot de orde met vermelding in de notulen.
Bij een nieuwe herhaling of in ernstige gevallen wordt hij door de voorzitter tijdelijk uitgesloten.
Het tot de orde geroepen of uitgesloten lid kan hiertegen in beroep gaan bij het bureau van de Senaat na afloop van de vergadering. Op een latere vergadering deelt de voorzitter aan de Senaat mede welk gevolg aan dit beroep is gegeven.
Uitsluiting. 2. De uitsluiting brengt het verbod mede om deel te nemen aan de werkzaamheden van de Senaat en het Senaatsgebouw opnieuw te betreden.
Ze geldt voor het overige deel van de vergadering gedurende welke zij is uitgesproken.
3. Voldoet de uitgesloten senator niet aan het bevel het gebouw te verlaten, dan schorst of sluit de voorzitter de vergadering en geeft aan de diensthebbende wacht de nodige bevelen om zijn besluit te doen uitvoeren.
In dat geval is het lid van rechtswege uitgesloten voor de tien volgende vergaderingen.
4. Heeft tijdens de duur van de uitsluiting een stemming plaats, waarbij de stem van het uitgesloten lid beslissend had kunnen zijn, dan moet de stemming herhaald worden nadat aan de uitsluiting een einde is gekomen, tenzij de vergadering het verkieslijk acht het lid tot de stemming toe te laten tijdens de uitsluiting.
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 52)
Rumoer. ART. 54. Wordt de assemblee woelig, dan kondigt de voorzitter aan dat hij de vergadering zal schorsen. Duurt de verstoring voort, dan schorst hij de vergadering voor één uur, gedurende hetwelk de senatoren de zaal verlaten; na verloop van dit uur wordt de vergadering van rechtswege hervat. Zij kan vroeger hervat worden, zo de voorzitter oordeelt dat er weer voldoende kalmte heerst.
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 53)

TITEL II

GRONDWETGEVENDE EN WETGEVENDE FUNCTIE

HOOFDSTUK I

PROCEDURE INZAKE ONTWERPEN EN VOORSTELLEN

Wetsontwerpen. ART. 55. De wetsontwerpen die door de Koning of door de Kamer van volksvertegenwoordigers worden toegezonden aan de Senaat, alsook de memories van toelichting, worden gedrukt in het Nederlands en in het Frans en rondgedeeld.
Onverminderd de toepassing van de artikelen 27-1, tweede lid, en 63-1, worden deze wetsontwerpen voor onderzoek verzonden naar een of meer afzonderlijke commissies of naar verscheidene verenigde commissies, tenzij de Senaat om dringende redenen tot dadelijke behandeling besluit.
De voorzitter wijst de commissies aan waarnaar de ontwerpen van wet worden verzonden, onverminderd de toepassing van artikel 63. De voorzitters van deze commissies worden hiervan in kennis gesteld door de griffier en delen hem mee tegen welke dag en welk uur de commissies moeten worden bijeengeroepen.
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 54)
Voorstellen. ART. 56. 1. Iedere senator heeft het recht voorstellen in te dienen.
Het voorstel dient ondertekend te zijn en voorzien van een toelichting. Het wordt overhandigd aan de voorzitter, hetzij in het Nederlands en in het Frans, hetzij in één van beide talen, naar keuze van de indiener. In het laatste geval doet de voorzitter het voorstel vertalen.
Indien het een voorstel van wet betreft, dient dit te vermelden of het een aangelegenheid regelt bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, dan wel een aangelegenheid bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Een voorstel mag niet ondertekend zijn door een aantal senatoren dat groter is dan het aantal fracties vertegenwoordigd in de assemblee.
Inoverwegingneming. 2. Is de voorzitter van oordeel dat het voorstel ontvankelijk is, dan wordt het gedrukt in de beide talen en rondgedeeld vóór de vergadering waarop de inoverwegingneming zal worden besproken, onverminderd de toepassing van artikel 22-3.
In geval van twijfel omtrent de ontvankelijkheid verwijst de voorzitter het voorstel naar het bureau, dat het advies van de bevoegde commissie kan inwinnen. Het bureau brengt verslag uit aan de plenaire vergadering over de ontvankelijkheid van het voorstel. Is dit verslag gunstig, dan wordt het gedrukt in beide talen en samen met het wetsvoorstel rondgedeeld vóór de bespreking van de inoverwegingneming.
3. Bij de opening van de algemene bespreking vraagt de voorzitter of de vergadering dit voorstel in overweging neemt. Besluit de vergadering het voorstel in overweging te nemen, dan wordt het verzonden naar de bevoegde commissie, die het uiterlijk één jaar na de indiening op haar agenda brengt.
Wanneer meerdere voorstellen of ontwerpen hetzelfde onderwerp hebben, worden zij door de commissie samen onderzocht, behoudens andersluidende beslissing.
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 55)
Samenwerking met de gemeenschappen en de gewesten. ART. 57. 1. De commissie waarnaar een voorstel van wet verzonden is waarover ingevolge een wetsbepaling een advies moet worden gevraagd aan één of meer gemeenschaps- of gewestregeringen, verzoekt, vanaf het ogenblik waarop de commissie het voorstel in behandeling neemt, de voorzitter van de Senaat aan de bedoelde gemeenschaps- of gewestregeringen dit advies te vragen.
Advies. De bedoelde regeringen wordt verzocht hun advies binnen een termijn van zeventien werkdagen mede te delen. Bij dringende noodzakelijkheid kan deze termijn teruggebracht worden tot zes werkdagen. De dringende noodzakelijkheid moet gemotiveerd worden. Indien de bedoelde regeringen hun advies niet meedelen binnen deze termijn, neemt de commissie hiervan akte.
Overleg of betrokkenheid. 2. De commissie waarnaar een voorstel van wet verzonden is waarover ingevolge een wetsbepaling overleg moet worden gepleegd met één of meer gemeenschaps- of gewestregeringen, verzoekt, vanaf het ogenblik waarop de commissie het voorstel in behandeling neemt, de voorzitter van de Senaat de bedoelde gemeenschaps- of gewestregeringen uit te nodigen een of meer vertegenwoordigers af te vaardigen naar alle besprekingen die de commissie aan dit wetsvoorstel besteedt. De vertegenwoordigers van de bedoelde regeringen kan om uitleg of advies gevraagd worden door de commissie. Deze vertegenwoordigers kunnen tevens, wanneer zij erom verzoeken, het woord nemen in de commissie en deelnemen aan de debatten.
Indien de betrokken gemeenschaps- of gewestregeringen of een van die regeringen niet ingaan op het verzoek van de voorzitter van de Senaat of daarop afwijzend reageren, neemt de commissie hiervan akte.
Eensluidend advies, akkoord, goedkeuring of overeenstemming. 3. Alvorens een voorstel van wet dat, ingevolge een wetsbepaling, het eensluidend advies, het akkoord, de goedkeuring of de overeenstemming vereist van een of meer gemeenschaps- of gewestregeringen, aan de plenaire vergadering van de Senaat voor te leggen, vraagt de voorzitter van de Senaat aan de bedoelde regeringen hun eensluidend advies, akkoord, goedkeuring of overeenstemming te geven.
De bedoelde regeringen wordt verzocht hun standpunt binnen een termijn van vijftien werkdagen mede te delen. Bij dringende noodzakelijkheid kan deze termijn worden teruggebracht tot zes werkdagen. De dringende noodzakelijkheid moet gemotiveerd worden.
De plenaire vergadering kan echter geen eindstemming over het voorstel houden zonder dat de bedoelde instemmingen verkregen zijn.
Wordt in de plenaire vergadering bij de behandeling van het voorstel dat de instemming van de gemeenschaps- of gewestregeringen verkregen heeft, een amendement aangenomen of worden artikelen verworpen, dan wordt de tekst, in eerste lezing aangenomen, opnieuw voor eensluidend advies, akkoord, goedkeuring of overeenstemming voorgelegd aan de bedoelde gemeenschaps- of gewestregeringen.
4. De in punten 1 tot 3 bedoelde procedures zijn van toepassing op de wetsontwerpen aan de oorsprong waarvan een parlementair initiatief lag, die door de Kamer aan de Senaat zijn overgezonden en waarvoor de verplichte samenwerkingsprocedure door de Kamer niet is nageleefd.
(Ingevoegd en hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 55bis)
Bespreking. ART. 58. 1. De bespreking in de plenaire vergadering is verdeeld in twee debatten  : de algemene bespreking en de artikelsgewijze bespreking.
2. De algemene bespreking loopt over het grondbeginsel van het voorstel en over het voorstel in zijn geheel of over een titel of hoofdstuk van het voorstel.
Daarop volgt de artikelsgewijze bespreking, achtereenvolgens over elk artikel en over de desbetreffende amendementen. Voor zover de vergadering niet anders beslist, wordt de door de commissie goedgekeurde tekst ten grondslag gelegd aan de artikelsgewijze bespreking.
Heeft de commissie besloten het ontwerp of voorstel niet aan te nemen, dan spreekt de vergadering zich na de algemene bespreking uit over dat besluit en komen de artikelen slechts in behandeling, indien de vergadering zich niet verenigt met de zienswijze van de commissie.
Intrekking en overname van voorstellen. 3. De indiener van een voorstel kan dit voorstel intrekken, ook al is de bespreking ervan reeds geopend. Wanneer een andere senator het voorstel overneemt, wordt de bespreking evenwel voortgezet.
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 56)
Amendementen. ART. 59. 1. Iedere senator mag amendementen of subamendementen voorstellen en toelichten. Hij moet ze schriftelijk opstellen, ondertekenen en ter tafel leggen.
Onder een amendement wordt verstaan elk voorstel om een of meer bepalingen van een voorstel of ontwerp te wijzigen, te vervangen of te doen vervallen of om er bepalingen aan toe te voegen op een aan te geven plaats. Een amendement moet rechtstreeks verband houden met het onderwerp van het voorstel of ontwerp of met de bepaling die het beoogt te wijzigen of te vervangen.
Een amendement of een subamendement mag niet ondertekend zijn door een aantal senatoren dat groter is dan het aantal fracties vertegenwoordigd in de assemblee.
Wanneer het wetsvoorstel of wetsontwerp waarop het amendement betrekking heeft, in een commissie is besproken, dient het amendement voorgesteld te worden vóór de sluiting van de algemene bespreking in de plenaire vergadering. Achteraf kunnen nog worden voorgesteld  :
­ subamendementen;
­ amendementen op artikelen waarop de regering amendementen heeft ingediend waarvan de senatoren geen kennis hebben kunnen nemen vóór de sluiting van de algemene bespreking in de plenaire vergadering;
­ amendementen die steunen op adviezen of beslissingen van geraadpleegde organen waarvan de senatoren geen kennis hebben kunnen nemen vóór de sluiting van de algemene bespreking in de plenaire vergadering;
­ amendementen die een compromis vormen of van technische aard zijn en die voortvloeien uit de bespreking van de artikelen.
2. De indiener van een amendement of subamendement kan het intrekken, ook al is de bespreking ervan reeds geopend. Wanneer een andere senator het overneemt, wordt de bespreking evenwel voortgezet.
3. Amendementen worden in stemming gebracht vóór het oorspronkelijke voorstel en subamendementen vóór de amendementen, onverminderd de toepassing van de artikelen 63-3 en 64-3.
4. Beslist de vergadering dat een amendement of een subamendement naar de commissie wordt verzonden, dan kan de bespreking geschorst worden.
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 57)
Tweede lezing. ART. 60. 1. Zijn er in eerste lezing in de plenaire vergadering amendementen aangenomen of artikelen verworpen, dan kan de Senaat de tekst, in eerste lezing aangenomen, opnieuw voorleggen aan de commissie die het besproken ontwerp of voorstel heeft onderzocht.
De commissie onderzoekt uitsluitend de aangenomen amendementen en de verworpen artikelen en, in voorkomend geval, de nieuwe op die aanneming of verwerping gegronde amendementen. De commissie kan ook voorstellen artikelen te amenderen die in eerste lezing niet zijn gewijzigd, maar alleen om de redactie te verbeteren of de tekst in overeenstemming te brengen met het geheel, en zonder nieuwe inhoudelijke wijzigingen aan te brengen. Zij brengt zo nodig een aanvullend verslag uit aan de plenaire vergadering.
De plenaire vergadering bespreekt vervolgens opnieuw de bij de eerste stemming aangenomen amendementen en verworpen artikelen van het oorspronkelijke ontwerp of voorstel, alsook de nieuwe op die aanneming of verwerping gegronde amendementen en de amendementen die door de commissie worden voorgesteld en onderwerpt ze aan een eindstemming. Alle andere amendementen zijn onontvankelijk.
2. Zijn er amendementen aangenomen of artikelen verworpen, dan geschiedt de stemming over het geheel onverminderd artikel 61, in een andere vergadering dan die tijdens welke de laatste artikelen van het betrokken ontwerp of voorstel zijn aangenomen, indien ten minste één lid hierom verzoekt.
Vóór deze stemming over het geheel worden de bij de eerste stemming aangenomen amendementen en verworpen artikelen van het oorspronkelijk ontwerp of voorstel, alsook de nieuwe op die aanneming of verwerping gegronde amendementen opnieuw besproken en aan een eindstemming onderworpen. Alle andere amendementen zijn onontvankelijk.
Worden bij de tweede stemming amendementen aangenomen, dan kan de Senaat de stemming over het geheel tot een latere vergadering uitstellen. Op die laatste vergadering kunnen geen amendementen meer worden voorgesteld.
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 58)
Uitstel van de eindstemming (5 dagen). ART. 61. Indien een amendement wordt aangenomen in eerste lezing in de plenaire vergadering, mag de eindstemming over het aldus geamendeerde wetsontwerp of wetsvoorstel eerst plaatsvinden nadat vijf dagen verstreken zijn.
(Ingevoegd en hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 58bis)
Voorstellen van resolutie. ART. 62. Onverminderd de artikelen 46 en 96 van de Grondwet, heeft iedere senator het recht voorstellen van resolutie in te dienen. Op deze voorstellen is de procedure voor de ontwerpen en voorstellen van wet van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 63 tot 65.
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 59)

HOOFDSTUK II

BEHANDELING VAN DE WETSONTWERPEN BEDOELD

IN DE ARTIKELEN 78 TOT 81 VAN DE GRONDWET

Wetsontwerpen overgezonden aan de Senaat. (Gw. art. 78). ART. 63. 1. Een wetsontwerp dat door de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat wordt overgezonden overeenkomstig artikel 78, eerste lid, van de Grondwet, wordt pas onderzocht wanneer ten minste vijftien senatoren hierom verzoeken binnen de termijn bepaald in artikel 65-1, overeenkomstig artikel 78, tweede lid, van de Grondwet.
Evocatie. Wanneer dit verzoek schriftelijk bij de voorzitter wordt gedaan en door ten minste vijftien senatoren ondertekend is, geldt het als aangenomen. Het verzoek kan evenwel ook ter vergadering mondeling tot de voorzitter worden gericht. Over deze kwestie wordt geen debat gehouden. Het mondelinge verzoek wordt aangenomen door de assemblee wanneer ten minste vijftien senatoren het goedkeuren.
Zodra het verzoek wordt aangenomen, is het wetsontwerp bij de Senaat aanhangig. De voorzitter van de Senaat stelt de senatoren, alsook de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers hiervan in kennis, overeenkomstig artikel 9, § 3, van de wet van 6 april 1995 houdende inrichting van de parlementaire overlegcommissie bedoeld in artikel 82 van de Grondwet en tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
Beslissing om niet te amenderen. 2. Zolang in de plenaire vergadering geen eindstemming over het wetsontwerp heeft plaatsgevonden, kan de Senaat beslissen dat er geen reden is om het wetsontwerp te amenderen, overeenkomstig artikel 78, derde en vierde lid, van de Grondwet. Deze beslissing kan worden genomen vanaf de formulering van het verzoek, bedoeld in punt 1, tot het verstrijken van de onderzoekstermijn bedoeld in artikel 65-2. Door deze beslissing is het wetsontwerp niet langer bij de Senaat aanhangig. De voorzitter van de Senaat stelt de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers in kennis van deze beslissing.
Indien er, bij het verstrijken van de onderzoekstermijn, bedoeld in artikel 65-2, in de plenaire vergadering geen eindstemming over het wetsontwerp heeft plaatsgevonden of indien op dat ogenblik de Senaat de in het vorige lid genoemde beslissing niet heeft genomen, is het wetsontwerp niet langer bij de Senaat aanhangig.
Stemming. 3. In afwijking van artikel 45-3 wordt enkel over de amendementen en de subamendementen gestemd, alsook over het ontwerp in zijn geheel.
Indien het wetsontwerp in de plenaire vergadering wordt aangenomen en indien de aangenomen tekst verschilt van de door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden tekst, wordt het wetsontwerp overgezonden aan de Kamer, overeenkomstig artikel 78, laatste lid, van de Grondwet.
In de andere gevallen wordt de Senaat geacht beslist te hebben het wetsontwerp niet te amenderen, overeenkomstig artikel 78, vierde lid, van de Grondwet.
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 60)
Wetsontwerpen teruggezonden naar de Senaat (Gw. art. 79 of 81). ART. 64. 1. Het wetsontwerp dat door de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat wordt teruggezonden met toepassing van artikel 79, eerste lid, of van artikel 81, derde lid, van de Grondwet is bij de Senaat slechts aanhangig wat betreft de bepalingen die door de Kamer werden geamendeerd of toegevoegd en die nieuw zijn in vergelijking met het aanvankelijk door de Kamer aangenomen wetsontwerp en wat betreft andere bepalingen, alleen om de redactie te verbeteren of de tekst in overeenstemming te brengen met het geheel en zonder nieuwe inhoudelijke wijzigingen aan te brengen.
Beslissing om in te stemmen met het ontwerp. 2. Zolang in de plenaire vergadering geen eindstemming over het wetsontwerp heeft plaatsgevonden, kan de Senaat beslissen dat hij instemt met het ontwerp. Deze beslissing kan worden genomen vanaf de terugzending van dit wetsontwerp door de Kamer van volksvertegenwoordigers tot het verstrijken van de onderzoekstermijn, bedoeld in artikel 65-3. Door deze beslissing is het wetsontwerp niet langer bij de Senaat aanhangig. De voorzitter van de Senaat stelt de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers in kennis van deze beslissing.
Indien er, bij het verstrijken van de onderzoekstermijn, bedoeld in artikel 65-3, in de plenaire vergadering geen eindstemming over het wetsontwerp heeft plaatsgevonden of indien op dat ogenblik de Senaat de in het vorige lid genoemde beslissing niet heeft genomen, is het wetsontwerp niet langer bij de Senaat aanhangig.
Stemming. 3. In afwijking van artikel 45-3 wordt enkel over de amendementen en de subamendementen gestemd, alsook over het ontwerp in zijn geheel.
Indien het wetsontwerp in de plenaire vergadering wordt aangenomen en indien de aangenomen tekst verschilt van de door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden tekst, wordt het wetsontwerp overgezonden aan de Kamer, overeenkomstig artikel 79, derde lid, van de Grondwet.
In de andere gevallen wordt de Senaat geacht beslist te hebben in te stemmen met het door de Kamer van volksvertegenwoordigers goedgekeurde ontwerp, overeenkomstig artikel 79, tweede lid, van de Grondwet.
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 61)
Evocatietermijn. ART. 65. 1. De termijn waarbinnen de Senaat zijn evocatierecht kan uitoefenen, bedoeld in artikel 63-1, eerste lid, bedraagt vijftien dagen.
Wanneer de regering de spoedbehandeling vraagt bij het indienen van een wetsontwerp, overeenkomstig artikel 80, eerste lid, van de Grondwet, kan de parlementaire overlegcommissie beslissen deze termijn te verkorten overeenkomstig artikel 12, § 2, van de wet bedoeld in artikel 63-1, derde lid. Bij gebreke van overeenstemming binnen de parlementaire overlegcommissie wordt deze termijn van rechtswege verminderd tot zeven dagen.
De termijnen bedoeld in de vorige leden worden berekend overeenkomstig artikel 9, § 1, 1º, en § 2, en artikel 10 van de wet bedoeld in artikel 63-1, derde lid.
Onderzoekstermijn bij overzending. 2. De onderzoekstermijn bedoeld in artikel 63-2 bedraagt zestig dagen.
De parlementaire overlegcommissie kan evenwel beslissen deze termijn te verlengen overeenkomstig artikel 12, § 1, van de wet bedoeld in artikel 63-1, derde lid.
Wanneer de regering de spoedbehandeling vraagt bij het indienen van een wetsontwerp, overeenkomstig artikel 80, eerste lid, van de Grondwet, kan de parlementaire overlegcommissie beslissen deze termijn te verkorten overeenkomstig artikel 12, § 2, van de wet bedoeld in artikel 63-1, derde lid. Bij gebreke van overeenstemming binnen de parlementaire overlegcommissie wordt deze termijn van rechtswege verminderd tot dertig dagen.
De termijnen bedoeld in de vorige leden worden berekend overeenkomstig artikel 9, § 1, 2º, en § 2, en artikel 10 van de wet bedoeld in artikel 63-1, derde lid.
Onderzoekstermijn bij terugzending. 3. De onderzoekstermijn bedoeld in artikel 64-2 bedraagt vijftien dagen.
De parlementaire overlegcommissie kan evenwel beslissen deze termijn te verlengen overeenkomstig artikel 12, § 1, van de wet bedoeld in artikel 63-1, derde lid.
De termijnen bedoeld in de vorige leden worden berekend overeenkomstig artikel 9, § 1, 3º, en § 2, en artikel 10 van de wet bedoeld in artikel 63-1, derde lid.
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 62)

HOOFDSTUK III

INCIDENTEN

Raadpleging van de Raad van State. ART. 66. 1. De voorzitter kan het beredeneerd advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State vragen over de tekst van alle ontwerpen of voorstellen van wet of van amendementen op deze ontwerpen en voorstellen die bij de Senaat aanhangig zijn.
2. De voorzitter vraagt het beredeneerd advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State over de tekst van de voorstellen van wet en van de amendementen op ontwerpen of voorstellen van wet die bij de Senaat aanhangig zijn, onder meer over de respectieve bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten, wanneer ten minste een derde van de leden van de Senaat of de meerderheid van de leden van een taalgroep hierom verzoekt.
Deze verzoeken mogen schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend; zij moeten door ten minste het voorgeschreven aantal leden ondertekend zijn.
Wordt echter in de loop van de bespreking in de plenaire vergadering een dergelijk verzoek mondeling geformuleerd, dan wordt de bespreking geschorst en gaat de voorzitter na of het verzoek gesteund wordt door het vereiste aantal leden.
Vóór de telling mag één spreker per fractie gedurende ten hoogste vijf minuten het woord voeren.
3. De voorzitter vraagt het beredeneerd advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State over de ontwerpen of voorstellen van wet en over de bij een eerste stemming aangenomen amendementen op ontwerpen of voorstellen die bij de Senaat aanhangig zijn, wanneer ten minste twaalf leden van de parlementaire overlegcommissie bedoeld in artikel 82 van de Grondwet hierom verzoeken overeenkomstig de bepalingen van artikel 2, § 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, en van artikel 16 van de wet bedoeld in artikel 63-1, derde lid.
Dit verzoek om advies wordt ter kennis gebracht van de leden van de Senaat.
4. Wanneer het verzoek om advies bedoeld in punt 2 betrekking heeft op bepalingen die door een commissie werden onderzocht, moet het ingediend worden vóór het sluiten van de algemene bespreking ofwel tijdens de eerste dag van die bespreking wanneer er meer dan één vergadering aan gewijd is.
In de overige gevallen mag het tot vóór de eindstemming worden ingediend.
5. De bespreking van ontwerpen of voorstellen in de commissie of in de plenaire vergadering wordt door het verzoek om advies niet geschorst.
De behandeling van de betrokken artikelen en de stemming over het geheel worden echter geschorst zolang het advies niet is meegedeeld.
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 63)
Alarmbel. ART. 67. Wanneer een motie is ingediend overeenkomstig artikel 54 van de Grondwet, wordt de bespreking van het ontwerp of voorstel van wet geschorst.
Het gemotiveerd advies van de Ministerraad wordt naar de bevoegde commissie verwezen, die een aanvullend verslag uitbrengt bij het ontwerp of voorstel van wet.
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 64)
Beroep bij het Arbitragehof. ART. 68. 1. Indien ten minste twee derden van de senatoren hierom verzoeken, dient de voorzitter van de Senaat bij het Arbitragehof een beroep in tot volledige of gedeeltelijke vernietiging van een wet, decreet of ordonnantie.
Het bureau stelt nadere regels met betrekking tot het instellen van zodanig beroep.
2. De meerderheid van twee derden van de senatoren wordt vastgesteld  :
1º hetzij door naamstemming over een resolutie in de plenaire vergadering van de Senaat;
2º hetzij door de voorzitter een ondertekende lijst ter hand te stellen. In dat laatste geval wordt daarvan mededeling gedaan in de plenaire vergadering en worden de namen van de ondertekenaars opgenomen in de notulen van de vergadering en in de verslagen van de debatten.
3. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op het indienen van een vordering tot schorsing van de bestreden norm.
4. De teksten van de memories en van de memories van antwoord, door de voorzitter bij het Arbitragehof ingediend, worden onmiddellijk ter kennis gebracht van het bureau.
5. De beslissingen van het Arbitragehof op de door de Senaat ingestelde beroepen, worden ter kennis gebracht van de leden van de assemblee.
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 65)

TITEL III

CONTROLE-

EN INFORMATIEFUNCTIE

HOOFDSTUK I

SCHRIFTELIJKE EN MONDELINGE VRAGEN,

VRAGEN OM UITLEG EN MOTIES

(Opschrift gewijzigd op 22 april 1999)

Ontvankelijkheid. ART. 69. 1. De vragen moeten bondig en zonder commentaar worden geformuleerd.
2. Niet ontvankelijk zijn in het bijzonder vragen  :
a) die betrekking hebben op een persoonlijk geval of een zuiver particulier belang;
b) die het algemeen belang schaden, bijvoorbeeld door de verspreiding van vertrouwelijke inlichtingen;
c) die gericht zijn op het verkrijgen van documentatie of louter statistische inlichtingen;
d) die beogen een individueel juridisch advies in te winnen of betrekking hebben op een aanhangige rechtsvordering;
e) die enkel gesteld worden om van repliek te dienen op een reeds ontvangen antwoord of om een polemiek te voeren.
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 66)
Schriftelijke vragen. ART. 70. 1. Wanneer een lid aan de regering een schriftelijke vraag wenst te stellen, overhandigt hij de ondertekende tekst ervan aan de voorzitter.
2. Indien de voorzitter oordeelt dat de vraag ontvankelijk is, zendt hij ze door aan de betrokken minister met het verzoek hem het antwoord binnen twintig werkdagen te doen toekomen. Ingeval van weigering wordt de vraagsteller van de beslissing van de voorzitter op de hoogte gebracht.
3. De voorzitter deelt het antwoord mede aan de vraagsteller en doet het samen met de vraag opnemen in het eerstvolgende bulletin van Vragen en Antwoorden van de Senaat.
Ook de vragen die niet binnen de gestelde termijn werden beantwoord, worden in dat bulletin gepubliceerd, met dien verstande dat ze bij de bekendmaking van het antwoord opnieuw worden opgenomen.
Een lijst van de onbeantwoord gebleven vragen wordt geregeld in het bulletin opgenomen.
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 66bis)
Mondelinge vragen. ART. 71. 1. Een lid dat een vraag stelt waarop het een mondeling antwoord van de regering wenst te krijgen in de plenaire vergadering, richt een verzoek daartoe aan de voorzitter, onder mededeling van de tekst van zijn vraag.
2. Om mondeling te worden behandeld moet een vraag van algemeen belang zijn en betrekking hebben op een belangrijk en dringend onderwerp.
Indien de voorzitter oordeelt dat de vraag ontvankelijk is, zendt hij ze door aan de bevoegde minister.
Is er twijfel over de ontvankelijkheid, dan raadpleegt de voorzitter het bureau, dat naargelang van de omstandigheden kan besluiten dat er schriftelijk op de vraag zal worden geantwoord overeenkomstig het bepaalde in artikel 70 dan wel aan de Senaat kan voorstellen aan de vraag geen gevolg te geven.
3. Het tijdstip waarop de mondelinge vragen aan de orde komen, wordt door het bureau bepaald.
4. Nadat de vraagsteller het woord heeft gekregen om zijn vraag te stellen, geeft de voorzitter de ondervraagde minister het woord om kennis te geven van zijn antwoord.
De vraagsteller en de ondervraagde minister beschikken elk over ten hoogste drie minuten.
5. De senator die de vraag gesteld heeft, beschikt met uitsluiting van elk ander lid over één minuut om op het antwoord van de minister te repliceren.
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 67; gewijzigd op 11 oktober 2001)
Vragen om uitleg. ART. 72. 1. Een lid dat voornemens is een vraag om uitleg tot de regering te richten, geeft de voorzitter schriftelijk kennis van het onderwerp van zijn vraag onder toevoeging van een nota die nauwkeurig het punt of de feiten vermeldt waarover opheldering wordt gevraagd, alsook de voornaamste beschouwingen die het lid daarbij naar voren wil brengen.
2. Indien de voorzitter oordeelt dat de vraag om uitleg ontvankelijk is, stuurt hij ze door naar de betrokken minister. De griffie van de Senaat zendt de senatoren een afschrift van de toelichtende nota van elke vraag.
Is er twijfel over de ontvankelijkheid, dan raadpleegt de voorzitter het bureau, dat naargelang van de omstandigheden kan besluiten dat de vraag om uitleg zal worden omgezet in een schriftelijke of mondelinge vraag overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 70 of 71 dan wel aan de Senaat kan voorstellen aan het verzoek geen gevolg te geven.
3. Het bureau of, in spoedeisende gevallen, de voorzitter, beslist of een vraag om uitleg in de plenaire vergadering dan wel in de commissie zal worden behandeld en bepaalt het tijdstip waarop ze aan de orde komt, in overleg met de betrokken minister.
De lijst van de vragen om uitleg die op de agenda staan, wordt ter kennis van de Senaat gebracht.
4. Het bureau kan eveneens beslissen een themadebat te organiseren naar aanleiding van een vraag om uitleg.
5. Het lid dat de vraag om uitleg gesteld heeft, beschikt over een spreektijd van vijftien minuten; voor de andere sprekers bedraagt de spreektijd tien minuten.
De senator die de vraag om uitleg heeft ingediend, beschikt met uitsluiting van elk ander lid over vijf minuten om op het antwoord van de minister te repliceren.
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 68)
Moties. ART. 73. 1. Onverminderd de artikelen 46 en 96 van de Grondwet kunnen moties worden ingediend tot besluit van een vraag om uitleg.
Ze moeten vóór het einde van de vergadering worden overhandigd aan de voorzitter van de plenaire vergadering of van de commissie waarin de vraag om uitleg wordt behandeld.
De voorzitter geeft er kennis van zodra ze zijn ingediend.
2. Tenzij de assemblee anders beslist, spreekt de Senaat zich uit over de moties tot besluit van een vraag om uitleg ten vroegste tijdens de week na de indiening van die moties.
Toevoegingen of amendementen kunnen worden voorgesteld tot op het ogenblik van de stemming, behoudens voor een gewone motie.
De gewone motie heeft van rechtswege voorrang.
Heeft de Senaat zich uit te spreken over verscheidene, met redenen omklede moties, dan heeft in ieder van die gevallen de eerst ingediende motie de voorrang.
Indien echter de indieners van de verschillende moties op het ogenblik van de stemming een gemeenschappelijke motie indienen, wordt deze bij voorrang in stemming gebracht.
De aanneming van de motie die bij voorrang in stemming is gebracht, doet de andere moties vervallen.
3. Tenzij de Senaat anders beslist, zijn de bepalingen die voorafgaan, mutatis mutandis van toepassing op de moties die eventueel zijn ingediend tot besluit van een debat, onverminderd artikel 76-4.
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 68bis)

HOOFDSTUK Ibis

ACTUALITEITENDEBATTEN

(Ingevoegd op15 juli 2003)

Actualiteitendebatten. ART. 73bis. 1. Onverminderd artikel 20 kan het bureau, wanneer drie mondelinge vragen betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, beslissen dat over dat onderwerp een actualiteitendebat wordt gehouden, waarin die vragen aan de orde komen.
  Het actualiteitendebat wordt op de agenda geplaatst van de plenaire vergadering waarin de mondelinge vragen aan de orde komen.
  2. Naast de vraagstellers mag per fractie, met uitsluiting van de fracties waartoe de vraagstellers behoren, nog één senator het woord nemen.
  3. De vraagstellers beschikken elk over drie minuten. De andere senatoren beschikken over twee minuten.
  4. De vraagstellers en de andere senatoren die het woord hebben genomen, beschikken met uitsluiting van elk ander lid over één minuut om te repliceren.
  Alle sprekers spreken vanaf hun plaats.
  (Ingevoegd op 15 juli 2003)

HOOFDSTUK II

THEMADEBATTEN

(Ingevoegd en hernummerd op 22 april 1999, vroeger hoofdstuk Ibis)

Themadebatten. ART. 74. 1. Een lid dat wenst dat omtrent een bepaald onderwerp een themadebat wordt gehouden, richt daartoe een schriftelijk verzoek aan de voorzitter onder toevoeging van een toelichtende nota.
2. Het bureau beslist of het themadebat doorgang zal vinden. In bevestigend geval geeft de griffier aan iedere fractie kennis van deze beslissing en zendt hij ze een afschrift van de toelichtende nota bij het verzoek bedoeld in punt 1 of bij de vraag om uitleg bedoeld in artikel 72-4.
Het themadebat wordt op de agenda geplaatst van een plenaire vergadering die plaatsvindt ten minste veertien dagen na de beslissing van het bureau.
3. Ten minste een week voor de dag waarop het themadebat zal plaatsvinden, maakt elke fractie aan de griffier een nota over waarin ze haar standpunt uiteenzet over het onderwerp waarover het themadebat zal worden gevoerd.
Deze nota, die niet meer dan vijf bladzijden mag bedragen, wordt vertaald en door de griffier overgezonden aan de andere fracties.
4. De spreektijd wordt vastgelegd door het bureau afhankelijk van het onderwerp van het debat.
Moties van aanbeveling. 5. Tot besluit van het themadebat kunnen eventueel moties van aanbeveling worden ingediend.
Ze moeten voor het einde van de vergadering worden overhandigd aan de voorzitter van de vergadering. De voorzitter geeft er kennis van zodra ze zijn ingediend.
6. De Senaat spreekt zich uit over deze moties van aanbeveling tijdens de week na de indiening ervan.
Toevoegingen of amendementen kunnen worden voorgesteld tot op het ogenblik van de stemming.
(Ingevoegd en hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 68ter)

HOOFDSTUK III

VERZOEKSCHRIFTEN

(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger hoofdstuk II)

Verzoekschriften. ART. 75. 1. Niemand mag, in persoon of mondeling, een verzoek richten tot de Senaat. Het moet schriftelijk worden gericht aan de voorzitter van de Senaat.
2. De verzoekschriften worden verzonden naar de commissie belast met het onderzoek van de verzoekschriften of naar de commissie belast met het onderzoek van de ontwerpen waarop de verzoekschriften betrekking hebben.
De senatoren kunnen kennis nemen van de verzoekschriften.
3. De commissie belast met het onderzoek van de verzoekschriften behandelt de verzoekschriften die de Senaat haar heeft gezonden. Zij brengt verslag uit over de verzoekschriften waarvoor zij het nuttig acht of waarvoor het bureau het haar heeft gevraagd.
4. Een lijst met de opgave van de zakelijke inhoud van de verzoekschriften waarover de commissie heeft beslist, en haar conclusies, wordt gedrukt en rondgedeeld.
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 69)

HOOFDSTUK IV

PARLEMENTAIR ONDERZOEK

(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger hoofdstuk III)

Parlementair onderzoek. ART. 76. 1. Elk voorstel tot instelling van een onderzoekscommissie van de Senaat, als bedoeld in de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek, wordt, indien het door de voorzitter ontvankelijk wordt bevonden, samen met zijn toelichting vertaald, gedrukt, rondgedeeld en verwezen naar de bevoegde commissie.
Het bepaalde bij de artikelen 27 en 56 tot 60 geldt ook voor de voorstellen tot instelling van een onderzoekscommissie.
2. Het bureau stelt de middelen ter beschikking die het nodig acht voor de uitvoering van de opdracht van de commissie.
3. Elke onderzoekscommissie brengt binnen de haar toegewezen termijn aan de Senaat verslag uit over haar werkzaamheden.
4. Het verslag noch de besluiten die het eventueel bevat, worden bij de plenaire vergadering in stemming gebracht, onverminderd de moties die tot slot van de bespreking van dat verslag kunnen worden ingediend.
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 70)
Parlementair onderzoek.Discretieplicht. ART. 77. 1. Iedere senator die, in strijd met artikel 3 van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek, informatie verkregen naar aanleiding van een niet-openbare vergadering van een parlementaire onderzoekscommissie bekendmaakt en daardoor afbreuk doet aan de eer en de waardigheid van de Senaat of het goede verloop van het onderzoek of de geloofwaardigheid ervan in gevaar brengt, kan gesanctioneerd worden overeenkomstig de hiernavolgende bepalingen.
2. De behandeling van schendingen van de geheimhouding kan gevraagd worden door een derde van de leden van de onderzoekscommissie, bij brief gericht aan de voorzitter van de commissie, of door de voorzitter zelf. In de bovenvermelde brief of in de door de voorzitter opgestelde nota wordt een gedetailleerde beschrijving van de aangehaalde feiten gegeven.
Deze vraag wordt op de agenda geplaatst van de eerste vergadering volgend op de indiening ervan. Een termijn van ten minste acht dagen moet verlopen tussen de indiening van de vraag en de behandeling ervan in de commissie.
De betrokken senator wordt bij brief van de voorzitter op de hoogte gebracht van de feiten die hem verweten worden, alsmede van de dag en het uur van de vergadering, en hij wordt verzocht zich daar te verdedigen.
Hij wordt eveneens schriftelijk in kennis gesteld van zijn recht om zich door een andere senator te laten vertegenwoordigen of bijstaan alsmede van zijn eenmalig recht om een niet-gemotiveerd uitstel te vragen.
3. Op de vastgestelde dag hoort de commissie met gesloten deuren de verdediging van de betrokken senator.
De commissie beraadslaagt met gesloten deuren onmiddellijk na dit verhoor of nadat zij eventueel heeft vastgesteld dat de betrokkene niet aanwezig is, niet vertegenwoordigd is of niet verhoord wenst te worden.
Indien zij besluit dat de aangehaalde feiten voldoende bewezen zijn, kan zij met een tweederde meerderheid van haar leden besluiten ofwel de betrokkene een waarschuwing te geven, ofwel hem een berisping te geven, ofwel aan de assemblee voor te stellen hem uit te sluiten van de onderzoekscommissie.
Tegen de beslissing van de commissie kan geen beroep worden ingesteld. Zij wordt opgetekend in een proces-verbaal dat door de voorzitter ondertekend wordt. Deze stuurt onverwijld een afschrift aan de voorzitter van de Senaat, aan de betrokken senator en eventueel aan het lid dat hem bijgestaan of vertegenwoordigd heeft.
4. De beslissing van de commissie om een waarschuwing of een berisping te geven wordt aan de Senaat medegedeeld op de eerste dienstige plenaire vergadering volgend op de kennisgeving bedoeld in het laatste lid van punt 3.
Over deze mededeling wordt geen debat gevoerd.
5. Het voorstel tot uitsluiting wordt op de agenda geplaatst van de eerste dienstige plenaire vergadering volgend op de kennisgeving bedoeld in het laatste lid van punt 3.
In voorkomend geval wordt artikel 48 toegepast.
De Senaat hoort eerst het mondeling verslag van de voorzitter van de commissie en vervolgens eventueel de betrokken senator of het lid dat hem vertegenwoordigt. Hun spreektijd is beperkt tot vijftien minuten ieder. Geen ander lid mag dienaangaande het woord nemen.
De Senaat spreekt zich vervolgens zonder debat uit over het voorstel tot uitsluiting, bij geheime stemming. Op dit voorstel kan geen enkel amendement ingediend worden.
Indien het voorstel met een tweederde meerderheid van de stemmen aangenomen wordt, is de betrokkene definitief uitgesloten van de vergaderingen van de onderzoekscommissie.
Tegen deze beslissing kan geen beroep ingesteld worden. Zij wordt schriftelijk medegedeeld aan de voorzitter van de commissie, aan de betrokken senator en eventueel aan het lid dat hem bijgestaan of vertegenwoordigd heeft.
Indien geen tweederde meerderheid van de stemmen bereikt wordt, is het voorstel verworpen en verklaart de voorzitter het incident voor gesloten.
6. Het lid van een onderzoekscommissie dat uitgesloten wordt met toepassing van het vorige punt, wordt onverwijld vervangen door een ander lid van dezelfde fractie, overeenkomstig de bepalingen van artikel 84-3.
(Ingevoegd op 9 januari 1997; hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 70bis)

TITEL IV

REGELING VAN BELANGENCONFLICTEN

Procedure ingesteld door de Senaat. ART. 78. 1. De Senaat kan een voorstel van resolutie aannemen waarin wordt verklaard dat hij oordeelt ernstig te kunnen worden benadeeld door een in een Gemeenschaps- of Gewestraad, een in de Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of een in de Vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie ingediend ontwerp of voorstel van decreet of ordonnantie of door een amendement op deze ontwerpen of voorstellen, overeenkomstig artikel 32, § 1, van de wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
2. Deze resolutie moet worden aangenomen bij hoofdelijke stemming en met drie vierde van de stemmen, voor zover ten minste zesendertig leden aanwezig zijn.
3. De voorzitter brengt deze resolutie ter kennis van de voorzitter van de betrokken Raad of Vergadering.
4. De Senaat wijst onder zijn leden degenen aan die met de betrokken Gemeenschaps- of Gewestraad, met de Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of met de Vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie overleg zullen plegen om het geschil te beslechten. Zij brengen aan de Senaat verslag uit over dat overleg.
5. Indien het overleg, op gang gebracht om het geschil te beslechten, niet tot een oplossing leidt binnen de termijn van zestig dagen, bedoeld in artikel 32, § 1, van dezelfde wet, wordt het geschil door de voorzitter voorgelegd aan het Overlegcomité, bedoeld in artikel 31 van dezelfde wet.
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 71)
Procedure ingesteld tegen de Senaat. ART. 79. 1. Indien een Gemeenschaps- of Gewestraad, de Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of de Vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie overeenkomstig artikel 32, § 1, van de wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen oordeelt ernstig te kunnen worden benadeeld door een in de Senaat aanhangig ontwerp of voorstel van wet of door een amendement op deze ontwerpen of voorstellen, dan wordt de procedure geschorst gedurende een termijn van zestig dagen.
2. De Senaat wijst onder zijn leden degenen aan die met de betrokken Gemeenschaps- of Gewestraad, met de Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of met de Vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie overleg zullen plegen om het geschil te beslechten. Zij brengen aan de Senaat verslag uit over dat overleg.
3. Indien het overleg, op gang gebracht om het geschil te beslechten, binnen de termijn bedoeld in punt 1 tot een oplossing leidt, wordt de procedure hervat. In het andere geval brengt de Senaat binnen dertig dagen een gemotiveerd advies uit aan het Overlegcomité, bedoeld in artikel 31 van dezelfde wet.
4. Wanneer het Overlegcomité binnen een termijn van dertig dagen geen beslissing heeft genomen, wordt de procedure hervat. In het andere geval wordt de procedure voortgezet in overeenstemming met de beslissing van het Overlegcomité.
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 72)
Gemotiveerd advies van de Senaat aan het Overlegcomité. ART. 80. Indien het overleg tussen de partijen die betrokken zijn bij een belangenconflict tussen een wetgevende Kamer en een raad of tussen twee raden niet binnen een termijn van zestig dagen tot een oplossing leidt, wordt het conflict aanhangig gemaakt bij de Senaat, die binnen dertig dagen een gemotiveerd advies uitbrengt aan het Overlegcomité.
Deze procedure is niet van toepassing wanneer de procedure door een wetgevende Kamer is ingeleid.
(Ingevoegd en hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 72bis)
Voorrang van bevoegdheidsconflicten. ART. 81. Wanneer een procedure in verband met een bevoegdheidsconflict is of wordt ingeleid, wordt elke procedure tot regeling van een belangenconflict over eenzelfde aangelegenheid geschorst.
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 73)

TITEL V

DIVERSE BEPALINGEN

HOOFDSTUK I

VOORDRACHT EN BENOEMING VAN KANDIDATEN EN

EVENREDIGE VERTEGENWOORDIGING

Benoemingen en voordrachten. ART. 82. De door de Senaat te verrichten benoemingen en voordrachten geschieden bij geheime stemming en bij volstrekte meerderheid van stemmen.
Procedure. Indien na de eerste stemming geen enkele kandidaat de vereiste meerderheid verkrijgt, heeft herstemming plaats tussen de twee kandidaten die de meeste stemmen hebben behaald, eventueel nadat een beter geplaatste kandidaat zich heeft teruggetrokken.
Staken de stemmen, dan gaat de oudste in jaren voor.
Onverminderd artikel 9, tweede lid, tellen niet of niet behoorlijk ingevulde stembriefjes niet mee voor het bepalen van de meerderheid. Alleen de stembriefjes waarop de naam van de regelmatig voorgedragen kandidaten voorkomt, zijn geldig.
Zijn er niet meer kandidaten dan te vervullen plaatsen, dan wordt de voorgedragen kandidaat of worden de voorgedragen kandidaten zonder verdere formaliteiten verkozen dan wel voorgedragen verklaard, indien geen enkele senator een stemming vraagt.
Twee door het lot aangewezen stemopnemers nemen de stemmen op. De voorzitter kondigt de uitslag van de stemmingen af.
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 74)
Externe benoemingen en voordrachten. ART. 83. 1. De bepalingen van artikel 82 zijn mede van toepassing op elke benoeming of voordracht van kandidaten waartoe de Senaat krachtens een wet moet overgaan, tenzij deze wet anders bepaalt.
2. Voor de voordracht van kandidaten bij het Hof van Cassatie, waarin artikel 151 van de Grondwet voorziet, worden alleen in aanmerking genomen de kandidaturen ingediend bij de minister van Justitie overeenkomstig de bepalingen van artikel 287 van het Gerechtelijk Wetboek    (2).
In de andere gevallen stelt de voorzitter indien nodig de termijn en de nadere regelen vast voor het indienen van de kandidaturen.
3. De lijst van de kandidaten wordt ter kennis van de senatoren gebracht.
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 75)
Evenredige vertegenwoordiging. ART. 84. 1. Voor zover in dit reglement niet anders is bepaald, geschieden de door de Senaat onder zijn leden te verrichten benoemingen overeenkomstig de evenredige vertegenwoordiging van de fracties.
Te dien einde bepaalt de Senaat, op voorstel van het bureau, het aantal mandaten dat aan iedere fractie toekomt met toepassing van artikel 167 van het Kieswetboek, waarbij het aantal leden van iedere fractie als haar kiescijfer wordt beschouwd.
Bij gelijke kiesquotiënten wordt het mandaat toegekend aan de fractie met het grootste ledental en bij gelijke fractiesterkte aan de fractie die het hoogste stemcijfer heeft behaald bij de verkiezing van de senatoren bedoeld in artikel 67, § 1, 1º en 2º, van de Grondwet.
2. De fracties overhandigen hun kandidatenlijst aan de voorzitter.
3. Valt er een plaats open, dan wijst de Senaat een nieuw lid aan op voordracht van de fractie waarvan het te vervangen lid deel uitmaakte. Wanneer de Senaat niet in vergadering bijeen is, voorziet de voorzitter in die vervanging.
4. Wanneer de samenstelling van de fracties wijzigingen ondergaat die de evenredige vertegenwoordiging beïnvloeden, dan stelt het bureau, indien dat nodig blijkt, een nieuwe verdeling van de mandaten voor.
  Wanneer de samenstelling van de fracties een wijziging ondergaat die betrekking heeft op een lid van de in artikel 86bis bedoelde vaste commissie, dan verliest dat lid zijn hoedanigheid van lid van die commissie.
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 76)
(Gewijzigd op 27 oktober 2005)

HOOFDSTUK II

FEDERAAL ADVIESCOMITÉ VOOR

EUROPESE AANGELEGENHEDEN

Adviescomité Europese aangelegenheden. ART. 85. Na iedere vernieuwing van de Senaat wijst de vergadering voor de gehele zittingsperiode uit haar midden tien leden aan die de Senaat in het Federaal adviescomité voor Europese aangelegenheden zullen vertegenwoordigen.
Voor elke lijst van vaste leden worden op dezelfde wijze een gelijk aantal plaatsvervangers benoemd.
(Gewijzigd op 18 december 1995; hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 77)

HOOFDSTUK III

ADVIESCOMITÉ VOOR GELIJKE KANSEN VOOR

VROUWEN EN MANNEN

(Ingevoegd op 23 november 1995; hernummerd op 22 april 1999, vroeger hoofdstuk IIbis)

Adviescomité voor gelijke kansen. ART. 86. 1. Na iedere vernieuwing van de Senaat benoemt de vergadering voor de gehele zittingsperiode uit haar midden een Adviescomité dat belast is met het onderzoek van de aangelegenheden die de gelijke kansen voor vrouwen en mannen betreffen.
Het is samengesteld uit zeventien leden die worden aangewezen op de wijze bepaald in artikel 21.
2. Het comité benoemt onder zijn leden, voor de duur van de zitting een voorzitter, een eerste ondervoorzitter en een tweede ondervoorzitter.
3. Het lid van het comité dat een vergadering niet kan bijwonen, kan zich laten vervangen door een lid van zijn of haar fractie. Het lid stelt de voorzitter van die vervanging in kennis.
4. Het comité heeft tot taak, op verzoek van de voorzitter van de Senaat overeenkomstig het bepaalde in artikel 24 of op eigen initiatief, adviesen te verstrekken betreffende de gelijke kansen voor vrouwen en mannen.
5. Voor het overige, en binnen de perken van de in deze bepaling omschreven bevoegdheden, regelt het comité zijn werkzaamheden en beraadslaagt het overeenkomstig de bepalingen die op de vaste commissies van toepassing zijn.
(Ingevoegd op 23 november 1995; hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 77bis; gewijzigd op 17 juli 2003)

HOOFDSTUK IIIbis

COMMISSIE BELAST MET DE BEGELEIDING VAN HET VAST COMITÉ I

(Ingevoegd op 10 november 1999)

Commissie belast met de begeleiding van het Vast Comité I. ART. 86bis.1. Na iedere vernieuwing van de Senaat benoemt de vergadering voor de gehele zittingsperiode uit haar midden een vaste commissie belast met de begeleiding van het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, Vast Comité I genaamd.
De commissie is samengesteld uit vier leden die door de Senaat worden benoemd bij stemming op een lijst, en de voorzitter van de Senaat, die het voorzitterschap waarneemt. Artikel 84-1 is niet van toepassing op deze benoemingen.
Valt een mandaat open, dan wijst de Senaat een nieuw lid aan volgens dezelfde procedure.
2. De commissie vervult de taken waarmee ze belast is krachtens de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten.
3. Het lid dat verhinderd is om aan een vergadering van de commissie deel te nemen, kan zich niet laten vervangen.
De commissie vergadert met gesloten deuren. Behoudens andersluidende beslissing van de commissie mogen de leden van de Senaat die geen deel uitmaken van de commissie, de vergaderingen niet bijwonen.
De commissie bepaalt in een reglement van orde hoe de notulen van haar vergaderingen opgemaakt worden en op welke wijze haar werkzaamheden georganiseerd worden.
4. De commissie stelt samen met de Kamercommissie belast met de begeleiding van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, Vast Comité P genaamd, een reglement van orde van hun gemeenschappelijke vergaderingen op; dit wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de beide assemblees.
5. Elk lid dat de verplichting tot vertrouwelijkheid of de geheimhouding zoals beschreven in artikel 66bis, § 5, eerste lid, van de in punt 2 bedoelde wet schendt, kan gestraft worden overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 77.
(Ingevoegd op 10 november 1999)

HOOFDSTUK IV

ZENDINGEN IN HET BUITENLAND

(Ingevoegd en hernummerd op 22 april 1999, vroeger hoofdstuk IIter)

Zendingen in het buitenland. ART. 87. Wanneer een delegatie van de Senaat, van het bureau of van een van de commissies met zending naar het buitenland gaat of naar een internationale organisatie, wordt een bondig overzicht van de werkzaamheden van de delegatie ter informatie meegedeeld aan de Senaat, het bureau of de betrokken commissie, naargelang het geval.
(Ingevoegd en hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 77ter)

HOOFDSTUK V

ORDE IN DE SENAAT EN IN DE TRIBUNES

(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger hoofdstuk III)

Tucht in de Senaat. ART. 88. Voor orde en tucht in de Senaat wordt, uit naam van de vergadering, zorg gedragen door de voorzitter, die aan de diensthebbende wacht de nodige bevelen geeft.
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 78)
Toegang tot de vergaderzaal. ART. 89. Behalve de ministers, de staatssecretarissen, de commissarissen van de Koning en het personeel dat voor de verschillende diensten van de vergadering nodig is, heeft niemand toegang tot de zaal waar de senatoren zitting houden.
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 79)
Openbare tribunes. ART. 90. 1. Gedurende de gehele vergadering moeten de toehoorders in de tribunes in stilte blijven zitten.
2. Ieder die in de tribunes de orde stoort of tekenen van goed- of afkeuring geeft, wordt onmiddellijk verwijderd, en, indien daartoe grond bestaat, onverwijld voor de bevoegde overheid gebracht.
3. De tekst van dit artikel wordt op de deur van de tribunes aangebracht.
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 80)

HOOFDSTUK VI

GRIFFIER, DIENSTEN EN BIBLIOTHEEK

(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger hoofdstuk IV)

Griffier. ART. 91. Een griffier (secretaris-generaal) wordt door de Senaat benoemd op voordracht van het bureau, volgens de regels gesteld in artikel 82.
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 81)
ART. 92. 1. De griffier staat de voorzitter in alle omstandigheden bij en met name tijdens de openbare vergaderingen, de vergaderingen met gesloten deuren en de vergaderingen van het bureau.
Hij neemt akte van de besluiten van de Senaat en houdt notulen van het verhandelde in de plenaire vergaderingen, in de vergaderingen met gesloten deuren en in de vergaderingen van het bureau.
2. Hij is belast met de tenuitvoerlegging van de beslissingen van de Senaat en zorgt inzonderheid voor de bijeenroeping van de vergadering en van haar commissies, voor het drukken en ronddelen van de ontwerpen van wet, voorstellen, verslagen, amendementen en alle andere stukken waarvan de ronddeling door het reglement is voorgeschreven, voor het doorzenden van de aangenomen ontwerpen van wet en voor de correspondentie.
3. Hij houdt het archief van de Senaat in bewaring.
Onder zijn toezicht worden de repertoria en de dossiers bijgehouden betreffende de bij de Senaat aanhangige zaken en de precedenten.
4. Uit naam van het bureau leidt de griffier de diensten en heeft gezag over de leden van het personeel, die hij vertegenwoordigt en voor wie hij verantwoordelijk is tegenover het bureau en het college van quaestoren.
5. De griffier wordt bijgestaan en bij ziekte of verhindering vervangen door de adjunct-griffier, directeur of directeur-generaal van de wetgevingsdiensten, en door de directeur of directeur-generaal van de quaestuur, elk wat zijn bevoegdheden betreft.
In opdracht van de griffier draagt de directeur of directeur-generaal van de quaestuur de verantwoordelijkheid voor de boekhoudingsdiensten.
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 82)
Diensten. ART. 93. 1. De diensten van de Senaat staan onder het gezag van het bureau.
2. Een door het bureau vast te stellen organiek reglement regelt de organisatie van de diensten en de rechtspositie van de leden van het personeel.
3. Op voorstel van het college van quaestoren, benoemt en ontslaat het bureau de leden van het personeel en stelt hun wedde vast.
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 83)
Bibliotheek. ART. 94. De begroting van de Senaat draagt bij in de kosten verbonden aan de bibliotheek van het Parlement.
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 84)

HOOFDSTUK VII

DOTATIE

(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger hoofdstuk V)

Dotatie van de Senaat. ART. 95. De Senaat stelt elk jaar de dotatie voor zijn werking vast op voorstel van het bureau.
De aangenomen dotatie wordt meegedeeld aan de minister die de federale begroting onder zijn bevoegdheid heeft, om te worden opgenomen in het ontwerp van algemene uitgavenbegroting.
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 85)

HOOFDSTUK VIIbis

CUMULATIEBEPERKING

(Ingevoegd op 25 januari 2001)

Cumulatiebeperking. ART. 95bis.1. Met het oog op de toepassing van artikel 1quinquies van de wet van 6 augustus 1931 houdende vaststelling van de onverenigbaarheden en ontzeggingen betreffende de ministers, gewezen ministers en ministers van Staat, alsmede de leden en gewezen leden van de Wetgevende Kamers, deelt elk lid van de Senaat aan de voorzitter bij het opnemen van zijn mandaat alle nuttige gegevens mee met betrekking tot de openbare mandaten, openbare functies en openbare ambten van politieke aard die het lid uitoefent.
Het lid stelt de voorzitter in kennis van elke wijziging dienaangaande, telkens wanneer hiertoe aanleiding bestaat.
2. Het plafond bedoeld in het eerste lid van het voornoemde artikel 1quinquies wordt vastgesteld door het bureau op voorstel van de conferentie van de voorzitters van de zeven parlementaire assemblees. Het wordt, door de zorg van de voorzitters van de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat, voor het einde van de maand januari in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
Het bureau bepaalt op voorstel van het college van quaestoren, de overige regels voor de toepassing van dit artikel.
(Ingevoegd op 25 januari 2001; in werking getreden op 31 januari 2001)

HOOFDSTUK VIII

HERZIENING VAN HET REGLEMENT

(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger hoofdstuk VI)

Herziening van het reglement. ART. 96. Elk voorstel tot wijziging van het reglement wordt, indien het door de voorzitter ontvankelijk wordt bevonden, samen met zijn toelichting vertaald, gedrukt, rondgedeeld en verwezen naar het bureau.
Het bepaalde bij de artikelen 27 en 56 tot 60 geldt ook voor de voorstellen tot wijziging van het reglement.
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 86)

TITEL VI

SLOTBEPALINGEN

ART. 97. Het reglement van de Belgische Senaat van 19 oktober 1831, laatst gewijzigd op 28 april 1994, wordt opgeheven.
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 87)
ART. 98. Dit reglement treedt in werking op de dag die vastgesteld wordt voor de eerstkomende bijeenroeping van de rechtstreeks door het kiezerskorps verkozen senatoren  (3).
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 88)

BIJLAGEN

Wet van 6 april 1995 houdende inrichting van de parlementaire overlegcommissie bedoeld in artikel 82 van de Grondwet en tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State  (5)

Artikel 1

Na elke algehele vernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van de Senaat benoemen beide assemblees, onmiddellijk na de benoeming van hun vast bureau, hun vertegenwoordigers in de parlementaire overlegcommissie bedoeld in artikel 82 van de Grondwet, hierna de commissie genoemd.

Onmiddellijk na de benoeming van de leden wordt de commissie geïnstalleerd.

Over de installatie van de commissie wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat wordt ondertekend door de voorzitters van beide assemblees die hun respectieve assemblees ervan in kennis brengen.

Een eindstemming over wetsbepalingen kan in plenaire vergadering maar plaatsvinden ten vroegste twee dagen na de dag waarop de commissie is geïnstalleerd, tenzij die wetsbepalingen uitsluitend betrekking hebben op de toekenning van voorlopige kredieten of op de vaststelling van het legercontingent.

Art. 2

De commissie heeft tot taak  :

1º de bevoegdheidsconflicten tussen beide Kamers te regelen;

2º de onderzoekstermijnen bepaald in de artikelen 78 tot 81 van de Grondwet te verlengen;

3º overeenkomstig artikel 80 van de Grondwet de termijnen te bepalen waarbinnen de Senaat zich moet uitspreken wanneer de Regering de spoedbehandeling vraagt;

4º in het geval bedoeld in artikel 81, vijfde lid, van de Grondwet de termijn te bepalen waarbinnen de Kamer zich moet uitspreken over een ontwerp van wet dat haar door de Senaat wordt overgezonden of teruggezonden;

5º met toepassing van artikel 92quater van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de nadere regelen te bepalen overeenkomstig welke de Kamers adviezen kunnen verstrekken over de voorstellen van normatieve rechtshandelingen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

Art. 3

De Commissie is samengesteld uit  :

­ elf senatoren, onder wie de voorzitter van de Senaat, door de Senaat benoemd met evenredige vertegenwoordiging van de fracties;

­ elf volksvertegenwoordigers, onder wie de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers, door de Kamer benoemd met evenredige vertegenwoordiging van de fracties.

Voor elke lijst van vaste leden benoemt elke assemblee in haar midden, onder dezelfde voorwaarden, een zelfde aantal plaatsvervangers.

Bij afwezigheid van een vast lid wordt in zijn vervanging voorzien door een plaatsvervanger.

De commissie wordt bijgestaan door de griffiers van beide assemblees.

Art. 4

De commissie kan de leden van de Regering vragen om haar vergaderingen bij te wonen en dezen kunnen vragen om te worden gehoord.

Art. 5

De commissie kan worden aangezocht ofwel door een van de voorzitters, ofwel op schriftelijk verzoek van ten minste acht van haar leden gericht tot de twee voorzitters en ingediend bij de griffie van een van beide assemblees.

De akte waarbij de commissie wordt aangezocht, vermeldt het onderwerp van het verzoek en, in voorkomend geval, de ontwerpen, voorstellen en amendementen die aan de commissie zullen worden voorgelegd.

De voorzitters geven de leden van hun assemblee kennis van het feit dat de commissie aangezocht is.

Op initiatief van beide voorzitters of van een van hen wordt, uiterlijk de dag na het indienen van het verzoek bedoeld in het eerste lid, aan de leden van de commissie een schriftelijke bijeenroeping gezonden met vermelding van de datum van de eerste vergadering en het onderwerp waarover de commissie aangezocht is. De eerste vergadering vindt uiterlijk plaats binnen drie dagen na de dag van de verzending van de schriftelijke bijeenroeping.

Art. 6

De commissie stelt haar reglement van orde op.

De vergaderingen van de commissie worden beurtelings en telkens voor de duur van een parlementaire zitting voorgezeten door de voorzitter van de Senaat en door de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers.

De commissie vergadert met gesloten deuren. Het reglement van orde bepaalt onder welke voorwaarden sommige leden van de Kamer en van de Senaat die geen lid van de commissies zijn, haar vergaderingen kunnen bijwonen.

Het reglement van orde bepaalt hoe de notulen van de commissievergaderingen worden opgemaakt.

Art. 7

De wetsontwerpen, de wetsvoorstellen, de amendementen, de commissieverslagen van de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat, de adviezen van de Raad van State, de beslissingen van de parlementaire overlegcommissie, alsmede alle andere parlementaire stukken alsook de bijeenroepingen voor de commissievergaderingen en de plenaire vergaderingen en de agenda's worden terzelfder tijd rondgedeeld aan de leden van beide assemblees.

Art. 8

Onverminderd artikel 74 van de Grondwet wordt een wetsontwerp, wanneer het is aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers of door de Senaat, overgezonden aan de voorzitter van de andere assemblee, in de vorm van een parlementair stuk dat wordt gedagtekend en ondertekend door de griffier van de assemblee die het heeft aangenomen of door diens gemachtigde.

De griffier van de assemblee waaraan het wetsontwerp wordt overgezonden, of diens gemachtigde doet dezelfde dag een gedagtekend en ondertekend ontvangstbewijs toekomen aan de griffier van de andere assemblee.

Art. 9

§ 1. De termijnen bepaald in de artikelen 78 tot 81 van de Grondwet worden berekend als volgt  :

1º de evocatietermijnen bedoeld in de artikelen 78, tweede lid, en 80 van de Grondwet gaan in de dag na die waarop de voorzitter van de Senaat het wetsontwerp heeft ontvangen, overeenkomstig artikel 8;

2º de onderzoekstermijnen bedoeld in de artikelen 78, derde lid, en 80 van de Grondwet gaan in de dag na die waarop het verzoek bepaald in artikel 78, tweede lid, van de Grondwet aan de voorzitter van de Senaat is voorgelegd. De voorwaarden waaraan dat verzoek moet voldoen, worden bepaald in het reglement van de Senaat;

3º de termijn van vijftien dagen bedoeld in artikel 79, eerste lid, van de Grondwet gaat in de dag na die waarop de voorzitter van de Senaat het geamendeerde wetsontwerp heeft ontvangen, overeenkomstig artikel 8;

4º de onderzoekstermijnen bedoeld in artikel 81, vijfde en zesde lid, van de Grondwet gaan in de dag na die waarop de commissie een beslissing heeft genomen;

5º de termijn van zestig dagen bedoeld in artikel 81, tweede lid, van de Grondwet en de termijn van vijftien dagen bedoeld in artikel 81, vierde lid, van de Grondwet gaan in de dag na die waarop de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers het wetsontwerp of het geamendeerde wetsontwerp heeft ontvangen, overeenkomstig artikel 8;

6º de termijn van vijftien dagen bedoeld in artikel 81, vijfde lid, van de Grondwet gaat in de dag na die waarop de termijnen bedoeld in het tweede en het vierde lid van artikel 81 van de Grondwet zijn verstreken.

§ 2. De termijnen bedoeld in de artikelen 78 tot 81 van de Grondwet en in deze wet lopen van middernacht tot middernacht.

Verstrijkt een termijn op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt hij automatisch verlengd tot de eerstvolgende werkdag.

§ 3. Uiterlijk de dag na die waarop het in § 1, 2º, bedoelde verzoek is voorgelegd, stelt de voorzitter van de Senaat de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers alsmede de senatoren ervan in kennis dat tot evocatie wordt overgegaan.

Art. 10

§ 1. 1º Bij ontbinding van de Kamers worden de lopende termijnen, bedoeld in de artikelen 78 tot 81 van de Grondwet en in deze wet, gestuit. De nieuwe termijnen gaan in bij de installatie van de nieuwe commissie.

2º De periode tussen het sluiten van de zitting van de Wetgevende Kamers en de opening van de volgende zitting komt niet in aanmerking voor de berekening van de termijnen bedoeld in de artikelen 78 tot 81 van de Grondwet en in deze wet.

3º De commissie noteert de periodes tijdens welke de Senaat en de Kamer van volksvertegenwoordigers op reces zijn. Die periodes komen niet in aanmerking voor de berekening van de termijnen bedoeld in de artikelen 78 tot 81 van de Grondwet en in deze wet.

4º De termijnen bedoeld in de artikelen 78 tot 81 van de Grondwet en in deze wet worden geschorst, wanneer een van beide Kamers door de Koning wordt verdaagd.

5º De termijnen bedoeld in de artikelen 78 tot 81 van de Grondwet worden automatisch geschorst zodra de commissie is aangezocht en tot de dag na die waarop zij een beslissing neemt.

6º De termijnen bedoeld in de artikelen 78 tot 81 van de Grondwet en in deze wet worden geschorst bij de uitvoering van de procedure neergelegd in artikel 54 van de Grondwet.

§ 2. Wanneer de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers of de voorzitter van de Senaat over een bij hun Kamer aanhangig wetsvoorstel, wetsontwerp of amendement, het gemotiveerd advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State vraagt, wordt dit advies ten laatste de dag na die waarop de voorzitter aan wie het is gericht het heeft ontvangen, ter kennis gebracht van de voorzitter van de andere assemblee.

Vraagt de voorzitter van de Senaat het advies van de Raad van State, dan worden de termijnen bedoeld in de artikelen 78 tot 80 van de Grondwet en in deze wet geschorst.

Hetzelfde geldt wanneer de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers het advies van de Raad van State vraagt in het kader van artikel 81 van de Grondwet.

Deze schorsing neemt een einde de dag na die waarop de Voorzitter aan wie het advies is gericht, dit advies ter kennis brengt van de voorzitter van de andere assemblee.

Indien het wetsvoorstel, wetsontwerp of amendement overeenkomstig artikel 3, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is doorgezonden naar het Overlegcomité bedoeld in artikel 31 van de gewone wet tot hervorming der instellingen van 9 augustus 1980, neemt de schorsing een einde de dag na die waarop het Overlegcomité, in een met redenen omkleed advies verstrekt volgens de procedure van de consensus, uitspraak zal gedaan hebben ten gunste van de bevoegdheid van de Staat of de dag na die waarop de Regering bij de Kamer de amendementen heeft ingediend die door het Comité beslist zijn om aan de bevoegdheidsoverschrijding een einde te maken.

De schorsing neemt eveneens een einde indien het Overlegcomité geen uitspraak gedaan heeft binnen de hem opgelegde termijn van veertig dagen, indien de Kamer voor het verstrijken van die termijn ervan op de hoogte gebracht wordt dat het Comité geen uitspraak kan doen of indien de Regering, binnen drie dagen na het advies van het Comité, de bedoelde amendementen niet heeft ingediend.

Art. 11

§ 1. De commissie kan een bevoegdheidsconflict regelen zodra een wetsontwerp is ingediend of een wetsvoorstel in overweging is genomen, of zodra in de commissie amendementen zijn aangenomen en voor de eindstemming in de plenaire vergadering.

Indien een amendement door een assemblee wordt aangenomen in eerste lezing in de plenaire vergadering, mag de eindstemming over het aldus geamendeerde wetsontwerp of wetsvoorstel eerst plaatsvinden nadat vijf dagen verstreken zijn.

Wanneer bij de commissie een bevoegdheidsconflict aanhangig is gemaakt, wordt de eindstemming in de plenaire vergadering opgeschort tot de termijn bedoeld in artikel 10, § 5 [lees  : artikel 10, § 1, 5º], is verstreken, onverminderd de artikelen 13 en 14, laatste lid.

§ 2. Wanneer de commissie een bevoegdheidsconflict regelt, beslist ze of de parlementaire procedure die moet worden ­­­­­­

gevolgd die is van de artikelen 74, 77 of 78 tot 81 van de Grondwet.

§ 3. Wordt bij de commissie een bevoegdheidsconflict aanhangig gemaakt overeenkomstig artikel 82 van de Grondwet, dan neemt ze een beslissing binnen vijf dagen na de dag waarvoor ze is bijeengeroepen.

Art. 12

§ 1. Wanneer bij de commissie een verzoek tot verlenging van de onderzoekstermijnen is ingediend, neemt ze een beslissing binnen drie dagen na de dag waarvoor ze is bijeengeroepen. De eindstemming in de plenaire vergadering wordt opgeschort tot de termijn van drie dagen is verstreken, onverminderd de artikelen 13 en 14, laatste lid.

§ 2. Indien de Regering bij de indiening van een wetsontwerp overeenkomstig artikel 80 van de Grondwet de spoedbehandeling vraagt, wordt de commissie door een van beide voorzitters bijeengeroepen. Ze beslist binnen zeven dagen nadat het ontwerp overeenkomstig artikel 7 is rondgedeeld.

§ 3. Indien de Kamer van volksvertegenwoordigers binnen de termijnen voorgeschreven door artikel 81 van de Grondwet geen beslissing neemt over een wetsontwerp dat door de Senaat is aangenomen, wordt de commissie binnen een termijn van vijftien dagen door een van beide voorzitters bijeengeroepen.

De commissie bepaalt, binnen drie dagen na de datum waarvoor ze is bijeengeroepen, de termijn waarbinnen de Kamer zich moet uitspreken.

Art. 13

De commissie kan, volgens de meerderheidsregels neergelegd in artikel 14, de termijnen verlengen waarbinnen ze, overeenkomstig de artikelen 11, § 3, en 12, § 1 en § 3, tweede lid, een beslissing moet nemen.

Art. 14

De beslissingen van de commissie binden beide assemblees en worden door hun voorzitter ter kennis gebracht van de leden.

Ze worden genomen bij volstrekte meerderheid van de leden van elk van de twee samenstellende delen van de commissie en, bij gebreke daarvan, bij meerderheid van twee derden van haar leden.

Wordt er geen overeenstemming bereikt, dan worden, in voorkomend geval, de artikelen 80, tweede lid, en 81, zesde lid, van de Grondwet toegepast.

Neemt de commissie geen beslissing binnen de gestelde termijnen, dan wordt dit door de voorzitter vastgesteld en aan beide assemblees medegedeeld. De opschorting van de stemming in een assemblee en de schorsing van de termijnen bedoeld in de artikelen 78 tot 81 van de Grondwet nemen een einde de dag na die waarop de termijn verstrijkt waarbinnen de beslissing had moeten worden genomen.

Art. 15

De regels die de commissie bepaalt met toepassing van artikel 2, 5º, worden opgenomen in het reglement van beide assemblees.

Art. 16

De voorzitter van de assemblee waarbij een wetsontwerp of -voorstel aanhangig is, is verplicht het advies te vragen van de afdeling wetgeving van de Raad van State wanneer ten minste twaalf leden van de commissie daartoe bij de griffie van een van beide assemblees een schriftelijk verzoek indienen dat uitsluitend betrekking heeft op dat wetsontwerp of -voorstel, of op bij een eerste stemming aangenomen amendementen op dat wetsontwerp of -voorstel en dat een bij de commissie aanhangig bevoegdheidsconflict betreft. De voorzitter kan, in spoedeisende gevallen, vragen dat het advies wordt uitgebracht binnen een termijn van ten hoogste acht dagen.

Art. 17

(Wijzigt de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973.)

Art. 18

(Opgeheven door de wet van 5 mei 1999 betreffende de gevolgen van de ontbinding van de Wetgevende Kamers ten aanzien van de aanhangige wetsontwerpen en wetsvoorstellen, Belgisch Staatsblad van 7 mei 1999)

Art. 19

De artikelen 1 tot 17 treden in werking bij de eerstvolgende algehele vernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers.

Reglement van orde

van de parlementaire overlegcommissie  (6)

1.1. Onmiddellijk nadat beide assemblees hun vertegenwoordigers in de commissie hebben benoemd, roepen de voorzitters de commissie bijeen met het oog op haar installatie.

1.2. De installatievergadering wordt voorgezeten door de voorzitter die krachtens artikel 6, tweede lid, van de wet van 6 april 1995 houdende inrichting van de parlementaire overlegcommissie bedoeld in artikel 82 van de Grondwet en tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de vergaderingen van de commissie voor de duur van de parlementaire zitting voorzit.

1.3. Het proces-verbaal van de installatie vermeldt de plaats, de datum en het uur van installatie, de aanwezige leden, de vaste leden van de commissie en de plaatsvervangers en de voorzitter die voor de duur van de parlementaire zitting de vergaderingen zal voorzitten.

1.4. Het proces-verbaal wordt ondertekend door de voorzitters en de griffiers van beide assemblees.

2. Iedere wijziging in het ledental van een fractie in een assemblee wordt verrekend in de vertegenwoordiging van de fracties van die assemblee in de commissie. De leden behouden hun mandaat tot in hun vervanging is voorzien door de assemblee die hen heeft aangewezen.

3. Elk van de samenstellende delen van de commissie wijst onder zijn leden een ondervoorzitter aan. Onverminderd het bepaalde onder 4.1., worden de voorzitters, wanneer zij verhinderd zijn, vervangen door de ondervoorzitters, of, bij hun afwezigheid, door het oudste lid in jaren behorende tot dezelfde assemblee.

4.1. Is de voorzitter die de vergadering dient voor te zitten verhinderd, dan wordt de vergadering voorgezeten door de voorzitter van de andere assemblee en, bij diens afwezigheid, door de ondervoorzitter die behoort tot dezelfde assemblee als de eerstgenoemde voorzitter.

4.2. Bij het leiden van de vergadering beschikt de voorzitter over de bevoegdheden die het reglement van de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de voorzitter van die assemblee toekent.

4.3. De commissie vergadert met gesloten deuren.

4.4. Alleen de vaste leden van de commissie, of, als zij verhinderd zijn, een plaatsvervanger van dezelfde fractie van dezelfde assemblee, mogen de vergaderingen bijwonen.

4.5. De commissie kan beslissen andere leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers of van de Senaat uit te nodigen of tot haar vergaderingen toe te laten met raadgevende stem. Zij kan eveneens beslissen een of meer deskundigen te horen.

4.6. De voorzitters vragen de Regering, op eigen initiatief of op verzoek van de commissie, de vergaderingen van de commissie bij te wonen.

4.7. Indien de Regering wenst te worden gehoord, deelt zij dit mede aan een van beide voorzitters. Op haar verzoek wordt ingegaan tenzij de commissie anders beslist.

5.1. Van elke vergadering van de commissie worden notulen opgemaakt. Zij vermelden in ieder geval de datum en het uur van de vergadering, de naam van de voorzitter die de vergadering heeft voorgezeten, de naam van de aanwezige leden, in voorkomend geval de andere aanwezigen, de beslissingen die de commissie heeft genomen, het resultaat van de stemmingen, het uur waarop de vergadering werd gesloten, en, in voorkomend geval, datum en uur van de volgende vergaderingen.

5.2. De notulen worden ondertekend door de voorzitter die de vergadering heeft voorgezeten en door de voorzitter van de andere assemblee of door degenen die hen vervingen.

5.3. De notulen worden bewaard door de griffiers. Zij kunnen worden geraadpleegd door de leden van de commissie en door de leden van de Regering in de gevallen bedoeld in 4.6. of 4.7.

6.1. Elk verzoek tot bijeenroeping van de commissie wordt ingediend ter griffie van een van beide assemblees. Het wordt onmiddellijk geregistreerd. Aan de griffie van de andere assemblee wordt onmiddellijk een eensluidend verklaard afschrift meegedeeld met het registratienummer.

6.2. Het origineel van de verzoeken wordt bewaard ter griffie van de assemblee waarvan de voorzitter voor de duur van de parlementaire zitting de vergadering van de commissie voorzit. Een afschrift van de verzoeken wordt bewaard ter griffie van de andere assemblee.

6.3. Indien een van beide voorzitters een verzoek onontvankelijk acht, raadpleegt hij daarover de voorzitter van de andere assemblee en beslissen zij gezamenlijk. In geval van twijfel beslist de commissie.

6.4. De voorzitter die, op eigen initiatief of op verzoek van ten minste acht leden, de commissie wenst bijeen te roepen, geeft daarvan kennis aan de andere voorzitter met vermelding van dag, uur en agenda van de geplande vergadering.

6.5. De agenda vermeldt of de commissie wordt aangezocht voor het regelen van een bevoegdheidsconflict (artikel 2, 1º, van de wet van 6 april 1995) voor het vaststellen van termijnen (artikel 2, 2º tot 4º, van de wet van 6 april 1995), dan wel voor een andere aangelegenheid die tot haar bevoegdheid behoort.

6.6. Wordt de commissie aangezocht voor het vaststellen van termijnen, dan vermeldt de agenda om welk(e) voorstel(len) of ontwerp(en) het gaat. In het geval van een bevoegdheidsconflict specificeert de agenda bovendien de aangevochten bepaling(en) van het voorstel of ontwerp of de aangevochten amendementen.

6.7. De voorzitters kunnen te allen tijde punten aan de agenda toevoegen, mits deze schriftelijk aan de leden worden meegedeeld vóór de vergadering. Ter zitting kan de agenda slechts worden gewijzigd indien geen enkel lid zich daartegen verzet.

7.1. De commissie kan geldig vergaderen ongeacht het aantal aanwezige leden. Onverminderd het bepaalde onder 6.7. beslist zij steeds op de wijze bepaald in artikel 14, tweede lid, van de wet van 6 april 1995.

7.2. De beslissingen van de overlegcommissie worden bekendgemaakt in de vorm van een parlementair stuk dat gemeenschappelijk is aan beide assemblees. Het stuk vermeldt de dag waarop de commissie haar beslissing heeft genomen, de inhoud van die beslissing en de naam van degenen die de notulen zoals bedoeld in 5.2 hebben ondertekend.

7.3. Neemt de commissie geen beslissing binnen de gestelde termijn, dan wordt dit eveneens bekendgemaakt op de wijze bepaald in 7.2.


REGISTER

VAN HET REGLEMENT

ARTIKELEN
Aanwezigheidsquorum
 In de commissies 23/6, 25/2
 In de plenaire vergadering 44/4, 46
Adjunct-griffier 92/5
Advies
 Andere commissie 24
 Extra-parlementaire personen en instellingen 28/1
 Gemeenschappen en gewesten zie «  Samenwerking met de gemeenschappen en de gewesten  »
 Raad van State 66
Adviescomités
 Adviescomité voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen 86
 Federaal adviescomité voor Europese aangelegenheden 85
Agenda
 Kennisgeving 32
 Vaststelling 20/2
Alarmbel 67
Amendement 27/2, 39/1, 45/3, 59, 60, 61,
73/2, 74/6 zie ook «  Stemming  »
Arbitragehof (beroep bij het) 68
Archief van de Senaat 36, lid 2, 92/3
Begeleidingscommissie Vast Comité I 23/8, 86bis
Begroting van de Senaat 15/2, 94
Belangenconflict
 Procedure ingesteld door de Senaat 78
 Procedure ingesteld tegen de Senaat 79
 Regeling van een belangenconflict 78, 79, 80
 Voorlegging aan het Overlegcomité 78/5, 79/3, 80
 Voorrang van bevoegdheidsconflicten 81
Benoemingen en voordrachten
 Evenredige vertegenwoordiging van de fracties 84
 Externe benoemingen en voordrachten 82, 83
 Geheime stemming 42/4, 82
 Voordracht van kandidaten bij het Hof van Cassatie 83/2
Beroep bij het Arbitragehof 68
Beslissing om in te stemmen met het ontwerp 64/2-3
Beslissing om niet te amenderen 63/2-3
Bevoegdheidsconflict
 Beroep bij het Arbitragehof 68
 Voorkoming (Raad van State) 66
 Voorrang op belangenconflicten 81
Bibliotheek van het Parlement 94
Boekhouding van de Senaat 15/2, 92/5
Bulletin van Vragen en Antwoorden 70/3
Bureau
 Bureau van de commissies 23/1-2,
23/8
 Vast bureau
  ­ Ambtsduur van de organieke leden 16/1
  ­ Benoeming van leden 9
  ­ Besluitvorming 10
  ­ Bevoegdheden
   * cumulatiebeperking 95bis/2
   * herziening van het reglement 96
   * onderzoek van de geloofsbrieven 6
   * openbaarheid van commissievergaderingen 23/8, 26, lid 4
   * organisatie van de diensten 93
   * overdracht van bevoegdheden 11
   * regeling van de werkzaamheden 20
   * rekeningen en begroting van de Senaat 15/2
   * themadebatten 74
  ­ Evenredige vertegenwoordiging van de fracties 9
  ­ Samenstelling 8
 Voorlopig bureau 1
Commissarissen van de Koning 89
Commissies
 Aanwezigheidsquorum 23/6
 Adviesaanvraag gericht tot een andere commissie 24
 Bevoegdheden (algemeen) 22
 Bijeenroeping 23/2, 55, lid 3, 92/2
 Bijzondere commissies 23/8, 29/1, 31
 Bureau 23/1-2,
23/8
 Commissievergadering 23, 30/2
 Commissievergadering (tijdstip van de) 18/5, 23/3
 Externe medewerking 28
 Fractiemedewerkers 29
 Gesloten deuren 23/8, 77/3
 Hoorzittingen 22/2, 28/2
 Initiatiefrecht 22/3
 Notulen 23/7
 Openbare vergaderingen 23/8, 27/2
 Plaatsvervanging 21/2-3,
23/4, 85, 86/3,
86bis/3
 Regeling van de werkzaamheden 23/2, 23/8
 Samenstelling 21, 23, 84
 Samenwerkingsprocedure met de gemeenschappen en de gewesten 57
 Subcommissie 26
 Terugzending naar de commissie 40/1-2
 Verdragen (vervolgcontrole op de instemmingsprocedure) 22/5
 Verenigde commissies 25
 Verslagen zie «  Verslagen  »
 Verwijzing van wetsontwerpen 55
 Voorzitter 20/2, 23/1
 Vraag om inlichtingen aan de Regering 22/4
 Vragen om uitleg 72/3
 Werkgroep 26
 Werkwijze 23
Commissie belast met de begeleiding van het vast comité I 23/8, 86bis
Commissie voor het onderzoek van de geloofsbrieven 2-5, 23/8
Conferentie van de voorzitters van de zeven parlementaire assemblees 95bis
Cumulatiebeperking 95bis
Debat zie «  Moties (tot besluit van een debat)  »
Diensten van de Senaat 89, 92/4, 93
Directeur-generaal van de quaestuur 92/5
Directeur-generaal van de wetgevingsdiensten 92/5
Discretieplicht zie «  Vertrouwelijkheid  »
Dotatie van de Senaat 95
Eedaflegging 7
Europese aangelegenheden (Federaal adviescomité voor) 85
Evenredige vertegenwoordiging 9, 10, 19/2, 21/2, 84, 86bis/1
Evocatie 63/1, 65/1
Federaal adviescomité voor Europese aangelegenheden 85
Fracties
 Aanhorigheid tot een fractie 18/1
 Fractiemedewerkers in de commissies 29
 Fractievergadering (tijdstip van de) 18/5
 Fractievoorzitters 8, 18/2
 Samenstelling 18/1-3
 Spreektijd 20/4
 Themadebatten 74/2-3
 Vertegenwoordigers in de commissies 21/2-4, 84
 Vertegenwoordiging in het Bureau 8, 9, 10
Geconstitueerde Senaat 12
Gecoöpteerde senatoren
 Aanhorigheid tot een fractie 18/1
 Geloofsbrieven (onderzoek van de) 5
Geheimhoudingsplicht zie «  Vertrouwelijkheid  »
Geloofsbrieven (onderzoek van de)
 Beraadslaging en stemmingen 7
 Bezwaarschriften met betrekking tot de verkiezingen 3
 Bij gedeeltelijke verkiezingen of bij vervanging van een senator 6
 Commissie voor het onderzoek van de geloofsbrieven 2, 23/8
 Gecoöpteerde senatoren 5
 Geldigverklaring van de verkiezingen 3
 Gemeenschapssenatoren 4
 Rechtstreeks verkozen senatoren 3
Gemeenschapssenatoren
 Aanhorigheid tot een fractie 18/1
 Duitstalige gemeenschapssenator 17, 18/1
 Geloofsbrieven (onderzoek van de) 4
Gesloten deuren
 Begeleidingscommissie Vast Comité I 23/8, 86bis
 Commissies 23/8, 77/3
 Plenaire vergadering 36, 48,
77/5, 92/1
 Werkgroepen en subcommissies 26
Griffier
 Benoeming 91
 Bevoegdheden 36, lid 2, 92
Handelingen 35/2, 37, 51
Handtekening zie «  Ondertekening  »
Hoogdringendheid
 Behandeling wetsontwerp 55, lid 2
 Evocatieprocedure 65/1-2
 Openbaarheid subcommissies 26, lid 4
 Samenwerking met de gemeenschappen en de gewesten 57/1, 57/3
 Verslagen 27/2, 27/4, lid 3
 Vragen om uitleg 72/3, lid 1
Herziening van de Grondwet 30
Hof van Cassatie (voordracht van kandidaten) 83/2
Hoorzitting 22/2, 28/2
Initiatiefrecht
 Commissies 22/3
 Leden 56, 59
Inoverwegingneming 22/3, 30/1, 56/2-3
Integraal verslag
 Commissies 23/7
 Plenaire vergadering 37
Intrekking en overneming
 Van een amendement 59/2
 Van een voorstel 58/3
Meerderheid
 Berekeningswijze
  ­Onthoudingen 44/4
  ­Verenigde commissies 25/2
 Quorum zie «  Aanwezigheidsquorum  »
 Vereiste meerderheid
  ­ Algemeen 47
  ­ Belangenconflicten 78/2
  ­ Benoemingen en voordrachten 82
  ­ Beroep bij het Arbitragehof 68/1-2
  ­ Sanctie bij overtreding van het geheim van het parlementair onderzoek 77/3 en 5
  ­ Verkiezing van de voorzitter 9, lid 2
Ministers en staatssecretarissen zie ook «  Regering  »
 Buitenlandse Aangelegenheden 22/5
 Spreekrecht 38/5, 39/3
 Toegang tot de vergaderzaal 89
 Vragen en vragen om uitleg 70, 71, 72
Mondelinge vragen 69, 71,
72/2
Moties
 Tot besluit van een debat 41, 42/3, 46/2, 73/3
 Tot besluit van een parlementair onderzoek 76/4
 Tot besluit van een themadebat  :
  ­ Motie van aanbeveling 74/5-6
 Tot besluit van een vraag om uitleg  :
  ­ Gewone motie 73
  ­ Met redenen omklede motie 73
  ­ Onderlinge voorrang tussen moties 73/2
Notulen
 Bureau 92/1
 Commissies 23/7, 77/3
 Plenaire vergadering 36, 92/1
Ondertekening 18/2, 23/7, 36, lid 2, 48, lid 2, 56/1, 59/1, 63/1, 66/2, 68/2, 70/1, 77/3
Ondervoorzitters
 Aantal en benoeming 8, 9
 Adviescomité voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen 86/2
 Ambtsduur 16/1
 Bevoegdheden 14
 Commissieondervoorzitter 23/1
Onderzoekscommissie 76, 77
Onderzoek van de geloofsbrieven zie «  Ge-
loofsbrie-
ven  »
Onthoudingen 44/3-4
Ontvankelijkheid
 Amendementen 59/1, 60
 Moties en resoluties 62, 73/1
 Voorranghebbende vragen 40/3
 Voorstellen 22/3, 56/2, 62, 76/1, 96
 Vragen en vragen om uitleg 69, 70/2, 71/2, 72/2
Ontwerp van wet zie «  Procedure inzake ontwerpen en voorstellen  »
Openbare vergadering
 Commissies 23/8, 27/2
 Plenaire vergadering 48
 Subcommissies 26, lid 4
Opening van de vergadering 32, 33
Opheffing onschendbaarheid 23/8
Orde en tucht
 Bevoegdheid van de voorzitter 13
 Openbare commissievergaderingen 23/8
 Orde en tucht in de Senaat 49-54, 88
 Orde en tucht in de tribunes 90
 Toegang tot de vergaderzaal 89
Oudste lid in jaren 1, 16/2
Overneming zie «  Intrekking en
overneming  »
Parlementaire Overlegcommissie  (4)
 Afvaardiging van de Senaat 19
 Evocatie- en onderzoekstermijnen 65
 Raadpleging van de Raad van State 66/3
Parlementair onderzoek 76, 77
Personeel zie «  Diensten van de Senaat  »
Persoonlijk feit 40
Plaatsvervanging 19/2,
21/2-3,
23/4, 85,
86/3,
86bis/3
Plenaire vergadering
 Aanwezigheid in de vergadering 35
 Aanwezigheidsquorum 44/4, 46
 Agenda 32
 Handelingen 37, 51
 Mededelingen 33
 Notulen en verslag van de debatten 36, 37
 Opening en sluiting van de bespreking 34, 40
 Opening en sluiting van de vergadering 32, 33, 53/3
 Regeling van de werkzaamheden 20/5, 40
 Schorsing van de vergadering 46/3, 53/3, 54
 Spreektijd 20/4-5, 39, 66/2,
71/4-5,
72/5, 74/4,
77/5
 Sprekerslijst 34, 38/1
 Sprekerstucht 49, 50, 51
 Storing van de orde 53
 Tijdstip van de vergadering 32
 Uitsluiting 53
 Vergadering met gesloten deuren 36, lid 3, 48, 77/5, 92/1
 Voorranghebbende vragen 40
 Woord voeren (het) 38, 39
Procedure inzake ontwerpen en voorstellen
 Amendement (en subamendement) 45/3, 59,
60, 61
 Beslissing in te stemmen met het ontwerp 64/2-3
 Beslissing om niet te amenderen 63/2-3
 Bespreking 20/4, 34,
38, 39, 58, 66/4-5, 67
 Evocatie van een wetsontwerp 63/1, 65/1
Inoverwegingneming
  ­ Voorstel tot herziening van de Grondwet 30/1
  ­ Voorstel van wet of van resolutie 22/3,
56/2-3
 Intrekking en overneming
  ­ Van een amendement 59/2
  ­ Van een voorstel 58/3
 Overzending van een optioneel bicameraal wetsontwerp door de Kamer 63/1
 Schorsing van de bespreking 40/2, 59/4,
66/5, 67,
79/1
 Tekst verworpen in de commissie 58/2
 Termijnen
  ­ Evocatietermijnen 63/1, 65/1
  ­ Onderzoekstermijn 63/2, 64/2,
65/2-3
  ­ Uitstel van de eindstemming (termijn van 5 dagen) 61
 Terugzending naar de commissie 40/1-2,
59/4, 60/1
 Terugzending van een optioneel bicameraal wetsontwerp door de Kamer 64/1
 Tweede lezing 60
 Voorstel van resolutie 22/3, 62
 Wetsontwerp 55
 Wetsvoorstel
  ­ Indiening 22/3, 56/1
  ­ Inoverwegingneming 22/3, 56/2-3
  ­ Ontvankelijkheid 22/3, 56/2
Publiek 23/8, 90
Quaestoren
 Aantal en benoeming 8, 9
 Ambtsduur 16/1
 Bevoegdheden 11, 15,
18/4, 92/4,
93/3, 95bis/2
Quorum zie «  Aanwezigheidsquorum  »
Raad van State (raadpleging van de) 66
Rapporteur zie «  Verslagen  »
Regeling van de werkzaamheden
 Commissies 23/2, 23/8
 Vaststelling en goedkeuring 20
 Wijziging 40
Regering zie ook
«  Ministers en staatssecretarissen  »
 Aanwezigheid in het Bureau (regeling van de werkzaamheden) 20/2
 Gemeenschaps- of gewestregering (samenwerking met) 57
 Verzoek om commissievergadering met gesloten deuren 23/8
 Inlichtingen aan commissies 22/4
 Vragen aan 70, 71, 72
Reglement van de Senaat
 Beroep op het reglement 40, 49/1
 Herziening 96
 Inwerkingtreding 98
 Opheffing van het reglement van 19 oktober 1831 97
Resolutie 22/3, 62,
68/2,
78/1-3
Samenwerking met de gemeenschappen en de gewesten 57
Schorsing
 Belangenconflict 81
 Bespreking 40/2, 59/4, 66/2, 66/5, 67, 79/1
 Plenaire vergadering zie «  Plenaire Vergadering  »
Schriftelijke vragen 69, 70
Secretaris-generaal zie
«  Griffier  »
Sluiting van de vergadering 32, 53/3
Spoedeisendheid zie «  Hoogdringendheid  »
Spreektijd 20/4-5, 39,
41, lid 2
66/2,
71/4-5,
72/5, 74/4, 77/5
Spreektucht zie «  Orde en tucht  »
Staatssecretarissen zie «  Ministers en staatssecretarissen  »
Staking van stemmen zie «  Stemming  »
Stemming
 Algemene instemming 42/1
 Amendementen en subamendementen 42/3, 45/3, 46/2, 59/3, 63/3, 64/3
 Bij naamafroeping (hoofdelijke stemming) 42/3, 43/2,
44, 46/2-3
 Bij zitten en opstaan 40/2,
42/2-3, 43
 Geheime 42/3-4,
77/5, 82
 Mechanische of elektronisch uitgebrachte 44/2
 Onthouding 44/3-4
 Over benoemingen en voordrachten 42/4, 82
 Quorum zie «  Aanwezigheidsquorum  »
 Splitsing 45/1
 Staking van stemmen 47/2, 82,
lid 3
 Stemming op een lijst 8, 86bis/1
 Stemverklaring 41
 Tekst verworpen in commissie 58/2
 Tijdstip 20/4
 Uitstel van de eindstemming (5 dagen) 61
 Volgorde van de stemmingen 45, 63/3,
64/3
Stemverklaring 41
Subamendement 45/3, 59
Subcommissie 26
Taalgroepen 17, 66/2
Tekst verworpen in commissie 58/2
Termijnen (wetgevingsprocedure) zie «  Procedure inzake ontwerpen en voorstellen  »
Terugzending naar de commissie 40/1-2
Themadebatten 74
Tribune 23/8, 90
Tucht zie «  Orde en tucht  »
Tweede lezing 60
Uitsluiting 53, 77,
86bis/5
Verdaging 40/1-2
Verdragen 22/5
Verenigde commissies 25
Vergadering zie «  Plenaire vergadering  »
Verslagen
 Aanvullend verslag 60/1,
lid 2,
67, lid 2
 Goedkeuring 27/3
 Inhoud 27/2
 Rapporteur 27/1,
38/5-6
 Ronddeling 27/4
 Stemming over conclusies 42/3, 46/2, 58/2, lid 3
 Subcommissies en werkgroepen 26
 Termijn voor het indienen van de verslagen 20/3
 Toelichting in de plenaire vergadering 38/6, 60/1
 Vertrouwen aan de rapporteur 27/3
 Weglating van woorden 51, lid 2
Vertaling 27/4, 37/1, 55, lid 1, 56/1-2,
74/3, 76/1, 96, lid 1
Vertrouwelijkheid 23/8, 69/2, 77, 86bis/5
Verwerping in commissie 58/2
Verzoekschriften
 Mededeling in de plenaire vergadering 33
 Onderzoek 75
Voorafgaande vraag 40/1-2
Voordrachten zie «  Benoemingen en voordrachten  »
Voorlopig bureau 1
Voorranghebbende vragen 40
Voorzitter
 Adviescomité voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen 86/2
 Algemene bevoegdheden 13
 Ambtsduur 16/1
 Commissie belast met de begeleiding van het vast comité I 86bis/1
 Commissievoorzitter 20/2,
23/1-2
 Verkiezing van de voorzitter 8, 9, 16/1
 Voorlopige voorzitter 1
 Waarneming voorzitterschap door oudste in jaren 16/2
Vragen
 Mondelinge vragen 71, 72/2
 Ontvankelijkheid 69, 70/2,
71/2, 72/2
 Schriftelijke vragen 70, 72/2
 Vragen om uitleg 72
Weglating van woorden 51
Werkgroep 26
Werkzaamheden (regeling van de) 20, 23/2,
23/8, 32
Wetsontwerp zie «  Procedure inzake ontwerpen en voorstellen  »
Wetsvoorstel
 Indiening 22/3, 56/1
 Inoverwegingneming 22/3, 56/2-3
 Ontvankelijkheid 22/3,
56/2-3
Zaktelefoons (verbod) 52
Zendingen in het buitenland 87

(1De tekst van het reglement van de Senaat kan ook worden geraadpleegd op de website van de Belgische Senaat (bijgewerkte versie).

Adres  : http  ://www.senate.be

(2) Bepaling zonder voorwerp sinds de Gronddwet van 20 november 1998 (B.S., 24 november 1998).

(3) Het reglement van 7 april is in werking getreden op 8 juni 1995.

(4) Zie ook, als bijlage, de wet van 6 april 1995 (blz. 65) en het reglement van orde van de parlementaire overlegcommissie (blz. 74).

(5Belgisch Staatsblad van 29 april 1995.

(6) Tekst aangenomen door de parlementaire overlegcommissie op 11 september 1995 (Stukken Senaat, nrs. 1-82/1 en 2).


Texte français


Page last updated on 20/07/2006