REGLEMENT
VAN DE
BELGISCHE SENAAT
INHOUD
Titel I Organisatie en werkwijze
van de Senaat
Titel II Grondwetgevende en
wetgevende functie
Titel III Controle- en
informatiefunctie
Titel IV Regeling van
belangenconflicten
Titel V Diverse
bepalingen
Titel VI Slotbepalingen
BIJLAGEN
REGLEMENT
VAN DE
BELGISCHE SENAAT
(Aangenomen door de Senaat op 7 april 1995 -
Wijzigingen : 23 november 1995, 18 december 1995, 9 januari 1997, 22
april 1999, 10 november 1999, 6 april 2000, 25 januari 2001,11 oktober 2001, 22
november 2001, 17 juli 2003 en 12 november 2009) (1)
TITEL I
ORGANISATIE EN WERKWIJZE VAN DE SENAAT
HOOFDSTUK I
VOORLOPIG BUREAU, ONDERZOEK VAN DE GELOOFSBRIEVEN EN
SAMENSTELLING VAN DE VERGADERING
| Voorlopig
bureau. |
ARTIKEL
1. Bij de opening van de zitting treedt het lid dat, als
aftredend senator, gedurende de langste tijd een parlementair mandaat heeft
uitgeoefend, als voorzitter op totdat het vast bureau is samengesteld. Bij
gelijke anciënniteit wordt de voorkeur gegeven aan het oudste lid in
jaren. |
|
Hij wordt bijgestaan door de twee jongste
leden van de vergadering, die samen met hem het voorlopig bureau vormen. |
| Onderzoek van de
geloofsbrieven. |
ART.
2. Bij elke vernieuwing van de Senaat en totdat het vast bureau is
samengesteld, vormen de zeven oudste leden in jaren, gekozen door het
kiezerskorps, samen de commissie voor het onderzoek van de geloofsbrieven. |
|
ART. 3. De bewijsstukken betreffende de
verkiezingen, alsook de bezwaar- en verzetschriften waartoe de verkiezingen
aanleiding zouden hebben gegeven, worden overgezonden aan de commissie, die een
of meer van haar leden aanwijst om aan de Senaat verslag uit te brengen. |
|
De bezwaren moeten vóór het
onderzoek van de geloofsbrieven bij de Senaat inkomen. Zijn die bezwaren
gegrond op feiten die uit documenten blijken, dan worden die documenten
bijgevoegd. |
| Geldigverklaring van de
verkiezingen. |
De Senaat doet uitspraak over de
geldigheid van de verkiezingen. Zij wier geloofsbrieven geldig zijn verklaard,
worden door de voorzitter tot senator of senator-opvolger uitgeroepen. |
|
(Gewijzigd op 22 april
1999) |
|
Gemeenschapssenatoren. |
ART.
4. Bij de volledige vernieuwing van de Senaat stelt het voorlopig
bureau, na de geloofsbrieven van de door het kiezerskorps rechtstreeks gekozen
leden te hebben onderzocht en na de vergadering te hebben geraadpleegd, de
datum vast waarop de senatoren worden aangesteld die door de Gemeenschapsraden
zijn aangewezen overeenkomstig de artikelen 211 en 212 van het
Kieswetboek. |
|
Op de gestelde dag onderzoekt de commissie
bedoeld in artikel 2, de geloofsbrieven van de leden die gekozen zijn verklaard
door de voorzitters van de Gemeenschapsraden. Vervolgens doet de Senaat
uitspraak over de conclusies van de commissie en worden zij wier geloofsbrieven
geldig zijn verklaard, door de voorzitter tot senator uitgeroepen. |
| Gecoöpteerde
senatoren. |
ART.
5. Wanneer bij de volledige vernieuwing van de Senaat de geloofsbrieven
zijn onderzocht van alle door het kiezerskorps rechtstreeks verkozen leden en
van de door de Gemeenschapsraden aangewezen senatoren, stelt het voorlopig
bureau, na de vergadering te hebben geraadpleegd, de datum vast voor de
verkiezing van de senatoren die door de Senaat moeten worden aangewezen
overeenkomstig de artikelen 218 tot 220 van het Kieswetboek. |
|
Op de gestelde dag onderzoekt de Senaat,
op verslag van de commissie bedoeld in artikel 2, de geloofsbrieven van de
aldus aangewezen leden, en worden zij wier geloofsbrieven geldig zijn
verklaard, door de voorzitter tot senator uitgeroepen. |
| Latere
vervangingen. |
ART.
6. Nadat het vast bureau is samengesteld, onderzoekt het bureau bij
gedeeltelijke verkiezingen of vervanging van een senator de geloofsbrieven
overeenkomstig artikel 3. Het bureau wijst een van zijn leden aan om verslag
uit te brengen aan de vergadering. |
| Eedaflegging. |
ART. 7. Voor zij hun mandaat opnemen, moeten de leden van de
Senaat de eed afleggen in de openbare vergadering. |
|
Verkozen verklaarde senatoren die de eed
nog niet hebben afgelegd, mogen niet deelnemen aan de beraadslagingen of aan de
stemmingen, behalve over de geldigverklaring van de verkiezingen en het
onderzoek van de geloofsbrieven. |
HOOFDSTUK II
VAST BUREAU
| Samenstelling van het
bureau. |
ART.
8. Uiterlijk binnen veertien dagen na de aanwijzing van de
gecoöpteerde senatoren installeert de Senaat zijn vast bureau, dat is
samengesteld uit : |
|
1º een voorzitter, een eerste
ondervoorzitter, een tweede ondervoorzitter en een derde ondervoorzitter, die
achtereenvolgens worden benoemd bij afzonderlijke verkiezingen, en drie
quaestoren, die daarna worden verkozen bij stemming op een lijst; |
|
2º de voorzitters van de fracties die
vertegenwoordigd zijn in de vaste commissies; zij zijn gelijkgesteld met de
ondervoorzitters. |
|
De voorzitters van de fracties
vertegenwoordigd in de vaste commissies delen aan de voorzitter de naam mee van
het lid van hun fractie dat hen bij verhindering zal vervangen. |
| Benoeming van leden van
het bureau. |
ART.
9. Behoudens hetgeen hierna bepaald wordt, geschieden alle benoemingen
bedoeld in artikel 8, eerste lid, 1º, met inachtneming van de in artikel
84 bepaalde evenredige vertegenwoordiging van de fracties, overeenkomstig
artikel 82. |
|
De voorzitter wordt evenwel slechts
verkozen verklaard indien hij de volstrekte meerderheid van stemmen van de
aanwezige leden verkrijgt. Indien na de eerste stemming geen enkele kandidaat
deze meerderheid verkrijgt, heeft herstemming plaats tussen de twee
kandidaten die de meeste stemmen hebben behaald, eventueel nadat een
beter geplaatste kandidaat zich heeft teruggetrokken. Indien bij de tweede
stemming geen van beide kandidaten de vereiste meerderheid verkrijgt, wordt de
vergadering gesloten en de benoeming van de leden van het bureau tot de
volgende vergadering verdaagd. Tijdens die vergadering wordt overgegaan tot de
derde stemming; degene van de twee kandidaten die de meeste stemmen heeft
behaald, is verkozen. |
| Wijze van beslissen van
het bureau. |
ART. 10. Wanneer het bureau niet bij consensus
beslist, heeft elke fractie die in het bureau vertegenwoordigd is, recht op een
aantal stemmen dat gelijk is aan het aantal mandaten waarop ze aanspraak zou
kunnen maken indien het gehele bureau zou worden samengesteld overeenkomstig de
regels van de in artikel 84 bepaalde evenredige vertegenwoordiging van de
fracties. |
|
De leden bedoeld in artikel 8, eerste lid,
1º, zijn steeds stemgerechtigd. |
|
In voorkomend geval hebben de leden
bedoeld in artikel 8, eerste lid, 2º, die met toepassing van de vorige
leden, niet het recht zouden hebben een of eventueel meer stemmen uit te
brengen, een raadgevende stem. |
| Bevoegdheden van het
bureau. |
ART.
11. Onverminderd de bevoegdheden van de quaestoren bepaald in artikel
15, kan het bureau, voor de aangelegenheden en voor de tijd die het bepaalt, de
uitoefening van zijn bevoegdheden overdragen aan de leden bedoeld in artikel 8,
eerste lid, 1º. |
| De geconstitueerde
Senaat. |
ART. 12. Wanneer de Senaat geconstitueerd is,
geeft hij hiervan kennis aan de Koning, aan de Kamer van
volksvertegenwoordigers en aan de Gemeenschaps- en Gewestraden. |
| Bevoegdheden van de
voorzitter. |
ART.
13. De voorzitter handhaaft de orde in de vergadering, doet het
reglement naleven, stelt de vraagpunten en brengt ze in stemming, kondigt de
uitslag van de stemmingen en de verkiezingen af, spreekt de besluiten van de
Senaat uit, voert het woord uit naam van de Senaat en overeenkomstig zijn wens
en zorgt voor de in- en uitwendige veiligheid van de Senaat. |
|
De voorzitter mag zich slechts in het
debat mengen om de stand van de zaak toe te lichten en de beraadslaging tot het
punt
in behandeling terug te brengen. Wil hij zelf aan de beraadslaging
deelnemen, dan verlaat hij de voorzitterszetel en neemt die niet weer in zolang
de zaak aan de orde is. |
| |
Onverminderd de toepassing van artikel
15-1 vertegenwoordigt de voorzitter de Senaat buiten rechte. |
| |
(Gewijzigd op 12 november
2009) |
| Bevoegdheden van de
ondervoorzitters. |
ART. 14. De ondervoorzitters oefenen dezelfde
bevoegdheden uit als de voorzitter, wanneer zij hem vervangen. |
| Bevoegdheden van de
quaestoren. |
ART.
15. 1. De quaestoren zijn belast met alle maatregelen betreffende het
ceremonieel, het materieel en de uitgaven van de Senaat. |
|
Zij plegen overleg met hun collega's van
de Kamer van volksvertegenwoordigers voor de maatregelen tot onderhoud van het
Paleis en voor die waarbij beide vergaderingen gemeenschappelijk belang
hebben. |
| |
Inzake de in het eerste lid bedoelde
aangelegenheden vertegenwoordigen de quaestoren de Senaat buiten rechte. |
| |
De quaestoren kunnen, voor de
aangelegenheden en voor de tijd die zij bepalen, de uitoefening van hun
bevoegdheden, met inbegrip van de bevoegdheid de Senaat buiten rechte te
vertegenwoordigen, overdragen aan een of twee van hen of aan de
ambtenaren-generaal. |
|
2. Op verslag van de quaestoren onderzoekt
het bureau het geldelijk beheer van de Senaat, het ziet de rekeningen na en
zuivert ze aan en stelt de begroting van de Senaat vast; het onderwerpt de
rekeningen en de begrotingen aan de goedkeuring van de vergadering. |
| |
(Gewijzigd op 12 november
2009) |
| Duur van de
mandaten. |
ART. 16. 1. De voorzitter, de
ondervoorzitters en de quaestoren worden benoemd voor een zitting. |
|
De leden van het bureau bekleden hun ambt
tot de opening van de volgende zitting. |
| Vervangingen. |
2. Bij ontstentenis van de voorzitter
en de ondervoorzitters bekleedt het oudste lid in jaren het voorzitterschap van
de Senaat of van de Senaatsafvaardigingen. |
HOOFDSTUK III
TAALGROEPEN
| Taalgroepen. |
ART.
17. Met uitzondering van de senator aangewezen door de Raad van de
Duitstalige Gemeenschap maakt elk gekozen lid van de Senaat deel uit van de
Nederlandse of van de Franse taalgroep overeenkomstig artikel 43,
§ 2, van de Grondwet. |
HOOFDSTUK IV
FRACTIES
| Fracties. |
ART.
18. 1. De senatoren die rechtstreeks door het kiezerskorps verkozen
zijn, kunnen zich tot fracties verenigen volgens de lijsten waarop zij verkozen
zijn. Geen lid mag tot meer dan één fractie behoren. |
|
De senatoren die aangewezen zijn door de
Vlaamse Raad, door de Raad van de Franse Gemeenschap of door de Senaat, kunnen
alleen toetreden tot de fractie door wier toedoen zij aangewezen zijn
overeenkomstig artikel 211 of 220 van het Kieswetboek. |
|
De senator die aangewezen is door de Raad
van de Duitstalige Gemeenschap, kan toetreden tot een van de fracties bedoeld
in het eerste lid. |
|
2. De fracties overhandigen aan de
voorzitter de lijst van hun leden, die door hen wordt ondertekend ten blijke
van hun individuele toetreding, en de naam van hun voorzitter. |
|
3. Elke wijziging in de samenstelling
van de fracties wordt door de fractievoorzitter ter kennis van de voorzitter
gebracht. |
|
4. Elke fractie kan een
administratief secretariaat organiseren waarvan zij het personeel
aanstelt. |
|
Op voorstel van het college van quaestoren
bepaalt het bureau het bedrag van de toelage die aan de fracties wordt
verleend, alsook de voorwaarden van hun materiële installatie en het recht
van toegang van hun personeel tot de lokalen van de Senaat. |
|
5. Het bureau beslist welk tijdstip
van de week wordt gereserveerd voor de fractievergaderingen. |
|
Tenzij het bureau anders beslist, heeft op
dat tijdstip geen commissie of plenaire vergadering plaats. |
HOOFDSTUK V
AFVAARDIGING VAN DE SENAAT
IN DE PARLEMENTAIRE OVERLEGCOMMISSIE
| Parlementaire
overlegcommissie. |
ART.
19. 1. Bij iedere vernieuwing van de Senaat benoemt de vergadering,
onmiddellijk nadat het vast bureau is samengesteld, voor de gehele
zittingsperiode uit haar midden de afvaardiging van de Senaat in de
parlementaire overlegcommissie bedoeld in artikel 82 van de Grondwet. |
|
2. Deze afvaardiging telt elf leden,
onder wie de voorzitter van de Senaat, die worden benoemd volgens de regelen
bepaald in artikel 84. |
|
Voor elke lijst van vaste leden worden op
dezelfde wijze plaatsvervangers benoemd, wier aantal gelijk is aan dat van de
vaste leden. |
|
3. Valt een mandaat open door
overlijden, ontslag of intrekking van dat mandaat op verzoek van de fractie die
het lid had voorgedragen, dan wijst de Senaat een nieuw lid aan op voordracht
van diezelfde fractie. Wanneer de Senaat niet in vergadering bijeen is,
voorziet de voorzitter in die vervanging. |
|
(Gewijzigd op 22 april
1999) |
HOOFDSTUK VI
REGELING VAN DE WERKZAAMHEDEN
| Regeling van de
werkzaamheden. |
ART.
20. 1. Het bureau regelt de werkzaamheden van de Senaat. Het komt
bijeen na bijeenroeping door de voorzitter. |
|
2. Wanneer het bureau vergadert voor
de vaststelling van de agenda, wordt de Regering uitgenodigd een van haar leden
naar die vergadering af te vaardigen. |
|
De voorzitters van de commissies kunnen
worden gehoord. |
|
3. Het bureau kan bepalen binnen welke
termijnen de commissies hun verslagen zullen indienen. |
|
4. Het bureau kan bepalen hoeveel tijd aan
een bespreking mag worden besteed en hoe laat de stemmingen uiterlijk zullen
worden gehouden. Te dien einde stelt het vast hoeveel spreektijd wordt
toegestaan aan elke fractie en aan de leden die van geen enkele fractie deel
uitmaken. |
|
5. De voorzitter legt de regeling van de
werkzaamheden, opgemaakt door het bureau, aan de Senaat ter goedkeuring voor.
In geval van betwisting spreekt de Senaat zich uit na een spreker voor en een
spreker tegen te hebben gehoord, die ieder ten hoogste drie minuten spreektijd
krijgen. |
HOOFDSTUK VII
COMMISSIES
|
Bevoegdheden en samenstelling van de commissies. |
ART.
21. 1. Bij elke vernieuwing van de Senaat benoemt de vergadering,
nadat het vast bureau is samengesteld, voor de gehele zittingsperiode uit haar
midden de vaste commissies, waarvan het aantal, met een maximum van zes, de
benaming en de bevoegdheid worden bepaald door het bureau. |
| 2. Elke commissie telt zeventien
leden, die door de Senaat worden aangewezen volgens de regelen bepaald in
artikel 84. |
|
Voor elke lijst van vaste leden van de
commissies worden op dezelfde wijze plaatsvervangers benoemd wier aantal gelijk
is aan dat van de vaste leden vermeerderd met een eenheid. |
|
3. Iedere senator die met toepassing
van punt 2 tot een fractie behoort die in de vaste commissies vertegenwoordigd
is, maakt deel uit ten minste van een commissie als lid en van een andere
commissie als plaatsvervanger. |
|
4. Valt een mandaat open door
overlijden, ontslag of intrekking van dat mandaat op verzoek van de fractie die
het lid had voorgedragen, dan wijst de Senaat een nieuw lid aan op voordracht
van diezelfde fractie. Wanneer de Senaat niet in vergadering bijeen is,
voorziet de voorzitter in die vervanging. |
|
(Gewijzigd op 22 april 1999 en op 17
juli 2003) |
| Taken van de
commissies. |
ART. 22. 1. De commissies zijn belast met het onderzoek
van de ontwerpen van wet, de voorstellen en alle aangelegenheden die de Senaat
of zijn voorzitter naar hen verwijst. Ze brengen hierover verslag uit aan de
vergadering. |
|
2. Met toestemming van het bureau of
van de voorzitter kunnen de commissies ook hoorzittingen en studiedagen
organiseren. Ze bepalen vooraf de wijze waarop hierover eventueel verslag zal
worden uitgebracht. |
|
3. Wanneer de commissies naar
aanleiding van een bespreking beslissen dat een wetgevend initiatief nodig is
of dat de Senaat zijn standpunt te kennen moet geven, kunnen ze zelf een
voorstel van wet of van resolutie opstellen, het bespreken, erover stemmen en
hierover verslag uitbrengen, zonder dat de Senaat het vooraf in overweging
neemt. |
|
Deze procedure kan alleen worden aangevat
als twee derden van de leden van de commissie zich schriftelijk akkoord
verklaren en de voorzitter van de Senaat vooraf zijn toestemming heeft gegeven.
In geval van twijfel over de ontvankelijkheid of over de bevoegdheid van de
commissie, raadpleegt de voorzitter het bureau. |
|
4. De commissies kunnen ook de Regering
verzoeken inlichtingen te komen verstrekken over aangelegenheden die tot hun
bevoegdheden behoren. |
|
5. De commissie die bevoegd is voor
de Buitenlandse Aangelegenheden bepaalt, in overleg met de bevoegde minister,
op welke wijze ze de vervolgcontrole op de procedure tot instemming met de
verdragen uitoefent. |
|
(Gewijzigd op 22 april 1999) |
| Werking van de
commissies. |
ART.
23. 1. Elke commissie benoemt voor de duur van de zitting een
voorzitter, een eerste ondervoorzitter en een tweede ondervoorzitter. |
|
Geen enkel lid mag meer dan
één van de vaste commissies, bedoeld in artikel 21-1,
voorzitten. |
|
Overeenkomstig het vorige lid is de
voorzitter van de Senaat van rechtswege voorzitter van één van de
vaste commissies waarvan hij deel uitmaakt. |
|
2. De commissies vergaderen op
bijeenroeping door hun voorzitter of op initiatief van het bureau of van de
voorzitter van de Senaat. |
|
De commissies regelen hun werkzaamheden,
onverminderd het bepaalde in artikel 20-3. De voorstellen over de regeling
van de werkzaamheden worden vastgelegd door de voorzitter van de commissie in
overleg met haar bureau. |
|
3. De commissievergaderingen worden
in de regel 's ochtends om 10 uur, 's namiddags om 14 uur en 's avonds om
19 uur gehouden. Behalve met toestemming van het bureau of van de
voorzitter van de Senaat en onverminderd het bepaalde in artikel 60, kunnen de
commissies niet worden bijeengeroepen gedurende de tijd dat de assemblee in
vergadering bijeen is. |
|
4. Het vast lid dat om een geldige
reden verhinderd is de vergadering van een commissie bij te wonen, moet zich
tijdig laten vervangen door een plaatsvervanger van dezelfde commissie. Hij
geeft aan de voorzitter van de commissie kennis van deze vervanging, die in de
notulen wordt aangetekend. |
|
5. Behoudens andersluidende
beslissing van de commissie, goedgekeurd door de voorzitter van de Senaat,
mogen de leden van de Senaat de vergaderingen bijwonen van de commissies
waarvan zij geen deel uitmaken, en daar gehoord worden, doch zij hebben geen
stemrecht. |
|
6. De stemming over de voorgestelde
teksten is alleen dan geldig, wanneer de meerderheid van de leden bijeen
is. |
|
7. Van elke commissievergadering
worden notulen gemaakt, die worden ondertekend door de voorzitter. |
|
De voorzitter van de Senaat kan beslissen
dat van de commissievergaderingen die hij bepaalt, een integraal verslag wordt
opgemaakt. |
|
8. De commissievergaderingen zijn
openbaar. |
|
Worden niettemin met gesloten deuren
gehouden: |
|
a) de vergaderingen van de
commissie voor het onderzoek van de geloofsbrieven; |
|
b) de vergaderingen waarbij
een commissie met toepassing van artikel 59 van de Grondwet beraadslaagt over
het verlof voor de gerechtelijke aanhouding van een lid, zijn
verwijzing naar of rechtstreekse dagvaarding voor de strafrechter of over de
schorsing van een vervolging; |
|
c) op beslissing van het
bureau van de commissie, de vergaderingen betreffende administratieve
aangelegenheden of de regeling van de werkzaamheden; |
|
d) de vergaderingen van de
commissie belast met de begeleiding van het Vast Comité van Toezicht op
de inlichtingen- en veiligheidsdiensten; |
|
e) de vergaderingen van de
bijzondere commissies waarop bijzondere vertrouwelijkheidsregels van toepassing
zijn die afwijken van de bepalingen in dit artikel. |
|
Voor het overige vergaderen de commissies
eveneens met gesloten deuren hetzij op verzoek van een lid van de regering,
hetzij wanneer het bureau van de Senaat of de commissie daartoe beslist voor
een vergadering of voor een specifiek punt op de agenda. |
|
Bij openbare commissievergaderingen is het
publiek toegelaten op de tribunes. De artikelen 88 en 90 zijn van
overeenkomstige toepassing. |
|
Wanneer een vergadering met gesloten
deuren plaatsvindt, worden alleen de goedgekeurde verslagen en de mededelingen
die onder de verantwoordelijkheid van de voorzitter zijn opgesteld openbaar
gemaakt. |
|
(Gewijzigd op 22 april 1999, op 10
november 1999, op 6 april 2000 en op 22 november 2001) |
| Verzoek om advies aan
een andere commissie. |
ART. 24. 1. De voorzitter van de Senaat kan ambtshalve,
indien hij het nuttig oordeelt of op verzoek van de voorzitter van een van de
commissies, beslissen dat over een ontwerp of voorstel van wet dat naar een
commissie is verzonden, een beredeneerd advies van een andere commissie wordt
gevraagd. |
|
De voorzitter stelt de termijn vast binnen
welke het advies wordt uitgebracht. |
|
2. De commissie waarnaar het ontwerp of
voorstel verzonden is, sluit de bespreking niet af vóór zij dat
advies heeft ontvangen of, bij gebreke daarvan, vóór het einde
van de vastgestelde termijn. |
| Verenigde
commissies. |
ART.
25. 1. De Senaat of zijn voorzitter kan meerdere commissies
belasten met een gezamenlijk onderzoek van aangelegenheden die tot hun
bevoegdheid behoren. |
|
De verenigde commissies worden voorgezeten
door de oudste voorzitter in jaren van de betrokken commissies. |
|
2. De verenigde commissies beslissen
gezamenlijk. Leden die deel uitmaken van meer dan een van die commissies,
brengen een stem uit voor elke commissie waartoe zij behoren. |
|
Bij stemming worden quorum en meerderheid
bepaald op grond van het gezamenlijk aantal leden van de verenigde
commissies. |
| Subcommissies en
werkgroepen. |
ART. 26. De commissies kunnen, na overleg met de voorzitter
van de Senaat, uit hun midden subcommissies en werkgroepen vormen, waarvan zij
de samenstelling en de bevoegdheid bepalen. |
|
De subcommissies en werkgroepen brengen
verslag uit aan de commissies waartoe zij behoren binnen de termijn welke die
commissies bepalen. |
|
De werkgroepen vergaderen met gesloten
deuren. |
|
De subcommissies vergaderen met gesloten
deuren, behoudens andersluidende beslissing van het bureau van de Senaat of, in
dringende gevallen, van de voorzitter van de Senaat. |
|
De werkzaamheden van de subcommissies en
werkgroepen kunnen slechts openbaar gemaakt worden nadat het in het tweede lid
van dit artikel bedoelde verslag is uitgebracht en nadat de betrokken commissie
of commissies daartoe besloten hebben. |
|
(Gewijzigd op 22 april 1999 en op 22
november 2001) |
| Verslagen. |
ART.
27. 1. De commissies kiezen onder hun leden een of meer rapporteurs voor
elk ontwerp of voorstel. Hetzelfde geldt bij toepassing van artikel 22-2. |
|
Is bij de Kamer van
volksvertegenwoordigers een ontwerp of voorstel van wet aanhangig, dan kan de
bevoegde commissie nog vóór de stemming in de Kamer een
rapporteur aanwijzen en de behandeling van de tekst aanvatten, zonder
stemmingen. |
|
2. De verslagen van de commissies
bevatten een korte inhoud van de beraadslagingen en vermelden elk amendement
met de naam van de indiener; zij bevatten tenslotte ook met redenen omklede
besluiten. In de verslagen over wetsontwerpen en voorstellen die in openbare
commissievergaderingen werden behandeld, worden de sprekers bij name
vermeld. |
|
Wanneer zulks wegens dringende
noodzakelijkheid of om materiële redenen verantwoord is, kan de voorzitter
van de Senaat bevelen dat verklarende nota's en statistische tabellen niet bij
het verslag worden gevoegd maar ter griffie worden neergelegd, waar de
senatoren er kennis van kunnen nemen. |
|
3. Met de algemene instemming van de
aanwezige leden kan de commissie besluiten aan de rapporteur vertrouwen te
schenken voor het opstellen van het verslag. |
|
Doet ze dat niet, dan wordt de
ontwerptekst van het verslag goedgekeurd met een stemming, overeenkomstig
artikel 23-6. |
|
4. De verslagen worden vertaald,
gedrukt in het Nederlands en het Frans en aan de senatoren rondgedeeld
uiterlijk de dag vóór de algemene bespreking. |
|
Verzending over de post, per faxpost of
per elektronische post geldt als ronddeling. Bij verzending over de post wordt
de vorenbedoelde termijn met een dag verlengd. |
|
In spoedeisende gevallen kan de Senaat
voorlezing van de verslagen in de plenaire vergadering gelasten. |
|
(Gewijzigd op 22 november
2001) |
| Externe
medewerking. |
ART. 28. 1. Met toestemming van het bureau of van de
voorzitter van de Senaat kan een commissie, bij de uitvoering van haar
opdrachten, het advies inwinnen van personen of instellingen die niet tot de
Senaat behoren, hun om documentaire inlichtingen vragen of om hun medewerking
verzoeken. |
|
Een dergelijke tussenkomst mag alleen van
adviserende aard zijn. |
|
2. De voorwaarden waaronder een of
meer personen die geen lid zijn van de Senaat, door een commissie gehoord
kunnen worden of
aan haar werkzaamheden kunnen deelnemen, worden vastgesteld door de
voorzitter van de commissie, met haar instemming. |
| Medewerkers van de
fracties. |
ART.
29. 1. De leden van een fractie kunnen zich in de commissie laten
bijstaan door een medewerker van hun fractie, tenzij de commissie anders
beslist. |
|
De naam en de hoedanigheid van de
medewerker moeten vóór elke vergadering medegedeeld worden aan de
voorzitter van de commissie. |
|
De fractiemedewerker kan slechts toegang
tot de vergadering krijgen voor zover een lid van zijn fractie aanwezig is. In
beginsel mag hij enkel de vergadering bijwonen als een lid van zijn fractie
aanwezig is; de commissievoorzitter kan echter, bij tijdelijke afwezigheid van
de leden van de fractie, van die regel afwijken. |
|
De medewerker mag niet deelnemen aan de
bespreking. |
|
De medewerker moet de vergadering verlaten
zodra de commissie een andersluidende beslissing neemt als bedoeld in
artikel 23-5, en wordt niet toegelaten zolang deze beslissing van
toepassing is. |
|
De medewerker heeft geen toegang tot de
commissie bedoeld in artikel 2, noch tot de bijzondere commissies die de
voorzitter aanwijst. |
|
2. Onder medewerker van een fractie
wordt verstaan de secretaris en de geaccrediteerde wetenschappelijke
medewerkers van deze fractie, of van een overeenstemmende fractie in een andere
assemblee. |
| Herziening van de
Grondwet. |
ART. 30. 1. In afwijking van artikel 56 wordt elk
voorstel tot herziening van de Grondwet verwezen naar de commissie die bevoegd
is voor de institutionele aangelegenheden, zonder dat de Senaat het vooraf in
overweging neemt. |
|
2. Al is de zitting gesloten, toch
kan de commissie zitting houden en rechtstreeks mededeling ontvangen van
voorstellen uitgaande van de regering of van parlementsleden. |
|
(Gewijzigd op 10 november
1999) |
| Bijzondere
commissies. |
ART.
31. De Senaat kan, telkens als hij het dienstig acht, bijzondere
commissies instellen voor de aangelegenheden en voor de tijd die hij
bepaalt. |
|
Tenzij de Senaat anders beslist, zijn de
artikelen 21 tot 29 van overeenkomstige toepassing op de bijzondere
commissies. |
HOOFDSTUK VIII
PLENAIRE VERGADERING
| Opening en sluiting van
de vergadering. |
ART.
32. 1. De voorzitter opent en sluit de vergadering. |
|
Hij geeft tijdens of op het einde van elke
vergadering kennis van de dag, het uur en de agenda van de volgende
vergadering. |
|
2. Tenzij de Senaat anders beslist,
beginnen de ochtendvergaderingen om 10 uur, de namiddagvergaderingen om 14 uur
en de avondvergaderingen om 19 uur. |
| Mededelingen. |
ART. 33. Bij de aanvang van de vergadering geeft de
voorzitter kennis van de mededelingen, boodschappen, brieven en andere stukken
die de Senaat betreffen, met uitzondering van naamloze of beledigende
geschriften. |
|
Tevens wordt de zakelijke inhoud
bekendgemaakt van tot de Senaat gerichte verzoekschriften. |
| Opening en sluiting van
de bespreking. |
ART.
34. De voorzitter opent de bespreking; hij sluit ze wanneer geen enkele
spreker meer het woord vraagt. |
|
Wanneer de voorzitter van oordeel is dat
de verschillende standpunten tot uiting zijn gekomen, kan hij voorstellen de
sprekerslijst af te sluiten. |
| Aanwezigheid. |
ART. 35. 1. Geen senator mag nalaten een vergadering van
de Senaat bij te wonen zonder de voorzitter van de Senaat daarvan op de hoogte
te hebben gebracht. |
|
2. De namen van hen die hebben
verzocht hun afwezigheid in de plenaire vergadering te verontschuldigen, worden
vermeld in de Handelingen met opgave van de redenen van
verhindering. |
|
(Gewijzigd op 22 april 1999 en op 6
april 2000) |
| Notulen. |
ART.
36. De notulen van de vorige vergadering worden ter inzage gelegd bij
het bureau; de leden mogen daarvan kennis nemen en eventueel bezwaar inbrengen
tegen de redactie ervan. Wordt het bezwaar als gegrond erkend, dan wordt,
staande de vergadering of op de eerstvolgende vergadering, een nieuwe redactie,
overeenstemmend met de beslissing van de Senaat, voorgelegd. |
|
Loopt de vergadering ten einde zonder enig
bezwaar tegen de notulen, dan zijn die, na ondertekening door de voorzitter en
de griffier, goedgekeurd; ze worden in het archief van de Senaat bewaard. |
|
De Senaat kan beslissen dat er van
vergaderingen met gesloten deuren geen notulen worden gehouden. |
| Verslag van de
debatten. |
ART. 37. 1. De debatten worden in de Handelingen
weergegeven, in extenso in de taal van de spreker en samengevat in de
andere taal. |
|
2. De sprekers kunnen correcties
meedelen. Die moeten de dienst Verslaggeving bereiken uiterlijk de tweede
werkdag na de vergadering, om 17 uur. |
|
Na het verstrijken van deze termijn worden
de sprekers geacht in te stemmen met de tekst die door de dienst is
uitgeschreven en gereviseerd. |
|
(Gewijzigd op 22 april 1999 en op 6
april 2000) |
| Het woord
voeren. |
ART.
38. 1. Geen senator mag spreken dan nadat hij zich heeft laten
inschrijven of nadat hij het woord heeft gekregen. |
|
2. De voorzitter bepaalt de volgorde van
de sprekers. Daarbij ziet hij erop toe dat de uiteenzettingen voor of tegen het
voorstel in behandeling elkaar afwisselen. |
|
3. De spreker spreekt van zijn plaats of
van het spreekgestoelte. Hij mag slechts het woord richten tot de voorzitter of
tot de vergadering. |
|
4. Niemand spreekt meer dan tweemaal over
dezelfde zaak, tenzij met bijzondere toestemming van de voorzitter. |
|
5. De rapporteurs van de ontwerpen of
voorstellen die in behandeling zijn, alsook de ministers en de
staatssecretarissen, worden gehoord wanneer zij het vragen. |
|
6. De rapporteur heeft het recht als
eerste het woord te voeren om het verslag van de commissie toe te lichten. Hij
mag daarbij het verslag niet voorlezen noch persoonlijke overwegingen uiten die
strijdig zijn met de besluiten van de commissie. |
| Spreektijd. |
ART. 39. 1. Voor zover de vergadering, op voorstel van het
bureau, niet anders beslist, is de spreektijd in de algemene bespreking beperkt
tot dertig minuten voor een gemandateerde spreker van iedere fractie en tot
tien minuten voor de andere sprekers; in de bespreking van de amendementen en
de artikelsgewijze bespreking tot vijf minuten; bij prejudiciële kwesties,
in overwegingnemingen van voorstellen en moties betreffende de procedure tot
drie minuten. |
|
Ieder lid kan zijn stem in de vergadering
verantwoorden; de spreektijd is beperkt tot twee minuten. |
|
2. Wordt de aldus begrensde spreektijd
door de spreker overschreden, dan kan de voorzitter hem, na een waarschuwing,
het woord ontnemen. |
|
3. Onverminderd artikel 100, eerste lid,
van de Grondwet, kan de voorzitter te allen tijde de spreektijd van alle
sprekers beperken. |
|
(Gewijzigd op 22 april 1999) |
| Voorranghebbende
vragen. |
ART.
40. 1. Het woord mag steeds gevraagd worden om : |
|
1º de voorafgaande vraag te stellen
tegen verdere behandeling; |
|
2º de verdaging van het debat of van
de stemming voor te stellen; |
|
3º de terugzending naar een commissie
voor te stellen; |
|
4º de sluiting van het debat voor te
stellen; |
|
5º naar het reglement te
verwijzen; |
|
6º een aangevoerd feit recht te
zetten; |
|
7º te antwoorden op een persoonlijk
feit; |
|
8º een wijziging in de regeling van
de werkzaamheden voor te stellen. |
|
2. De voorafgaande vraag (1º), de
verzoeken tot verdaging (2º), tot terugzending naar een commissie
(3º), tot sluiting van het debat (4 º) of de verwijzing naar het
reglement (5º) hebben voorrang boven de zaak zelf en schorsen de
behandeling ervan. |
|
Alleen de verzoeker en één
spreker per fractie mogen het woord voeren. Indien de voorzitter echter van
mening is dat een verzoek tot verdaging of tot sluiting alleen strekt om de
werkzaamheden van de vergadering te belemmeren, kan hij dit verzoek
onmiddellijk en zonder debat in stemming brengen bij zitten en opstaan. |
|
3. De voorzitter oordeelt over de
ontvankelijkheid van de verzoeken om een aangevoerd feit recht te zetten
(6º), op een persoonlijk feit te antwoorden (7º) of een wijziging in
de regeling van de werkzaamheden voor te stellen (8º) en bepaalt eventueel
het tijdstip waarop ze kunnen worden voorgedragen. |
|
Stemverklaringen. |
ART. 41. Na het sluiten van de bespreking zijn
stemverklaringen toegestaan vóór de naamstemming over een ontwerp
of een voorstel in zijn geheel, over een beslissing niet te amenderen, of over
een motie ingediend bij het sluiten van een debat. |
|
De voorzitter kan dit recht beperken tot
wie aan de bespreking hebben deelgenomen en het aantal sprekers tot
één per fractie bepalen. De spreektijd is beperkt overeenkomstig
artikel 39. |
| Wijze van
stemmen. |
ART.
42. 1. Behoudens in het geval van algemene instemming, vastgesteld door
de voorzitter, spreekt de Senaat zich uit bij stemming. |
|
2. Onder voorbehoud van hetgeen
verder wordt bepaald, geschiedt de stemming bij zitten en opstaan. |
|
3. Over de wetten in hun geheel wordt
bij naamafroeping gestemd of op een van de wijzen van stemmen bedoeld in
artikel 44-2. |
|
Er wordt op dezelfde wijze te werk gegaan
wanneer ten minste vijf leden daarom verzoeken voor de stemmingen over ofwel
moties ingediend bij het sluiten van een debat, ofwel conclusies van een
verslag, ofwel artikelen van een ontwerp of een voorstel, ofwel amendementen of
subamendementen op die artikelen of moties, ofwel een beslissing om niet te
amenderen. |
|
Wordt de hoofdelijke stemming gevraagd,
dan kan de voorzitter, zo hij dat nuttig acht, de naam van de leden die dit
verzoek hebben ingediend, doen opschrijven; antwoordt een van deze leden niet
op de afroeping van zijn naam, dan wordt de hoofdelijke stemming niet
voortgezet en wordt er gestemd bij zitten en opstaan. |
|
Behoudens bij geheime stemming kan de
voorzitter steeds, ongeacht over welke aangelegenheid het gaat, tot de
hoofdelijke stemming overgaan, onder meer wanneer er twijfel bestaat over de
regelmatigheid van de stemmen die op een andere wijze zijn uitgebracht. |
|
4. Over benoemingen en voordrachten
wordt er een geheime stemming gehouden overeenkomstig de regels vastgesteld in
artikel 82. |
|
(Gewijzigd op 22 april 1999) |
| Stemmen bij zitten en
opstaan. |
ART. 43. 1. Een stemming bij zitten en opstaan is niet
volledig dan nadat proef en tegenproef hebben plaatsgehad. De voorzitter
beslist over het resultaat van de proef en de tegenproef, die worden overgedaan
indien hij dat nodig acht of indien vijf leden daarom verzoeken. |
|
2. Bestaat er na het overdoen nog steeds
twijfel, dan wordt er een hoofdelijke stemming gehouden. |
|
3. Tussen twee proeven van een stemming
mag het woord niet worden genomen. |
| Naamafroeping. |
ART.
44. 1. Naamafroeping geschiedt naar alfabetische volgorde en begint met
de naam van het lid dat op elke vergadering door het lot wordt aangewezen. |
|
De stemming geschiedt met luider stemme;
iedere senator stemt onvoorwaardelijk en met ja of neen. |
| Naamstemming. |
2. Met mondelinge hoofdelijke
stemming bij naamafroeping staan gelijk de mechanisch of elektronisch
uitgebrachte naamstemming en de stemming met ondertekende stembriefjes. |
|
De voorzitter heeft steeds het recht
mondeling te laten herstemmen wanneer er twijfel is over de regelmatigheid van
de mechanische of elektronische stemverrichting. |
| Onthoudingen. |
3. Na de naamafroeping verzoekt de
voorzitter de leden die niet gestemd hebben, alsnog aan de stemming deel te
nemen. |
|
De getelde stemmen worden vastgesteld door
de voorzitter, die de uitslag van de stemming aan de Senaat mededeelt. Hij
verzoekt vervolgens de leden die zich onthouden hebben, bondig de redenen van
hun onthouding te doen kennen. |
|
4. De leden die aanwezig waren bij de
stemming maar er niet aan hebben deelgenomen, worden geacht zich te hebben
onthouden. |
|
De onthoudingen worden meegerekend om het
aantal aanwezige leden te bepalen; ze worden niet meegerekend om de meerderheid
vast te stellen, tenzij uitdrukkelijk anders wordt bepaald. |
| Splitsing. |
ART. 45. 1. Een tekst die verscheidene punten behandelt,
wordt van rechtswege gesplitst wanneer zulks wordt gevraagd; de stemming over
de tekst in zijn geheel is niettemin vereist. |
| Volgorde van de
stemmingen. |
2. Wanneer over een zelfde onderwerp
verscheidene voorstellen zijn ingediend, hebben die voorstellen voorrang die in
stemming kunnen worden gebracht zonder de aanneming van de andere uit te
sluiten, te beginnen met die met de verste strekking. |
|
Evenzo wordt onder de voorstellen waarvan
de aanneming het in stemming brengen van de andere uitsluit, voorrang verleend
aan die met de verste strekking. |
|
3. Amendementen worden in stemming
gebracht vóór het oorspronkelijke voorstel en subamendementen
vóór de amendementen. |
| Quorum. |
ART.
46. 1. De assemblee kan slechts een besluit nemen indien de meerderheid
van de leden aanwezig is. |
|
Indien de Grondwet de aanwezigheid van
twee derden van de leden vereist, moeten minstens achtenveertig leden aanwezig
zijn. |
|
2. Wanneer er bij zitten en opstaan moet
worden gestemd, hetzij over moties tot besluit van een debat, hetzij over
conclusies van een verslag, hetzij over artikelen van een ontwerp of voorstel,
hetzij over amendementen of subamendementen op die moties of artikelen, hetzij
over een beslissing om niet te amenderen, en de meerderheid
van de leden niet aanwezig is, kan ieder lid de verwijzing naar een
volgende vergadering vragen. |
|
In geval van twijfel doet de voorzitter
tot een naamafroeping overgaan. |
|
3. Indien bij een hoofdelijke stemming
blijkt dat er niet voldoende leden aanwezig zijn, kan de voorzitter de
vergadering gedurende hoogstens twee uur schorsen. |
|
Indien hij geen gebruik maakt van deze
mogelijkheid of indien het vereiste aantal leden nog niet aanwezig is wanneer
de stemming na de schorsing hervat wordt, kan de Senaat overgaan tot de
bespreking van de andere agendapunten. Deze mogen echter niet meer in stemming
worden gebracht en de onbeslist gebleven stemming wordt hervat,
vóór elke bespreking, bij de aanvang van de eerstvolgende
vergadering, waarvan de voorzitter dag en uur bepaalt na eventuele raadpleging
van het bureau. |
|
(Gewijzigd op 22 april 1999) |
| Vereiste
meerderheid. |
ART. 47. 1. Tenzij de Grondwet, een wet of een verordening
anders bepaalt, wordt elk besluit genomen bij volstrekte meerderheid van
stemmen. |
|
2. Bij staking van stemmen is het
behandelde voorstel verworpen. |
| Vergadering met gesloten
deuren. |
ART.
48. Op verzoek van de voorzitter of van tien leden vergadert de Senaat
met gesloten deuren; vervolgens beslist de Senaat, bij volstrekte meerderheid
van stemmen, of de vergadering in het openbaar zal worden hervat over hetzelfde
onderwerp. |
|
De senatoren die een vergadering met
gesloten deuren wensen, dienen daartoe een schriftelijk en door hen ondertekend
voorstel in. Hun naam wordt in de notulen opgenomen. |
| Spreektucht. |
ART. 49. 1. Een spreker mag niet in de rede worden gevallen,
tenzij voor een beroep op het reglement. Alleen de voorzitter kan hem
terugroepen tot de behandeling van het onderwerp, wanneer hij daarvan
afwijkt. |
|
2. Is een spreker reeds tweemaal tijdens
een zelfde redevoering teruggeroepen tot de behandeling van het onderwerp, en
gaat hij
voort ervan af te wijken, dan ontneemt de voorzitter hem het woord
voor de verdere duur van het debat over dat onderwerp. |
|
3. Hetzelfde geldt wanneer een spreker, na
twee waarschuwingen, voortgaat met het herhalen van zijn eigen argumenten of
van die welke een ander lid in het debat heeft aangevoerd. |
| Persoonlijke
aantijgingen. |
ART.
50. Een lid dat aan een ander kwade bedoelingen toeschrijft of
beledigende persoonlijke toespelingen maakt, kan tot de orde worden geroepen
overeenkomstig artikel 53. |
| Weglating van
woorden. |
ART. 51. De voorzitter kan uit de Handelingen de
woorden doen schrappen die strijdig zijn met de orde of die zijn uitgesproken
door een lid dat niet aan het woord was of dat blijft spreken nadat de
voorzitter hem het woord heeft ontnomen. |
|
Hij kan dergelijke woorden ook doen
weglaten uit de verslagen, voorstellen en andere teksten die als parlementaire
stukken worden gedrukt. |
|
(Gewijzigd op 6 april 2000) |
| Zaktelefoons. |
ART.
52. Het is verboden tijdens alle plenaire vergaderingen, vergaderingen
van commissies, sub-commissies en werkgroepen en vergaderingen van het bureau,
gebruik te maken van zaktelefoons, hetzij om op te bellen, hetzij om
telefoonoproepen te beantwoorden. |
|
Overeenkomstig artikel 53, roept de
voorzitter elk lid tot de orde dat de vergadering door het gebruik van
dergelijke toestellen verstoort. |
|
(Ingevoegd en hernummerd op 22 april
1999, vroeger artikel 51bis) |
| Tot de orde
roepen. |
ART. 53. 1. Stoort een lid de orde, dan wordt hij bij name
door de voorzitter tot de orde geroepen. |
|
In geval van herhaling roept de voorzitter
de betrokkene andermaal tot de orde met vermelding in de notulen. |
|
Bij een nieuwe herhaling of in ernstige
gevallen wordt hij door de voorzitter tijdelijk uitgesloten. |
|
Het tot de orde geroepen of uitgesloten
lid kan hiertegen in beroep gaan bij het bureau van de Senaat na afloop van de
vergadering. Op een latere vergadering deelt de voorzitter aan de
Senaat mede welk gevolg aan dit beroep is gegeven. |
| Uitsluiting. |
2. De uitsluiting brengt het verbod mede
om deel te nemen aan de werkzaamheden van de Senaat en het Senaatsgebouw
opnieuw te betreden. |
|
Ze geldt voor het overige deel van de
vergadering gedurende welke zij is uitgesproken. |
|
3. Voldoet de uitgesloten senator niet aan
het bevel het gebouw te verlaten, dan schorst of sluit de voorzitter de
vergadering en geeft aan de diensthebbende wacht de nodige bevelen om zijn
besluit te doen uitvoeren. |
|
In dat geval is het lid van rechtswege
uitgesloten voor de tien volgende vergaderingen. |
|
4. Heeft tijdens de duur van de
uitsluiting een stemming plaats, waarbij de stem van het uitgesloten lid
beslissend had kunnen zijn, dan moet de stemming herhaald worden nadat aan de
uitsluiting een einde is gekomen, tenzij de vergadering het verkieslijk acht
het lid tot de stemming toe te laten tijdens de uitsluiting. |
|
(Hernummerd op 22 april 1999,
vroeger artikel 52) |
| Rumoer. |
ART.
54. Wordt de assemblee woelig, dan kondigt de voorzitter aan dat hij de
vergadering zal schorsen. Duurt de verstoring voort, dan schorst hij de
vergadering voor één uur, gedurende hetwelk de senatoren de zaal
verlaten; na verloop van dit uur wordt de vergadering van rechtswege hervat.
Zij kan vroeger hervat worden, zo de voorzitter oordeelt dat er weer voldoende
kalmte heerst. |
|
(Hernummerd op 22 april 1999,
vroeger artikel 53) |
TITEL II
GRONDWETGEVENDE EN WETGEVENDE FUNCTIE
HOOFDSTUK I
PROCEDURE INZAKE ONTWERPEN EN VOORSTELLEN
| Wetsontwerpen. |
ART.
55. De wetsontwerpen die door de Koning of door de Kamer van
volksvertegenwoordigers worden toegezonden aan de Senaat, alsook de memories
van toelichting, worden gedrukt in het Nederlands en in het Frans en
rondgedeeld. |
|
Onverminderd de toepassing van de
artikelen 27-1, tweede lid, en 63-1, worden deze wetsontwerpen voor onderzoek
verzonden naar een of meer afzonderlijke commissies of naar verscheidene
verenigde commissies, tenzij de Senaat om dringende redenen tot dadelijke
behandeling besluit. |
|
De voorzitter wijst de commissies aan
waarnaar de ontwerpen van wet worden verzonden, onverminderd de toepassing van
artikel 63. De voorzitters van deze commissies worden hiervan in kennis gesteld
door de griffier en delen hem mee tegen welke dag en welk uur de commissies
moeten worden bijeengeroepen. |
|
(Gewijzigd en hernummerd op
22 april 1999, vroeger artikel 54) |
| Voorstellen. |
ART. 56. 1. Iedere senator heeft het recht voorstellen in te
dienen. |
|
Het voorstel dient ondertekend te zijn en
voorzien van een toelichting. Het wordt overhandigd aan de voorzitter, hetzij
in het Nederlands en in het Frans, hetzij in één van beide talen,
naar keuze van de indiener. In het laatste geval doet de voorzitter het
voorstel vertalen. |
|
Indien het een voorstel van wet betreft,
dient dit te vermelden of het een aangelegenheid regelt bedoeld in artikel 77
van de Grondwet, dan wel een aangelegenheid bedoeld in artikel 78 van de
Grondwet. |
|
Een voorstel mag niet ondertekend zijn
door een aantal senatoren dat groter is dan het aantal fracties
vertegenwoordigd in de assemblee. |
|
Inoverwegingneming. |
2. Is de voorzitter van oordeel dat
het voorstel ontvankelijk is, dan wordt het gedrukt in de beide talen en
rondgedeeld vóór de vergadering waarop de inoverwegingneming zal
worden besproken, onverminderd de toepassing van artikel 22-3. |
|
In geval van twijfel omtrent de
ontvankelijkheid verwijst de voorzitter het voorstel naar het bureau, dat het
advies van de bevoegde commissie kan inwinnen. Het bureau brengt verslag uit
aan de plenaire vergadering over de ontvankelijkheid van het voorstel. Is dit
verslag gunstig, dan wordt het gedrukt in beide talen en samen met het
wetsvoorstel rondgedeeld vóór de bespreking van de
inoverwegingneming. |
|
3. Bij de opening van de algemene
bespreking vraagt de voorzitter of de vergadering dit voorstel in overweging
neemt. Besluit de vergadering het voorstel in overweging te nemen, dan wordt
het verzonden naar de bevoegde commissie, die het uiterlijk één
jaar na de indiening op haar agenda brengt. |
|
Wanneer meerdere voorstellen of ontwerpen
hetzelfde onderwerp hebben, worden zij door de commissie samen onderzocht,
behoudens andersluidende beslissing. |
|
(Gewijzigd en hernummerd op
22 april 1999, vroeger artikel 55) |
| Samenwerking met de
gemeenschappen en de gewesten. |
ART.
57. 1. De commissie waarnaar een voorstel van wet verzonden is
waarover ingevolge een wetsbepaling een advies moet worden gevraagd aan
één of meer gemeenschaps- of gewestregeringen, verzoekt, vanaf
het ogenblik waarop de commissie het voorstel in behandeling neemt, de
voorzitter van de Senaat aan de bedoelde gemeenschaps- of gewestregeringen dit
advies te vragen. |
| Advies. |
De bedoelde regeringen wordt verzocht hun
advies binnen een termijn van zeventien werkdagen mede te delen. Bij dringende
noodzakelijkheid kan deze termijn teruggebracht worden tot zes werkdagen. De
dringende noodzakelijkheid moet gemotiveerd worden. Indien de bedoelde
regeringen hun advies niet meedelen binnen deze termijn, neemt de commissie
hiervan akte. |
| Overleg of
betrokkenheid. |
2. De commissie waarnaar een voorstel
van wet verzonden is waarover ingevolge een wetsbepaling overleg moet worden
gepleegd met één of meer gemeenschaps- of gewestregeringen,
verzoekt, vanaf het ogenblik waarop de commissie het voorstel in behandeling
neemt, de voorzitter van de Senaat de bedoelde gemeenschaps- of
gewestregeringen uit te nodigen een of meer vertegenwoordigers af te vaardigen
naar alle besprekingen die de commissie aan dit wetsvoorstel besteedt. De
vertegenwoordigers van de bedoelde regeringen kan om uitleg of advies gevraagd
worden door de commissie. Deze vertegenwoordigers kunnen tevens, wanneer zij
erom verzoeken, het woord nemen in de commissie en deelnemen aan de
debatten. |
|
Indien de betrokken gemeenschaps- of
gewestregeringen of een van die regeringen niet ingaan op het verzoek van de
voorzitter van de Senaat of daarop afwijzend reageren, neemt de commissie
hiervan akte. |
| Eensluidend advies,
akkoord, goedkeuring of overeenstemming. |
3. Alvorens een voorstel van wet dat,
ingevolge een wetsbepaling, het eensluidend advies, het akkoord, de goedkeuring
of de overeenstemming vereist van een of meer gemeenschaps- of
gewestregeringen, aan de plenaire vergadering van de Senaat voor te leggen,
vraagt de voorzitter van de Senaat aan de bedoelde regeringen hun eensluidend
advies, akkoord, goedkeuring of overeenstemming te geven. |
|
De bedoelde regeringen wordt verzocht hun
standpunt binnen een termijn van vijftien werkdagen mede te delen. Bij
dringende noodzakelijkheid kan deze termijn worden teruggebracht tot zes
werkdagen. De dringende noodzakelijkheid moet gemotiveerd worden. |
|
De plenaire vergadering kan echter geen
eindstemming over het voorstel houden zonder dat de bedoelde instemmingen
verkregen zijn. |
|
Wordt in de plenaire vergadering bij de
behandeling van het voorstel dat de instemming van de gemeenschaps- of
gewestregeringen verkregen heeft, een amendement aangenomen of worden artikelen
verworpen, dan wordt de tekst, in eerste lezing aangenomen, opnieuw voor
eensluidend advies, akkoord, goedkeuring of overeenstemming voorgelegd aan de
bedoelde gemeenschaps- of gewestregeringen. |
|
4. De in punten 1 tot 3 bedoelde
procedures zijn van toepassing op de wetsontwerpen aan de oorsprong waarvan een
parlementair initiatief lag, die door de Kamer aan de Senaat zijn overgezonden
en
waarvoor de verplichte samenwerkingsprocedure door de Kamer niet is
nageleefd. |
|
(Ingevoegd en hernummerd op
22 april 1999, vroeger artikel 55bis) |
| Bespreking. |
ART. 58. 1. De bespreking in de plenaire vergadering is
verdeeld in twee debatten : de algemene bespreking en de
artikelsgewijze bespreking. |
|
2. De algemene bespreking loopt over het
grondbeginsel van het voorstel en over het voorstel in zijn geheel of over een
titel of hoofdstuk van het voorstel. |
|
Daarop volgt de artikelsgewijze
bespreking, achtereenvolgens over elk artikel en over de desbetreffende
amendementen. Voor zover de vergadering niet anders beslist, wordt de door de
commissie goedgekeurde tekst ten grondslag gelegd aan de artikelsgewijze
bespreking. |
|
Heeft de commissie besloten het ontwerp of
voorstel niet aan te nemen, dan spreekt de vergadering zich na de algemene
bespreking uit over dat besluit en komen de artikelen slechts in behandeling,
indien de vergadering zich niet verenigt met de zienswijze van de
commissie. |
| Intrekking en overname
van voorstellen. |
3. De indiener van een voorstel kan dit
voorstel intrekken, ook al is de bespreking ervan reeds geopend. Wanneer een
andere senator het voorstel overneemt, wordt de bespreking evenwel
voortgezet. |
|
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april
1999, vroeger artikel 56) |
| Amendementen. |
ART.
59. 1. Iedere senator mag amendementen of subamendementen voorstellen en
toelichten. Hij moet ze schriftelijk opstellen, ondertekenen en ter tafel
leggen. |
|
Onder een amendement wordt verstaan elk
voorstel om een of meer bepalingen van een voorstel of ontwerp te wijzigen, te
vervangen of te doen vervallen of om er bepalingen aan toe te voegen op een aan
te geven plaats. Een amendement moet rechtstreeks verband houden met het
onderwerp van het voorstel of ontwerp of met de bepaling die het beoogt te
wijzigen of te vervangen. |
|
Een amendement of een subamendement mag
niet ondertekend zijn door een aantal senatoren dat groter is dan het aantal
fracties vertegenwoordigd in de assemblee. |
|
Wanneer het wetsvoorstel of wetsontwerp
waarop het amendement betrekking heeft, in een commissie is besproken, dient
het amendement voorgesteld te worden vóór de sluiting van de
algemene bespreking in de plenaire vergadering. Achteraf kunnen nog worden
voorgesteld : |
|
subamendementen; |
|
amendementen op artikelen
waarop de regering amendementen heeft ingediend waarvan de senatoren geen
kennis hebben kunnen nemen vóór de sluiting van de algemene
bespreking in de plenaire vergadering; |
|
amendementen die steunen op
adviezen of beslissingen van geraadpleegde organen waarvan de senatoren geen
kennis hebben kunnen nemen vóór de sluiting van de algemene
bespreking in de plenaire vergadering; |
|
amendementen die een compromis
vormen of van technische aard zijn en die voortvloeien uit de bespreking van de
artikelen. |
|
2. De indiener van een amendement of
subamendement kan het intrekken, ook al is de bespreking ervan reeds geopend.
Wanneer een andere senator het overneemt, wordt de bespreking evenwel
voortgezet. |
|
3. Amendementen worden in stemming
gebracht vóór het oorspronkelijke voorstel en subamendementen
vóór de amendementen, onverminderd de toepassing van de artikelen
63-3 en 64-3. |
|
4. Beslist de vergadering dat een
amendement of een subamendement naar de commissie wordt verzonden, dan kan de
bespreking geschorst worden. |
|
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger
artikel 57) |
| Tweede lezing. |
ART. 60. 1. Zijn er in eerste lezing in de plenaire
vergadering amendementen aangenomen of artikelen verworpen, dan kan de Senaat
de tekst, in eerste lezing aangenomen, opnieuw voorleggen
aan de commissie die het besproken ontwerp of voorstel heeft
onderzocht. |
|
De commissie onderzoekt uitsluitend de
aangenomen amendementen en de verworpen artikelen en, in voorkomend geval, de
nieuwe op die aanneming of verwerping gegronde amendementen. De commissie kan
ook voorstellen artikelen te amenderen die in eerste lezing niet zijn
gewijzigd, maar alleen om de redactie te verbeteren of de tekst in
overeenstemming te brengen met het geheel, en zonder nieuwe inhoudelijke
wijzigingen aan te brengen. Zij brengt zo nodig een aanvullend verslag uit aan
de plenaire vergadering. |
|
De plenaire vergadering bespreekt
vervolgens opnieuw de bij de eerste stemming aangenomen amendementen en
verworpen artikelen van het oorspronkelijke ontwerp of voorstel, alsook de
nieuwe op die aanneming of verwerping gegronde amendementen en de amendementen
die door de commissie worden voorgesteld en onderwerpt ze aan een eindstemming.
Alle andere amendementen zijn onontvankelijk. |
|
2. Zijn er amendementen aangenomen of
artikelen verworpen, dan geschiedt de stemming over het geheel onverminderd
artikel 61, in een andere vergadering dan die tijdens welke de laatste
artikelen van het betrokken ontwerp of voorstel zijn aangenomen, indien ten
minste één lid hierom verzoekt. |
|
Vóór deze stemming over het
geheel worden de bij de eerste stemming aangenomen amendementen en verworpen
artikelen van het oorspronkelijk ontwerp of voorstel, alsook de nieuwe op die
aanneming of verwerping gegronde amendementen opnieuw besproken en aan een
eindstemming onderworpen. Alle andere amendementen zijn onontvankelijk. |
|
Worden bij de tweede stemming amendementen
aangenomen, dan kan de Senaat de stemming over het geheel tot een latere
vergadering uitstellen. Op die laatste vergadering kunnen geen amendementen
meer worden voorgesteld. |
|
(Gewijzigd en hernummerd op
22 april 1999, vroeger artikel 58) |
| Uitstel van de
eindstemming (5 dagen). |
ART.
61. Indien een amendement wordt aangenomen in eerste lezing in de
plenaire vergadering, mag de eindstemming over het aldus geamendeerde
wetsontwerp of wetsvoorstel eerst plaatsvinden nadat vijf dagen verstreken
zijn. |
|
(Ingevoegd en hernummerd op
22 april 1999, vroeger artikel 58bis) |
| Voorstellen van
resolutie. |
ART. 62. Onverminderd de artikelen 46 en 96 van de Grondwet,
heeft iedere senator het recht voorstellen van resolutie in te dienen. Op deze
voorstellen is de procedure voor de ontwerpen en voorstellen van wet van
overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 63 tot
65. |
|
(Hernummerd op 22 april 1999,
vroeger artikel 59) |
HOOFDSTUK II
BEHANDELING VAN DE WETSONTWERPEN BEDOELD
IN DE ARTIKELEN 78 TOT 81 VAN DE GRONDWET
| Wetsontwerpen
overgezonden aan de Senaat. (Gw. art. 78). |
ART.
63. 1. Een wetsontwerp dat door de Kamer van
volksvertegenwoordigers aan de Senaat wordt overgezonden overeenkomstig artikel
78, eerste lid, van de Grondwet, wordt pas onderzocht wanneer ten minste
vijftien senatoren hierom verzoeken binnen de termijn bepaald in artikel 65-1,
overeenkomstig artikel 78, tweede lid, van de Grondwet. |
| Evocatie. |
Wanneer dit verzoek schriftelijk bij de
voorzitter wordt gedaan en door ten minste vijftien senatoren ondertekend is,
geldt het als aangenomen. Het verzoek kan evenwel ook ter vergadering mondeling
tot de voorzitter worden gericht. Over deze kwestie wordt geen debat gehouden.
Het mondelinge verzoek wordt aangenomen door de assemblee wanneer ten minste
vijftien senatoren het goedkeuren. |
|
Zodra het verzoek wordt aangenomen, is het
wetsontwerp bij de Senaat aanhangig. De voorzitter van de Senaat stelt de
senatoren, alsook de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers
hiervan in kennis, overeenkomstig artikel 9, § 3, van de wet van
6 april 1995 houdende inrichting van de parlementaire overlegcommissie
bedoeld in artikel 82 van de Grondwet en tot wijziging van de
gecoördineerde wetten op de Raad van State. |
| Beslissing om niet te
amenderen. |
2. Zolang in de plenaire vergadering geen
eindstemming over het wetsontwerp heeft plaatsgevonden, kan de Senaat beslissen
dat er geen reden is om het wetsontwerp te amenderen, overeenkomstig artikel
78, derde en vierde lid, van de Grondwet. Deze beslissing kan worden genomen
vanaf de formulering van het verzoek, bedoeld in punt 1, tot het verstrijken
van de onderzoekstermijn bedoeld in artikel 65-2. Door deze beslissing is
het wetsontwerp niet langer bij de Senaat aanhangig. De voorzitter van de
Senaat stelt de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers in kennis
van deze beslissing. |
|
Indien er, bij het verstrijken van de
onderzoekstermijn, bedoeld in artikel 65-2, in de plenaire vergadering geen
eindstemming over het wetsontwerp heeft plaatsgevonden of indien op dat
ogenblik de Senaat de in het vorige lid genoemde beslissing niet heeft genomen,
is het wetsontwerp niet langer bij de Senaat aanhangig. |
| Stemming. |
3. In afwijking van artikel 45-3 wordt
enkel over de amendementen en de subamendementen gestemd, alsook over het
ontwerp in zijn geheel. |
|
Indien het wetsontwerp in de plenaire
vergadering wordt aangenomen en indien de aangenomen tekst verschilt van de
door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden tekst, wordt het
wetsontwerp overgezonden aan de Kamer, overeenkomstig artikel 78, laatste lid,
van de Grondwet. |
|
In de andere gevallen wordt de Senaat
geacht beslist te hebben het wetsontwerp niet te amenderen, overeenkomstig
artikel 78, vierde lid, van de Grondwet. |
|
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april
1999, vroeger artikel 60) |
| Wetsontwerpen
teruggezonden naar de Senaat (Gw. art. 79 of 81). |
ART. 64. 1. Het wetsontwerp dat door de Kamer van
volksvertegenwoordigers aan de Senaat wordt teruggezonden met toepassing van
artikel 79, eerste lid, of van artikel 81, derde lid, van de Grondwet is bij de
Senaat slechts aanhangig wat betreft de bepalingen die door de Kamer werden
geamendeerd of toegevoegd en die nieuw zijn in vergelijking met het
aanvankelijk door de Kamer aangenomen wetsontwerp en wat betreft andere
bepalingen, alleen om de redactie te verbeteren of de tekst in overeenstemming
te brengen met het geheel en zonder nieuwe inhoudelijke wijzigingen aan te
brengen. |
| Beslissing om in te
stemmen met het ontwerp. |
2. Zolang in de plenaire vergadering geen
eindstemming over het wetsontwerp heeft plaatsgevonden, kan de Senaat beslissen
dat hij instemt met het ontwerp. Deze beslissing kan worden genomen vanaf de
terugzending van dit wetsontwerp door de Kamer van volksvertegenwoordigers tot
het verstrijken van de onderzoekstermijn, bedoeld in artikel 65-3. Door deze
beslissing is het wetsontwerp niet langer bij de Senaat aanhangig. De
voorzitter van de Senaat stelt de voorzitter van de Kamer van
volksvertegenwoordigers in kennis van deze beslissing. |
|
Indien er, bij het verstrijken van de
onderzoekstermijn, bedoeld in artikel 65-3, in de plenaire vergadering geen
eindstemming over het wetsontwerp heeft plaatsgevonden of indien op dat
ogenblik de Senaat de in het vorige lid genoemde beslissing niet heeft genomen,
is het wetsontwerp niet langer bij de Senaat aanhangig. |
| Stemming. |
3. In afwijking van artikel 45-3 wordt
enkel over de amendementen en de subamendementen gestemd, alsook over het
ontwerp in zijn geheel. |
|
Indien het wetsontwerp in de plenaire
vergadering wordt aangenomen en indien de aangenomen tekst verschilt van de
door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden tekst, wordt het
wetsontwerp overgezonden aan de Kamer, overeenkomstig artikel 79, derde lid,
van de Grondwet. |
|
In de andere gevallen wordt de Senaat
geacht beslist te hebben in te stemmen met het door de Kamer van
volksvertegenwoordigers goedgekeurde ontwerp, overeenkomstig artikel 79, tweede
lid, van de Grondwet. |
|
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april
1999, vroeger artikel 61) |
|
Evocatietermijn. |
ART.
65. 1. De termijn waarbinnen de Senaat zijn evocatierecht kan
uitoefenen, bedoeld in artikel 63-1, eerste lid, bedraagt vijftien dagen. |
|
Wanneer de regering de spoedbehandeling
vraagt bij het indienen van een wetsontwerp, overeenkomstig artikel 80, eerste
lid, van de Grondwet, kan de parlementaire overlegcommissie beslissen deze
termijn te verkorten overeenkomstig artikel 12, § 2, van de wet
bedoeld in artikel 63-1, derde lid. Bij gebreke van overeenstemming
binnen de parlementaire overlegcommissie wordt deze termijn van
rechtswege verminderd tot zeven dagen. |
|
De termijnen bedoeld in de vorige leden
worden berekend overeenkomstig artikel 9, § 1, 1º, en
§ 2, en artikel 10 van de wet bedoeld in artikel 63-1, derde
lid. |
| Onderzoekstermijn bij
overzending. |
2. De onderzoekstermijn bedoeld in
artikel 63-2 bedraagt zestig dagen. |
|
De parlementaire overlegcommissie kan
evenwel beslissen deze termijn te verlengen overeenkomstig artikel 12,
§ 1, van de wet bedoeld in artikel 63-1, derde lid. |
|
Wanneer de regering de spoedbehandeling
vraagt bij het indienen van een wetsontwerp, overeenkomstig artikel 80, eerste
lid, van de Grondwet, kan de parlementaire overlegcommissie beslissen deze
termijn te verkorten overeenkomstig artikel 12, § 2, van de wet
bedoeld in artikel 63-1, derde lid. Bij gebreke van overeenstemming binnen de
parlementaire overlegcommissie wordt deze termijn van rechtswege verminderd tot
dertig dagen. |
|
De termijnen bedoeld in de vorige leden
worden berekend overeenkomstig artikel 9, § 1, 2º, en § 2,
en artikel 10 van de wet bedoeld in artikel 63-1, derde lid. |
| Onderzoekstermijn bij
terugzending. |
3. De onderzoekstermijn bedoeld in
artikel 64-2 bedraagt vijftien dagen. |
|
De parlementaire overlegcommissie kan
evenwel beslissen deze termijn te verlengen overeenkomstig artikel 12,
§ 1, van de wet bedoeld in artikel 63-1, derde lid. |
|
De termijnen bedoeld in de vorige leden
worden berekend overeenkomstig artikel 9, § 1, 3º, en
§ 2, en artikel 10 van de wet bedoeld in artikel 63-1, derde
lid. |
|
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger
artikel 62) |
HOOFDSTUK III
INCIDENTEN
| Raadpleging van de Raad
van State. |
ART.
66. 1. De voorzitter kan het beredeneerd advies van de afdeling
wetgeving van de Raad van State vragen over de tekst van alle ontwerpen of
voorstellen van wet of van amendementen op deze ontwerpen en voorstellen die
bij de Senaat aanhangig zijn. |
|
2. De voorzitter vraagt het beredeneerd
advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State over de tekst van de
voorstellen van wet en van de amendementen op ontwerpen of voorstellen van wet
die bij de Senaat aanhangig zijn, onder meer over de respectieve bevoegdheid
van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten, wanneer ten minste een derde
van de leden van de Senaat of de meerderheid van de leden van een taalgroep
hierom verzoekt. |
|
Deze verzoeken mogen schriftelijk bij de
voorzitter worden ingediend; zij moeten door ten minste het voorgeschreven
aantal leden ondertekend zijn. |
|
Wordt echter in de loop van de bespreking
in de plenaire vergadering een dergelijk verzoek mondeling geformuleerd, dan
wordt de bespreking geschorst en gaat de voorzitter na of het verzoek gesteund
wordt door het vereiste aantal leden. |
|
Vóór de telling mag
één spreker per fractie gedurende ten hoogste vijf minuten het
woord voeren. |
|
3. De voorzitter vraagt het beredeneerd
advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State over de ontwerpen of
voorstellen van wet en over de bij een eerste stemming aangenomen amendementen
op ontwerpen of voorstellen die bij de Senaat aanhangig zijn, wanneer ten
minste twaalf leden van de parlementaire overlegcommissie bedoeld in artikel 82
van de Grondwet hierom verzoeken overeenkomstig de bepalingen van artikel 2,
§ 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, en van
artikel 16 van de wet bedoeld in artikel 63-1, derde lid. |
|
Dit verzoek om advies wordt ter kennis
gebracht van de leden van de Senaat. |
|
4. Wanneer het verzoek om advies bedoeld
in punt 2 betrekking heeft op bepalingen die door een commissie werden
onderzocht, moet het ingediend worden vóór het sluiten van de
algemene bespreking ofwel tijdens de eerste dag van die bespreking wanneer er
meer dan één vergadering aan gewijd is. |
|
In de overige gevallen mag het tot
vóór de eindstemming worden ingediend. |
|
5. De bespreking van ontwerpen of
voorstellen in de commissie of in de plenaire vergadering wordt door het
verzoek om advies niet geschorst. |
|
De behandeling van de betrokken artikelen
en de stemming over het geheel worden echter geschorst zolang het advies niet
is meegedeeld. |
|
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april
1999, vroeger artikel 63) |
| Alarmbel. |
ART. 67. Wanneer een motie is ingediend overeenkomstig
artikel 54 van de Grondwet, wordt de bespreking van het ontwerp of voorstel van
wet geschorst. |
|
Het gemotiveerd advies van de Ministerraad
wordt naar de bevoegde commissie verwezen, die een aanvullend verslag uitbrengt
bij het ontwerp of voorstel van wet. |
|
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger
artikel 64) |
| Beroep bij het
Arbitragehof. |
ART.
68. 1. Indien ten minste twee derden van de senatoren hierom verzoeken,
dient de voorzitter van de Senaat bij het Arbitragehof een beroep in tot
volledige of gedeeltelijke vernietiging van een wet, decreet of
ordonnantie. |
|
Het bureau stelt nadere regels met
betrekking tot het instellen van zodanig beroep. |
|
2. De meerderheid van twee derden van de
senatoren wordt vastgesteld : |
|
1º hetzij door naamstemming over een
resolutie in de plenaire vergadering van de Senaat; |
|
2º hetzij door de voorzitter een
ondertekende lijst ter hand te stellen. In dat laatste geval wordt daarvan
mededeling gedaan in de plenaire
vergadering en worden de namen van de ondertekenaars opgenomen in de
notulen van de vergadering en in de verslagen van de debatten. |
|
3. De bepalingen van dit artikel zijn van
toepassing op het indienen van een vordering tot schorsing van de bestreden
norm. |
|
4. De teksten van de memories en van de
memories van antwoord, door de voorzitter bij het Arbitragehof ingediend,
worden onmiddellijk ter kennis gebracht van het bureau. |
|
5. De beslissingen van het Arbitragehof op
de door de Senaat ingestelde beroepen, worden ter kennis gebracht van de leden
van de assemblee. |
|
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger
artikel 65) |
TITEL III
CONTROLE-
EN INFORMATIEFUNCTIE
HOOFDSTUK I
SCHRIFTELIJKE EN MONDELINGE VRAGEN,
VRAGEN OM UITLEG EN MOTIES
(Opschrift gewijzigd op 22 april 1999)
|
Ontvankelijkheid. |
ART.
69. 1. De vragen moeten bondig en zonder commentaar worden
geformuleerd. |
|
2. Niet ontvankelijk zijn in het
bijzonder vragen : |
|
a) die betrekking hebben op
een persoonlijk geval of een zuiver particulier belang; |
|
b) die het algemeen belang
schaden, bijvoorbeeld door de verspreiding van vertrouwelijke
inlichtingen; |
|
c) die gericht zijn op het
verkrijgen van documentatie of louter statistische inlichtingen; |
|
d) die beogen een individueel
juridisch advies in te winnen of betrekking hebben op een aanhangige
rechtsvordering; |
|
e) die enkel gesteld worden om
van repliek te dienen op een reeds ontvangen antwoord of om een polemiek te
voeren. |
|
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april
1999, vroeger artikel 66) |
| Schriftelijke
vragen. |
ART. 70. 1. Wanneer een lid aan de regering een
schriftelijke vraag wenst te stellen, overhandigt hij de ondertekende tekst
ervan aan de voorzitter. |
|
2. Indien de voorzitter oordeelt dat
de vraag ontvankelijk is, zendt hij ze door aan de betrokken minister met het
verzoek hem het antwoord binnen twintig werkdagen te doen toekomen. Ingeval van
weigering wordt de vraagsteller van de beslissing van de voorzitter op de
hoogte gebracht. |
|
3. De voorzitter deelt het antwoord mede
aan de vraagsteller en doet het samen met de vraag opnemen in het eerstvolgende
bulletin van Vragen en Antwoorden van de Senaat. |
|
Ook de vragen die niet binnen de gestelde
termijn werden beantwoord, worden in dat bulletin gepubliceerd, met dien
verstande dat ze bij de bekendmaking van het antwoord opnieuw worden
opgenomen. |
|
Een lijst van de onbeantwoord gebleven
vragen wordt geregeld in het bulletin opgenomen. |
|
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april
1999, vroeger artikel 66bis) |
| Mondelinge
vragen. |
ART.
71. 1. Een lid dat een vraag stelt waarop het een mondeling
antwoord van de regering wenst te krijgen in de plenaire vergadering, richt een
verzoek daartoe aan de voorzitter, onder mededeling van de tekst van zijn
vraag. |
|
2. Om mondeling te worden behandeld
moet een vraag van algemeen belang zijn en betrekking hebben op een belangrijk
en dringend onderwerp. |
|
Indien de voorzitter oordeelt dat de vraag
ontvankelijk is, zendt hij ze door aan de bevoegde minister. |
|
Is er twijfel over de ontvankelijkheid,
dan raadpleegt de voorzitter het bureau, dat naargelang van de omstandigheden
kan besluiten dat er schriftelijk op de vraag zal worden geantwoord
overeenkomstig het bepaalde in artikel 70 dan wel aan de Senaat kan voorstellen
aan de vraag geen gevolg te geven. |
|
3. Het tijdstip waarop de mondelinge
vragen aan de orde komen, wordt door het bureau bepaald. |
|
4. Nadat de vraagsteller het woord
heeft gekregen om zijn vraag te stellen, geeft de voorzitter de ondervraagde
minister het woord om kennis te geven van zijn antwoord. |
|
De vraagsteller en de ondervraagde
minister beschikken elk over ten hoogste drie minuten. |
|
5. De senator die de vraag gesteld
heeft, beschikt met uitsluiting van elk ander lid over één minuut
om op het antwoord van de minister te repliceren. |
|
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april
1999, vroeger artikel 67; gewijzigd op 11 oktober 2001) |
| Vragen om
uitleg. |
ART. 72. 1. Een lid dat voornemens is een vraag om uitleg tot
de regering te richten, geeft de voorzitter schriftelijk kennis van het
onderwerp van zijn vraag onder toevoeging van een nota die nauwkeurig het punt
of de feiten vermeldt waarover opheldering wordt gevraagd, alsook de
voornaamste beschouwingen die het lid daarbij naar voren wil brengen. |
|
2. Indien de voorzitter oordeelt dat de
vraag om uitleg ontvankelijk is, stuurt hij ze door naar de betrokken minister.
De griffie van de Senaat zendt de senatoren een afschrift van de toelichtende
nota van elke vraag. |
|
Is er twijfel over de ontvankelijkheid,
dan raadpleegt de voorzitter het bureau, dat naargelang van de omstandigheden
kan besluiten dat de vraag om uitleg zal worden omgezet in een schriftelijke of
mondelinge vraag overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 70 of 71 dan wel
aan de Senaat kan voorstellen aan het verzoek geen gevolg te geven. |
|
3. Het bureau of, in spoedeisende
gevallen, de voorzitter, beslist of een vraag om uitleg in de plenaire
vergadering dan wel in de commissie zal worden behandeld en bepaalt het
tijdstip waarop ze aan de orde komt, in overleg met de betrokken minister. |
|
De lijst van de vragen om uitleg die op de
agenda staan, wordt ter kennis van de Senaat gebracht. |
|
4. Het bureau kan eveneens beslissen
een themadebat te organiseren naar aanleiding van een vraag om uitleg. |
|
5. Het lid dat de vraag om uitleg
gesteld heeft, beschikt over een spreektijd van vijftien minuten; voor de
andere sprekers bedraagt de spreektijd tien minuten. |
|
De senator die de vraag om uitleg heeft
ingediend, beschikt met uitsluiting van elk ander lid over vijf minuten om op
het antwoord van de minister te repliceren. |
|
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april
1999, vroeger artikel 68) |
| Moties. |
ART.
73. 1. Onverminderd de artikelen 46 en 96 van de Grondwet kunnen moties
worden ingediend tot besluit van een vraag om uitleg. |
|
Ze moeten vóór het einde van
de vergadering worden overhandigd aan de voorzitter van de plenaire vergadering
of van de commissie waarin de vraag om uitleg wordt behandeld. |
|
De voorzitter geeft er kennis van zodra ze
zijn ingediend. |
|
2. Tenzij de assemblee anders beslist,
spreekt de Senaat zich uit over de moties tot besluit van een vraag om uitleg
ten vroegste tijdens de week na de indiening van die moties. |
|
Toevoegingen of amendementen kunnen worden
voorgesteld tot op het ogenblik van de stemming, behoudens voor een gewone
motie. |
|
De gewone motie heeft van rechtswege
voorrang. |
|
Heeft de Senaat zich uit te spreken over
verscheidene, met redenen omklede moties, dan heeft in ieder van die gevallen
de eerst ingediende motie de voorrang. |
|
Indien echter de indieners van de
verschillende moties op het ogenblik van de stemming een gemeenschappelijke
motie indienen, wordt deze bij voorrang in stemming gebracht. |
|
De aanneming van de motie die bij voorrang
in stemming is gebracht, doet de andere moties vervallen. |
|
3. Tenzij de Senaat anders beslist,
zijn de bepalingen die voorafgaan, mutatis mutandis van toepassing op de
moties die eventueel zijn ingediend tot besluit van een debat, onverminderd
artikel 76-4. |
|
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april
1999, vroeger artikel 68bis) |
HOOFDSTUK Ibis
ACTUALITEITENDEBATTEN
(Ingevoegd op15 juli 2003)
| Actualiteitendebatten. |
ART.
73bis. 1. Onverminderd artikel 20 kan het bureau, wanneer drie
mondelinge vragen betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, beslissen dat over
dat onderwerp een actualiteitendebat wordt gehouden, waarin die vragen aan de
orde komen. |
| |
Het actualiteitendebat wordt op de agenda
geplaatst van de plenaire vergadering waarin de mondelinge vragen aan de orde
komen. |
| |
2. Naast de vraagstellers mag per fractie,
met uitsluiting van de fracties waartoe de vraagstellers behoren, nog
één senator het woord nemen. |
| |
3. De vraagstellers beschikken elk over
drie minuten. De andere senatoren beschikken over twee minuten. |
| |
4. De vraagstellers en de andere senatoren
die het woord hebben genomen, beschikken met uitsluiting van elk ander lid over
één minuut om te repliceren. |
| |
Alle sprekers spreken vanaf hun plaats.
|
| |
(Ingevoegd op 15 juli 2003) |
HOOFDSTUK II
THEMADEBATTEN
(Ingevoegd en hernummerd op 22 april 1999, vroeger
hoofdstuk Ibis)
| Themadebatten. |
ART.
74. 1. Een lid dat wenst dat omtrent een bepaald onderwerp een
themadebat wordt gehouden, richt daartoe een schriftelijk verzoek aan de
voorzitter onder toevoeging van een toelichtende nota. |
|
2. Het bureau beslist of het
themadebat doorgang zal vinden. In bevestigend geval geeft de griffier aan
iedere fractie kennis van deze beslissing en zendt hij ze een afschrift van de
toelichtende nota bij het verzoek bedoeld in punt 1 of bij de vraag om
uitleg bedoeld in artikel 72-4. |
|
Het themadebat wordt op de agenda
geplaatst van een plenaire vergadering die plaatsvindt ten minste veertien
dagen na de beslissing van het bureau. |
|
3. Ten minste een week voor de dag
waarop het themadebat zal plaatsvinden, maakt elke fractie aan de griffier een
nota over waarin ze haar standpunt uiteenzet over het onderwerp waarover het
themadebat zal worden gevoerd. |
|
Deze nota, die niet meer dan vijf
bladzijden mag bedragen, wordt vertaald en door de griffier overgezonden aan de
andere fracties. |
|
4. De spreektijd wordt vastgelegd
door het bureau afhankelijk van het onderwerp van het debat. |
| Moties van
aanbeveling. |
5. Tot besluit van het themadebat
kunnen eventueel moties van aanbeveling worden ingediend. |
|
Ze moeten voor het einde van de
vergadering worden overhandigd aan de voorzitter van de vergadering. De
voorzitter geeft er kennis van zodra ze zijn ingediend. |
|
6. De Senaat spreekt zich uit over
deze moties van aanbeveling tijdens de week na de indiening ervan. |
|
Toevoegingen of amendementen kunnen worden
voorgesteld tot op het ogenblik van de stemming. |
|
(Ingevoegd en hernummerd op 22 april
1999, vroeger artikel 68ter) |
HOOFDSTUK III
VERZOEKSCHRIFTEN
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger hoofdstuk
II)
|
Verzoekschriften. |
ART.
75. 1. Niemand mag, in persoon of mondeling, een verzoek richten tot de
Senaat. Het moet schriftelijk worden gericht aan de voorzitter van de
Senaat. |
|
2. De verzoekschriften worden verzonden
naar de commissie belast met het onderzoek van de verzoekschriften of naar de
commissie belast met het onderzoek van de ontwerpen waarop de verzoekschriften
betrekking hebben. |
|
De senatoren kunnen kennis nemen van de
verzoekschriften. |
|
3. De commissie belast met het onderzoek
van de verzoekschriften behandelt de verzoekschriften die de Senaat haar heeft
gezonden. Zij brengt verslag uit over de verzoekschriften waarvoor zij het
nuttig acht of waarvoor het bureau het haar heeft gevraagd. |
|
4. Een lijst met de opgave van de
zakelijke inhoud van de verzoekschriften waarover de commissie heeft beslist,
en haar conclusies, wordt gedrukt en rondgedeeld. |
|
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger
artikel 69) |
HOOFDSTUK IV
PARLEMENTAIR ONDERZOEK
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger hoofdstuk
III)
| Parlementair
onderzoek. |
ART. 76. 1. Elk voorstel tot
instelling van een onderzoekscommissie van de Senaat, als bedoeld in de wet van
3 mei 1880 op het parlementair onderzoek, wordt, indien het door de
voorzitter ontvankelijk wordt bevonden, samen met zijn toelichting vertaald,
gedrukt, rondgedeeld en verwezen naar de bevoegde commissie. |
|
Het bepaalde bij de artikelen 27 en
56 tot 60 geldt ook voor de voorstellen tot instelling van een
onderzoekscommissie. |
|
2. Het bureau stelt de middelen ter
beschikking die het nodig acht voor de uitvoering van de opdracht van de
commissie. |
|
3. Elke onderzoekscommissie brengt binnen
de haar toegewezen termijn aan de Senaat verslag uit over haar
werkzaamheden. |
|
4. Het verslag noch de besluiten die het
eventueel bevat, worden bij de plenaire vergadering in stemming gebracht,
onverminderd de moties die tot slot van de bespreking van dat verslag kunnen
worden ingediend. |
|
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger
artikel 70) |
| Parlementair
onderzoek.Discretieplicht. |
ART. 77. 1. Iedere senator die, in
strijd met artikel 3 van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek,
informatie verkregen naar aanleiding van een niet-openbare vergadering van een
parlementaire onderzoekscommissie bekendmaakt en daardoor afbreuk doet aan de
eer en de waardigheid van de Senaat of het goede verloop van het onderzoek of
de geloofwaardigheid ervan in gevaar brengt, kan gesanctioneerd worden
overeenkomstig de hiernavolgende bepalingen. |
|
2. De behandeling van schendingen van de
geheimhouding kan gevraagd worden door een derde van de leden van de
onderzoekscommissie, bij brief gericht aan de voorzitter van de commissie, of
door de voorzitter zelf. In de bovenvermelde brief of in de door de voorzitter
opgestelde nota wordt een gedetailleerde beschrijving van de aangehaalde feiten
gegeven. |
|
Deze vraag wordt op de agenda geplaatst
van de eerste vergadering volgend op de indiening ervan. Een termijn van ten
minste acht dagen moet verlopen tussen de indiening van de vraag en de
behandeling ervan in de commissie. |
|
De betrokken senator wordt bij brief van
de voorzitter op de hoogte gebracht van de feiten die hem verweten worden,
alsmede van de dag en het uur van de vergadering, en hij wordt verzocht zich
daar te verdedigen. |
|
Hij wordt eveneens schriftelijk in kennis
gesteld van zijn recht om zich door een andere senator te laten
vertegenwoordigen of bijstaan alsmede van zijn eenmalig recht om een
niet-gemotiveerd uitstel te vragen. |
|
3. Op de vastgestelde dag hoort de
commissie met gesloten deuren de verdediging van de betrokken senator. |
|
De commissie beraadslaagt met gesloten
deuren onmiddellijk na dit verhoor of nadat zij eventueel heeft vastgesteld dat
de betrokkene niet aanwezig is, niet vertegenwoordigd is of niet verhoord wenst
te worden. |
|
Indien zij besluit dat de aangehaalde
feiten voldoende bewezen zijn, kan zij met een tweederde meerderheid van haar
leden besluiten ofwel de betrokkene een waarschuwing te geven, ofwel hem een
berisping te geven, ofwel aan de assemblee voor te stellen hem uit te
sluiten van de onderzoekscommissie. |
|
Tegen de beslissing van de commissie kan
geen beroep worden ingesteld. Zij wordt opgetekend in een proces-verbaal dat
door de voorzitter ondertekend wordt. Deze stuurt onverwijld een afschrift aan
de voorzitter van de Senaat, aan de betrokken senator en eventueel aan het lid
dat hem bijgestaan of vertegenwoordigd heeft. |
|
4. De beslissing van de commissie om een
waarschuwing of een berisping te geven wordt aan de Senaat medegedeeld op de
eerste dienstige plenaire vergadering volgend op de kennisgeving bedoeld in het
laatste lid van punt 3. |
|
Over deze mededeling wordt geen debat
gevoerd. |
|
5. Het voorstel tot uitsluiting wordt op
de agenda geplaatst van de eerste dienstige plenaire vergadering volgend op de
kennisgeving bedoeld in het laatste lid van punt 3. |
|
In voorkomend geval wordt artikel 48
toegepast. |
|
De Senaat hoort eerst het mondeling
verslag van de voorzitter van de commissie en vervolgens eventueel de betrokken
senator of het lid dat hem vertegenwoordigt. Hun spreektijd is beperkt tot
vijftien minuten ieder. Geen ander lid mag dienaangaande het woord nemen. |
|
De Senaat spreekt zich vervolgens zonder
debat uit over het voorstel tot uitsluiting, bij geheime stemming. Op dit
voorstel kan geen enkel amendement ingediend worden. |
|
Indien het voorstel met een tweederde
meerderheid van de stemmen aangenomen wordt, is de betrokkene definitief
uitgesloten van de vergaderingen van de onderzoekscommissie. |
|
Tegen deze beslissing kan geen beroep
ingesteld worden. Zij wordt schriftelijk medegedeeld aan de voorzitter van de
commissie, aan de betrokken senator en eventueel aan het lid dat hem bijgestaan
of vertegenwoordigd heeft. |
|
Indien geen tweederde meerderheid van de
stemmen bereikt wordt, is het voorstel verworpen en verklaart de voorzitter het
incident voor gesloten. |
|
6. Het lid van een onderzoekscommissie dat
uitgesloten wordt met toepassing van het vorige punt, wordt onverwijld
vervangen door een ander lid van dezelfde fractie, overeenkomstig de bepalingen
van artikel 84-3. |
|
(Ingevoegd op 9 januari 1997;
hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 70bis) |
TITEL IV
REGELING VAN BELANGENCONFLICTEN
| Procedure ingesteld door
de Senaat. |
ART.
78. 1. De Senaat kan een voorstel van resolutie aannemen waarin
wordt verklaard dat hij oordeelt ernstig te kunnen worden benadeeld door een in
een Gemeenschaps- of Gewestraad, een in de Verenigde Vergadering van de
Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of een in de Vergadering van de Franse
Gemeenschapscommissie ingediend ontwerp of voorstel van decreet of ordonnantie
of door een amendement op deze ontwerpen of voorstellen, overeenkomstig artikel
32, § 1, van de wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der
instellingen. |
|
2. Deze resolutie moet worden
aangenomen bij hoofdelijke stemming en met drie vierde van de stemmen, voor
zover ten minste zesendertig leden aanwezig zijn. |
|
3. De voorzitter brengt deze
resolutie ter kennis van de voorzitter van de betrokken Raad of
Vergadering. |
|
4. De Senaat wijst onder zijn leden
degenen aan die met de betrokken Gemeenschaps- of Gewestraad, met de Verenigde
Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of met de
Vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie overleg zullen plegen om het
geschil te beslechten. Zij brengen aan de Senaat verslag uit over dat
overleg. |
|
5. Indien het overleg, op gang
gebracht om het geschil te beslechten, niet tot een oplossing leidt binnen de
termijn van zestig dagen, bedoeld in artikel 32, § 1, van
dezelfde wet, wordt het geschil
door de voorzitter voorgelegd aan het Overlegcomité, bedoeld
in artikel 31 van dezelfde wet. |
|
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april
1999, vroeger artikel 71) |
| Procedure ingesteld
tegen de Senaat. |
ART. 79. 1. Indien een Gemeenschaps- of Gewestraad, de
Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of de
Vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie overeenkomstig artikel 32,
§ 1, van de wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen
oordeelt ernstig te kunnen worden benadeeld door een in de Senaat aanhangig
ontwerp of voorstel van wet of door een amendement op deze ontwerpen of
voorstellen, dan wordt de procedure geschorst gedurende een termijn van zestig
dagen. |
|
2. De Senaat wijst onder zijn leden
degenen aan die met de betrokken Gemeenschaps- of Gewestraad, met de Verenigde
Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of met de
Vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie overleg zullen plegen om het
geschil te beslechten. Zij brengen aan de Senaat verslag uit over dat
overleg. |
|
3. Indien het overleg, op gang gebracht om
het geschil te beslechten, binnen de termijn bedoeld in punt 1 tot een
oplossing leidt, wordt de procedure hervat. In het andere geval brengt de
Senaat binnen dertig dagen een gemotiveerd advies uit aan het
Overlegcomité, bedoeld in artikel 31 van dezelfde wet. |
|
4. Wanneer het Overlegcomité binnen
een termijn van dertig dagen geen beslissing heeft genomen, wordt de procedure
hervat. In het andere geval wordt de procedure voortgezet in overeenstemming
met de beslissing van het Overlegcomité. |
|
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april
1999, vroeger artikel 72) |
| Gemotiveerd advies van
de Senaat aan het Overlegcomité. |
ART.
80. Indien het overleg tussen de partijen die betrokken zijn bij een
belangenconflict tussen een wetgevende Kamer en een raad of tussen twee raden
niet binnen een termijn van zestig dagen tot een oplossing leidt, wordt het
conflict aanhangig gemaakt bij de Senaat, die binnen dertig dagen een
gemotiveerd advies uitbrengt aan het Overlegcomité. |
|
Deze procedure is niet van toepassing
wanneer de procedure door een wetgevende Kamer is ingeleid. |
|
(Ingevoegd en hernummerd op 22 april
1999, vroeger artikel 72bis) |
| Voorrang van
bevoegdheidsconflicten. |
ART. 81. Wanneer een procedure in verband met een
bevoegdheidsconflict is of wordt ingeleid, wordt elke procedure tot regeling
van een belangenconflict over eenzelfde aangelegenheid geschorst. |
|
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger
artikel 73) |
TITEL V
DIVERSE BEPALINGEN
HOOFDSTUK I
VOORDRACHT EN BENOEMING VAN KANDIDATEN EN
EVENREDIGE VERTEGENWOORDIGING
| Benoemingen en
voordrachten. |
ART.
82. De door de Senaat te verrichten benoemingen en voordrachten
geschieden bij geheime stemming en bij volstrekte meerderheid van stemmen. |
| Procedure. |
Indien na de eerste stemming geen enkele
kandidaat de vereiste meerderheid verkrijgt, heeft herstemming plaats tussen de
twee kandidaten die de meeste stemmen hebben behaald, eventueel nadat een beter
geplaatste kandidaat zich heeft teruggetrokken. |
|
Staken de stemmen, dan gaat de oudste in
jaren voor. |
|
Onverminderd artikel 9, tweede lid, tellen
niet of niet behoorlijk ingevulde stembriefjes niet mee voor het bepalen van de
meerderheid. Alleen de stembriefjes waarop de naam van de regelmatig
voorgedragen kandidaten voorkomt, zijn geldig. |
|
Zijn er niet meer kandidaten dan te
vervullen plaatsen, dan wordt de voorgedragen kandidaat of worden de
voorgedragen kandidaten zonder verdere formaliteiten verkozen dan wel
voorgedragen verklaard, indien geen enkele senator een stemming vraagt. |
|
Twee door het lot aangewezen stemopnemers
nemen de stemmen op. De voorzitter kondigt de uitslag van de stemmingen
af. |
|
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger
artikel 74) |
| Externe benoemingen en
voordrachten. |
ART. 83. 1. De
bepalingen van artikel 82 zijn mede van toepassing op elke benoeming of
voordracht van kandidaten waartoe de Senaat krachtens een wet moet overgaan,
tenzij deze wet anders bepaalt. |
|
2. Voor de voordracht van kandidaten
bij het Hof van Cassatie, waarin artikel 151 van de Grondwet voorziet, worden
alleen in aanmerking genomen de kandidaturen ingediend bij de minister van
Justitie overeenkomstig de bepalingen van artikel 287 van het Gerechtelijk
Wetboek (2). |
|
In de andere gevallen stelt de voorzitter
indien nodig de termijn en de nadere regelen vast voor het indienen van de
kandidaturen. |
|
3. De lijst van de kandidaten wordt ter
kennis van de senatoren gebracht. |
|
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger
artikel 75) |
| Evenredige
vertegenwoordiging. |
ART.
84. 1. Voor zover in dit reglement niet anders is bepaald, geschieden de
door de Senaat onder zijn leden te verrichten benoemingen overeenkomstig de
evenredige vertegenwoordiging van de fracties. |
|
Te dien einde bepaalt de Senaat, op
voorstel van het bureau, het aantal mandaten dat aan iedere fractie toekomt met
toepassing van artikel 167 van het Kieswetboek, waarbij het aantal leden van
iedere fractie als haar kiescijfer wordt beschouwd. |
|
Bij gelijke kiesquotiënten wordt het
mandaat toegekend aan de fractie met het grootste ledental en bij gelijke
fractiesterkte aan de fractie die het hoogste stemcijfer heeft behaald bij de
verkiezing van de senatoren bedoeld in artikel 67, § 1,
1º en 2º, van de Grondwet. |
|
2. De fracties overhandigen hun
kandidatenlijst aan de voorzitter. |
|
3. Valt er een plaats open, dan wijst de
Senaat een nieuw lid aan op voordracht van de fractie waarvan het te vervangen
lid deel uitmaakte. Wanneer de Senaat niet in vergadering bijeen is, voorziet
de voorzitter in die vervanging. |
|
4. Wanneer de samenstelling van de
fracties wijzigingen ondergaat die de evenredige vertegenwoordiging
beïnvloeden, dan stelt het bureau, indien dat nodig blijkt, een nieuwe
verdeling van de mandaten voor. |
| |
Wanneer de samenstelling van de fracties
een wijziging ondergaat die betrekking heeft op een lid van de in artikel
86bis bedoelde vaste commissie, dan verliest dat lid zijn hoedanigheid
van lid van die commissie. |
|
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april
1999, vroeger artikel 76) (Gewijzigd op 27 oktober 2005) |
HOOFDSTUK II
FEDERAAL ADVIESCOMITÉ VOOR
EUROPESE AANGELEGENHEDEN
| Adviescomité
Europese aangelegenheden. |
ART.
85. Na iedere vernieuwing van de Senaat wijst de vergadering voor de
gehele zittingsperiode uit haar midden tien leden aan die de Senaat in het
Federaal adviescomité voor Europese aangelegenheden zullen
vertegenwoordigen. |
|
Voor elke lijst van vaste leden worden op
dezelfde wijze een gelijk aantal plaatsvervangers benoemd. |
|
(Gewijzigd op 18 december 1995;
hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 77) |
HOOFDSTUK III
ADVIESCOMITÉ VOOR GELIJKE KANSEN VOOR
VROUWEN EN MANNEN
(Ingevoegd op 23 november 1995; hernummerd op 22 april
1999, vroeger hoofdstuk IIbis)
| Adviescomité voor
gelijke kansen. |
ART.
86. 1. Na iedere vernieuwing van de Senaat benoemt de vergadering voor
de gehele zittingsperiode uit haar midden een Adviescomité dat belast is
met het onderzoek van de aangelegenheden die de gelijke kansen voor vrouwen en
mannen betreffen. |
|
Het is samengesteld uit zeventien leden
die worden aangewezen op de wijze bepaald in artikel 21. |
|
2. Het comité benoemt onder zijn
leden, voor de duur van de zitting een voorzitter, een eerste ondervoorzitter
en een tweede ondervoorzitter. |
|
3. Het lid van het comité dat een
vergadering niet kan bijwonen, kan zich laten vervangen door een lid van zijn
of haar fractie. Het lid stelt de voorzitter van die vervanging in kennis. |
|
4. Het comité heeft tot taak, op
verzoek van de voorzitter van de Senaat overeenkomstig het bepaalde in artikel
24 of op eigen initiatief, adviesen te verstrekken betreffende de gelijke
kansen voor vrouwen en mannen. |
|
5. Voor het overige, en binnen de perken
van de in deze bepaling omschreven bevoegdheden, regelt het comité zijn
werkzaamheden en beraadslaagt het overeenkomstig de bepalingen die op de vaste
commissies van toepassing zijn. |
|
(Ingevoegd op 23 november 1995;
hernummerd op 22 april 1999, vroeger artikel 77bis; gewijzigd op 17 juli
2003) |
HOOFDSTUK IIIbis
COMMISSIE BELAST MET DE BEGELEIDING VAN HET VAST
COMITÉ I
(Ingevoegd op 10 november 1999)
| Commissie belast met de
begeleiding van het Vast Comité I. |
ART.
86bis.1. Na iedere vernieuwing van de Senaat benoemt de
vergadering voor de gehele zittingsperiode uit haar midden een vaste commissie
belast met de begeleiding van het Vast Comité van Toezicht op de
inlichtingen- en veiligheidsdiensten, Vast Comité I genaamd. |
|
De commissie is samengesteld uit vier
leden die door de Senaat worden benoemd bij stemming op een lijst, en de
voorzitter van de Senaat, die het voorzitterschap waarneemt. Artikel 84-1 is
niet van toepassing op deze benoemingen. |
|
Valt een mandaat open, dan wijst de Senaat
een nieuw lid aan volgens dezelfde procedure. |
|
2. De commissie vervult de taken
waarmee ze belast is krachtens de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het
toezicht op de politie- en inlichtingendiensten. |
|
3. Het lid dat verhinderd is om aan
een vergadering van de commissie deel te nemen, kan zich niet laten
vervangen. |
|
De commissie vergadert met gesloten
deuren. Behoudens andersluidende beslissing van de commissie mogen de leden van
de Senaat die geen deel uitmaken van de commissie, de vergaderingen niet
bijwonen. |
|
De commissie bepaalt in een reglement van
orde hoe de notulen van haar vergaderingen opgemaakt worden en op welke wijze
haar werkzaamheden georganiseerd worden. |
|
4. De commissie stelt samen met de
Kamercommissie belast met de begeleiding van het Vast Comité van
Toezicht op de politiediensten, Vast Comité P genaamd, een reglement van
orde van hun gemeenschappelijke vergaderingen op; dit wordt ter goedkeuring
voorgelegd aan de beide assemblees. |
|
5. Elk lid dat de verplichting tot
vertrouwelijkheid of de geheimhouding zoals beschreven in artikel 66bis,
§ 5, eerste lid, van de in punt 2 bedoelde wet schendt, kan gestraft
worden overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 77. |
|
(Ingevoegd op 10 november
1999) |
HOOFDSTUK IV
ZENDINGEN IN HET BUITENLAND
(Ingevoegd en hernummerd op 22 april 1999, vroeger
hoofdstuk IIter)
| Zendingen in het
buitenland. |
ART.
87. Wanneer een delegatie van de Senaat, van het bureau of van een van
de commissies met zending naar het buitenland gaat of naar een internationale
organisatie, wordt een bondig overzicht van de werkzaamheden van de delegatie
ter informatie meegedeeld aan de Senaat, het bureau of de betrokken commissie,
naargelang het geval. |
|
(Ingevoegd en hernummerd op 22 april
1999, vroeger artikel 77ter) |
HOOFDSTUK V
ORDE IN DE SENAAT EN IN DE TRIBUNES
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger hoofdstuk
III)
| Tucht in de
Senaat. |
ART.
88. Voor orde en tucht in de Senaat wordt, uit naam van de vergadering,
zorg gedragen door de voorzitter, die aan de diensthebbende wacht de nodige
bevelen geeft. |
|
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger
artikel 78) |
| Toegang tot de
vergaderzaal. |
ART. 89. Behalve de ministers, de staatssecretarissen, de
commissarissen van de Koning en het personeel dat voor de verschillende
diensten van de vergadering nodig is, heeft niemand toegang tot de zaal waar de
senatoren zitting houden. |
|
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger
artikel 79) |
| Openbare
tribunes. |
ART.
90. 1. Gedurende de gehele vergadering moeten de toehoorders in de
tribunes in stilte blijven zitten. |
|
2. Ieder die in de tribunes de orde stoort
of tekenen van goed- of afkeuring geeft, wordt onmiddellijk verwijderd, en,
indien daartoe grond bestaat, onverwijld voor de bevoegde overheid
gebracht. |
|
3. De tekst van dit artikel wordt op de
deur van de tribunes aangebracht. |
|
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger
artikel 80) |
HOOFDSTUK VI
GRIFFIER, DIENSTEN EN BIBLIOTHEEK
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger hoofdstuk
IV)
| Griffier. |
ART.
91. Een griffier (secretaris-generaal) wordt door de Senaat benoemd op
voordracht van het bureau, volgens de regels gesteld in artikel 82. |
|
(Gewijzigd en hernummerd op 22 april
1999, vroeger artikel 81) |
|
ART. 92. 1. De griffier staat de voorzitter in alle
omstandigheden bij en met name tijdens de openbare vergaderingen, de
vergaderingen met gesloten deuren en de vergaderingen van het bureau. |
|
Hij neemt akte van de besluiten van de
Senaat en houdt notulen van het verhandelde in de plenaire vergaderingen, in de
vergaderingen met gesloten deuren en in de vergaderingen van het bureau. |
|
2. Hij is belast met de tenuitvoerlegging
van de beslissingen van de Senaat en zorgt inzonderheid voor de bijeenroeping
van de vergadering en van haar commissies, voor het drukken en ronddelen van de
ontwerpen van wet, voorstellen, verslagen, amendementen en alle andere stukken
waarvan de ronddeling door het reglement is voorgeschreven, voor het doorzenden
van de aangenomen ontwerpen van wet en voor de correspondentie. |
|
3. Hij houdt het archief van de Senaat in
bewaring. |
|
Onder zijn toezicht worden de repertoria
en de dossiers bijgehouden betreffende de bij de Senaat aanhangige zaken en de
precedenten. |
|
4. Uit naam van het bureau leidt de
griffier de diensten en heeft gezag over de leden van het personeel, die hij
vertegenwoordigt en voor wie hij verantwoordelijk is tegenover het bureau en
het college van quaestoren. |
|
5. De griffier wordt bijgestaan en bij
ziekte of verhindering vervangen door de adjunct-griffier, directeur of
directeur-generaal van de wetgevingsdiensten, en door de directeur of
directeur-generaal van de quaestuur, elk wat zijn bevoegdheden betreft. |
|
In opdracht van de griffier draagt de
directeur of directeur-generaal van de quaestuur de verantwoordelijkheid voor
de boekhoudingsdiensten. |
|
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger
artikel 82) |
| Diensten. |
ART.
93. 1. De diensten van de Senaat staan onder het gezag van het
bureau. |
|
2. Een door het bureau vast te stellen
organiek reglement regelt de organisatie van de diensten en de rechtspositie
van de leden van het personeel. |
|
3. Op voorstel van het college van
quaestoren, benoemt en ontslaat het bureau de leden van het personeel en stelt
hun wedde vast. |
|
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger
artikel 83) |
| Bibliotheek. |
ART. 94. De begroting van de Senaat draagt bij in de kosten
verbonden aan de bibliotheek van het Parlement. |
|
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger
artikel 84) |
HOOFDSTUK VII
DOTATIE
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger
hoofdstuk V)
| Dotatie van de
Senaat. |
ART.
95. De Senaat stelt elk jaar de dotatie voor zijn werking vast op
voorstel van het bureau. |
|
De aangenomen dotatie wordt meegedeeld aan
de minister die de federale begroting onder zijn bevoegdheid heeft, om te
worden opgenomen in het ontwerp van algemene uitgavenbegroting. |
|
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger
artikel 85) |
HOOFDSTUK VIIbis
CUMULATIEBEPERKING
(Ingevoegd op 25 januari 2001)
|
Cumulatiebeperking. |
ART.
95bis.1. Met het oog op de toepassing van artikel
1quinquies van de wet van 6 augustus 1931 houdende vaststelling van de
onverenigbaarheden en ontzeggingen betreffende de ministers, gewezen ministers
en ministers van Staat, alsmede de leden en gewezen leden van de Wetgevende
Kamers, deelt elk lid van de Senaat aan de voorzitter bij het opnemen van zijn
mandaat alle
nuttige gegevens mee met betrekking tot de openbare mandaten,
openbare functies en openbare ambten van politieke aard die het lid
uitoefent. |
|
Het lid stelt de voorzitter in kennis van
elke wijziging dienaangaande, telkens wanneer hiertoe aanleiding bestaat. |
|
2. Het plafond bedoeld in het eerste
lid van het voornoemde artikel 1quinquies wordt vastgesteld door het
bureau op voorstel van de conferentie van de voorzitters van de zeven
parlementaire assemblees. Het wordt, door de zorg van de voorzitters van de
Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat, voor het einde van de maand
januari in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. |
|
Het bureau bepaalt op voorstel van het
college van quaestoren, de overige regels voor de toepassing van dit
artikel. |
|
(Ingevoegd op 25 januari 2001; in
werking getreden op 31 januari 2001) |
HOOFDSTUK VIII
HERZIENING VAN HET REGLEMENT
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger
hoofdstuk VI)
| Herziening van het
reglement. |
ART.
96. Elk voorstel tot wijziging van het reglement wordt, indien het door
de voorzitter ontvankelijk wordt bevonden, samen met zijn toelichting vertaald,
gedrukt, rondgedeeld en verwezen naar het bureau. |
|
Het bepaalde bij de artikelen 27 en 56 tot
60 geldt ook voor de voorstellen tot wijziging van het reglement. |
|
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger
artikel 86) |
TITEL VI
SLOTBEPALINGEN
|
ART.
97. Het reglement van de Belgische Senaat van 19 oktober 1831,
laatst gewijzigd op 28 april 1994, wordt opgeheven. |
|
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger
artikel 87) |
|
ART.
98. Dit reglement treedt in werking op de dag die vastgesteld wordt voor
de eerstkomende bijeenroeping van de rechtstreeks door het kiezerskorps
verkozen senatoren (3). |
|
(Hernummerd op 22 april 1999, vroeger
artikel 88) |
BIJLAGEN
Wet van 6 april 1995 houdende inrichting van de parlementaire
overlegcommissie bedoeld in artikel 82 van de Grondwet en tot wijziging
van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (5)
Artikel 1
Na elke algehele vernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers en
van de Senaat benoemen beide assemblees, onmiddellijk na de benoeming van hun
vast bureau, hun vertegenwoordigers in de parlementaire overlegcommissie
bedoeld in artikel 82 van de Grondwet, hierna de commissie genoemd.
Onmiddellijk na de benoeming van de leden wordt de commissie
geïnstalleerd.
Over de installatie van de commissie wordt een proces-verbaal opgemaakt,
dat wordt ondertekend door de voorzitters van beide assemblees die hun
respectieve assemblees ervan in kennis brengen.
Een eindstemming over wetsbepalingen kan in plenaire vergadering maar
plaatsvinden ten vroegste twee dagen na de dag waarop de commissie is
geïnstalleerd, tenzij die wetsbepalingen uitsluitend betrekking hebben op
de toekenning van voorlopige kredieten of op de vaststelling van het
legercontingent.
Art. 2
De commissie heeft tot taak :
1º de bevoegdheidsconflicten tussen beide Kamers te
regelen;
2º de onderzoekstermijnen bepaald in de artikelen 78 tot
81 van de Grondwet te verlengen;
3º overeenkomstig artikel 80 van de Grondwet de termijnen
te bepalen waarbinnen de Senaat zich moet uitspreken wanneer de Regering de
spoedbehandeling vraagt;
4º in het geval bedoeld in artikel 81, vijfde lid, van de
Grondwet de termijn te bepalen waarbinnen de Kamer zich moet uitspreken over
een ontwerp van wet dat haar door de Senaat wordt overgezonden of
teruggezonden;
5º met toepassing van artikel 92quater van de
bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de
nadere regelen te bepalen overeenkomstig welke de Kamers adviezen kunnen
verstrekken over de voorstellen van normatieve rechtshandelingen van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Art. 3
De Commissie is samengesteld uit :
elf senatoren, onder wie de voorzitter van de Senaat, door
de Senaat benoemd met evenredige vertegenwoordiging van de fracties;
elf volksvertegenwoordigers, onder wie de voorzitter van de
Kamer van volksvertegenwoordigers, door de Kamer benoemd met evenredige
vertegenwoordiging van de fracties.
Voor elke lijst van vaste leden benoemt elke assemblee in haar midden,
onder dezelfde voorwaarden, een zelfde aantal plaatsvervangers.
Bij afwezigheid van een vast lid wordt in zijn vervanging voorzien door
een plaatsvervanger.
De commissie wordt bijgestaan door de griffiers van beide
assemblees.
Art. 4
De commissie kan de leden van de Regering vragen om haar vergaderingen
bij te wonen en dezen kunnen vragen om te worden gehoord.
Art. 5
De commissie kan worden aangezocht ofwel door een van de voorzitters,
ofwel op schriftelijk verzoek van ten minste acht van haar leden gericht tot de
twee voorzitters en ingediend bij de griffie van een van beide assemblees.
De akte waarbij de commissie wordt aangezocht, vermeldt het onderwerp
van het verzoek en, in voorkomend geval, de ontwerpen, voorstellen en
amendementen die aan de commissie zullen worden voorgelegd.
De voorzitters geven de leden van hun assemblee kennis van het feit dat
de commissie aangezocht is.
Op initiatief van beide voorzitters of van een van hen wordt, uiterlijk
de dag na het indienen van het verzoek bedoeld in het eerste lid, aan de leden
van de commissie een schriftelijke bijeenroeping gezonden met vermelding van de
datum van de eerste vergadering en het onderwerp waarover de commissie
aangezocht is. De eerste vergadering vindt uiterlijk plaats binnen drie dagen
na de dag van de verzending van de schriftelijke bijeenroeping.
Art. 6
De commissie stelt haar reglement van orde op.
De vergaderingen van de commissie worden beurtelings en telkens voor de
duur van een parlementaire zitting voorgezeten door de voorzitter van de Senaat
en door de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers.
De commissie vergadert met gesloten deuren. Het reglement van orde
bepaalt onder welke voorwaarden sommige leden van de Kamer en van de Senaat die
geen lid van de commissies zijn, haar vergaderingen kunnen bijwonen.
Het reglement van orde bepaalt hoe de notulen van de
commissievergaderingen worden opgemaakt.
Art. 7
De wetsontwerpen, de wetsvoorstellen, de amendementen, de
commissieverslagen van de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat, de
adviezen van de Raad van State, de beslissingen van de parlementaire
overlegcommissie, alsmede alle andere parlementaire stukken alsook de
bijeenroepingen voor de commissievergaderingen en de plenaire vergaderingen en
de agenda's worden terzelfder tijd rondgedeeld aan de leden van beide
assemblees.
Art. 8
Onverminderd artikel 74 van de Grondwet wordt een wetsontwerp,
wanneer het is aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers of door de
Senaat, overgezonden aan de voorzitter van de andere assemblee, in de vorm van
een parlementair stuk dat wordt gedagtekend en ondertekend door de griffier van
de assemblee die het heeft aangenomen of door diens gemachtigde.
De griffier van de assemblee waaraan het wetsontwerp wordt overgezonden,
of diens gemachtigde doet dezelfde dag een gedagtekend en ondertekend
ontvangstbewijs toekomen aan de griffier van de andere assemblee.
Art. 9
§ 1. De termijnen bepaald in de artikelen 78 tot 81
van de Grondwet worden berekend als volgt :
1º de evocatietermijnen bedoeld in de artikelen 78,
tweede lid, en 80 van de Grondwet gaan in de dag na die waarop de voorzitter
van de Senaat het wetsontwerp heeft ontvangen, overeenkomstig
artikel 8;
2º de onderzoekstermijnen bedoeld in de artikelen 78,
derde lid, en 80 van de Grondwet gaan in de dag na die waarop het verzoek
bepaald in artikel 78, tweede lid, van de Grondwet aan de voorzitter van
de Senaat is voorgelegd. De voorwaarden waaraan dat verzoek moet voldoen,
worden bepaald in het reglement van de Senaat;
3º de termijn van vijftien dagen bedoeld in artikel 79,
eerste lid, van de Grondwet gaat in de dag na die waarop de voorzitter van de
Senaat het geamendeerde wetsontwerp heeft ontvangen, overeenkomstig
artikel 8;
4º de onderzoekstermijnen bedoeld in artikel 81, vijfde
en zesde lid, van de Grondwet gaan in de dag na die waarop de commissie een
beslissing heeft genomen;
5º de termijn van zestig dagen bedoeld in artikel 81,
tweede lid, van de Grondwet en de termijn van vijftien dagen bedoeld in
artikel 81, vierde lid, van de Grondwet gaan in de dag na die waarop de
voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers het
wetsontwerp of het geamendeerde wetsontwerp heeft ontvangen,
overeenkomstig artikel 8;
6º de termijn van vijftien dagen bedoeld in artikel 81,
vijfde lid, van de Grondwet gaat in de dag na die waarop de termijnen bedoeld
in het tweede en het vierde lid van artikel 81 van de Grondwet zijn
verstreken.
§ 2. De termijnen bedoeld in de artikelen 78 tot 81
van de Grondwet en in deze wet lopen van middernacht tot middernacht.
Verstrijkt een termijn op een zaterdag, een zondag of een wettelijke
feestdag, dan wordt hij automatisch verlengd tot de eerstvolgende werkdag.
§ 3. Uiterlijk de dag na die waarop het in § 1,
2º, bedoelde verzoek is voorgelegd, stelt de voorzitter van de Senaat de
voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers alsmede de senatoren ervan
in kennis dat tot evocatie wordt overgegaan.
Art. 10
§ 1. 1º Bij ontbinding van de Kamers worden de
lopende termijnen, bedoeld in de artikelen 78 tot 81 van de Grondwet en in
deze wet, gestuit. De nieuwe termijnen gaan in bij de installatie van de nieuwe
commissie.
2º De periode tussen het sluiten van de zitting van de
Wetgevende Kamers en de opening van de volgende zitting komt niet in aanmerking
voor de berekening van de termijnen bedoeld in de artikelen 78 tot 81 van
de Grondwet en in deze wet.
3º De commissie noteert de periodes tijdens welke de Senaat en
de Kamer van volksvertegenwoordigers op reces zijn. Die periodes komen niet in
aanmerking voor de berekening van de termijnen bedoeld in de artikelen 78
tot 81 van de Grondwet en in deze wet.
4º De termijnen bedoeld in de artikelen 78 tot 81 van de
Grondwet en in deze wet worden geschorst, wanneer een van beide Kamers door de
Koning wordt verdaagd.
5º De termijnen bedoeld in de artikelen 78 tot 81 van de
Grondwet worden automatisch geschorst zodra de commissie is aangezocht en tot
de dag na die waarop zij een beslissing neemt.
6º De termijnen bedoeld in de artikelen 78 tot 81 van de
Grondwet en in deze wet worden geschorst bij de uitvoering van de procedure
neergelegd in artikel 54 van de Grondwet.
§ 2. Wanneer de voorzitter van de Kamer van
volksvertegenwoordigers of de voorzitter van de Senaat over een bij hun Kamer
aanhangig wetsvoorstel, wetsontwerp of amendement, het gemotiveerd advies van
de afdeling wetgeving van de Raad van State vraagt, wordt dit advies ten
laatste de dag na die waarop de voorzitter aan wie het is gericht het heeft
ontvangen, ter kennis gebracht van de voorzitter van de andere assemblee.
Vraagt de voorzitter van de Senaat het advies van de Raad van State, dan
worden de termijnen bedoeld in de artikelen 78 tot 80 van de Grondwet en
in deze wet geschorst.
Hetzelfde geldt wanneer de voorzitter van de Kamer van
volksvertegenwoordigers het advies van de Raad van State vraagt in het kader
van artikel 81 van de Grondwet.
Deze schorsing neemt een einde de dag na die waarop de Voorzitter aan
wie het advies is gericht, dit advies ter kennis brengt van de voorzitter van
de andere assemblee.
Indien het wetsvoorstel, wetsontwerp of amendement overeenkomstig
artikel 3, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van
State is doorgezonden naar het Overlegcomité bedoeld in artikel 31
van de gewone wet tot hervorming der instellingen van 9 augustus 1980,
neemt de schorsing een einde de dag na die waarop het Overlegcomité, in
een met redenen omkleed advies verstrekt volgens de procedure van de consensus,
uitspraak zal gedaan hebben ten gunste van de bevoegdheid van de Staat of de
dag na die waarop de Regering bij de Kamer de amendementen heeft ingediend die
door het Comité beslist zijn om aan de bevoegdheidsoverschrijding een
einde te maken.
De schorsing neemt eveneens een einde indien het Overlegcomité
geen uitspraak gedaan heeft binnen de hem opgelegde termijn van veertig dagen,
indien de Kamer voor het verstrijken van die termijn ervan op de hoogte
gebracht wordt dat het Comité geen uitspraak kan doen of indien de
Regering, binnen drie dagen na het advies van het Comité, de bedoelde
amendementen niet heeft ingediend.
Art. 11
§ 1. De commissie kan een bevoegdheidsconflict regelen
zodra een wetsontwerp is ingediend of een wetsvoorstel in overweging is
genomen, of zodra in de commissie amendementen zijn aangenomen en voor de
eindstemming in de plenaire vergadering.
Indien een amendement door een assemblee wordt aangenomen in eerste
lezing in de plenaire vergadering, mag de eindstemming over het aldus
geamendeerde wetsontwerp of wetsvoorstel eerst plaatsvinden nadat vijf dagen
verstreken zijn.
Wanneer bij de commissie een bevoegdheidsconflict aanhangig is gemaakt,
wordt de eindstemming in de plenaire vergadering opgeschort tot de termijn
bedoeld in artikel 10, § 5 [lees : artikel 10,
§ 1, 5º], is verstreken, onverminderd de artikelen 13 en
14, laatste lid.
§ 2. Wanneer de commissie een bevoegdheidsconflict
regelt, beslist ze of de parlementaire procedure die moet worden
gevolgd die is van de artikelen 74, 77 of 78 tot 81 van de
Grondwet.
§ 3. Wordt bij de commissie een bevoegdheidsconflict
aanhangig gemaakt overeenkomstig artikel 82 van de Grondwet, dan neemt ze
een beslissing binnen vijf dagen na de dag waarvoor ze is bijeengeroepen.
Art. 12
§ 1. Wanneer bij de commissie een verzoek tot verlenging
van de onderzoekstermijnen is ingediend, neemt ze een beslissing binnen drie
dagen na de dag waarvoor ze is bijeengeroepen. De eindstemming in de plenaire
vergadering wordt opgeschort tot de termijn van drie dagen is verstreken,
onverminderd de artikelen 13 en 14, laatste lid.
§ 2. Indien de Regering bij de indiening van een
wetsontwerp overeenkomstig artikel 80 van de Grondwet de spoedbehandeling
vraagt, wordt de commissie door een van beide voorzitters bijeengeroepen. Ze
beslist binnen zeven dagen nadat het ontwerp overeenkomstig artikel 7 is
rondgedeeld.
§ 3. Indien de Kamer van volksvertegenwoordigers binnen
de termijnen voorgeschreven door artikel 81 van de Grondwet geen
beslissing neemt over een wetsontwerp dat door de Senaat is aangenomen,
wordt de commissie binnen een termijn van vijftien dagen door een van beide
voorzitters bijeengeroepen.
De commissie bepaalt, binnen drie dagen na de datum waarvoor ze is
bijeengeroepen, de termijn waarbinnen de Kamer zich moet uitspreken.
Art. 13
De commissie kan, volgens de meerderheidsregels neergelegd in
artikel 14, de termijnen verlengen waarbinnen ze, overeenkomstig de
artikelen 11, § 3, en 12, § 1 en § 3, tweede
lid, een beslissing moet nemen.
Art. 14
De beslissingen van de commissie binden beide assemblees en worden door
hun voorzitter ter kennis gebracht van de leden.
Ze worden genomen bij volstrekte meerderheid van de leden van elk van de
twee samenstellende delen van de commissie en, bij gebreke daarvan, bij
meerderheid van twee derden van haar leden.
Wordt er geen overeenstemming bereikt, dan worden, in voorkomend geval,
de artikelen 80, tweede lid, en 81, zesde lid, van de Grondwet
toegepast.
Neemt de commissie geen beslissing binnen de gestelde termijnen, dan
wordt dit door de voorzitter vastgesteld en aan beide assemblees medegedeeld.
De opschorting van de stemming in een assemblee en de schorsing van de
termijnen bedoeld in de artikelen 78 tot 81 van de Grondwet nemen een
einde de dag na die waarop de termijn verstrijkt waarbinnen de beslissing had
moeten worden genomen.
Art. 15
De regels die de commissie bepaalt met toepassing van artikel 2,
5º, worden opgenomen in het reglement van beide assemblees.
Art. 16
De voorzitter van de assemblee waarbij een wetsontwerp of -voorstel
aanhangig is, is verplicht het advies te vragen van de afdeling wetgeving van
de Raad van State wanneer ten minste twaalf
leden van de commissie daartoe bij de griffie van een van beide
assemblees een schriftelijk verzoek indienen dat uitsluitend betrekking heeft
op dat wetsontwerp of -voorstel, of op bij een eerste stemming aangenomen
amendementen op dat wetsontwerp of -voorstel en dat een bij de commissie
aanhangig bevoegdheidsconflict betreft. De voorzitter kan, in spoedeisende
gevallen, vragen dat het advies wordt uitgebracht binnen een termijn van ten
hoogste acht dagen.
Art. 17
(Wijzigt de gecoördineerde wetten op de Raad van
State van 12 januari 1973.)
Art. 18
(Opgeheven door de wet van 5 mei 1999 betreffende de gevolgen van de
ontbinding van de Wetgevende Kamers ten aanzien van de aanhangige wetsontwerpen
en wetsvoorstellen, Belgisch Staatsblad van 7 mei 1999)
Art. 19
De artikelen 1 tot 17 treden in werking bij de eerstvolgende algehele
vernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers.
Reglement van orde
van de parlementaire
overlegcommissie (6)
1.1. Onmiddellijk nadat beide assemblees hun vertegenwoordigers in
de commissie hebben benoemd, roepen de voorzitters de commissie bijeen met het
oog op haar installatie.
1.2. De installatievergadering wordt voorgezeten door de voorzitter
die krachtens artikel 6, tweede lid, van de wet van 6 april 1995
houdende inrichting van de parlementaire overlegcommissie bedoeld in
artikel 82 van de Grondwet en tot wijziging van de gecoördineerde
wetten op de Raad van State, de vergaderingen van de commissie voor de duur van
de parlementaire zitting voorzit.
1.3. Het proces-verbaal van de installatie vermeldt de plaats, de
datum en het uur van installatie, de aanwezige leden, de vaste leden van de
commissie en de plaatsvervangers en de voorzitter die voor de duur van de
parlementaire zitting de vergaderingen zal voorzitten.
1.4. Het proces-verbaal wordt ondertekend door de voorzitters en de
griffiers van beide assemblees.
2. Iedere wijziging in het ledental van een fractie in een
assemblee wordt verrekend in de vertegenwoordiging van de fracties van die
assemblee in de commissie. De leden behouden hun mandaat tot in hun vervanging
is voorzien door de assemblee die hen heeft aangewezen.
3. Elk van de samenstellende delen van de commissie wijst onder
zijn leden een ondervoorzitter aan. Onverminderd het bepaalde onder 4.1.,
worden de voorzitters, wanneer zij verhinderd zijn, vervangen door de
ondervoorzitters, of, bij hun afwezigheid, door het oudste lid in jaren
behorende tot dezelfde assemblee.
4.1. Is de voorzitter die de vergadering dient voor te zitten
verhinderd, dan wordt de vergadering voorgezeten door de voorzitter van de
andere assemblee en, bij diens afwezigheid, door de ondervoorzitter die behoort
tot dezelfde assemblee als de eerstgenoemde voorzitter.
4.2. Bij het leiden van de vergadering beschikt de voorzitter over
de bevoegdheden die het reglement van de Kamer van volksvertegenwoordigers aan
de voorzitter van die assemblee toekent.
4.3. De commissie vergadert met gesloten deuren.
4.4. Alleen de vaste leden van de commissie, of, als zij verhinderd
zijn, een plaatsvervanger van dezelfde fractie van dezelfde assemblee, mogen de
vergaderingen bijwonen.
4.5. De commissie kan beslissen andere leden van de Kamer van
volksvertegenwoordigers of van de Senaat uit te nodigen of tot haar
vergaderingen toe te laten met raadgevende stem. Zij kan eveneens beslissen een
of meer deskundigen te horen.
4.6. De voorzitters vragen de Regering, op eigen initiatief of op
verzoek van de commissie, de vergaderingen van de commissie bij te wonen.
4.7. Indien de Regering wenst te worden gehoord, deelt zij dit mede
aan een van beide voorzitters. Op haar verzoek wordt ingegaan tenzij de
commissie anders beslist.
5.1. Van elke vergadering van de commissie worden notulen
opgemaakt. Zij vermelden in ieder geval de datum en het uur van de vergadering,
de naam van de voorzitter die de vergadering heeft voorgezeten, de naam van de
aanwezige leden, in voorkomend geval de andere aanwezigen, de beslissingen die
de commissie heeft genomen, het resultaat van de stemmingen, het uur waarop de
vergadering werd gesloten, en, in voorkomend geval, datum en uur van de
volgende vergaderingen.
5.2. De notulen worden ondertekend door de voorzitter die de
vergadering heeft voorgezeten en door de voorzitter van de andere assemblee of
door degenen die hen vervingen.
5.3. De notulen worden bewaard door de griffiers. Zij kunnen worden
geraadpleegd door de leden van de commissie en door de leden van de Regering in
de gevallen bedoeld in 4.6. of 4.7.
6.1. Elk verzoek tot bijeenroeping van de commissie wordt ingediend
ter griffie van een van beide assemblees. Het wordt onmiddellijk geregistreerd.
Aan de griffie van de andere assemblee
wordt onmiddellijk een eensluidend verklaard afschrift meegedeeld met het
registratienummer.
6.2. Het origineel van de verzoeken wordt bewaard ter griffie van
de assemblee waarvan de voorzitter voor de duur van de parlementaire zitting de
vergadering van de commissie voorzit. Een afschrift van de verzoeken wordt
bewaard ter griffie van de andere assemblee.
6.3. Indien een van beide voorzitters een verzoek onontvankelijk
acht, raadpleegt hij daarover de voorzitter van de andere assemblee en
beslissen zij gezamenlijk. In geval van twijfel beslist de commissie.
6.4. De voorzitter die, op eigen initiatief of op verzoek van ten
minste acht leden, de commissie wenst bijeen te roepen, geeft daarvan kennis
aan de andere voorzitter met vermelding van dag, uur en agenda van de geplande
vergadering.
6.5. De agenda vermeldt of de commissie wordt aangezocht voor het
regelen van een bevoegdheidsconflict (artikel 2, 1º, van de wet van
6 april 1995) voor het vaststellen van termijnen (artikel 2, 2º
tot 4º, van de wet van 6 april 1995), dan wel voor een andere
aangelegenheid die tot haar bevoegdheid behoort.
6.6. Wordt de commissie aangezocht voor het vaststellen van
termijnen, dan vermeldt de agenda om welk(e) voorstel(len) of ontwerp(en) het
gaat. In het geval van een bevoegdheidsconflict specificeert de agenda
bovendien de aangevochten bepaling(en) van het voorstel of ontwerp of de
aangevochten amendementen.
6.7. De voorzitters kunnen te allen tijde punten aan de agenda
toevoegen, mits deze schriftelijk aan de leden worden meegedeeld
vóór de vergadering. Ter zitting kan de agenda slechts worden
gewijzigd indien geen enkel lid zich daartegen verzet.
7.1. De commissie kan geldig vergaderen ongeacht het aantal
aanwezige leden. Onverminderd het bepaalde onder 6.7. beslist zij
steeds op de wijze bepaald in artikel 14, tweede lid, van de wet van
6 april 1995.
7.2. De beslissingen van de overlegcommissie worden bekendgemaakt
in de vorm van een parlementair stuk dat gemeenschappelijk is aan beide
assemblees. Het stuk vermeldt de dag waarop de commissie haar beslissing heeft
genomen, de inhoud van die beslissing en de naam van degenen die de notulen
zoals bedoeld in 5.2 hebben ondertekend.
7.3. Neemt de commissie geen beslissing binnen de gestelde termijn,
dan wordt dit eveneens bekendgemaakt op de wijze bepaald in 7.2.
REGISTER
VAN HET REGLEMENT
|
ARTIKELEN |
| Aanwezigheidsquorum |
| In de commissies |
23/6, 25/2 |
| In de plenaire vergadering |
44/4, 46 |
| Adjunct-griffier |
92/5 |
| Advies |
| Andere commissie |
24 |
| Extra-parlementaire personen en
instellingen |
28/1 |
| Gemeenschappen en gewesten |
zie « Samenwerking
met de gemeenschappen en de gewesten » |
| Raad van State |
66 |
| Adviescomités |
| Adviescomité voor gelijke kansen voor
vrouwen en mannen |
86 |
| Federaal adviescomité voor Europese
aangelegenheden |
85 |
| Agenda |
| Kennisgeving |
32 |
| Vaststelling |
20/2 |
| Alarmbel |
67 |
| Amendement |
27/2, 39/1, 45/3, 59, 60, 61,
73/2, 74/6 zie ook « Stemming » |
| Arbitragehof (beroep bij het) |
68 |
| Archief van de Senaat |
36, lid 2, 92/3 |
| Begeleidingscommissie Vast Comité I |
23/8, 86bis |
| Begroting van de Senaat |
15/2, 94 |
| Belangenconflict |
| Procedure ingesteld door de Senaat |
78 |
| Procedure ingesteld tegen de Senaat |
79 |
| Regeling van een belangenconflict |
78, 79, 80 |
| Voorlegging aan het Overlegcomité |
78/5, 79/3, 80 |
| Voorrang van bevoegdheidsconflicten |
81 |
| Benoemingen en voordrachten |
| Evenredige vertegenwoordiging van de
fracties |
84 |
| Externe benoemingen en voordrachten |
82, 83 |
| Geheime stemming |
42/4, 82 |
| Voordracht van kandidaten bij het Hof van
Cassatie |
83/2 |
| Beroep bij het Arbitragehof |
68 |
| Beslissing om in te stemmen met het ontwerp |
64/2-3 |
| Beslissing om niet te amenderen |
63/2-3 |
| Bevoegdheidsconflict |
| Beroep bij het Arbitragehof |
68 |
| Voorkoming (Raad van State) |
66 |
| Voorrang op belangenconflicten |
81 |
| Bibliotheek van het Parlement |
94 |
| Boekhouding van de Senaat |
15/2, 92/5 |
| Bulletin van Vragen en Antwoorden |
70/3 |
| Bureau |
| Bureau van de commissies |
23/1-2, 23/8 |
| Vast bureau |
| Ambtsduur van de organieke
leden |
16/1 |
| Benoeming van leden |
9 |
| Besluitvorming |
10 |
| Bevoegdheden |
| * cumulatiebeperking |
95bis/2 |
| * herziening van het reglement |
96 |
| * onderzoek van de
geloofsbrieven |
6 |
| * openbaarheid van
commissievergaderingen |
23/8, 26, lid 4 |
| * organisatie van de diensten |
93 |
| * overdracht van bevoegdheden |
11 |
| * regeling van de werkzaamheden |
20 |
| * rekeningen en begroting van de
Senaat |
15/2 |
| * themadebatten |
74 |
| Evenredige vertegenwoordiging van
de fracties |
9 |
| Samenstelling |
8 |
| Voorlopig bureau |
1 |
| Commissarissen van de Koning |
89 |
| Commissies |
| Aanwezigheidsquorum |
23/6 |
| Adviesaanvraag gericht tot een andere
commissie |
24 |
| Bevoegdheden (algemeen) |
22 |
| Bijeenroeping |
23/2, 55, lid 3, 92/2 |
| Bijzondere commissies |
23/8, 29/1, 31 |
| Bureau |
23/1-2, 23/8 |
| Commissievergadering |
23, 30/2 |
| Commissievergadering (tijdstip van de) |
18/5, 23/3 |
| Externe medewerking |
28 |
| Fractiemedewerkers |
29 |
| Gesloten deuren |
23/8, 77/3 |
| Hoorzittingen |
22/2, 28/2 |
| Initiatiefrecht |
22/3 |
| Notulen |
23/7 |
| Openbare vergaderingen |
23/8, 27/2 |
| Plaatsvervanging |
21/2-3, 23/4, 85, 86/3,
86bis/3 |
| Regeling van de werkzaamheden |
23/2, 23/8 |
| Samenstelling |
21, 23, 84 |
| Samenwerkingsprocedure met de gemeenschappen en
de gewesten |
57 |
| Subcommissie |
26 |
| Terugzending naar de commissie |
40/1-2 |
| Verdragen (vervolgcontrole op de
instemmingsprocedure) |
22/5 |
| Verenigde commissies |
25 |
| Verslagen |
zie
« Verslagen » |
| Verwijzing van wetsontwerpen |
55 |
| Voorzitter |
20/2, 23/1 |
| Vraag om inlichtingen aan de Regering |
22/4 |
| Vragen om uitleg |
72/3 |
| Werkgroep |
26 |
| Werkwijze |
23 |
| Commissie belast met de begeleiding van het vast
comité I |
23/8, 86bis |
| Commissie voor het onderzoek van de
geloofsbrieven |
2-5, 23/8 |
| Conferentie van de voorzitters van de zeven
parlementaire assemblees |
95bis |
| Cumulatiebeperking |
95bis |
| Debat |
zie « Moties (tot
besluit van een debat) » |
| Diensten van de Senaat |
89, 92/4, 93 |
| Directeur-generaal van de quaestuur |
92/5 |
| Directeur-generaal van de wetgevingsdiensten |
92/5 |
| Discretieplicht |
zie
« Vertrouwelijkheid » |
| Dotatie van de Senaat |
95 |
| Eedaflegging |
7 |
| Europese aangelegenheden (Federaal adviescomité
voor) |
85 |
| Evenredige vertegenwoordiging |
9, 10, 19/2, 21/2, 84,
86bis/1 |
| Evocatie |
63/1, 65/1 |
| Federaal adviescomité voor Europese
aangelegenheden |
85 |
| Fracties |
| Aanhorigheid tot een fractie |
18/1 |
| Fractiemedewerkers in de commissies |
29 |
| Fractievergadering (tijdstip van de) |
18/5 |
| Fractievoorzitters |
8, 18/2 |
| Samenstelling |
18/1-3 |
| Spreektijd |
20/4 |
| Themadebatten |
74/2-3 |
| Vertegenwoordigers in de commissies |
21/2-4, 84 |
| Vertegenwoordiging in het Bureau |
8, 9, 10 |
| Geconstitueerde Senaat |
12 |
| Gecoöpteerde senatoren |
| Aanhorigheid tot een fractie |
18/1 |
| Geloofsbrieven (onderzoek van de) |
5 |
| Geheimhoudingsplicht |
zie
« Vertrouwelijkheid » |
| Geloofsbrieven (onderzoek van de) |
| Beraadslaging en stemmingen |
7 |
| Bezwaarschriften met betrekking tot de
verkiezingen |
3 |
| Bij gedeeltelijke verkiezingen of bij vervanging
van een senator |
6 |
| Commissie voor het onderzoek van de
geloofsbrieven |
2, 23/8 |
| Gecoöpteerde senatoren |
5 |
| Geldigverklaring van de verkiezingen |
3 |
| Gemeenschapssenatoren |
4 |
| Rechtstreeks verkozen senatoren |
3 |
| Gemeenschapssenatoren |
| Aanhorigheid tot een fractie |
18/1 |
| Duitstalige gemeenschapssenator |
17, 18/1 |
| Geloofsbrieven (onderzoek van de) |
4 |
| Gesloten deuren |
| Begeleidingscommissie Vast Comité I |
23/8, 86bis |
| Commissies |
23/8, 77/3 |
| Plenaire vergadering |
36, 48, 77/5, 92/1 |
| Werkgroepen en subcommissies |
26 |
| Griffier |
| Benoeming |
91 |
| Bevoegdheden |
36, lid 2, 92 |
| Handelingen |
35/2, 37, 51 |
| Handtekening |
zie
« Ondertekening » |
| Hoogdringendheid |
| Behandeling wetsontwerp |
55, lid 2 |
| Evocatieprocedure |
65/1-2 |
| Openbaarheid subcommissies |
26, lid 4 |
| Samenwerking met de gemeenschappen en de
gewesten |
57/1, 57/3 |
| Verslagen |
27/2, 27/4, lid 3 |
| Vragen om uitleg |
72/3, lid 1 |
| Herziening van de Grondwet |
30 |
| Hof van Cassatie (voordracht van kandidaten) |
83/2 |
| Hoorzitting |
22/2, 28/2 |
| Initiatiefrecht |
| Commissies |
22/3 |
| Leden |
56, 59 |
| Inoverwegingneming |
22/3, 30/1, 56/2-3 |
| Integraal verslag |
| Commissies |
23/7 |
| Plenaire vergadering |
37 |
| Intrekking en overneming |
| Van een amendement |
59/2 |
| Van een voorstel |
58/3 |
| Meerderheid |
| Berekeningswijze |
| Onthoudingen |
44/4 |
| Verenigde commissies |
25/2 |
| Quorum |
zie
« Aanwezigheidsquorum » |
| Vereiste meerderheid |
| Algemeen |
47 |
| Belangenconflicten |
78/2 |
| Benoemingen en voordrachten |
82 |
| Beroep bij het Arbitragehof |
68/1-2 |
| Sanctie bij overtreding van het
geheim van het parlementair onderzoek |
77/3 en 5 |
| Verkiezing van de voorzitter |
9, lid 2 |
| Ministers en staatssecretarissen |
zie ook
« Regering » |
| Buitenlandse Aangelegenheden |
22/5 |
| Spreekrecht |
38/5, 39/3 |
| Toegang tot de vergaderzaal |
89 |
| Vragen en vragen om uitleg |
70, 71, 72 |
| Mondelinge vragen |
69, 71, 72/2 |
| Moties |
| Tot besluit van een debat |
41, 42/3, 46/2, 73/3 |
| Tot besluit van een parlementair onderzoek |
76/4 |
| Tot besluit van een themadebat : |
| Motie van aanbeveling |
74/5-6 |
| Tot besluit van een vraag om
uitleg : |
| Gewone motie |
73 |
| Met redenen omklede motie |
73 |
| Onderlinge voorrang tussen
moties |
73/2 |
| Notulen |
| Bureau |
92/1 |
| Commissies |
23/7, 77/3 |
| Plenaire vergadering |
36, 92/1 |
| Ondertekening |
18/2, 23/7, 36, lid 2, 48, lid 2,
56/1, 59/1, 63/1, 66/2, 68/2, 70/1, 77/3 |
| Ondervoorzitters |
| Aantal en benoeming |
8, 9 |
| Adviescomité voor gelijke kansen voor
vrouwen en mannen |
86/2 |
| Ambtsduur |
16/1 |
| Bevoegdheden |
14 |
| Commissieondervoorzitter |
23/1 |
| Onderzoekscommissie |
76, 77 |
| Onderzoek van de geloofsbrieven |
zie « Ge-
loofsbrie- ven » |
| Onthoudingen |
44/3-4 |
| Ontvankelijkheid |
| Amendementen |
59/1, 60 |
| Moties en resoluties |
62, 73/1 |
| Voorranghebbende vragen |
40/3 |
| Voorstellen |
22/3, 56/2, 62, 76/1, 96 |
| Vragen en vragen om uitleg |
69, 70/2, 71/2, 72/2 |
| Ontwerp van wet |
zie « Procedure
inzake ontwerpen en voorstellen » |
| Openbare vergadering |
| Commissies |
23/8, 27/2 |
| Plenaire vergadering |
48 |
| Subcommissies |
26, lid 4 |
| Opening van de vergadering |
32, 33 |
| Opheffing onschendbaarheid |
23/8 |
| Orde en tucht |
| Bevoegdheid van de voorzitter |
13 |
| Openbare commissievergaderingen |
23/8 |
| Orde en tucht in de Senaat |
49-54, 88 |
| Orde en tucht in de tribunes |
90 |
| Toegang tot de vergaderzaal |
89 |
| Oudste lid in jaren |
1, 16/2 |
| Overneming |
zie « Intrekking
en overneming » |
| Parlementaire Overlegcommissie (4) |
| Afvaardiging van de Senaat |
19 |
| Evocatie- en onderzoekstermijnen |
65 |
| Raadpleging van de Raad van State |
66/3 |
| Parlementair onderzoek |
76, 77 |
| Personeel |
zie « Diensten van de
Senaat » |
| Persoonlijk feit |
40 |
| Plaatsvervanging |
19/2, 21/2-3, 23/4, 85,
86/3, 86bis/3 |
| Plenaire vergadering |
| Aanwezigheid in de vergadering |
35 |
| Aanwezigheidsquorum |
44/4, 46 |
| Agenda |
32 |
| Handelingen |
37, 51 |
| Mededelingen |
33 |
| Notulen en verslag van de debatten |
36, 37 |
| Opening en sluiting van de bespreking |
34, 40 |
| Opening en sluiting van de vergadering |
32, 33, 53/3 |
| Regeling van de werkzaamheden |
20/5, 40 |
| Schorsing van de vergadering |
46/3, 53/3, 54 |
| Spreektijd |
20/4-5, 39, 66/2, 71/4-5,
72/5, 74/4, 77/5 |
| Sprekerslijst |
34, 38/1 |
| Sprekerstucht |
49, 50, 51 |
| Storing van de orde |
53 |
| Tijdstip van de vergadering |
32 |
| Uitsluiting |
53 |
| Vergadering met gesloten deuren |
36, lid 3, 48, 77/5, 92/1 |
| Voorranghebbende vragen |
40 |
| Woord voeren (het) |
38, 39 |
| Procedure inzake ontwerpen en voorstellen |
| Amendement (en subamendement) |
45/3, 59, 60, 61 |
| Beslissing in te stemmen met het ontwerp |
64/2-3 |
| Beslissing om niet te amenderen |
63/2-3 |
| Bespreking |
20/4, 34, 38, 39, 58, 66/4-5,
67 |
| Evocatie van een wetsontwerp |
63/1, 65/1 |
| Inoverwegingneming |
| Voorstel tot herziening van de
Grondwet |
30/1 |
| Voorstel van wet of van
resolutie |
22/3, 56/2-3 |
| Intrekking en overneming |
| Van een amendement |
59/2 |
| Van een voorstel |
58/3 |
| Overzending van een optioneel bicameraal
wetsontwerp door de Kamer |
63/1 |
| Schorsing van de bespreking |
40/2, 59/4, 66/5, 67,
79/1 |
| Tekst verworpen in de commissie |
58/2 |
| Termijnen |
| Evocatietermijnen |
63/1, 65/1 |
| Onderzoekstermijn |
63/2, 64/2, 65/2-3 |
| Uitstel van de eindstemming
(termijn van 5 dagen) |
61 |
| Terugzending naar de commissie |
40/1-2, 59/4, 60/1 |
| Terugzending van een optioneel bicameraal
wetsontwerp door de Kamer |
64/1 |
| Tweede lezing |
60 |
| Voorstel van resolutie |
22/3, 62 |
| Wetsontwerp |
55 |
| Wetsvoorstel |
| Indiening |
22/3, 56/1 |
| Inoverwegingneming |
22/3, 56/2-3 |
| Ontvankelijkheid |
22/3, 56/2 |
| Publiek |
23/8, 90 |
| Quaestoren |
| Aantal en benoeming |
8, 9 |
| Ambtsduur |
16/1 |
| Bevoegdheden |
11, 15, 18/4, 92/4, 93/3,
95bis/2 |
| Quorum |
zie
« Aanwezigheidsquorum » |
| Raad van State (raadpleging van de) |
66 |
| Rapporteur |
zie
« Verslagen » |
| Regeling van de werkzaamheden |
| Commissies |
23/2, 23/8 |
| Vaststelling en goedkeuring |
20 |
| Wijziging |
40 |
| Regering |
zie ook
« Ministers en staatssecretarissen » |
| Aanwezigheid in het Bureau (regeling van de
werkzaamheden) |
20/2 |
| Gemeenschaps- of gewestregering (samenwerking
met) |
57 |
| Verzoek om commissievergadering met gesloten
deuren |
23/8 |
| Inlichtingen aan commissies |
22/4 |
| Vragen aan |
70, 71, 72 |
| Reglement van de Senaat |
| Beroep op het reglement |
40, 49/1 |
| Herziening |
96 |
| Inwerkingtreding |
98 |
| Opheffing van het reglement van 19 oktober
1831 |
97 |
| Resolutie |
22/3, 62, 68/2, 78/1-3 |
| Samenwerking met de gemeenschappen en de gewesten |
57 |
| Schorsing |
| Belangenconflict |
81 |
| Bespreking |
40/2, 59/4, 66/2, 66/5, 67, 79/1 |
| Plenaire vergadering |
zie « Plenaire
Vergadering » |
| Schriftelijke vragen |
69, 70 |
| Secretaris-generaal |
zie
« Griffier » |
| Sluiting van de vergadering |
32, 53/3 |
| Spoedeisendheid |
zie
« Hoogdringendheid » |
| Spreektijd |
20/4-5, 39, 41, lid 2
66/2, 71/4-5, 72/5, 74/4, 77/5 |
| Spreektucht |
zie « Orde en
tucht » |
| Staatssecretarissen |
zie « Ministers en
staatssecretarissen » |
| Staking van stemmen |
zie
« Stemming » |
| Stemming |
| Algemene instemming |
42/1 |
| Amendementen en subamendementen |
42/3, 45/3, 46/2, 59/3, 63/3,
64/3 |
| Bij naamafroeping (hoofdelijke stemming) |
42/3, 43/2, 44, 46/2-3 |
| Bij zitten en opstaan |
40/2, 42/2-3, 43 |
| Geheime |
42/3-4, 77/5, 82 |
| Mechanische of elektronisch uitgebrachte |
44/2 |
| Onthouding |
44/3-4 |
| Over benoemingen en voordrachten |
42/4, 82 |
| Quorum |
zie
« Aanwezigheidsquorum » |
| Splitsing |
45/1 |
| Staking van stemmen |
47/2, 82, lid 3 |
| Stemming op een lijst |
8, 86bis/1 |
| Stemverklaring |
41 |
| Tekst verworpen in commissie |
58/2 |
| Tijdstip |
20/4 |
| Uitstel van de eindstemming (5 dagen) |
61 |
| Volgorde van de stemmingen |
45, 63/3, 64/3 |
| Stemverklaring |
41 |
| Subamendement |
45/3, 59 |
| Subcommissie |
26 |
| Taalgroepen |
17, 66/2 |
| Tekst verworpen in commissie |
58/2 |
| Termijnen (wetgevingsprocedure) |
zie « Procedure
inzake ontwerpen en voorstellen » |
| Terugzending naar de commissie |
40/1-2 |
| Themadebatten |
74 |
| Tribune |
23/8, 90 |
| Tucht |
zie « Orde en
tucht » |
| Tweede lezing |
60 |
| Uitsluiting |
53, 77, 86bis/5 |
| Verdaging |
40/1-2 |
| Verdragen |
22/5 |
| Verenigde commissies |
25 |
| Vergadering |
zie « Plenaire
vergadering » |
| Verslagen |
| Aanvullend verslag |
60/1, lid 2, 67, lid 2 |
| Goedkeuring |
27/3 |
| Inhoud |
27/2 |
| Rapporteur |
27/1, 38/5-6 |
| Ronddeling |
27/4 |
| Stemming over conclusies |
42/3, 46/2, 58/2, lid 3 |
| Subcommissies en werkgroepen |
26 |
| Termijn voor het indienen van de verslagen |
20/3 |
| Toelichting in de plenaire vergadering |
38/6, 60/1 |
| Vertrouwen aan de rapporteur |
27/3 |
| Weglating van woorden |
51, lid 2 |
| Vertaling |
27/4, 37/1, 55, lid 1, 56/1-2,
74/3, 76/1, 96, lid 1 |
| Vertrouwelijkheid |
23/8, 69/2, 77, 86bis/5 |
| Verwerping in commissie |
58/2 |
| Verzoekschriften |
| Mededeling in de plenaire vergadering |
33 |
| Onderzoek |
75 |
| Voorafgaande vraag |
40/1-2 |
| Voordrachten |
zie « Benoemingen en
voordrachten » |
| Voorlopig bureau |
1 |
| Voorranghebbende vragen |
40 |
| Voorzitter |
| Adviescomité voor gelijke kansen voor
vrouwen en mannen |
86/2 |
| Algemene bevoegdheden |
13 |
| Ambtsduur |
16/1 |
| Commissie belast met de begeleiding van het vast
comité I |
86bis/1 |
| Commissievoorzitter |
20/2, 23/1-2 |
| Verkiezing van de voorzitter |
8, 9, 16/1 |
| Voorlopige voorzitter |
1 |
| Waarneming voorzitterschap door oudste in
jaren |
16/2 |
| Vragen |
| Mondelinge vragen |
71, 72/2 |
| Ontvankelijkheid |
69, 70/2, 71/2, 72/2 |
| Schriftelijke vragen |
70, 72/2 |
| Vragen om uitleg |
72 |
| Weglating van woorden |
51 |
| Werkgroep |
26 |
| Werkzaamheden (regeling van de) |
20, 23/2, 23/8, 32 |
| Wetsontwerp |
zie « Procedure
inzake ontwerpen en voorstellen » |
| Wetsvoorstel |
| Indiening |
22/3, 56/1 |
| Inoverwegingneming |
22/3, 56/2-3 |
| Ontvankelijkheid |
22/3, 56/2-3 |
| Zaktelefoons (verbod) |
52 |
| Zendingen in het buitenland |
87 |
(1) De tekst van het reglement van de
Senaat kan ook worden geraadpleegd op de website van de Belgische Senaat
(bijgewerkte versie).
Adres : http ://www.senate.be
(2) Bepaling zonder voorwerp sinds de
Gronddwet van 20 november 1998 (B.S., 24 november 1998).
(3) Het reglement van 7 april is in
werking getreden op 8 juni 1995.
(4) Zie ook, als bijlage, de wet van 6
april 1995 (blz. 65) en het reglement van orde van de parlementaire
overlegcommissie (blz. 74).
(5) Belgisch Staatsblad van
29 april 1995.
(6) Tekst aangenomen door de parlementaire
overlegcommissie op 11 september 1995 (Stukken Senaat, nrs. 1-82/1 en
2).
Texte français
 |
|
| Page last updated on
20/07/2006 |
|