Présidence de Mme Anne-Marie Lizin
(La séance est ouverte à 15 h 05.)
|
Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin
(De vergadering wordt geopend om 15.05 uur.)
|
Prise en considération de propositions
|
Inoverwegingneming van voorstellen
|
Mme la présidente. - La liste des propositions à prendre en considération a été distribuée.
Je prie les membres qui auraient des observations à formuler de me les faire connaître avant la fin de la séance.
Sauf suggestion divergente, je considérerai ces propositions comme prises en considération et renvoyées à la commission indiquée par le Bureau. (Assentiment)
|
De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.
Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.
Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)
|
(La liste des propositions prises en considération figure en annexe.)
|
(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)
|
Éloge funèbre de M. Michel Toussaint, ministre d'État.
|
In memoriam de heer Michel Toussaint, minister van Staat
|
Mme la présidente. - Notre ancien collègue et ministre d'État, M. Michel Toussaint, est décédé à Namur le 23 mars 2007.
Il naquit à Namur le 26 novembre 1922.
Il obtint en 1947 le titre de docteur en droit à l'Université de Liège. Il interrompit ses études de droit en 1944 pour s'engager dans la résistance et participer à la libération du pays. Il prit part également à la campagne de la brigade Piron aux Pays-Bas et en Allemagne.
Après ses études, Michel Toussaint assuma d'abord d'importantes fonctions dans le secteur privé. Il s'inscrivit ensuite, en 1954, au barreau de Namur et il entreprit de développer son cabinet d'avocats.
La longue carrière politique du ministre d'État Michel Toussaint s'est développée au niveau tant local que régional, national et européen.
Il fut élu président de la Fédération de Namur du Parti libéral en 1957, et devint conseiller communal dans sa ville natale en 1958. Il allait assumer ce mandat durant de nombreuses années ; il y exerça aussi pendant plusieurs années les fonctions de premier échevin.
Le 14 février 1963, il entra à la Haute Assemblée en tant que sénateur provincial de Namur, succédant à son oncle Jean Materne. Le 23 mai 1965, il fut élu pour la première fois sénateur direct pour l'arrondissement électoral de Namur-Dinant-Philippeville. Il atteignit à cette occasion un score qu'aucun libéral namurois n'avait jamais réalisé avant lui. Il fut réélu à six reprises, récoltant chaque fois un nombre très élevé de voix de préférence.
Il fut membre d'un gouvernement à quatre reprises.
En 1966, il entra dans le gouvernement Van den Boeynants-De Clercq comme ministre-secrétaire d'État à l'Éducation nationale, ayant compétence pour l'enseignement francophone. À ce poste, il réalisa une série de réformes de programmes, tant dans l'enseignement moyen que dans l'enseignement universitaire. Il réoccupa ce poste de 1973 à 1974 dans le gouvernement Leburton-Tindemans-De Clercq, mais cette fois, en tant que ministre à part entière. Dans le gouvernement Tindemans I, il se vit confier le portefeuille du Commerce extérieur. Il se fit remarquer dans la gestion de celui-ci par ses tentatives de rapprochement avec les pays du bloc de l'Est et son soutien à la candidature de l'Espagne à l'adhésion à la CEE. Après un remaniement de ce gouvernement, il devint ministre des Réformes institutionnelles de 1976 à 1977 et fut responsable, en cette qualité, de l'exécution d'un des principaux points du programme gouvernemental conclu, à savoir la régionalisation.
Revenu au Sénat, le ministre d'État Toussaint se consacra principalement aux relations extérieures et à la réforme de l'État.
Après la réforme de l'État d'août 1980, d'importants mandats lui furent également confiés dans les institutions régionales et communautaires. Il devint secrétaire du Conseil régional wallon en 1980, et en fut élu vice-président un an après. Deux ans plus tard, il fut élu président du Conseil de la Communauté française ; il le restera jusqu'à 1984.
Il manifesta également son intérêt pour les problèmes communautaires au sein de la commission pour l'amélioration des relations entre les communautés linguistiques de Belgique, qui fut créée sous le gouvernement Van den Boeynants par M. Vanderpoorten, le ministre de l'Intérieur, et qui fut chargée de trouver une solution aux problèmes communautaires. Il avait d'ailleurs plaidé, dès son entrée au Sénat, pour la conclusion d'un « pacte national »visant à une approche globale des problèmes communautaires, que souhaitait également notamment M. Omer Vanaudenhove qui était le président du Parti libéral à l'époque.
En 1983, Michel Toussaint fut nommé ministre d'État en reconnaissance de ses grands services rendus au pays.
En 1984, Michel Toussaint démissionna de ses fonctions au Sénat pour exercer un mandat au Parlement européen, en européen convaincu qu'il était. Il y siégera jusqu'à 1989.
Sous des dehors sévères, cet homme d'action cachait une nature très sensible. Il était très soucieux de justice, avare de louanges et extrêmement discret lorsqu'il s'agissait de critiquer son prochain.
Le Sénat salue la mémoire de ce grand homme. Votre présidente a présenté ses condoléances à la famille du défunt au nom de notre Assemblée.
Je salue tout particulièrement le fils de M. Toussaint, qui est avec nous aujourd'hui.
|
De voorzitter. - In Namen overleed op 23 maart 2007 onze gewezen collega en minister van Staat Michel Toussaint.
Hij werd geboren in Namen op 26 november 1922.
Hij promoveerde in 1947 tot doctor in de rechten aan de universiteit van Luik. Zijn rechtstudies had hij trouwens in 1944 onderbroken om in het verzet te gaan en zich in te zetten voor de bevrijding van het land. Hij nam ook deel aan de campagne van de brigade Piron in Nederland en Duitsland.
Na zijn studies nam Michel Toussaint eerst belangrijke functies op in de privésector. In 1954 schreef hij zich in aan de Balie van Namen en begon hij aan de uitbouw van zijn advocatenkantoor.
De lange politieke loopbaan van minister van Staat Michel Toussaint speelde zich zowel op het lokale als op het gewestelijke, het nationale en het Europese niveau af.
In 1957 werd hij voorzitter van de Federatie Namen van de `Parti Libéral' en, in 1958, raadslid in zijn geboortestad. Hij zou dit mandaat gedurende vele jaren blijven vervullen. Hij was ook gedurende een paar jaar eerste schepen.
Op 14 februari 1963 werd hij lid van deze Hoge Vergadering als provinciaal senator voor Namen in opvolging van zijn oom Jean Materne. Op 23 mei 1965 werd hij voor het eerst tot rechtstreeks senator verkozen voor het kiesarrondissement Namen-Dinant-Philippeville en dit met een score die hem nooit door een Naamse liberaal was voorgedaan. Hij werd nog zesmaal herkozen, steeds met een zeer hoog aantal voorkeurstemmen.
Hij werd ook niet minder dan vier maal lid van de regering.
In 1966 werd hij in de regering Van den Boeynants-De Clercq minister-staatssecretaris van Nationale Opvoeding, bevoegd voor het Franstalig onderwijs. Op die post voerde hij een aantal programmahervormingen door, zowel in het middelbaar als in het universitair onderwijs. Hij bekleedde dezelfde post opnieuw van 1973 tot 1974, nu als minister, in de regering Leburton-Tindemans-De Clercq. In de regering Tindemans I had hij van 1974 tot 1976 de portefeuille van Buitenlandse Handel. In die functie liet hij zich opmerken door zijn toenaderingspogingen tot de Oostbloklanden en zijn steun aan de kandidatuur van Spanje om tot de EEG toe te treden. Na een herschikking van deze regering was hij van 1976 tot 1977 minister van Institutionele Hervormingen, en als dusdanig verantwoordelijk voor de uitvoering van één van de belangrijkste punten van het regeerprogramma van die regering, namelijk de gewestvorming.
In zijn verdere loopbaan als senator was minister van Staat Toussaint vooral bedrijvig op het vlak van de buitenlandse betrekkingen en de staatshervorming.
Na de staatshervorming van augustus 1980 werden hem ook belangrijke mandaten toevertrouwd in de gewest- en gemeenschapsinstellingen. In 1980 werd hij secretaris en een jaar later ondervoorzitter van de Conseil régional wallon. Twee jaar later werd hij verkozen tot voorzitter van de Conseil de la Communauté française. Hij bleef het tot in 1984.
Zijn belangstelling voor de communautaire problemen blijkt ook uit zijn lidmaatschap van de Commissie voor de verbetering van de betrekkingen tussen de Belgische taalgemeenschappen, die onder de regering Van den Boeynants door minister van Binnenlandse Zaken Vanderpoorten werd opgericht om een oplossing te zoeken voor de communautaire problemen. Hij had trouwens reeds eerder, bij het begin van zijn mandaat als senator, gepleit voor het afsluiten van een `Nationaal Pact', dat zou voorzien in een totale aanpak van de communautaire problemen, idee die onder meer ook werd gedeeld door de toenmalige partijvoorzitter Omer Vanaudenhove.
Michel Toussaint werd in 1983 minister van Staat benoemd uit erkentelijkheid voor zijn grote verdiensten voor het land.
In 1984 nam Michel Toussaint ontslag uit de Senaat om, als overtuigd Europeaan, een mandaat van Europees Parlementslid op te nemen. Hij zetelde tot 1989 in het Europees Parlement.
Onder een streng uiterlijk verborg deze man van de daad een zeer gevoelige natuur. Hij had een sterk uitgesproken gevoel voor rechtvaardigheid, kreeg moeilijk woorden van lof over de lippen maar was nog veel discreter wanneer het erop aan kwam kritiek te uiten aan het adres van zijn medemens.
De Senaat gedenkt met eerbied de nagedachtenis van deze grote man. Uw voorzitter heeft namens onze Assemblee haar deelneming betuigd aan de familie van de overledene.
Ik begroet de zoon van de heer Toussaint die hier aanwezig is.
|
Mme Laurette Onkelinx, vice-première ministre et ministre de la Justice. - Madame la présidente, vous avez parfaitement décrit le parcours de cet homme d'exception. Le gouvernement s'associe à vos propos et présente ses sincères condoléances à la famille du défunt.
|
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. - De voorzitter heeft de levensweg van deze uitzonderlijke man perfect beschreven. De regering sluit zich daarbij aan en betuigt de familie van de overledene haar deelneming.
|
(L'assemblée observe une minute de silence.)
|
(De vergadering neemt een minuut stilte in acht.)
|
Questions orales
|
Mondelinge vragen
|
Question orale de Mme Clotilde Nyssens à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «le transfert du règlement collectif de dettes aux juridictions du travail» (nº 3-1504)
|
Mondelinge vraag van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de overheveling van de dossiers collectieve schuldenregeling naar de arbeidsgerechten» (nr. 3-1504)
|
Mme Clotilde Nyssens (CDH). - Permettez-moi de revenir sur une question que je vous ai posée récemment et dont la réponse m'a semblé insuffisante.
Les inquiétudes demeurent bien réelles sur le terrain, dans la perspective de l'application de la nouvelle loi. Il n'existe aucune garantie quant à la bonne gestion de ce contentieux à partir du 1er septembre 2007.
L'extension des cadres des greffes existe effectivement sur papier, mais dans certaines juridictions, comme celle de Nivelles, il n'y aurait pas de candidatures ; la place ne sera certainement pas pourvue avant de nombreux mois...
En outre, l'enquête sur les besoins en espace et bâtiments semble avoir consisté en l'envoi d'une lettre demandant de faire connaître les besoins de la juridiction, alors qu'il subsiste une série d'inconnues, y compris concernant la localisation du traitement du contentieux : au siège du tribunal, comme demandé, ou « par sections », ce qui est souvent matériellement impossible, compte tenu de l'infrastructure dont disposent certaines juridictions.
Il serait également inexact de dire que la non-mise à disposition du programme informatique avant plusieurs mois ne posera pas de problème, dans la mesure où « seules les affaires nouvelles « seront de la compétence des tribunaux du travail au 1er septembre 2007. C'est en effet perdre de vue que le travail des greffes, déjà considérablement alourdi par l'introduction de la requête contradictoire, le sera encore davantage du fait du double encodage qu'il devra effectuer, et ce à la veille des élections sociales et du transfert de l'ensemble du contentieux « arriéré » du tribunal de première instance en règlement collectif de dettes.
Envisagez-vous toujours l'entrée en vigueur de cette nouvelle législation au 1er septembre prochain ? Pourriez-vous donner une réponse moins alarmante aux tribunaux du travail concernant l'absorption de ce nouveau contentieux ? Comment pouvez-vous garantir ce transfert du tribunal de première instance au tribunal du travail et donner les moyens aux juridictions du travail de fonctionner correctement ?
|
Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik wil terugkomen op een vraag die ik onlangs heb gesteld en waarop ik geen afdoend antwoord heb gekregen.
Er is heel wat ongerustheid over de toepassing van de nieuwe wet. Er bestaat geen enkele garantie voor het goede beheer van deze dossiers vanaf 1 september 2007.
De uitbreiding van de personeelsformatie van de griffies bestaat wel op papier, maar in sommige rechtsgebieden, bijvoorbeeld in Nijvel, zijn er geen kandidaturen; de plaats zal over vele maanden nog niet ingevuld zijn ...
Bovendien lijkt het onderzoek naar de behoefte aan plaats en gebouwen bij de rechtsgebieden alleen nog maar te bestaan uit een brief. Er zijn echter nog heel wat onduidelijkheden, onder meer over de plaats waar de dossiers zullen worden behandeld: in de zetel van de rechtbank, zoals gevraagd, of `per afdeling'. Dat is, rekening houdend met de infrastructuur van sommige rechtsgebieden, vaak materieel onmogelijk.
Er kan ook niet worden ontkend dat het pas na vele maanden ter beschikking stellen van het informaticaprogramma problemen oplevert aangezien `alleen de nieuwe zaken' vanaf 1 september 2007 onder de bevoegdheid van de arbeidsrechtbanken vallen. Daarbij houdt men geen rekening met het feit dat het werk van de griffies, dat al is toegenomen ingevolge de inleiding bij verzoekschrift op tegenspraak, door de dubbele codering nog zal verzwaren, en dat net voor de sociale verkiezingen en de overheveling van alle achterstallige dossiers collectieve schuldenregeling van de rechtbank van eerste aanleg.
Wil de minister deze nieuwe wet nog altijd in werking laten treden op 1 september 2007? Kan ze in verband met de overname van deze nieuwe dossiers een antwoord geven dat minder verontrustend is voor de arbeidsrechtbanken? Hoe kan ze de overheveling van de rechtbank van eerste aanleg naar de arbeidsrechtbank waarborgen? Zal ze de arbeidsrechtbanken de middelen geven om behoorlijk te kunnen functioneren?
|
Mme Laurette Onkelinx, vice-première ministre et ministre de la Justice. - En ce qui concerne le manque de candidats, je vous confirme que sur les neuf places vacantes de greffiers adjoints publiées en janvier, seule celle relative au greffe du tribunal du travail de Nivelles n'a pas suscité de candidature à ce jour. Il est cependant possible de combler le poste en déléguant un employé de greffe aux fonctions de greffier adjoint et de recruter en remplacement, sur une base contractuelle, un employé de greffe. Il n'y a donc pas de crainte particulière à avoir à cet égard.
Quant à l'enquête sur les besoins en espace et bâtiments, celle-ci est effectivement en cours. Les premières réponses sont actuellement analysées par mon administration, de manière à pouvoir rencontrer les demandes qui y sont formulées.
Quant à la question des sections, j'ai également reçu certaines demandes particulières qui sont aussi examinées par le SPF Justice.
En ce qui concerne l'informatique, je répète une nouvelle fois que les premières juridictions seront informatisées dès le mois de mai. Les suivantes le seront selon un programme de déploiement progressif qui s'achèvera en décembre. Seules certaines juridictions seront donc informatisées postérieurement au 1er septembre, avec un retard de deux ou trois mois. J'ajoute à cet égard que l'application informatique pourra être utilisée non seulement pour le contentieux du règlement collectif de dettes, mais également pour toutes les autres affaires, ce qui entraînera une diminution générale de la charge administrative des greffes.
Enfin, il n'apparaît pas concevable de laisser définitivement de la compétence du tribunal de première instance les affaires qui y sont actuellement pendantes. Ces dossiers se caractérisent en effet par une très longue « durée de vie ».
Outre qu'une telle solution maintiendrait ainsi deux juridictions compétentes pour un même contentieux pendant de très nombreuses années, elle serait également contraire à un des objectifs de la réforme qui consiste précisément à décharger les tribunaux de première instance de ce contentieux, dans le but de lutter contre l'arriéré judiciaire.
|
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. - Wat het gebrek aan kandidaten betreft, kan ik u het volgende meedelen. Van de negen vacante betrekkingen van adjunct-griffier die in januari zijn bekendgemaakt, werd enkel voor die van de griffie van de arbeidsrechtbank te Nijvel geen kandidatuur ingediend. De functie van adjunct-griffier kan evenwel worden uitgeoefend door een ambtenaar van de griffie. De griffie kan dan op contractuele basis een bediende aanwerven. Op dit punt is er dus geen bijzonder probleem.
Het onderzoek naar ruimte en gebouwen is nog aan de gang. De eerste antwoorden worden momenteel door mijn administratie geanalyseerd, zodat we aan de verzoeken kunnen tegemoetkomen.
De specifieke vragen over de afdelingen worden eveneens door de FOD Justitie onderzocht.
Wat het informaticaprobleem betreft, herhaal ik dat de eerste rechtbanken vanaf de maand mei zullen worden geïnformatiseerd. De installatie in de andere rechtbanken zal progressief gebeuren. Tegen december moet alles operationeel zijn. Na 1 september zullen nog slechts bepaalde rechtbanken, met een vertraging van twee of drie maanden, geïnformatiseerd worden. Het informaticasysteem kan dus niet alleen worden gebruikt voor de dossiers van de collectieve schuldregeling, maar ook voor alle andere zaken. Dat zal de algemene administratieve last van de griffies verlichten.
Het lijkt ondenkbaar de hangende zaken definitief onder de rechtsbevoegdheid van de rechtbanken van eerste aanleg te laten. Deze dossiers worden inderdaad gekenmerkt door hun `lange levensduur'.
Op die manier zouden twee rechtbanken gedurende vele jaren bevoegd zijn voor eenzelfde geschil. Bovendien zou die oplossing indruisen tegen één van de doelstellingen van de hervorming, meer bepaald de werklast van de rechtbanken van eerste aanleg verminderen om de gerechtelijke achterstand weg te werken.
|
Mme Clotilde Nyssens (CDH). - Nous verrons au mois de septembre comment se passeront les choses. Les juridictions vous auront prévenue, madame la ministre.
|
Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - We zullen afwachten hoe de zaken in september verlopen. De rechtbanken hebben u in elk geval gewaarschuwd, mevrouw de minister.
|
Mme Laurette Onkelinx, vice-première ministre et ministre de la Justice. - Certains se plaignent pour un rien et ont peur du travail !
|
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. - Er zijn altijd mensen die om een niemendal klagen en bang zijn om te werken!
|
Question orale de M. Yves Buysse à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «la mise en service de la section de haute sécurité à la prison de Bruges» (nº 3-1505)
|
Mondelinge vraag van de heer Yves Buysse aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de ingebruikname van de afdeling met verscherpt toezicht van de Brugse gevangenis» (nr. 3-1505)
|
M. Yves Buysse (VL. BELANG). - Le centre pénitentiaire de Bruges a jadis été doté d'une section destinée aux détenus soumis à une surveillance renforcée.
Ce « quartier de haute sécurité » de dix cellules n'a pratiquement pas été utilisé jusqu'à présent. J'ai appris qu'on envisagerait de mettre cette section réellement en service à l'automne 2007.
Si mes informations sont exactes, quelle sorte de détenus y seront-ils placés ? Quand cette section sera-t-elle mise en service ? Dispose-t-on de personnel spécialement formé et en nombre suffisant pour cette section ? D'autres travaux de sécurisation sont-ils encore prévus ?
Si mes informations sont inexactes, quels sont les projets concernant cette section ?
|
De heer Yves Buysse (VL. BELANG). - In het penitentiair centrum van Brugge werd destijds een afdeling gebouwd voor gevangenen die onder verscherpt toezicht staan. Door de cipiers wordt dit het `kwartier Hoge Veiligheid' genoemd.
Deze afdeling met tien cellen werd tot nu toe nagenoeg niet gebruikt; alleen de heer Dutroux zou er hebben verbleven. Tijdens een recent bezoek aan de gevangenis vernam ik dat er plannen zijn om de afdeling in het najaar van 2007 effectief in gebruik te nemen.
Indien dat klopt, dan heb ik de volgende vragen. Welke soort gedetineerden zullen in deze afdeling worden ondergebracht? Wanneer zal ze in gebruik worden genomen? Zijn er voldoende en speciaal hiervoor opgeleide personeelsleden beschikbaar? Zijn er, gezien de recente gebeurtenissen in de gevangenis van Lantin, nog extra beveiligingswerken gepland?
Mocht mijn informatie niet kloppen, dan had ik graag geweten wat dan wel de plannen zijn met de afdeling in kwestie.
|
Mme Laurette Onkelinx, vice-première ministre et ministre de la Justice. - Effectivement, deux quartiers de haute sécurité vont être créés à Bruges et Lantin. Cette décision découle notamment du constat d'une gestion difficile de quelques détenus présentant un comportement dangereux pour les autres (agression violente du personnel ou de codétenus). Je ne dois pas vous rappeler les dernières péripéties à la prison d'Arlon et les problèmes posés par un détenu en particulier.
Un régime spécifique sera appliqué dans ces deux sections. L'objectif est une stabilisation du comportement de ces détenus. Le séjour dans la section durerait six mois maximum et le régime évoluera progressivement d'un régime particulièrement strict à un régime normal.
La décision de placer des détenus dans ces quartiers spéciaux sera prise par le directeur général des établissements pénitentiaires. L'objectif serait d'ouvrir ces quartiers avant la fin de l'année.
L'administration a procédé à une analyse des besoins en personnel pour ces deux sections. Une augmentation de cadre s'imposera.
|
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. - In de gevangenissen van Brugge en Lantin zullen inderdaad afdelingen met verscherpt toezicht worden opgericht. Dat werd onder meer beslist nadat was vastgesteld dat sommige gedetineerden een gevaar vormen voor anderen, wegens geweldpleging tegenover het personeel of medegevangenen, en moeilijk in toom te houden zijn. Ik verwijs onder meer naar de recente gebeurtenissen in de gevangenis van Aarlen, meer bepaald naar de problemen met een van de gevangen.
In beide afdelingen zal een specifiek regime gelden. Het is de bedoeling het gedrag van de betrokken gedetineerden te stabiliseren. Het verblijf in de afdeling zal maximum zes maanden duren. In die periode zal het regime geleidelijk overgaan van een bijzonder strikt regime naar een normaal regime.
De beslissing om gevangenen in die speciale afdelingen te plaatsen zal door de directeur-generaal van de Strafinrichtingen worden genomen. De afdelingen zouden vóór het einde van het jaar in gebruik worden genomen.
De administratie heeft een analyse gemaakt van de personeelsbehoeften voor beide afdelingen. De personeelsformatie zal moeten worden uitgebreid.
|
Nous allons maintenant lancer un projet et, avant de m'exprimer sur celui-ci, j'attends une dernière réunion avec les organisations syndicales. Celle-ci aura lieu le 23 avril prochain.
|
We gaan het plan nu lanceren. Ik wacht op de laatste vergadering met de syndicale organisaties op 23 april aanstaande, alvorens een uitspraak te doen.
|
Un appel aux membres du personnel sera lancé dans les prochains mois. Il y aura une sélection et une formation spécifique.
Un plan de sécurisation de ces deux sections a également fait l'objet d'une analyse, Un filet couvre déjà le préau de ce quartier à Lantin et un tel filet sera aussi placé à Bruges.
|
In de loop van de komende maanden zal een oproep tot de personeelsleden worden gericht. Er zal een selectie worden gehouden en er zal een specifieke opleiding worden georganiseerd.
Ook werd een analyse gemaakt van het veiligheidsplan voor beide afdelingen. Er hangt reeds een net boven de binnenplaats van de afdeling in de gevangenis van Lantin. Ook in Brugge zal een net worden gespannen.
|
Question orale de M. Pierre Galand au ministre des Affaires étrangères sur «la tenue de Conférences interministérielles de politique étrangère (CIPE)» (nº 3-1498)
|
Mondelinge vraag van de heer Pierre Galand aan de minister van Buitenlandse Zaken over «het houden van Interministeriële Conferenties voor buitenlands beleid» (nr. 3-1498)
|
M. Pierre Galand (PS). - L'article 3 de la loi du 25 mai 1999 relative à la Coopération internationale belge prévoit que la coopération fédérale favorise la synergie avec tous les niveaux de pouvoir afin d'en obtenir des effets amplificateurs favorables à terme aux populations bénéficiaires de l'assistance.
La coopération internationale étant une compétence partagée avec les entités fédérées, pouvez-vous me dire quels mécanismes vous utilisez pour la préparation et le suivi des positions belges concernant la coopération internationale au développement ?
Participez-vous aux Conférences interministérielles de politique étrangère ? Dans l'affirmative, à combien de CIPE avez-vous participé durant la présente législature ?
À titre d'exemple, les entités fédérées francophones ont signé un accord avec la République démocratique du Congo en décembre 2002 et préparent actuellement leur seconde commission mixte avec la RDC. Comment se font les concertations indispensables en Belgique ?
|
De heer Pierre Galand (PS). - Artikel 3 van de wet van 25 mei 1999 betreffende de Belgische internationale samenwerking bepaalt dat de federale samenwerking de synergie tussen alle niveau's bevordert met de bedoeling er uitbreidende effecten van te verkrijgen, die op termijn voordelig zijn voor de bevolkingsgroepen die de bijstand genieten.
De internationale samenwerking is een gedeelde bevoegdheid. Kan de minister meedelen wat de mechanismen zijn voor de voorbereiding en de opvolging van de Belgische standpunten inzake internationale ontwikkelingssamenwerking?
Neemt de minister deel aan de Interministeriële Conferenties Buitenlands Beleid,? Zo ja, aan hoeveel ICBB's heeft hij tijdens de huidige regeerperiode deelgenomen?
De Franstalige deelgebieden hebben in december 2002 al een samenwerkingsakkoord gesloten met de Democratische Republiek Congo en bereiden momenteel hun tweede gemengde commissie voor. Hoe verloopt het overleg in België?
|
M. Karel De Gucht, ministre des Affaires étrangères. - Je préside les Conférences interministérielles de la politique étrangère. Depuis mon accession à la fonction de ministre des Affaires étrangères, j'ai convoqué quatre réunions de la CIPE : le 15 mars 2005, le 13 décembre 2005, le 17 mai 2006 et le 12 décembre 2006.
Le ministre de la Coopération au développement est membre de la CIPE et a participé à chacune des quatre réunions.
Aux réunions des 15 mars et 13 décembre 2005, le point 10 de l'ordre du jour était consacré à la défédéralisation de certaines parties de la coopération au développement. Je vous transmets le compte rendu de ces deux CIPE. Vous trouverez aussi dans ces documents la composition de la CIPE et la liste de ses représentants.
Dans le respect des prérogatives des uns et des autres, des contacts ont lieu entre entités fédérales et fédérées, tant à Bruxelles que dans les pays partenaires, là où les entités fédérées sont présentes.
Pour ce qui concerne plus particulièrement la République démocratique du Congo, des contacts réguliers sont organisés au niveau ministériel et notre Bureau de coordination à Kinshasa travaille en bonne intelligence avec la Délégation Wallonie-Bruxelles qui y est localisée.
|
De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Ik ben voorzitter van de Interministeriële Conferenties voor Buitenlands Beleid. Sedert mijn aantreden als minister van Buitenlandse Zaken heb ik vier vergaderingen van de ICBB belegd: op 15 maart 2005, 13 december 2005, 17 mei 2006 en op 12 december 2006.
De minister van Ontwikkelingssamenwerking is lid van de ICBB en nam deel aan alle vier de vergaderingen.
Op de vergaderingen van 15 maart en 13 december 2005, was punt 10 van de agenda gewijd aan de defederalisering van bepaalde delen van ontwikkelingssamenwerking. Ik zal u het verslag van deze twee ICBB-vergaderingen bezorgen. Daarin staat ook de samenstelling en de ledenlijst van de ICBB.
De contacten tussen de federale overheid en de deelgebieden verlopen op basis van respect voor de voorrechten van elk bevoegdheidsniveau. Dit gebeurt zowel in Brussel als in de partnerlanden waar de deelgebieden aanwezig zijn.
Wat de Democratische Republiek Congo betreft, zijn er regelmatig contacten op ministerieel niveau. Ons Coördinatiebureau te Kinshasa werkt in goede verstandhouding met de Waals-Brusselse delegatie ter plaatse.
|
Question orale de M. Lionel Vandenberghe au ministre des Affaires étrangères sur «le procès Rwanda» (nº 3-1503)
|
Mondelinge vraag van de heer Lionel Vandenberghe aan de minister van Buitenlandse Zaken over «het Rwandaproces» (nr. 3-1503)
|
M. Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - Peut-être est-ce la dernière question orale que je puis poser au ministre en tant que sénateur.
Je me réjouis que le ministre partage mes préoccupations pour la situation en Palestine, au Kosovo et au Congo, ainsi que pour la situation des Kurdes en Turquie. J'espère que la Belgique pourra contribuer, par sa présence au Conseil de sécurité ces deux prochaines années, au rétablissement de la paix dans ces régions et partout où planent des menaces de guerre.
Au début de cette législature j'ai visité Kigali et la caserne où les paras belges ont été assassinés m'a fort impressionné, d'où mon souci constant de tirer au clair la tragédie du Rwanda.
Le procès sur le génocide débute aujourd'hui devant la Cour d'assises de Bruxelles. Le principal inculpé de l'assassinat des dix paras belges le 7 avril 1994 est un ancien major rwandais.
Le principal témoin oculaire est le colonel rwandais Laurent Nubaha. Depuis treize ans, il vit dans la clandestinité au Congo et a été amené à Kinshasa voici quelques jours par un avocat belge. Il dirigeait le camp de Kigali où les Belges ont été assassinés. Selon certains témoins, il aurait fait ce qu'il pouvait pour sauver les militaires belges.
Laurent Nubaha figure sur la liste des témoins à entendre lors du procès d'assises mais n'a jusqu'à présent pas encore obtenu les documents nécessaires pour se rendre en Belgique. Le journal de la VRT du 16 avril expliquait que selon les Affaires étrangères, M. Nubaha n'a pas de passeport et qu'il n'y a pas péril en la demeure.
L'avocat de la défense craint pour la vie du colonel et refuse donc de le laisser à Kinshasa.
Pourquoi Laurent Nubaha n'obtient-il pas les documents qui lui permettraient d'être présent au procès dès le début ? Étant donné son rôle important, n'est-il pas souhaitable qu'il assiste à l'ensemble du procès ?
Comment le ministre évalue-t-il la sécurité du colonel Nubaha ? Bénéficie-t-il d'une protection des autorités belges à Kinshasa ?
|
De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - Allicht is dit de laatste mondelinge vraag die ik de minister als senator kan stellen.
Het verheugt me dat de minister en ik dezelfde bekommernis delen over de situatie in Palestina, Kosovo en Congo, en over de situatie van de Koerden in Turkije. Alleszins hoop ik dat België, eventueel onder zijn bevoegdheid, de volgende twee jaar in de Veiligheidsraad kan meewerken aan het herstel van de vrede in deze gebieden en overal waar oorlog dreigt.
Bij de aanvang van deze legislatuur heb ik een bezoek gebracht aan Kigali. De kazerne waar de Belgische para's werden vermoord maakte een diepe indruk. Vandaar ook mijn blijvende zorg om in het reine te komen met het verleden in verband met de tragedie in Rwanda.
Vandaag gaat het Rwandaproces voor het Brusselse Hof van Assisen van start. De hoofdverdachte van de moord op de tien Belgische para's op 7 april 1994 is een voormalige Rwandese majoor.
De belangrijkste ooggetuige in deze zaak is de Rwandese kolonel Laurent Nubaha. Hij leeft al dertien jaar ondergedoken in Congo en is enkele dagen geleden naar Kinshasa gebracht door een Belgische advocaat. Destijds was kolonel Nubaha bevelhebber in het Kamp Kigali waar de Belgen vermoord zijn. Volgens getuigen heeft hij gedaan wat hij kon om de Belgen te redden.
De man staat op de lijst van getuigen voor het assisenproces, maar krijgt vooralsnog niet de nodige documenten om naar België te komen. Als verklaring hiervoor hoorde ik in het VRT-nieuws van maandag 16 april dat hij volgens Buitenlandse Zaken geen paspoort heeft en dat er geen haast bij is.
De advocaat van de verdediging vreest voor het leven van de kolonel en weigert hem dan ook in Kinshasa alleen achter te laten.
Waarom krijgt Laurent Nubaha niet de nodige documenten om bij de start van het assisenproces aanwezig te zijn? Is het niet raadzaam dat hij wegens zijn belangrijke rol het proces in zijn geheel bijwoont?
Hoe schat de minister de veiligheidssituatie van kolonel Nubaha in? Krijgt hij in Kinshasa bescherming van de Belgische overheid?
|
M. Karel De Gucht, ministre des Affaires étrangères. - La semaine passée j'ai, au nom de notre pays, déposé une couronne au camp de Kigali, devant le monument à la mémoire des dix paras bestialement assassinés. C'est en effet très impressionnant.
Laurent Nubaha ne dispose ni de documents prouvant son identité, ni d'un passeport. Dans ces conditions, notre ambassade ne peut lui délivrer d'office un visa. Elle doit demander l'accord de l'Office des étrangers pour lui délivrer tant un sauf-conduit qu'un visa.
Il faut à cet égard aussi tenir compte du risque d'immigration puisque Laurent Nubaha séjourne clandestinement au Congo et ne pourra donc y retourner. Faute de statut de séjour et de passeport, il ne pourra non plus se rendre dans un autre pays.
En outre, son témoignage n'était prévu que pour le 30 mai et n'y avait donc aucune urgence. Son audition n'a été avancée qu'hier.
Lorsque M. Nubaha s'est présenté au consulat avec son avocat, celui-ci a déclaré qu'il craignait pour la vie de M. Nubaha et qu'il était indispensable que M. Nubaha l'accompagne en Belgique le lendemain. Nos services consulaires ont vérifié la liste des passagers des vols Kinshasa-Bruxelles et n'y ont trouvé ni le nom de M. Nubaha, ni celui de l'avocat De Temmerman. Vous conviendrez qu'un tel mensonge ne fait pas bonne impression.
Je ne puis que prendre acte du fait que les autorités judiciaires belges ont, au départ, appelé M. Nubaha à témoigner au procès Ntuyahaga le 30 mai. Je ne peux me prononcer sur l'opportunité de sa présence à l'ensemble du procès. Nous constatons également que M. Nubaha vit depuis longtemps déjà au Congo et nous n'avons aucune raison de croire que sa vie est menacée.
Si M. Nubaha estime avoir besoin d'une protection, il ne peut s'adresser qu'aux autorités congolaises et non aux autorités belges. Il n'a pas la nationalité belge et notre ambassade ne peut dès lors intervenir. Elle n'a d'ailleurs aucun pouvoir de police.
|
De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Vorige week heb ik in Rwanda namens ons land een krans neergelegd in kamp Kigali bij het monument ter nagedachtenis van de tien para's, die er in beestachtige omstandigheden werden vermoord. Ik ga akkoord met de heer Vandenberghe dat dit een zeer diepe indruk nalaat.
Laurent Nubaha beschikt niet over documenten waarmee hij zijn identiteit kan aantonen, noch over een paspoort. In die omstandigheden kan onze ambassade niet ambtshalve een visum afgeven, maar moet zij het akkoord van de Dienst Vreemdelingenzaken vragen om zowel een vrijgeleide als een visum uit te reiken.
Daarbij moet ook rekening worden gehouden met het migratierisico, aangezien de heer Nubaha clandestien in Congo verblijft en er dus niet zal kunnen terugkeren. Aangezien hij niet beschikt over een verblijfsstatuut of een paspoort kan hij na afloop van zijn getuigenis al evenmin naar een ander land vertrekken.
Bovendien was de getuigenis van de heer Nubaha pas voor 30 mei gepland, zodat de zaak niet spoedeisend was. Pas gisteren werd deze datum vervroegd.
Toen de heer Nubaha zich samen met zijn advocaat op het consulaat aanmeldde, voerde de advocaat aan dat hij de man de volgende dag naar België moest kunnen meenemen. Hij kon niet alleen achterblijven en er werd voor zijn leven gevreesd. Onze consulaire diensten hebben de passagierslijsten van de vluchten Kinshasa-Brussel gecheckt en noch advocaat De Temmerman, noch de heer Nubaha waren daarop terug te vinden. U begrijpt dat een dergelijke leugen, al dan niet om bestwil, niet meteen een goede indruk maakt.
Ik kan slechts akte nemen van het feit dat de Belgische gerechtelijke autoriteiten de heer Nubaha aanvankelijk hebben opgeroepen om op 30 mei als getuige te verschijnen op het proces Ntuyahaga. Ik ben niet bevoegd om me uit te spreken over de opportuniteit van zijn aanwezigheid gedurende het hele proces. We stellen ook vast dat de heer Nubaha al geruime tijd in Congo leeft en we hebben geen reden om aan te nemen dat zijn leven daar nu in gevaar zou zijn.
Indien de heer Nubaha toch van mening is dat hij bescherming nodig heeft, kan hij zich hiervoor alleen richten tot de Congolese autoriteiten en niet tot de Belgische. De heer Nubaha heeft niet de Belgische nationaliteit en onze ambassade in Kinshasa kan dus niet ingrijpen of consulaire bijstand bieden. Uiteraard heeft onze ambassade in Congo geen politiële bevoegdheid.
|
M. Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - Il importe que M. Nubaha vienne témoigner au procès. Sait-on à quelle date il sera entendu ?
|
De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - Ik weet dat dit een zeer moeilijke situatie is, maar het is belangrijk dat de man op het proces komt getuigen. Zijn getuigenis is vervroegd, maar weet men wanneer hij wordt gehoord?
|
M. Karel De Gucht, ministre des Affaires étrangères. - L'Office des étrangers doit remettre un avis à nos services consulaires. Vous aurez compris de ma réponse que si M. Nubaha vient en Belgique, il y restera ?
|
De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - De Dienst Vreemdelingenzaken moet advies geven en onze consulaire diensten zullen dat advies dan uitvoeren. Uit mijn antwoord hebt u toch wel begrepen dat indien hij komt, hij zal blijven?
|
M. Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - Tel peut aussi être le cas pour d'autres témoins. Eux aussi peuvent demander l'asile politique.
|
De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - Dat kan ook met de andere getuigen gebeuren. Zij kunnen ook asiel aanvragen.
|
M. Karel De Gucht, ministre des Affaires étrangères. - Bien sûr mais M. Nubaha n'a, lui, pas la possibilité de retourner.
|
De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Ja, maar hij kán niet terug.
|
Projet de loi portant assentiment au Protocole, ouvert à la signature à Berlin du 1er juin 2006 au 1er novembre 2006, sur la modification de l'Accord instituant une Commission internationale pour le Service international de Recherches, conclu à Bonn le 6 juin 1955 (Doc. 3-2376)
|
Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol, opengesteld voor ondertekening te Berlijn van 1 juni 2006 tot 1 november 2006, tot wijziging van de Overeenkomst inzake de oprichting van een Internationale Commissie voor de Internationale Opsporingsdienst, gesloten te Bonn op 6 juni 1955 (Stuk 3-2376)
|
Discussion générale
|
Algemene bespreking
|
Mme la présidente. - La parole est à M. Galand pour un rapport oral.
|
De voorzitter. - Het woord is aan de heer Galand voor een mondeling verslag.
|
M. Pierre Galand (PS), rapporteur. - La commission a traité du présent projet de loi lors de sa réunion de ce 17 avril 2007.
Les archives du Service international de recherches ont été constituées dans les années 50, à l'initiative des Alliés à Bad Arolsen en Allemagne. Elles contiennent une vaste documentation sur la déportation des populations durant la Seconde Guerre mondiale.
Le fonds compte actuellement 40 millions de pièces qui touchent environ 17 millions de personnes et concernent des victimes juives du régime nazi, des travailleurs forcés, des résistants, des Tziganes et d'autres groupes de la population. Les archives ont été instaurées pour commémorer les victimes et pour s'assurer que les futures générations n'oublient pas les horreurs de la guerre.
Le présent protocole tend à amender l'accord instituant une commission internationale pour le Service international de recherches de 1955 et a été signé par notre pays le 30 octobre 2006.
Les archives, qui étaient auparavant uniquement utilisées comme source d'information pour les victimes, seront désormais ouvertes aux recherches scientifiques. Les consultations peuvent avoir lieu soit à Bad Arolsen, soit aux archives nationales des États membres. Pour la Belgique, le coût de la prise de copie s'élèverait à quelque 90.000 euros. À ces frais s'ajouteraient ceux relatifs au personnel et à l'entretien.
Nous avons eu un débat fructueux sur ce projet et, au terme de celui-ci, les articles 1er et 2 ainsi que l'ensemble du projet de loi ont été adoptés à l'unanimité des dix membres présents.
|
De heer Pierre Galand (PS), rapporteur. - De commissie behandelde het voorliggende wetsontwerp op 17 april 2007.
De archieven van de internationale opsporingsdienst werden in de loop van de jaren vijftig bijeengebracht, op initiatief van de geallieerden te Bad Arolsen, Duitsland. Ze bevatten een schat aan documentatie over de deportatie van miljoenen mensen tijdens de Tweede Wereldoorlog.
De bestanden omvatten momenteel meer dan 40 miljoen stukken met betrekking tot ongeveer 17 miljoen personen, slachtoffers van het nazi-regime, weerstanders, verplicht tewerkgestelden, zigeuners en andere bevolkingsgroepen. De archieven werden samengesteld ter herdenking van de slachtoffers en om ervoor te zorgen dat de toekomstige generaties zich de gruwel van de oorlog zouden herinneren.
Dit protocol tot wijziging van de overeenkomst inzake de oprichting van een internationale commissie voor de internationale opsporingsdienst van 1955 werd door ons land op 30 oktober 2006 ondertekend.
De archieven, die voorheen enkel werden gebruikt als informatiebron voor de slachtoffers, zullen voortaan toegankelijk zijn voor wetenschappelijk onderzoek. Ze kunnen in Bad Arolsen of in de nationale archieven van de lidstaten worden geraadpleegd. De kostprijs voor een kopie bedraagt voor België 90.000 euro. Daarnaast zijn er nog de kosten voor personeel en onderhoud.
We hebben een vruchtbare discussie gevoerd over dit ontwerp. De artikelen 1 en 2 en het geheel van het wetsontwerp werden aangenomen met eenparigheid van de tien aanwezige leden.
|
- La discussion générale est close.
|
- De algemene bespreking is gesloten.
|
Discussion des articles
|
Artikelsgewijze bespreking
|
(Le texte adopté par la commission des Relations extérieures et de la Défense est identique au texte du projet de loi. Voir document 3-2376/1.)
|
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-2376/1.)
|
- Les articles 1er et 2 sont adoptés sans observation.
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble du projet de loi.
|
- De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.
- Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
|
Projet de loi portant assentiment à l'Accord de coopération du 2 mars 2007 entre l'État fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale concernant l'exécution de la Convention sur l'interdiction de la mise au point, de la fabrication, du stockage et de l'emploi des armes chimiques et sur leur destruction, faite à Paris le 13 janvier 1993 (Doc. 3-2386)
|
Wetsontwerp houdende instemming met het Samenwerkingsakkoord van 2 maart 2007 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering van de Overeenkomst tot verbod van de ontwikkeling, de productie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens, gedaan te Parijs de 13de januari 1993 (Stuk 3-2386)
|
Discussion générale
|
Algemene bespreking
|
Mme la présidente. - La parole est à Mme Hermans pour un rapport oral.
|
De voorzitter. - Het woord is aan mevrouw Hermans voor een mondeling verslag.
|
Mme Margriet Hermans (VLD), rapporteuse. - Ce projet de loi porte sur l'approbation de l'Accord de coopération du 2 mars 2007 concernant l'exécution de la Convention sur l'interdiction de la mise au point, la fabrication, le stockage et l'emploi des armes chimiques et sur leur destruction, conclue à Paris le 13 janvier 1993. Les matières traitées dans cette convention ont ce qu'on appelle un « caractère mixte », ce qui oblige l'autorité fédérale et les Régions à se mettre d'accord sur la désignation des instances responsables de sa mise en oeuvre. Cet accord de coopération doit être soumis à l'assentiment des législateurs fédéral et régionaux. L'objectif est de permettre l'application du système de vérification, caractéristique de la convention. L'industrie chimique est principalement concernée.
La définition des armes chimiques n'est pas basée sur des listes ou des formules mais revêt un caractère fort général. Tout produit toxique est une arme chimique, à moins qu'il ne soit destiné à des fins autorisées et pour autant que les types et les quantités soient compatibles avec ces fins. Un orateur cite l'exemple de la strychnine, qui est certes un produit toxique mais peut toutefois être utilisé pour éliminer les taupes. On peut posséder une petite quantité de strychnine à cet effet, mais pas 100 kg.
Des tableaux de produits chimiques ont été établis en vue d'appliquer le système de vérification. Il y a en fait trois tableaux :
- le tableau 1 comprend les produits qu'on ne trouve normalement que dans un arsenal d'armes chimiques, ainsi que les précurseurs qui font partie des composants de base des armes chimiques ou qui ont normalement pour seule fin de servir à la fabrication d'armes chimiques ;
- le tableau 2 comprend quelques produits toxiques, quelques-uns de leurs précurseurs ainsi que certains précurseurs de produits figurant au tableau 1. Tous ces produits ont ou avaient des applications industrielles, dans une mesure plutôt limitée ;
- le tableau 3 comprend d'anciennes armes chimiques appartenant à la génération des armes employées pendant la Première guerre mondiale ainsi que certains précurseurs de produits figurant aux tableaux 1 et 2 et qui sont utilisés à grande échelle dans l'industrie. En 2006, l'industrie belge a ainsi produit 340.000 tonnes de phosgène, un gaz toxique qui fut toutefois immédiatement utilisé pour fabriquer du verre synthétique.
Pour les vérifications dans l'industrie chimique, la convention prévoit différents types d'installations. Les produits de la liste 1 proviennent, en Belgique, d'un laboratoire militaire. Viennent ensuite les installations qui produisent, traitent ou consomment au-delà d'un certain seuil des produits du tableau 2 et celles qui produisent au-delà d'un certain seuil des produits du tableau 3. La Belgique ne compte pas d'installations du tableau 2 et comprend quatre installations du tableau 3.
Citons enfin une quatrième catégorie, à savoir les installations qui produisent au-delà d'un certain seuil certaines substances organiques. La Belgique compte encore 42 installations de ce type. Une vérification de routine est prévue pour toutes ces installations, basée sur des déclarations annuelles et sur des inspections internationales sur place.
Outre les définitions et les compétences, la convention prévoit aussi les modalités d'inspection et certaines dispositions pénales, ainsi que la base de la coopération avec les Régions.
Enfin, le représentant du ministre fait remarquer que l'entrée en vigueur de la convention date de 1997. Le retard dans le dépôt de ce projet de loi est principalement dû à un conflit de compétences entre-temps résolu. Toutefois, la récente réforme institutionnelle a entraîné un important transfert des compétences économiques vers les Régions, ce qui a généré un retard supplémentaire. Au moment du vote, une des remarques principales a porté sur l'adoption tardive du projet. Pour le reste, je me réfère au rapport écrit.
Les articles 1 et 2 de l'ensemble du projet de loi ont été votés à l'unanimité des dix membres présents.
|
Mevrouw Margriet Hermans (VLD), rapporteur. - Dit wetsontwerp betreft de goedkeuring van het Samenwerkingsakkoord van 2 maart 2007 houdende uitvoering van de Overeenkomst tot het verbod van de ontwikkeling, de productie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens, gedaan te Parijs op 13 januari 1993.
De in de Overeenkomst behandelde materies hebben een zogenaamd `gemengd karakter'. Wegens dit gemengde karakter dienen zowel de federale overheid als de gewesten akkoord te gaan met de aanwijzing van de instanties die zullen instaan voor de uitvoering van de Overeenkomst.
Aan het Samenwerkingsakkoord dient kracht van wet te worden verleend door een parlementaire goedkeuring op federaal en gewestelijk beleidsniveau.
Hierdoor moet het mogelijk worden gemaakt om de toepassing van het verificatiesysteem, kenmerkend voor deze overeenkomst, te bewerkstelligen. Hoofdzakelijk de chemische industrie is hierbij betrokken.
De algemene definitie van chemische wapens doet geen beroep op lijsten of formules, maar is in feite zeer algemeen en allesomvattend. Elke toxische stof is een chemisch wapen, behalve indien de stof wordt gebruikt voor toegelaten doeleinden en voor zover het type en de hoeveelheden in overeenstemming zijn met deze doeleinden.
Spreker citeert het voorbeeld van strychnine. Het staat buiten kijf dat strychnine een toxische stof is, maar deze stof kan ook worden gebruikt voor de verdelging van mollen in een gazon. Het bezit van een kleine hoeveelheid strychnine voor deze toepassing is toegelaten, maar dat geldt - in de context van de overeenkomst - niet voor 100 kg strychnine.
Voor de toepassing van het verificatiesysteem werd gewerkt met lijsten van chemische stoffen. Er zijn in feite drie lijsten:
- lijst 1 bevat de stoffen die in de regel enkel voorhanden zijn in een arsenaal van chemische wapens, alsook de voorlopers, ook die welke behoren tot hoofdbestanddelen van chemische wapens of die welke normaliter geen ander doel hebben dan de aanmaak van chemische wapens;
- lijst 2 bevat enkele giftige stoffen, enkele van hun voorlopers en ook bepaalde voorlopers van stoffen van lijst 1. Al deze stoffen hebben of hadden industriële toepassingen, zij het in eerder beperkte mate;
- lijst 3 bestaat uit `oude' chemische strijdmiddelen, onder meer behorende tot de generatie die in de Eerste Wereldoorlog werd gebruikt en sommige voorlopers van stoffen op de lijsten 1 en 2, maar die wel een grootschalige industriële toepassing kennen. Zo werd in 2006 in België door de industrie 340.000 ton fosgeen, een giftig gas, geproduceerd, maar dit werd onmiddellijk verbruikt om er kunststofglas van te maken.
Voor de verificatie van de chemische industrie voorziet de overeenkomst in verschillende types inrichtingen. Voor de stoffen van lijst 1 is dat in België een militair laboratorium. Daarnaast zijn er inrichtingen die boven een welbepaalde drempel, stoffen van lijst 2 produceren, verwerken of verbruiken en diegene die boven een welbepaalde drempel stoffen van lijst 3 produceren. Er zijn geen inrichtingen van lijst 2 in België en van lijst 3 zijn er een viertal inrichtingen.
Ten slotte is er nog een vierde categorie, zijnde de inrichtingen die zekere organische stoffen produceren boven een bepaalde drempel. In België zijn er nog ongeveer 42 dergelijke inrichtingen. Voor al deze inrichtingen is in routinematige verificatie voorzien, gebaseerd op jaarlijkse kennisgevingen en internationale inspecties ter plaatse.
Naast de definities en bevoegdheden voorziet de Overeenkomst verder in de inspectiemodaliteiten en een aantal strafbepalingen, alsook de basis voor samenwerking met de gewesten.
Tenslotte stipt de vertegenwoordiger van de minister aan dat de overeenkomst reeds in 1997, drie maanden na de 65ste ratificatie ervan, in werking is getreden. De laattijdigheid waarmee dit wetsontwerp werd ingediend, is voornamelijk te wijten aan een bevoegdheidsconflict dat inmiddels werd opgelost. Evenwel, als gevolg van de recente hervorming der instellingen werden de bevoegdheden inzake economie grotendeels overgeheveld naar de gewesten, waardoor opnieuw enige vertraging tot stand kwam. Een van de hoofdopmerkingen bij de stemming was het lang uitblijven van de stemming van het ontwerp. Voor de rest verwijs ik naar het schriftelijke verslag van de algemene bespreking.
De artikelen 1 en 2 en het wetsontwerp in zijn geheel werden eenparig aangenomen door de tien aanwezige leden.
|
- La discussion générale est close.
|
- De algemene bespreking is gesloten.
|
Discussion des articles
|
Artikelsgewijze bespreking
|
(Le texte adopté par la commission des Relations extérieures et de la Défense est identique au texte du projet de loi. Voir document 3-2386/1.)
|
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-2386/1.)
|
- Les articles 1er et 2 sont adoptés sans observation.
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble du projet de loi.
|
- De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.
- Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
|
Questions orales
|
Mondelinge vragen
|
Question orale de M. Josy Dubié au vice-premier ministre et ministre des Finances sur «l'attitude de la Belgique dans l'affaire Wolfowitz» (nº 3-1499)
|
Mondelinge vraag van de heer Josy Dubié aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over «de houding van België in de Wolfowitzzaak» (nr. 3-1499)
|
Mme la présidente. - M. Hervé Jamar, secrétaire d'État à la Modernisation des finances et à la Lutte contre la fraude fiscale, adjoint au ministre des Finances, répondra.
|
De voorzitter. - De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën, antwoordt.
|
M. Josy Dubié (ECOLO). - Paul Wolfowitz, ancien vice-secrétaire d'État américain à la défense, néoconservateur et faucon notoire, l'un des principaux artisans de la désastreuse guerre en Irak, a été imposé il y a deux ans par le président Georges W. Bush à la tête de la Banque mondiale, institution dont l'un des buts principaux est le développement économique du tiers-monde.
Son programme visait à lutter contre la corruption et pour la « bonne gouvernance » dans les pays pauvres, « bonne gouvernance » assimilée à une libéralisation tous azimuts et, entre autres choses, au démantèlement des services publics.
Cet apôtre de la « bonne gouvernance » et de la lutte contre la corruption vient d'être pris la main dans le sac et obligé de reconnaître qu'il a fait nommer autoritairement sa compagne au département d'État avec un salaire supérieur à celui de la secrétaire d'État elle-même, Mme Condoleezza Rice !
Le personnel de la Banque mondiale a manifesté pour exiger la démission de Paul Wolfowitz qui a perdu toute crédibilité. M. Wolfowitz refuse de démissionner et le président des États-Unis a réaffirmé son soutien à son ancien bras droit.
Les Européens, dont la Belgique, détiennent 32%, du capital de la Banque mondiale, alors que les États-Unis n'en détiennent que 16%.
Le ministre a participé ce week-end, à Washington, avec M. Armand De Decker, à l'assemblée semestrielle de la Banque mondiale.
Comment jugez-vous les faits reprochés à M. Wolfowitz et, étant donné ses aveux, avez-vous exigé sa démission ?
Si je pose cette question, ce n'est pas, comme l'a fait la presse américaine, pour critiquer le fait qu'il a une maîtresse mais simplement parce qu'il a utilisé sa position pour faire en sorte que sa compagne reçoive des sommes considérables. Il s'agit donc d'un problème de corruption et pas d'un problème d'éthique personnelle par rapport à sa situation matrimoniale.
|
De heer Josy Dubié (ECOLO). - Voormalig Amerikaans viceminister van Defensie, neoconservatief en notoire havik Paul Wolfowitz, één van de voornaamste gangmakers van de rampzalige oorlog in Irak, werd twee jaar geleden door president George W. Bush opgedrongen als voorzitter van de Wereldbank, een instelling die voornamelijk de economische ontwikkeling van de derde wereld tot doel heeft.
Zijn programma bestond erin corruptie te bestrijden en `goed bestuur' na te streven in de arme landen, waarbij `goed bestuur' werd gelijkgesteld met verregaande liberalisering en afbouw van overheidsdiensten.
Deze apostel van het goede bestuur en van de bestrijding van corruptie werd nu op heterdaad betrapt en verplicht toe te geven dat hij op autoritaire wijze zijn vriendin aan een baan heeft geholpen bij het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken, met een salaris dat hoger is dan dat van minister Rice!
Het personeel van de Wereldbank heeft het ontslag geëist van Paul Wolfowitz, die elke geloofwaardigheid heeft verloren. Wolfowitz weigert evenwel ontslag te nemen en de Amerikaanse president heeft zijn steun aan zijn voormalige rechterarm bevestigd.
Europa, waar België deel van uitmaakt, is goed voor 32% van het kapitaal van de Wereldbank, terwijl de VS slechts 16% in handen heeft.
De minister nam vorig weekend samen met minister De Decker deel aan de semestriële assemblee van de Wereldbank.
Hoe beoordeelt u de feiten die de heer Wolfowitz worden aangewreven en hebt u, aangezien hij die heeft toegeven, zijn ontslag geëist?
Ik stel deze vraag niet om, in navolging van de Amerikaanse pers kritiek te uiten op het feit dat hij een vriendin heeft, maar wel omdat hij misbruik maakte van zijn positie om haar aanzienlijke bedragen toe te schuiven. Het betreft dus een probleem van corruptie en niet van persoonlijke huwelijksethiek.
|
M. Hervé Jamar, secrétaire d'État à la Modernisation des finances et à la Lutte contre la fraude fiscale, adjoint au ministre des Finances. -
Lors des Assemblées de printemps du Fonds monétaire international et de la Banque mondiale, qui se sont tenues à Washington les 14 et 15 avril dernier, le vice-premier ministre et ministre des Finances Didier Reynders - qui présente ses excuses pour son absence d'aujourd'hui - a fait part de sa préoccupation quant à l'impact que la controverse autour de Paul Wolfowitz pourrait avoir sur la gouvernance et la crédibilité de l'institution ainsi que sur les négociations relatives à la 15e reconstitution des ressources de l'Association internationale de développement.
En prélude aux réunions de printemps, le ministre a soulevé cette question lors de la traditionnelle réunion de la constituante belge, ainsi qu'avec ses collègues suisse, néerlandais et suédois lors de la réunion du G4. Il s'est également entretenu avec le personnel belge de l'institution.
En marge des réunions de printemps, le ministre Reynders s'est également entretenu avec ses principaux collègues européens - britannique, français, espagnol, italien - et avec la Présidence allemande de l'Union européenne. Ces contacts ont débouché sur une coordination intraeuropéenne, en préparation de la Réunion du Comité de développement du dimanche 15 avril.
Cette coordination a conclu que les gouverneurs européens de la Banque mondiale se sont déclarés extrêmement préoccupés par l'impact que cette affaire pourrait avoir sur la crédibilité de l'institution ainsi que sur les négociations relatives à la 15e reconstitution des ressources de l'Association internationale de développement qui sont actuellement en cours.
Ils ont apporté leur soutien aux initiatives entreprises par le conseil d'administration de la Banque mondiale afin de faire toute la lumière sur cette affaire et l'ont encouragé à poursuivre son enquête en vue de trouver une solution qui préserve la crédibilité de l'institution, et ce en toute transparence.
Ils ont salué le souci de transparence du conseil d'administration qui a imposé la publication sur le site web de la Banque de tous les documents relatifs à cette affaire.
Ils ont exigé et obtenu que le communiqué du comité de développement fasse explicitement référence à la nécessité d'améliorer les méthodes de gouvernance de l'institution.
Enfin, le ministre Reynders a rencontré personnellement son homologue américain, le Secrétaire d'État au Trésor Paulson, pour lui demander que les autorités américaines prennent toutes les mesures afin de restaurer au plus vite la crédibilité et la bonne gouvernance de la banque.
|
De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Tijdens de voorjaarsassemblees van het Internationaal Monetair Fonds en van de Wereldbank die op 14 en 15 april in Washington werden gehouden heeft vice-eersteminister en minister van Financiën Reynders, die hier vandaag helaas niet kan zijn, zijn bezorgdheid geuit over de weerslag die de controverse rond Paul Wolfowitz zou kunnen hebben op het bestuur en de geloofwaardigheid van de instelling en op de onderhandelingen over de vijftiende wedersamenstelling van de werkmiddelen van de Internationale Ontwikkelingsassociatie (IOA).
Vóór de voorjaarsvergaderingen besprak de minister deze zaak tijdens de traditionele vergadering van de Constituante waarvan België lid is en met zijn Zwitserse, Nederlandse en Zweedse collega's op de vergadering van de G4. Hij praatte eveneens met het Belgische personeel van de instelling.
In het kader van die vergaderingen onderhield hij zich ook met zijn voornaamste Europese collega's (de Britse, Franse, Spaanse en Italiaanse ministers) en met het Duitse EU-voorzitterschap. Daaruit vloeide een Europese coördinatie voort met het oog op de vergadering van het Ontwikkelingscomité van 15 april.
Als gevolg van die coördinatie hebben de Europese gouverneurs van de Wereldbank hun grote bezorgdheid geuit over de weerslag die deze affaire zou kunnen hebben op de geloofwaardigheid van de instelling en op de lopende onderhandelingen over de vijftiende wedersamenstelling van de werkmiddelen van de Internationale Ontwikkelingsassociatie (IOA).
Ze hebben hun steun betuigd aan de initiatieven die de raad van bestuur van de Wereldbank heeft genomen om volledige duidelijkheid te scheppen in deze zaak en hebben de raad aangemoedigd om het onderzoek voort te zetten teneinde een oplossing te vinden die de geloofwaardigheid van de instelling op transparante wijze veiligstelt.
Ze waren het eens met de beslissing van de raad van bestuur om alle documenten die betrekking hebben op deze zaak op de website van de Bank te plaatsen.
Ze eisten met succes dat het communiqué van het Ontwikkelingscomité uitdrukkelijk zou verwijzen naar de noodzaak om de bestuursregels van de instelling te verbeteren.
Minister Reynders heeft zijn Amerikaanse ambtgenoot Paulson persoonlijk ontmoet en heeft hem gevraagd dat de Amerikaanse autoriteiten alle noodzakelijke maatregelen zouden nemen om de geloofwaardigheid en het goed bestuur bij de Bank zo snel mogelijk te herstellen.
|
M. Josy Dubié (ECOLO). - Ces termes diplomatiques signifient que les Européens, unanimes, demandent la démission de M. Wolfowitz. Je rappelle qu'ils possèdent 32% des parts à la Banque mondiale alors que les Américains n'en détiennent que 16%. Je souhaite que le diktat des Américains n'impose pas que M. Wolfowitz reste à la tête de cette organisation qu'il a contribué à dévaloriser complètement. De plus, ses agissements sont en totale contradiction avec ses promesses puisqu'il avait déclaré vouloir lutter contre la corruption et qu'il est lui-même corrompu.
|
De heer Josy Dubié (ECOLO). - De betekenis van die diplomatische bewoordingen is dat de Europeanen het ontslag van Wolfowitz eisen. Ik herhaal dat ze 32% van de aandelen in de Wereldbank bezitten, terwijl de Amerikanen slechts over 16% beschikken. De Amerikanen mogen niet eisen dat de heer Wolfowitz aanblijft als hoofd van een organisatie waarvan hij het aanzien grondig heeft aangetast. Zijn handelwijze is bovendien totaal in strijd met zijn beloften, aangezien hij verklaard had de corruptie te willen bestrijden, maar zelf corrupt blijkt te zijn.
|
Question orale de Mme Margriet Hermans au vice-premier ministre et ministre de l'Intérieur sur «les mesures contre les vols au bélier dans la Campine» (nº 3-1494)
|
Mondelinge vraag van mevrouw Margriet Hermans aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de maatregelen tegen ramkraken in de Kempen» (nr. 3-1494)
|
Mme Margriet Hermans (VLD). - Le 12 avril 2007, un nouveau vol au bélier a été perpétré dans un magasin de vêtements à Baerle-Duc. C'est le septième du genre en quatre ans dans ce magasin. La semaine dernière, il y en a eu trois dans la région de Turnhout et cette semaine il s'en est produit aussi à Mol et à Arendonk. En se basant sur les plaques minéralogiques et l'accent des malfaiteurs, la police locale estime que ces vols sont le fait de bandes néerlandaises. Ce sont surtout des magasins de vêtements, des joailleries et des parfumeries de la Campine anversoise qui en sont la cible.
L'échange d'information entre les deux côtés de la frontière ne semble pas poser problème. La police néerlandaise est très coopérative. Le caractère exceptionnel du fléau des vols au bélier en Campine appelle des moyens supplémentaires pour arrêter les auteurs. Par analogie avec ce qui fut fait avec succès à Brakel, il semble indiqué de demander un appui complémentaire à la police fédérale, en collaboration avec le Dirco, le service chargé de la coordination dans l'arrondissement judiciaire. En outre on pourrait prendre des mesures supplémentaires en coopération avec les Pays-Bas.
Je souhaite recevoir une réponse aux questions suivantes.
Comment le ministre réagit-il à la série de vols au bélier en Campine ? Les voleurs supposés viennent-ils effectivement des Pays-Bas ?
Le ministre est-il prêt à étudier la possibilité de donner un soutien temporaire de la police fédérale pour arrêter cette vague de casses au bélier, avec ou sans une concertation du Dirco ? Peut-il expliquer en détail en quoi consisterait cet appui et en donner l'éventuelle ampleur ?
Le ministre a-t-il déjà reçu une demande d'appui venant de la police locale ?
Combien y a-t-il eu de vols au bélier en Campine en 2007 et quel est l'évolution par rapport à 2006 ? Quels sont les villes et villages les plus visés ?
Des personnes ont-elles déjà été arrêtées et si oui, combien, et combien de vols leur sont-ils reprochés ?
Quelles autres mesures le ministre propose-t-il pour s'attaquer aux vols au bélier en Campine ?
|
Mevrouw Margriet Hermans (VLD). - Op 12 april 2007 vond er wederom een ramkraak plaats in een kledingzaak in Baarle-Hertog. Dit was de zevende ramkraak in de zaak in vier jaar tijd. Verleden week werden drie ramkraken uitgevoerd in de regio Turnhout en deze week waren er ook in Mol en Arendonk. Op basis van de nummerplaten en het accent van de daders vermoedt de lokale politie dat de ramkraken het werk zijn van Nederlandse bendes. Vooral kledingzaken, parfumeries en juweliers uit de Antwerpse Kempen lijken het doelwit te zijn.
Wat de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling betreft, blijken er geen problemen te zijn. De Nederlandse politie is erg coöperatief. Gezien de uitzonderlijke plaag van ramkraken in de Kempen moeten bijkomende middelen worden ingezet om de daders te vatten. Naar analogie van de succesvolle aanpak in Brakel lijkt het wenselijk om in samenwerking met de Dirco - de dienst die instaat voor de coördinatie in het gerechtelijk arrondissement - tijdelijke bijkomende ondersteuning te vragen aan de federale politie. Mogelijk kunnen er ook bijkomende maatregelen worden genomen in samenwerking met Nederland.
Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen.
Hoe reageert de minister op de vele ramkraken die plaatsvinden in de Kempen? Komen de vermoedelijke daders daadwerkelijk uit Nederland?
Is de minister bereid te onderzoeken of er tijdelijk bijkomende ondersteuning kan komen vanuit de federale politie om de ramkrakenplaag in te dijken, al dan niet in overleg met de Dirco? Kan hij die ondersteuning uitvoerig toelichten en mogelijke aantallen geven?
Heeft de minister van de lokale politie al een vraag tot ondersteuning ontvangen?
Hoeveel ramkraken vonden er plaats in de Kempen sinds 2007 en hoe evolueren de cijfers ten opzichte van 2006? Welke dorpen en steden worden het meest getroffen?
Werden er al personen aangehouden en zo ja, hoeveel en hoeveel ramkraken hebben ze op hun kerfstok?
Welke andere maatregelen stelt de minister voor om de ramkrakenplaag in de Kempen aan te pakken?
|
M. Patrick Dewael, vice-premier ministre et ministre de l'Intérieur. - Dans l'arrondissement de Turnhout, il y a eu en 2002 trente et un vols au bélier, en 2003 dix-sept, en 2004 seize, en 2005 douze et en 2006 treize. Cette année, il s'en est perpétré jusqu'à présent huit.
Plusieurs instructions judiciaires sont ouvertes dans l'arrondissement de Turnhout. Je ne puis en dire plus à leur sujet, sauf que les services de police ont en effet des indices qui tendent à montrer que plusieurs casses au bélier ont peut-être été commis par des malfaiteurs venant des Pays-Bas. Trois malfaiteurs y ont déjà été arrêtés pour avoir commis un casse au bélier à Turnhout.
Les vols au bélier, des phénomènes de criminalité lourde et le plus souvent organisée, sont considérés comme une priorité dans les plans de sécurité des services de la police fédérale et zonale.
C'est à notre structure policière de veiller à ce que pareil phénomène soit traité de manière intégrée, en coopération entre les différents services de la police locale et fédérale.
Il y a une concertation permanente entre le Dirco, le directeur coordinateur administratif de la police fédérale, le Dirjud, le directeur judiciaire de l'arrondissement, la police locale et le parquet. Ce phénomène campinois est à l'agenda de la concertation judiciaire dans l'arrondissement de Turnhout. De nouveaux accords ont été conclus en vue de réaliser plusieurs opérations de police intégrées et durant plusieurs jours. Cela signifie que la police locale bénéficie de l'appui tant des services du Dirco et du Dirjud que de celui des services d'appui spécialisés de la police fédérale, comme la police de la route, la brigade canine, la police des chemins de fer et le service d'appui aérien. En outre les opérations de police intégrées se dérouleront en collaboration avec les services de l'arrondissement de Hasselt.
Il y aura également des opérations de police conjointes avec la police néerlandaise en vertu des accords de coopération transfrontaliers.
La coopération internationale, en particulier avec les Pays-Bas, est évidemment cruciale puisqu'il semble qu'un certain nombre de malfaiteurs viennent des Pays-Bas. De grands progrès ont été réalisés dans la coopération policière entre la Belgique et les Pays-Bas ces dernières années, tant dans l'échange d'information que dans la collaboration stratégique et ponctuelle lors d'enquêtes précises, et pour la coordination opérationnelle sur le terrain.
L'amélioration de la coopération est entre autres à mettre au crédit du Traité Benelux sur la police de 2004, mais elle est due également au fait que les policiers et les magistrats sont de plus en plus convaincus de la nécessité de la coopération sur le terrain. La coopération internationale doit rester une priorité.
|
De heer Patrick Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. - In het arrondissement Turnhout waren er in 2002 31 ramkraken, 17 in 2003, 16 in 2004, 12 in 2005 en 13 in 2006. Dit jaar waren er tot nog toe acht.
Momenteel lopen een aantal gerechtelijke onderzoeken in het gerechtelijke arrondissement Turnhout. Ik kan daar geen bijkomende inlichtingen over geven, behalve dat de politiediensten inderdaad aanwijzingen hebben dat verschillende ramkraken in de Kempen mogelijk gepleegd zijn door daders die uit Nederland afkomstig zijn.
In Nederland werden al drie daders aangehouden voor het plegen van een ramkraak te Turnhout.
De ramkraken als fenomeen van zware en meestal georganiseerde criminaliteit is in de veiligheidsplannen een prioriteit voor de politiediensten, zowel op federaal als zonaal niveau.
Het is eigen aan onze politiestructuur dat zulk prioritair fenomeen op een geïntegreerde manier wordt aangepakt, in samenwerking tussen de verschillende diensten van lokale en federale politie.
Er bestaat er een permanent overleg tussen de Dirco, de bestuurlijk directeur-coördinator van de federale politie, de Dirjud, de gerechtelijk directeur van het arrondissement, de lokale politie en het parket. Het fenomeen is voor de regio van de Kempen momenteel een agendapunt op het rechercheoverleg van het arrondissement Turnhout. Er werden nieuwe afspraken gemaakt voor een aantal meerdaagse geïntegreerde politieoperaties. Dat betekent dat de lokale politie hierin gesteund wordt door zowel de diensten van de Dirco en de Dirjud, als door de gespecialiseerde steundiensten van de federale politie zoals de wegpolitie, de hondenbrigade, de spoorwegpolitie en de luchtsteun. Bovendien zullen de geïntegreerde politieoperaties verlopen in samenwerking met de diensten van het arrondissement Hasselt.
Er zullen eveneens politieoperaties worden georganiseerd in samenwerking met de Nederlandse politie op grond van de grensoverschrijdende samenwerkingsakkoorden.
De internationale samenwerking, in het bijzonder met Nederland, is vanzelfsprekend cruciaal als effectief blijkt dat een aantal van de daders uit Nederland afkomstig is. In de politiesamenwerking België-Nederland werden de voorbije jaren grote stappen vooruit gezet. Dat is het geval voor zowel de samenwerking op het vlak van informatie-uitwisseling, als voor de strategische en de punctuele samenwerking naar aanleiding van concrete onderzoeken, en voor de operationele samenwerking op het terrein. Die betere samenwerking werd onder andere mogelijk dankzij het Beneluxpolitieverdrag van 2004, maar ook dankzij het feit dat politieagenten en magistraten hoe langer hoe meer doordrongen zijn van de noodzaak tot samenwerking op het terrein. Een goede internationale samenwerking moet een aandachtspunt blijven.
|
Mme Margriet Hermans (VLD). - Je suis contente que le ministre mette l'accent sur la coopération avec les Pays-Bas, qui d'ailleurs se déroule très bien.
|
Mevrouw Margriet Hermans (VLD). - Ik ben tevreden dat de minister de nadruk legt op de samenwerking met Nederland, die trouwens heel vlot verloopt.
|
Question orale de Mme Sfia Bouarfa au vice-premier ministre et ministre de l'Intérieur sur «les recommandations officielles du Médiateur fédéral à l'Office des étrangers» (nº 3-1497)
|
Mondelinge vraag van mevrouw Sfia Bouarfa aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de officiële aanbevelingen van de Federale ombudsman aan de Dienst Vreemdelingenzaken» (nr. 3-1497)
|
Mme Sfia Bouarfa (PS). - Sur les onze recommandations officielles qui clôturent le rapport annuel du médiateur fédéral, sept s'adressent à l'Office des Étrangers. Cela illustre, s'il est encore besoin, les rapports pour le moins difficiles que l'institution entretient avec ses usagers, généralement déjà dans une situation précaire.
Ces recommandations ont à la fois pour souci que l'Office informe mieux sur les dossiers en cours d'examen et indique un délai raisonnable dans lesquels une décision sera prise. La résorption de l'arriéré accumulé ces dernières années est aussi une priorité quand on sait que la situation de non-droit dans laquelle vivent de nombreuses familles génère beaucoup d'inquiétude, notamment chez les enfants au niveau de leur scolarité, et les empêche de former des projets d'avenir. Comme le souligne très bien le rapport : « Attendre longtemps une décision positive est une chose. Attendre longtemps une décision négative en est une autre. »
Enfin, l'inaccessibilité du helpdesk a une nouvelle fois été soulignée par le médiateur fédéral qui insiste sur le devoir de transparence dans la procédure d'examen.
Le fil conducteur de ces recommandations est bien d'assurer le respect dû à toutes ces personnes qui ont introduit pour des diverses raisons une demande d'autorisation de séjour. Le problème est récurrent et ne préjuge pas de la question plus générale de la régularisation du séjour des sans-papiers à laquelle il convient d'apporter une réponse politique globale.
Quelles appréciations portez-vous donc, monsieur le ministre, sur les recommandations officielles adressées par le médiateur fédéral à l'Office des étrangers ? Quelles mesures votre département compte-t-il prendre pour les concrétiser ?
|
Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - Van de elf officiële aanbevelingen in het besluit van het jaarverslag van de federale ombudsman zijn er zeven gericht tot de Dienst Vreemdelingenzaken. Daaruit blijkt nogmaals hoe moeilijk de contacten verlopen tussen de instelling en haar gebruikers, die meestal in een precaire situatie verkeren.
In die aanbevelingen wordt erop aangedrongen dat de Dienst beter zou informeren over de dossiers die onderzocht worden en een termijn zou aangeven binnen dewelke een beslissing zal worden genomen. Ook wegwerking van de achterstand die de voorbije jaren is opgelopen is een prioriteit. Het juridisch vacuüm waarin vele gezinnen leven schept immers onrust, met name wat het schoolgaan van de kinderen betreft. Dat maakt hun situatie uitzichtloos. In het verslag wordt er ook duidelijk op gewezen dat lang wachten op een positieve beslissing niet hetzelfde is als lang wachten op een negatieve beslissing.
De federale ombudsman onderstreept nogmaals de ontoegankelijkheid van de helpdesk en dringt aan op meer transparantie tijdens de onderzoeksprocedure.
De rode draad van de aanbevelingen is dat het nodige respect moet verzekerd worden ten aanzien van al die mensen die om diverse redenen een verblijfsvergunning aanvragen. Het probleem stelt zich telkens weer en staat los van de regularisatie van het verblijf van mensen zonder papieren waarvoor een globaal politiek antwoord moet worden gezocht.
Hoe staat de minister tegenover de officiële aanbevelingen van de federale ombudsman aan het adres van de Dienst Vreemdelingenzaken? Welke concrete maatregelen zal hij nemen?
|
M. Patrick Dewael, vice-premier ministre et ministre de l'Intérieur. - Comme je l'ai déjà dit à M. Maene à la Chambre, les recommandations des médiateurs fédéraux sur le fonctionnement de l'Office des Étrangers seront examinées. Je veillerai à y apporter une réponse dans la mesure du possible et avec les moyens dont je dispose.
Cependant, je souhaite d'ores et déjà souligner les efforts considérables qui ont été entrepris pour remédier par exemple au problème des longs délais de réponse auxquels sont confrontées les personnes qui introduisent une demande d'autorisation de séjour. Afin d'apporter une vraie solution à ce problème, des modifications ont été apportées par la loi, mais leurs effets ne seront visibles qu'à plus long terme.
Ainsi, des délais de traitement contraignants ont été fixés dans la loi du 15 septembre 2006 et dans les arrêtés d'exécution, là où c'était possible. De même un cadre précis à été défini pour éviter que l'introduction répétée de demandes de séjour pour motifs humanitaires. Ces demandes multiples sont souvent purement dilatoires et surchargent inutilement les services.
Par ailleurs, de nouveaux statuts ont été créés et des procédures plus rapides et plus simples ont été élaborées.
Ces modifications sont de nature à rencontrer la plupart des critiques des médiateurs fédéraux. Mais des efforts supplémentaires sont nécessaires, tant au niveau de l'organisation que du management, notamment pour augmenter l'accessibilité de l'Office des Étrangers.
D'autres initiatives verront donc le jour mais je ne suis pas en mesure de donner suite immédiatement à toutes les propositions des médiateurs fédéraux. Le renforcement de certains services ne peut se faire que moyennant des moyens supplémentaires. Ce sera donc un travail à réaliser dans les prochaines années.
|
De heer Patrick Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. - Zoals ik al gezegd heb aan de heer Maene in de Kamer, zullen de aanbevelingen van de federale ombudsman over de werking van de Dienst Vreemdelingenzaken onderzocht worden. Ik zal daar in de mate van het mogelijke, en met de middelen waarover ik beschik, op ingaan.
Ik wil er wel op wijzen dat er al heel wat inspanningen werden gedaan om bijvoorbeeld het probleem van de lange wachttijden voor mensen die een verblijfsvergunning aanvragen aan te pakken. Er werden al wetswijzigingen aangebracht om dat probleem werkelijk te kunnen oplossen, maar de gevolgen daarvan zijn pas op langere termijn zichtbaar.
Zo werden er bindende behandelingstermijnen vastgelegd in de wet van 15 september 2006 en waar mogelijk ook in de uitvoeringsbesluiten. Er werd ook een kader vastgelegd om herhaalde aanvragen van verblijfsvergunningen om humanitaire redenen te voorkomen. Dergelijke aanvragen zijn vaak enkel bedoeld om tijd te winnen en belasten de diensten nodeloos.
Er werden nieuwe statuten gecreëerd en snellere en eenvoudigere procedures werden uitgewerkt.
Met die wijzigingen komen we tegemoet aan de meeste punten van kritiek van de federale ombudsman. Er zijn evenwel bijkomende inspanningen nodig, zowel wat de organisatie als wat het als het management betreft, om de toegankelijkheid van de Dienst Vreemdelingenzaken te verbeteren.
Er zullen nog andere initiatieven genomen worden, maar ik kan niet op alle voorstellen van de federale ombudsman onmiddellijk ingaan. Een betere bemanning van sommige diensten is enkel mogelijk als daarvoor ook bijkomende middelen voorhanden zijn. Dat is werk voor de komende jaren.
|
Mme Sfia Bouarfa (PS). - Certes, monsieur le ministre, beaucoup d'efforts ont été effectués, notamment à la suite des recommandations de notre assemblée émises lors du débat en commission de l'Intérieur durant la législature précédente.
Nous avons dans ce gouvernement un secrétaire d'État à la simplification administrative dont la mission est de simplifier les procédures administrative mais aussi de faciliter aussi la vie des gens en contact avec l'administration. Cela concerne également les demandeurs d'autorisation de séjour. Même si des personnes ne sont pas des contribuables, il est de notre devoir de ne pas les ignorer et donc de régler leur situation dans les meilleurs délais.
|
Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - Er zijn inderdaad al veel inspanningen geleverd, met name tengevolge van de aanbevelingen van onze assemblee na het debat dat hierover in de commissie voor de Binnenlandse Aangelegenheden in de vorige regeerperiode heeft plaatsgehad.
Deze regering heeft een staatssecretaris voor administratieve vereenvoudiging die de taak heeft administratieve procedures te vereenvoudigen, maar ook de contacten tussen de mensen en de administratie te vergemakkelijken. Dat geldt ook voor aanvragers van een verblijfsvergunning. Ook al gaat het niet om belastingbetalers, toch is het onze plicht om hun situatie zo snel mogelijk te regelen.
|
Question orale de Mme Christel Geerts au vice-premier ministre et ministre de l'Intérieur sur «le Glimmer (Global-Local Information Merging for Maturing Emergency Response)» (nº 3-1501)
|
Mondelinge vraag van mevrouw Christel Geerts aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «het Glimmer (Global-Local Information Merging for Maturing Emergency Response)» (nr. 3-1501)
|
Mme Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 16 février 2006 relatif aux plans d'urgence et d'intervention, les autorités locales doivent établir un plan d'urgence et d'intervention.
Si les communes veulent développer un tel plan de manière adéquate et sur mesure, elles doivent dresser une inventaire des risques sur leur territoire et les analyser. Actuellement, elles ne disposent d'aucun instrument et d'aucune méthode, ni pour réaliser cet inventaire de manière correcte et uniforme, ni pour estimer les risques.
L'administration fédérale serait en train d'élaborer cet instrument, le Glimmer, qui doit être l'instrument opérationnel tant attendu pour l'analyse des risques par les autorités locales.
Je souhaiterais que le ministre nous informe de l'état d'avancement du Glimmer.
Quand sera-t-il disponible ?
A-t-on calculé le coût de son application pour les administrations locales ?
|
Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 16 februari 2006 betreffende de nood- en interventieplannen moeten de lokale overheden een algemeen nood- en interventieplan opstellen.
Willen de gemeenten een dergelijk plan adequaat en op maat kunnen ontwikkelen, dan moeten ze de risico's op hun grondgebied inventariseren en analyseren. Momenteel beschikken ze echter over geen instrument of methodiek voor een adequate en uniforme inventarisatie en weging van die risico's.
De federale overheid zou zo'n instrument, Glimmer, aan het uitwerken zijn. Glimmer moet het langverwachte operationele werkinstrument worden voor risicoanalyse door de lokale overheden.
Graag had ik van de minister van Binnenlandse Zaken vernomen wat de stand van zaken is inzake Glimmer.
Wanneer zal dit instrument beschikbaar zijn?
Werd berekend hoeveel de toepassing van Glimmer de lokale overheden zal kosten?
|
M. Patrick Dewael, vice-premier ministre et ministre de l'Intérieur. - Le projet Glimmer a débuté en février 2007. L'objectif en est d'élaborer une méthodologie pour définir les risques au niveau local. Il se déroule en deux phases : Glimmer 1 de février à octobre 2007 et Glimmer 2 de novembre 2007 à juillet 2008.
Glimmer 1 comporte cinq parties. Tout d'abord, la méthode Apell (Awareness and Preparedness for Emergencies at Local Level), développée pour les Nations unies, sera adaptée à la situation belge. Apell est une méthodologie qui vise à limiter les risques et, ou les dommages.
Ensuite les besoins locaux seront analysés sur le terrain. Pour cela, deux provinces, Namur et la Flandre Occidentale, et huit communes, Zele, Welkenraedt, Bruxelles-ville, Kortessem, Aubange, Mons, Watermael-Boitsfort et Louvain, ont été choisies.
Enfin des fiches standards, des tables de références et un projet de manuel seront élaborés.
Durant la phase 2, le manuel sera retravaillé et on examinera l'aide concrète qui devra être offerte lors de la mise en oeuvre. Ensuite, tout sera traduit et une formation sera donnée aux acteurs locaux.
En appui à la procédure, un ensemble de logiciels sera mis à disposition.
Pour l'instant le projet en est à la phase d'analyse empirique.
Glimmer est un instrument opérationnel d'identification et d'analyse des risques par des cellules de sécurité communales, tel que le demande l'arrêté royal du 16 février relatif aux plans d'urgence et d'intervention. La direction générale du centre de crise met l'instrument à la dispositions des autorités locales. Il appartient au fonctionnaire communal chargé des plans d'urgence et d'intervention de parachever les missions.
|
De heer Patrick Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. - Het Glimmerproject is begin februari 2007 van start gegaan. Het doel van het project is een methodologie uit te werken om risico's op lokaal vlak te bepalen. Dat gebeurt in twee fasen: Glimmer 1 loopt tot oktober 2007 en Glimmer 2 van november 2007 tot juli 2008.
Glimmer 1 bestaat uit vijf delen. Eerst wordt de Apellmethode (Awareness and Preparedness for Emergencies at Local Level) die door de Verenigde Naties werd ontwikkeld, aan de Belgische situatie aangepast. Apell is een methodologie om risico's en/of schade te beperken.
Ten tweede worden de behoeften op lokaal niveau empirisch geanalyseerd. Hiervoor werden twee provincies, Namen en West-Vlaanderen, en acht gemeenten, Zele, Welkenraedt, Brussel-Stad, Kortessem, Aubange, Bergen, Watermaal-Bosvoorde en Leuven, geselecteerd.
Ten slotte worden er standaardsteekkaarten, referentietabellen en een ontwerp van handleiding opgesteld.
Tijdens Glimmer 2 zal de handleiding worden uitgewerkt en nagegaan welke concrete hulp bij de implementatie moet worden geboden. Daarna wordt alles vertaald en krijgen de lokale actoren een opleiding.
Ter ondersteuning van de procedure wordt een softwarepakket ter beschikking gesteld.
Momenteel bevindt het project zich in de fase van de empirische analyse.
Glimmer is een operationeel instrument van risico-identificatie en -analyse door gemeentelijke veiligheidscellen, zoals bepaald in het koninklijk besluit van 16 februari 2006 op de nood- en interventieplannen. De gemeentelijke ambtenaar die verantwoordelijk is voor de nood- en interventieplannen, werkt die opdrachten verder uit.
De Algemene Directie van het Crisiscentrum stelt het instrumentarium ter beschikking van de lokale overheden.
|
Mme Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Je remercie le ministre de sa réponse concise mais néanmoins complète. J'ai cependant encore deux questions. Ai-je bien compris que les communes qui n'ont pas été choisies pour faire partie de l'échantillon de test doivent encore s'armer de patience ?
Des simulations de coûts pour les communes ont-elles déjà été réalisées ?
|
Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Ik dank de minister voor zijn bondige, maar vrij volledige antwoord. Toch heb ik nog twee vragen.
Heb ik het goed begrepen dat de gemeenten die niet voor het proefproject geselecteerd werden, nog geduld zullen moeten oefenen?
Werden er al simulaties gemaakt van de kosten voor de gemeenten?
|
M. Patrick Dewael, vice-premier ministre et ministre de l'Intérieur. - Dès que les résultats sur l'échantillon seront connus, Glimmer sera généralisé.
Pour l'instant aucune simulation de coût n'a été faite.
|
De heer Patrick Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. - Glimmer zal breder geïmplementeerd worden, zodra de resultaten van de proefprojecten bekend zijn.
Op het ogenblik werden er nog geen kostensimulaties gemaakt.
|
Question orale de Mme Stéphanie Anseeuw au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique et au ministre de l'Emploi sur «l'enregistrement déficient des cancers professionnels par le Fonds des maladies professionnelles» (nº 3-1476)
|
Mondelinge vraag van mevrouw Stéphanie Anseeuw aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Werk over «de gebrekkige registratie van beroepskankers door het Fonds voor de Beroepsziekten» (nr. 3-1476)
|
Mme Stéphanie Anseeuw (VLD). - J'ai été récemment confrontée à des chiffres inquiétants de la Fédération belge contre le cancer. Celle-ci confirmait mon constat précédent selon lequel 4% de tous les cancers sont dus à des circonstances professionnelles. En moyenne, il y aurait 1.600 nouveaux cancers par an. Selon une autre étude, les cancers liés à la profession augmenteront encore. Curieusement, en 2006, 186 cancers professionnels seulement ont été reconnus. Le Fonds des maladies professionnelles travaille avec des listes ouvertes et des listes fermées. Dans la liste ouverte, le travailleur doit supporter lui-même la charge de la preuve. On dit que cette liste ouverte est un obstacle quasi insurmontable. Un autre problème réside dans la lourdeur et la lenteur de la procédure utilisée par le Fonds des maladies professionnelles. Étant donné le nombre peu élevé de déclarations de maladies professionnelles et de cancers reconnus, il semble s'agir d'un phénomène marginal et la vigilance à l'égard des produits cancérigènes sur les lieux de travail risque à juste titre de faiblir.
Comment le ministre explique-t-il que 186 cancers professionnels ont été reconnus en 2006, alors qu'il y a en moyenne 1.600 nouveaux cas par an ?
Est-il exact que nous avons du retard par rapport aux pays voisins ?
Quel délai s'écoule-t-il en moyenne entre la demande de reconnaissance d'un cancer professionnel et sa reconnaissance effective, pour ce qui concerne tant la liste ouverte que la liste fermée ?
Quel délai s'écoule-t-il en moyenne entre l'introduction des frais exposés lors de la reconnaissance de la maladie professionnelle et la date du paiement ?
Pourquoi le patient doit-il présenter des factures détaillées ? N'est-il pas plus simple de confier cette tâche aux hôpitaux ?
Le ministre est-il disposé à simplifier la procédure ? Dans l'affirmative, où peut-elle l'être ?
|
Mevrouw Stéphanie Anseeuw (VLD). - Ik stootte onlangs op onrustwekkende cijfers van de Belgische Federatie tegen Kanker. Die bevestigde mijn eerdere stelling dat 4% van alle kankers te wijten zijn aan beroepsomstandigheden. Gemiddeld zouden er 1.600 nieuwe kankers per jaar zijn. Luidens een andere studie zullen beroepsgebonden kankers nog toenemen. Vreemd genoeg werden er in 2006 slechts 186 beroepskankers erkend. Het Fonds voor beroepsziekten werkt met open lijsten en gesloten lijsten. Bij de open lijst moet de werknemer zelf alle bewijslast leveren. Naar verluidt is de open lijst quasi onoverkomelijk. Een ander probleem blijkt te liggen in de logge en trage procedure die het Fonds van Beroepsziekten hanteert. Aangezien er zo weinig aangiften van beroepsziekten zijn en zo weinig kankers worden erkend, lijkt het om een marginaal verschijnsel te gaan en dreigt de waakzaamheid ten aanzien van kankerverwekkende producten op de werkvloer ten onrechte te verslappen.
Hoe verklaart de minister dat er in 2006 186 beroepskankers werden erkend, terwijl er gemiddeld jaarlijks 1.600 nieuwe beroepskankers zijn?
Is het juist dat we hier een achterstand hebben opgelopen ten opzichte van de buurlanden?
Hoeveel tijd verloopt er gemiddeld tussen de aanvraag van de erkenning van een beroepskanker en de erkenning ervan, zowel wat de open als de gesloten lijst betreft?
Hoeveel tijd verloopt er gemiddeld tussen het inbrengen van de gemaakte kosten bij de erkenning van de beroepsziekte en de datum van uitbetaling?
Waarom moet de patiënt gedetailleerde facturen voorleggen? Is het niet eenvoudiger dit via de ziekenhuizen te laten verlopen?
Is de minister bereid de procedure te vereenvoudigen? Zo ja, waar kan ze worden vereenvoudigd?
|
M. Rudy Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. - Ma préoccupation va vers l'ensemble de la population, tant les travailleurs que les riverains et les consommateurs. Dans l'industrie, on utilise effectivement beaucoup de produits dont nous ne connaissons pas assez toutes les caractéristiques.
C'est un problème transfrontalier. Après une joute politique mémorable, le Parlement européen a adopté le projet REACH. À partir de 2008, les industries devront évaluer les risques toxiques de leur production.
On confond deux sortes de chiffres : d'une part, les cas reconnus de maladies professionnelles et, d'autre part, le nombre de cancers qui, selon des calculs théoriques, pourraient être attribués à la profession.
Le Fonds des maladies professionnelles indemnise les dommages dus aux cancers figurant sur la liste des maladies professionnelles et utilise à cet effet des critères d'exposition et de diagnostic. Si ces critères sont rencontrés, il ne faut fournir aucune preuve de lien causal. Ce principe ne peut naturellement être utilisé que pour des cancers qui sont très probablement causés par l'exercice de la profession.
En 2000, 116 cancers ont été reconnus, 122 en 2001, 152 en 2002, 180 en 2003, 146 en 2004, 179 en 2005 et 186 en 2006.
Pour les années 2000 à 2006, il s'agit de 5 cancers du poumon par l'arsenic, 16 cancers du poumon par le chrome hexavalent, 3 cancers du poumon par le nickel, 7 cancers du poumon par des homologues du naphtalène, 2 cancers du poumon par hydrocarbures aromatiques polycycliques, 17 cancers de la thyroïde par rayonnement ionisant, 1 cancer du foie par infection virale, 30 leucémies par le benzène, 159 cancers des fosses nasales et des sinus par la lignine et l'amiante.
Pour l'amiante, il s'agit de 841 cancers, dont 5 du larynx, 34 du péritoine, 550 de la plèvre et 252 des poumons.
Mon collègue Verwilghen est peut-être mieux placé pour indiquer si on peut déterminer, par le biais d'un système d'enregistrement, la quantité de matières cancérigènes, mutagènes ou reprotoxiques qui circule dans notre pays. La quantité n'est certainement pas le seul critère d'estimation du danger pour les travailleurs ou la population en général.
Quant à la procédure auprès du Fonds des maladies professionnelles, il n'existe pas de statistiques spécifiques sur la durée de l'enquête en vue de la reconnaissance d'un cancer professionnel. La moyenne pour les maladies reprises dans la liste est de 220 jours. Pour le mésothéliome, si le dossier est complet, la durée de l'enquête est inférieure à 120 jours.
Nous ne disposons pas de statistiques pour la liste ouverte. Dans ce système, la reconnaissance est plutôt exceptionnelle. La preuve du caractère cancérigène d'un produit est en effet fournie par des enquêtes épidémiologiques qui peuvent être utilisées pour placer un type de cancer sur la liste. On peut rarement établir un lien direct et individuel entre l'exposition et le risque, comme le prévoit le système ouvert.
Le délai de remboursement des médicaments est de moins de trois mois. Les procédures doivent être aussi brèves que possible mais l'intervention ne peut avoir lieu qu'après le remboursement des soins médicaux par la mutuelle. L'envoi direct des factures par l'hôpital n'a donc aucun sens.
|
De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Mijn bekommernis gaat uit naar de gehele bevolking, zowel werknemers als omwonenden en verbruikers. In de industrie worden inderdaad veel producten gebruikt waarvan we onvoldoende alle kenmerken kennen.
De federale overheidsdienst Volksgezondheid voert hiernaar onderzoek uit, zoals bijvoorbeeld naar formaldehyde, dat aanwezig is in onze privéomgeving en naar de afstotingen van strontium in de omgeving van kerncentrales.
Dit is een grensoverschrijdend probleem. Het Europees Parlement heeft na een gedenkwaardig politiek steekspel het REACH-project aanvaard. Vanaf 2008 zullen de industrieën de toxische risico's van hun productie moeten evalueren.
Er worden twee soorten cijfers door elkaar gehaald: enerzijds de erkende gevallen van beroepsziekten en anderzijds het aantal kankers dat volgens theoretische berekeningen mede aan het beroep te wijten zouden kunnen zijn.
Het Fonds voor de beroepsziekten vergoedt schade door kankers die op de lijst van de beroepsziekten staan en hanteert daarbij criteria van blootstelling en van diagnose. Indien aan die criteria is voldaan, moet geen bewijs van een oorzakelijk verband worden geleverd. Dit principe kan uiteraard alleen worden gehanteerd voor kankers die met een zeer hoge mate van waarschijnlijkheid door de beroepsuitoefening werden veroorzaakt.
In 2000 werden er 116 kankers erkend, in 2001 122, in 2002 152, in 2003 180, in 2004 146, in 2005 179 en in 2006 186.
Van 2000 tot 2006 gaat het om 5 longkankers door arseen, 16 longkankers door zeswaardig chroom, 3 longkankers door nikkel, 7 longkankers door homologen van naftaleen, 2 longkankers door polycyclische aromatische koolwaterstoffen, 17 schildklierkankers door ioniserende stralingen, 1 leverkanker door een virale infectie, 30 leukemieën door benzeen, 159 kankers van de neusholte en sinussen door houtstof en door asbest.
Voor asbest gaat het om 841 kankers waarvan 5 kankers van het strottenhoofd (larynx), 34 van het buikvlies, 550 van het longvlies en 252 van de longen.
Mijn collega Verwilghen is wellicht beter geplaatst om mee te delen of via een registratiesysteem kan bepaald worden welke hoeveelheid kankerverwekkende, mutagene of reprotoxische stoffen in ons land circuleert. De hoeveelheid is echter niet het enige criterium om het gevaar voor de werkende bevolking of de bevolking in het algemeen in te schatten.
Wat betreft de procedure bij het Fonds voor Beroepsziekten, bestaan er geen specifieke statistieken over de duur van het onderzoek met het oog op de erkenning van een beroepskanker. Het gemiddelde voor ziekten opgenomen in de lijst bedraagt 220 dagen. Wat betreft mesothelioom is de duur van het onderzoek minder dan 120 dagen als het dossier volledig is.
Wat de open lijst betreft beschikken we niet over statistieken. De erkenning in dit systeem is eerder uitzonderlijk. Het bewijs van het kankerverwekkende karakter van een product wordt immers geleverd door epidemiologische enquêtes die bruikbaar zijn om een kankertype op de lijst te plaatsen. Zelden kan men een rechtstreeks en individueel verband aantonen tussen blootstelling en risico, zoals vereist is voor het open systeem.
De termijn voor de terugbetaling van geneesmiddelen bedraagt minder dan drie maanden. De procedures moeten inderdaad zo kort mogelijk zijn, maar tussenkomst is pas mogelijk na terugbetaling van de medische zorg door het ziekenfonds. Het rechtstreeks doorsturen van facturen door het ziekenhuis heeft dus geen zin.
|
Question orale de M. Jan Steverlynck au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «la réintégration d'indépendants en incapacité de travail par l'exercice d'une activité professionnelle limitée» (nº 3-1496)
|
Mondelinge vraag van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de reïntegratie van arbeidsongeschikte zelfstandigen via een beperkte beroepsbezigheid» (nr. 3-1496)
|
M. Jan Steverlynck (CD&V). - On plaide depuis longtemps pour une réglementation qui permette aux indépendants en incapacité de travail de cumuler de manière durable une indemnité de maladie et une activité professionnelle limitée. Une telle réglementation existe déjà depuis un certain temps dans le régime des travailleurs salariés.
Dans sa réponse à ma question écrite nº 3-5609 du 30 juin 2006, le ministre annonce que le Conseil des ministres a approuvé, le 21 décembre 2006, un projet d'arrêté royal permettant ce cumul à certaines conditions et qu'il compte bien que cette nouvelle disposition sera en vigueur dans le courant du deuxième trimestre 2007.
Cet arrêté royal a-t-il déjà été publié ? Dans la négative, quand le sera-t-il ?
Le nouveau régime entrera-t-il encore en vigueur au deuxième trimestre de 2007 ? Ce dossier rencontre-t-il des obstacles ?
|
De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Reeds lange tijd wordt er aangedrongen op een regeling waarbij aan arbeidsongeschikte zelfstandigen de mogelijkheid geboden wordt om op een duurzame wijze een ziekte-uitkering te cumuleren met een beperkte beroepsactiviteit. Een dergelijke regeling bestaat al geruime tijd in de werknemersregeling.
In zijn antwoord op mijn schriftelijke vraag nr. 3-5609 van 30 juni 2006 deelde de minister mij mee dat de ministerraad van 21 december 2006 een ontwerp van koninklijk besluit had goedgekeurd dat dergelijke cumulatie onder bepaalde voorwaarden zou toelaten en dat hij erop rekent dat deze nieuwe bepaling van kracht zal worden tijdens het tweede trimester van 2007.
Werd het ontwerp van koninklijk besluit waarover de minister spreekt reeds gepubliceerd? Zo neen, wanneer zal dit gebeuren?
Zal de regeling nog in voege treden in het tweede trimester van 2007? Zijn er hindernissen in dit dossier?
|
M. Rudy Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. - Le dossier suit son cours. Le Conseil d'État a remis un avis le 15 février 2007. L'administration a adapté le texte aux observations du Conseil d'État. J'ai signé l'arrêté royal et l'ai transmis au Palais royal le 16 avril. J'espère qu'il sera publié au Moniteur belge début mai.
|
De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Het dossier wordt wel degelijk opgevolgd. De Raad van State heeft op 15 februari 2007 een advies uitgebracht. De administratie heeft de tekst aangepast aan de opmerkingen van de Raad. Ik heb het koninklijk besluit getekend en op 16 april naar het Paleis gestuurd. Ik hoop dat het begin mei in het Belgisch Staatsblad kan worden gepubliceerd.
|
M. Jan Steverlynck (CD&V). - Quand entrera-t-il en vigueur ?
|
De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Wanneer treedt het koninklijk besluit in voege?
|
M. Rudy Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. - Normalement, un arrêté royal entre en vigueur dix jours après sa publication. Je vais toutefois m'en assurer.
|
De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Normaal treedt een koninklijk besluit in voege tien dagen na de publicatie ervan. Ik zal dat evenwel natrekken.
|
Question orale de M. Berni Collas au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «la cruauté envers les animaux» (nº 3-1500)
|
Mondelinge vraag van de heer Berni Collas aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «dierenmishandeling» (nr. 3-1500)
|
M. Berni Collas (MR). - Voici quelques semaines, le directeur d'un refuge de ma région m'a sensibilisé à des faits de maltraitance envers des animaux. Ce cas a également été relayé dans le Grenz-Echo du 16 février 2007, ce qui a entraîné de nombreuses et vives réactions dans la population. En fait, trois chiens ont été maltraités ; plus précisément, ils n'ont pas été nourris correctement et ils avaient peu de place pour bouger. Un vétérinaire a confirmé qu'il s'agissait de maltraitance.
Lorsque les policiers se sont rendus sur place pour confisquer les animaux en vertu d'une décision du procureur du Roi, un des chiens était mort depuis plusieurs jours, et le propriétaire avait laissé le cadavre à côté des animaux vivants. Les deux autres chiens ont été placés dans un refuge.
Aujourd'hui, le service du bien-être animal a décidé, sans connaissance de la situation et des circonstances, de rendre un des chiens au propriétaire. En outre, il semble que les services chargés du contrôle des conditions prescrites pour que ces animaux soient remis à leur propriétaire n'ont effectué aucun contrôle. Il ne s'agit certainement pas d'un cas isolé.
Le service du bien-être animal a-t-il effectivement assez de personnel pour traiter tous les dossiers ? Dans l'affirmative, pourquoi n'effectue-t-il pas de suivi lorsque des cas graves comme celui que je viens de citer se produisent ? Ne serait-il pas judicieux d'envisager que d'autres acteurs, comme les refuges eux-mêmes, puissent réaliser ces missions de suivi et de contrôle ?
Par ailleurs, le paragraphe 5 de l'article 42 de la loi relative à la protection et au bien-être des animaux a été modifiée au cours de cette législature afin de permettre, en cas de maltraitance, que les refuges auprès desquels les animaux sont placés puissent en devenir propriétaires. Cette nouvelle disposition résoudrait beaucoup de problèmes car les personnes coupables de cruauté envers les animaux n'en seraient plus propriétaires et ne pourraient dès lors plus les récupérer par la suite. A-t-on déjà fait appel à cette disposition ?
|
De heer Berni Collas (MR). - Enkele weken geleden heeft de directeur van een dierenasiel uit mijn regio mijn aandacht gevestigd op een geval van dierenmishandeling dat ook in Grenz-Echo van 16 februari 2007 werd belicht en dat veel hevige reacties heeft uitgelokt van de bevolking. Het ging meer bepaald om de mishandeling van drie honden, die niet correct werden gevoed en maar weinig beweegruimte hadden. Een dierenarts heeft bevestigd dat het om mishandeling ging.
Wanneer de politie ter plaatse kwam om de dieren ingevolge een beslissing van de procureur des Konings in beslag te nemen, was één van de honden al verscheidene dagen dood. De eigenaar had de dode hond naast de levende dieren laten liggen. De andere twee honden werden in een dierenasiel geplaatst.
Vandaag heeft de Dienst Dierenwelzijn, zonder de situatie en de omstandigheden te kennen, beslist één van de honden terug te geven aan de eigenaar. Bovendien zouden de diensten die moeten controleren of werd voldaan aan de voorwaarden waaronder die dieren aan de eigenaar mogen worden terugbezorgd, geen enkele controle hebben verricht. Het gaat zeker niet om een geïsoleerd geval.
Heeft de Dienst Dierenwelzijn wel voldoende personeel om de dossiers te behandelen? Zo ja, waarom zorgt hij dan niet voor de follow-up wanneer zich ernstige gevallen voordoen? Zou het niet beter zijn dat andere actoren, zoals de dierenasielen zelf, voor de follow-up en de controle instaan?
Paragraaf 5 van artikel 42 van de wet betreffende de bescherming en het welzijn van dieren werd overigens tijdens deze regeerperiode aangevuld met een bepaling dat, in geval van mishandeling, de dierenasielen waarin de dieren geplaatst zijn, er eigenaar van kunnen worden. Die nieuwe bepaling kan veel problemen oplossen, want de mensen die dieren mishandelen zouden geen eigenaar meer zijn en zouden hun dieren ook niet meer kunnen terugkrijgen. Werd er reeds een beroep gedaan op deze bepaling?
|
M. Rudy Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. - Je remercie M. Collas de nous donner l'occasion de reparler de ce thème qui est effectivement inscrit à l'agenda des assemblées parlementaires.
Je disais récemment que l'évolution en la matière ne doit pas être considérée comme anecdotique. Je pense réellement que, tout comme la perception de la douleur chez l'être humain a évolué au fil du temps, la question du rapport de l'être humain à l'animal a aussi beaucoup évolué. Dès lors, la question posée n'est pas banale. Je pense qu'elle touche effectivement une sensibilité sociétale extrêmement importante.
Le bien-être des animaux suscite de plus en plus d'intérêt dans l'opinion publique. À l'initiative de certains d'entre vous, notamment Mme Defraigne, le législateur a récemment pris des dispositions diverses dans le but d'améliorer les conditions de vie de nos compagnons domestiques. Pour cela, il faut assurer un contrôle des réglementations existantes et faire respecter les nouvelles normes qui traduisent cette sensibilité sous forme légale.
Le service d'inspection dispose aujourd'hui de neuf inspecteurs vétérinaires supervisés par deux coordinateurs pour tout le pays.
En 2005, ce service a effectué 1.100 contrôles qui ont donné lieu à 260 avertissements et 124 procès-verbaux ; 150 animaux ont été saisis dont environ 70 chiens. En 2006, le même nombre de contrôles a été effectué, donnant lieu à 440 avertissements et 213 procès-verbaux ; 1.014 animaux ont été saisis, dont 554 chiens.
Ces chiffres montrent que le service d'inspection ne ménage pas ses efforts pour garantir le respect de la réglementation en matière de bien-être animal. De plus, les décisions prises témoignent d'une grande fermeté.
Étant donné le volume de travail, le service procédera sans nul doute à l'engagement d'inspecteurs-vétérinaires supplémentaires. Le nombre de plaintes étant en augmentation constante, il n'est pas toujours possible de les traiter toutes simultanément ; c'est la raison pour laquelle il est parfois fait appel aux services de la police locale.
En cas de saisies d'animaux, une enquête est toujours réalisée en vue de déterminer l'état de la situation et de voir s'il est raisonnable ou non de rendre certains animaux à leur propriétaire. Il va de soi que cela n'est possible que si toutes les garanties en matière de bien-être animal sont réunies. Si tel n'est pas le cas, les animaux sont définitivement saisis.
Dans le cas présent, mes services ont bien effectué un contrôle sur place. Il s'est avéré que le bien-être d'un animal pouvait être garanti, d'où la décision de restituer un chien à son propriétaire. Comme je viens de le dire, une telle décision ne peut être prise à la légère et doit faire l'objet d'une enquête approfondie et d'une appréciation de la situation sur le terrain.
À mes yeux, les personnes responsables des contrôles officiels doivent avoir une connaissance approfondie de la législation en la matière et, surtout, faire preuve d'objectivité.
Auparavant, les représentants des refuges pour animaux et de la protection animale formaient un groupe assez hétérogène. Il serait donc pertinent de fixer des critères objectifs permettant de faire agréer ces associations afin de pouvoir leur confier des tâches officielles.
Je me réjouis de l'enthousiasme et du dévouement dont font preuve les personnes actives au sein des associations s'occupant du bien-être animal. Leur rôle est d'une grande importance. Je suis heureux de constater que la collaboration entre mon service d'inspection et ces associations est généralement très bonne. Leur soutien est non seulement apprécié, mais aussi indispensable au vu de l'ampleur de la tâche à accomplir au quotidien.
|
De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Net zoals de perceptie van pijn bij de mens is ook de relatie van mens tot dier sterk geëvolueerd. Deze vraag is dus niet banaal, maar betreft een bijzonder gevoelig maatschappelijk thema.
De publieke opinie hecht steeds meer belang aan het dierenwelzijn. Op initiatief van enkele parlementsleden, onder wie mevrouw Defraigne, heeft de wetgever onlangs diverse maatregelen genomen om de levensomstandigheden van onze gezelschapsdieren te verbeteren. Daartoe moet de controle van de bestaande regelgeving worden verzekerd en moet ervoor gezorgd worden dat de nieuwe wettelijke normen worden nageleefd.
De inspectiedienst beschikt thans over negen inspecteurs-dierenartsen onder de supervisie van twee coördinatoren voor het gehele land.
In 2005 heeft die dienst 1.100 controles verricht; die hebben geleid tot 260 waarschuwingen en 124 processen-verbaal; 150 dieren, waaronder 70 honden, werden in beslag genomen. In 2006 werden evenveel controles verricht. Die gaven aanleiding tot 440 waarschuwingen en 213 processen-verbaal; 1.014 dieren, waaronder 554 honden, werden in beslag genomen.
Deze cijfers tonen aan dat de inspectiedienst niets onverlet laat om de regelgeving op het gebied van het dierenwelzijn te doen naleven. De genomen beslissingen getuigen overigens van een grote vastberadenheid.
Gelet op het werkvolume zal de dienst zeker extra inspecteurs-dierenartsen in dienst nemen. Aangezien het aantal klachten almaar toeneemt, kan niet alles tegelijkertijd worden behandeld. Daarom wordt soms een beroep gedaan op de diensten van de lokale politie.
Wanneer dieren in beslag worden genomen, wordt altijd een onderzoek gevoerd om de toestand vast te stellen en om na te gaan of het al dan niet verstandig is bepaalde dieren terug te geven aan hun eigenaar. Dat is uiteraard alleen mogelijk indien alle garanties inzake dierenwelzijn worden geboden. Anders is de inbeslagname van de dieren definitief.
In onderhavig geval hebben mijn diensten wel degelijk ter plaatse een controle verricht. Daaruit is gebleken dat het welzijn van één dier kon worden gegarandeerd. Er werd dan ook beslist een hond terug te geven aan zijn eigenaar. Zoals ik al zei, kan een dergelijke beslissing niet lichtzinnig worden genomen, maar slechts na een grondig onderzoek en een beoordeling van de situatie op het terrein.
Volgens mij moeten de personen die verantwoordelijk zijn voor de officiële controles, over een grondige kennis van de wetgeving terzake beschikken en moeten ze vooral blijk geven van objectiviteit.
Vroeger vormden de vertegenwoordigers van de dierenasielen en van de dierenbescherming een nogal heterogene groep. Het zou dus goed zijn objectieve criteria vast te stellen op basis waarvan die verenigingen kunnen worden erkend om officiële taken toegewezen te krijgen.
Ik ben verheugd over het enthousiasme en de toewijding van de personen die actief zijn in de verenigingen voor dierenwelzijn. Zij spelen een zeer belangrijke rol. Het verheugt mij dat de samenwerking tussen mijn inspectiedienst en die verenigingen over het algemeen zeer goed is. Hun steun wordt niet alleen gewaardeerd, maar is ook onontbeerlijk bij het werk dat dagelijks moet worden verricht.
|
M. Berni Collas (MR). - Je me réjouis de la volonté d'engager des inspecteurs-vétérinaires supplémentaires. Le bien-être animal est un problème de société que nous ne pouvons pas sous-estimer.
|
De heer Berni Collas (MR). - Ik ben verheugd over de wil om extra inspecteurs-dierenartsen in dienst te nemen. Dierenwelzijn is een maatschappelijk probleem dat niet mag worden onderschat.
|
Question orale de M. Wouter Beke au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «la proposition visant à ramener la formation de base en médecine à six ans» (nº 3-1506)
|
Mondelinge vraag van de heer Wouter Beke aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het voorstel tot inkorting van de basisopleiding geneeskunde tot zes jaar» (nr. 3-1506)
|
M. Wouter Beke (CD&V). - Il ressort de chiffres récents de l'INAMI que 11.799 médecins généralistes sont en exercice. Un médecin généraliste sur cinq a moins de 40 ans. La moitié des médecins généralistes a plus de 50 ans. Cela signifie qu'il y aura au cours des prochaines années un départ massif de médecins généralistes.
Les étudiants en médecine plaident pour que l'on ramène leur formation de base à six ans. À l'heure actuelle, la septième année est une année de stage, tant pour les médecins généralistes que pour les spécialistes. Toutefois, pour les généralistes, cette année compte comme première année de leur formation professionnelle de médecin généraliste. Ce n'est pas le cas pour les spécialistes en formation : ils ne peuvent commencer leur spécialisation qu'après la septième année.
Le Conseil d'État a également rendu un arrêt pour dénoncer l'inégalité entre les futurs médecins généralistes et spécialistes. Les étudiants en médecine invoquent maintenant cet arrêt pour appuyer leur plaidoyer en faveur d'une formation plus courte.
Le ministre de l'enseignement flamand, M. Vandenbroucke, soutient la revendication des étudiants. Il souhaite mieux financer la formation complémentaire si la diminution de la durée des études est effectivement réalisée. Toutefois, la durée des formations est une matière fédérale. C'est pourquoi je désire demander au ministre ce qu'il pense de la revendication des étudiants. Quelle décision prendra-t-il ? Qu'enseigne-t-on à l'heure actuelle durant cette année de stage ? L'année de stage peut-elle vraiment être considérée comme une année perdue pour les candidats spécialistes ?
|
De heer Wouter Beke (CD&V). - Uit recente cijfers van het RIZIV blijkt dat er 11.799 praktiserende huisartsen zijn. Eén op vijf huisartsen is jonger dan veertig jaar. De helft van de huisartsen is ouder dan vijftig jaar. Dat betekent dat er de komende jaren een massale uitstroom van huisartsen komt. Dat is een probleem omdat de eerste lijn in onze gezondheidszorg een belangrijke rol speelt.
De studenten geneeskunde pleiten voor een inkorting van hun basisopleiding tot zes jaar. Het zevende jaar is momenteel zowel voor de huisartsen als voor de specialisten een stagejaar. Voor de huisartsen geldt dat jaar echter als het eerste jaar van hun beroepsopleiding tot huisarts (HIBO). Voor de specialisten in opleiding is dat niet het geval: zij kunnen pas na het zevende jaar aan hun specialisatie beginnen.
Ook de Raad van State heeft een arrest geveld om de ongelijkheid tussen toekomstige huisartsen en specialisten aan te klagen. De geneeskundestudenten grijpen dit arrest nu aan om hun pleidooi voor een kortere opleiding kracht bij te zetten.
Vlaams onderwijsminister Vandenbroucke steunt de eis van de studenten. Hij wil de vervolgopleiding beter financieren als de studieduurverlaging er daadwerkelijk komt. De duur van de opleidingen is echter een federale materie. Daarom wens ik de minister te vragen wat hij vindt van de eis van de studenten? Welke beslissing zal hij nemen? Zal hij nog een beslissing nemen of voorbereiden? Wat wordt momenteel in dat stagejaar aangeleerd? Kan dat stagejaar echt beschouwd worden als een verloren jaar voor de kandidaat-specialisten?
|
M. Rudy Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. - L'arrêt du Conseil d'État du 18 janvier 2007 annule effectivement en partie l'arrêté ministériel du 1er octobre 2002 modifiant l'arrêté ministériel du 3 mai 1999 fixant les critères d'agrément des médecins généralistes.
Il était prévu que la formation de médecin généraliste puisse commencer durant la septième année des études de médecine. Le Conseil d'État voit en cela une inégalité avec la formation de spécialiste.
Ramener la formation de base en médecine à six ans est une solution possible. Le dossier figure à l'ordre du jour de la réunion du 25 avril du bureau du Conseil supérieur des médecins spécialistes et des médecins généralistes. On y examinera si une réduction est effectivement la solution la plus appropriée ou si d'autres solutions doivent éventuellement être élaborées.
|
De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Het arrest van de Raad van State van 18 januari 2007 vernietigt inderdaad gedeeltelijk het ministerieel besluit van 1 oktober 2002 tot wijziging van het ministerieel besluit van 3 mei 1999 tot vaststelling van de erkenningcriteria voor huisartsen.
Er was voorzien dat de huisartsenopleiding in het zevende jaar van de studies geneeskunde kon starten. De Raad van State ziet hierin een ongelijkheid met de specialistische opleiding.
De inkorting van de basisopleiding geneeskunde tot zes jaar is een mogelijke oplossing. Het dossier staat op 25 april op de agenda van het bureau van de Hoge Raad van Geneesheren-specialisten en van Huisartsen. Daar zal worden nagegaan of een inkorting inderdaad de meest geschikte oplossing is en of eventueel andere oplossingen moeten worden uitgewerkt.
|
M. Wouter Beke (CD&V). - Le ministre répond que le dossier est à l'ordre du jour du bureau du Conseil supérieur des médecins spécialistes et des médecins généralistes, mais il ne communique pas sa position.
Le problème n'est pas seulement l'existence d'une discrimination. Il y a aussi l'effrayante pyramide des âges chez les médecins généralistes. On observe un fort vieillissement du corps médical. En outre, la féminisation de la profession mène de plus en plus à la création de pratiques collectives, ce qui implique que, pour une même population de patients, davantage de médecins sont nécessaires. Ces données démographiques et sociologiques nous contraignent à prendre d'urgence des mesures.
Pour toutes ces raisons, j'aurais aimé entendre le point de vue personnel du ministre.
|
De heer Wouter Beke (CD&V). - De minister antwoordt dat het dossier op de agenda van het bureau van de Hoge Raad van Geneesheren-specialisten en van Huisartsen staat, maar hij laat niet in zijn kaarten kijken.
Het probleem is niet alleen dat er een discriminatie bestaat. Er is ook de verschrikkelijke leeftijdspiramide bij de huisartsen. Het korps is sterk aan het verouderen. Bovendien leidt de vervrouwelijking van het beroep tot de oprichting van almaar meer groepspraktijken, waardoor voor een gelijke patiëntenpopulatie meer artsen moeten worden ingezet. Die demografische en sociologische gegevens nopen ons ertoe dringend maatregelen te nemen.
Om die reden had ik graag het persoonlijke standpunt van de minister gehoord.
|
M. Rudy Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. - Ma position est que j'attends l'avis des médecins. Il faut trouver une solution. Réduire la formation de base à six ans est une solution possible. Je déterminerai mon point de vue après avoir reçu l'avis.
|
De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Mijn standpunt is dat ik het advies van de artsen afwacht. Er moet een oplossing worden gevonden. De inkorting van de basisopleiding tot zes jaar is een mogelijke oplossing. Nadat ik het advies heb ontvangen, zal ik mijn standpunt bepalen.
|
Projet de loi modifiant les lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970, en ce qui concerne la détermination du taux d'incapacité permanente des invalides après l'âge de 65 ans (Doc. 3-2366) (Procédure d'évocation)
|
Wetsontwerp tot wijziging, wat de vaststelling van de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 65 jaar betreft, van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970 (Stuk 3-2366) (Evocatieprocedure)
|
Discussion générale
|
Algemene bespreking
|
M. Jean Cornil (PS), rapporteur. - Je me réfère à mon rapport écrit.
|
De heer Jean Cornil (PS), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.
|
- La discussion générale est close.
|
- De algemene bespreking is gesloten.
|
Discussion des articles
|
Artikelsgewijze bespreking
|
(Le texte adopté par la commission des Affaires sociales est identique au texte du projet transmis par la Chambre des représentants. Voir le document Chambre 51-1159/6.)
|
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-1159/6.)
|
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble du projet de loi.
|
- De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.
|
Projet de loi modifiant diverses dispositions relatives aux accidents du travail, aux maladies professionnelles et au Fonds amiante, en ce qui concerne les cohabitants légaux (Doc. 3-916) (Art. 81, alinéa 3, et art. 79, alinéa 1er, de la Constitution)
|
Wetsontwerp tot wijziging van diverse bepalingen betreffende arbeidsongevallen, beroepsziekten en het Asbestfonds met betrekking tot wettelijk samenwonenden (Stuk 3-916) (Art. 81, derde lid, en art. 79, eerste lid, van de Grondwet)
|
Discussion générale
|
Algemene bespreking
|
M. Jean Cornil (PS), rapporteur. - Je me réfère à mon rapport écrit.
|
De heer Jean Cornil (PS), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.
|
- La discussion générale est close.
|
- De algemene bespreking is gesloten.
|
Discussion des articles
|
Artikelsgewijze bespreking
|
(Le texte adopté par la commission des Affaires sociales est identique au texte du projet transmis par la Chambre des représentants. Voir le document Chambre 51-2984/8.)
|
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2984/8.)
|
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble du projet de loi.
|
- De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.
|
Projet de loi modifiant la loi du 14 août 1986 relative à la protection et au bien-être des animaux (Doc. 3-1147) (Art. 81, alinéa 3, et art. 79, alinéa 1er, de la Constitution)
|
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren (Stuk 3-1147) (Art. 81, derde lid, en art. 79, eerste lid, van de Grondwet)
|
Discussion générale
|
Algemene bespreking
|
Mme la présidente. - Mme De Schamphelaere se réfère à son rapport.
|
De voorzitter. - Mevrouw De Schamphelaere verwijst naar haar verslag.
|
- La discussion générale est close.
|
- De algemene bespreking is gesloten.
|
Discussion des articles
|
Artikelsgewijze bespreking
|
(Le texte adopté par la commission des Affaires sociales est identique au texte du projet transmis par la Chambre des représentants. Voir le document Chambre 51-2771/11.)
|
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2771/11.)
|
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble du projet de loi.
|
- De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.
|
Questions orales
|
Mondelinge vragen
|
Question orale de Mme Jacinta De Roeck au ministre de la Coopération au Développement sur «l'aide humanitaire aux Sahraouis vivant dans des camps de réfugiés» (nº 3-1486)
|
Mondelinge vraag van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «de humanitaire hulp aan de tentenkampen van de Sahrawi» (nr. 3-1486)
|
Mme Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - En 1975, lorsque l'Espagne s'est retirée de la partie colonisée du Sahara, on avait promis aux autochtones qu'ils pourraient se prononcer, par référendum, pour la création d'un État indépendant ou pour une alliance avec le Maroc.
Toutefois, après le départ des Espagnols, le gouvernement marocain a annexé ce territoire d'une superficie de 285.000 kilomètres carrés et il s'est jusqu'ici opposé au référendum. Les Sahraouis qui vivaient à l'origine dans le désert ont été pourchassés et depuis une trentaine d'années, ils vivent dans des camps de réfugiés implantés dans le désert algérien, subsistant grâce à l'aide d'urgence.
Les ONG perdent toutefois leur motivation, vu l'absence de perspectives favorables à court ou moyen terme. De ce fait, les stocks de nourriture dans les camps fondent à vue d'oeil et la population n'absorbe plus le minimum indispensable de calories. Les effets de cette pénurie alimentaire sont d'ores et déjà observables chez les enfants et les nourrissons.
De plus, les autorités marocaines présentent aujourd'hui un plan d'autonomie pour le Sahara Occidental mais elles en dissimulent la teneur exacte et cherchent ainsi à donner l'impression que le problème sahraoui appartiendra bientôt au passé.
Dans cette perspective, les pays aidants sont tentés de réduire progressivement leur soutien au Sahraouis. La Belgique aurait également cette intention.
Reste cependant à savoir si le plan d'autonomie obtiendra l'assentiment de la majorité des Sahraouis réfugiés en Algérie. Un retour dans leur pays d'origine est donc loin d'être évident. Un séjour prolongé dans des campements du Sud de l'Algérie me paraît plus probable.
Si le plan d'autonomie est perçu comme une base insuffisante pour des pourparlers ultérieurs, on risque de voir les positions se durcir et le conflit se raviver, surtout si les Sahraouis concernés voient leur aide d'urgence se réduire. C'est précisément une raison pour que l'autorité apporte un soutien humanitaire.
Le gouvernement a-t-il connaissance de la teneur exacte du plan d'autonomie pour le Sahara Occidental concocté par le Maroc ? Dans l'affirmative, quelle est sa position et le plan est-il conforme aux résolutions des Nations unies ?
En quoi consiste l'aide que notre pays apporte actuellement au peuple Sahraoui, ventilée par organisation ? Quelle est à chaque fois sa valeur ?
Le gouvernement a-t-il l'intention de revoir son aide et si oui, quel impact cela aura-t-il pour les ONG concernées ?
|
Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Toen Spanje zich in 1975 terugtrok uit een gekoloniseerd deel van de Sahara, werd aan de autochtone bevolking beloofd dat er een referendum zou komen waarin kon worden gekozen tussen de oprichting van een eigen onafhankelijke staat of een samengaan met Marokko.
Het Marokkaanse bewind ging na het vertrek van de Spanjaarden echter over tot annexatie van het 285.000 vierkante kilometer grote gebied en heeft het referendum tot op de dag van vandaag tegengewerkt. De oorspronkelijke bewoners van het woestijngebied, de Sahrawi, werden op de vlucht gejaagd en wonen inmiddels al zo'n dertig jaar in vluchtelingenkampen in de Algerijnse woestijn, levend van noodhulp.
Door de afwezigheid van perspectieven op een gunstige evolutie op korte of halflange termijn, verliezen de ngo's echter hun motivatie. De voedselvoorraden in de kampen slinken daardoor zienderogen. Een gevolg van die geslonken hulp is dat de maaltijden in de kampen niet langer het aantal calorieën bevatten dat minimaal nodig is. De effecten van de voedselschaarste zijn reeds merkbaar bij de kinderen en zuigelingen.
Bovendien komt de Marokkaanse overheid thans met een autonomieplan voor de Westelijke Sahara, al houdt ze de precieze inhoud nog angstvallig geheim, en probeert zo de indruk te wekken dat de problematiek van het Sahrawivolk binnenkort verleden tijd zal zijn.
Met het vooruitzicht op zo'n eindoplossing wordt het wel zeer verleidelijk voor hulpverlenende landen om hun steun aan de Sahrawi stelselmatig terug te schroeven. We vernemen dat ook België die intentie heeft.
Toch lijkt het maar zeer de vraag of het autonomieplan op instemming zal kunnen rekenen van het merendeel van de naar Algerije gevluchte Sahrawi. Een terugkeer naar hun land van herkomst is dus allerminst vanzelfsprekend. Een verlengd verblijf in de tentenkampen in Zuid-Algerije lijkt meer voor de hand te liggen.
Wanneer het autonomieplan als een onvoldoende basis voor verdere gesprekken zal worden aangevoeld, dreigt het gevaar dat de standpunten verscherpen en het conflict opnieuw oplaait, zeker als de betrokken Sahrawi daarbovenop geconfronteerd worden met verminderende noodhulp. Juist dan moet de overheid humanitair bijspringen.
Kent de regering de concrete inhoud van het door Marokko uitgewerkte autonomieplan voor de westelijke Sahara? In bevestigend geval, welke houding neemt ze daarover in en is het plan in overeenstemming met de resoluties van de VN?
Waaruit bestaat de hulp die ons land momenteel geeft aan het Sahrawivolk, opgesplitst per organisatie? Welke waarde vertegenwoordigt dit telkens?
Heeft de regering de intentie om deze hulp aan te passen en, zo ja, welke consequenties zal dit hebben voor de betrokken ngo's?
|
M. Armand De Decker, ministre de la Coopération au développement. - La situation humanitaire au Sahara Occidental a toujours retenu toute mon attention. Comme ses partenaires européens, la Belgique soutient les efforts du Secrétaire général des Nations Unies, Ban Ki-moon, et de son Envoyé personnel, Peter Van Walsum, afin de trouver une solution politique acceptable pour toutes les parties.
J'estime qu'une solution pour ce différend doit être trouvée le plus rapidement possible, notamment en raison des implications humanitaires graves qui y sont liées. Nous devons insister auprès des parties concernées pour que soit trouvée une solution pacifique, durable et mutuellement acceptable, ce qui suppose une certaine flexibilité des parties.
En tant que membre du Conseil de Sécurité des Nations Unies jusque fin 2008, la Belgique cherchera à apporter une contribution afin de sortir de l'impasse actuelle en promouvant des discussions approfondies sur cette problématique.
Le Maroc vient de déposer un plan d'autonomie dans le cadre de la souveraineté marocaine pour le Sahara Occidental et a mené une consultation interne et internationale.
Ce plan d'autonomie doit encore être examiné et évalué dans plusieurs forums, notamment au sein de l'Union européenne et des Nations Unies. Le Conseil de Sécurité prépare par ailleurs une résolution après avoir pris connaissance du rapport du Secrétaire général sur le renouvellement du mandat de la MINURSO.
J'ai accompagné le premier ministre, Guy Verhofstadt, à Marrakech le 19 mars afin d'y lancer la Haute Commission mixte de partenariat entre les deux pays. Nous avons eu parallèlement des entretiens bilatéraux avec nos homologues marocains respectifs. Le premier ministre a déclaré que la Belgique saluait toute nouvelle initiative qui pourrait mener à une nouvelle dynamique. La semaine suivante, le 26 mars, une délégation marocaine, menée par le ministre de l'Intérieur, a été reçue par le premier ministre Verhofstadt et par le ministre des Affaires étrangères De Gucht. Elle a exposé le plan d'autonomie. Le surlendemain, une délégation algérienne a été reçue par le ministre De Gucht et quelques jours plus tard, M. Khaddad, représentant du Polisario, a été reçu par des fonctionnaires du département des Affaires étrangères.
L'aide belge aux Sahraouis s'est élevée en 2006 à 196.000 euros. Il s'agissait d'aide alimentaire distribuée par l'intermédiaire d'Oxfam Solidarité.
|
De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - De humanitaire toestand in de Westelijke Sahara heeft altijd al mijn aandacht gekregen. Net als zijn Europese partners, ondersteunt België de inspanningen van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Ban Ki-moon, en van zijn persoonlijk gezant, Peter Van Walsum, om een voor alle partijen aanvaardbare politieke oplossing te vinden.
Ik ben van oordeel dat dringend een oplossing voor dit geschil dient te worden gevonden, voornamelijk wegens de ernstige humanitaire implicaties die ermee verbonden zijn. Bij de betrokken partijen moet worden aangedrongen op een vreedzame, duurzame en wederzijds aanvaardbare oplossing, wat enige flexibiliteit van de partijen veronderstelt.
Als lid van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties tot eind 2008 zal België proberen een bijdrage te leveren om uit de impasse te raken door het bevorderen van een diepgaande discussie over de problematiek.
Marokko heeft zopas een autonomieplan ingediend in het kader van de Marokkaanse soevereiniteit over de Westelijke Sahara en heeft daarover een interne en internationale consultatie gehouden.
Dit autonomieplan moet nog worden bestudeerd en geëvalueerd in diverse fora, onder andere in de Europese Unie en de Verenigde Naties. De Veiligheidsraad bereidt trouwens een resolutie voor na kennis te hebben genomen van het rapport van de secretaris-generaal over de verlenging van het mandaat van de vredesmacht MINURSO.
Op 19 maart heb ik premier Verhofstadt naar Marrakech vergezeld om er de Haute Commission mixte de partenariat tussen onze twee landen te lanceren. Tegelijkertijd hebben we bilaterale gesprekken gevoerd met onze respectieve Marokkaanse collega's. Premier Verhofstadt heeft verklaard dat België alle initiatieven verwelkomt die tot een nieuwe dynamiek kunnen leiden. De week daarna, op 26 maart, ontvingen premier Verhofstadt en minister van Buitenlandse Zaken De Gucht een Marokkaanse delegatie onder leiding van de minister van Binnenlandse Zaken, die het autonomieplan voorlegde. Twee dagen later ontving minister De Gucht een Algerijnse delegatie en een paar dagen later werd de heer Khaddad, vertegenwoordiger van Polisario, door ambtenaren van het departement Buitenlandse Zaken ontvangen.
In 2006 bedroeg de Belgische hulp aan de Sahrawi 196.000 euro. Het ging om voedselhulp verdeeld door Oxfam Solidariteit.
|
Mme Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Je voudrais à nouveau attirer l'attention sur la situation dans les camps. Il doit en principe y avoir des stocks de nourriture pour trois mois mais il ne reste plus rien. De plus, la valeur calorique des colis distribués est bien trop faible. Il s'agit d'une véritable catastrophe.
L'absence de solution joue cependant en faveur du Maroc. Lorsque j'étais au Maroc en septembre 2005, le gouvernement était déjà en train de concocter ce plan et promettait des pourparlers avec le Polisario. Cela ne s'est pas fait.
Le Maroc prétend que le plan répond à toutes les revendications du Polisario mais ce n'est pas vrai. En tant que peuple, les Sahraouis ont le droit à l'autodétermination mais c'est précisément ce qui fait défaut dans le plan marocain. Il n'y est pas question d'un référendum.
Même si je ne l'ai pas entendu dans la réponse du ministre, j'espère que la Belgique ne réduira pas son aide alimentaire et qu'elle s'intéressera même à de nouveaux projets. Je sais que le professeur Van Cotthem s'est entretenu avec M. Verhofstadt. Même si cela paraît impossible, il y a moyen de donner un petit potager à chaque famille du désert et j'espère que la Belgique investira aussi dans ce projet, même si le Maroc rechigne quelque peu devant cette initiative.
Il faut mettre fin à ce conflit qui dure depuis 32 ans et qui pourrait bien déboucher sur un conflit armé. Peut-être est-ce cela dont ce peuple a besoin car en luttant pacifiquement pour ses droits, il tombe dans l'oubli. S'il prenait les armes, il figurerait en tête de tous les agendas politiques, ce qui n'est malheureusement pas le cas aujourd'hui.
|
Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Ik wil graag nog even de aandacht vestigen op de situatie in de tentenkampen. Normaal moet er een voedselvoorraad voor drie maanden zijn, maar die is er niet meer. Bovendien is de caloriewaarde van de pakketjes die worden uitgedeeld, veel te laag. Dat is een echte ramp.
Dat er maar geen oplossing wordt gevonden, speelt echt wel in het voordeel van Marokko. Toen ik in september 2005 in Marokko was, was de regering al met dit plan bezig en beloofde ze het met het Polisariofront te bespreken. Dat is niet gebeurd. Dat is al één steek die ze hebben laten vallen.
Marokko zegt dat het plan aan alle eisen van het Polisariofront voldoet, maar dat klopt niet. Normaal hebben de Sahrawi als volk recht op zelfbeschikking, maar net dat ontbreekt in het plan van Marokko. Er is daarin geen sprake van een referendum.
Ik heb het niet echt in het antwoord van de minister gehoord, maar ik hoop dat België ten minste dezelfde voedselhulp als nu blijft geven en zeker ook aandacht geeft aan nieuwe projecten. Ik weet dat professor Van Cotthem een onderhoud heeft gehad met minister Verhofstadt. Het klinkt onmogelijk, maar er is wel degelijk een manier om elke familie in de woestijn een eigen groentetuintje te geven en ik hoop dat België ook daarin zal investeren, ook al heeft Marokko het met dat initiatief een beetje moeilijk.
Dit conflict moet worden opgelost. Na 32 jaar zijn deze mensen het echt beu en dit zou wel eens op een gewapende conflict kunnen uitdraaien. Misschien heeft dit volk net dat nodig. Want net omdat ze zo vredelievend voor hun rechten blijven strijden, zijn ze een vergeten volk. Zouden ze de wapens opnemen, dan zouden ze bovenaan iedere beleidsagenda staan en dat is jammer genoeg nu niet het geval.
|
Question orale de M. Stefaan Noreilde au secrétaire d'État aux Entreprises publiques sur «la mise en place d'un système d'amendes administratives à la SNCB» (nº 3-1495)
|
Mondelinge vraag van de heer Stefaan Noreilde aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over «het invoeren van een administratief boetesysteem bij de NMBS» (nr. 3-1495)
|
M. Stefaan Noreilde (VLD). - Les accompagnateurs de train ont récemment interrompu le travail à Louvain et à Anvers en signe de protestation contre la violence croissante. Après concertation avec les syndicats, la SNCB a demandé que les accompagnateurs de train puissent imposer une amende aux voyageurs sans billet ou qui se méconduisent.
La société renvoie aux possibilités que les contrôleurs de De Lijn ont récemment obtenues. Depuis le 1er avril, ils peuvent eux-mêmes imposer des amendes lorsque des voyageurs ont un comportement irritant ou dangereux.
Le secrétaire d'État aux Entreprises publiques est certainement favorable à cette proposition. Dans sa réponse à ma question parlementaire du 29 juin 2006 sur le resquillage à la SNCB, il avait déjà indiqué qu'il réfléchissait à un nouveau système d'amendes administratives. Il ressortait notamment de cette réponse que de nombreux resquilleurs ne paient pas leurs amendes, que les discussions à ce sujet dégénèrent souvent en agression et que les parquets intentent rarement des poursuites.
Où en est ce système d'amendes administratives ? Quand serait-il opérationnel ? Le secrétaire d'État a-t-il déjà conclu des accords permanents à ce sujet avec les syndicats ? Vu la réponse à ma question antérieure, pourquoi n'y a-t-il pas encore eu de promesses fermes ? Quelles infractions pourraient-elles être sanctionnées par des amendes administratives ? Depuis ma dernière question, a-t-on d'autres chiffres ?
|
De heer Stefaan Noreilde (VLD). - Recent legden treinbegeleiders in Leuven en Antwerpen het werk neer uit protest tegen het toenemende geweld. Na overleg met de vakbonden vroeg de NMBS de treinbegeleiders de mogelijkheid te geven administratieve boetes uit te schrijven wanneer reizigers zwartrijden of zich misdragen.
De maatschappij verwijst naar de mogelijkheden die de controleurs van De Lijn recent kregen. Vanaf 1 april kunnen deze controleurs zelf administratieve boetes uitschrijven als reizigers hinderlijk of gevaarlijk gedrag vertonen.
De staatssecretaris is dit voorstel ongetwijfeld genegen. In zijn antwoord op mijn parlementaire vraag van 29 juni 2006 over zwartrijden bij de NMBS gaf hij immers al aan dat hij dacht aan de oprichting van een nieuw systeem met administratieve boetes. Uit dit antwoord bleek namelijk dat veel zwartrijders hun boetes niet betalen, dat de discussies hierover vaak ontaarden in agressie en dat de parketten nauwelijks vervolgen.
Hoe ver staat het met de oprichting van dit administratief boetesysteem? Wanneer zou dit systeem operationeel zijn? Heeft de staatssecretaris hieromtrent vaste afspraken met de vakbonden? Waarom zijn er, gelet op het antwoord op mijn vorige vraag, nog geen vaste beloftes gemaakt?
Welke inbreuken zouden bestraft kunnen worden op basis van administratieve sancties?
Zijn er sinds mijn laatste vraag nog nieuwe cijfergegevens bekend?
|
M. Bruno Tuybens, secrétaire d'État aux Entreprises publiques, adjoint à la ministre du Budget et de la Protection de la consommation. - Mes services ont étudié le problème en collaboration avec les cabinets compétents, la SNCB et la SNCB Holding.
Une première nécessité est l'actualisation de l'ancienne réglementation des chemins de fer contenue dans des arrêtés royaux de 1895, 1899 et 1977.
Un projet d'arrêté royal adaptant le règlement de la police des chemins de fer, actuellement éparpillé dans divers textes dépassés, aux besoins de la société moderne et au contexte dans lequel l'entreprise de chemin de fer opère est prêt et sera soumis à la signature du Roi après avis de Conseil d'État. Il pourra entrer en vigueur sous cette législature encore.
Ce projet d'arrêté est un premier pas vers l'instauration d'amendes administratives dans les trains.
Dans une deuxième phase, une réglementation légale doit être prise pour intégrer des amendes administratives dans la réglementation relative à la police des chemins de fer. Actuellement, les infractions à la réglementation des chemins de fer sont sanctionnées pénalement. Le texte du projet de loi déposé par mes services prévoit que le Roi fixe pour quelles infractions, mentionnées dans le nouvel arrêté royal portant règlement de la police des chemins de fer, la procédure pénale ne peut pas être engagée et on opte pour une amende administrative. En même temps, on donne l'habilitation au Roi de déterminer la procédure d'imposition des amendes administratives.
Le projet de loi et un projet d'arrêté en matière d'amendes administratives ont été mis au point. Tenant compte du calendrier et vu la chronologie qui doit être respectée, ils ne pourront entrer en vigueur avant la fin de la législature. Cependant, tout est mis en oeuvre pour qu'ils aboutissent sous le prochain gouvernement.
Ce dernier considère que toutes les infractions au règlement de la police des chemins de fer ne doivent pas être dépénalisées. Le resquillage, le parking sauvage dans les parkings des chemins de fer et le vandalisme entrent en ligne de compte. L'intention n'a jamais été de dépénaliser les délits aggravés de violence commis dans les trains. Pour des actes aussi graves, des poursuites pénales resteront nécessaires. Cela relève exclusivement de la police et de la justice.
Il existe des chiffres complémentaires, mais je ne puis encore les mettre à disposition car ils ne sont pas encore prêts pour la publication.
|
De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Mijn diensten hebben in samenwerking met de bevoegde kabinetten en de NMBS en NMBS Holding de problematiek bestudeerd.
Een eerste noodzaak is het actualiseren van de oude spoorreglementering vervat in koninklijke besluiten van 1895, 1899 en 1977.
Een ontwerp van koninklijk besluit dat het reglement van de politie op de spoorwegen, dat nu verspreid ligt over diverse verouderde teksten, aanpast aan de noden van de moderne samenleving en de context waarin de spoorwegonderneming opereert is klaar en zal na advies van de Raad van State aan de Koning voor ondertekening worden voorgelegd. Het zal nog deze legislatuur in werking kunnen treden.
Dit ontwerpbesluit zet een eerste stap in de richting van het invoeren van administratieve boetes in het treinverkeer.
In een tweede fase moet er een wettelijke regeling komen tot invoering van administratieve geldboetes in de reglementering op de spoorwegpolitie. Momenteel worden de inbreuken op de spoorreglementering strafrechterlijk gesanctioneerd. In de tekst van het wetsontwerp dat door mijn diensten werd opgesteld, staat dat de Koning bepaalt voor welke inbreuken, vermeld in het nieuwe koninklijk besluit houdende het reglement van de politie op de spoorwegen, de strafvordering niet kan worden ingesteld en geopteerd wordt voor een administratieve boete. Tevens wordt een machtiging aan de Koning gegeven om de procedure vast te leggen voor het opleggen van de administratieve geldboetes.
Zowel het wetsontwerp als een ontwerpbesluit inzake administratieve geldboetes zijn op punt gesteld. Rekening houdend met de timing en gezien de chronologie die moet worden gerespecteerd, zal de inwerkingtreding niet mogelijk zijn voor het einde van de legislatuur. Alles werd evenwel in gereedheid gebracht opdat de volgende regering dit snel zou kunnen afronden.
De visie van deze regering gaat uit van de vaststelling dat niet alle inbreuken op het reglement van de politie op de spoorwegen gedepenaliseerd dienen te worden. Zwartrijden, op hinderlijke wijze parkeren op spoorwegparkings en vandalisme komen hiervoor wel in aanmerking. Het is evenwel nooit de bedoeling geweest om gewelddelicten op de treinen te depenaliseren. Voor dergelijke zware ingrepen zal een strafvervolging nodig blijven. Dit blijft een exclusieve zaak van politie en gerecht.
Er zijn bijkomende cijfergegevens, maar ik kan ze nog niet ter beschikking stellen omdat ze nog niet klaar zijn voor publicatie.
|
M. Stefaan Noreilde (VLD). - Je conclus de la réponse du secrétaire d'État que la première question parlementaire sous la prochaine législature pourrait porter sur ce sujet. Je note que le travail est préparé pour le prochain gouvernement et qu'il y a une ferme volonté de progresser en cette matière.
|
De heer Stefaan Noreilde (VLD). - Uit het antwoord van de staatssecretaris leid ik af dat de eerste parlementaire vraag in de volgende legislatuur daarover zou kunnen over gaan. Ik noteer dat het werk klaar is voor de volgende regering en dat de vaste wil bestaat om daarmee door te gaan.
|
Question orale de M. Karim Van Overmeire au secrétaire d'État aux Entreprises publiques sur «la vague d'agressions contre le personnel ferroviaire» (nº 3-1502)
|
Mondelinge vraag van de heer Karim Van Overmeire aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over «de golf van agressief geweld tegenover het treinpersoneel» (nr. 3-1502)
|
M. Karim Van Overmeire (VL. BELANG). - Les agressions dans les trains posent de plus en plus de problèmes. Des questions ont déjà été posées à plusieurs reprises au parlement à ce sujet.
Pas moins de quatre agressions ont eu lieu le week-end dernier, à la suite desquelles trois conducteurs de la SNCB ont dû être hospitalisés.
Début avril, les accompagnateurs de train se sont mis en grève à Anvers et à Louvain en raison de l'insécurité croissante dans les trains. À la suite de ces grèves, la direction de la SNCB a promis de prendre des mesures de sécurité complémentaires. Certains services seraient centralisés, les lignes à risque seraient plus souvent contrôlées et à partir du 1er juin, quarante accompagnateurs de train supplémentaires devraient être engagés.
En tant qu'utilisateur régulier du train, je me demande souvent qui sont ces gens qui agressent les accompagnateurs de train. M. Benny Willems de la CGSP a déclaré à ce propos dans le journal Het Nieuwsblad qu'il s'agit surtout de jeunes issus de groupes à risque : « Pour eux, il est normal de voyager sans ticket. S'ils se font prendre, ils se mettent à menacer ou à utiliser la violence ». Des accompagnateurs de train me racontent même qu'ils reconnaissent ces jeunes dès leur montée dans le train et qu'ils pressentent immédiatement qu'ils auront des problèmes.
Aux Pays-Bas, un groupe interdisciplinaire a été mis sur pied pour faire une étude sur les resquilleurs les plus actifs sur les chemins de fer néerlandais. Cette étude montre qu'une grande partie de ces resquilleurs commettent aussi d'autres infractions et délits, notamment des faits de violence et de drogue. Ce groupe proposait déjà en 2004 de centraliser les dossiers des coupables dans un seul service de la police des chemins de fer. Cela permettait de se faire une meilleure idée des caractéristiques et des antécédents des coupables et d'en esquisser un ou plusieurs profils.
Je souhaiterais obtenir une réponse aux questions suivantes.
Dispose-t-on de données sur le profil des personnes coupables de violences dans les trains ? Dans l'affirmative, quelles conclusions peut-on en tirer ? Dans la négative, pourquoi ? À l'instar de ce qui se passe aux Pays-Bas, envisage-t-on de faire réaliser une étude afin d'esquisser le profil des coupables en vue d'assurer une meilleure prévention et de mieux combattre ce problème ?
Combien de cas d'agressions contre le personnel ferroviaire ont-elles été commises depuis le début de cette année ?
Combien de lignes ferroviaires sont-elles considérées comme étant à risque à l'heure actuelle et de quelles lignes s'agit-il ?
|
De heer Karim Van Overmeire (VL. BELANG). - Agressie op de trein wordt alsmaar problematischer. Al meer dan eens werden er in het parlement dan ook vragen over gesteld.
Afgelopen weekeinde waren er maar liefst vier verschillende gevallen van agressie, waarbij drie conducteurs van de NMBS moesten worden opgenomen in het ziekenhuis.
Wegens de toenemende onveiligheid op de treinen staakten de treinbegeleiders begin deze maand in Antwerpen en in Leuven. Naar aanleiding van die stakingen beloofde de NMBS-directie bijkomende veiligheidsmaatregelen. Een aantal diensten zouden worden gecentraliseerd, risicolijnen zouden vaker worden gecontroleerd en vanaf 1 juni zouden veertig extra treinbrigadiers worden ingezet.
Als regelmatig treingebruiker vraag ik mezelf vaak af wie die mensen zijn die agressie plegen tegenover treinbegeleiders. De heer Benny Willems van ACOD zei daarover in Het Nieuwsblad dat het vooral gaat om jongeren uit bepaalde risicogroepen: `Voor hen is het gewoon een tijdverdrijf om zonder ticket te reizen. Als ze dan betrapt worden, beginnen ze te dreigen of gebruiken ze geweld.' Treinbegeleiders zelf vertellen me dat ze deze jongeren bij het opstappen al onmiddellijk herkennen en dat ze onmiddellijk voorvoelen dat ze problemen tegemoet gaan.
In Nederland werd een interdisciplinaire projectgroep samengesteld die onderzoek doet naar de meest actieve zwartrijders bij de Nederlandse Spoorwegen. Uit de studie blijkt dat een groot deel van deze zwartrijders zich ook schuldig maakt aan het plegen van overtredingen en misdrijven, zoals vermogensmisdrijven, gewelddelicten, drugsmisdrijven en vernielingen. Die projectgroep stelde in 2004 al voor om op één centraal punt bij een dienst van de spoorwegpolitie de dossiers van de daders bij te houden. Op die manier is het mogelijk een beter inzicht te verwerven in de kenmerken en achtergronden van de daders en kunnen één of meerder daderprofielen worden opgesteld. Dat is een belangrijk element om het fenomeen de kop te kunnen indrukken.
Ik kreeg graag antwoord op volgende vragen.
Zijn er gegevens omtrent het daderprofiel van het agressief geweld in het treinverkeer? Zo ja, wat zijn hiervan de bevindingen? Zo neen, waarom niet en is men van plan onderzoek te laten verrichten om een daderprofiel op te stellen met het oog op een betere preventie en bestrijding van het probleem, zoals in Nederland het geval is?
Hoeveel gevallen van agressie tegenover het treinpersoneel werden sinds begin dit jaar vastgesteld?
Hoeveel treinverbindingen worden vandaag als risicolijn beschouwd en om welke lijnen gaat het?
|
M. Bruno Tuybens, secrétaire d'État aux Entreprises publiques, adjoint à la ministre du Budget et de la Protection de la consommation. - La violence à laquelle se réfère M. Van Overmeire vise aujourd'hui effectivement le personnel ferroviaire. La SNCB et le personnel sont victimes du même phénomène social auquel était confronté, il y a une quinzaine d'années, le monde du football lorsque quelques dizaines d'hooligans prenaient en otage des milliers de supporters.
Ce problème dépasse le groupe SNCB. Pour combattre ce phénomène, la SNCB fait appel, d'une part, à Securail qui s'occupe de la protection du personnel et de l'infrastructure du groupe SNCB et, d'autre part, à la police des chemins de fer responsable de la sécurité des voyageurs.
Quoi qu'il en soit, le nombre de cas d'agression a diminué depuis 2004. Le mois passé, il y a eu quelques cas supplémentaires. Quatre d'entre eux se sont produits durant le week-end dernier.
Auparavant, les cas d'agression étaient surtout concentrés sur la ligne 124 et, à Bruxelles, sur la liaison Nord-Sud. Le problème est plus difficile à gérer en raison de leur plus grande dispersion.
De nombreuses mesures ont été prises ces dernières années. Du personnel supplémentaire a également été engagé mais j'estime qu'il devrait être un peu plus présent sur le terrain et dans les trains. Ce point a été discuté au niveau de l'Intérieur et de la Justice.
Les questions relatives au profil et au groupe interdisciplinaire, tel qu'il existe aux Pays-Bas, doivent être posées au ministre en charge de la police, en d'autres termes au ministre de l'Intérieur.
À ce jour et par rapport à l'année dernière, on a constaté moins de cas d'agression. À l'heure actuelle aucune ligne n'est réellement à risque, mais la plupart des agressions se sont produites sur la ligne 124, en particulier à Bruxelles.
|
De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Het geweld waar de heer Van Overmeire naar verwijst, is vandaag inderdaad gericht op het treinpersoneel. De NMBS en het personeel zijn in feite slachtoffer van hetzelfde maatschappelijk fenomeen dat zich vijftien jaar geleden voordeed in het voetbal waarbij enkele tientallen hooligans duizenden supporters gijzelden.
Het gaat om een problematiek die de NMBS-groep overstijgt. Om het fenomeen te bestrijden doet de NMBS een beroep op Securail dat zich bezighoudt met de bescherming van het personeel en de infrastructuur van de NMBS-groep en daarnaast op de spoorwegpolitie die instaat voor de veiligheid van de reizigers.
Het aantal gevallen van agressie is sinds 2004 in ieder geval gedaald. In de voorbije maand waren er enkele gevallen meer. Vier ervan hebben zich het voorbije weekend voorgedaan.
De gevallen van agressie zijn meer verspreid. Vroeger waren ze vooral op lijn 124 en de Noord-Zuidverbinding in Brussel geconcentreerd. Door de grotere spreiding is de problematiek minder makkelijk beheersbaar.
Er zijn de afgelopen jaren bijzonder veel maatregelen genomen. Er werden ook extra personeelsleden aangeworven. Persoonlijk vind ik wel dat ze iets meer op het terrein, op de trein, aanwezig mogen zijn. Dat wordt besproken met Binnenlandse Zaken en Justitie.
De vragen over het profiel en de interdisciplinaire projectgroep naar het voorbeeld van Nederland moeten worden gericht aan de minister die toezicht houdt over de politie, met andere woorden aan de minister van Binnenlandse Zaken.
Tot nu toe zijn er dit jaar in vergelijking met vorig jaar ongeveer evenveel gevallen van agressie vastgesteld. Op het ogenblik is geen enkele lijn echt een risicolijn, maar de meeste agressieproblemen hebben zich voorgedaan op de lijn 124, in het bijzonder in Brussel.
|
M. Karim Van Overmeire (VL. BELANG). - La réponse du secrétaire d'État est décevante. Il ne répond pas à ma question principale et me renvoie au ministre de l'Intérieur. N'a-t-il donc aucun contact avec le ministre de l'Intérieur pour un dossier aussi important ?
Je suppose que le ministre doit quand même savoir si un projet interdisciplinaire a été ou non mis en place. Un projet de ce type a déjà porté ses fruits aux Pays-Bas.
Le secrétaire d'État fait la comparaison avec les hooligans. On s'est attaqué à ce problème qui est plus ou moins sous contrôle à l'heure actuelle. On a réalisé une étude sur le hooliganisme et les hooligans ont été interdits de stade. On ne suit pas la même voie pour les agressions commises dans les trains. Lorsque le personnel ferroviaire fait grève, est-ce parce qu'il estime qu'il ne se sent plus en sécurité sur son lieu de travail ? Les informations fournies par le ministre laissent penser que les ministres concernés ne savent pas ou ne veulent pas savoir qui sont les agresseurs.
|
De heer Karim Van Overmeire (VL. BELANG). - Het antwoord van de staatssecretaris is teleurstellend. Hij geeft geen antwoord op mijn belangrijkste vraag en verwijst me door naar de minister van Binnenlandse Zaken. Heeft de minister over zo een belangrijke zaak dan geen contact met de minister van Binnenlandse Zaken? Ik veronderstel dat de minister er toch van op de hoogte moet zijn of een interdisciplinair project al dan niet werd opgestart. In Nederland werpt een dergelijk project vruchten af.
De staatssecretaris maakt de vergelijking met de voetbalhooligans. Dat probleem werd aangepakt en is nu min of meer onder controle. Er werd een analyse van het hooliganisme gemaakt en de hooligans werd een stadionverbod opgelegd. Voor de agressie bij de spoorwegen wordt niet dezelfde weg gevolgd. Als het spoorwegpersoneel staakt dan is dat om het van mening is dat het niet meer veilig is op het werk? De gegevens die de minister verstrekt, wekken de indruk dat de bevoegde ministers niet weten of niet willen weten wie de agressors zijn.
|
Projet de loi spéciale modifiant la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour d'arbitrage, en ce qui concerne la dotation à cette Cour (Doc. 3-1063)
|
Ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, betreffende de dotatie aan dat hof (Stuk 3-1063)
|
Discussion générale
|
Algemene bespreking
|
M. Paul Wille (VLD), rapporteur. - Le deuxième examen de ce projet de loi spéciale est enfin terminé aujourd'hui. En effet, le 29 mars, nous avions - à juste titre - décidé d'entendre les représentants de la Cour d'arbitrage parce qu'ils nous avaient fait savoir que le projet de loi ne les satisfaisait pas vraiment. Ce matin, le président de la Cour d'arbitrage nous a dit qu'ils avaient défendu leur neutralité de manière tout à fait logique. Le Sénat a également été conséquent sur deux points.
Premièrement, le souci de neutralité nous obligeait à ne pas faire contrôler la Cour exclusivement par la Commission de la comptabilité d'une seule assemblée.
Deuxièmement, le Sénat souhaitait ne pas perdre le droit de codécision que lui confère la Constitution dans cette matière.
M. Mahoux avait laissé entendre qu'il y avait des voix dissonantes à la Cour d'arbitrage, mais les discours des présidents de ce matin ont montré le contraire. Ils ont pris connaissance de l'amendement qui a été déposé à mon initiative et qui vise à remplacer l'article 123, §1er, de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour d'arbitrage par la disposition suivante : « §1er. Sans préjudice du pouvoir dont dispose la Chambre des représentants de vérifier la régularité des comptes de la Cour d'arbitrage et de les approuver, les crédits nécessaires au fonctionnement de la Cour d'arbitrage sont inscrits à titre de dotation au budget général des dépenses de l'État. ».
La justification explique clairement notre motivation : « Même si elle dispose d'une autonomie financière témoignant de son indépendance en sa qualité d'arbitre entre les divers législateurs et de juge constitutionnel en matière d'actes législatifs, il faut néanmoins que la Cour d'arbitrage rende compte de la gestion des crédits qui lui sont alloués. »
Cet amendement ayant été adopté ce matin à l'unanimité par la commission, je considère que notre argumentation était suffisamment convaincante. J'espère qu'il sera ainsi mis fin aux tensions nées entre le Sénat et la Cour et entre les sénateurs et les députés.
|
De heer Paul Wille (VLD), rapporteur. - Vandaag wordt eindelijk de tweede behandeling van dit ontwerp van bijzondere wet afgerond. Op 29 maart hadden we immers - terecht - besloten om de vertegenwoordigers van het Arbitragehof te horen omdat zij ons hadden laten weten dat zij zich niet echt konden vinden in het wetsontwerp. Vanmorgen heeft de voorzitter van het Arbitragehof ons gezegd hoe consequent ze hun neutraliteit hebben verdedigd. Ook de Senaat is consequent geweest op twee punten.
Ten eerste gebood de zorg voor de neutraliteit ons het Hof niet uitsluitend te laten controleren door de Commissie voor de comptabiliteit van één assemblee.
Ten tweede wenste de Senaat zijn in deze materie constitutioneel vastgelegd medebeslissingsrecht niet te verliezen.
De heer Mahoux had laten uitschijnen dat er dissonante stemmen waren in het Arbitragehof, maar uit de toespraken van de voorzitters vanochtend is het tegendeel gebleken. Ze hebben kennis genomen van het amendement dat toevallig op mijn initiatief werd ingediend en dat ertoe strekt om artikel 123, §1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof als volgt te vervangen: `§1. Onverminderd de bevoegdheid van de Kamer van volksvertegenwoordigers om de rekeningen van het Arbitragehof op hun regelmatigheid te verifiëren en goed te keuren, worden de kredieten die voor de werking van het Arbitragehof nodig zijn, uitgetrokken als dotatie op de algemene uitgavenbegroting van het Rijk.' De verantwoording verklaart duidelijk onze motivatie: `De financiële autonomie waarmee de onafhankelijkheid van het Arbitragehof als scheidsrechter tussen de verschillende wetgevers en als grondwettelijk rechter van wetgevende handelingen wordt gekenmerkt, verhindert niet dat het Arbitragehof door voorlegging van de rekeningen verantwoording dient af te leggen over het beheer van de hem toevertrouwde kredieten.'
Aangezien dit amendement vanochtend met eenparigheid van stemmen door de Commissie werd aangenomen, ga ik ervan uit dat onze argumentatie voldoende overtuigend was. Ik hoop dat aldus een einde komt aan het spanningsveld dat was ontstaan tussen de Senaat en het Hof en tussen de senatoren en de volksvertegenwoordigers.
|
- La discussion générale est close.
|
- De algemene bespreking is gesloten.
|
Discussion des articles
|
Artikelsgewijze bespreking
|
(Pour le texte amendé par la commission des Affaires institutionnelles, voir document 3-1063/6.)
|
(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden, zie stuk 3-1063/6.)
|
- Les articles 1er et 2 sont adoptés sans observation.
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble du projet de loi.
|
- De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.
- Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
|
Projet de loi portant assentiment à l'accord de coopération du 9 février 2007 modifiant l'accord de coopération du 13 décembre 2002 entre l'État fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale relatif à l'exécution et au financement de l'assainissement du sol des stations-service (Doc. 3-2114)
|
Wetsontwerp houdende de instemming met het samenwerkingsakkoord van 9 februari 2007 tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 13 december 2002 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en de financiering van de bodemsanering van tankstations; Stuk 3-2114/1 tot 4.
|
Discussion générale
|
Algemene bespreking
|
Mme Joëlle Kapompolé (PS), rapporteuse. - Je me réfère à mon rapport écrit.
|
Mevrouw Joëlle Kapompolé (PS), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.
|
- La discussion générale est close.
|
- De algemene bespreking is gesloten.
|
Discussion des articles
|
Artikelsgewijze bespreking
|
(Pour le texte amendé par la commission des Finances et des Affaires économiques, voir document 3-2114/4.)
|
(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden, zie stuk 3-2114/4.)
|
- Les articles 1er à 3 sont adoptés sans observation.
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble du projet de loi.
|
- De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.
- Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
|
Projet de loi relative à la répression de la contrefaçon et de la piraterie de droits de propriété intellectuelle (Doc. 3-2126) (Procédure d'évocation)
|
Wetsontwerp betreffende de bestraffing van namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten (Stuk 3-2126) (Evocatieprocedure)
|
Discussion générale
|
Algemene bespreking
|
Mme Joëlle Kapompolé (PS), rapporteuse. - Je me réfère à mon rapport écrit.
|
Mevrouw Joëlle Kapompolé (PS), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.
|
- La discussion générale est close.
|
- De algemene bespreking is gesloten.
|
Discussion des articles
|
Artikelsgewijze bespreking
|
(Le texte adopté par la commission des Finances et des Affaires économiques est identique au texte du projet transmis par la Chambre des représentants. Voir le document Chambre 51-2852/4.)
|
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2853/4.)
|
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble du projet de loi.
|
- De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.
|
Projet de loi portant modification de la procédure de fixation du taux maximum de référence pour les opérations d'assurance à long terme (Doc. 3-2127) (Procédure d'évocation)
|
Wetsontwerp tot wijziging van de procedure tot vaststelling van de maximale referentierentevoet voor verzekeringsverrichtingen van lange duur (Stuk 3-2127) (Evocatieprocedure)
|
Discussion générale
|
Algemene bespreking
|
M. Berni Collas (MR), rapporteur. - Je me réfère à mon rapport écrit.
|
De heer Berni Collas (MR), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.
|
- La discussion générale est close.
|
- De algemene bespreking is gesloten.
|
Discussion des articles
|
Artikelsgewijze bespreking
|
(Le texte adopté par la commission des Finances et des Affaires économiques est identique au texte du projet transmis par la Chambre des représentants. Voir le document Chambre 51-2844/4.)
|
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2844/4.)
|
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble du projet de loi.
|
- De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.
|
Projet de loi relatif aux aspects civils de la protection des droits de propriété intellectuelle (Doc. 3-2348) (Procédure d'évocation)
|
Wetsontwerp betreffende de burgerrechtelijke aspecten van de bescherming van intellectuele eigendomsrechten (Stuk 3-2348) (Evocatieprocedure)
|
Projet de loi relatif aux aspects de droit judiciaire de la protection des droits de propriété intellectuelle (Doc. 3-2349)
|
Wetsontwerp betreffende de aspecten van gerechtelijk recht van de bescherming van intellectuele eigendomsrechten (Stuk 3-2349)
|
Discussion générale
|
Algemene bespreking
|
Mme Joëlle Kapompolé (PS), rapporteuse. - Je me réfère à mon rapport écrit.
|
Mevrouw Joëlle Kapompolé (PS), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.
|
Mme Nathalie de T' Serclaes (MR). - Ces deux projets de loi ont été adoptés en commission des Finances et des Affaires économiques. Je n'ai pas eu l'occasion de participer à ces travaux. Or, le second projet comprend un important volet judiciaire sur lequel je souhaiterais intervenir.
J'ai pris connaissance de l'avis - rendu d'office et à l'unanimité - du Conseil de la propriété intellectuelle concernant, en particulier, la question de la compétence des tribunaux. Ce projet a été longuement débattu au sein de l'administration, en coopération avec les experts et le Conseil de la propriété intellectuelle, mais l'avant-projet ainsi établi par l'administration n'a pas été retenu en tant que tel.
Les experts et l'administration compétente souhaitaient une centralisation beaucoup plus importante par l'attribution au seul tribunal de commerce de Bruxelles du traitement de ces litiges pour l'ensemble du pays. Nous serions ainsi passés du système actuel, qui prévoit l'intervention de cinq tribunaux siégeant dans les mêmes villes que les cours d'appel, à un dispositif impliquant un seul tribunal de commerce pour l'ensemble du pays. Cette solution est d'ailleurs déjà appliquée pour les marques et dessins ou modèles communautaires : seul le tribunal de commerce de Bruxelles est compétent.
Le projet déposé par le gouvernement n'a pas retenu cette option. En effet, le texte propose l'attribution de cette compétence à cinq tribunaux. De plus, il ne contient pas les mesures qui avaient été proposées et qui permettaient de garantir une plus grande mobilité des quelques magistrats qui traitent actuellement de ce genre de litiges dans les tribunaux de première instance. Par conséquent, ces litiges, de nature particulièrement technique, seront désormais dispersés dans cinq tribunaux de commerce n'ayant que très peu d'expérience en la matière.
Sur le plan pratique, les experts et le Conseil de la propriété intellectuelle craignent que cette situation n'entraîne une regrettable insécurité juridique pour les entreprises impliquées dans des litiges extrêmement compliqués et dont les enjeux sont très importants.
Aucune justification n'est donnée au maintien de ces compétences dans les ressorts de cour d'appel. Dans le compte rendu des travaux de la Chambre, le ministre évoque un risque de surcharge. Or, selon le conseil, une trentaine d'affaires seulement sont plaidées dans l'ensemble du pays. Le risque est donc faible de voir ce type de dossiers encombrer le tribunal de commerce de Bruxelles.
Les autres pays ont également limité le nombre de tribunaux ; l'Allemagne, par exemple, n'en compte que trois ou quatre. À l'échelon européen, il est également demandé de limiter les tribunaux compétents, en raison de l'hyperspécialisation de ces matières.
Certaines personnes, dont celles qui siègent au Conseil de la propriété intellectuelle, sont extrêmement inquiètes de la manière dont a été envisagé le volet judiciaire de la transposition de la directive - cet aspect n'y figurait d'ailleurs pas.
Monsieur le ministre, comme nous sommes en fin de législature, il sera impossible de revoir cette dispersion des compétences mais il faudra tout de même y revenir car les enjeux sont extrêmement importants pour les entreprises. Or, très peu de magistrats connaissent bien cette matière extrêmement spécialisée, sans compter le problème de la langue puisque beaucoup de ces dossiers, de dimension internationale, sont en anglais.
Je regrette que le gouvernement n'ait suivi ni l'avis de l'administration ni l'avis du Conseil de la propriété intellectuelle.
|
Mevrouw Nathalie de T' Serclaes (MR). - Beide wetsontwerpen werden in de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden aangenomen. Ik heb niet aan de werkzaamheden kunnen deelnemen, maar toch wil ik iets zeggen over het tweede ontwerp.
Ik heb kennis genomen van het advies van de Raad voor de Intellectuele Eigendom, in het bijzonder met betrekking tot de bevoegdheid van de rechtbanken. De administratie heeft samen met de experts en de Raad voor de Intellectuele Eigendom lang over dit ontwerp gedebatteerd, maar het voorontwerp dat de administratie had opgesteld, is uiteindelijk niet overgenomen.
De experts en de bevoegde administratie waren voorstander van een grotere centralisatie. Ze wilden dat alleen de rechtbank van koophandel te Brussel alle betwistingen van over heel het land zou behandelen. Het voorliggende regeringsontwerp gaat uit van een systeem waarbij vijf rechtbanken die zetelen in dezelfde steden waar de hoven van beroep gevestigd zijn, bevoegd zijn. Die oplossing wordt reeds gehanteerd voor de gemeenschappelijke merken en tekeningen en modellen; daarvoor is enkel de rechtbank van koophandel te Brussel bevoegd.
Ook de voorgestelde maatregelen om een grotere mobiliteit te verzekeren van de magistraten die dergelijke geschillen in de rechtbanken van eerste aanleg behandelen, werden niet overgenomen. Bijgevolg worden die zeer technische geschillen nu verspreid over vijf rechtbanken van koophandel, waar slechts zeer weinig expertise terzake aanwezig is.
Op praktisch vlak vreesden de experts en de Raad voor de Intellectuele Eigendom dat de situatie rechtsonzekerheid met zich zou meebrengen voor de ondernemingen die betrokken zijn bij die zeer complexe geschillen, waarbij zeer veel op het spel staat.
Er werd nergens een verantwoording gegeven voor het behoud van de bevoegdheden in de zetels van de hoven van beroep. In het verslag van de Kamer wees de minister op de `mogelijkheid van een te zware belasting'. Volgens de Raad zou in heel het land slechts een dertigtal zaken worden gepleit. Het risico van een overbelasting van de rechtbank van koophandel te Brussel is dan ook gering.
Ook de andere landen hebben het aantal bevoegde rechtbanken beperkt. Zo zijn in Duitsland slechts drie of vier rechtbanken bevoegd. Ook Europa drong aan op een beperking van het aantal bevoegde rechtbanken omdat de materie zo gespecialiseerd is.
Sommigen, onder wie de leden van de Raad voor de Intellectuele Eigendom, zijn zeer bezorgd over de manier waarop het juridische deel van de omzetting van de richtlijn werd aangepakt. Dat aspect komt niet in het ontwerp voor.
Aangezien de regeerperiode ten einde loopt, zal de versnippering van de bevoegdheden niet meer kunnen worden herzien. Toch moeten we dit na de verkiezingen herbekijken, want voor de ondernemingen staat er heel wat op het spel. Zeer weinig magistraten zijn vertrouwd met deze zeer gespecialiseerde materie. Bovendien is er het taalprobleem, want heel veel van die dossiers hebben een internationale dimensie en zijn in het Engels opgesteld.
Het is jammer dat de regering het advies van de administratie en van de Raad voor de Intellectuele Eigendom niet heeft gevolgd.
|
- La discussion générale est close.
|
- De algemene bespreking is gesloten.
|
Discussion des articles du projet de loi relatif aux aspects civils de la protection des droits de propriété intellectuelle (Doc. 3-2348) (Procédure d'évocation)
|
Artikelsgewijze bespreking van het wetsontwerp betreffende de burgerrechtelijke aspecten van de bescherming van intellectuele eigendomsrechten (Stuk 3-2348) (Evocatieprocedure)
|
(Le texte adopté par la commission des Finances et des Affaires économiques est identique au texte du projet transmis par la Chambre des représentants. Voir le document Chambre 51-2943/4.)
|
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2943/4.)
|
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble du projet de loi.
|
- De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.
|
Discussion des articles du projet de loi relatif aux aspects de droit judiciaire de la protection des droits de propriété intellectuelle (Doc. 3-2349)
|
Artikelsgewijze bespreking van het wetsontwerp betreffende de aspecten van gerechtelijk recht van de bescherming van intellectuele eigendomsrechten (Stuk 3-2349)
|
(Le texte adopté par la commission des Finances et des Affaires économiques est identique au texte du projet transmis par la Chambre des représentants. Voir le document Chambre 51-2944/4.)
|
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2944/4.)
|
- Les articles 1er à 34 sont adoptés sans observation.
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble du projet de loi.
|
- De artikelen 1 tot 34 worden zonder opmerking aangenomen.
- Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
|
Projet de loi fixant un cadre juridique pour certains prestataires de services de confiance (Doc. 3-2409) (Procédure d'évocation)
|
Wetsontwerp tot vaststelling van een juridisch kader voor sommige verleners van vertrouwensdiensten (Stuk 3-2409) (Evocatieprocedure)
|
Discussion générale
|
Algemene bespreking
|
Mme la présidente. - La parole est à M. Collas pour un rapport oral.
|
De voorzitter. - Het woord is aan de heer Collas voor een mondeling verslag.
|
M. Berni Collas (MR). - Ce projet de loi relevant de la procédure bicamérale optionnelle (document nº 51-2802/001 de la Chambre) fut déposé à la Chambre des représentants en tant que projet de loi du gouvernement. Il a été adopté à l'unanimité par la Chambre le 12 avril 2007, transmis au Sénat le 13 avril et évoqué le 16 avril. La commission l'a examiné au cours de sa réunion du 18 avril 2007.
Le ministre de l'Économie, de l'Énergie, du Commerce extérieur et de la Politique scientifique a présenté un exposé introductif.
Le développement harmonieux des échanges sur les réseaux numériques suppose sans aucun doute un renforcement de la « sécurité » et de la « confiance ». À cet égard, on assiste depuis quelques années à l'apparition de « tiers de confiance », dont la fonction est d'apporter des garanties de sécurité et de fiabilité. Ainsi, il existe des services de certification, d'archivage et d'horodatage de données électroniques, de recommandé électronique et de blocage transitoire des sommes versées.
|
De heer Berni Collas (MR). - Dit optioneel bicameraal wetsontwerp, Stuk Kamer nr. 51-2802/001, werd in de Kamer van Volksvertegenwoordigers ingediend als een wetsontwerp van de regering. Het werd op 12 april 2007 eenparig aangenomen door de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Het werd op 13 april 2007 overgezonden aan de Senaat en op 16 april 2007 geëvoceerd. De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergadering van 18 april 2007.
De minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid gaf een inleidende uiteenzetting.
Voor een harmonieuze ontwikkeling van het handelsverkeer op de digitale netwerken is een grotere beveiliging en een versterking van het vertrouwen ontegensprekelijk noodzakelijk. Reeds enkele jaren steekt het fenomeen van de derde vertrouwenspersoon de kop op. Hij heeft als functie meer garanties inzake veiligheid en betrouwbaarheid van de elektronisch aangeboden diensten te bieden. Zo ontstonden onder meer diensten in verband met de certificatie, de archivering, de tijdsregistratie van elektronische gegevens, diensten in verband met elektronisch aangetekende zendingen en de tijdelijke blokkering van gestorte sommen.
|
Le marché des services de confiance est en plein essor. Certaines difficultés se posent toutefois et ces services présentent un niveau de qualité variable. L'absence de cadre juridique engendre inévitablement des obstacles. Tout d'abord, certains prestataires de services peu scrupuleux offrent des services qui ne sont pas suffisamment fiables au niveau technique et juridique. Ensuite, en l'absence de normes minimales, le client peut difficilement vérifier quel prestataire mérite sa confiance et donc quel service correspond le mieux à ses besoins. Enfin, les juges risquent d'être confrontés à des questions juridiques épineuses quant à ces services, pour lesquels le droit commun s'avère insuffisant.
|
De markt van de vertrouwensdiensten is in volle expansie. Toch blijven er problemen bestaan en de kwaliteit verschilt van verlener tot verlener. Het ontbreken van een juridisch kader brengt uiteraard problemen met zich mee. Zo bieden sommige weinig scrupuleuze dienstverleners diensten aan die niet noodzakelijk technisch en juridisch betrouwbaar zijn. Ook kan de klant door de afwezigheid van minimumnormen moeilijk nagaan welke verlener zijn vertrouwen verdient en welke dienst het best aan zijn behoeften beantwoordt. Ten slotte dreigen de rechters met zeer lastige juridische vragen te worden geconfronteerd waarop het gemeen recht geen antwoord biedt.
|
Il est dès lors primordial d'encadrer juridiquement ces activités nouvelles. Le présent projet de loi vise les services d'archivage électronique, d'horodatage électronique, de recommandé électronique et de blocage transitoire des sommes versées.
Le corps de règles envisagé cherche un équilibre entre la souplesse et la sécurité. Il s'agit d'établir un cadre relativement souple pour stimuler l'offre des services de confiance, dans le respect des contraintes européennes. En même temps, ce cadre doit être suffisamment sécurisant pour protéger les destinataires des services de confiance et leur assurer un niveau minimum de qualité.
Afin de réaliser ces objectifs, le cadre juridique des prestataires de services de confiance est divisé en deux volets intimement liés.
|
Het is dan ook van primordiaal belang dat deze nieuwe activiteiten juridisch worden omkaderd. Dit wetsontwerp beoogt de diensten in verband met elektronische archivering, elektronische registratie, elektronisch aangetekende post en tijdelijke blokkering van gestorte sommen.
Met de geplande regelgeving wordt een evenwicht beoogd tussen soepelheid en veiligheid. De uitdaging bestaat erin een relatief soepel kader uit te werken om het aanbod van vertrouwensdiensten te stimuleren, zonder de Europese voorschriften uit het oog te verliezen. Dat kader moet tegelijkertijd voldoende veiligheid en bescherming bieden aan de afnemers van vertrouwensdiensten en hen een minimaal niveau van kwaliteit kunnen garanderen.
Om deze doelstellingen te realiseren, werd het juridische kader van de vertrouwensdienstverleners onderverdeeld in twee luiken, die nauw met elkaar samenhangen.
|
Le premier volet mis en oeuvre par ce projet de loi comprend les conditions communes contraignantes pour les quatre services de confiance concernés. Toute personne physique ou morale qui fournit l'un de ces services doit donc au moins respecter ces normes élémentaires communes. Ces obligations ont trait à l'impartialité, la confidentialité et la sécurité des données transmises, à l'information du client sur certains aspects du service, à la qualification et à l'expérience du personnel dans le domaine du service offert, à la solidité financière, etc. La plupart de ces obligations sont liées à un système de contrôle et de répression.
|
Het eerste deel van het wetsontwerp betreft de gemeenschappelijke voorwaarden die dwingend zijn voor de vier betrokken vertrouwensdiensten. Zo moet elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een van die diensten levert, ten minste aan deze gemeenschappelijke basisnormen voldoen, die volgende verplichtingen inhouden: onpartijdigheid, vertrouwelijkheid en veiligheid van de doorgegeven gegevens, voorlichting van de afnemer in verband met sommige aspecten van de dienst, kwalificatie en ervaring van het personeel wat de geleverde dienst betreft, financiële solidariteit enzovoort. Die verplichtingen zijn gekoppeld aan een systeem van controle- en strafsancties.
|
Le second volet est confié au Roi par une délégation de pouvoirs spéciaux. Le Roi peut établir les garanties spécifiques à chacun des services tout en veillant à la neutralité technologique et à la nécessité de disposer d'un cadre flexible permettant de tenir compte des évolutions technologiques.
M. Willems et moi-même avons posé deux questions relatives au nombre de prestataires de services et à la facturation électronique ou e-billing.
L'ensemble du projet de loi a été adopté par les dix membres présents.
Confiance a été faite au rapporteur pour un rapport oral.
|
Het tweede luik is gewijd aan het delegeren van bevoegdheden aan de Koning. De Koning kan de garanties vastleggen die specifiek zijn voor elk van de diensten, met respect voor de technologische neutraliteit en met oog voor de noodzaak van een flexibel kader dat is aangepast aan de evolutie van de techniek.
De heer Willems en ikzelf hebben twee vragen gesteld aangaande het aantal dienstverleners en de e-billing.
Het wetsontwerp in zijn geheel werd aangenomen door de 10 aanwezige leden.
Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het uitbrengen van het mondeling verslag.
|
- La discussion générale est close.
|
- De algemene bespreking is gesloten.
|
Discussion des articles
|
Artikelsgewijze bespreking
|
(Le texte adopté par la commission des Finances et des Affaires économiques est identique au texte du projet transmis par la Chambre des représentants. Voir le document Chambre 51-2802/5.)
|
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2802/5.)
|
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble du projet de loi.
|
- De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.
|
Projet de loi relatif aux accords de consommation ; (Doc. 3-2359) (Procédure d'évocation)
|
Wetsontwerp betreffende de consumentenakkoorden (Stuk 3-2359) (Evocatieprocedure)
|
Proposition de loi modifiant la loi du 14 juillet 1991 sur les pratiques du commerce et sur l'information et la protection du consommateur, relative aux accords collectifs de consommation (de Mme Joëlle Kapompolé et Mme Olga Zrihen, Doc. 3-1407)
|
Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en de bescherming van de consument, in verband met de collectieve consumptieakkoorden (van mevrouw Joëlle Kapompolé en mevrouw Olga Zrihen, Stuk 3-1407)
|
Discussion générale
|
Algemene bespreking
|
Mme Stéphanie Anseeuw (VLD), rapporteuse. - Le projet de loi à l'examen, qui relève de la procédure bicamérale facultative, a été déposé initialement à la Chambre des représentants. Adopté le 29 mars 2007 par la Chambre des représentants par 89 voix et 39 abstentions, il a été transmis le 30 mars 2007 au Sénat qui l'a évoqué le même jour. La commission a examiné le projet de loi qui fait l'objet du présent rapport au cours de sa réunion du 11 avril.
Étant donné le lien étroit de connexité existant entre le présent projet de loi et la proposition de loi modifiant la loi du 14 juillet 1991 sur les pratiques du commerce et sur l'information et la protection du consommateur, relative aux accords collectifs de consommation, la proposition a été incluse dans la discussion. Elle avait déjà été examinée le 8 février 2006.
Depuis une trentaine d'années, le droit de la consommation a connu une profonde évolution. Dans nombre de secteurs, le législateur a clarifié les rapports entre les vendeurs et les consommateurs par des règles générales ou particulières. Les pratiques du commerce, les services financiers, la sécurité des consommateurs constituent des champs largement investis par le législateur. La loi ne peut régler une fois pour toutes l'ensemble des situations. C'est pourquoi sont apparues de nouvelles formes de régulation. On range sous ce vocable des outils très divers comme des codes de conduite, des chartes, la normalisation, le traitement extrajudiciaire des plaintes, etc. Ce ne sont pas des nouvelles formes de régulation au sens où les anciennes seraient périmées. Loin s'en faut. La loi reste le mode privilégié de la gestion des rapports sociaux. Il faut les considérer comme des formes complémentaires.
L'ensemble du projet de loi est adopté par 6 voix et 3 abstentions.
Par suite de l'adoption du projet, la proposition de loi modifiant la loi du 14 juillet 1991 sur les pratiques du commerce et sur l'information et la protection du consommateur, relative aux accords collectifs de consommation devient sans objet.
Confiance a été faite à la rapporteuse pour la rédaction du présent rapport.
|
Mevrouw Stéphanie Anseeuw (VLD), rapporteur. - Dit optioneel bicameraal wetsontwerp werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers oorspronkelijk ingediend als een wetsvoorstel. Het werd op 29 maart 2007 door de Kamer aangenomen met 89 stemmen bij 39 onthoudingen. Het werd op 30 maart 2007 overgezonden aan de Senaat en op dezelfde dag geëvoceerd. De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergadering van 11 april.
Gegeven de nauwe samenhang werd het wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en de bescherming van de consument, in verband met de collectieve consumptieakkoorden mee in behandeling genomen. Dit voorstel werd reeds besproken op 8 februari 2006.
Het consumentenrecht is sterk geëvolueerd de laatste dertig jaar. In verscheidene sectoren heeft de wetgever de verhoudingen tussen de verkopers en de consumenten uitgeklaard, door middel van algemene of bijzondere regels. De wetgever heeft in belangrijke mate ingegrepen op het vlak van de handelspraktijken, de financiële diensten, de veiligheid van de consumenten. De wet kan echter niet eens en voor altijd alle situaties regelen. Daarom zijn er nieuwe vormen van regelgeving opgedoken. Hiermee worden zeer verschillende methodes aangeduid zoals gedragscodes, charters, de normalisering, de buitengerechtelijke behandeling van de klachten, enzovoort. Het gaat niet om nieuwe vormen van regelgeving in de zin dat de klassieke vormen achterhaald zouden zijn. Integendeel. De wet blijft het middel bij uitstek om de maatschappelijke verhoudingen te regelen. Deze nieuwe vormen moeten worden beschouwd als aanvullingen.
Het wetsontwerp in zijn geheel werd aangenomen met 6 stemmen bij 3 onthoudingen.
Ingevolge de goedkeuring van het ontwerp vervalt het wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en de bescherming van de consument, in verband met de collectieve consumptieakkoorden.
Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.
|
Mme Joëlle Kapompolé (PS). - Je remercie la rapporteuse de son rapport.
Comme je l'ai rappelé au nom du groupe socialiste en commission des Finances et des Affaires économiques, les mesures dont nous discutons aujourd'hui auraient pu être adoptées depuis bien longtemps. En effet, le 21 octobre 2005, la sénatrice Olga Zrihen et moi-même déposions une proposition de loi modifiant la loi du 14 juillet 1991 sur les pratiques du commerce et l'information et la protection du consommateur, relative aux accords collectifs de consommation.
Comme l'a rappelé Mme Anseeuw, le dépôt de notre proposition partait du constat suivant. Le droit de la consommation a connu depuis une trentaine d'années une profonde évolution. De nombreuses interventions législatives ont abouti à régir largement aujourd'hui les rapports entre les vendeurs et les consommateurs, que ce soit par des règles générales ou particulières.
Il est vrai que la loi ne peut régler toutes les situations susceptibles d'intervenir dans les rapports croissants entre vendeurs et consommateurs et de nouvelles formes de régulation complémentaires aux outils existants se sont mises en place plus ou mois spontanément, comme par exemple des chartes et des codes de bonne conduite. Ceux-ci se sont révélés dans certains cas, grâce à leur souplesse, leur rapidité et leur spécificité, très efficaces pour atteindre des objectifs clairement définis.
Cependant, la sécurité juridique, la légitimité même de ces accords et leur efficacité nécessitent un cadre pour leur production, leur négociation et leur conclusion.
Olga Zrihen et moi-même pensions que l'existence de ce cadre permettrait dans une large mesure de pallier les inconvénients actuels de ces modes de régulation, à savoir le manque de publicité de ces accords, l'absence de sanction effective du non-respect de ceux-ci, le manque de participation volontaire des organisations professionnelles.
Notre texte visait donc à fournir aux accords collectifs de consommation ce cadre indispensable. On voulait d'ailleurs s'inspirer de la pratique mise en place au sein du Conseil de la consommation ces dernières années, pratique ayant notamment abouti à l'établissement de normes de conduite applicables aux organisations professionnelles en matière de publicité pour les fêtes enfantines ou en matière de marketing bancaire pour les jeunes.
Ces normes doivent être considérées comme une expression de la loyauté devant exister dans les rapports entre consommateurs et professionnels.
Cette interprétation est d'ailleurs conforme à celle de la Commission européenne qui, dans sa communication sur le suivi du Livre vert sur la protection des consommateurs dans l'Union européenne, précise que le non-respect d'un engagement volontaire doit être considéré comme une pratique commerciale trompeuse et déloyale. Ce texte ne dit donc rien d'autre que ce qui existe déjà au niveau du droit communautaire.
Je tiens aussi à rappeler que le projet et la proposition ne sont pas identiques. En effet, la proposition de loi se distingue par la plus grande sécurité juridique qui entoure la bonne application de ces accords. D'après le texte du gouvernement, c'est l'accord lui-même qui prévoit la manière dont les plaintes des consommateurs sont traitées. Or, il aurait mieux valu, selon nous et selon la recommandation de la Commission européenne du 3 avril 2001, confier cette tâche à un organe extrajudiciaire de règlement de conflit.
La proposition socialiste prévoyait aussi que, par dérogation aux articles 17 et 18 du Code judiciaire, les organisations de consommateurs et les organisations professionnelles de ces accords pouvaient, en cas de violation de ceux-ci, agir en justice pour la défense de leurs intérêts collectifs.
Malgré ces distinctions, et même si le texte qui sera soumis à notre assemblé ne va pas aussi loin que notre proposition, le groupe socialiste votera en sa faveur, dans la mesure où il constitue tout de même une avancée dans la protection du droit des consommateurs.
|
Mevrouw Joëlle Kapompolé (PS). - Ik dank de rapporteur voor haar verslag.
Zoals ik in de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden al heb gezegd, konden de voorliggende maatregelen reeds lang zijn aangenomen. Op 21 oktober 2005 hebben collega Zrihen en ikzelf een wetsvoorstel ingediend tot wijziging van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en de bescherming van de consument, in verband met de collectieve consumptieakkoorden.
Zoals mevrouw Anseeuw al aangaf ging ons voorstel uit van de vaststelling dat het consumentenkrediet de jongste dertig jaar sterk is geëvolueerd. Talrijke wetgevingsinitiatieven hebben ertoe geleid dat de verhoudingen tussen verkopers en consumenten in ruime mate geregeld zijn, hetzij door algemene, hetzij door bijzondere regels.
De wet kan evenwel niet alle toestanden regelen die zich in het voortdurend toenemende aantal verhoudingen tussen verkopers en consumenten kunnen voordoen. Er zijn spontaan nieuwe vormen van regulering tot stand gekomen, onder meer handvesten en gedragscodes, die complementair zijn aan de bestaande mogelijkheden. In bepaalde gevallen zijn die dankzij hun soepelheid, snelheid en specificiteit, heel efficiënt gebleken om duidelijk omschreven doelstellingen te bereiken.
Om de rechtszekerheid, de legitimiteit en de efficiëntie van die akkoorden te garanderen is een kader nodig waarin ze tot stand kunnen worden gebracht, erover kan worden onderhandeld en ze kunnen worden gesloten.
Olga Zrihen en ikzelf denken dat een dergelijk kader er in hoge mate kan voor zorgen dat de huidige nadelen van die manier van conflictregeling worden verholpen: het gebrek aan bekendheid van die akkoorden, het uitblijven van een effectieve sanctie wanneer die akkoorden niet in acht worden genomen, het gebrek aan vrijwillige deelname van de beroepsorganisaties enzovoort.
Met onze tekst willen wij dat kader voor de collectieve consumptieakkoorden creëren. Daartoe hebben we inspiratie geput uit de praktijk die de jongste jaren in de Raad voor het Verbruik werd ingesteld en die geleid heeft tot de totstandkoming van gedragsregels voor beroepsorganisaties inzake reclame voor kinderfeesten of voor bankmarketing voor jongeren.
Die regels moeten worden beschouwd als een uiting van de noodzakelijke loyaliteit in de verhouding tussen consumenten en professionals.
Deze interpretatie sluit aan bij die van de Europese Commissie, die in haar mededeling over de follow-up van het Groenboek over de Consumentenbescherming in de Europese Unie het volgende stelt: `Om te beginnen moet in elke algemene verplichting het niet-nakomen van een vrijwillige verbintenis van een bedrijf tegenover de consument hetzij als een misleidende, hetzij als een oneerlijke handelspraktijk worden aangemerkt.'
Het wetsontwerp en het wetsvoorstel zijn niet identiek. Ons wetsvoorstel biedt meer rechtszekerheid bij de toepassing van de akkoorden. Volgens het wetsontwerp bepaalt de regering zelf hoe klachten van consumenten worden behandeld. Volgens ons en ook volgens de aanbeveling van de Europese Commissie van 3 april 2001 had men er beter aan gedaan die taak toe te vertrouwen aan een buitengerechtelijk orgaan dat belast wordt met de beslechting van geschillen.
In het socialistische voorstel staat ook dat in afwijking van de bepalingen van de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek, de consumentenorganisaties en de beroepsorganisaties die collectieve consumptieakkoorden hebben ondertekend of die ertoe zijn toegetreden, bij schending daarvan in rechte kunnen optreden om hun statutair bepaalde collectieve belangen te verdedigen.
Ondanks die verschillen en ondanks het feit dat de voorliggende tekst niet zo ver gaat als ons wetsvoorstel zal de PS-fractie de tekst goedkeuren omdat dit een duidelijke vooruitgang is in de bescherming van de consument.
|
- La discussion générale est close.
|
- De algemene bespreking is gesloten.
|
Discussion des articles
|
Artikelsgewijze bespreking
|
(Le texte adopté par la commission des Finances et des Affaires économiques est identique au texte du projet transmis par la Chambre des représentants. Voir le document Chambre 51-2940/4.)
|
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2940/4.)
|
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble du projet de loi.
|
- De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.
|
Projet de loi modifiant la loi du 14 juillet 1991 sur les pratiques du commerce et sur l'information et la protection du consommateur (Doc. 3-2407) (Procédure d'évocation)
|
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument (Stuk 3-2407) (Evocatieprocedure)
|
Discussion générale
|
Algemene bespreking
|
Mme la présidente. - La parole est à M. Van Nieuwkerke pour un rapport oral.
|
De voorzitter. - Het woord is aan de heer Van Nieuwkerke voor een mondeling verslag.
|
M. André Van Nieuwkerke (SP.A-SPIRIT), rapporteur. - La commission des Finances et des Affaires économiques a adopté à l'unanimité ce projet de loi qui porte principalement sur la transposition d'une directive européenne.
|
De heer André Van Nieuwkerke (SP.A-SPIRIT), rapporteur. - De commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden heeft dit wetsontwerp, dat vooral gaat om een omzetting van een Europese richtlijn, eenparig goedgekeurd.
|
- La discussion générale est close.
|
- De algemene bespreking is gesloten.
|
Discussion des articles
|
Artikelsgewijze bespreking
|
(Le texte adopté par la commission des Finances et des Affaires économiques est identique au texte du projet transmis par la Chambre des représentants. Voir le document Chambre 51-2983/5.)
|
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2983/5.)
|
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble du projet de loi.
|
- De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.
|
Projet de loi modifiant la loi du 11 avril 2003 instituant un service volontaire d'utilité collective (Doc. 3-2405) (Procédure d'évocation)
|
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 11 april 2003 tot instelling van een vrijwillige dienst van collectief nut (Stuk 3-2405) (Evocatieprocedure)
|
Discussion générale
|
Algemene bespreking
|
Mme la présidente. - Mme Zrihen se réfère à son rapport.
|
De voorzitter. - Mevrouw Zrihen verwijst naar haar verslag.
|
- La discussion générale est close.
|
- De algemene bespreking is gesloten.
|
Discussion des articles
|
Artikelsgewijze bespreking
|
(Le texte adopté par la commission des Relations extérieures et de la Défense est identique au texte du projet transmis par la Chambre des représentants. Voir le document Chambre 51-2967/8.)
|
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2967/8.)
|
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble du projet de loi.
|
- De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.
|
Projet de loi modifiant la loi du 10 avril 1995 relative à la redistribution du travail dans le secteur public (Doc. 3-2360) (Procédure d'évocation)
|
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector (Stuk 3-2360) (Evocatieprocedure)
|
Discussion générale
|
Algemene bespreking
|
Mme la présidente. - Mme De Schamphelaere se réfère à son rapport écrit.
|
De voorzitter. - Mevrouw De Schamphelaere verwijst naar haar schriftelijk verslag.
|
- La discussion générale est close.
|
- De algemene bespreking is gesloten.
|
Discussion des articles
|
Artikelsgewijze bespreking
|
(Le texte adopté par la commission de l'Intérieur et des Affaires administratives est identique au texte du projet transmis par la Chambre des représentants. Voir le document Chambre 51-2880/3.)
|
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2880/3.)
|
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble du projet de loi.
|
- De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.
|
Projet de loi portant assentiment à l'accord de coopération entre l'État fédéral, la Communauté française et la Région wallonne relatif à la gestion administrative et financière des coordinations provinciales pour l'égalité entre les femmes et les hommes (Doc. 3-2357)
|
Wetsontwerp houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat, de Franse Gemeenschap en het Waals Gewest met betrekking tot het administratief en financieel beheer van de provinciale coördinaties voor de gelijkheid van vrouwen en mannen (Stuk 3-2357)
|
Discussion générale
|
Algemene bespreking
|
Mme Christel Geerts (SP.A-SPIRIT), rapporteuse. - Je me réfère à mon rapport écrit.
|
Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.
|
- La discussion générale est close.
|
- De algemene bespreking is gesloten.
|
Discussion des articles
|
Artikelsgewijze bespreking
|
(Le texte adopté par la commission des Affaires sociales est identique au texte du projet transmis par la Chambre des représentants. Voir le document Chambre 51-2920/1.)
|
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2920/1.)
|
- Les articles 1er à 3 sont adoptés sans observation.
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble du projet de loi.
|
- De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.
- Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
|
Projet de loi modifiant la loi du 3 juillet 1967 sur la prévention ou la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles dans le secteur public et la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail (Doc. 3-2361) (Procédure d'évocation)
|
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector en van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 (Stuk 3-2361) (Evocatieprocedure)
|
Discussion générale
|
Algemene bespreking
|
Mme Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Je me réfère à mon rapport écrit.
|
Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.
|
- La discussion générale est close.
|
- De algemene bespreking is gesloten.
|
Discussion des articles
|
Artikelsgewijze bespreking
|
(Le texte adopté par la commission des Affaires sociales est identique au texte du projet transmis par la Chambre des représentants. Voir le document Chambre 51-2917/5.)
|
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2917/5.)
|
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble du projet de loi.
|
- De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.
|
Projet de loi relative au statut fiscal des sportifs rémunérés (Doc. 3-2404) (Procédure d'évocation)
|
Wetsontwerp betreffende het fiscaal statuut van de bezoldigde sportbeoefenaars (Stuk 3-2404) (Evocatieprocedure)
|
Discussion générale
|
Algemene bespreking
|
Mme la présidente. - La parole est à M. Collas pour un rapport oral.
|
De voorzitter. - Het woord is aan de heer Collas voor een mondeling verslag.
|
M. Berni Collas (MR), rapporteur. - Ce projet de loi facultativement bicaméral a été déposé initialement à la Chambre des représentants en tant que proposition de loi de M. de Donnea et consorts (Doc. Chambre nº 51-2787/1). Il a été adopté à l'unanimité par la Chambre des représentants le 12 avril 2007, puis transmis au Sénat et évoqué par celui-ci le 13 avril 2007. La commission a examiné ce projet de loi lors de sa réunion du 18 avril 2007.
|
De heer Berni Collas (MR), rapporteur. - Dit optioneel bicameraal wetsontwerp werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers oorspronkelijk ingediend als een wetsvoorstel van de heer François-Xavier de Donnea c.s. (Stuk Kamer, nr. 51-2787/1). Het werd op 12 april 2007 eenparig aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers. Het werd op 13 april 2007 overgezonden aan de Senaat en op 13 april 2007 geëvoceerd. De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergadering van 18 april 2007.
|
Quant à l'exposé, le secrétaire d'État explique qu'il s'agit d'un projet de loi important pour la promotion du sport dans notre pays mais aussi pour l'équité et la transparence en matière de régime fiscal applicable non seulement aux sportifs, mais aussi aux arbitres accompagnateurs et formateurs.
Ce projet de loi poursuit quatre objectifs principaux :
Premièrement, encourager les sportifs et volontaires percevant à ce titre des revenus complémentaires. À cet effet, le texte prévoit d'imposer distinctement au taux de 33% les revenus professionnels payés ou attribués aux sportifs âgés de moins de 26 ans, aux arbitres de compétitions sportives pour leurs prestations arbitrales, aux formateurs, entraîneurs, accompagnateurs pour leurs activités de formation, d'encadrement ou de soutien des sportifs, à condition qu'ils perçoivent, d'une autre activité professionnelle, des revenus professionnels qui atteignent les montants bruts imposables plus élevés que le montant total des revenus perçus de leur activité sportive d'arbitre, de formateur, d'entraîneur ou d'accompagnateur.
Un des aspects positifs de cette mesure, outre l'intérêt fiscal qu'elle présente pour les personnes concernées est d'éviter certaines dérives fiscales et l'existence de zones grises dans la fiscalité du sport amateur rémunéré.
Le deuxième objectif est d'encourager la pratique du sport par des jeunes de 16 à 25 ans grâce à une imposition distincte des jeunes sportifs.
C'est ainsi que les jeunes sportifs entre 16 et 25 ans se verront imposer distinctement à 16,5% des rémunérations payées ou attribuées par la tranche de revenus qui n'excède pas un montant maximum de 12.300 euros par an.
On a en effet considéré que la rémunération nette des jeunes sportifs devait tenir compte de la nécessité de les aider à constituer des réserves à utiliser le jour où ils devront se tourner vers une carrière non sportive.
Le troisième objectif vise à supprimer toute discrimination entre les sportifs résidents et non résidents recueillant des revenus pendant une période supérieure à 30 jours par an.
La discrimination existante encourageait nos sportifs à s'expatrier et provoquait une invasion des sportifs non résidents dans certains clubs et en particulier dans les clubs de 1ère division.
La suppression de la discrimination précitée devrait encourager la venue en 1ère division d'un plus grand nombre de jeunes sportifs formés en Belgique.
L'orateur en arrive ainsi au quatrième et dernier objectif qui vise à encourager l'investissement des clubs dans la formation des jeunes sportifs. Il se réfère au rapport de la commission des Finances et du Budget de la Chambre de représentants (doc. Chambre nº 51-2787/011).
Il est en tout cas tout à fait positif que les clubs reçoivent une dispense de versement du précompte professionnel de 70% sur la base du précompte professionnel dû sur, d'une part, les rémunérations payées ou attribuées à des sportifs âgés de moins de 25 ans et, d'autre part, les rémunérations de sportifs âgés d'au moins 26 ans à condition d'affecter dans un certain délai la moitié de ces dispenses de versement de précompte professionnel à la formation des jeunes sportifs amateurs et au paiement de leurs salaires.
Par « jeunes », on entend les jeunes se situant dans la tranche d'âge comprise entre 12 et 23 ans.
|
In de inleidende uiteenzetting deelt de staatssecretaris mee dat het gaat om een belangrijk wetsontwerp voor de bevordering van de sport in ons land, maar ook voor de billijkheid en de transparantie van het belastingstelsel dat van toepassing is op de sportbeoefenaars, maar ook op de scheidrechters, begeleiders en trainers.
Dit wetsontwerp streeft vier hoofddoelstellingen na.
Ten eerste is er de aanmoediging van de sportbeoefenaars en de vrijwilligers door hen extra inkomsten te verlenen. Hiertoe voorziet de tekst in een afzonderlijke belasting tegen een aanslagvoet van 33% op de beroepsinkomsten die worden betaald of toegekend aan sportbeoefenaars jonger dan 26 jaar, aan scheidsrechters, uit hoofde van hun activiteiten als scheidsrechter tijdens sportwedstrijden, aan opleiders, trainers en begeleiders, uit hoofde van hun opleidende, omkaderende, ondersteunende activiteiten ten behoeve van de sportbeoefenaars, op voorwaarde dat zij beroepsinkomsten uit een andere beroepsactiviteit verkrijgen waarvan de brutobelastbare bedragen hoger zijn dan het brutobelastbare bedrag van de inkomsten die zij halen uit hun activiteit als sportbeoefenaar, scheidsrechter, opleider, trainer of begeleider.
Naast het fiscale voordeel voor de betrokkenen is een van de positieve aspecten van de maatregel dat bepaalde fiscale wantoestanden en grijze zones in de fiscale belasting van de bezoldigde amateursport worden voorkomen.
De tweede doelstelling is sportbeoefening aanmoedigen bij jongeren van 16 tot 25 jaar dankzij een afzonderlijke aanslag voor jonge sportbeoefenaars.
Zo worden jonge sportbeoefenaars tussen 16 en 25 jaar afzonderlijk belast tegen 16,5% op de bezoldigingen die worden betaald of toegekend in de inkomensschijf van maximum 12.300 euro per jaar.
Men is er immers van uitgegaan dat bij de netto bezoldiging van jonge sportbeoefenaars ermee rekening moet worden gehouden dat die jongeren moeten worden geholpen om reserves op te bouwen voor de dag waarop ze zouden overstappen naar een carrière buiten de sportwereld.
De derde doelstelling wil de ongelijke behandeling wegwerken tussen Belgische sportbeoefenaars en buitenlandse sportbeoefenaars die inkomsten verkrijgen gedurende een periode van meer dan 30 dagen per jaar.
De bestaande ongelijke behandeling zette onze sportbeoefenaars ertoe aan naar het buitenland te trekken en zorgde voor een invasie van buitenlandse sportbeoefenaars in bepaalde clubs en in het bijzonder in de clubs van de hoogste klasse. Het opheffen van deze discriminatie zou ervoor moeten zorgen dat er meer in België opgeleide jonge sportbeoefenaars toegang krijgen tot de hoogste klasse.
Zo komt spreker bij de vierde en laatste doelstelling, die clubs ertoe wil aanzetten om te investeren in de opleiding van jonge sportbeoefenaars. Hiervoor verwijst hij naar het verslag van de Commissie voor de Financiën en de Begroting van de Kamer van volkvertegenwoordigers (stuk Kamer, nr. 51 2787/011).
Het is in elk geval positief dat de clubs worden vrijgesteld van 70% van de bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen die worden betaald aan jonge sportbeoefenaars van minder dan 25 jaar, enerzijds, en op de bezoldigingen van sportbeoefenaars van minstens 26 jaar anderzijds, op voorwaarde dat binnen een bepaalde termijn de helft van het bedrag dat wordt vrijgesteld, wordt besteed aan de opleiding en bezoldiging van jonge amateursportbeoefenaars.
Onder `jonge amateursportbeoefenaars' worden jongeren in de leeftijdscategorie van 12 tot 23 jaar verstaan.
|
M. Van Nieuwkerke se dit satisfait du texte proposé, qui encourage les joueurs de notre pays, dorénavant mis sur le même plan que les joueurs étrangers. En effet, le football belge a besoin de jeunes nationaux, d'autant plus que la Belgique vise l'organisation du championnat du monde en 2018. La problématique dépasse évidemment le seul aspect fiscal et nécessite en ce sens une collaboration avec les communautés.
Les amendements nº 1 et 2 de M. Beke ont été rejetés à l'unanimité des dix membres présents. L'ensemble du projet de loi a été adopté par les dix membres présents. Confiance a été faite au rapporteur pour un rapport oral en séance plénière.
|
De heer Van Nieuwkerke uitte zijn tevredenheid met de voorgestelde tekst die een stimulans vormt voor de eigen spelers aangezien ze in de toekomst worden gelijkgesteld met de buitenlandse spelers. Immers, het Belgische voetbal heeft nood aan eigen jongeren, zeker gezien de ambitie om in 2018 het wereldkampioenschap voetbal te organiseren. Uiteraard is de hier aangehaalde problematiek ruimer dan enkel het fiscale aspect en in die zin is ook samenwerking met de gemeenschappen noodzakelijk.
De Amendementen 1 en 2 van de heer Beke werden eenparig verworpen door de 10 aanwezige leden.
Het wetsontwerp in zijn geheel werd aangenomen door de 10 aanwezige leden.
Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het uitbrengen van een mondeling verslag.
|
- La discussion générale est close.
|
- De algemene bespreking is gesloten.
|
Discussion des articles
|
Artikelsgewijze bespreking
|
(Le texte adopté par la commission des Finances et des Affaires économiques est identique au texte du projet transmis par la Chambre des représentants. Voir le document Chambre 51-1787/15.)
|
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2787/15.)
|
Mme la présidente. - M. Beke propose l'amendement nº 1 (voir document 3-2404/2) ainsi libellé :
|
De voorzitter. - De heer Beke heeft amendement 1 ingediend (zie stuk 3-2404/2) dat luidt:
|
Insérer un article 1erbis, libellé comme suit :
|
Een artikel 1bis invoegen, luidende:
|
« Art. 1erbis. - L'article 38, §1er, alinéa 1er, du code des impôts sur les revenus 1992, est complété comme suit :
|
"Art. 1bis. - Artikel 38, §1, eerste lid, van het wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt aangevuld als volgt:
|
"23º les revenus professionnels des arbitres de compétition, entraîneurs et accompagnateurs visés à l'article 171, 1º, i, à concurrence de 2.000 EUR.". ».
|
`23º de beroepsinkomsten van scheidsrechters, opleiders, trainers en begeleiders bedoeld in artikel 171, 1º, I, ten belope van 2.000 EUR.'.".
|
L'article 5 est ainsi libellé :
|
Artikel 5 luidt:
|
Dans le titre VI, chapitre premier, section IV, du même Code, il est inséré un article 2756, rédigé comme suit :
|
In titel VI, hoofdstuk I, afdeling IV, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 2756, ingevoegd, luidende:
|
« Art. 2756. - Les redevables de précompte professionnel visés à l'article 270, 1º, qui paient ou attribuent des rémunérations à des sportifs qui n'ont pas atteint l'âge de 26 ans le 1er janvier de l'année qui suit celle au cours de laquelle la dispense est demandée, sont dispensés de verser au Trésor 70% de ce précompte professionnel.
|
"Art. 2756. - De schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing bedoeld in artikel 270, 1º, die bezoldigingen betalen of toekennen aan sportbeoefenaars die op 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin de vrijstelling wordt gevraagd, niet de leeftijd van 26 jaar hebben bereikt, worden ervan vrijgesteld 70% van die bedrijfsvoorheffing in de Schatkist te storten.
|
La dispense de versement de précompte professionnel visée à l'alinéa 1er est également octroyée lorsqu'ils paient ou attribuent des rémunérations à des sportifs non visés à l'alinéa 1er, à condition d'affecter au plus tard le 31 décembre de l'année qui suit celle au cours de laquelle la dispense a été demandée, la moitié de cette dispense de versement de précompte professionnel à la formation de jeunes sportifs âgés d'au moins 12 ans et qui n'ont pas atteint l'âge de 23 ans au 1er janvier de l'année qui suit celle au cours de laquelle la dispense est demandée.
|
De vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing bedoeld in het eerste lid wordt eveneens toegekend wanneer ze bezoldigingen betalen of toekennen aan niet in het eerste lid bedoelde sportbeoefenaars, op voorwaarde dat uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op dat waarin de vrijstelling wordt gevraagd, de helft van deze vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wordt besteed aan de opleiding van jonge sportbeoefenaars die minstens 12 jaar oud zijn en de leeftijd van 23 jaar nog niet hebben bereikt op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de vrijstelling wordt gevraagd.
|
Pour l'application de l'alinéa 2, on entend par fonds affectés à la formation de jeunes sportifs, le paiement de salaires à des personnes chargées de la formation, de l'encadrement ou du soutien de ces jeunes sportifs dans leur pratique sportive ainsi que le paiement de salaires à ces jeunes sportifs.
|
Voor de toepassing van het tweede lid wordt verstaan onder bedragen besteed aan de opleiding van jonge sportbeoefenaars, de betaling van lonen aan personen belast met de opleiding, begeleiding of ondersteuning van deze jonge sportbeoefenaars in hun sportbeoefening en de betaling van lonen aan deze jonge sportbeoefenaars.
|
À l'expiration du délai précité, les fonds non affectés doivent être versés au Trésor, augmentés des intérêts de retard, calculés conformément à l'article 414.
|
Bij het verstrijken van voormelde termijn, moeten de niet bestede bedragen gestort worden in de Schatkist, verhoogd met nalatigheidsintresten berekend overeenkomstig artikel 414.
|
Pour bénéficier de la dispense de versement de précompte professionnel visée aux alinéas 1er et 2, le redevable doit tenir à la disposition du Service public fédéral Finances les preuves que les sportifs pour lesquels la dispense est invoquée répondent aux conditions pendant toute la période à laquelle se rapporte la dispense et que les fonds ont été réellement affectés conformément aux alinéas 2 et 3. Le Roi fixe les modalités d'administration de ces preuves.
|
Om de in het eerste en tweede lid bedoelde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing te verkrijgen, moet de schuldenaar het bewijs dat de sportbeoefenaar in hoofde van wie de vrijstelling wordt gevraagd, beantwoordt aan de voorwaarden tijdens de hele periode waarop de vrijstelling betrekking heeft en dat de bedragen werkelijk overeenkomstig het tweede en derde lid werden besteed, ter beschikking houden van de Federale Overheidsdienst Financiën.
|
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, augmenter le pourcentage de la dispense de versement de précompte professionnel jusqu'à maximum 80% ou le diminuer jusqu'à minimum 60% ».
|
De Koning bepaalt de nadere regels voor het leveren van dit bewijs. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het percentage van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing verhogen tot maximum 80% of het verlagen tot minimum 60%".
|
À cet article, M. Beke propose l'amendement nº 2 (voir document 3-2404/2) ainsi libellé :
|
Op dit artikel heeft de heer Beke amendement 2 ingediend (zie stuk 3-2404/2) dat luidt:
|
À l'article 2756, alinéa 3, proposé, supprimer les mots « ainsi que le paiement de salaires à ces jeunes sportifs ».
|
In het voorgestelde artikel 2756, derde lid, de woorden "en de betaling van lonen aan deze jonge sportbeoefenaars" weglaten.
|
- Le vote sur les amendements est réservé.
|
- De stemming over de amendementen wordt aangehouden.
|
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble du projet de loi.
|
- De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.
|
Projet de loi modifiant l'article 249, §1er, alinéa 2, du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, en ce qui concerne les droits liés à un changement de prénom (Doc. 3-2395) (Procédure d'évocation)
|
Wetsontwerp tot wijziging van artikel 249, §1, tweede lid, van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten wat betreft de rechten verbonden aan een voornaamswijziging (Stuk 3-2395) (Evocatieprocedure)
|
Discussion générale
|
Algemene bespreking
|
Mme Joëlle Kapompolé (PS), rapporteuse. - Le présent projet de loi, qui relève de la procédure bicamérale facultative, a été initialement déposé à la Chambre des représentants en tant que proposition de loi de M. Guy Swennen et de Mme Annelies Storms. Le texte a été adopté à l'unanimité par la Chambre des représentants le 12 avril 2007 et a été transmis le même jour au Sénat qui l'a évoqué le 13 avril.
Notre commission a examiné ce projet de loi au cours de sa réunion du 18 avril. Dans son exposé introductif, le secrétaire d'État à la Modernisation des Finances et à la Lutte contre la fraude fiscale nous a indiqué que la proposition initiale, discutée en commission de la Justice, prévoyait une modification de la loi du 15 mai 1987 relative aux noms et prénoms afin de permettre au ministre de la Justice d'autoriser, dans les deux mois, à la suite d'un acte de notoriété, le changement de prénom si le nouveau prénom était un diminutif du prénom original ou un surnom. Ensuite, il prévoyait la réduction de 490 à 49 euros des droits d'enregistrement pour ces cas. Le ministre des Finances avait marqué son accord sur cette diminution du droit d'enregistrement. Après discussion en commission de la Chambre, on en est venu à une formule plus simple de diminution des droits d'enregistrement à 49 euros si le prénom dont la modification est demandée est abrégé.
Lors de la réunion de notre commission des Finances et des Affaires économiques, le secrétaire d'État et son collaborateur ont précisé, à la demande de Mme Hermans, qu'il n'y avait aucune raison de prévoir un droit au lieu d'une faveur dans le texte examiné.
L'ensemble du projet de loi a été adopté à l'unanimité des dix membres présents. Confiance a été faite au rapporteur pour un rapport oral.
|
Mevrouw Joëlle Kapompolé (PS), rapporteur. - Het voorliggende wetsontwerp, dat volgens de verplicht bicamerale procedure moet worden behandeld, is oorspronkelijk ingediend in de Kamer van volksvertegenwoordigers als wetsvoorstel van de heer Guy Swennen en mevrouw Annelies Storms. De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft de tekst eenparig goedgekeurd op 12 april 2007 en dezelfde dag overgezonden aan de Senaat, die het heeft geëvoceerd op 13 april 2007.
De commissie heeft dit wetsontwerp besproken op haar vergadering van 18 april 2007. In zijn inleidende uiteenzetting stelde de staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude dat het oorspronkelijk in de Commissie voor de Justitie besproken voorstel voorzag in een wijziging van de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen zodat de minister van Justitie, op basis van een akte van bekendheid, binnen twee maanden een voornaamswijziging kan toestaan als de nieuwe voornaam een afkorting is van de oorspronkelijke voornaam of een zogeheten roepnaam. Bovendien werd het registratierecht voor die gevallen verlaagd van 490 tot 49 euro. De minister van Financiën was het eens met de verlaging van het registratierecht. Na de besprekingen in de commissie is men gekomen tot een eenvoudigere formule voor de verlaging van de registratierechten tot 49 € als de voornaam waarvan de wijziging wordt gevraagd, wordt afgekort.
Op een vraag van mevrouw Hermans antwoordden de staatssecretaris en zijn medewerker dat er geen enkele reden is om in de voorliggende tekst te voorzien in een recht veeleer dan in een gunst.
Het wetsontwerp in zijn geheel wordt eenparig goedgekeurd door de 10 aanwezige leden. Vertrouwen wordt geschonken aan de rapporteur voor een mondeling verslag.
|
- La discussion générale est close.
|
- De algemene bespreking is gesloten.
|
Discussion des articles
|
Artikelsgewijze bespreking
|
(Le texte adopté par la commission des Finances et des Affaires économiques est identique au texte du projet transmis par la Chambre des représentants. Voir le document Chambre 51-2446/4.)
|
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2446/4.)
|
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble du projet de loi.
|
- De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.
|
Projet de loi portant assentiment à l'accord de coopération entre l'Autorité fédérale, la Région wallonne, la Région flamande et la Région de Bruxelles-Capitale relatif à la mise en oeuvre de certaines dispositions du protocole de Kyoto, conclu à Bruxelles, le 19 février 2007 (Doc. 3-2411)
|
Wetsontwerp houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Overheid, het Waalse Gewest, het Vlaamse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest inzake de uitvoering van sommige bepalingen van het protocol van Kyoto, afgesloten te Brussel, op 19 februari 2007 (Stuk 3-2411)
|
Discussion générale
|
Algemene bespreking
|
Mme la présidente. - La parole est à M. Seminara pour un rapport oral.
|
De voorzitter. - Het woord is aan de heer Seminara voor een mondeling verslag.
|
M. Franco Seminara (PS), rapporteur. - Le projet de loi qui fait l'objet du présent rapport a été déposé au Sénat par le gouvernement le 18 avril 2007. La commission l'a examiné au cours de sa réunion du même jour.
M. Tobback, ministre de l'Environnement et des Pensions, a déclaré que l'accord de coopération concerne essentiellement les points suivants : la transposition en droit belge de la directive 2004/101/CE, dite de liaison, ainsi que les dispositions pertinentes du protocole de Kyoto et des accords de Marrakech concernant les mécanismes de flexibilité ; la fixation de la procédure d'approbation des critères relatifs aux activités de projet, conformément aux accords de Marrakech et à la législation européenne ; la fixation des procédures et des mécanismes relatifs aux réserves, au transfert et au respect du protocole de Kyoto. Puisque la décision du comité de concertation du 8 mars 2004 relative à la répartition des charges entre l'autorité fédérale et les Régions forme le cadre général pour le respect de l'objectif de 7,5% que la Belgique doit atteindre dans le cadre de Kyoto, la décision relative à cette répartition des charges a été reprise dans les considérants du texte.
Après une nouvelle concertation entre les parties concernées, le comité de concertation a adopté, le 20 décembre 2006, la version finale de l'accord de coopération. Comme les Régions devaient encore consulter leurs organes consultatifs respectifs, la Commission nationale Climat a décidé, le 9 février, que les Régions attendraient l'avis de leur organe consultatif avant de soumettre le dossier au Conseil d'État. Plusieurs adaptations ont été apportées afin de répondre aux observations de ce dernier. Le ministre les a précisées en commission des Affaires sociales.
La Commission nationale Climat est désignée comme point de contact et autorité nationale. La désignation d'un point de contact national est en effet une des exigences découlant des accords de Marrakech. Conformément à la décision de répartition des charges du 8 mars 2004, l'autorité fédérale s'est engagée à acquérir chaque année des droits d'émission supplémentaires à concurrence de 2,46 millions de tonnes entre 2008 et 2012. Dans ce cadre, l'autorité fédérale s'engage, en application de la décision de la répartition des charges, à approuver une activité de projet pour laquelle elle acquiert des unités Kyoto. Il s'agit encore une fois d'une matière purement technique et administrative étant donné que, pour acquérir le nombre d'unités Kyoto, l'autorité fédérale vérifiera si le promoteur du projet respecte les dispositions internationales et européennes.
L'accord de coopération contient une procédure détaillée pour le cas où une Région aurait un déficit ou un surplus d'unités Kyoto pendant la première période d'engagement. L'autorité fédérale et les régions examineront ensemble, dans le cadre du comité de concertation, s'il y a une possibilité de se transférer d'abord mutuellement des unités Kyoto, de se les vendre mutuellement ou de les transférer, en tout ou en partie, à la période d'engagement suivante.
Nous en arrivons à la discussion et d'abord aux questions et remarques des membres de la commission.
Mme Van de Casteele renvoie à une observation qui figure dans l'avis du Conseil d'État concernant l'octroi d'un pouvoir réglementaire à la Commission nationale Climat, même dans l'hypothèse où celle-ci ne serait pas politiquement responsable.
M. Beke formule quelques questions de détail. Comment se présente la composition de la Commission nationale Climat ? Sur quels critères s'est-on basé pour organiser la répartition de la charge entre les régions ? Les efforts fournis jusqu'à présent par les trois régions sont-ils meilleurs ? Quelle forme prend concrètement, au niveau interne, l'échange de quotas d'émission entre les régions en Belgique ? La possibilité d'acheter, par exemple, de l'air à la Russie existe-t-elle ?
M. Martens se réjouit de ce que l'accord de coopération permettra d'entériner la répartition de la charge entre les différents gouvernements de Belgique, mais il souligne également qu'il a fallu attendre malgré tout dix ans pour transposer le Protocole de Kyoto en un accord. Il est clair désormais que la politique climatique en Belgique nécessite des mécanismes de coordination flexibles.
Mme Van de Casteele demande si les pourcentages proposés par le Protocole de Kyoto sont suffisants et s'il ne serait pas préférable d'essayer d'aller au-delà de ce qui a été convenu. Quelles sont les intentions du gouvernement en la matière ?
Le président voit également d'un oeil très favorable l'attention que l'accord de coopération accorde aux pays en voie de développement. La commission souhaiterait d'ailleurs encore déposer une résolution dans laquelle elle demanderait que l'on accorde davantage d'attention aux problèmes rencontrés par les pays en voie de développement dans le débat sur le climat.
Il remarque également que la presse a fortement critiqué le fonctionnement des fonds « climat ». Qu'en pense le ministre ?
Il souligne ensuite le défi que présentent les nouvelles technologies, qui peuvent avoir un effet favorable sur l'économie. Un certain nombre d'entreprises belges devraient éventuellement bénéficier de davantage d'aide pour pouvoir contribuer à l'effort de réduction des émissions de CO2.
Voici la réponse du ministre.
La Commission nationale Climat, qui a été désignée officiellement en tant qu'autorité compétente pour les mécanismes de contrôle, se compose de représentants des différents gouvernements belges. Elle est actuellement présidée par le représentant du ministre bruxellois de l'Environnement. Rappelant que la Commission nationale Climat n'élabore pas de critères propres, M. Tobback déclare que l'on se trouve ici face à une procédure d'approbation administrative délimitée par des critères déterminés.
L'accord de coopération qui a fixé la répartition de la charge a été conclu en 2004 par les différents gouvernements belges. Les objectifs en matière de réduction pour les régions sont les suivants : −7,5% pour la Wallonie, −5,2% pour la Flandre et +3% pour la Région de Bruxelles-Capitale, ce qui signifie, pour la Belgique, une réduction globale d'environ 7,5%. Cela explique que le gouvernement fédéral se soit engagé à acheter des quotas d'émission en cas d'un éventuel surplus. Dans l'hypothèse où la Belgique aurait réussi à réduire davantage ses émissions au cours de la période 2008-2012, elle achètera moins de quotas d'émission. Il faudra évaluer les choses en permanence.
Il est toutefois exclu par principe d'acheter de l'air à d'autres pays étant donné que les autorités belges participent uniquement à des projets concrets en matière d'émissions par le biais de projets de mise en oeuvre conjointe et de mécanismes de développement dans des pays partenaires qui développent pareils projets (efficacité énergétique, énergies renouvelables...). Ceci peut contribuer à renforcer la capacité énergétique des pays en voie de développement.
Certains critiques disent que la Belgique ne remplit ses objectifs que grâce à des investissements à l'étranger. M. Tobback souligne que la Belgique a choisi de réaliser les deux tiers des efforts chez nous et un tiers au travers de mécanismes de développement. La Belgique acquiert ainsi des quotas et fournit en même temps des contributions importantes au développement technologique et au renforcement des capacités dans les pays en développement qui sont demandeurs. Cette combinaison est une condition essentielle de la survie du protocole de Kyoto au niveau international.
En ce qui concerne les objectifs pour les prochaines années, l'Union européenne a déjà indiqué que l'objectif de réduction à court terme devait être de 20% au moins. Le gouvernement belge a souscrit à ce point de vue en concertation avec les régions.
Actuellement, un gros effort est déjà fourni par la Région wallonne et il apparaît que les objectifs de réduction seront certainement atteints. La Région flamande accuse pour sa part un léger retard. En Région de Bruxelles-Capitale, toutefois, l'augmentation est plus élevée que prévue.
En ce qui concerne l'échange de quotas en Belgique, celui-ci n'est possible qu'après concertation entre les différents gouvernements.
Enfin, le ministre donne quelques explications sur les fonds pour le climat. Le pouvoir fédéral s'est engagé à prévoir un surplus pour les différentes régions et de le couvrir par un achat éventuel de quotas. En conséquence, le pouvoir fédéral doit également se porter garant de la mise à disposition des moyens pour acquérir ces quotas. Les versements aux fonds et la possibilité de bloquer l'argent constituent une garantie essentielle qu'il ne sera pas demandé d'efforts supplémentaires aux régions. Actuellement, sur les cent millions d'euros qui étaient disponibles, soixante millions ont été engagés pour l'achat de quotas. L'affectation des quarante millions restants sera décidée ultérieurement.
Le projet de loi nº 3-2411 a été adopté à l'unanimité des dix membres présents. Confiance a été faite au rapporteur pour un rapport oral en séance plénière.
Je viens d'avoir l'honneur de remplir cette tâche.
|
De heer Franco Seminara (PS), rapporteur. - De regering heeft dit wetsontwerp bij de Senaat ingediend op 18 april 2007. De commissie heeft het besproken tijdens haar vergadering van diezelfde dag.
De heer Tobback, minister van Pensioenen en Leefmilieu, verklaarde dat het samenwerkingsakkoord in essentie de volgende zaken regelt: de omzetting in Belgisch recht van de `linking directive', richtlijn 2004/101/EG, alsook van de relevante bepalingen van het Kyotoprotocol en de Akkoorden van Marrakech inzake de flexibiliteitsmechanismen; het vastleggen van de goedkeuringsprocedure van de criteria voor de projectactiviteiten, overeenkomstig de Akkoorden van Marrakech en de Europese wetgeving; het vastleggen van de procedures en de mechanismen inzake de reserves, de overdracht en de naleving van het Kyotoprotocol. De beslissing van het Overlegcomité van 8 maart 2004 inzake de lastenverdeling tussen de federale overheid en de gewesten vormt het algemeen kader voor het nakomen van de Belgische Kyotodoelstelling van 7,5% en wordt bijgevolg in de consideransen van de tekst opgenomen.
Na verder overleg tussen de betrokken partijen heeft het Overlegcomité op 20 december 2006 een akkoord bereikt over de uiteindelijke versie van het samenwerkingsakkoord. Aangezien de gewesten hun respectieve adviesorganen nog moesten raadplegen, besliste de Nationale Klimaatcommissie op 9 februari dat de gewesten het advies van hun adviesorgaan zouden afwachten alvorens het dossier in te dienen bij de Raad van State. Verschillende aanpassingen werden aangebracht om tegemoet te komen aan de opmerkingen van de Raad van State. De minister heeft ze uiteengezet in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
De Nationale Klimaatcommissie wordt aangewezen als aanspreekpunt en nationale autoriteit. De aanwijzing van een nationaal aanspreekpunt is immers één van de vereisten die vooruitvloeien uit de Akkoorden van Marrakech. Overeenkomstig de beslissing van de lastenverdeling van 8 maart 2004 heeft de federale overheid zich geëngageerd jaarlijks 2,46 miljoen ton emissierechten aan te kopen gedurende de periode 2008-2012. In het kader daarvan belooft de federale overheid, in uitvoering van de beslissing inzake de lastenverdeling, de projectactiviteiten goed te keuren waarvoor ze Kyoto-eenheden verwerft. Ook dit is een louter technische en administratieve aangelegenheid aangezien de federale overheid zal nagaan of de projectontwikkelaar de internationale en Europese bepalingen respecteert om het aantal Kyoto-eenheden te verwerven.
Het samenwerkingsakkoord bevat een uitgebreide procedure voor het geval een gewest gedurende de eerste verbintenisperiode een tekort of een overschot aan Kyoto-eenheden zou hebben. De federale overheid en de gewesten zullen in het Overlegcomité nagaan of er een mogelijkheid bestaat om in eerste instantie onderling de Kyoto-eenheden over te dragen, te verhandelen of geheel of gedeeltelijk over te dragen naar de volgende verbintenisperiode.
Mevrouw Van de Casteele verwijst naar een opmerking in het advies van de Raad van State met betrekking tot het toekennen van een verordenende bevoegdheid aan de Nationale Klimaatcommissie, ook al is die niet politiek verantwoordelijk.
De heer Beke stelt de volgende korte vragen. Hoe is de Nationale Klimaatcommissie samengesteld? Op basis van welke criteria is de lastenverdeling over de gewesten gebeurd? Hebben de drie gewesten tot nog toe een grotere inspanning geleverd? Hoe verloopt concreet de interne emissiehandel tussen de gewesten in België? Bestaat de mogelijkheid om bijvoorbeeld Russische lucht te kopen?
De heer Martens verheugt zich over het feit dat het samenwerkingsakkoord de lastenverdeling tussen de verschillende Belgische regeringen zal bekrachtigen, maar wijst er tevens op dat het toch tien jaar geduurd heeft om het Kyotoprotocol om te zetten in dit akkoord. Vandaag blijkt duidelijk de noodzaak van flexibele coördinatiemechanismen voor het klimaatbeleid in België.
Mevrouw Van de Casteele vraagt of de percentages die het Kyotoprotocol voorstelt wel voldoende zijn en of men niet beter zou proberen meer te doen dan afgesproken? Ze vraagt wat de bedoeling is van de regering hieromtrent?
De voorzitter reageert ook heel positief op de aandacht voor de ontwikkelingslanden in het samenwerkingsakkoord. De commissie wenst trouwens nog een resolutie in te dienen waarin meer aandacht gevraagd zou worden voor de problematiek van de ontwikkelingslanden in het klimaatdebat.
Hij merkt ook op dat de pers veel kritiek heeft over de werking van de klimaatfondsen en vraagt wat de minister daarover denkt?
Tot besluit wijst hij op de uitdaging die de nieuwe technologieën vormen en die een economisch gunstig effect kunnen hebben. Een aantal Belgische bedrijven zouden misschien meer steun moeten krijgen om bij te dragen tot de CO2-reductie.
De minister antwoordt dat de Nationale Klimaatcommissie, die officieel werd aangewezen als bevoegde autoriteit voor de coördinatiemechanismen, samengesteld is uit vertegenwoordigers van de verschillende Belgische regeringen. Momenteel wordt ze voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Brusselse minister van Leefmilieu. De heer Tobback herinnert eraan dat de Nationale Klimaatcommissie geen eigen criteria opstelt. Bijgevolg heeft men hier te maken met een administratieve goedkeuringsprocedure volgens vastgelegde criteria.
Het samenwerkingsakkoord dat de lastenverdeling heeft bepaald, werd in 2004 gesloten tussen de verschillende Belgische regeringen. De reductiedoelstellingen voor de gewesten zijn de volgende: −7,5% voor Wallonië, −5,2% voor Vlaanderen en +3% voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Dit betekent voor België een reductie van ongeveer 7,5%, wat verklaart waarom de federale overheid zich geëngageerd heeft om emissierechten aan te kopen voor een eventueel surplus. In de veronderstelling dat België in de periode 2008-2012 meer zou gereduceerd hebben, zullen minder emissierechten gekocht worden. Dit moet permanent worden geëvalueerd.
De aankoop van lucht van andere landen is echter principieel uitgesloten daar de Belgische overheid enkel participeert in concrete emissieprojecten via joint implementation- en clean development- mechanismen in partnerlanden die dergelijke projecten (energie-efficiëntie, duurzame energie, ...) ontwikkelen. Dit kan helpen de energiecapaciteit van ontwikkelingslanden te versterken.
Sommige critici zeggen dat België zijn doelstellingen slechts haalt dankzij investeringen in het buitenland. De heer Tobback wijst erop dat België ervoor gekozen heeft 2/3 van de inspanningen in eigen land te doen en 1/3 via ontwikkelingsmechanismen. België verwerft aldus emissierechten en levert tegelijk belangrijke bijdragen aan technologische ontwikkeling en versterking van capaciteit in ontwikkelingslanden die vragende partij zijn. Deze combinatie is een essentiële voorwaarde voor het voorbestaan van het Kyotoprotocol op internationaal niveau.
Aangaande de doelstellingen voor de komende jaren heeft de Europese Unie reeds gezegd dat de reductiedoelstelling op korte termijn minstens 20% moet worden. De Belgische regering heeft dat standpunt onderschreven in overleg met de gewesten.
Momenteel werd reeds een grote inspanning geleverd door het Waals gewest, zodat het duidelijk is dat de reductiedoelstellingen zeker worden gehaald. Het Vlaamse gewest loopt een beetje achter. In het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest is echter een hogere stijging dan gepland.
De emissiehandel in België is slechts mogelijk na overleg tussen de verschillende regeringen.
Tot slot geeft de minister een woordje uitleg bij de klimaatfondsen. De federale overheid heeft zich ertoe verbonden in een surplus te voorzien voor de verschillende gewesten en dat te dekken door een eventuele aankoop van emissierechten. Bijgevolg moet de federale overheid zich tevens garant stellen voor het beschikbaar stellen van de middelen om deze emissierechten aan te kopen. De betaling aan de fondsen en de mogelijkheid om geld te blokkeren is een essentiële garantie dat geen bijkomende inspanningen zullen worden gevraagd aan de gewesten. Van de beschikbare 100 miljoen euro werd nu reeds 60 miljoen euro vastgelegd voor de aankoop van emissierechten. Later zal worden beslist over de bestemming van de overige 40 miljoen euro.
Het wetsontwerp nr. 3-2411 werd eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden. Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het uitbrengen van een mondeling verslag aan de plenaire vergadering.
|
- La discussion générale est close.
|
- De algemene bespreking is gesloten.
|
Discussion des articles
|
Artikelsgewijze bespreking
|
(Le texte adopté par la commission des Affaires sociales est identique au texte du projet de loi. Voir document 3-2411/1.)
|
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden. is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-2411/1.)
|
- Les articles 1er à 3 sont adoptés sans observation.
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble du projet de loi.
|
- De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.
- Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
|
Proposition de loi modifiant l'article 8bis de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées, en vue de réduire le délai de confirmation d'un handicap (de Mme Stéphanie Anseeuw et consorts, Doc. 3-1473)
|
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 8bis van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, om de wachttijd voor de vaststelling van een handicap in te korten (van mevrouw Stéphanie Anseeuw c.s., Stuk 3-1473)
|
Discussion générale
|
Algemene bespreking
|
Mme la présidente. - Mme Pehlivan se réfère à son rapport écrit.
|
De voorzitter. - Mevrouw Pehlivan verwijst naar haar schriftelijk verslag.
|
- La discussion générale est close.
|
- De algemene bespreking is gesloten.
|
Discussion des articles
|
Artikelsgewijze bespreking
|
(Pour le texte adopté par la commission des Affaires sociales, voir document 3-1473/4.)
|
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden, zie stuk 3-1473/4.)
|
- Les articles 1er et 2 sont adoptés sans observation.
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble de la proposition de loi.
|
- De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.
- Over het wetsvoorstel in zijn geheel wordt later gestemd.
|
Projet de loi modifiant la loi du 2 mai 1995 relative à l'obligation de déposer une liste de mandats, fonctions et professions et une déclaration de patrimoine, en ce qui concerne les mandataires communaux et provinciaux (Doc. 3-2367)
|
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 2 mei 1995 betreffende de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen, alsmede een vermogensaangifte in te dienen, wat betreft de gemeentelijke en provinciale mandatarissen (Stuk 3-2367)
|
Projet de loi spéciale modifiant la loi spéciale du 2 mai 1995 relative à l'obligation de déposer une liste de mandats, fonctions et professions et une déclaration de patrimoine, en ce qui concerne les mandataires communaux et provinciaux (Doc. 3-2368)
|
Ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 2 mei 1995 betreffende de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen, alsmede een vermogensaangifte in te dienen, wat betreft de gemeentelijke en provinciale mandatarissen (Stuk 3-2368)
|
Discussion générale
|
Algemene bespreking
|
Mme la présidente. - La parole est à M. Hugo Vandenberghe pour un rapport oral.
|
De voorzitter. - Het woord is aan de heer Hugo Vandenberghe voor een mondeling verslag.
|
(M. Staf Nimmegeers, premier vice-président, prend place au fauteuil présidentiel.)
|
(Voorzitter: de heer Staf Nimmegeers, eerste ondervoorzitter.)
|
M. Hugo Vandenberghe (CD&V), rapporteur. - Ces projets, obligatoirement bicaméraux, ont été déposés à la Chambre sous la forme d'une proposition de loi spéciale et d'une proposition de loi de M. Herman De Croo (Documents Chambre, nos 51-2953/1 et 51-2954/1).
Ces deux projets ont été adoptés à l'unanimité par la Chambre le 29 mars 2007 et transmis au Sénat le 30 mars 2007.
La commission a examiné ces projets ce matin.
Le projet de loi spéciale vise à inclure les mandataires communaux et provinciaux dans le champ d'application ratione personae de la loi spéciale du 2 mai 1995. Il doit être lu conjointement avec le projet de loi ordinaire qui exclut ces mêmes mandataires du champ d'application ratione personae de la loi ordinaire du 2 mai 1995. Cette modification est la conséquence logique du transfert aux Régions des compétences en matière de pouvoirs subordonnés.
Conformément à la décision de la conférence des présidents du 31 janvier 2007, les mandataires communaux et provinciaux qui, l'année suivant les élections, n'exercent leur mandat que dans l'attente de l'installation de leur suppléant, sont dispensés pour cette année du dépôt d'une liste des mandats, fonctions et professions. En nous inspirant de deux notes du Service d'évaluation de la législation, Mme Vanlerberghe et moi-même avons déposé des amendements aux deux projets. Ces amendements visent à :
- intégrer dans les deux projets non seulement les mandataires communaux et provinciaux mais aussi les gouverneur et vice-gouverneur de l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale et les présidents des centres publics d'action sociale : cet ajout a rendu nécessaire d'adapter le titre des deux projets, ainsi que d'insérer un article 1erbis nouveau dans les deux projets.
- L'entrée en vigueur rétroactive au 1er janvier 2007, prévue à l'article 3 du projet de loi ordinaire et à l'article 4 du projet de loi spéciale, avait certains effets négatifs et la note du Service d'évaluation de la législation a démontré que la rétroactivité n'était nullement nécessaire à condition que les deux projets entrent en vigueur avant le 15 mai 2007. À partir de cette date, la Cour des comptes est en effet en mesure de communiquer son point de vue sur l'exhaustivité et l'exactitude de la liste au mandataire concerné. Si la Cour des comptes conclut qu'une personne est soumise à la loi du 2 mai 1995 et a déposé une liste incomplète ou inexacte, cette personne a jusqu'au 15 juin pour adresser une lettre recommandée au parlement régional ou communautaire concerné, dans l'espoir que celui-ci conclue ou bien qu'elle n'est pas soumise à la loi du 2 mai 1995, ou bien que sa déclaration était bel et bien complète et exacte. Dès lors que ce seront désormais les commissions de suivi des parlements régionaux qui seront habilitées à statuer sur les litiges concernant les dossiers des mandataires des pouvoirs subordonnés, il suffit que les projets entrent en vigueur avant le 15 mai 2007.
Le gouvernement ayant expressément déclaré que la dispense de déclaration, visée à l'article 3 du projet de loi spéciale, pour les bourgmestres, députés permanents, échevins et présidents de CPAS qui, l'année suivant les élections, n'ont exercé leur mandat que dans l'attente de l'installation de leur suppléant, ne vaut qu'à condition qu'ils n'aient exercé aucun autre mandat soumis à l'obligation de déclaration de patrimoine, j'ai retiré mon amendement.
Les projets amendés de loi ordinaire et de loi spéciale ont été adoptés à l'unanimité des 15 membres présents. Confiance a été faite au rapporteur pour un rapport oral.
|
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V), rapporteur. - Deze verplicht bicamerale wetsontwerpen werden in de Kamer van Volksvertegenwoordigers ingediend als een voorstel van bijzondere wet en een voorstel van wet van de heer Herman De Croo (Stukken Kamer nr. 51-2953/1 en 51-2954/1).
Beide ontwerpen werden op 29 maart 2007 eenparig aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers en op 30 maart 2007 overgezonden aan de Senaat.
De commissie heeft de ontwerpen besproken tijdens haar vergadering van deze voormiddag, 19 april 2007.
Het ontwerp van bijzondere wet strekt ertoe de gemeentelijke en provinciale mandatarissen binnen het toepassingsgebied ratione personae van de bijzondere wet van 2 mei 1995 betreffende de mandaten- en vermogensaangifte te brengen.
Het dient te worden samengelezen met het ontwerp van gewone wet dat diezelfde mandatarissen uit het toepassingsgebied ratione personae van de gewone wet van 2 mei 1995 licht. Deze wijziging is het logische gevolg van de overheveling van de bevoegdheden inzake ondergeschikte besturen naar de gewesten.
Overeenkomstig de beslissing van de Conferentie van de voorzitters van 31 januari 2007 worden voorts de gemeentelijke en provinciale mandatarissen die - in het jaar na de verkiezingen - hun mandaat slechts uitoefenen in afwachting van de installatie van hun opvolger, voor dat jaar vrijgesteld van het indienen van een lijst van mandaten, ambten en beroepen.
Geïnspireerd door twee nota's van de dienst Wetsevaluatie diende ikzelf alsook mevrouw Vanlerberghe c.s. amendementen in op beide ontwerpen met de volgende strekking:
- het uitdrukkelijk opnemen in beide ontwerpen, niet alleen van de gemeentelijke en provinciale mandatarissen, maar ook van de gouverneur en de vicegouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad en de voorzitters van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn: deze toevoeging noodzaakte een aanpassing van beide titels van de ontwerpen, alsook de invoeging van een nieuw artikel 1bis in beide ontwerpen.
- De in artikel 3 van het ontwerp van gewone wet en artikel 4 van het ontwerp van bijzondere wet voorziene retroactieve inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen op 1 januari 2007, veroorzaakte een aantal ongewenste negatieve gevolgen en in de nota van de dienst Wetsevaluatie werd aangetoond dat de retroactiviteit niet noodzakelijk is, mits evenwel beide ontwerpen in werking zouden treden voor 15 mei 2007. Vanaf die datum kan het Rekenhof immers zijn definitief standpunt nopens de volledigheid en de juistheid van de lijst aan de belanghebbende aangifteplichtige meedelen. Indien het Rekenhof tot het besluit komt dat een persoon onderworpen is aan de bijzondere wet van 2 mei 1995 of dat hij een onvolledige of onjuiste aangifte heeft ingediend, kan die persoon zich uiterlijk 15 juni bij aangetekende brief tot het betrokken gemeenschaps- of gewestparlement wenden om te horen zeggen hetzij dat hij niet onderworpen is aan de bijzondere wet van 2 mei 1995, hetzij dat zijn aangifte volledig en juist is. Aangezien voortaan de opvolgingscommissies van de gewestparlementen bevoegd zullen zijn voor de betwistingen met betrekking tot de dossiers van de mandatarissen van de ondergeschikte besturen, volstaat het dat het voorliggende wetsontwerp en het ontwerp van bijzondere wet in werking treden voor 15 mei 2007.
Na uitdrukkelijke verklaring van de regering, dat de ontheffing van de aangifteplicht, bepaald in artikel 3 van het ontwerp van bijzondere wet, voor burgemeesters, leden van de bestendige deputaties, schepenen en voorzitters van OCMW's die in het jaar dat volgt op dat van de verkiezingen, hun mandaat enkel hebben uitgeoefend in afwachting van de installatie van hun opvolger, enkel geldt op voorwaarde dat in dit jaar geen nieuw aangifteplichtig mandaat werd opgenomen, trok ik mijn amendement terzake in.
Het geamendeerde ontwerp van gewone wet en het geamendeerde ontwerp van bijzondere wet werden eenparig aangenomen door de 15 aanwezige leden.
Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het uitbrengen van een mondeling verslag.
|
Discussion des articles du projet de loi modifiant la loi du 2 mai 1995 relative à l'obligation de déposer une liste de mandats, fonctions et professions et une déclaration de patrimoine, en ce qui concerne les mandataires communaux et provinciaux (Doc. 3-2367)
|
Artikelsgewijze bespreking van het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 2 mei 1995 betreffende de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen, alsmede een vermogensaangifte in te dienen, wat betreft de gemeentelijke en provinciale mandatarissen (Stuk 3-2367)
|
(Pour le texte amendé par la commission des Affaires institutionnelles, voir document 3-2367/4.)
|
(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden, zie stuk 3-2367/4.)
|
M. le président. - Je vous rappelle que la commission propose un nouvel intitulé : Projet de loi modifiant la législation relative à l'obligation de déposer une liste de mandats, fonctions et professions et une déclaration de patrimoine, en ce qui concerne les mandataires communaux et provinciaux.
|
De voorzitter. - Ik herinner eraan dat de commissie een nieuw opschrift voorstelt: Wetsontwerp tot wijziging van de wetgeving inzake de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen, alsmede een vermogensaangifte in te dienen, wat betreft de gemeentelijke en provinciale mandatarissen.
|
- Les articles 1er à 3 sont adoptés sans observation.
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble du projet de loi.
|
- De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.
- Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
|
Discussion des articles du projet de loi spéciale modifiant la loi spéciale du 2 mai 1995 relative à l'obligation de déposer une liste de mandats, fonctions et professions et une déclaration de patrimoine, en ce qui concerne les mandataires communaux et provinciaux (Doc. 3-2368)
|
Artikelsgewijze bespreking van het ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 2 mei 1995 betreffende de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen, alsmede een vermogensaangifte in te dienen, wat betreft de gemeentelijke en provinciale mandatarissen (Stuk 3-2368)
|
(Pour le texte amendé par la commission des Affaires institutionnelles, voir document 3-2368/4.)
|
(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden, zie stuk 3-2368/4.)
|
M. le président. - Je vous rappelle que la commission propose un nouvel intitulé : Projet de loi spéciale modifiant la législation relative à l'obligation de déposer une liste de mandats, fonctions et professions et une déclaration de patrimoine, en ce qui concerne les mandataires des pouvoirs subordonnés.
|
De voorzitter. - Ik herinner eraan dat de commissie een nieuw opschrift voorstelt: Ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de wetgeving inzake de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen, alsmede een vermogensaangifte in te dienen, wat betreft de mandatarissen van de ondergeschikte besturen.
|
- Les articles 1er à 4 sont adoptés sans observation.
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble du projet de loi.
|
- De artikelen 1 tot 4 worden zonder opmerking aangenomen.
- Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
|
Proposition de résolution concernant le diagnostic et l'accompagnement des patients atteints de démence (de Mme Christel Geerts et consorts, Doc. 3-1588)
|
Voorstel van resolutie betreffende de diagnose en begeleiding van de dementerende patiënt (van mevrouw Christel Geerts c.s., Stuk 3-1588)
|
Discussion
|
Bespreking
|
(Pour le texte adopté par la commission des Affaires sociales, voir document 3-1588/6.)
|
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden zie stuk 3-1588/6.)
|
M. Jean Cornil (PS), rapporteur. - Je me réfère à mon rapport écrit.
|
De heer Jean Cornil (PS), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.
|
Mme Mia De Schamphelaere (CD&V). - Notre collègue Geerts a fourni un travail important. Nous nous réjouissons que cette proposition de résolution ait été discutée au Sénat où le groupe de travail « Vieillissement de la population » a accordé beaucoup d'attention à l'accueil spécifique dû aux personnes qui souffrent de démence.
Cependant nous nous abstiendrons lors du vote parce que l'engagement pour un financement supplémentaire n'est que très faible. Les personnes démentes en maisons de repos ou en maisons de soins et de repos ont en effet besoin d'un encadrement particulier. L'encadrement financier actuel n'est pas à la hauteur et cela en dépit des cris de détresse des directions et des infirmiers des maisons de repos.
Des soins spéciaux impliquent un encadrement des soins spécial. Nous déplorons que nos collègues de la majorité n'osent pas exiger un engagement financier substantiel.
|
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Collega Geerts heeft een belangrijk werkstuk afgeleverd. Het verheugt ons ook dat dit voorstel van resolutie in de Senaat wordt besproken omdat de werkgroep `Vergrijzing van de bevolking' heel wat aandacht heeft besteed aan de specifieke opvang van mensen met dementie.
Toch zullen wij ons bij de stemming onthouden omdat slechts een heel flauw engagement wordt aangegaan voor een extra financiering. Dementerende mensen in rusthuizen en rust- en verzorgingstehuizen hebben immers een bijzondere omkadering nodig. Die financiële omkadering is er momenteel niet ondanks de noodkreten van de directies en verpleegkundigen van de rustoorden.
Bijzondere zorg vergt een bijzonder zorgkader. Wij betreuren dat onze collega's van de meerderheid geen stevig financieel engagement durven te eisen.
|
Mme Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Tout comme Mme De Schamphelaere, je me réjouis que le Sénat puisse donner ce signal. Il est en effet apparu de nos travaux en commission et du rapport du groupe de travail qu'en Belgique, près d'un demi-million de personnes sont directement ou indirectement touchées par la démence. La maladie est en outre particulièrement contraignante pour les personnes concernées ; non seulement elle est terminale mais le patient perd aussi la tête.
Lors des auditions on nous a également clairement indiqué qu'il y a encore beaucoup de pain sur la planche pour améliorer les soins aux personnes démentes. C'est pourquoi la présente proposition de résolution est si importante ; il serait bon dès lors que l'opposition la soutienne.
Le thème doit également demeurer à l'agenda politique. Nous avons fait un tour d'horizon des nombreuses questions prioritaires : les lacunes dans les connaissances, les défis dans le domaine de l'enseignement et de la recherche, la prévention et le diagnostic qui, actuellement, survient souvent trop tard et qui doit être plus accessible. Dans le meilleur des cas, les personnes bénéficient aujourd'hui d'un diagnostic clinique correct. Cela ne suffit toutefois pas ; l'entourage se pose énormément de questions sur les soins et l'accueil. Nous plaidons dès lors pour une indemnisation du diagnostic posé par une équipe de soins. Nous demandons ainsi indirectement un personnel plus nombreux. Notre appel ne diffère donc pas tellement de celui de Mme De Schamphelaere.
Nous demandons également qu'une attention soit portée aux soins en eux-mêmes. Ils doivent être encore plus accessibles. Nous plaidons pour un concept de soins intégral, avec une politique rigide mais très accessible relative à la médication, politique dans laquelle la situation scientifique est suivie de près. Sont à cet effet importantes les interventions pharmacologiques mais aussi les interventions non pharmacologiques.
Les hôpitaux de jour gériatriques, les diagnostics et les formes de soins alternatifs, les soins palliatifs, le soutien aux personnes de l'entourage qui dispensent les soins et l'implication dans les soins constituent d'autres questions prioritaires.
C'est important car les patients peuvent encore, surtout au début du processus de démence, exprimer leur préférence pour certaines formes de soins. À notre sens il faut en tenir compte.
On doit en outre disposer d'équipements de soins suffisants et les listes d'attente doivent être réduites.
Il reste donc beaucoup à faire.
Avec cette résolution, nous voulons souligner que ce thème important ne peut disparaître de l'agenda politique. On a en effet besoin d'un élargissement et d'un approfondissement des soins aux personnes démentes, ce qui suppose également davantage de personnel. Nous ne visons donc pas seulement un meilleur soutien matériel mais aussi un soutien humain dans le sens le plus large du terme.
|
Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Net als mevrouw De Schamphelaere verheugt het me dat de Senaat dit signaal kan geven. Uit onze werkzaamheden in de commissie en het verslag van de werkgroep is immers gebleken dat in België bijna een half miljoen mensen rechtstreeks of onrechtstreeks door dementie worden getroffen. Bovendien is de ziekte zeer ingrijpend voor alle betrokkenen; ze is niet alleen terminaal, de patiënt verliest ook zichzelf.
Tijdens de hoorzittingen hebben we ook duidelijke signalen gekregen dat er nog veel werk aan de winkel is om de zorg voor de dementerenden te verbeteren. Om die reden is voorliggende voorstel van resolutie zo belangrijk; het zou dan ook goed zijn mocht de oppositie het mee steunen.
Het thema moet op de politieke agenda blijven. We hebben een round-up gemaakt van de talrijke aandachtspunten: de kennislacunes, de uitdagingen op het vlak van onderwijs en het onderzoek, de preventie en de diagnose die nu vaak te laat komt en toegankelijker moet worden. In het beste geval krijgen de mensen nu een correcte klinische diagnose. Dat volstaat echter niet; de omgeving zit met ontzettend veel vragen over de zorg en de opvang. Wij pleiten dan ook voor een vergoeding voor een zorgdiagnose door een zorgteam. Dat is onrechtstreeks dus ook een vraag naar meer personeel. Onze oproep verschilt dus niet zoveel van die van mevrouw De Schamphelaere.
We vragen ook aandacht voor de zorg op zich. Die moet nog veel toegankelijker worden. We pleiten voor een integraal zorgconcept met een rigide, maar heel toegankelijk medicatiebeleid, waarbij de wetenschappelijke stand van zaken op de voet wordt gevolgd. Hierbij zijn niet alleen de farmacologische interventies, maar ook de niet-farmacologische interventies belangrijk.
Andere aandachtspunten zijn de geriatrische dagziekenhuizen, de alternatieve diagnoses en zorgvormen, de palliatieve zorg, de ondersteuning van de mantelzorgers en de betrokkenheid bij de zorg.
Dat is belangrijk, want zeker bij het begin van het dementieproces kunnen patiënten nog hun voorkeur voor bepaalde vormen van zorg bekendmaken. Daar moet volgens ons rekening mee worden gehouden.
Bovendien moeten er voldoende zorgvoorzieningen zijn en de wachtlijsten worden afgebouwd.
Er is dus nog veel werk aan de winkel.
Met deze resolutie willen we het signaal geven dat dit belangrijk thema niet van de politieke agenda mag verdwijnen. Er is immers nood aan verbreding en verdieping van de zorg aan dementen, wat ook meer personeel inhoudt. We streven dus niet alleen een betere materiële ondersteuning na, maar eveneens een personele in de ruime betekenis van het woord.
|
- La discussion est close.
|
- De bespreking is gesloten.
|
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble de la proposition de résolution.
|
- De stemming over het voorstel van resolutie in zijn geheel heeft later plaats.
|
(Mme Anne-Marie Lizin, présidente, prend place au fauteuil présidentiel.)
|
(Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin.)
|
Proposition de résolution relative à la sélection participative d'indicateurs pour le développement durable en Belgique (de Mme Fatma Pehlivan et consorts, Doc. 3-1607)
|
Voorstel van resolutie inzake het participatief selecteren van indicatoren voor duurzame ontwikkeling voor België (van mevrouw Fatma Pehlivan c.s., Stuk 3-1607)
|
Discussion
|
Bespreking
|
(Pour le texte adopté par la commission des Affaires sociales, voir document 3-1607/5.)
|
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden zie stuk 3-1607/5.)
|
Mme Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT), rapporteuse. - Je me réfère à mon rapport écrit.
|
Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.
|
- La discussion est close.
|
- De bespreking is gesloten.
|
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble de la proposition de résolution.
|
- De stemming over het voorstel van resolutie in zijn geheel heeft later plaats.
|
Proposition de résolution relative à l'évaluation de la loi du 3 avril 1990 relative à l'interruption de grossesse (Doc. 3-1849)
|
Voorstel van resolutie met betrekking tot de evaluatie van de wet van 3 april 1990 betreffende de zwangerschapsafbreking (Stuk 3-1849)
|
Rapport de la Commission nationale d'Évaluation de la loi du 3 avril 1990 relative à l'interruption de grossesse (loi du 13 août 1990) à l'attention du Parlement (1er janvier 2004 - 31 décembre 2005) (Doc. 3-1849)
|
Verslag van de Nationale Commissie voor de Evaluatie van de wet van 3 april 1990 betreffende de zwangerschapsafbreking (wet van 13 augustus 1990) ten behoeve van het Parlement (1 januari 2004 - 31 december 2005) (Stuk 3-1849)
|
Rapport de la Commission nationale d'Évaluation de la loi du 3 avril 1990 relative à l'interruption de grossesse (loi du 13 août 1990) à l'attention du Parlement (1er janvier 2002 - 31 décembre 2003) (Doc. 3-836)
|
Verslag van de Nationale Commissie voor de Evaluatie van de wet van 3 april 1990 betreffende de zwangerschapsafbreking (wet van 13 augustus 1990) ten behoeve van het Parlement (1 januari 2002 - 31 december 2003) (Stuk 3-836)
|
Discussion
|
Bespreking
|
(Pour le texte adopté par la commission des Affaires sociales, voir document 3-1849/3.)
|
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden zie stuk 3-1849/3.)
|
Mme la présidente. - Mme Zrihen se réfère à son rapport écrit.
|
De voorzitter. - Mevrouw Zrihen verwijst naar haar schriftelijk verslag.
|
Mme Mia De Schamphelaere (CD&V). - Nous ne voterons pas cette résolution tout simplement parce que nous ne pouvons pas amender une recommandation.
Nous ne sommes pas opposés au contenu de cette recommandation mais nous la trouvons trop unilatérale. Elle est en effet principalement orientée vers la prévention de grossesses non désirées. Nous estimons que c'est un objectif important qui doit être atteint surtout au niveau des compétences communautaires, de l'enseignement et de la formation relationnelle.
La prévention de cette interruption de grossesse n'est pas évoquée dans la proposition de résolution. Selon les chiffres, 37% des femmes interrompent leur grossesse pour des raisons sociales, et 70% pour des raisons financières. Parce qu'il apparaît que la liberté des femmes n'est pas garantie, nous aurions aimé ajouter à la proposition de résolution une recommandation visant à en tenir compte, à permettre davantage d'alternatives et, lorsque la grossesse n'est pas désirée, à indiquer aux femmes la voie vers ces alternatives. En outre, la période de réflexion doit être respectée et le premier entretien est d'une extrême importance pour l'examen de diverses alternatives.
En outre, nous avons été surpris par les chiffres d'une autre étude qui a démontré que, dans notre pays, 40% des interruptions de grossesse concernent des femmes qui n'ont pas la nationalité belge. Des actions spécifiques doivent être menées et il faut communiquer de manière plus compréhensible avec ces groupes sur la contraception, les relations et la prévention d'interruptions de grossesse répétées. Nous regrettons que la proposition de loi donnant à la commission d'évaluation la possibilité de réclamer davantage de données n'ait pas encore adoptée ; il s'agit par exemple de données concernant la relation de la femme, la nationalité, la durée du séjour dans notre pays et d'éventuelles autres interruptions de grossesse antérieures. Sur cette base, on pourrait mener une politique plus orientée et développer davantage la prévention de l'interruption de grossesse non désirée. N'oublions pas que l'interruption d'une telle grossesse est suivie d'une période d'acceptation très difficile.
|
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - We zullen deze resolutie niet goedkeuren, omdat we een aanbeveling nu eenmaal niet kunnen amenderen.
We zijn niet tegen de inhoud van deze aanbeveling, maar we vinden ze te eenzijdig. Ze is immers vooral gericht op de preventie van ongewenste zwangerschappen. We vinden dat uiteraard een belangrijke doelstelling, die vooral op het vlak van gemeenschapsbevoegdheden, onderwijs en relationele vorming, moet worden ingevuld.
De preventie van ongewenste zwangerschapsafbreking komt in het voorstel van resolutie niet aan bod. Uit de cijfers maken we op dat 37% van de vrouwen een sociale reden en voor 7% een financiële reden opgeeft om de zwangerschap te onderbreken. Omdat hieruit blijkt dat de vrijheid voor de vrouwen dus niet gegarandeerd wordt, hadden we aan het voorstel van resolutie ook graag een aanbeveling toegevoegd om hieraan tegemoet te komen, om meer alternatieven mogelijk te maken en om vrouwen die ongewenst zwanger zijn geworden, de weg naar die alternatieven te wijzen. Daarbij moet vooral de bedenkperiode goed worden gerespecteerd en is het eerste gesprek uiterst belangrijk voor het bespreken van diverse alternatieven.
Bovendien waren wij verrast door de cijfers van een andere studie, die aantoonde dat 40% van de zwangerschapsafbrekingen in ons land gebeurt bij vrouwen die niet de Belgische nationaliteit hebben. Er moeten specifieke acties komen er moet met deze groepen op een beter verstaanbare wijze worden gecommuniceerd over anticonceptie, relaties en het voorkomen van herhaalde zwangerschapsafbreking. We betreuren dat het wetsvoorstel nog niet is goedgekeurd dat de evaluatiecommissie de mogelijkheid geeft meer gegevens op te vragen, bijvoorbeeld gegevens over de relatie waarin de vrouw leeft, de nationaliteit, de verblijfsduur in ons land en eventuele vroegere zwangerschapsafbrekingen. Op basis daarvan zou het beleid meer gericht kunnen werken en meer kunnen doen aan preventie van ongewenste zwangerschapsafbreking. We mogen niet vergeten dat op een zwangerschapsafbreking die een vrouw in haar hart eigenlijk niet wenst, een heel moeilijke verwerkingsperiode volgt.
|
- La discussion est close.
|
- De bespreking is gesloten.
|
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble de la proposition de résolution.
|
- De stemming over het voorstel van resolutie in zijn geheel heeft later plaats.
|
Proposition de résolution visant à établir l'égalité de rémunération entre les femmes et les hommes (de Mme Olga Zrihen et consorts, Doc. 3-2047)
|
Voorstel van resolutie betreffende het tot stand brengen van een gelijke beloning van vrouwen en mannen (van mevrouw Olga Zrihen c.s., Stuk 3-2047)
|
Proposition de résolution sur l'égalité de rémunération entre les femmes et les hommes (de Mme Margriet Hermans et Mme Stéphanie Anseeuw, Doc. 3-1180)
|
Voorstel van resolutie betreffende de gelijke verloning van vrouwen en mannen (van mevrouw Margriet Hermans en mevrouw Stéphanie Anseeuw, Stuk 3-1180)
|
Proposition de résolution en vue d'atteindre en Belgique les objectifs fixés à Lisbonne en ce qui concerne le taux d'emploi des femmes (de Mme Jihane Annane et Mme Nathalie de T' Serclaes, Doc. 3-1347)
|
Voorstel van resolutie teneinde in België de doelstellingen te bereiken die in Lissabon werden vastgelegd inzake de werkgelegenheidsgraad van vrouwen (van mevrouw Jihane Annane en mevrouw Nathalie de T' Serclaes, Stuk 3-1347)
|
Proposition de résolution visant à promouvoir l'égalité de rémunération entre les femmes et les hommes (de Mme Olga Zrihen et Mme Marie-José Laloy, Doc. 3-1633)
|
Voorstel van resolutie betreffende het bevorderen van een gelijke beloning van vrouwen en mannen (van mevrouw Olga Zrihen en mevrouw Marie-José Laloy, Stuk 3-1633)
|
Discussion
|
Bespreking
|
(Pour le texte adopté par la commission des Affaires sociales, voir document 3-2047/4.)
|
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden zie stuk 3-2047/4.)
|
Mme la présidente. - MM. Beke et Cornil se réfèrent au rapport écrit.
|
De voorzitter. - De heren Beke en Cornil verwijzen naar het schriftelijk verslag.
|
- La discussion est close.
|
- De bespreking is gesloten.
|
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble de la proposition de résolution.
|
- De stemming over het voorstel van resolutie in zijn geheel heeft later plaats.
|
Proposition de résolution relative à la conclusion du débat thématique sur «La politique énergétique en Belgique» (de M. Bart Martens et consorts, Doc. 3-2354)
|
Voorstel van resolutie betreffende de conclusie van het themadebat over het «Energiebeleid in België» (van de heer Bart Martens c.s., Stuk 3-2354)
|
Discussion
|
Bespreking
|
(Pour le texte adopté par la commission des Finances et des Affaires économiques, voir document 3-2354/4.)
|
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden zie stuk 3-2354/4.)
|
Mme la présidente. - M. Van Nieuwkerke se réfère à son rapport écrit.
|
De voorzitter. - De heer Van Nieuwkerke verwijst naar zijn schriftelijk verslag.
|
- La discussion est close.
|
- De bespreking is gesloten.
|
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble de la proposition de résolution.
|
- De stemming over het voorstel van resolutie in zijn geheel heeft later plaats.
|
Proposition de loi modifiant la loi du 5 mai 1997 relative à la coordination de la politique fédérale de développement durable et l'arrêté royal du 22 septembre 2004 portant création des cellules de développement durable au sein des services publics fédéraux, des services publics fédéraux de programmation et du ministère de la Défense (de Mme Fauzaya Talhaoui et M. Bart Martens, Doc. 3-1864)
|
Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling en het koninklijk besluit van 22 september 2004 houdende oprichting van cellen duurzame ontwikkeling in de federale overheidsdiensten, de programmatorische federale overheidsdiensten en het ministerie van Landsverdediging (van mevrouw Fauzaya Talhaoui en de heer Bart Martens, Stuk 3-1864)
|
Proposition de loi modifiant la loi du 5 mai 1997 relative à la coordination de la politique fédérale de développement durable (de Mme Isabelle Durant, Doc. 3-727)
|
Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling (van mevrouw Isabelle Durant, Stuk 3-727)
|
Discussion générale
|
Algemene bespreking
|
Mme la présidente. - M. Cornil, rapporteur, se réfère à son rapport écrit.
|
De voorzitter. - De heer Cornil, rapporteur, verwijst naar zijn schriftelijk verslag.
|
Mme Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT). - Je remercie de tout coeur les collègues de leur soutien à cette proposition de loi que j'ai déposée avec Bart Martens. Nous ne l'avons pas inventée. L'accord fédéral de gouvernement 2003-2007 avait déjà annoncé que des cellules de développement durable seraient créées afin d'évaluer toutes les décisions publiques importantes sur leurs effets en matière de développement durable. Il prévoyait en outre que l'évaluation des effets en matière de développement durable ne pouvait retarder davantage la décision.
Cette proposition de loi donne un fondement à cette disposition de l'accord de gouvernement. Elle introduit ce que l'on appelle une EIDDD, une évaluation d'incidence des décisions sur le développement durable, une méthode grâce à laquelle, avant la prise de décision, l'administration étudie, au niveau social, économique et écologique, les effets éventuels d'une politique proposée. En outre, ces évaluations proposent éventuellement des alternatives. Sur la base de cette évaluation, on examine si le projet de politique favorise le développement durable.
Sous cette législature, nous avons atteint de nombreux objectifs en matière de développement durable. Aujourd'hui, l'article 7bis de la Constitution devrait être adopté par la Chambre des représentants ; le développement durable sera ainsi inscrit dans la Constitution. Le Sénat a aussi examiné diverses autres propositions relatives à la durabilité. La proposition de loi que nous examinons constitue l'aboutissement de l'intégration du développement durable dans nos procédures décisionnelles.
Les effets du développement durable doivent être évalués pour tous les projets de loi, tous les projets d'arrêté royal et toutes les propositions de décision soumises à l'approbation du Conseil des ministres. Le Roi se verra conférer le pouvoir de préciser les conditions.
Il y a aussi des sanctions. Si une décision, un avant-projet de loi ou d'arrêté n'est pas examiné, le projet ne pourra pas être déposé auprès des chambres législatives, l'arrêté royal ne pourra être pas promulgué par le Roi et la proposition de décision ne pourra pas être approuvée par le Conseil des ministres.
Je remercie la présidente de la commission des Affaires sociales d'avoir inscrit la proposition de loi à l'ordre du jour, ainsi que tous les collègues de leur collaboration.
|
Mevrouw Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT). - Ik dank van harte de collega's voor hun steun aan dit wetsvoorstel, dat ik samen met collega Bart Martens heb ingediend. We hebben het niet zelf uitgevonden. Het federaal regeerakkoord 2003-2007 kondigde al aan dat cellen voor duurzame ontwikkeling zouden worden opgericht om alle belangrijke overheidsbeslissingen op hun effecten inzake duurzame ontwikkeling te beoordelen. Het bepaalde bovendien dat het beoordelen van de effecten inzake duurzame ontwikkeling niet mag leiden tot bijkomende vertraging in de besluitvorming.
Dit wetsvoorstel geeft een grondslag aan deze bepaling uit het regeerakkoord. Het introduceert de zogenaamde DOEB's, de duurzameontwikkelingseffectbeoordelingen, een methode waarmee de administratie, alvorens de beslissing wordt genomen, de mogelijke effecten van een voorgesteld beleid bestudeert op sociaal, economisch en ecologisch niveau. Bovendien bevatten deze beoordelingen eventueel voorstellen van alternatieven. Met deze toetsing wordt nagegaan of het beleidsvoornemen een beleid van duurzame ontwikkeling bevordert.
We hebben in deze legislatuur heel wat bereikt op het vlak van duurzame ontwikkeling. Vandaag zou in de Kamer van volksvertegenwoordigers artikel 7bis van de Grondwet goedgekeurd, waarmee duurzame ontwikkeling in de Grondwet wordt ingeschreven. We hebben ook allerlei andere voorstellen in verband met duurzaamheid in de Senaat behandeld. Het wetsvoorstel dat we nu bespreken, vormt een sluitstuk in de integratie van duurzame ontwikkeling in onze besluitvormingsprocedures.
De beoordeling van de effecten van de duurzame ontwikkeling moet worden uitgevoerd op alle ontwerpen van wet, op alle ontwerpen van koninklijk besluit en op alle voorstellen van beslissingen die ter goedkeuring aan de ministerraad worden voorgelegd. Aan de koning zal de bevoegdheid worden gegeven om de voorwaarden in detail uit te werken.
Er zijn ook sancties. Als een bepaalde beslissing, een voorontwerp van wet of besluit niet wordt onderzocht, dan kan het ontwerp niet worden ingediend bij de wetgevende kamers, kan het koninklijk besluit niet door de koning worden afgekondigd en kan een voorstel van beslissing niet door de ministerraad worden goedgekeurd.
Ik dank tot slot de voorzitter van de commissie voor de Sociale Aangelegenheden omdat ze het wetsvoorstel op de agenda heeft geplaatst, alsook alle collega's die hieraan hebben meegewerkt.
|
- La discussion générale est close.
|
- De algemene bespreking is gesloten.
|
Discussion des articles
|
Artikelsgewijze bespreking
|
(Pour le texte adopté par la commission des Affaires sociales, voir document 3-1864/4.)
|
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden, zie stuk 3-1864/4.)
|
- Les articles 1er à 4 sont adoptés sans observation.
- Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble de la proposition de loi.
|
- De artikelen 1 tot 4 worden zonder opmerking aangenomen.
- Over het wetsvoorstel in zijn geheel wordt later gestemd.
|
Votes
|
Stemmingen
|
(Les listes nominatives figurent en annexe.)
|
(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)
|
Projet de loi portant assentiment au Protocole, ouvert à la signature à Berlin du 1er juin 2006 au 1er novembre 2006, sur la modification de l'Accord instituant une Commission internationale pour le Service international de Recherches, conclu à Bonn le 6 juin 1955 (Doc. 3-2376)
|
Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol, opengesteld voor ondertekening te Berlijn van 1 juni 2006 tot 1 november 2006, tot wijziging van de Overeenkomst inzake de oprichting van een Internationale Commissie voor de Internationale Opsporingsdienst, gesloten te Bonn op 6 juni 1955 (Stuk 3-2376)
|
Vote nº 1
|
Stemming 1
|
Présents : 54
Pour : 54
Contre : 0
Abstentions : 0
|
Aanwezig: 54
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
|
- Le projet de loi est adopté.
- Il sera transmis à la Chambre des représentants.
|
- Het wetsontwerp is aangenomen.
- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
|
Projet de loi portant assentiment à l'Accord de coopération du 2 mars 2007 entre l'État fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale concernant l'exécution de la Convention sur l'interdiction de la mise au point, de la fabrication, du stockage et de l'emploi des armes chimiques et sur leur destruction, faite à Paris le 13 janvier 1993 (Doc. 3-2386)
|
Wetsontwerp houdende instemming met het Samenwerkingsakkoord van 2 maart 2007 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering van de Overeenkomst tot verbod van de ontwikkeling, de productie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens, gedaan te Parijs de 13de januari 1993 (Stuk 3-2386)
|
Vote nº 2
|
Stemming 2
|
Présents : 58
Pour : 58
Contre : 0
Abstentions : 0
|
Aanwezig: 58
Voor: 58
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
|
- Le projet de loi est adopté.
- Il sera transmis à la Chambre des représentants.
|
- Het wetsontwerp is aangenomen.
- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
|
Projet de loi modifiant la législation relative à l'obligation de déposer une liste de mandats, fonctions et professions et une déclaration de patrimoine, en ce qui concerne les mandataires communaux et provinciaux. (Doc. 3-2367)
|
Wetsontwerp tot wijziging van de wetgeving inzake de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen, alsmede een vermogensaangifte in te dienen, wat betreft de gemeentelijke en provinciale mandatarissen (Stuk 3-2367)
|
Vote nº 3
|
Stemming 3
|
Présents : 58
Pour : 58
Contre : 0
Abstentions : 0
|
Aanwezig: 58
Voor: 58
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
|
- Le projet de loi est adopté.
- Il a été amendé et sera transmis à la Chambre des représentants.
|
- Het wetsontwerp is aangenomen.
- Het werd geamendeerd en zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
|
Projet de loi portant assentiment à l'accord de coopération du 9 février 2007 modifiant l'accord de coopération du 13 décembre 2002 entre l'État fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale relatif à l'exécution et au financement de l'assainissement du sol des stations-service (Doc. 3-2114)
|
Wetsontwerp houdende de instemming met het samenwerkingsakkoord van 9 februari 2007 tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 13 december 2002 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en de financiering van de bodemsanering van tankstations; Stuk 3-2114/1 tot 4.
|
Vote nº 4
|
Stemming 4
|
Présents : 61
Pour : 61
Contre : 0
Abstentions : 0
|
Aanwezig: 61
Voor: 61
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
|
- Le projet de loi est adopté.
- Il sera transmis à la Chambre des représentants.
|
- Het wetsontwerp is aangenomen.
- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
|
Projet de loi relative à la répression de la contrefaçon et de la piraterie de droits de propriété intellectuelle (Doc. 3-2126) (Procédure d'évocation)
|
Wetsontwerp betreffende de bestraffing van namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten (Stuk 3-2126) (Evocatieprocedure)
|
Vote nº 5
|
Stemming 5
|
Présents : 60
Pour : 60
Contre : 0
Abstentions : 0
|
Aanwezig: 60
Voor: 60
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
|
- Le projet de loi est adopté sans modification. Par conséquent, le Sénat est censé avoir décidé de ne pas l'amender.
- Il sera transmis à la Chambre des représentants en vue de la sanction royale.
|
- Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.
- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.
|
Projet de loi portant modification |