|
Présidence de
Mme Anne-Marie Lizin
(La séance est ouverte à
15 h 05.)
|
Voorzitter: mevrouw Anne-Marie
Lizin
(De vergadering wordt geopend om
15.05 uur.)
|
|
Décès
d’un ancien sénateur
|
Overlijden
van een oud-senator
|
|
Mme la présidente.
– Le Sénat a appris avec un vif regret le décès
de M. Valère Vautmans, ancien sénateur élu
par le collège électoral néerlandais.
Votre présidente a adressé
les condoléances de l’Assemblée à la
famille de notre regretté ancien collègue.
|
De voorzitter. – De
Senaat heeft met groot leedwezen kennis gekregen van het
overlijden van de heer Valère Vautmans, gewezen
senator gekozen door het Nederlandse kiescollege.
Uw voorzitter heeft het rouwbeklag
van de Vergadering aan de familie van ons betreurd gewezen
medelid betuigd.
|
|
Prise
en considération de propositions
|
Inoverwegingneming
van voorstellen
|
|
Mme la présidente.
– La liste des propositions à prendre en
considération a été distribuée.
Je prie les membres qui auraient des
observations à formuler de me les faire connaître
avant la fin de la séance.
Sauf suggestion divergente, je
considérerai ces propositions comme prises en
considération et renvoyées à la commission
indiquée par le Bureau. (Assentiment)
|
De voorzitter. – De
lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.
Leden die opmerkingen mochten
hebben, kunnen die vóór het einde van de
vergadering mededelen.
Tenzij er afwijkende suggesties
zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen
en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn
aangewezen. (Instemming)
|
|
(La liste des propositions prises
en considération figure en annexe.)
|
(De lijst van de in overweging
genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)
|
|
Questions
orales
|
Mondelinge
vragen
|
|
Question
orale de M. Josy Dubié à la vice-première
ministre et ministre de la Justice sur «l’inculpation
d’un journaliste refusant de révéler ses
sources» (nº 3-1479)
|
Mondelinge
vraag van de heer Josy Dubié aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie over «de
beschuldiging van een journalist die zijn bronnen niet wenst vrij
te geven» (nr. 3-1479)
|
|
M. Josy Dubié
(ECOLO). – La présente question fait suite à
celle que j’ai posée la semaine dernière. En
effet, la ministre ne disposait pas ce jour-là d’éléments
suffisants pour répondre à la deuxième
partie de ladite question.
L’AGJPB, l’Association
générale des journalistes professionnels de
Belgique, a publié la semaine dernière un
communiqué s’insurgeant contre la pratique de
certains juges qui font pression sur des journalistes pour
obtenir, au mépris de la loi du 7 avril 2005
relative à la protection des sources journalistiques, des
renseignements permettant d’identifier des personnes à
la base de leurs informations.
Un journaliste flamand travaillant
pour l’hebdomadaire Humo a ainsi été
convoqué par un juge d’instruction pour connaître
l’identité de personnes retrouvées par le
journaliste et impliquées dans une affaire en cours.
Le journaliste ayant refusé
de divulguer leur identité en se basant sur la législation
prévoyant qu’il ne peut « être
procédé à aucune mesure d’information
ou d’instruction concernant des données relatives
aux sources d’information », il a été
inculpé « d’association de malfaiteurs »
par le juge d’instruction de Bruges.
C’est inquiétant et je
vous rappelle à cet égard les termes des articles 2
et 3 de la loi que nous avons adoptée : « Les
personnes visées – c’est-à-dire les
journalistes – ne peuvent pas être contraintes de
révéler leurs sources d’information et de
communiquer tout renseignement susceptible de révéler
l’identité de leurs informateurs ».
Une dérogation est toutefois
possible, l’article 4 stipulant : « Des
personnes peuvent être tenues de livrer les sources à
la requête du juge si elles sont de nature à
prévenir la commission d’infractions constituant une
menace grave pour l’intégrité physique d’une
ou de plusieurs personnes ».
Je me suis inquiété de
savoir ce qui était en cause dans cette affaire. Je
découvre avec stupéfaction qu’il s’agit,
comme l’a révélé le journal Le Soir
de ce mardi sous le titre « Le mystère de la
main sectionnée », d’une bande
d’anarchistes qui, pour protester contre un événement
malheureusement pas assez connu de l’ancien régime
congolais, sous l’égide de Léopold II, à
savoir l’épisode des mains coupées, a
sectionné une main en bronze d’un monument à
Ostende. On poursuit ces personnes pour ce fait et on inculpe le
journaliste pour association de malfaiteurs.
Madame la ministre, avez-vous, cette
fois, connaissance de cette affaire et quelles mesures
comptez-vous prendre pour faire respecter la loi par ceux-là
mêmes qui sont au premier chef habilités à
cet effet, à savoir les membres de la magistrature ?
|
De heer Josy
Dubié (ECOLO). – De algemene vereniging van
beroepsjournalisten van België (AVBB), heeft vorige week een
communiqué verspreid waarin ze protesteert tegen de druk
die sommige rechters uitoefenen op journalisten om informatie te
verstrekken om personen te kunnen identificeren. Dat gaat in
tegen de wet van 7 april 2005 tot bescherming van de
journalistieke bronnen.
Zo werd een
Vlaamse journalist die voor het weekblad Humo werkt, opgeroepen
door een onderzoeksrechter die de identiteit wilde kennen van
mensen die betrokken waren in een lopende zaak en met wie de
journalist contact had.
De journalist
weigerde hun identiteit te onthullen op basis van de wetgeving
die bepaalt dat opsporings- of onderzoeksmaatregelen niet mogen
slaan op gegevens die betrekking hebben op de informatiebronnen.
Hij werd door de onderzoeksrechter van Brugge beschuldigd van
bendevorming.
Dat is
onrustwekkend, want artikelen 2 en 3 van de wet die wij
hebben aangenomen, bepalen dat journalisten niet kunnen worden
gedwongen hun informatiebronnen vrij te geven en inlichtingen te
verstrekken die de identiteit van hun informanten kunnen
bekendmaken.
Er is evenwel
een uitzondering mogelijk, want artikel 4 bepaalt: ‘de
personen kunnen op vordering van de rechter ertoe gedwongen
worden de informatiebronnen vrij te geven, indien die van aard
zijn misdrijven te voorkomen die een ernstige bedreiging
opleveren voor de fysieke integriteit van één of
meer personen’.
Ik wou weten
waarover deze zaak ging. Ik was verbaasd toen ik in Le Soir
las dat het een bende anarchisten betrof die in Oostende de
hand van een bronzen beeld hebben afgehakt om te protesteren
tegen de periode van de afgehakte handen in Congo, een helaas te
weinig bekende periode in het Congolese ancien régime,
onder het beschermheerschap van Leopold II. Die mensen worden
daarvoor vervolgd en de journalist wordt beschuldigd van
bendevorming.
Is de minister
op de hoogte van deze zaak? Welke maatregelen is zij van plan te
nemen om de wet te doen naleven door de leden van de
magistratuur?
|
|
Mme Laurette Onkelinx,
vice-première ministre et ministre de la Justice. –
Je ne puis vous donner, monsieur Dubié, que les
informations que l’on me fournit. Dans un dossier qui fait
l’objet d’une instruction, chacun est soucieux de
préserver le secret de celle-ci, ce qui est évidemment
un principe très important.
J’ai pris contact avec le
procureur du Roi de Bruges, qui m’a dit que le dossier
était à l’instruction et qu’il ne
tenait pas à divulguer des informations à cet
égard.
Cependant, il ressort d’informations
qu’il m’a données qu’un nouveau juge
d’instruction a été désigné
afin d’évaluer, notamment, les mesures d’instruction
décidées précédemment.
Ce dossier sera soumis au contrôle
des juridictions d’instruction qui vérifieront si
des illégalités ont ou non été
commises en l’espèce. En tant que ministre de la
Justice, il ne m’appartient pas de trancher cette question.
Les juges d’instruction sont des indépendants et
nous verrons quelles décisions de justice interviendront.
|
Mevrouw Laurette
Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. –
Ik kan alleen de informatie geven die men mij verstrekt. Voor een
dossier dat nog in onderzoek is, is geheimhouding geboden. Dat is
een belangrijk principe.
De procureur
des Konings van Brugge heeft me gezegd dat het dossier nog in
onderzoek is en dat hij daarover geen informatie wou verstrekken.
Uit de
inlichtingen die ik heb gekregen, blijkt evenwel dat een nieuwe
onderzoeksrechter werd aangesteld om de onderzoeksmaatregelen
waartoe al werd beslist, te evalueren.
Het dossier
zal ter controle worden voorgelegd aan de onderzoeksrechtbanken,
die zullen nagaan of geen onregelmatigheden werden begaan. Als
minister van Justitie mag ik in deze zaak geen beslissing nemen.
De onderzoeksrechters zijn onafhankelijk en we wachten af tot
welke besluiten ze zullen komen.
|
|
M. Josy Dubié
(ECOLO). – Je remercie la ministre. Il faudra donc
attendre l’évolution de cette affaire.
Je rappelle tout de même que
l’on ne peut violer la loi sur la protection des sources
des journalistes que dans des cas extrêmement graves.
Je signale par ailleurs que le
conseil communal d’Ostende a décidé à
l’unanimité de ne pas recoller la main coupée
car il s’agit d’un symbole rappelant un épisode
particulièrement tragique de notre histoire.
À l’époque, en
1905, l’affaire a été soulignée par
M. Vandervelde – que vous devez connaître,
madame la ministre – et qui a exigé un rapport dont
je vous lis un extrait : « La commission
d’enquête internationale dépêchée
au Congo en 1904 et 1905 a reconnu que des soldats dans des
régions bien délimitées avaient reçu
pour consigne de couper les mains des indigènes tués
au combat afin de prouver le bon usage des cartouches fournies. »
Je pense qu’il y a là
un fait historique qui mérite d’être souligné.
|
De heer Josy
Dubié (ECOLO). – Ik dank de minister. We moeten
dus wachten op het verdere verloop van deze zaak.
Ik wijs er
evenwel op dat de wet tot bescherming van de journalistieke
bronnen alleen in bijzonder ernstige gevallen mag worden
geschonden.
De
gemeenteraad van Oostende heeft eenparig beslist de afgehakte
hand niet terug te plaatsen, omdat het een symbool is dat
herinnert aan een bijzonder tragische episode uit onze
geschiedenis.
In 1905 werd
de zaak onder de aandacht gebracht door de heer Vandervelde,
die een verslag eiste. De internationale onderzoekscommissie die
in 1904 en 1905 naar Congo werd gestuurd, heeft toegegeven dat de
soldaten in welbepaalde regio’s de opdracht hadden gekregen
de handen van de gedode inboorlingen af te hakken om te bewijzen
dat hun kogels goed werden gebruikt.
Ik denk dat
dit historische feit enige vermelding verdient.
|
|
Question
orale de Mme Jihane Annane au ministre des Affaires
étrangères sur «la reconnaissance du
gouvernement palestinien» (nº 3-1473)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Jihane Annane aan de minister van
Buitenlandse Zaken over «de erkenning van de Palestijnse
regering» (nr. 3-1473)
|
|
Question
orale de M. Pierre Galand au ministre des Affaires
étrangères sur «le rétablissement de
l’aide directe à l’autorité
palestinienne» (nº 3-1474)
|
Mondelinge
vraag van de heer Pierre Galand aan de minister van
Buitenlandse Zaken over «het weer instellen van de directe
hulp aan de Palestijnse overheid» (nr. 3-1474)
|
|
Mme la présidente.
– Je vous propose de joindre ces questions orales.
(Assentiment)
|
De voorzitter. – Ik
stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)
|
|
Mme Jihane Annane (MR).
– Vous avez déjà eu l’occasion,
monsieur le ministre, de répondre aux journalistes qui
vous ont interrogé sur votre tournée au
Proche-Orient mais vous ne vous êtes pas encore exprimé
devant une assemblée parlementaire, donc politique. C’est
pourquoi j’aimerais vous poser une série de
questions à ce sujet.
Après les États-Unis,
l’Union européenne et les Nations unies viennent
d’établir des contacts diplomatiques avec les
ministres du gouvernement palestinien non membres du Hamas.
Vous revenez d’une tournée
au Proche-Orient, monsieur le ministre, au cours de laquelle vous
avez rencontré votre homologue, l’une des
personnalités indépendantes du gouvernement d’union
nationale.
Peut-on à moyen et long terme
maintenir une distinction entre les ministres du gouvernement
palestinien ? La Belgique est-elle disposée à
traiter directement avec le premier ministre palestinien, et cela
à quelle condition ? Estimez-vous que l’Union
européenne garde toute son unité et toute sa
cohérence dans ce dossier ?
Nous aimerions connaître votre
analyse sur cet accord de gouvernement entre le Fatah et le
Hamas, et les ambiguïtés sur lesquelles il repose. Ce
gouvernement épouse-t-il les trois principes du Quartet :
la renonciation à la violence, la reconnaissance des
accords passés par l’OLP et la reconnaissance
d’Israël ?
Nous aimerions également
connaître la substance du message que l’émissaire
de l’UE au Proche-Orient, Marc Otte, a délivré
au ministre palestinien des Affaires étrangères.
Celui-ci a-t-il insisté sur la fin de toutes les formes de
violence contre Israël, sur la libération rapide du
caporal Gilad Shalit et sur l’opportunité de
reprendre des négociations sur le statut final des
négociations israélo-palestiniennes ? Le
ministre des Affaires étrangères a-t-il des
compétences sur ce dernier dossier ou le président
Abbas en a-t-il le monopole ?
Quelles sont les conditions
nécessaires pour lever le blocus sur l’aide
financière directe imposé au gouvernement
palestinien par le Quartet ? Nous savons qu’un montant
d’environ 1,2 milliard de dollars d’aide humanitaire
étrangère est parvenu aux Palestiniens l’an
dernier. C’est plus que l’année précédente.
Les conditions de transparence dans lesquelles cette aide est
délivrée vous satisfont-elles, sachant que celle-ci
est majoritairement européenne ? Faut-il reprendre
l’aide directe à l’Autorité
palestinienne, par le biais du ministre des Finances, M. Salam
Fayyad, ou faut-il poursuivre le mécanisme actuel ?
Quelle sera la position de la Belgique lors du Gymnich de Brême
à la fin du mois de mars ?
|
Mevrouw Jihane
Annane (MR). – Mijnheer de minister, u heeft al
geantwoord op vragen van journalisten over uw rondreis in het
Nabije Oosten, maar u heeft daar nog niet over gerapporteerd in
een parlementaire assemblee. Daarom wil ik u daarover enkele
vragen stellen.
Na de
Verenigde Staten hebben ook de Europese Unie en de Verenigde
Naties diplomatieke contacten gelegd met de ministers van de
Palestijnse regering die geen lid zijn van Hamas.
Op uw rondreis
in het Nabije Oosten heeft u uw collega van Buitenlandse zaken
ontmoet, die één van de onafhankelijke leden is van
de regering van nationale eenheid.
Kan men op
middellange en lange termijn een onderscheid blijven maken tussen
de verschillende ministers in de Palestijnse regering? Is België
bereid om rechtstreeks te onderhandelen met de Palestijnse eerste
minister en onder welke voorwaarden? Vindt u dat de Europese Unie
eensgezind en coherent te werk blijft gaan in dit dossier?
Wat is uw
analyse van het regeerakkoord gesloten tussen Fatah en Hamas en
van de dubbelzinnigheid die daaraan ten grondslag ligt? Houdt
deze regering zich aan de drie principes die het Kwartet
vooropstelt: verzaken aan geweld, erkenning van de akkoorden
gesloten door de PLO en erkenning van Israël?
Wat is de
essentie van de boodschap die de speciale vertegenwoordiger van
de EU voor het Midden-Oosten, Marc Otte, de Palestijnse minister
van Buitenlandse zaken heeft gebracht? Heeft hij aangedrongen op
stopzetting van elke vorm van geweld tegen Israël, op de
spoedige vrijlating van de Israëlische korporaal Gilad
Shalit, en op de wenselijkheid om opnieuw te onderhandelen over
het uiteindelijke statuut van de Israëlisch-Palestijnse
onderhandelingen? Is zijn minister van Buitenlandse zaken bevoegd
voor dit laatste of heeft president Abbas daarover het monopolie?
Wat zijn de
noodzakelijke voorwaarden voor de opheffing van de blokkering van
de financiële hulp die het Kwartet de Palestijnse regering
heeft opgelegd? We weten dat de Palestijnen vorig jaar een bedrag
van 1,2 miljard dollar buitenlandse humanitaire hulp hebben
gekregen. Dat is meer dan het jaar voordien. Vindt u dat die hulp
op voldoende transparante wijze wordt verleend, wetend dat het
voornamelijk om Europese hulp gaat? Moet de rechtstreekse hulp
aan de Palestijnse Autoriteit worden hervat via minister van
Financiën Salam Fayyad, of moet het huidige mechanisme
worden voortgezet? Welk standpunt zal België innemen op het
Gymnichoverleg van eind maart in Bremen?
|
|
M. Pierre Galand (PS). –
Ma question se situe tout à fait dans le prolongement de
celle que Mme Annane vient de développer.
Vous avez posé un geste
positif, monsieur le ministre, en renouant les contacts directs
avec le gouvernement d’union nationale de Palestine. En
rencontrant le nouveau ministre des Affaires étrangères,
M. Ziad Abou Amr, vous avez levé l’embargo à
l’encontre de l’Autorité palestinienne. En
outre, vous vous êtes dit ému par les conditions de
vie déplorables des Palestiniens des camps de réfugiés
lors de votre visite du vendredi 23 mars.
Dans le même temps, vous vous
êtes prononcé pour le maintien de l’aide à
la population palestinienne selon le « Mécanisme
international temporaire » (TIM), visant à
contourner le gouvernement issu des élections de
janvier 2006, gouvernement qui a été remanié
à la suite des accords de La Mecque.
Je me suis rendu sur place lorsque
j’étais secrétaire général
d’Oxfam et je peux vous assurer que, contrairement à
ce que l’on dit, le TIM ne fonctionne pas. Il ne permet pas
de fournir l’aide aux populations palestiniennes les plus
fragilisées à la suite des contraintes et contrôles
imposés par le gouvernement israélien. Même
les responsables de la Banque mondiale font état des
difficultés rencontrées dans l’application du
TIM.
Monsieur le ministre,
qu’attendez-vous pour lever les sanctions contre l’autorité
palestinienne et rétablir l’aide directe à
celle-ci, car c’est la seule manière de donner sa
chance au gouvernement d’union nationale et de rendre
espoir au peuple palestinien ? La commission des Affaires
étrangères du Parlement européen s’est
d’ailleurs exprimée en ce sens le 21 mars.
Il est urgent, monsieur le ministre,
que la Belgique et l’Union européenne s’activent
pour soutenir des négociations entre Israël et la
Palestine, en vue d’aboutir, dans les plus brefs délais,
à la reconnaissance de la Palestine, à la
coexistence pacifique de deux États avec Jérusalem
pour capitale. Le processus de négociation sur le statut
final entre la Palestine et Israël devra nécessairement
impliquer l’ensemble des partenaires euro-méditerranéens
et prévoir une solution globale entre les pays arabes et
Israël. La Ligue arabe vient d’ailleurs de se
prononcer en ce sens.
Quelles initiatives la Belgique
compte-t-elle prendre pour aider les gouvernements israélien
et palestinien à reprendre les négociations pour
trouver une solution durable au conflit du Moyen-Orient ?
|
De heer Pierre
Galand (PS). – Mijn vraag sluit volkomen aan bij die
van Mevrouw Annane.
Mijnheer de
minister, door het opnieuw aanknopen van rechtstreekse contacten
met de Palestijnse regering van nationale eenheid stelde u een
positief gebaar. Door uw ontmoeting met de nieuwe minister van
Buitenlandse zaken Ziad Abu Amr lichtte u het embargo ten aanzien
van de Palestijnse Autoriteit. Tijdens uw bezoek op 23 maart
jl. verklaarde u zich ook getroffen door de erbarmelijke
levensomstandigheden van de Palestijnen in de
vluchtelingenkampen.
U sprak zich
tegelijk ook uit ten voordele van het behoud van de hulp aan de
Palestijnse bevolking via het Tijdelijk Internationaal Mechanisme
(TIM), dat bedoeld is om de regering te omzeilen, die na de
verkiezingen van januari 2006 tot stand kwam en die als
gevolg van de akkoorden van Mekka is herschikt.
Toen ik
secretaris-generaal van Oxfam was, ben ik ter plaatse geweest en
ik kan u verzekeren dat het TIM niet werkt. Daarmee kan geen hulp
geboden worden aan de meest kwetsbare groepen in de Palestijnse
bevolking die te lijden hebben van controles en pesterijen
vanwege de Israëlische regering. Zelfs de vertegenwoordigers
van de Wereldbank maken gewag van moeilijkheden bij de toepassing
van het TIM.
Waarop wacht
de minister om de sancties tegen de Palestijnse Autoriteit op te
heffen en de rechtstreekse hulp te hervatten? Dat is immers de
enige manier om de regering van nationale eenheid een kans te
geven en de Palestijnse bevolking weer hoop te geven. Dit is ook
wat de Commissie Buitenlandse zaken van het Europees Parlement
bepleitte op 21 maart jl.
De Europese
Unie en België moeten dringend onderhandelingen tussen
Israël en Palestina ondersteunen om zo snel mogelijk te
kunnen komen tot de erkenning van Palestina, en de vreedzame
coëxistentie van twee staten met Jeruzalem als hoofdstad.
Bij het onderhandelingsproces over het uiteindelijke statuut van
Palestina en Israël moeten alle Euro-mediterrane partners
worden betrokken en moet een oplossing worden geboden voor de
relaties tussen de Arabische landen. De Arabische Liga heeft dat
trouwens onlangs bepleit.
Welke
initiatieven zal België nemen om de Israëlische en de
Palestijnse regeringen te ondersteunen bij het heropstarten van
de onderhandelingen met het oog op een duurzame oplossing van het
conflict in het Midden-Oosten?
|
|
M. Karel De Gucht,
ministre des Affaires étrangères. – Je me
suis en effet rendu au Proche-Orient la semaine dernière.
Le conflit israélo-palestinien a été au
centre de mon voyage, même si je me suis également
penché sur la problématique libanaise. J’ai
pu me rendre compte que la situation socio-économique et
politique des Palestiniens s’était dégradée
par rapport à mon dernier voyage en 2005. C’est
pourquoi je continuerai à m’investir dans
l’amélioration du sort des Palestiniens. Cependant,
cela dépend en grande partie de l’évolution
politique interne palestinienne. Dans mes contacts avec les
Palestiniens, les Israéliens et autres acteurs, Marc Otte
et l’ONU, nous avons essentiellement parlé de
l’attitude de l’Europe vis-à-vis du nouveau
gouvernement palestinien d’Unité nationale :
d’une part, la politique des contacts et la reconnaissance
du gouvernement palestinien et, d’autre part, la reprise de
l’aide directe à l’Autorité
palestinienne.
Ces points seront d’ailleurs à
l’ordre du jour du Gymnich de Brême, qui aura lieu
demain et après-demain.
J’en viens à la
position que je défendrai auprès de mes collègues
européens.
Concernant les contacts avec le
nouveau gouvernement palestinien, ma position est claire puisque
j’étais le premier ministre au sein de la communauté
internationale à rencontrer un membre du gouvernement
d’Unité nationale.
Selon moi, cette attitude est
conforme à la politique que l’Union européenne
a toujours suivie depuis l’élection du Hamas. Nous
n’avons pas de contacts avec les hommes politiques du Hamas
mais bien avec ceux du Fatah et autres figures indépendantes
et modérées. Je plaide pour qu’on continue
cette politique des contacts en attendant une évolution
majeure de la part du Hamas. Je crois que cette politique a
montré son efficacité : elle a marginalisé
le Hamas et a contribué à pousser ce parti à
former un gouvernement de coalition avec les modérés
du Fatah et des indépendants.
Il est de notre intérêt
stratégique de renforcer le poids des modérés.
La communauté internationale doit montrer qu’elle
dialogue avec les modérés car ce sont eux qui
pourront faire pression sur le Hamas, cette fois à
l’intérieur du gouvernement palestinien.
À terme, on pourra peut-être
assister à une évolution de l’ensemble du
gouvernement. J’estime, en effet, qu’il convient de
continuer à faire pression pour que les deux autres
composantes du Quartet puissent également être
prises en considération dans un proche avenir.
Il faudra donc juger le gouvernement
et le reflet des deux critères restants –
reconnaissance du droit à l’existence d’Israël
et renonciation à la violence – sur les actes.
La plupart des États membres
jugent la reprise de l’aide budgétaire directe à
l’Autorité palestinienne encore prématurée.
Je suis également de cet avis car je ne crois pas qu’il
y aura des avancées à Brême demain ou samedi.
En attendant, je plaide, avec la
plupart des partenaires européens, pour le maintien du
TIM. Contrairement à ce que vous prétendez, le TIM
est efficace. Il apporte une aide essentielle au peuple
palestinien. Les Européens, qui ont donné davantage
en 2006 qu’en 2005, ne sont pas responsables de
l’appauvrissement du peuple palestinien. Cet
appauvrissement résulte de la retenue des taxes
palestiniennes par Israël et de la faible solidarité
des pays arabes de la région, qui n’honorent pas
toujours leurs promesses.
Pour reprendre l’aide
budgétaire directe à l’Autorité
palestinienne, plusieurs éléments devront être
réunis. Il faudra forcément un consensus européen ;
ensuite, que le ministère des Finances se dise prêt
le moment venu. Ce ministère est aux mains de Salam
Fayyad, indépendant et apprécié de la
communauté internationale. Nous sommes sûrs qu’avec
lui, notre argent n’aboutira pas dans les caisses du Hamas.
Il faudra surtout que le gouvernement palestinien prouve par ses
actes qu’il reflète les conditions du Quartet. Le
programme du nouveau gouvernement palestinien présente des
éléments qui vont dans ce sens. Nous pouvons
espérer que le gouvernement d’unité nationale
poursuivra dans cette direction. Les actes qu’il posera
feront toute la différence. Parmi les mesures importantes
que le gouvernement peut prendre et qui changeraient la donne, je
citerai : la libération du soldat israélien
Gilad Shalit, l’arrêt des tirs de roquettes Qassam,
la condamnation sans équivoque de tout acte de violence
anti-israélien et l’intégration des
différents services de sécurité et milices
en une force de sécurité officielle responsable et
contrôlant effectivement tous ces éléments.
Si nous reprenons un jour l’aide
directe à l’Autorité palestinienne, il
conviendra de repartir sur des bases plus saines et d’éviter
l’effet « tonneau des Danaïdes »
du passé. C’est la raison pour laquelle je suis
partisan de garder le TIM. Il conviendra de réfléchir
au moyen de l’étendre et de le faire évoluer,
notamment sur le plan du capacity building des
institutions palestiniennes. Puisque le TIM nous donne des
garanties de contrôle de notre aide et qu’il
bénéficie directement à la population, je ne
suis pas disposé à l’abandonner car il ne
faut pas jeter le bébé avec l’eau du bain.
Enfin, je dirai quelques mots sur
les perspectives politiques du processus de paix. M. Solana
présentera au Gymnich de Brême les résultats
du Sommet de la Ligue arabe des 28 et 29 mars à Riyad
auquel il participe et où un plan de paix avec Israël
est discuté. Les ministres arabes des Affaires étrangères,
réunis deux jours plus tôt, ont mis au point ce plan
de paix, reprenant et actualisant celui lancé à
Beyrouth en 2002, qui implique une reconnaissance de l’État
d’Israël et l’amorce d’une négociation
pour une paix durable. La contrepartie sera le retrait des
territoires occupés depuis 1967, la création d’un
État palestinien et le retour des réfugiés
palestiniens. À l’époque, ce plan avait reçu
le soutien de l’Union européenne et l’appui
mesuré des États-Unis. Israël demeure
dubitatif. À l’époque, ses dirigeants avaient
rejeté le plan mais, dans le contexte actuel, leur
position semble moins négative. Cependant, la question des
réfugiés reste un écueil pour Israël.
Quant aux pays arabes, ils considèrent que des changements
peuvent être faits lors des négociations mais pas
avant. Selon le ministre jordanien des Affaires étrangères,
les minafets arabes ont décidé la création
de plusieurs groupes d’action pour entamer des contacts
avec toutes les parties concernées par la paix, y compris
Israël.
Je soutiens totalement ces nouveaux
éléments concrets. Ces groupes d’action
seraient une véritable nouveauté au Proche-Orient.
Enfin, une prochaine réunion
du Quartette international se tiendra au Proche-Orient, si
possible en y associant le Quartette arabe, qui regroupe
l’Égypte, la Jordanie, l’Arabie saoudite et
les Émirats arabes.
La réunion du Quartet
international devrait avoir lieu dans la seconde moitié
d’avril à Charm el-Cheikh, en Égypte. Je
soutiendrai entièrement le haut représentant
Solana, qui nous représente au sein du Quartet.
|
De heer Karel
De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. – Ik
kom inderdaad net terug uit het Nabije Oosten. Ik heb me vooral
geconcentreerd op het Israëlisch-Palestijns conflict, al heb
ik me ook beziggehouden met de problematiek in Libanon. Ik heb
vastgesteld dat de socio-economische en politieke toestand van de
Palestijnen erop achteruit gegaan is sedert mijn vorige reis in
2005. Daarom zal ik blijven ijveren voor de verbetering van het
lot van de Palestijnen. Dat hangt evenwel grotendeels af van de
interne politieke evolutie in Palestina. In mijn contacten met de
Palestijnen en de Israëliërs en met andere actoren als
de VN en EU-gezant Marc Otte, hebben we het voornamelijk gehad
over de houding van Europa ten opzichte van de nieuwe Palestijnse
regering van nationale eenheid. Het betreft enerzijds het leggen
van contacten met en de erkenning van de Palestijnse regering en,
anderzijds, de hervatting van de rechtstreekse hulp aan de
Palestijnse Autoriteit.
Die punten
staan trouwens op de agenda van het Gymnichoverleg van Bremen dat
morgen en overmorgen plaatsheeft.
Dan kom ik tot
het standpunt dat ik bij mijn Europese collega’s zal
verdedigen.
Mijn standpunt
over de contacten met de nieuwe Palestijnse regering is
duidelijk, aangezien ik als eerste een lid van de regering van
nationale eenheid ontmoet heb.
Ik sluit aan
bij de politiek die de Europese Unie heeft gevolgd sedert de
verkiezing van Hamas. We hebben geen contact met de politici van
Hamas, maar wel met die van Fatah en met onafhankelijke en
gematigde figuren. Ik pleit voor de voortzetting van deze manier
van contact leggen in afwachting van een significante kentering
in de houding van Hamas. Deze werkwijze heeft al vruchten
afgeworpen: Hamas wordt erdoor gemarginaliseerd en dat heeft
ertoe bijgedragen dat ze een coalitieregering vormden met de
gematigden van Fatah en onafhankelijken.
We hebben er
strategisch belang bij dat de gematigden veld winnen. De
internationale gemeenschap moet laten blijken dat ze met de
gematigden praat, want zij zullen binnen de Palestijnse regering
druk moeten uitoefenen op Hamas.
Op termijn
zullen we misschien vaststellen dat de gehele regering opschuift.
Ik vind dat we druk moeten blijven uitoefenen opdat de twee
andere elementen van het Kwartet in de nabije toekomst ook in
overweging genomen kunnen worden.
Er zal moeten
worden geoordeeld over deze regering en over de werkelijke
inachtneming van de overige twee criteria, namelijk erkenning van
de Staat Israël en het afzweren van geweld.
De meeste
lidstaten vinden het nog te vroeg om de rechtstreekse hulp aan de
Palestijnse Autoriteit te hervatten. Ik ben ook die mening
toegedaan want ik verwacht niet dat daar verandering in zal komen
op de top in Bremen.
Intussen pleit
ik, samen met de meeste Europese partners, voor het behoud van
het TIM. In tegenstelling tot wat u beweert, is het TIM
doeltreffend. Het brengt essentiële hulp tot bij het
Palestijnse volk. De Europeanen, die meer gegeven hebben in 2006
dan in 2005, zijn niet verantwoordelijk voor de verarming van het
Palestijnse volk. Die verarming is het gevolg van de inhouding
van belastingen door Israël en van de zwakke solidariteit
van de Arabische landen uit de regio, die hun beloften niet
altijd nakomen.
De
rechtstreekse budgettaire hulp aan de Palestijnse Autoriteit kan
pas worden hervat als verschillende voorwaarden vervuld zijn. Er
moet een Europese consensus bestaan en het ministerie van
Financiën moet zich bereid verklaren. Dat departement is in
handen van Salam Fayyad, een onafhankelijke die door de
internationale gemeenschap wordt gewaardeerd. Met hem zijn we
zeker dat het geld niet in de kas van Hamas zal terechtkomen. De
Palestijnse regering zal vooral daadwerkelijk moeten bewijzen dat
ze aan de voorwaarden van het Kwartet voldoet. Het programma van
de nieuwe regering bevat elementen in die zin. Er is enige hoop
dat de regering van nationale eenheid in die richting zal
voortwerken. Zij zal het verschil maken. Maatregelen die de
regering kan nemen om een kentering teweeg te brengen zijn onder
meer: de vrijlating van de Israëlische soldaat Gilad Shalit,
het stopzetten van het afvuren van Qassamraketten, de
ondubbelzinnige veroordeling van elke daad van anti-Israëlisch
geweld en de integratie van de verschillende veiligheidsdiensten
en milities in een officiële veiligheidsmacht die
verantwoordelijkheid draagt en op al deze elementen toeziet.
Als we ooit de
rechtstreekse hulp aan de Palestijnse Autoriteit hervatten,
zullen we dat beter moeten organiseren om te vermijden dat het
opnieuw een operatie ‘vat der Danaïden’ wordt.
Daarom ben ik voorstander van het behoud van het TIM. Er moet
worden nagedacht over de vraag hoe het mechanisme kan worden
uitgebreid en aangepast, met name inzake de capacity building
van de Palestijnse instellingen. Aangezien het TIM ons kan
verzekeren dat de hulp gecontroleerd wordt en dat ze bij de
bevolking terechtkomt, wil ik het niet opgeven. Je moet het kind
niet met het badwater weggooien.
Wat zijn de
politieke vooruitzichten met betrekking tot het vredesproces? Op
het Gymnichoverleg van Bremen zal de heer Solana de
resultaten bekendmaken van de Top van de Arabische Liga van 28 en
29 maart in Riyad, waar een plan voor vrede met Israël
wordt besproken. Dat vredesplan is opgemaakt door de ministers
van Buitenlandse zaken van de Arabische landen, vertrekkend van
het plan dat in 2002 in Beiroet werd gelanceerd en dat voorziet
in de erkenning van de staat Israël en het aanknopen van
onderhandelingen met het oog op de verwezenlijking van een
duurzame vrede. In ruil daarvoor wordt de terugtrekking uit de
bezette gebieden gevraagd, evenals de oprichting van een
Palestijnse Staat en de terugkeer van de Palestijnse
vluchtelingen. Destijds kreeg het plan de steun van de EU en in
zekere mate ook van de VS. Israël blijft twijfelen. Het plan
werd door de Israëlische machthebbers verworpen, maar in de
huidige context, lijken ze minder afwijzend te zijn. De kwestie
van de vluchtelingen blijft een struikelblok voor Israël. De
Arabische landen vinden dat er een marge is tijdens de
onderhandelingen, maar niet voordien. Volgens de Jordaanse
minister van Buitenlandse zaken zouden zijn Arabische collega’s
via werkgroepen contact opnemen met de betrokken partijen,
waaronder ook Israël.
Deze nieuwe
concrete elementen zijn hoopgevend. Dergelijke werkgroepen zijn
werkelijk een primeur in het Nabije Oosten.
De volgende
vergadering van het internationaal Kwartet zal in het Nabije
Oosten plaatsvinden, indien mogelijk, samen het Arabisch Kwartet
dat bestaat uit Egypte, Jordanië, Saoedi-Arabië en de
Arabische emiraten.
De vergadering
van het internationaal Kwartet moet in de tweede helft van april
plaatsvinden in de Egyptische plaats Sharm el-Sheikh. Ik zeg alle
steun toe aan de hoge vertegenwoordiger Solana die ons in het
Kwartet vertegenwoordigt.
|
|
M. Pierre Galand (PS). –
Je vous félicite, monsieur le ministre, d’avoir pris
l’initiative de ce contact.
Selon vous, le TIM est efficace. Or,
les rapports de la Banque mondiale indiquent de graves problèmes
d’application. Le rapport de l’envoyé spécial
des Nations unies évoque une catastrophe. Les rapports des
grandes ONG, qu’il s’agisse d’Oxfam
International ou de l’Unicef, évoquent également
une situation problématique. Contrairement à ce que
vous croyez, l’argent n’arrive pas à
destination, car le système bancaire international est
bloqué par les États-Unis, sous prétexte que
l’argent pourrait être intercepté par des
terroristes.
Donc, les montants mobilisés
sont importants, mais ils n’arrivent pas à
destination.
Par ailleurs, vous vous dites
favorable à ce type d’aide, mais il s’agit
d’une aide humanitaire, alors que l’aide budgétaire
était de nature structurelle, puisque destinée aux
équipements. J’approuve l’idée
d’exercer le même type de contrôle qu’en
ce qui concerne le TIM, mais il faut vérifier que l’aide
parvient vraiment à ceux qui en ont besoin et prendre
conscience du fait que l’essentiel de l’aide
structurelle a été détruit par les
Israéliens. Ce sont eux qui ont bombardé le champ
d’aviation et qui ont détruit les équipements
envoyés par l’Union européenne pour
construire un port en Palestine. Ce sont eux qui ont ainsi réduit
à néant la plupart des investissements de longue
durée réalisés dans cette région par
l’Union européenne. On ne peut donc dire que
l’argent a été mal utilisé ; il a
été « détruit » par
les Israéliens. Et jamais jusqu’à présent,
l’Union européenne n’a eu l’idée
de réclamer à Israël un remboursement pour les
dégâts causés.
Vous devriez donc avoir une vision
un peu plus nuancée de la question de l’aide. Vous
prétendez, comme l’Union européenne, que
l’aide arrive à destination. Malheureusement, cela
ne se confirme pas sur le terrain.
Je vous soutiens quant à la
libération du soldat israélien. C’est
essentiel, mais j’aimerais alors que l’on demande
également la libération des 10.000 prisonniers
palestiniens détenus en Israël. Je pense
particulièrement à nos collègues
parlementaires, arrêtés de manière tout à
fait inacceptable.
Quant à l’appui au plan
arabe, je m’en réjouis. Les groupes d’action
constituent une excellente proposition, qui mérite d’être
soutenue.
|
De heer Pierre
Galand (PS). – Ik wil de minister feliciteren omdat hij
het initiatief nam voor dit contact.
Hij beweert
dat het TIM doeltreffend is. Niettemin blijkt uit de verslagen
van de Wereldbank dat er problemen zijn met de toepassing. Het
rapport van de bijzondere VN-gezant gewaagt zelfs van een ramp.
In de verslagen van de grote ngo’s, zoals Oxfam
international of Unicef, wordt de toestand problematisch genoemd.
In tegenstelling tot wat de minister denkt, komt het geld niet
aan ter bestemming. Het internationale bankverkeer is immers door
de Verenigde Staten geblokkeerd, onder het voorwendsel dat het
geld door terroristen zou kunnen worden onderschept.
De
gemobiliseerde bedragen zijn groot, maar komen niet ter plaatse
aan.
U zegt dat u
voorstander bent van dit soort hulp, mijnheer de minister, maar
het gaat hier om humanitaire hulp terwijl de budgettaire hulp
structureel was en dus bestemd voor uitrustingsgoederen. Ik ben
voorstander van het controlesysteem zoals dat voor het TIM wordt
toegepast, maar er moet worden nagegaan of de hulp werkelijk ten
goede komt aan wie ze nodig heeft. We moeten er ons rekenschap
van geven dat de structurele hulp grotendeels door Israël
werd vernietigd. Zij hebben het vliegveld gebombardeerd en de
uitrustingsgoederen van de EU vernietigd die bestemd waren voor
de bouw van een Palestijnse haven. Zij hebben op die manier het
merendeel van de EU-investeringen op lange termijn in deze regio
teniet gedaan. Het geld werd dus niet verkeerd gebruikt, het werd
‘vernietigd’ door Israël. En de Europese Unie
heeft er nog nooit aan gedacht Israël om terugbetaling te
vragen van de aangerichte schade.
Daarom moet uw
visie op de hulp genuanceerd worden. U zegt, samen met de EU, dat
de hulp haar bestemming bereikt, maar helaas wordt dat niet
bevestigd op het terrein.
Ik ben het met
u eens over de vrijlating van de Israëlische soldaat. Het is
essentieel, maar ik zou dan ook de vrijlating van de 10.000
Palestijnse gevangenen willen vragen die in Israël worden
vastgehouden. Ik denk in het bijzonder aan onze collega’s
parlementsleden die op onaanvaardbare wijze zijn aangehouden.
Dat het
Arabische plan wordt gesteund doet mij genoegen en ook de
oprichting van werkgroepen is uitstekend en verdient onze steun.
|
|
Question
orale de M. François Roelants du Vivier au
ministre des Affaires étrangères sur «l’avenir
du Kosovo» (nº 3-1482)
|
Mondelinge
vraag van de heer François Roelants du Vivier
aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de toekomst
van Kosovo» (nr. 3-1482)
|
|
M. François
Roelants du Vivier (MR). – J’aimerais
vous interroger sur ce dossier, que vous suivez de près
depuis de longs mois, si pas de longues années, monsieur
le ministre.
M. Ahtisaari vient de rendre
publiques ses propositions qui visent à garantir la
stabilité du Kosovo et, par conséquent, de toute la
région. Malheureusement, ces propositions, qui comprennent
des garanties étendues pour la communauté serbe du
Kosovo et qui prennent également en compte les aspirations
de la communauté albanaise, n’ont pas été
adoptées par Belgrade. Certains diront qu’il ne
pouvait en être autrement. En effet, on voyait
difficilement Belgrade accepter de telles propositions.
Quels sont, selon vous, les
incitants que l’Union européenne pourrait mettre en
œuvre pour convaincre les deux parties d’accepter ces
propositions ? Le Kosovo, c’est avant tout l’affaire
de l’Union européenne, me semble-t-il.
Le Conseil de sécurité
va se saisir de ce dossier. Quelle va être sa méthode
de travail ? Quel va être le calendrier ? Comment
commentez-vous la position de la Russie au Conseil de sécurité
des Nations unies ? Considérez-vous la Russie comme
un problème en ce qui concerne l’adoption de la
nouvelle résolution sur le statut du Kosovo ? Quel
est l’état des concertations entre les pays de
l’Union européenne qui sont membres du Conseil de
sécurité ?
Je viens de lire dans le journal
italien la Repubblica une opinion émise par le
ministre italien de l’Intérieur, Giuliano Amato et
Richard von Weizsäcker, ancien président allemand.
Tous deux estiment que les pays européens, actuellement
membres du Conseil de sécurité, ne doivent pas se
borner à adopter leur position nationale ; il faut
qu’ils forment ensemble une équipe qui prenne le
leadership au Conseil de sécurité. Il faut un
leadership européen.
Ils le disent, tout le monde le
dit : le Kosovo a besoin d’une perspective d’avenir
claire. L’Union européenne jouera-t-elle un rôle
dynamique et singulièrement la Belgique, en tant que
membre du Conseil de sécurité des Nations Unies et
partenaire de quatre autres pays européens ?
|
De heer François
Roelants du Vivier (MR). – De heer Ahtisaari
heeft zopas zijn voorstellen bekendgemaakt die de stabiliteit in
Kosovo en bijgevolg in de hele regio, moeten garanderen. Spijtig
genoeg werden die voorstellen die uitgebreide waarborgen voor de
Servische gemeenschap van Kosovo bevatten en ook rekening houden
met de verzuchtingen van de Albanese gemeenschap, niet door
Belgrado goedgekeurd. Sommigen zullen zeggen dat zij dat hadden
verwacht en dat de voorstellen inderdaad moeilijk aanvaardbaar
zijn voor Belgrado.
Op welke
manier kan de Europese Unie beide partijen ertoe overhalen die
voorstellen aan te nemen? Mij lijkt het dat Kosovo in de eerste
plaats een zaak van de Europese Unie is.
De
Veiligheidsraad zal het dossier naar zich toetrekken. Op welke
manier zal hij tewerk gaan? Volgens welk tijdschema? Wat denkt u
over de houding van Rusland in de Veiligheidsraad van de
Verenigde Naties? Denk u dat Rusland een probleem vormt voor de
goedkeuring van de nieuwe resolutie over Kosovo? Hoever staat het
met het overleg tussen de landen van de Europese Unie die lid
zijn van de Veiligheidsraad?
In de
Italiaanse krant la Repubblica verklaren Giuliano Amato,
de Italiaanse minister van Binnenlandse zaken, en Richard von
Weizsäcker, voormalig president van Duitsland, dat de
Europese landen die op dit ogenblik lid zijn van de
Veiligheidsraad, zich niet mogen beperken tot een nationaal
standpunt, maar een ploeg moeten vormen die het leiderschap van
de Veiligheidsraad opneemt. Een Europees leadership is nodig.
We zijn het
erover eens: Kosovo heeft een duidelijk toekomstperspectief
nodig. Zal de Europese Unie en vooral België als lid van de
Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en partner van vier
andere Europese landen, hierin een dynamische rol spelen?
|
|
M. Karel De Gucht,
ministre des Affaires étrangères. – En lui
exprimant son plein soutien, le secrétaire général
de l’ONU Ban Ki-Moon a distribué, mardi dernier, le
rapport final de M. Ahtisaari aux membres du Conseil de
sécurité. Le rapport Ahtisaari contient les
propositions sur le règlement du statut et recommande
l’indépendance du Kosovo, supervisée par la
Communauté internationale. Le plan est le fruit de longues
consultations et offre une solution équilibrée.
D’un côté, il donne les assurances nécessaires
pour l’avenir de la communauté serbe au Kosovo ;
de l’autre côté, il répond aux
aspirations de la majorité de la population au Kosovo.
À ce stade, ces propositions
ont été saluées par Priština et
rejetées par Belgrade. La Serbie, appuyée par la
Russie, justifie son refus du plan Ahtisaari par le constat que,
selon elle, ce plan viole la Charte des Nations unies, en ce qui
concerne l’inviolabilité des frontières et le
respect de l’intégrité territoriale des
membres des Nations unies. Accusant dès le départ
M. Ahtisaari de partialité, Belgrade ne s’est
jamais investi dans de vraies négociations.
M. Ahtisaari est attendu au
Conseil de sécurité la semaine prochaine pour y
présenter son rapport. Les négociations sur la
nouvelle résolution du ConSécur ne tarderont pas. À
ce stade, la méthode de travail et le calendrier n’ont
pas encore été définis. La réunion du
Groupe de contact qui réunit les USA, la Grande Bretagne,
la France, l’Allemagne, l’Italie et la Russie et qui
s’est tenue hier, à Londres, n’a pas été
conclusive sur ce point ; l’attitude de Moscou fait
peser une hypothèque sur le règlement, pourtant
devenu urgent, de la question kosovare.
Il est clair que le soutien unanime
de l’Union européenne est crucial pour le règlement
du statut futur du Kosovo, dans les mois prochains. Je saisirai
l’occasion de la réunion informelle – Gymnich
– des ministres des Affaires étrangères de
l’Union européenne ces vendredi et samedi, à
Brême, pour aborder ce point. Une réunion est
d’ailleurs prévue entre les membres européens
du Conseil de sécurité et la présidence
allemande de l’Union européenne, avant même la
réunion du Gymnich à Brême.
Pour apaiser Belgrade, il importe de
donner à la Serbie le signal crédible d’une
intégration européenne prochaine, mais cette
perspective achoppe sur l’incapacité ou le refus des
autorités serbes de collaborer avec le Tribunal Pénal
International pour l’ex-Yougoslavie – TPIY –,
dont le procureur, Mme Del Ponte, exige que Belgrade
livre le criminel de guerre Mladić ŕ La
Haye.
La Belgique n’entend pas
transiger sur cette exigence du droit international. Agir
autrement donnerait un regrettable signal d’impunité,
au moment où la région affronte une nouvelle menace
d’instabilité et saperait l’édifice de
droit international dont le TPIY est une clé de voûte.
|
De heer Karel
De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. –
VN-secretaris-generaal Ban Ki-Moon heeft vorige dinsdag het
eindrapport van de heer Ahtisaari aan de leden van de
Veiligheidsraad overhandigd en hem zijn volledige steun
toegezegd. Het rapport Ahtisaari bevat voorstellen voor het
statuut en beveelt de onafhankelijkheid aan van Kosovo, onder
toezicht van de internationale gemeenschap. Het plan is de vrucht
van lange consultaties en biedt een evenwichtige oplossing. Langs
de ene kant geeft het de noodzakelijke waarborgen voor de
toekomst van de Servische gemeenschap in Kosovo; langs de andere
kant beantwoordt het aan de verzuchtingen van de meerderheid van
de bevolking in Kosovo.
De voorstellen
werden toegejuicht in Priština en verworpen door Belgrado.
Servië, hierin gesteund door Rusland, argumenteert dat het
plan Ahtisaari indruist tegen het Handvest van de Verenigde
Naties wat betreft de onschendbaarheid van de grenzen en de
eerbiediging van de territoriale integriteit van de leden van
Verenigde Naties. Belgrado beschuldigt de heer Ahtisaari
al vanaf het begin van partijdigheid en heeft nooit echt willen
onderhandelen.
De heer Ahtisaari
zal volgende week zijn rapport aan de Veiligheidsraad voorleggen.
De onderhandelingen over de nieuwe resolutie van de
Veiligheidsraad worden eerlang aangevat. De werkmethode en het
tijdschema liggen nog niet vast. De vergadering van de
contactgroep samengesteld uit de VS, Groot-Brittannië,
Frankrijk, Duitsland, Italië en Rusland die gisteren in
Londen plaatsvond, heeft hierover geen beslissing genomen; de
houding van Moskou legt een hypotheek op de nochtans dringende
regeling van de Kosovaarse kwestie.
De unanieme
steun van de Europese Unie is cruciaal voor de regeling van het
toekomstige statuut van Kosovo. Ik zal dat punt ter sprake
brengen op het informele Gymnichoverleg van de ministers van
Buitenlandse Zaken van de Europese Unie dat vrijdag en zaterdag
in Bremen plaatsvindt. Vóór het Gymnichoverleg in
Bremen hebben de Europese leden van de Veiligheidsraad en het
Duitse voorzitterschap overigens nog een vergadering belegd.
Om Belgrado
gerust te stellen, moet aan Servië een geloofwaardig teken
worden gegeven dat het binnen afzienbare tijd tot de Europese
Unie kan toetreden. Zolang de Servische autoriteiten weigeren mee
te werken met het Joegoslavië-tribunaal – het ICTY –
en weigeren in te gaan op
de vraag van procureur Del Ponte om oorlogsmisdadiger Mladić
aan Den Haag uit te leveren, kan hiervan echter geen sprake zijn.
België
zal hierop geen toegevingen doen. Elke andere houding zou een
signaal zijn in de richting van straffeloosheid, wat jammer zou
zijn nu de regio opnieuw wordt bedreigd door instabiliteit en zou
de internationale rechtsconstructie waarvan het ICTY het
sluitstuk is, ondergraven.
|
|
M. François
Roelants du Vivier (MR). – Je remercie le
ministre des Affaires étrangères d’avoir
indiqué que, dès la réunion de Brême,
il prendra une initiative avec ses collègues ministres des
Affaires étrangères des autres pays de l’Union
européenne qui sont membres du Conseil de sécurité.
Je pense qu’il est extrêmement important que la
Belgique, avec sa tradition non hégémonique, joue
un rôle particulier.
Le ministre vient de dire qu’il
fallait donner des perspectives européennes à la
Serbie. Il a raison. Toute la région doit se voir ouvrir
des perspectives d’adhésion à l’Union
européenne. Toutefois, comme le ministre, je pense qu’il
ne faut pas transiger sur la question du tribunal pénal
international.
|
De heer François
Roelants du Vivier (MR). – Ik dank de
minister van Buitenlandse Zaken omdat hij na de vergadering van
Bremen, samen met de andere ministers van Buitenlandse Zaken van
de EU-landen die ook lid zijn van de Veiligheidsraad, een
initiatief zal nemen. Ik vind het bijzonder belangrijk dat
België, dat geen traditie van overheersing heeft, een
speciale rol hierin speelt.
De minister
zegt dat men Servië een Europees perspectief moest bieden.
Hij heeft gelijk. De hele regio moet uitzicht krijgen op
toetreding tot de Europese Unie. Ik ben het er evenwel mee eens
dat geen toegevingen mogen worden gedaan wat het
Joegoslavië-tribunaal betreft.
|
|
Mme la présidente.
– J’ai moi-même écrit un livre sur cette
question. Si un jour, monsieur le ministre, vous aviez le temps
de le lire, cela me ferait plaisir. Il s’agit du résumé
d’un séminaire qui montre l’évolution
fantastique des positions des États européens à
ce sujet.
Ce que dit M. Roelants du
Vivier est exact : il serait enthousiasmant que la Belgique
puisse arriver à jouer un rôle dans la fixation
d’une position européenne. Ce serait également
un élément majeur de la politique de sécurité
et de défense.
|
De
voorzitter. – Ik heb een boek geschreven over die
kwestie. Het zou mij plezier doen, moest de minister de tijd
vinden het te lezen. Het gaat om de samenvatting van een
seminarie waarin wordt aangetoond dat de houding van de Europese
staten in dit opzicht sterk is geëvolueerd.
Wat
de heer Roelants du Vivier zegt, is juist: het zou goed
zijn, moest België een rol kunnen spelen in de
totstandkoming van een Europees standpunt dat tevens een
belangrijk onderdeel zou vormen van het veiligheids- en
defensiebeleid.
|
|
Question
orale de Mme Sabine de Bethune au vice-premier ministre
et ministre de l’Intérieur sur «la protection
subsidiaire accordée aux réfugiés afghans»
(nº 3-1481)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Sabine de Bethune aan de
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de
subsidiaire bescherming voor Afghaanse vluchtelingen»
(nr. 3-1481)
|
|
Mme Sabine
de Bethune (CD&V). – Sur la base d’une
circulaire du ministère des Affaires étrangères,
les Afghans arrivés en Belgique avant le 1er janvier 2003
ont reçu un permis de séjour provisoire qui peut
être prolongé tous les six mois.
Étant
donné que, selon le rapport du Conseil de sécurité
de l’ONU du 11 septembre 2006, la situation en
Afghanistan n’a fait que se détériorer ces
dernières années, le risque pour la sécurité
des Afghans arrivés en Belgique après le
1er janvier 2003 est au moins aussi grand
que pour ceux qui sont venus dans notre pays avant cette date.
Dans sa
réponse à une question orale posée récemment
par notre collègue Cornil (nº 3-1438), le
ministre a affirmé que ces Afghans peuvent faire appel aux
mesures transitoires de la loi du 15 septembre 2006
pour obtenir un statut de protection subsidiaire.
Cela signifie
concrètement qu’ils doivent introduire une nouvelle
demande d’asile. Cependant, nous constatons que la plupart
de ces demandes ne sont même pas prises en considération.
Elles sont rejetées avant même l’examen de
leur recevabilité, prétendument parce qu’aucun
« élément nouveau » n’est
apporté à l’appui de la demande.
Même
s’il n’y pas de « nouveaux éléments »
individuels, la situation, elle, a bel et bien changé
fondamentalement puisqu’il y a désormais un statut
de protection subsidiaire qui n’existait pas lors de
l’introduction de la première demande. Les
intéressés sont donc exclus du statut de protection
subsidiaire parce que les demandes ne sont pas prises en
considération.
Le ministre
considère-t-il comme correcte l’interprétation
selon laquelle le statut de protection subsidiaire n’est
pas considéré comme un « élément
nouveau » ?
Si cette
interprétation est incorrecte, comment le ministre le
signifiera-t-il à l’Office des étrangers et à
son commissaire général ?
Si cette
interprétation est juste, qu’entend alors le
ministre lorsqu’il dit que les intéressés
peuvent faire appel aux mesures transitoires de la loi du
15 septembre 2006 ?
Comment les
intéressés peuvent-ils alors demander à
bénéficier du statut de protection subsidiaire ?
|
Mevrouw Sabine de Bethune
(CD&V). – Op basis van een rondzendbrief van
Binnenlandse Zaken krijgen Afghanen die vóór
1 januari 2003 in België zijn binnengekomen, een
tijdelijke verblijfsvergunning die om de zes maanden kan worden
verlengd.
Aangezien volgens het rapport van de
VN-Veiligheidsraad van 11 september 2006 de
veiligheidssituatie in Afghanistan de afgelopen jaren enkel is
verslechterd, is het veiligheidsrisico voor de Afghanen die na
1 januari 2003 België zijn binnengekomen, minstens
even groot als voor hen die voor die datum ons land zijn
binnengekomen.
In zijn antwoord op een recente
mondelinge vraag van collega Cornil (nr. 3-1438) stelt de
minister dat die Afghanen de overgangsmaatregelen van de wet van
15 september 2006 kunnen inroepen om van het
subsidiaire beschermingstatuut te kunnen genieten.
Dat houdt concreet in dat een nieuwe
asielaanvraag moet worden ingediend. We stellen nu echter vast
dat de meerderheid van die aanvragen niet eens in overweging
worden genomen. Nog voor de beoordeling van de ontvankelijkheid
worden ze reeds afgewezen, zogezegd omdat er geen ‘nieuwe
elementen’ worden aangebracht.
Ook al zijn er individueel geen
‘nieuwe elementen’, toch is de situatie wel degelijk
fundamenteel veranderd omdat er nu een subsidiair
beschermingsstatuut bestaat waar dat ten tijde van de eerste
aanvraag niet het geval was. Omdat de aanvragen echter niet in
overweging worden genomen, worden de betrokkenen dus uitgesloten
van het subsidiaire beschermingsstatuut.
Acht de minister het een correcte
interpretatie dat het subsidiaire beschermingsstatuut niet wordt
aanzien als een ‘nieuw element’?
Mocht de interpretatie niet kloppen,
op welke wijze zal hij dat aan de DVZ en de commissaris-generaal
duidelijk maken?
Indien de interpretatie wel correct
is, wat bedoelt de minister dan met zijn stelling dat de
betrokkenen zich op de overgangsmaatregelen van de wet van
15 september 2006 kunnen beroepen?
Op welke wijze kunnen de betrokkenen
dan wel het subsidiaire beschermingsstatuut aanvragen?
|
|
M. Patrick
Dewael, vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur.
– L’interprétation de l’Office des
étrangers est correcte : le fait qu’il y a
désormais un statut de protection subsidiaire n’est
pas un « élément nouveau ».
C’est dit explicitement à l’article 77,
§2, de la loi du 15 septembre 2006.
Si la
procédure d’asile d’un étranger a été
close avant l’instauration du statut de protection
subsidiaire en droit belge, ni le simple renvoi à la
directive 2004/83/CE, ni la transposition de cette directive en
droit belge ne peuvent être considérés comme
un élément nouveau.
Il y a aussi
des Afghans dont la demande d’asile a été
refusée avant l’instauration du statut de protection
subsidiaire, mais pour lesquels la motivation du refus précisait
clairement que le retour dans le pays d’origine n’était
pas possible. Ces personnes relèvent des mesures
transitoires inscrites dans la loi du 15 septembre 2006.
Il y a donc
deux procédures pour la demande d’un statut de
protection subsidiaire. Les personnes concernées peuvent
introduire leur demande à la commune s’il a déjà
été constaté auparavant qu’ils ne
peuvent être reconduits dans leur pays sans que leur
intégrité physique ou leur liberté ne soit
mises en péril.
La demande
peut aussi être introduite auprès de l’Office
des étrangers sous la forme d’une demande d’asile.
Pour une deuxième demande il faut évidemment
fournir plus d’éléments que la simple mention
du fait qu’il existe désormais un statut de
protection subsidiaire. Ce matin, dans une lettre au bâtonnier
du barreau de Bruxelles, j’ai souligné une fois de
plus que le statut de protection subsidiaire n’était
pas en soi un « élément nouveau ».
|
De heer Patrick Dewael,
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. –
De interpretatie van de Dienst Vreemdelingenzaken is correct: het
feit dat er nu een subsidiair beschermingsstatuut bestaat is geen
‘nieuw element’. Dat wordt expliciet aangegeven in
artikel 77, §2, van de wet van 15 september 2006.
Indien de asielprocedure van een
vreemdeling werd afgesloten vóór de invoering van
het subsidiaire beschermingsstatuut in het Belgische recht, dan
kan de loutere verwijzing naar richtlijn 2004/83/EG, alsook de
omzetting van die richtlijn in het Belgische recht, niet als een
nieuw element worden beschouwd.
Er zijn ook Afghanen wier
asielaanvraag vóór de invoering van het subsidiaire
beschermingsstatuut werd geweigerd, maar waarbij in de motivatie
duidelijk werd aangegeven dat een terugkeer naar het land niet
mogelijk is. Die mensen vallen onder de overgangsmaatregelen
waarin de wet van 15 september 2006 voorziet.
Er zijn dus twee procedures voor de
aanvraag van het subsidiaire beschermingsstatuut. De betrokkenen
kunnen via de gemeente een aanvraag indienen als vroeger reeds is
vastgesteld dat zij niet kunnen worden teruggeleid zonder dat hun
fysieke integriteit of hun vrijheid in het gedrang wordt
gebracht.
De aanvraag kan ook via de DVZ
worden ingediend in de vorm van een asielaanvraag. Uiteraard
moeten voor een tweede aanvraag meer elementen worden aangevoerd
dan de loutere vermelding van het feit dat er nu een subsidiair
beschermingsstatuut bestaat. Ik heb vanochtend in een brief aan
de stafhouder van de balie van Brussel nogmaals onderstreept dat
het subsidiaire beschermingsstatuut op zich geen ‘nieuw
element’ is.
|
|
Mme Sabine
de Bethune (CD&V). – Le raisonnement du
ministre n’est pas convaincant. Le statut de protection n’a
en fait rien à voir avec le droit à l’asile.
Ce n’est pas parce que quelqu’un n’a pas obtenu
l’asile qu’il n’a pas droit à la
protection. L’aggravation de la situation dans certaines
parties de l’Afghanistan peut avoir pour conséquence
que quelqu’un qui n’a pas droit à l’asile
et ne peut apporter d’éléments nouveaux à
l’appui de sa crainte de persécution individuelle,
peut cependant risquer sa vie s’il y retourne.
D’éminents
juristes et la Cour d’arbitrage doutent aussi de
l’argumentation du ministre. Non seulement elle n’offre
aucune solution aux problèmes réels des personnes,
mais elle est en outre juridiquement incorrecte.
|
Mevrouw Sabine de Bethune
(CD&V). – De redenering van de minister is niet
sluitend. Het beschermingsstatuut heeft in feite niets te maken
met het recht op asiel. Het is niet omdat iemand geen asiel heeft
gekregen, dat hij of zijn geen recht op bescherming zou hebben.
Dat de situatie in bepaalde gebieden van Afghanistan moeilijker
is geworden, kan tot gevolg hebben dat iemand die geen recht
heeft op asiel en geen nieuwe elementen kan aanbrengen voor zijn
vrees op individuele vervolging, wel zijn leven wagen als hij
terugkeert.
Ook het Arbitragehof en eminente
juristen trekken de redenering van de minister in twijfel. Niet
alleen biedt ze geen oplossing voor de reële problemen van
de mensen, ze is bovendien juridisch niet correct.
|
|
M. Patrick
Dewael, vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur.
– La loi prévoit explicitement que la transposition
de la directive dans notre droit et l’instauration de la
procédure de protection subsidiaire ne constituent pas un
nouvel élément. Ce n’est pas une
interprétation juridique mais la lecture de la loi.
Toute demande
d’asile dans le nouveau régime est examinée à
la lumière de la Convention de Genève et de la
protection subsidiaire. Il est donc possible qu’une
personne dont la demande d’asile faite en application de la
Convention de Genève a été refusée
obtienne néanmoins un statut de protection. Pour entrer en
considération pour ce statut, le demandeur doit signaler
l’existence d’une situation particulièrement
dangereuse.
Mon
administration applique correctement la loi. La meilleure preuve
en est qu’elle a déclaré recevable chaque
demande individuelle introduite et les a transmises au
commissaire général. Les journaux s’intéressent
surtout aux dossiers déclarés irrecevables.
Apparemment quelques juristes veulent jouer un petit jeu
médiatique en vue d’une mesure collective.
La loi
n’autorise pas les mesures collectives. Aujourd’hui
encore, j’ai fait savoir au bâtonnier que toute
demande qui est motivée sur une base individuelle, et
comporte donc plus qu’un renvoi à l’application
de la loi, doit être examinée. La décision
finale ne relève pas de mes compétences mais est
prise par une instance indépendante. Encore une fois, je
ne fais aucune interprétation de la loi, j’en fais
simplement la lecture.
|
De heer Patrick Dewael,
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. –
De wet zegt uitdrukkelijk dat de omzetting van de richtlijn in
onze wetgeving en de invoering van de subsidiaire
beschermingsprocedure niet volstaan als nieuw element. Dat is
geen juridische interpretatie, maar de lezing van de wet.
Elke asielaanvraag in het nieuwe
regime wordt, én aan de Conventie van Genève, én
aan de subsidiaire bescherming getoetst. Het is dus mogelijk dat
iemand die geen asiel krijgt op basis van de Conventie van
Genève, wel de subsidiaire beschermingsstatus krijgt. Om
daarvoor in aanmerking te kunnen komen moet de aanvrager wel
wijzen op die specifieke gevaarlijke omstandigheden.
Mijn administratie past de wetgeving
correct toe. Het beste bewijs is dat ze enkele individueel
ingediende verzoeken ontvankelijk heeft verklaard en heeft
doorgestuurd naar de commissaris-generaal. De kranten besteden
vooral aandacht aan de dossiers die onontvankelijk werden
verklaard. Blijkbaar willen sommige juristen een medianummertje
opvoeren met het oog op een collectieve maatregel.
De wet laat geen collectieve
maatregel toe. Vandaag nog heb ik aan de stafhouder laten weten
dat elk verzoek dat op een individuele basis gemotiveerd wordt,
en dus meer inhoudt dan een verwijzing naar de aanpassing van de
wet, moet worden onderzocht. De uiteindelijke beslissing behoort
niet tot mijn bevoegdheid, maar wordt genomen door een
onafhankelijke instantie. Nogmaals, ik geef geen interpretatie
van de wet, alleen een lezing van de wet.
|
|
Question
orale de Mme Olga Zrihen au vice-premier ministre et
ministre de l’Intérieur sur «l’accès
des sourds et malentendants aux services d’urgence»
(nº 3-1475)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Olga Zrihen aan de vice-eersteminister en
minister van Binnenlandse Zaken over «de toegang tot de
nooddiensten voor doven en slechthorenden» (nr. 3-1475)
|
|
Mme Olga Zrihen (PS). –
Nous avons déjà eu l’occasion de discuter de
la question de l’accès des personnes sourdes ou
malentendantes aux services d’urgence, via le numéro
100 notamment. Il existe actuellement un système
permettant à ces personnes de contacter les services
d’urgence par fax. Il offre un premier moyen de
communication aux 500.000 personnes concernées. Cependant,
on en devine rapidement les limites, à l’extérieur
par exemple.
C’est pourquoi de très
nombreuses ASBL actives auprès des sourds et malentendants
demandent la mise en place d’une assistance par SMS ou
courriel. Ce système est déjà disponible
chez Touring, mais il est réservé aux seuls
membres.
Lors de ma dernière
interpellation, monsieur le ministre, vous m’aviez répondu
que vous aviez créé une commission d’experts,
qu’un groupe de travail technique était chargé
de plancher sur la question et qu’il y avait également
une consultation des opérateurs téléphoniques.
Vous attendiez les premières conclusions pour la fin 2005.
Vu le délai écoulé,
je suppose que le sujet a largement eu le temps de mûrir au
sein de vos services. Vous serait-il donc possible de nous faire
part de vos conclusions et de l’état d’avancement
de la question ?
|
Mevrouw Olga
Zrihen (PS). – Er bestaat reeds een systeem dat het
half miljoen doven en slechthorenden in ons land in staat stelt
de nooddiensten per fax te bereiken. Dat systeem heeft natuurlijk
duidelijke beperkingen.
Veel vzw’s
vragen dan ook om een systeem via sms of e-mail op te richten.
Touring heeft al een dergelijk systeem, maar wel enkel voor zijn
leden.
Op een eerdere
vraag antwoordde de minister dat hij een commissie van experts
had opgericht, dat een technische werkgroep zich over het
probleem moest buigen en dat ook met de telefoonoperatoren zou
worden overlegd. Hij verwachtte de eerste conclusies voor einde
2005.
Ik neem aan
dat zijn diensten het dossier ondertussen grondig hebben kunnen
bestuderen. Kan de minister de conclusies en de stand van zaken
in het dossier meedelen?
|
|
M. Patrick Dewael,
vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur. –
Comme vous le savez, madame, je suis très soucieux de la
problématique des appels de secours pour et par les
handicapés.
La commission d’experts a
élaboré une solution technique, mais avant que
celle-ci puisse être mise en œuvre, il faut d’abord
régler le dossier de la localisation. En effet, si l’on
veut développer davantage le projet SMS pour les sourds et
les malentendants, il est absolument nécessaire de
disposer de données de localisation correctes.
Actuellement, les services de ma
collègue Mme Van Den Bossche, compétente en la
matière, mettent la dernière main à un cadre
réglementaire qui obligera les opérateurs des
réseaux GSM à communiquer la localisation d’un
appel ou d’un message SMS destiné à un centre
de communication et d’information des services de secours.
Pas plus tard qu’hier, la
ministre Van den Bossche a d’ailleurs indiqué, lors
d’une conférence de presse, que le dossier
« localisation » serait bientôt
imposé au secteur.
|
De heer Patrick
Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse
Zaken. – De problematiek van de toegang tot de nooddiensten
voor en door mindervaliden ligt me na aan het hart.
De commissie
van experts heeft een technische oplossing uitgewerkt. Voordat
die kan worden uitgewerkt moet het probleem van de lokalisering
worden opgelost.
De diensten
van collega Van den Bossche, die ter zake bevoegd is, leggen
momenteel de laatste hand aan een reglementair kader waarin de
gsm-operatoren worden verplicht de lokalisatie van een oproep of
een sms-bericht naar een communicatie- en informatiecentrum van
de nooddiensten mee te delen.
Minister Van
den Bossche heeft gisteren op een persconferentie trouwens nog
aangekondigd dat de ‘lokalisatieregeling’ binnenkort
aan de sector zal worden opgelegd.
|
|
Mme Olga Zrihen (PS). –
Je vous remercie, monsieur le ministre, de la précision de
vos informations. Je reste toutefois un peu sur ma faim lorsque
vous évoquez la notion de « bientôt ».
La question ayant été posée voici plus de
deux ans et demi, il devient urgent d’y répondre.
Accélérer le rythme permettrait peut-être de
sauver un certain nombre de vies humaines.
|
Mevrouw Olga
Zrihen (PS). – Ik dank de minister voor het antwoord,
maar het woord ‘binnenkort’ is wat onbevredigend. Ik
heb de vraag twee en een half jaar gelden gesteld. Als dit
dossier sneller wordt opgelost, kunnen misschien mensenlevens
worden gered.
|
|
Question
orale de Mme Nele Jansegers au vice-premier ministre et
ministre de l’Intérieur sur «la circulaire
relative aux missions abusivement confiées à la
police et les cours de prévention de la toxicomanie
dispensés par des agents» (nº 3-1480)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Nele Jansegers aan de vice-eersteminister
en minister van Binnenlandse Zaken over «de omzendbrief
over oneigenlijke politietaken en drugspreventielessen door
agenten» (nr. 3-1480)
|
|
Mme Nele
Jansegers (VL. BELANG). – Selon Dominique Roos, de
la régie provinciale PISAD, le message « En
consommant de la drogue, tu violes la loi » est mieux
reçu par les écoliers lorsqu’il est porté
par un agent en uniforme plutôt que par un professeur.
Selon Rik Prenen, le responsable du projet MEGA, la présence
de l’agent dans la classe est surtout importante parce
qu’il tente de gagner la confiance des écoliers, si
bien qu’en cas de problème, ils ne craignent pas de
faire appel à la police. Presque tout le monde partage cet
avis : les policiers, les conseillers en prévention,
les bourgmestres, les parents et les enseignants.
L’annexe
1 de la circulaire du 1er décembre 2006
relative aux directives pour l’allégement et la
simplification de certaines tâches administratives de la
police locale prévoit le « soutien à
l’organisation et à la mise en œuvre d’actions
préventives » parmi les « tâches
administratives inhérentes aux missions de police, mais ne
requérant en soi aucune compétence policière ».
L’article 11 de l’arrêté
ministériel relatif à l’introduction des
plans stratégiques de sécurité et de
prévention 2007-2010 prévoit que, spécifiquement
pour le phénomène des nuisances publiques liées
à l’usage de la drogue, « l’objectif
général (…) ne s’inscrit pas
majoritairement dans une philosophie de prévention
primaire ni dans une démarche thérapeutique
médicale ». Le chef de corps d’Alost a
fait savoir au bourgmestre de la commune qu’il ne peut
détacher aucun agent pour les cours de prévention
destinés aux écoliers.
Par ailleurs,
nous avons pu lire ce lundi dans Het Laatste Nieuws que
selon M. Van Tigchelt, du cabinet du ministre de
l’Intérieur, la circulaire relative aux missions
abusivement confiées à la police ne doit pas être
prise trop à la lettre et que le ministre n’interdit
pas explicitement que des agents se rendent dans les écoles
pour y donner des cours de prévention.
C’est
une situation très confuse. Les plans stratégiques
de sécurité et de prévention doivent
pourtant être déposés auprès du
ministère de l’Intérieur au plus tard le
31 mars 2007. C’est pourquoi nous souhaitons
poser les questions suivantes.
Est-il exact
que la commune ne peut inscrire les cours de prévention de
la toxicomanie dispensés par des agents dans les écoles
primaires, dans les plans stratégiques de sécurité
et de prévention et que ces cours ne sont donc plus payés
par l’Intérieur ?
Si la police
locale ne reçoit plus de subsides par le biais des plans
de sécurité et de prévention pour les cours
de prévention de la toxicomanie donnés aux
écoliers, comment peut-elle quand même dispenser de
tels cours ?
Ces derniers
ne relèveraient plus du ministère de l’Intérieur
mais du ministère de l’Enseignement. Si c’est
exact, nous supposons que cela concerne surtout le financement de
tels projets. Une concertation a-t-elle déjà eu
lieu avec le ministre flamand de l’Enseignement sur la
continuité de ces projets et de leur financement
éventuel ? Des agents en uniforme peuvent-ils
continuer à donner les cours si leur rémunération
à cet effet est à la charge du budget flamand de
l’Enseignement ?
|
Mevrouw Nele Jansegers
(VL. BELANG). – ‘Bij drugsgebruik overtreed
je de wet. Die boodschap slaat bij scholieren beter aan als ze
wordt gebracht door een agent in uniform dan door een leraar’,
aldus Dominique Roos van provinciebedrijf PISADgpb. Volgens Rik
Prenen, de man achter het MEGA-project, is de agent in de klas
vooral belangrijk omdat hij het vertrouwen van scholieren tracht
te winnen, zodat ze bij problemen niet bang zijn om bij de
politie aan te kloppen. Vrijwel iedereen, zowel politiemensen,
preventiewerkers, burgemeesters, ouders als leerkrachten, zijn
het daarover eens.
In bijlage 1 bij de omzendbrief van
1 december 2006 betreffende het verlichten en
vereenvoudigen van sommige administratieve taken van de lokale
politie, staat ‘ondersteuning bij de organisatie en
uitvoering van preventieve acties’ gerangschikt onder de
‘administratieve taken verbonden aan de opdrachten van de
politie, doch die op zich geen politiebevoegdheid vereisen’.
Artikel 11 van het ministerieel besluit betreffende de
invoering van de strategische veiligheids- en preventieplannen
2007-2010 bepaalt dat, specifiek voor het fenomeen
drugsgerelateerde maatschappelijke overlast, ‘de algemene
doelstelling voor het merendeel niet in de lijn van een filosofie
van primaire preventie ligt en ook niet binnen een
medisch-therapeutische benaderingswijze’. De korpschef van
Aalst liet aan de burgemeester van de gemeente weten dat hij dan
ook geen agenten meer kan afstaan voor drugspreventielessen aan
scholieren.
Anderzijds lazen we maandag in Het
Laatste Nieuws dat de heer Van Tigchelt van
het kabinet van de minister van Binnenlandse Zaken zegt dat de
circulaire over oneigenlijke politietaken niet al te letterlijk
moet worden genomen en dat de minister niet expliciet verbiedt
dat agenten voor de klas staan en preventieles geven.
Dat is een zeer onduidelijke
situatie. De strategische veiligheids- en preventieplannen moeten
nochtans uiterlijk 31 maart 2007 bij Binnenlandse Zaken
worden ingediend. Daarom willen we volgende vragen stellen.
Klopt het dat de gemeente de
drugspreventielessen die agenten in lagere scholen geven, niet
kan inschrijven in het strategisch veiligheids- en preventieplan
en dat die lessen dus niet langer door Binnenlandse Zaken worden
betaald?
Als de lokale politie geen subsidies
meer ontvangt via het veiligheids- en preventieplan voor
drugspreventielessen aan scholieren, welke mogelijkheden heeft ze
dan om toch zulke lessen te geven?
Drugspreventielessen zouden niet
langer onder het ministerie van Binnenlandse Zaken vallen, maar
zouden een zaak voor het ministerie van Onderwijs zijn. Als dat
klopt, vermoeden wij dat het vooral om de financiering van
dergelijke projecten gaat. Is er al overleg geweest met de
Vlaamse minister van Onderwijs over de continuïteit van deze
projecten en de eventuele financiering ervan? Kunnen agenten in
uniform de lessen blijven geven als hun vergoeding daarvoor ten
laste is van de Vlaamse onderwijsbegroting?
|
|
M. Patrick
Dewael, vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur.
– Tant la question que l’article mélangent
plusieurs choses et je voudrais donc les éclaircir.
Le projet MEGA
est un paquet de formation qui met l’accent sur
l’apprentissage d’aptitudes sociales et les drogues
n’en constituent qu’une petite partie.
L’article 11
de l’arrêté ministériel relatif à
l’introduction des plans stratégiques de sécurité
et de prévention 2007-2010 prévoit en effet que
l’objectif général, la lutte contre le
phénomène des nuisances publiques liées à
l’usage de la drogue, ne s’inscrit pas
majoritairement dans une philosophie de prévention
primaire ni dans une démarche thérapeutique
médicale. Cela a d’ailleurs toujours été
le point de départ des contrats de prévention et de
sécurité. On entend par prévention primaire
l’ensemble des mesures préventives de nature
générale au profit de l’ensemble de la
population, telles que les campagnes d’information portant
sur les produits et leur usage.
Cela veut donc
dire que le ministère de l’Intérieur ne
subsidie aucun projet de prévention primaire de la
toxicomanie par le biais des plans de sécurité et
de prévention, mais bien des projets destinés à
la lutte contre les nuisances publiques liées à
l’usage de la drogue. Ceci a été signalé
à plusieurs reprises aux villes et communes par mon
administration, après la publication par le gouvernement
précédent de la note de politique fédérale
relative aux drogues de 2001.
Cela n’a
cependant rien à voir avec le travail de la police locale.
Dans sa question, Mme Jansegers part du principe que la
police locale est subsidiée par le biais des plans de
sécurité et de prévention. Ce n’est
pas exact. La subsidiation fédérale des communes
par le biais de ces plans est indépendante des fonctions
de base de la police que doit garantir chaque zone de police
locale.
Après
une ample concertation avec les bourgmestres, les gouverneurs et
les magistrats, une base a été trouvée pour
une circulaire relative aux missions abusivement confiées
à la police afin de délivrer les zones de police
locale des tâches qui ont souvent tenu ces corps de police
trop à l’écart du véritable travail
policier sur le terrain.
Chaque zone
doit implémenter cette circulaire avec les autres acteurs
selon un plan par étapes. Le Conseil fédéral
de police assure le contrôle. Cette circulaire n’interdit
nullement aux agents de la police locale de donner encore des
cours de prévention de la toxicomanie dans les écoles.
Bien au
contraire. La police locale doit baser son travail sur les
principes de la community policing. Cela suppose que la
police n’intervient pas seulement de manière
répressive mais est aussi accessible au citoyen dans les
quartiers et dans les rues. La police locale doit donc agir de
manière à prévenir et à résoudre
les problèmes.
En
juillet 2006, j’ai diffusé une circulaire, la
PLP 41, qui vise à renforcer l’offre de
services de la police pour les écoles. Le séchage
des cours, les comportements déviants et criminels, la
violence juvénile, la détention d’armes ou
les délits liés aux stupéfiants sont en
effet des phénomènes auxquels de nombreuses écoles
sont confrontées et pour lesquels la police peut apporter
son aide, préventive si possible, répressive si
nécessaire. Dans de nombreuses zones, de bonnes pratiques
ont été élaborées dans ce domaine.
Parmi ces best practices figurent notamment les cours de
prévention de la toxicomanie qui peuvent être
dispensés par l’agent de quartier ou un agent
spécialisé dans la question des stupéfiants.
Cette
circulaire relative aux missions abusivement confiées à
la police n’empêche donc pas que des cours de
prévention de la toxicomanie soient dispensés par
la police locale. Nous visons bien sûr une synergie entre
le travail préventif de la police et celui des communes.
Dans de nombreuses zones et communes, on fait aussi du bon
travail dans ce domaine. Nous tentons de soutenir et de stimuler
les communes à cet égard en contribuant aux best
practices et en mettant à la disposition de tous une
brochure relative à la politique de sécurité
intégrale.
|
De heer Patrick Dewael,
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. –
Zowel in de vraag als in het krantenartikel worden enkele dingen
door elkaar gehaald en ik wil dus een en ander verduidelijken.
Het MEGA-project is een
vormingspakket waarin de klemtoon ligt op het aanleren van
sociale vaardigheden en drugs maar een klein onderdeel vormen.
Artikel 11 van het ministerieel
besluit betreffende de invoering van de strategische veiligheids-
en preventieplannen 2007-2010 bepaalt inderdaad dat de algemene
doelstelling, zoals bedoeld bij het fenomeen drugsgerelateerde
maatschappelijke overlast, voor het merendeel niet ligt in een
filosofie van primaire preventie en evenmin in een
medisch-therapeutische benaderingswijze. Dat is trouwens altijd
het uitgangspunt van de veiligheids- en preventiecontracten
geweest. Onder primaire preventie wordt verstaan: het geheel van
preventieve maatregelen van algemene aard ten behoeve van de hele
bevolking, zoals informatiecampagnes over middelen en
middelengebruik.
Dat wil dus zeggen dat Binnenlandse
Zaken via de veiligheids- en preventieplannen geen primaire
drugspreventieprojecten subsidieert, maar wel projecten tegen
drugsgerelateerde maatschappelijke overlast. Dat werd na de
federale drugsnota van 2001 van de vorige regering
door mijn administratie al meerdere malen gesignaleerd aan de
steden en gemeenten.
Dit gegeven staat echter los van de
lokale politiewerking. In haar vraag gaat mevrouw Jansegers
er vanuit dat de lokale politie via de veiligheids- en
preventieplannen wordt gesubsidieerd. Dat is niet zo. De federale
subsidiëring aan de gemeenten via de veiligheids- en
preventieplannen staat los van de basispolitiezorg, die elke
lokale politiezone dient te waarborgen.
Na uitvoerig overleg met de
burgemeesters, de gouverneurs en de magistratuur werd een
draagvlak gevonden voor een omzendbrief over oneigenlijke
politietaken om de lokale politiezones te bevrijden van de
politietaken die de lokale politiekorpsen vaak te veel weghielden
van het eigenlijke politiewerk op het terrein.
Elke zone moet die omzendbrief samen
met die andere actoren volgens een stappenplan implementeren. De
federale politieraad houdt toezicht. In die omzendbrief staat
niet dat het de lokale politieagenten voortaan verboden is om nog
drugspreventielessen te geven in de scholen.
Integendeel zelfs. De lokale politie
dient te werken vanuit de principes van community policing.
Dat veronderstelt dat de politie niet alleen repressief optreedt,
maar ook aanspreekbaar is voor de burger in de wijken en de
straten. De lokale politie moet dus probleemvoorkomend en
probleemoplossend optreden.
In juli van vorig jaar heb ik een
circulaire, PLP 41, verspreid die tot doel heeft de
dienstverlening van de politie aan de scholen te versterken.
Spijbelgedrag, deviant en crimineel gedrag, jongerengeweld,
wapenbezit of drugsmisdrijven zijn immers fenomenen waarmee vele
scholen worden geconfronteerd en waar de politie te hulp kan
komen; preventief als het kan, repressief als het moet. In vele
zones zijn er op dat vlak goede praktijken ontwikkeld. Bij die
best practices hoort ook de drugspreventieles, die door de
wijkagent of een agent die in de drugsproblematiek
gespecialiseerd is, kan worden gegeven.
De omzendbrief over oneigenlijke
politietaken maakt drugspreventielessen door de lokale politie
dus niet onmogelijk. Vanzelfsprekend streven we een synergie na
tussen het preventieve politiewerk en het preventiewerk van de
gemeenten. Ook op dat vlak worden in vele zones en gemeenten goed
gewerkt. We trachten de gemeenten daarbij te ondersteunen en te
stimuleren door bij te dragen aan best practices en een
brochure over integraal veiligheidsbeleid ter beschikking te
stellen.
|
|
Mme Nele
Jansegers (VL. BELANG). – Lors du conseil communal
de mardi dernier, le bourgmestre a dit que ces cours ne peuvent
plus être inscrits dans les plans de prévention.
Puisqu’ils ne sont plus subsidiés, les agents ne
peuvent plus dispenser de cours à moins que ceux-ci ne
soient financés par le budget communal. Est-ce exact ?
Ou se dissimule-t-on derrière les circulaires et l’arrêté
ministériel ?
|
Mevrouw Nele Jansegers
(VL. BELANG). – Op de gemeenteraad van vorige
dinsdag zei de burgemeester dat die lessen niet langer in de
preventieplannen kunnen worden ingeschreven. Aangezien ze niet
meer gesubsidieerd worden, kunnen de agenten geen lessen meer
geven, tenzij die lessen door de stadsbegroting worden
gefinancierd. Klopt dat? Of verschuilt men zich achter de
circulaires en het ministeriële besluit?
|
|
M. Patrick
Dewael, vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur.
– Lisez ma réponse devant le conseil communal.
|
De heer Patrick Dewael,
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. –
Lees mijn antwoord voor in de gemeenteraad.
|
|
Bienvenue
à une délégation étrangère
|
Verwelkoming
van een buitenlandse delegatie
|
|
Mme la présidente.
– Je voudrais saluer la présence parmi nous d’une
délégation parlementaire irakienne. Je lui souhaite
un séjour fructueux parmi nous. (Applaudissements sur
tous les bancs)
|
De voorzitter. – Ik
begroet een parlementaire delegatie uit Irak. Ik wens haar een
vruchtbaar verblijf in ons midden toe. (Algemeen applaus)
|
|
Demande
d’explications de Mme Clotilde Nyssens au secrétaire
d’État aux Entreprises publiques sur «l’éventualité
d’une modification de l’article 33 du contrat de
gestion de la SNCB qui impose que le futur musée national
des chemins de fer soit édifié en Région de
Bruxelles-Capitale» (nº 3-2235)
|
Vraag
om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de
staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over «de eventuele
wijziging van artikel 33 van het beheerscontract van de NMBS
dat bepaalt dat het toekomstige nationaal spoorwegmuseum moet
worden opgetrokken in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest»
(nr. 3-2235)
|
|
Question
orale de Mme Isabelle Durant au secrétaire d’État
aux Entreprises publiques sur «le contrat de gestion de la
SNCB et l’adoption éventuelle d’un avenant à
son article 33 concernant le lieu d’implantation d’un
musée du chemin de fer» (nº 3-1478)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Isabelle Durant aan de staatssecretaris
voor Overheidsbedrijven over «het beheerscontract van de
NMBS en de eventuele goedkeuring van een aanhangsel bij
artikel 33 ervan over de vestigingsplaats van een
spoorwegmuseum» (nr. 3-1478)
|
|
Mme la présidente.
– Je vous propose de joindre la demande d’explications
et la question orale. (Assentiment)
|
De voorzitter. – Ik
stel voor de vraag om uitleg en de mondelinge vraag samen te
voegen. (Instemming)
|
|
Mme Isabelle Durant (ECOLO).
– La Belgique fêtera en 2010, le 175ème
anniversaire des Chemins de fer belges. À cette occasion,
et après des années de discussion et de
mobilisation de passionnés de la SNCB, il serait très
souhaitable qu’elle dispose enfin d’un musée
des Chemins de fer dynamique, interactif, situé à
proximité du trafic ferroviaire et tourné vers la
mobilité ferroviaire du futur.
Diverses décisions internes
récemment prises au niveau du conseil d’administration
de la SNCB, entre autres le 5 octobre 2001 mais aussi
plus récemment via le contrat de gestion adopté le
5 juillet 2005, prévoient la réalisation
de cette activité de préservation et de
valorisation du patrimoine sur le territoire de la Région
bruxelloise.
Il me revient qu’une
modification de l’article 33 du contrat de gestion
relatif à cet aspect patrimonial pourrait être
adoptée par le Conseil des ministres ce vendredi. La
modification de cet article consisterait en la suppression de la
référence à la Région bruxelloise.
Cela signifie-t-il que l’on envisage d’installer le
musée ailleurs, peut-être à Ostende ?
En tous cas, cette décision
aurait été prise sans négociation préalable
avec les partenaires habilités, ce qui s’impose tout
de même, en particulier lorsqu’il s’agit de
modifier un contrat de gestion.
Le secrétaire d’État
confirme-t-il cette information ? S’il est réellement
question de modifier l’article 33 du contrat de
gestion de la SNCB, quelles en sont les raisons ? Pourquoi
ce changement d’orientation alors que nombreux engagements
ont déjà été pris pour installer un
musée des Chemins de fer en Région bruxelloise ?
|
Mevrouw Isabelle
Durant (ECOLO). – In 2010 viert België de 175ste
verjaardag van de Belgische Spoorwegen. Ter gelegenheid van die
verjaardag, en na jarenlange actie door fervente aanhangers van
de NMBS, is een dynamisch interactief spoorwegmuseum, in de
nabijheid van de spoorwegen en gericht op het spoorverkeer in de
toekomst, ten zeerste gewenst.
In recente
interne beslissingen van de raad van bestuur van de NMBS, onder
andere de beslissing van 5 oktober 2001 en ook in het
beheerscontract dat op 5 juli 2005 werd goedgekeurd
wordt de uitvoering van dat project, dat bijdraagt aan het behoud
en de opwaardering van het patrimonium, op het grondgebied van
het Brussels gewest in het vooruitzicht gesteld.
Ik heb
vernomen dat de Ministerraad van vrijdag een wijziging zou
goedkeuren van artikel 33 van het beheerscontract
betreffende het patrimoniale aspect. De verwijzing naar het
grondgebied van het Brussels gewest zou worden geschrapt. Wil dat
zeggen dat het museum elders zal worden opgericht? In Oostende
misschien?
Die beslissing
zou genomen zijn zonder voorafgaande onderhandeling met de
bevoegde partners, wat nochtans verplicht is als het gaat over
een wijziging van het beheerscontract.
Bevestigt de
staatssecretaris die informatie? Om welke redenen zou artikel 33
van het beheerscontract van de NMBS aangepast moeten worden?
Waarom wordt voor een andere weg gekozen terwijl er al heel wat
afspraken zijn gemaakt voor de oprichting van een spoorwegmuseum
op het grondgebied van het Brussels gewest?
|
|
Mme Clotilde Nyssens (CDH).
– J’ai eu raison de suivre mon intuition la semaine
dernière en déposant une demande d’explications
portant sur le même sujet que la question de Mme Durant.
Je sentais effectivement que les choses allaient changer.
J’apprends donc aussi que le
Conseil des ministres décidera peut-être demain de
ne pas installer le musée des Chemins de fer en Région
bruxelloise. Tout le monde est favorable à l’idée
d’un musée national, et il est urgent d’y
penser pour fêter ce bel anniversaire.
Pourquoi envisage-t-on
l’installation du musée ailleurs qu’à
un endroit tout à fait symbolique, à savoir la gare
de Schaerbeek-Voyageurs ? Je pose cette question non parce
qu’il y a des Schaerbeekoises dans la salle, mais parce
que, historiquement, la première ligne de chemin de fer
Bruxelles-Malines passait par l’Allée Verte. De
plus, la gare de Schaerbeek-Voyageurs, un peu triste pour le
moment puisqu’elle est inoccupée, compte déjà
un petit musée de trains miniatures.
Tout le monde est d’accord,
tous partis confondus, de même que les habitants de la
Région bruxelloise, pour que le musée soit installé
à cet endroit, et j’entends dire que ce musée
pourrait filer à Ostende !
Les trains, c’est à
Bruxelles ; les bateaux, c’est à Ostende. Je
voudrais savoir si le risque est réel que le musée
national des Chemins de fer soit installé à
Ostende.
|
Mevrouw Clotilde
Nyssens (CDH). – Ik heb er goed aan gedaan vorige week
mijn intuïtie te volgen en een vraag om uitleg over
ditzelfde onderwerp in te dienen. Ik voelde inderdaad dat er
veranderingen op til waren.
Ik heb dus ook
vernomen dat de Ministerraad morgen misschien zal beslissen het
spoorwegmuseum niet in het Brussels gewest te vestigen. Iedereen
is voorstander van een nationaal museum, en het is hoog tijd om
eraan te beginnen als we dat willen koppelen aan die mooie
verjaardag.
Wie denkt
eraan het museum elders te vestigen dan in het station
Schaarbeek, wat een zeer symbolische plaats is? Ik stel deze
vraag niet omdat er inwoners van Schaarbeek in de zaal aanwezig
zijn, maar omdat de eerste spoorweglijn Brussel-Mechelen via de
Groene Dreef liep. Het station Schaarbeek, dat er nu enigszins
verlaten bij ligt, beschikt bovendien reeds over een klein museum
van miniatuurtreinen. Over alle partijen heen is iedereen het
erover eens, en ook de inwoners van het Brussels Gewest zijn die
mening toegedaan, dat het spoorwegmuseum op die plaats moet
worden gevestigd. En dan moet ik vernemen dat het in Oostende
gevestigd zou worden!
Treinen horen
in Brussel, boten in Oostende. Is het inderdaad mogelijk dat het
nationale spoorwegmuseum in Oostende wordt gevestigd?
|
|
M. Bruno Tuybens,
secrétaire d’État aux Entreprises publiques,
adjoint à la ministre du Budget et de la Protection de la
consommation. – Tout d’abord, je vous assure qu’il
n’y a pas de proposition de modification de l’article 33
du contrat de gestion de la SNCB-Holding.
Ensuite, l’étude
relative au lieu d’implantation a été
réalisée. Elle conclut que très peu
d’emplacements présentent les caractéristiques
nécessaires, à savoir une surface suffisante, une
accessibilité au réseau ferroviaire, la possibilité
de disposer de voies existantes mais mises hors exploitation et
une situation attractive du point de vue touristique, sans par
ailleurs être l’objet de plans de promotions
immobilières ou d’autres projets de développement
ferroviaire.
|
De heer Bruno
Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd
aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. – Er is
geen voorstel tot wijziging van artikel 33 van het
beheerscontract van de NMBS-Holding.
Er werd een
studie over de vestigingsplaats uitgevoerd. De studie komt tot
het besluit dat slechts weinig plaatsen aan de vereisten voldoen
namelijk: voldoende oppervlakte, bereikbaar met de trein, de
mogelijkheid over bestaande maar niet in gebruik zijnde sporen te
beschikken, een aantrekkelijke toeristische ligging. Een
bijkomende voorwaarde is dat er voor de site geen plannen zijn
van projectontwikkelaars of plannen voor uitbreiding van het
spoorwegnet.
|
|
Mme Isabelle Durant (ECOLO).
– Si j’ai bien compris, on ne modifiera pas
l’article 33 du contrat de gestion ni lors du conseil
des ministres de demain ni plus tard, et le futur musée
national des chemins de fer sera toujours édifié en
Région de Bruxelles-Capitale. Par ailleurs, vous devez
identifier sur la base d’une étude quels sont les
emplacements les plus indiqués en Région
bruxelloise.
|
Mevrouw Isabelle
Durant (ECOLO). – Als ik het goed begrepen heb, zal
artikel 33 van het beheerscontract niet worden gewijzigd en
zal het geplande spoorwegmuseum inderdaad in het Brussels
Hoofdstedelijk Gewest worden gevestigd. De minister zal op basis
van een studie de meest geschikte plaatsen in het Brussels Gewest
moeten aanduiden.
|
|
M. Bruno Tuybens,
secrétaire d’État aux Entreprises publiques,
adjoint à la ministre du Budget et de la Protection de la
consommation. – À ce jour, il n’y a aucune
proposition de modification de l’article 33.
|
De heer Bruno
Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd
aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. – Er is
momenteel geen enkel voorstel voor een wijziging van artikel 33.
|
|
Mme Clotilde Nyssens (CDH).
– Je m’en réjouis. Je vous invite néanmoins
à explorer la piste que je vous ai indiquée, qui me
paraît intéressante notamment du point de vue de
l’accessibilité. Je continuerai à suivre très
attentivement ce dossier qui représente un enjeu national.
|
Mevrouw Clotilde
Nyssens (CDH). – Dat doet me genoegen. Ik verzoek de
minister mijn suggestie te onderzoeken. Die plaats is interessant
vanuit het oogpunt van de bereikbaarheid. Ik zal dit dossier
aandachtig blijven volgen want het is een kwestie van nationaal
belang.
|
|
Questions
orales
|
Mondelinge
vragen
|
|
Question
orale de Mme Jeannine Leduc au ministre des Affaires
sociales et de la Santé publique sur «la loi
relative à l’euthanasie» (nº 3-1477)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Jeannine Leduc aan de minister van Sociale
Zaken en Volksgezondheid over «de euthanasiewet»
(nr. 3-1477)
|
|
Mme Jeannine
Leduc (VLD). – À l’époque de
l’adoption de la loi relative à l’euthanasie,
en 2002, il n’existait pratiquement aucune expertise
médicale en la matière. Entre-temps, les médecins
LEIF du côté flamand et les médecins EOL du
côté francophone ont suivi des formations et mettent
leur savoir au service des médecins qui en font la
demande. Les médecins LEIF et EOL interviennent aussi en
tant que deuxième ou troisième médecin
devant être consulté lors d’une demande
d’euthanasie. Ces consultations, psychologiquement
pénibles, durent souvent entre quatre et cinq heures et ne
sont pas rémunérées. Les médecins
interviennent tous de manière volontaire et avec
conviction mais vu l’augmentation du nombre de demandes,
ils ont de plus en plus de mal à tenir bon. De plus,
l’encadrement des projets LEIF et EOL n’est quasiment
pas soutenu financièrement. La situation devient
insupportable.
Les médecins
liés à un réseau de soins palliatifs
reçoivent par contre quelque 1.800 euros par mois pour une
disponibilité de 8 heures par semaine. Aux Pays-Bas, les
médecins SCEN, qui font le même travail que nos
médecins LEIF et EOL, reçoivent 280 euros par
consultation. Il nous semble dès lors raisonnable de
rémunérer les médecins LEIF et EOL pour
leurs consultations en tant que deuxième ou troisième
médecin. Ils garantissent en effet une application
correcte et satisfaisante de la loi relative à
l’euthanasie. Le ministre envisage-t-il une réglementation
en ce sens ?
Les médecins
hollandais SCEN reçoivent en outre une rémunération
annuelle de 300.000 euros pour la charge administrative, la
formation et les permanences téléphoniques. Chez
nous, les médecins LEIF organisent aussi une telle
permanence toute l’année, jour et nuit, sept jours
sur sept. Ils établissent un rapport annuel qui permet de
contrôler l’application de l’euthanasie. Ils
n’ont pourtant reçu que 40.000 euros, en deux fois,
depuis qu’ils existent. Une rémunération me
semble donc nécessaire pour les médecins LEIF et
EOL.
Le ministre
est-il disposé à agir en ce sens ?
Les deux
rapports de la Commission fédérale de contrôle
et d’évaluation de l’euthanasie plaident pour
une information accrue des médecins et du public. Les
personnes confrontées à un mal incurable devraient
pouvoir trouver une brochure d’information dans les maisons
communales, les CPAS et les cabinets médicaux. Le ministre
a-t-il l’intention de publier et de diffuser de telles
brochures ?
Vu la demande
croissante et la détresse des personnes concernées,
je demande au ministre de donner très rapidement une
réponse favorable à ces questions.
|
Mevrouw Jeannine Leduc
(VLD). – Ten tijde van de goedkeuring van de
euthanasiewet in 2002 bestond er nauwelijks of geen medische
expertise op dit vlak. Intussen hebben de LEIF-artsen aan Vlaamse
en de EOL-artsen aan Franstalige zijde opleidingen gevolgd en
stellen ze hun kennis ten dienste van artsen die daarom vragen.
De LEIF- en EOL-artsen treden ook op als tweede of derde
verplichte arts bij een vraag naar euthanasie. Deze consultaties
zijn psychisch belastend en nemen vaak vier tot vijf uren in
beslag. Deze consultaties worden niet vergoed. De artsen doen dat
allemaal op vrijwillige basis en met overtuiging, maar met het
stijgend aantal aanvragen wordt het voor hen hoe langer hoe
moeilijker om dit vol te houden. Ook de omkadering van het
LEIF-project en Forum EOL-project wordt nauwelijks financieel
ondersteund. De situatie wordt onhoudbaar.
Artsen verbonden aan een palliatief
netwerk ontvangen daarentegen maandelijks ongeveer 1.800 euro om
per week 8 uur beschikbaar te zijn. In Nederland krijgen de
SCEN-artsen, die hetzelfde werk doen als onze LEIF- en
EOL-artsen, 280 euro per consultatie. Daarom lijkt het ons
redelijk dat LEIF- en EOL-artsen worden vergoed voor hun
consultatie als tweede of derde arts. Zij garanderen immers een
correcte en goede toepassing van de euthanasiewet.
Heeft de minister de intentie een
regeling uit te werken die ook onze artsen vergoedt als ze
optreden als tweede of derde arts bij een aanvraag tot
euthanasie?
De Nederlandse SCEN-artsen krijgen
bovendien een jaarlijkse vergoeding van 300.000 euro voor
administratie, opleiding en telefonische permanentie. Ook bij ons
organiseren de LEIF-artsen een heel jaar door, dag en nacht,
zeven dagen per week een gelijkaardige permanentie. Ze maken elk
jaar ook een verslag op, wat controle op de toepassing van
euthanasie mogelijk maakt. Toch hebben ze sinds hun oprichting
slechts tweemaal 20.000 euro ontvangen. De noodzaak voor een
jaarlijkse vergoeding bestaat ook voor de LEIF- en EOL-artsen.
Is de minister bereid voor deze
dienstverlening eveneens een adequate jaarlijkse toelage toe te
kennen?
De Federale Controle- en
Evaluatiecommissie euthanasie pleit in haar twee verslagen voor
meer informatie, zowel voor de artsen als voor het brede publiek.
Persoonlijk vind ik het nuttig en nodig dat er in gemeentehuizen,
bij OCMW’s en bij de artsen een duidelijke
informatiebrochure ligt voor mensen die geconfronteerd wordt met
ongeneeslijk lijden. Is de minister van plan informatiebrochures
voor de artsen en voor het brede publiek te publiceren en te
verspreiden?
Aangezien er een stijgende vraag is
naar dit soort informatie en wij de nood van de betrokken mensen
zeer goed begrijpen, vraag ik de minister ook dat hij heel snel
een gunstig antwoord geeft op deze vragen.
|
|
M. Rudy
Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé
publique. – Il n’existe pas de numéro de
nomenclature spécifique pour l’euthanasie et le
Conseil technique médical de l’INAMI ne traite pas
de ce sujet en ce moment. On peut bien entendu utiliser les
numéros de nomenclature relatifs aux visites à
domicile des médecins de famille ou des médecins
généralistes ayant des droits acquis. Il y a aussi
des numéros spécifiques pour les patients
palliatifs.
La
réglementation actuelle prévoit également la
possibilité pour les généralistes ou les
médecins en médecine générale ayant
des droits acquis de demander la visite d’un spécialiste
au domicile du malade.
Les
difficultés, même uniquement morales, vécues
par les médecins confrontés à une demande
d’euthanasie sont évidemment un sujet de
préoccupation. Deux éléments importent à
cet égard : d’une part, l’objectivation
des montants éventuellement accordés et, d’autre
part, le respect de la confidentialité de ces
consultations. Il faut aussi mener une réflexion globale
sur la rémunération des dispensateurs de soins
chargés de mettre fin à une vie. Un numéro
de nomenclature présente l’inconvénient
d’identifier la consultation, ce qu’il faut éviter
dans un domaine aussi sensible au plan éthique. Je suis
bien entendu partisan, sous réserve de ces deux éléments,
d’une analyse plus approfondie de ce sujet.
On pourrait
financer un éventuel projet visant à améliorer
la communication concernant la loi sur l’euthanasie et les
droits du patient en recourant au budget général
« droits du patient » du Service public
fédéral Santé publique.
|
De heer Rudy Demotte,
minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Er bestaat
geen specifiek nomenclatuurnummer voor euthanasie. Binnen de
technisch-geneeskundige raad van het RIZIV wordt daarover op dit
ogenblik ook geen discussie gevoerd. De nomenclatuurnummers voor
huisbezoeken door huisartsen of door algemeen geneeskundigen met
verworven rechten kunnen uiteraard wel worden gebruikt. Er
bestaan ook specifieke nummers voor palliatieve patiënten.
De huidige reglementering voorziet
verder in de mogelijkheid voor huisartsen of algemeen
geneeskundigen met verworven rechten om een geneesheer-specialist
bij de zieke thuis in consult te vragen.
De moeilijkheden, al zijn het louter
morele, waarmee artsen te maken krijgen wanneer ze met een vraag
om euthanasie worden geconfronteerd, vormen natuurlijk een grote
bekommernis. Twee elementen zijn daarbij van belang: enerzijds de
objectivering van de bedragen die zouden worden toegekend en
anderzijds het respect van de confidentialiteit van deze
raadplegingen. Ook moet er globaal worden nagedacht over de
vergoeding van de zorgverstrekkers die een leven moeten
beëindigen. Een nomenclatuurnummer heeft het nadeel dat de
raadpleging kan worden geïdentificeerd, wat moet worden
vermeden op een domein dat op ethisch vlak zo gevoelig is. Onder
voorbehoud van deze twee elementen ben ik natuurlijk voorstander
van een verdere analyse van dit onderwerp.
Een eventueel project inzake
communicatie over de euthanasiewet en de patiëntenrechten
kan gefinancierd worden via het algemeen budget patiëntenrechten
van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid.
|
|
Mme Jeannine
Leduc (VLD). – Je comprends que le ministre veuille
approfondir l’analyse du problème car il n’est
pas simple et la confidentialité doit être
préservée, mais le problème ne peut
toutefois pas être reporté indéfiniment. La
loi sur l’euthanasie date de 2002. Nous avons à
présent une certaine expérience en la matière,
raison pour laquelle j’insiste pour qu’une décision
rapide intervienne sur la rémunération de ces
médecins. Il faut aussi rémunérer les
médecins qui effectuent un service de garde dans le cadre
de l’euthanasie. Aux Pays-Bas, les médecins
reçoivent 300.000 euros par an. En Belgique, il faudrait
prévoir au moins 150.000 euros pour la Flandre et 150.000
euros pour la Wallonie.
|
Mevrouw Jeannine Leduc
(VLD). – Ik begrijp dat de minister het probleem verder
wil onderzoeken. Het is immers geen eenvoudig probleem en de
discretie voor de artsen die als tweede en derde arts fungeren
moet bewaard blijven. Toch kan dat probleem niet op de lange baan
worden geschoven. De euthanasiewet dateert reeds van 2002. We
hebben nu al enige ervaring. Daarom dring ik erop aan dat er vrij
snel wordt beslist over een vergoeding voor deze artsen. Er moet
toch een vrij eenvoudige manier bestaan om die vergoeding te
regelen. Er is ook een vergoeding nodig voor de artsen die
wachtdiensten verrichten in het kader van euthanasie. In
Nederland krijgen de artsen daarvoor 300.000 euro per jaar. In
België zou er tenminste 150.000 euro in Vlaanderen en
150.000 euro in Wallonië ter beschikking moeten worden
gesteld om die wachtdiensten te vergoeden.
|
|
M. Rudy
Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé
publique. – Je suis bien sûr ouvert au débat.
Cette matière est particulièrement sensible ;
il faut en tenir compte pour l’application des différents
instruments. Nous ne pouvons cependant nous retrancher derrière
ce constat pour n’offrir aucune solution. Je charge mon
administration d’établir un cadre adapté
pouvant donner des réponses concrètes aux questions
posées par Mme la sénatrice. Je pense
particulièrement aux services de garde pour lesquels une
solution est possible sur la base des conventions conclues avec
l’INAMI.
|
De heer Rudy Demotte,
minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Ik sta
natuurlijk open voor dit debat. Het gaat over een zeer gevoelige
materie. Bij de toepassing van de verschillende instrumenten moet
daarmee rekening worden gehouden. Dat dit een gevoelige materie
is, betekent niet dat we geen oplossing moeten bieden. Ik geef
mijn administratie de opdracht om een geschikt kader te schetsen
dat concrete antwoorden kan bieden op de vragen van de senator.
Ik denk in het bijzonder aan de wachtdiensten. Daarvoor is een
oplossing mogelijk op basis van overeenkomsten met het RIZIV.
|
|
Projet
de loi portant assentiment à la Convention relative à
l’adhésion de la République tchèque,
de la République d’Estonie, de la République
de Chypre, de la République de Lettonie, de la République
de Lituanie, de la République de Hongrie, de la République
de Malte, de la République de Pologne, de la République
de Slovénie et de la République slovaque à
la Convention sur la loi applicable aux obligations
contractuelles, ouverte à la signature à Rome le
19 juin 1980, ainsi qu’aux Premier et Deuxième
Protocoles concernant son interprétation par la Cour de
Justice des Communautés européennes, faite à
Luxembourg le 14 avril 2005 (Doc. 3-2116)
|
Wetsontwerp
houdende instemming met het Verdrag inzake de toetreding van de
Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus,
de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek
Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek
Slovenië en de Slowaakse Republiek tot het Verdrag inzake
het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit
overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op
19 juni 1980, en tot het Eerste en het Tweede Protocol
betreffende de uitlegging ervan door het Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen, gedaan te Luxemburg op 14 april 2005
(Stuk 3-2116)
|
|
Discussion
générale
|
Algemene
bespreking
|
|
M. Pierre Galand (PS),
rapporteur. – Je me réfère à mon
rapport écrit.
|
De heer Pierre
Galand (PS), rapporteur. – Ik verwijs naar mijn
schriftelijk verslag.
|
|
– La discussion générale
est close.
|
– De algemene bespreking is
gesloten.
|
|
Discussion
des articles
|
Artikelsgewijze
bespreking
|
|
(Le texte adopté par la
commission des Relations extérieures et de la Défense
est identique au texte du projet de loi. Voir document 3-2116/1.)
|
(De tekst aangenomen door de
commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de
Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp.
Zie stuk 3-2116/1.)
|
|
– Les articles 1er
et 2 sont adoptés sans observation.
– Il sera procédé
ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de
loi.
|
– De artikelen 1 en 2
worden zonder opmerking aangenomen.
– Over het wetsontwerp in
zijn geheel wordt later gestemd.
|
|
Projet
de loi portant assentiment à la Convention nº 161
sur les services de santé au travail, adoptée à
Genève le 26 juin 1985 par la Conférence
générale de l’Organisation internationale du
travail (Doc. 3-2117)
|
Wetsontwerp
houdende instemming met het Verdrag nr. 161 betreffende de
bedrijfsgezondheidsdiensten, aangenomen te Genève op
26 juni 1985 door de Algemene Conferentie van de
Internationale Arbeidsorganisatie (Stuk 3-2117)
|
|
Discussion
générale
|
Algemene
bespreking
|
|
Mme la présidente.
– M. Nimmegeers se réfère à son
rapport écrit.
|
De voorzitter. –
De heer Nimmegeers verwijst naar zijn schriftelijk
verslag.
|
|
– La discussion générale
est close.
|
– De algemene bespreking is
gesloten.
|
|
Discussion
des articles
|
Artikelsgewijze
bespreking
|
|
(Le texte adopté par la
commission des Relations extérieures et de la Défense
est identique au texte du projet de loi. Voir document 3-2117/1.)
|
(De tekst aangenomen door de
commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de
Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp.
Zie stuk 3-2117/1.)
|
|
– Les articles 1er
et 2 sont adoptés sans observation.
– Il sera procédé
ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de
loi.
|
– De artikelen 1 en 2
worden zonder opmerking aangenomen.
– Over het wetsontwerp in
zijn geheel wordt later gestemd.
|
|
Projet
de loi portant assentiment à la Convention nº 155
sur la sécurité et la santé des
travailleurs, adoptée à Genève le
22 juin 1981 par la Conférence générale
de l’Organisation internationale du travail (Doc. 3-2118)
|
Wetsontwerp
houdende instemming met het Verdrag nr. 155 betreffende
arbeidsveiligheid, gezondheid en het arbeidsmilieu, aangenomen te
Genève op 22 juni 1981 door de Algemene
Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie
(Stuk 3-2118)
|
|
Discussion
générale
|
Algemene
bespreking
|
|
Mme Olga Zrihen (PS),
rapporteuse. – Je me réfère à mon
rapport écrit.
|
Mevrouw Olga
Zrihen (PS), rapporteur. – Ik verwijs naar mijn
schriftelijk verslag.
|
|
– La discussion générale
est close.
|
– De algemene bespreking is
gesloten.
|
|
Discussion
des articles
|
Artikelsgewijze
bespreking
|
|
(Le texte adopté par la
commission des Relations extérieures et de la Défense
est identique au texte du projet de loi. Voir document 3-2118/1.)
|
(De tekst aangenomen door de
commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de
Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp.
Zie stuk 3-2118/1.)
|
|
– Les articles 1er
et 2 sont adoptés sans observation.
– Il sera procédé
ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de
loi.
|
– De artikelen 1 en 2
worden zonder opmerking aangenomen.
– Over het wetsontwerp in
zijn geheel wordt later gestemd.
|
|
Projet
de loi portant assentiment à la Convention du Conseil de
l’Europe sur la lutte contre la traite des êtres
humains, faite à Varsovie le 16 mai 2005
(Doc. 3-2119)
|
Wetsontwerp
houdende instemming met het Verdrag van de Raad van Europa ter
bestrijding van mensenhandel, gedaan te Warschau op 16 mei 2005
(Stuk 3-2119)
|
|
Discussion
générale
|
Algemene
bespreking
|
|
Mme la présidente.
– Mme Hermans se réfère à son
rapport écrit.
|
De voorzitter. –
Mevrouw Hermans verwijst naar haar schriftelijk verslag.
|
|
– La discussion générale
est close.
|
– De algemene bespreking is
gesloten.
|
|
Discussion
des articles
|
Artikelsgewijze
bespreking
|
|
(Le texte adopté par la
commission des Relations extérieures et de la Défense
est identique au texte du projet de loi. Voir document 3-2119/1.)
|
(De tekst aangenomen door de
commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de
Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp.
Zie stuk 3-2119/1.)
|
|
– Les articles 1er
et 2 sont adoptés sans observation.
– Il sera procédé
ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de
loi.
|
– De artikelen 1 en 2
worden zonder opmerking aangenomen.
– Over het wetsontwerp in
zijn geheel wordt later gestemd.
|
|
Projet
de loi portant assentiment à la Résolution 997,
adoptée par le Conseil de l’OIM dans sa 421e
séance du 24 novembre 1998, apportant des
amendements à la Constitution de l’Organisation
internationale pour la migration (OIM) (Doc. 3-2120)
|
Wetsontwerp
houdende instemming met Resolutie 997, aangenomen door de Raad
van de IOM tijdens zijn 421e vergadering op
24 november 1998, tot wijziging van het Statuut van de
Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) (Stuk 3-2120)
|
|
Discussion
générale
|
Algemene
bespreking
|
|
Mme la présidente.
– M. Lionel Vandenberghe se réfère à
son rapport écrit.
|
De voorzitter. –
De heer Lionel Vandenberghe verwijst naar zijn
schriftelijk verslag.
|
|
– La discussion générale
est close.
|
– De algemene bespreking is
gesloten.
|
|
Discussion
des articles
|
Artikelsgewijze
bespreking
|
|
(Le texte adopté par la
commission des Relations extérieures et de la Défense
est identique au texte du projet de loi. Voir document 3-2120/1.)
|
(De tekst aangenomen door de
commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de
Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp.
Zie stuk 3-2120/1.)
|
|
– Les articles 1er
et 2 sont adoptés sans observation.
– Il sera procédé
ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de
loi.
|
– De artikelen 1 en 2
worden zonder opmerking aangenomen.
– Over het wetsontwerp in
zijn geheel wordt later gestemd.
|
|
Projet
de loi portant assentiment à la Convention des Nations
unies contre la corruption, faite à New York le
31 octobre 2003 (Doc. 3-2136)
|
Wetsontwerp
houdende instemming met het Verdrag van de Verenigde Naties tegen
de corruptie, gedaan te New York op 31 oktober 2003
(Stuk 3-2136)
|
|
Discussion
générale
|
Algemene
bespreking
|
|
Mme Olga Zrihen (PS),
rapporteuse. – La commission a examiné ce projet de
loi lors de sa réunion du 27 mars 2007.
Le 10 décembre 2003,
la Belgique a signé la Convention des Nations unies contre
la corruption lors de la conférence diplomatique à
Mérida, au Mexique. Cette convention est le premier
instrument de droit international conventionnel élaboré
au sein des Nations unies en vue de lutter contre la corruption
dans tous ses aspects.
La Convention cherche à
aligner les législations nationales en matière de
pénalisation d’actes de corruption. Ainsi, les États
sont obligés d’incriminer la corruption active et
passive des agents publics nationaux, la corruption active des
agents publics étrangers et des fonctionnaires
internationaux, le détournement de biens par un agent
public, le blanchiment du produit du crime et l’entrave au
bon fonctionnement de la justice. Ils peuvent incriminer le
recel, l’abus de fonction, l’enrichissement illicite,
la corruption dans le secteur privé et la soustraction de
biens dans le secteur privé.
La Convention prévoit la
responsabilité des personnes morales qui participent à
ces infractions, des mesures relatives aux poursuites
judiciaires, jugements et sanctions, des règles de
compétence juridictionnelle, la possibilité de
recourir à des techniques d’enquête spéciales,
des règles relatives au gel, à la saisie, à
la confiscation et au secret bancaire et des règles
relatives à la prescription.
La Convention assure une protection
efficace des témoins contre des actes de représailles
ou d’intimidation. Elle octroie assistance, protection et
réparation aux victimes.
La Convention étend et
accélère la procédure d’extradition en
renforçant l’entraide judiciaire, la coopération
policière et en permettant le transfert des personnes
condamnées.
Un chapitre essentiel est consacré
au retour des avoirs détournés par des agents
publics de haut niveau vers les pays d’origine. Ce chapitre
résulte de la volonté politique des pays du Sud,
qui désirent le rapatriement des fonds détournés
par des chefs d’État et de gouvernement.
Des mesures de prévention et
de détection des transferts d’avoirs acquis de
manière illicite sont introduites. Ces dispositions
s’apparentent à celles mises en place pour lutter
contre le blanchiment des capitaux.
Il est également prévu
des mesures pour le recouvrement direct de biens, des mécanismes
de recouvrement de biens par la coopération internationale
aux fins de confiscation et des règles relatives à
la restitution des avoirs.
C’est ce dernier élément
qui constitue l’innovation majeure de la Convention.
À la suite de l’approbation
du projet de loi, notre pays sera mandaté pour ratifier le
traité des Nations unies concernant la lutte contre la
corruption. La Belgique se joindra ainsi à l’effort
commun en luttant contre le phénomène de
corruption.
Étant donné que cet
instrument ne peut entrer en vigueur qu’après la
ratification de trente pays, il est absolument indispensable que
notre pays veille à ce que la procédure de
ratification se déroule dans les délais les plus
brefs.
Les articles 1 et 2 ainsi que
l’ensemble du projet de loi ont été adoptés
à l’unanimité des neuf membres présents.
|
Mevrouw Olga
Zrihen (PS), rapporteur. – De commissie heeft dat
wetsontwerp besproken tijdens haar vergadering van 27 maart 2007.
Op
10 december 2003 heeft België tijdens de
diplomatieke conferentie te Mérida in Mexico het Verdrag
van de Verenigde Naties tegen de corruptie ondertekend. Dat
verdrag is het eerste instrument van internationaal verdragsrecht
dat werd uitgewerkt door de Verenigde Naties om alle aspecten van
corruptie te bestrijden.
Het Verdrag
heeft tot doel de nationale wetgevingen inzake strafbaarheid van
corruptie op elkaar af te stemmen. Zo zijn de Staten verplicht
actieve en passieve corruptie van nationale ambtenaren, alsook
actieve corruptie van buitenlandse en van internationale
ambtenaren, verduistering van goederen door ambtenaren, witwassen
van opbrengsten van misdrijven en belemmering van de goede
werking van justitie strafbaar te stellen. Zij kunnen ook heling,
misbruik van functies, onrechtmatige verrijking, corruptie in de
privésector en ontvreemding van goederen in de privésector
strafbaar stellen.
Het Verdrag
legt tevens de aansprakelijkheid vast van de rechtspersonen die
deelnemen aan die delicten. Het legt ook maatregelen inzake
gerechtelijke vervolgingen, vonnissen en sancties en regels
inzake rechtsmacht vast. Het voorziet in de mogelijkheid om een
beroep te doen op bijzondere onderzoekstechnieken. Het bepaalt
regels inzake de bevriezing, inbeslagneming, verbeurdverklaring
en het bankgeheim en het bepaalt verjaringsregels.
Het Verdrag
verzekert een doeltreffende bescherming van getuigen tegen
vergeldingsacties of intimidatie. Het verleent bijstand,
bescherming en schadevergoeding aan slachtoffers.
Het Verdrag
breidt de uitleveringsprocedure uit en versnelt ze door de
wederzijdse rechtshulp en de politiële samenwerking te
versterken en door de overbrenging van de veroordeelde personen
mogelijk te maken.
Een belangrijk
hoofdstuk wordt gewijd aan de terugkeer naar de landen van
herkomst van vermogens die werden verduisterd door ambtenaren van
hoog niveau. Dat hoofdstuk vloeit voort uit de politieke wil van
landen uit het Zuiden om door Staatshoofden en regeringsleiders
verduisterde fondsen te repatriëren.
Er worden
maatregelen ingevoerd om de overdracht van onrechtmatig verworven
vermogens te voorkomen en op te sporen. Die bepalingen lijken op
de bepalingen die zijn uitgewerkt om witwasserij te bestrijden.
Er worden ook
maatregelen ingevoerd om goederen onmiddellijk te recupereren en
mechanismen om goederen te recupereren via internationale
samenwerking met het oog op verbeurdverklaring, en regels om
vermogens terug te geven.
Dat laatste
element is de belangrijkste innovatie van het Verdrag.
Als het
wetsontwerp wordt goedgekeurd, beschikt ons land over een mandaat
om het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de corruptie te
ratificeren. Zo sluit België zich aan bij de
gemeenschappelijke inspanning om de corruptie te bestrijden.
Dat verdrag
treedt pas inwerking als dertig landen het geratificeerd hebben.
Het is dus absoluut noodzakelijk dat ons land de
ratificatieprocedure zo snel mogelijk inzet.
Artikelen 1
en 2 evenals het geheel van het ontwerp werden met eenparigheid
door alle aanwezige leden goedgekeurd.
|
|
– La discussion générale
est close.
|
– De algemene bespreking is
gesloten.
|
|
Discussion
des articles
|
Artikelsgewijze
bespreking
|
|
(Le texte adopté par la
commission des Relations extérieures et de la Défense
est identique au texte du projet de loi. Voir document 3-2118/1.)
|
(De tekst aangenomen door de
commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de
Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp.
Zie stuk 3-2118/1.)
|
|
– Les articles 1er
et 2 sont adoptés sans observation.
– Il sera procédé
ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de
loi.
|
– De artikelen 1 en 2
worden zonder opmerking aangenomen.
– Over het wetsontwerp in
zijn geheel wordt later gestemd.
|
|
Projet
de loi portant assentiment à la Convention entre le
Gouvernement du Royaume de Belgique et le Gouvernement des
États-Unis d’Amérique tendant à éviter
la double imposition et à prévenir l’évasion
fiscale en matière d’impôts sur le revenu,
signée à Bruxelles le 27 novembre 2006,
et adaptant la législation fiscale belge à
certaines dispositions de ladite Convention (Doc. 3-2344)
|
Wetsontwerp
houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Regering van
het Koninkrijk België en de Regering van de Verenigde Staten
van Amerika tot het vermijden van dubbele belasting en van het
ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen,
ondertekend te Brussel op 27 november 2006, en houdende
aanpassing van de Belgische belastingwetgeving aan sommige
bepalingen van de genoemde Overeenkomst (Stuk 3-2344)
|
|
Discussion
générale
|
Algemene
bespreking
|
|
Mme la présidente.
– Mme Hermans se réfère à son
rapport écrit.
|
De voorzitter. –
Mevrouw Hermans verwijst naar haar schriftelijk verslag.
|
|
– La discussion générale
est close.
|
– De algemene bespreking is
gesloten.
|
|
Discussion
des articles
|
Artikelsgewijze
bespreking
|
|
(Le texte adopté par la
commission des Relations extérieures et de la Défense
est identique au texte du projet de loi. Voir document 3-2344/1.)
|
(De tekst aangenomen door de
commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de
Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp.
Zie stuk 3-2344/1.)
|
|
– Les articles 1er
à 8 sont adoptés sans observation.
– Il sera procédé
ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de
loi.
|
– De artikelen 1 tot 8
worden zonder opmerking aangenomen.
– Over het wetsontwerp in
zijn geheel wordt later gestemd.
|
|
Projet
de loi relatif à l’internement des personnes
atteintes d’un trouble mental (Doc. 3-2094)
|
Wetsontwerp
betreffende de internering van personen die lijden aan een
geestesstoornis (Stuk 3-2094)
|
|
Proposition
de loi relative à l’internement des délinquants
atteints d’un trouble mental (de M. Stefaan De Clerck
et consorts, Doc. 3-328)
|
Wetsvoorstel
betreffende de internering van delinquenten met een
geestesstoornis (van de heer Stefaan De Clerck c.s.,
Stuk 3-328)
|
|
Proposition
de loi modifiant les lois relatives à la libération
conditionnelle et modifiant la loi du 26 juin 1990
relative à la protection de la personne des malades
mentaux (de M. Stefaan De Clerck et consorts,
Doc. 3-329)
|
Wetsvoorstel
tot wijziging van de wetten betreffende de voorwaardelijke
invrijheidstelling en tot wijziging van de wet van 26 juni 1990
betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke
(van de heer Stefaan De Clerck c.s., Stuk 3-329)
|
|
Proposition
de loi complétant, en ce qui concerne les modalités
d’introduction du pourvoi en cassation, l’article 19ter
de la loi du 9 avril 1930 de défense sociale à
l’égard des anormaux, des délinquants
d’habitude et des auteurs de certains délits sexuels
(de M. Hugo Vandenberghe, Doc. 3-2104)
|
Wetsvoorstel
tot aanvulling van artikel 19ter van de wet van
9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen
abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele
strafbare feiten, wat de wijze betreft waarop cassatieberoep
wordt ingesteld (van de heer Hugo Vandenberghe,
Stuk 3-2104)
|
|
Discussion
générale
|
Algemene
bespreking
|
|
M. Philippe Mahoux (PS),
rapporteur. – Je me réfère à mon
rapport écrit.
|
De heer Philippe
Mahoux (PS), rapporteur. – Ik verwijs naar mijn
schriftelijk verslag.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Bien que le présent
projet règle une matière pour laquelle nous
attendons depuis longtemps une législation adaptée
et modernisée, il est regrettable qu’à
l’approche des élections le gouvernement fasse voter
la loi à la hâte par le parlement, de sorte qu’il
ne reste plus de temps pour se pencher, avec l’ouverture
parlementaire nécessaire, sur une série
d’imperfections et de critiques émanant du secteur
qui devra appliquer la loi.
Ainsi, le
texte actuel dispose que le juge décide du lieu
d’admission, ce qui aboutit de facto à une
obligation absolue d’admission, qui s’étend
aux institutions privées.
Le secteur des
soins de santé mentale fait pourtant déjà
beaucoup d’efforts pour accueillir aussi bien que possible
un maximum de personnes et pour les réintégrer dans
la société. Divers éléments plaident
contre une obligation absolue d’admission. Je pense aux
problèmes de capacité dans les institutions de
soins, au critère de danger, à la motivation du
traitement, etc. Les institutions de soins doivent en premier
lieu, sur la base de leur propre savoir-faire, pouvoir indiquer
elles-mêmes ce qu’elles entendent par soins adaptés
et mesures de sécurité nécessaires.
À la
lumière du développement de la science médicale,
c’est également une donnée évolutive,
qui ne doit pas être freinée par le législateur.
C’est
pourquoi j’ai voulu amender le projet en ce sens, mais la
commission ne m’a pas suivi parce que, selon le
gouvernement, le texte ne prévoit pas d’obligation
absolue d’admission. C’est une interprétation
qui, selon moi, ne peut pas simplement être déduite
des présentes dispositions. Quoi qu’il en soit, il
est regrettable que des textes qui peuvent entraîner une
interprétation équivoque et sont donc ambigus
doivent quand même être adoptés.
En outre, j’ai
déposé un amendement visant à supprimer
l’article 25 ou tout au moins à l’adapter.
Aujourd’hui, beaucoup d’internés ne sont
jamais admis dans des prisons ou des institutions résidentielles,
mais immédiatement traités de manière
ambulatoire sous le statut de libération à l’essai.
Le présent
texte ne prévoit pas, à tort, cette possibilité.
Tous les internés devraient d’abord passer par une
institution avant de pouvoir suivre une thérapie
ambulatoire. Cela augmentera naturellement la pression sur les
institutions. En suppriment l’article 25, ainsi que
les conditions qui y sont reprises pour entrer en ligne de compte
en vue d’une libération à l’essai dont
le traitement ambulatoire est une modalité, beaucoup de
placements inutiles dans les institutions de soins déjà
surchargées pourraient être évités.
Il est aussi
regrettable que le texte ne prévoie pas de réglementation
efficace pour les situations de crise. Le délai de sept
jours prévu dans le projet est trop étendu en cas
de réelle situation de crise, où une décision
immédiate s’impose. La réponse du
gouvernement selon laquelle il s’agit d’un délai
maximum n’empêche nullement la possibilité de
l’utiliser entièrement. C’est pourquoi nous
avons tenté en commission, par la voie d’un
amendement, d’offrir la possibilité au juge unique
de résoudre sur-le-champ une situation de crise, par
exemple par une libération temporaire pour soulager ou
préserver le milieu thérapeutique. Une réévaluation
de cette mesure par le tribunal d’application des peines
étant prévue, il n’y a aucune raison de fixer
ce long délai de sept jours ouvrables avant qu’une
décision provisoire puisse être prise.
Par ailleurs,
le gouvernement n’a malheureusement pas voulu accéder
à la demande de la Ligue des droits de l’homme,
entre autres, de faire siéger un psychiatre au tribunal
d’application des peines, lorsque ce dernier doit se
prononcer sur l’internement. Cette présence va
pourtant de soi. Il est préférable que l’organe
responsable des décisions sur les troubles mentaux dispose
d’un avis scientifique pour pouvoir juger en connaissance
de cause. En matière d’internement de personnes
souffrant de troubles mentaux, le psychiatre doit pouvoir être
l’expert permanent du tribunal d’application des
peines. Déjà durant les discussions en commission
de la Chambre, plusieurs députés et experts ont
insisté sur la présence d’un psychiatre au
tribunal d’application des peines siégeant en
matière d’internement.
Il est
regrettable que l’on n’ait pas voulu écouter
les desiderata de ceux qui travaillent quotidiennement dans le
secteur, qui ne doivent plus donner la preuve qu’ils sont
préoccupés par les problèmes du secteur
puisqu’ils y consacrent déjà toutes leurs
activités.
L’entrée
en vigueur de la loi est prévue pour septembre 2007.
Le gouvernement opte donc une fois de plus pour la précipitation.
La ministre estime le délai praticable. Il sera toutefois
nécessaire d’évaluer le fonctionnement des
tribunaux d’application des peines actuels pour savoir
comment ils doivent aborder sur le terrain avec leurs
attributions concernant les internés. Les spécialistes
auditionnés à la Chambre étaient fort
soucieux de l’exécution et nous ne pouvons
certainement pas les soupçonner d’avoir des
préjugés. Au contraire, ils ont apporté un
témoignage sincère sur le secteur des malades
mentaux, auquel le parlement témoigne trop peu d’intérêt
et de compassion.
Selon
M. Heimans, compte tenu des grandes difficultés que
posera très certainement la mise en œuvre des
nouveaux tribunaux d’application des peines, il est
totalement contre-indiqué d’incorporer le secteur
très complexe des internés au fonctionnement
desdits tribunaux, qui sont encore confrontés aux maladies
de jeunesse et aux dysfonctionnements possibles des premières
années. L’entrée en vigueur de la nouvelle
loi devrait au moins être reportée au
1er janvier 2008.
L’intérêt
du groupe CD&V pour le statut des malades mentaux ne date pas
d’aujourd’hui ni même d’hier. Au cours de
cette législature et de la précédente, nous
avons déposé des propositions de loi pour améliorer
le statut des internés. Nous avons toujours souligné
que le problème du manque de cellules résulte du
fait que les internés ne sont pas à leur place en
prison. Puisqu’il s’agit de malades, ils doivent être
hébergés ailleurs pour être soignés.
En ce sens, nous sommes reconnaissant au gouvernement qu’il
réfléchisse, en cette fin de législature, à
l’idée d’une nouvelle interprétation de
la situation juridique des internés et qu’il réponde
à une série de préoccupations urgentes. Mais
pour la énième fois nous constatons que, quand il
s’agit de vastes sujets pour lesquels des solutions peuvent
être trouvées sur une large base, tant par la
majorité que par l’opposition, la majorité se
croit infaillible.
Elle rejette a
priori toute remarque de l’opposition. C’est
contraire non seulement aux lois de la logique, mais aussi à
celles de la démocratie parlementaire.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Hoewel voorliggend ontwerp
een materie regelt waarvoor we al lang op een aangepaste en
gemoderniseerde wetgeving zitten te wachten, valt het te
betreuren dat de regering de wet in het zicht van de verkiezingen
nog snel door het parlement jaagt, zodat er geen tijd overblijft
om met voldoende parlementaire openheid aandacht te hebben voor
een aantal onvolkomenheden en punten van kritiek vanuit de sector
die de wet zal moeten toepassen.
Aldus bepaalt de huidige tekst dat
de rechter beslist over de plaats van de opname, wat de facto
neerkomt op een absolute opnameplicht die zich uitstrekt tot
private instellingen.
De geestelijke gezondheidszorg doet
echter al heel wat inspanningen om zoveel mogelijk mensen zo goed
mogelijk op te vangen en om ze te reïntegreren in de
samenleving. Diverse elementen pleiten tegen absolute
opnameplicht. Ik denk daarbij aan het capaciteitsprobleem in de
zorginstellingen, het gevarencriterium, de motivatie voor
behandeling enzovoort. Zorginstellingen moeten in de eerste
plaats vanuit de eigen knowhow zelf kunnen aangeven wat ze onder
passende zorg en vereiste veiligheidsmaatregelen verstaan.
In het licht van de ontwikkeling van
de medische wetenschap is dat ook een evolutief gegeven, dat
beter niet wordt afgeremd door de wetgever.
Derhalve heb ik het ontwerp willen
amenderen in die zin, maar de commissie ging daarmee niet akkoord
omdat volgens de argumentatie van de regering de tekst niet in
een absolute opnameplicht voorziet. Wat een interpretatie is, die
volgens mij niet zonder meer uit de voorliggende bepalingen kan
worden afgeleid. Het valt hoe dan ook te betreuren dat teksten
die tot een dubbelzinnige interpretatie aanleiding kunnen geven
en dus onduidelijk zijn, toch moeten worden goedgekeurd.
Voorts heb ik een amendement
ingediend om artikel 25 te schrappen of minstens aan te
passen. Vandaag worden veel geïnterneerden nooit opgenomen
in gevangenissen of residentiële instellingen, maar
onmiddellijk ambulant behandeld onder het statuut van vrijheid op
proef.
De voorliggende tekst voorziet ten
onrechte niet in die mogelijkheid. Alle geïnterneerden
zouden eerst via een inrichting moeten passeren, alvorens in
ambulante therapie te kunnen gaan. Dat zal natuurlijk de druk op
de inrichtingen verhogen. Door artikel 25 te schrappen samen
met de daarin opgenomen voorwaarden om in aanmerking te komen
voor een invrijheidstelling op proef waarvan de ambulante
behandeling een modaliteit is, hadden veel nutteloze plaatsingen
in de reeds overbevraagde zorginstellingen kunnen worden
vermeden.
Ook valt te betreuren dat de tekst
niet in een werkzame regeling voorziet voor crisissituaties. De
termijn van zeven dagen die in het ontwerp wordt bepaald, is te
ruim in geval van een werkelijke crisissituatie waarin een
onmiddellijke beslissing nodig is. Het antwoord van de regering
dat het een maximumtermijn betreft, doet natuurlijk geen afbreuk
aan de mogelijkheid dat die termijn ten volle wordt benut. In de
commissie hebben we dan ook via een amendement gepoogd de
alleenzetelende rechter de mogelijkheid te bieden een
crisissituatie op staande voet op te lossen, bijvoorbeeld door
een tijdelijke time-out ter ontlasting of vrijwaring van het
therapeutische milieu. Aangezien werd voorzien in een
herevaluatie van deze maatregel door de
strafuitvoeringsrechtbank, is er geen enkele reden voor die lange
termijn van zeven werkdagen voordat een voorlopige beslissing kan
worden genomen.
De regering wou anderzijds jammer
genoeg niet ingaan op de vraag van onder andere de Liga voor
Mensenrechten om een psychiater zitting te laten hebben in de
strafuitvoeringsrechtbank wanneer deze uitspraak moet doen over
de internering. Die aanwezigheid ligt nochtans voor de hand. Het
orgaan dat verantwoordelijk en aansprakelijk is voor de
beslissingen over geestesstoornissen beschikt het best over
wetenschappelijk inzicht om met kennis van zaken te kunnen
oordelen. De psychiater moet inzake de internering van personen
die lijden aan een geestesstoornis de permanente deskundige
kunnen zijn van de strafuitvoeringsrechtbank. Reeds tijdens de
bespreking in de kamercommissie hebben verschillende
volksvertegenwoordigers aangedrongen op de aanwezigheid van een
psychiater in de strafuitvoeringsrechtbank zetelend inzake
interneringen. Ook tijdens de hoorzittingen braken verschillende
specialisten een lans voor het opnemen van psychiaters in de
strafuitvoeringsrechtbank wanneer deze over een maatregel van
internering dient te oordelen. Ik denk daarbij aan
de heren Oosterlinck, coördinator van de
verzorgingsinstelling van de Broeders van liefde, en Philippe
Van Peteghem, hoofdgeneesheer van het psychiatrisch centrum
Sint-Jan-Baptist te Zelzate.
Het is te betreuren dat men niet
heeft willen luisteren naar de verzuchtingen van degenen die
dagelijks in de sector werken, die het bewijs niet meer hoeven te
leveren dat ze bekommerd zijn om de problemen van de sector,
omdat ze er al hun activiteiten aan wijden.
De inwerkingtreding van de wet is
gepland voor september 2007. De regering opteert dus eens te
meer voor haastwerk. De minister acht de termijn haalbaar. Het
zal echter nodig zijn de werking van de actuele
strafuitvoeringsrechtbanken te evalueren – volgens kamerlid
Van Parys worden de vaststellingen van de
strafuitvoeringsrechtbank in Brussel overigens nog met de hand
geschreven – om te weten hoe ze op het terrein moeten
omgaan met hun bevoegdheid over de geïnterneerden. De
specialisten die in de Kamer werden gehoord waren erg bezorgd
over de uitvoering en we kunnen hen zeker niet verdenken van
vooroordelen. Integendeel, ze brachten een eerlijk getuigenis
over de sector van de geestesgestoorden, waarvoor het parlement
veel te weinig belangstelling en mededogen heeft.
Rekening houdend met de grote
moeilijkheden die nu reeds met zekerheid worden verwacht bij de
opstart van de nieuwe strafuitvoeringsrechtbanken (oprichting en
invulling van talrijke nieuwe bevoegdheden), is het volstrekt
niet aan te bevelen om ook nog de zeer complexe sector van de
geïnterneerden te incorporeren in de werking van de
strafuitvoeringsrechtbanken, die in de eerste jaren nog kampen
met kinderziektes en mogelijke disfuncties, aldus
de heer Heimans. De inwerkingtreding van de nieuwe wet
zou ten minste tot 1 januari 2008 moeten worden
verdaagd.
De heer Oosterlinck, die
als deskundige werd gehoord in de Kamer, voegde daaraan toe dat
de betrokken actoren, zowel de magistraten als de
zorgverstrekkers, in een tijdsbestek van slechts enkele maanden
onmogelijk in de nieuwe structuur ingewerkt zullen raken. Het
valt dan ook te vrezen dat de overhaaste inwerkingstelling van de
wet de practici problemen zal opleveren, zoals dit vandaag het
geval is met de strafuitvoeringsrechtbanken.
Ik besluit. De belangstelling van de
CD&V-fractie voor het statuut van de geestesgestoorden
dateert niet van vandaag en ook niet van gisteren. We hebben in
de vorige en in deze legislatuur wetsvoorstellen ingediend om het
statuut van de geïnterneerden te verbeteren. We hebben
altijd benadrukt dat het probleem van het cellentekort te maken
heeft met de vaststelling dat de geïnterneerden niet op hun
plaats zijn in de gevangenis. Aangezien het gaat om zieken moeten
ze elders worden geherbergd om verzorgd te worden. In die zin
zijn we de regering dankbaar dat ze op het einde van de
legislatuur nadenkt over het idee van een nieuwe invulling van de
rechtssituatie van de geïnterneerden en dat ze tegemoetkomt
aan een aantal dringende bekommernissen. Maar, voor de zoveelste
maal vinden we dat wanneer het gaat om brede onderwerpen waarop
vanuit een breed draagvlak oplossingen kunnen worden aangereikt,
zowel door de meerderheid als de oppositie, de meerderheid zich
onfeilbaar waant. Ze verwerpt a priori elke opmerking van de
oppositie. Dat is niet alleen in strijd met de wetten van de
logica, maar ook met die van de parlementaire democratie.
|
|
Mme Jacinta
De Roeck (SP.A-SPIRIT). – Le projet de loi relatif
à l’internement de personnes atteintes d’un
trouble mental pourvoit enfin aux réformes indispensables
dans un secteur qui a été trop longtemps traité
en parent pauvre.
Les intentions
de ce projet sont excellentes :
Les quelque
mille personnes internées dans notre pays se retrouvent
désormais dans un réseau de soins sous le contrôle
de la Santé publique. Leur prise en charge dans des
prisons ordinaires parmi les délinquants de droits commun
appartient au passé.
Les victimes
reçoivent de l’information et jouent un rôle
actif dans le choix du mode d’exécution des mesures.
Les
délinquants ayant un trouble mental recevront un
accompagnement plus adapté et seront soumis à une
surveillance elle aussi adaptée : en effet il y aura
des équipes multidisciplinaires dans toutes les sections
psychiatriques et les internés seront en outre mieux
préparés à leur réintégration
dans la société.
La société
sera mieux protégée entre autres par les mesures
qui doivent limiter le risque de récidive et par le fait
que la libération définitive doit être
précédée d’une période
d’épreuve de deux ans.
La
délimitation des tâches des magistrats et des
psychiatres doit à terme renforcer l’indépendance
de ces derniers et restaurer la confiance entre le psychiatre et
son patient.
Les projets en
cours à Rekem, Bierbeek et Zelzate sont structurellement
confortés et étendus avec cent vingt places
supplémentaires. En outre cent quatre-vingt lits sont
réservés dans les institutions de soins
psychiatriques à des personnes internées.
Ce projet de
loi a été longuement discuté avec le
secteur. La nouvelle loi soulève néanmoins encore
quelques questions.
Les tribunaux
d’applications des peines, que l’on vient à
peine de créer, seront-ils capables de faire face à
cette nouvelle mission, à savoir l’administration de
l’internement ? Disposent-ils d’un savoir-faire
et du personnel suffisants ?
Plus d’une
fois a été émis le reproche que le jugement
sur le patient sera uniquement le fait du juge et non d’une
équipe multidisciplinaire. Cela peut-il être
compensé par le fait que le juge peut se faire assister
par des psychologues ?
Le secteur
plaide pour une procédure plus souple de manière à
pouvoir mieux faire face aux situations de crise grâce à
des mesures provisoires, qui peuvent ensuite être validées
par le tribunal d’application des peines.
Pour éviter
des placements inutiles en institution, on devrait introduire la
possibilité pour certains patients à bas risque de
commencer un traitement ambulatoire.
Il faudra
évaluer cette loi importante en temps utile et
éventuellement la corriger. En tout cas nous faisons
aujourd’hui un grand pas en avant vers une meilleure
protection de la société et un accompagnement
thérapeutique de qualité pour les internés.
Je souhaite
également répondre à M. Vandenberghe.
Il y a quelques mois, le secteur s’est réuni à
Louvain pour discuter de ce projet de loi. Les Frères de
la Charité étaient présents en grand nombre.
M. Van Parys, qui était également invité,
a posé un lapin. Je n’y ai observé que des
réactions positives, même si des améliorations
sont possibles. Avec l’appui de tout le secteur, je me
prononcerai pour ce projet avec conviction.
|
Mevrouw Jacinta De Roeck
(SP.A-SPIRIT). – Het wetsontwerp betreffende de
internering van personen die lijden aan een geestesstoornis zorgt
eindelijk voor de broodnodige hervormingen in een sector die al
te lang stiefmoederlijk werd behandeld.
De intenties van het ontwerp zijn
alvast uitstekend:
– De ongeveer 1000
geïnterneerden in ons land komen voortaan terecht in een
zorgnetwerk onder toezicht van volksgezondheid. Hun opname in
gewone gevangenissen tussen misdadigers van gemeen recht behoort
daarmee tot het verleden.
– De slachtoffers krijgen
informatie en een actieve rol bij de uitvoeringswijze van de
maatregelen.
– Delinquenten met een
geestesstoornis zullen een aangepaster begeleiding en bewaking
krijgen: er komen namelijk multidisciplinaire teams in alle
psychiatrische afdelingen en de geïnterneerden worden
bovendien beter voorbereid op hun reïntegratie in de
samenleving.
– De maatschappij wordt beter
beveiligd o.m. door de maatregelen die het recidiverisico moeten
beperken en door de definitieve invrijheidstelling te laten
voorafgaan door een proefperiode van twee jaar.
– De afbakening van het
takenpakket van magistraten en psychiaters moet op termijn de
onafhankelijkheidspositie van deze laatsten versterken en de
vertrouwensrelatie psychiater-patiënt herstellen.
– De lopende proefprojecten in
Rekem, Bierbeek en Zelzate worden structureel ondersteund en
uitgebreid met 120 bijkomende plaatsen. Daarnaast worden 180
bedden in psychiatrische verzorgingstehuizen voorbehouden voor
geïnterneerden.
Over het wetsontwerp werd langdurig
onderhandeld met de sector. De nieuwe wet roept niettemin ook
vragen op.
Zullen de pas opgerichte
strafuitvoeringsrechtbanken hun nieuwe taak, namelijk het beheer
van de internering, wel aankunnen? Hebben ze daartoe voldoende
knowhow en onderlegd personeel?
Het verwijt dat de beoordeling van
de patiënt voortaan eenzijdig strafrechtelijk zal gebeuren
in de plaats van multidisciplinair, keerde meermaals terug. Kan
dit voldoende opgevangen worden doordat de rechter zich kan laten
bijstaan door psychologen?
Vanuit het werkveld werd gepleit
voor een soepeler procedure om crisissituaties beter het hoofd te
kunnen bieden via voorlopige maatregelen, die nadien bekrachtigd
dienen te worden door de strafuitvoeringsrechtbank.
Om onnodige plaatsingen in
inrichtingen te vermijden, zou men voor bepaalde
low-riskpatiënten de mogelijkheid moeten inbouwen om de
behandeling ambulant op te starten.
Het zal er dus op aankomen deze
belangrijke wet tijdig te evalueren en desnoods bij te sturen. In
elk geval zetten we vandaag een belangrijke stap voorwaarts naar
een betere bescherming van de maatschappij en een kwalitatieve
therapeutische begeleiding van geïnterneerden.
Ik wens ook te antwoorden aan
de heer Vandenberghe. Enkele maanden geleden is de
sector bijeengekomen in Leuven om dit wetsontwerp te bespreken.
De Broeders van Liefde waren daarop massaal aanwezig.
De heer Van Parys, die ook was uitgenodigd, heeft
echter verstek laten gaan. Ik heb daar alleen positieve reacties
opgevangen, al zijn verbeteringen mogelijk. Gesteund door de hele
sector, zal ik dit wetsontwerp dan ook met overtuiging
goedkeuren.
|
|
Mme Clotilde Nyssens (CDH).
– Je soulignerai d’abord la vitesse à laquelle
nous agissons en cette matière.
Or, certains aspects me laissent
perplexe. Cette semaine, j’ai été interpellée
à cinq reprises au moins par des personnes qui connaissent
bien ce domaine. Leurs interrogations et les miennes portent
notamment sur la question importante du recours. Des magistrats
et des professionnels du secteur s’inquiètent car le
fait de judiciariser cette matière et d’amener les
intéressés devant un tribunal d’application
des peines rend, par définition, tout appel de la décision
impossible.
Durant des années, nous avons
lutté ici, lorsque la matière était du
ressort des commissions de défense sociale, pour qu’un
appel soit possible. Je me souviens de la proposition de M. Giet
qui, pendant des années, a plaidé pour l’existence
d’un recours. Je partageais cette optique et en fin de
compte, nous étions parvenus à faire voter une
proposition de loi qui permettait un recours contre une décision
de la commission de défense, au Conseil supérieur
de défense sociale.
D’un point de vue « droits
de l’homme » au sens strict, comment peut-on
répondre à une objection quasi constitutionnelle
selon laquelle, devant un tribunal, un appel doit être
possible ? Certes, le projet de loi prévoit un
recours en cassation, mais il ne concerne pas le fond.
|
Mevrouw Clotilde
Nyssens (CDH). – We hebben dit ontwerp in
sneltreinvaart behandeld.
Ik ben
verbouwereerd over bepaalde aspecten. Deze week werd ik wel vijf
keer aangesproken door mensen die deze materie goed kennen. Ze
hebben, net als ik, vragen over de mogelijkheid tot het instellen
van hoger beroep. Magistraten en beroepsmensen uit de sector zijn
ongerust. Immers, als de betrokkenen voor een
strafuitvoeringsrechtbank worden gebracht is elk beroep tegen de
beslissing per definitie onmogelijk.
Toen deze
aangelegenheid onder de bevoegdheid viel van de Commissies ter
bescherming van de maatschappij hebben we hier jarenlang
gestreden voor de mogelijk tot beroep. Ik herinner me in dat
verband het voorstel van de heer Giet. Hij heeft
jarenlang gepleit voor de mogelijkheid tot beroep. Ik deelde dat
standpunt en we zijn er uiteindelijk in geslaagd een wetsvoorstel
te laten goedkeuren dat een beroep tegen de beslissing van de
Commissie ter bescherming van de maatschappij bij de Hoge
Commissie ter bescherming van de maatschappij mogelijk maakte.
Vanuit
mensenrechtenstandpunt moet beroepsmogelijkheid mogelijk zijn.
Het wetsontwerp voorziet in cassatieberoep, maar het heeft geen
betrekking op de grond van de zaak.
|
|
Mme Laurette Onkelinx,
vice-première ministre et ministre de la Justice. –
Devant le tribunal d’application des peines, la situation
est la même que pour les personnes détenues qui ne
sont pas des personnes internées. Or, comme vous le savez,
au regard des conventions internationales, on admet qu’il
puisse ne pas y avoir de double juridiction, en respectant
certains critères. La Convention des droits de l’homme
n’a pas lieu d’être citée en la matière.
|
Mevrouw Laurette
Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. –
Voor de strafuitvoeringsrechtbank is de situatie dezelfde als
voor gedetineerden die geen geïnterneerden zijn. Gelet op de
internationale verdragen wordt aanvaard dat dubbele rechtspraak
wordt vermeden door de inachtneming van bepaalde criteria. Het
Mensenrechtenverdrag komt hier niet ter sprake.
|
|
Mme Clotilde Nyssens (CDH).
– Certes, mais cette question inquiète tout de même
les professionnels qui m’ont interpellée, dont des
magistrats.
Par ailleurs, je soulignerai qu’un
texte a besoin de « circuler » dans la
société pour arriver à maturité.
Certaines personnes se réveillent, peut-être
tardivement, pour donner leurs réactions. Il faut dire que
le fameux train de sénateur n’est plus de mise et
que nos travaux avancent à grande vitesse depuis quelques
semaines. Nous parvenons à peine à suivre, alors
que dire de la société civile qui ne maîtrise
pas notre agenda !
En résumé, certains
aspects de ce projet qui aurait mérité davantage de
réflexion me préoccupent.
D’abord, je le répète,
l’opportunité de présenter les internés
devant le tribunal d’application des peines, alors que ces
personnes mériteraient une approche tout à fait
spécifique. En effet, le contentieux est tout à
fait particulier ; il se situe entre Justice et Santé.
Une composition adaptée du tribunal d’application
des peines aurait été utile.
Ensuite, la présence de
l’avocat au sein de la commission de défense sociale
est supprimée, au profit des règles classiques
appliquées devant un tribunal. Les rôles occupés
par l’avocat et le psychiatre au sein de la commission sont
désormais très différents devant le
tribunal.
|
Mevrouw Clotilde
Nyssens (CDH). – Inderdaad, maar deze kwestie
verontrust toch de beroepsmensen, onder meer de magistraten.
Een tekst moet
inderdaad in de maatschappij ‘circuleren’ om te
kunnen rijpen. Sommigen zijn, misschien laat, wakker geworden en
reageren nu pas. De werkzaamheden in de Senaat gaan de jongste
weken razendsnel vooruit. We kunnen nauwelijks volgen. Voor de
burgermaatschappij moet dat nog veel moeilijker zijn!
Ik maak me
zorgen over sommige aspecten van dit ontwerp. Men had er langer
moeten over reflecteren.
In de eerste
plaats is er de mogelijkheid om geïnterneerden voor de
strafuitvoeringsrechtbanken te brengen, terwijl deze mensen een
heel specifieke behandeling nodig hebben. Het gaat hier om een
heel bijzondere groep, waarbij er overlappingen zijn tussen
Justitie en Gezondheid. Een aangepaste samenstelling van de
strafuitvoeringsrechtbank zou nuttig zijn geweest.
De
aanwezigheid van een advocaat in de Commissies ter bescherming
van de maatschappij is geschrapt, ten bate van de klassieke
regels die voor de rechtbanken van toepassing zijn. De rol van de
advocaat en de psychiater in de commissie verschilt in grote mate
van hun rol voor de rechtbank.
|
|
Mme Laurette Onkelinx,
vice-première ministre et ministre de la Justice. –
Nous rétablissons la situation originelle : l’avocat
plaide et l’expert éclaire le tribunal.
|
Mevrouw Laurette
Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. –
De oorspronkelijke toestand wordt hersteld: de advocaat pleit en
de expert informeert de rechtbank.
|
|
Mme Clotilde Nyssens (CDH).
– Je suis d’accord avec ce principe mais j’entends
aussi les personnes qui connaissent bien le secteur. Et elles
estiment extrêmement utile d’avoir un dialogue au
sein de la commission de défense sociale, avec quelqu’un
qui possède bien l’expertise médicale pour
comprendre et examiner la situation mentale des intéressés.
Ils ont peur de ne pas avoir de
dialogue au quotidien. Ils se demandent si le magistrat sera
suffisamment éclairé, car l’expertise est
indispensable dans cette matière. Un magistrat ne peut pas
juger de l’état mental d’une personne. Le
secteur n’est en tout cas pas rassuré.
|
Mevrouw Clotilde
Nyssens (CDH). – Ik ben het eens met het principe, maar
ik krijg ook opmerkingen van mensen die de sector goed kennen. Om
de mentale toestand van de betrokkene te begrijpen en te
onderzoeken is het bijzonder nuttig om in de Commissie ter
bescherming van de maatschappij van gedachten te kunnen wisselen
met iemand die over de nodige medische expertise beschikt.
De sector
vreest dat er geen gewoon gesprek zal kunnen worden gevoerd. Ze
vragen zich af of de magistraat voldoende ingelicht zal zijn,
want expertise is in dit geval onmisbaar. Een magistraat kan niet
oordelen over iemands mentale toestand. De sector is er dus niet
helemaal gerust op.
|
|
Mme Laurette Onkelinx,
vice-première ministre et ministre de la Justice. –
Nous en avons longuement discuté, notamment à la
Chambre, où nous avons eu la chance d’entendre un
député avocat et ancien membre d’une
commission de défense sociale. Il a pu exprimer les
défauts de la situation actuelle et appuyer le fait que
l’avocat devait absolument retrouver la place naturelle qui
est la sienne pour une défense de la personne internée.
La situation actuelle n’est
pas adéquate. Les experts sont généralement
juges et parties. Ils soignent dans les établissements de
défense sociale et participent ensuite à la
décision en l’influençant très
largement. Vous venez de dire vous-même qu’ils ont
une importance fondamentale, le diagnostic étant
essentiel.
Le tribunal décide
souverainement, mais après avoir entendu l’expert et
dialogué avec lui. Le fait qu’il ne soit pas présent
lors de la délibération n’empêche pas
que toutes les questions souhaitées puissent lui être
posées au préalable. Nous avons spécialisé
les experts et demandé des équipes
pluridisciplinaires lorsque c’était nécessaire.
Nous investissons pour l’expertise. Celle-ci doit suivre la
procédure normale : l’expert établit son
rapport et dialogue avec le tribunal, qui lui pose toutes
questions utiles. Ensuite, éclairé, le tribunal
prend souverainement une décision.
|
Mevrouw Laurette
Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. –
We hebben er in de Kamer lang over gediscussieerd. We hebben een
volksvertegenwoordiger-advocaat kunnen horen, een gewezen lid van
een Commissie ter bescherming van de maatschappij. Hij kon de
gebreken van de huidige situatie samenvatten en drong erop aan
dat de advocaat absoluut een plaats krijgt in de verdediging van
een geïnterneerde persoon.
De huidige
situatie is niet ideaal. De experts zijn over het algemeen
rechter en partij. Ze behandelen mensen in de instellingen tot
bescherming van de maatschappij en maken vervolgens deel uit van
de besluitvorming, die ze in hoge mate beïnvloeden. U hebt
zopas gezegd dat ze een fundamentele rol spelen omdat de diagnose
van essentieel belang is.
De rechtbank
oordeelt soeverein, maar nadat ze de expert heeft gehoord en met
hem van gedachten heeft gewisseld. Dat de expert niet aanwezig is
bij de beraadslaging betekent niet dat hem niet alle relevante
vragen werden gesteld. We hebben experts opgeleid en indien nodig
kan er een multidisciplinair team worden samengesteld. We
investeren heel wat in de expertise. De normale procedure moet
worden gevolgd: de expert stelt zijn verslag op en overlegt met
de rechtbank die alle nodige vragen stelt. Nadat de rechtbank
alle informatie heeft ingewonnen, beslist ze soeverein.
|
|
Mme Clotilde Nyssens (CDH).
– Je comprends votre point de vue, madame la ministre, et
je veux bien vous suivre dans votre volonté de remettre
les choses dans le droit commun.
Si cette présence des experts
est tellement importante, je m’interroge sur la
tarification horaire de leurs prestations. Ils sont peu nombreux
et sont, je crois, très mal rémunérés,
mais peut-être ne pourrez-vous pas m’informer à
ce sujet aujourd’hui même.
Mon souci est que les internés
soient bien défendus et assistés de bons experts.
Faisons en sorte que ceux-ci soient correctement rémunérés
et en nombre suffisant.
|
Mevrouw Clotilde
Nyssens (CDH). – Ik begrijp uw standpunt, mevrouw de
minister, en ik weet dat u bereid bent de zaken naar gemeen recht
te regelen.
De
aanwezigheid van experts is zeer belangrijk, maar ik heb toch
vragen bij hun vergoeding. Er zijn er niet veel en ik denk dat ze
heel slecht betaald worden, maar misschien kunt u me daarop
vandaag geen antwoord geven.
Het komt er
voor mij op aan dat de geïnterneerden goed verdedigd worden
en dat ze worden bijgestaan door goede experts. We moeten ervoor
zorgen dat er voldoende experts zijn en dat ze correct worden
betaald.
|
|
Mme Laurette Onkelinx,
vice-première ministre et ministre de la Justice. –
La question m’a déjà été posée
et j’ai répondu quant à leur rémunération.
Il est exact que les experts sont peu nombreux. Or, le TAP
travaillera davantage à l’avenir. Trouver des
experts qui travaillent à temps plein dans les TAP plutôt
qu’aux expertises constitue véritablement un piège
pour les futurs TAP « internés ».
|
Mevrouw Laurette
Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. –
Ik heb al geantwoord op een vraag over de vergoeding van de
experts. Er zijn inderdaad weinig experts. De
strafuitvoeringsrechtbank zal in de toekomst meer werk hebben.
Het is wellicht voordeliger om per prestatie te worden betaald
dan voltijds bij strafuitvoeringsrechtbanken te werken.
|
|
Mme Clotilde Nyssens (CDH).
– Vous avez bien expliqué en commission comment
peuvent fonctionner les protocoles entre la Justice et la Santé
pour le placement des internés dans des institutions.
Faisons le pari que tout se passera
bien et que les internés seront bien défendus. Il
est évident que des moyens supplémentaires sont
indispensables. Le nombre d’experts est insuffisant à
l’heure actuelle et vous nous avez expliqué les
efforts que vous accomplirez à ce propos. Je reste
toutefois vigilante, car il s’agit d’un secteur où
les besoins sont énormes et où les rémunérations
des experts ne sont pas importantes.
Si le fait d’avoir déposé
le projet est un pas en avant, je crains que l’entrée
en vigueur de la loi soit quelque peu trop rapide pour donner à
ces nouvelles institutions la chance de fonctionner.
Dans ce secteur, procédons à
des évaluations, mais ne nous précipitons pas car,
comme vous le savez, madame la ministre, quand on pénètre
dans les annexes psychiatriques des prisons, on en ressort
bouleversé.
Nous n’adoptons pas dans ce
domaine une attitude majorité/opposition, mais nous nous
préoccupons de soutenir un secteur qui en général
ne retient pas assez les préoccupations des responsables
politiques.
C’est un secteur généralement
abandonné. Les personnes qui y sont ne savent pas se
défendre. Le système doit être conçu
pour la défense des internés, il faudra très
vite l’évaluer. S’il n’y a pas assez
d’experts, il faudra trouver le moyen de les attirer mais
nous ne pouvons laisser ces gens dans nos prisons. Je ne
reviendrai pas sur les critiques de nos annexes psychiatriques
dans le classement publié dans le dernier rapport de
l’Observatoire des prisons. Les conditions d’internement
en Belgique restent inhumaines et indécentes.
|
Mevrouw Clotilde
Nyssens (CDH). – In de commissie hebt u uitgelegd hoe
de regels tussen Justitie en Gezondheid voor de plaatsing van
geïnterneerden in instellingen kunnen worden toegepast.
Laten we ervan
uitgaan dat alles goed zal gaan en dat de geïnterneerden
goed zullen worden verdedigd. Er zullen uiteraard bijkomende
middelen nodig zijn. Momenteel zijn er niet voldoende experts. U
hebt ons uitgelegd welke inspanningen u op dat vlak zult doen. Ik
blijf evenwel waakzaam, want het gaat om een sector met enorme
behoeften, met lage vergoedingen voor de experts.
Het indienen
van een ontwerp is een stap voorwaarts, maar ik vrees dat de wet
een beetje te snel in werking zal treden om deze nieuwe
instellingen de kans te geven om te kunnen functioneren.
We kunnen
evaluaties uitvoeren, maar laat ons niet overhaast te werk gaan.
Zoals u weet, mevrouw de minister, kan binnendringen in de
psychiatrische afdelingen van de gevangenissen tot hevige
beroering leiden.
In dit domein
gaat het niet om de tegenstelling meerderheid/oppositie, maar we
zijn bezorgd om een sector waarvoor de politieke
verantwoordelijken over het algemeen niet genoeg aandacht hebben.
Het is een
sector die meestal aan zijn lot is overgelaten. Deze mensen
kunnen zich niet verdedigen. Het systeem moet ontworpen zijn voor
de verdediging van de geïnterneerden en het moet snel worden
geëvalueerd. Als er niet voldoende experts zijn, moeten er
middelen worden gevonden om ze aan te trekken. We mogen deze
mensen niet in de gevangenissen laten. Ik kom niet terug op de
opmerkingen over onze psychiatrische vleugels in het rapport van
het Observatorium van de gevangenissen. De omstandigheden in de
psychiatrische vleugels van de gevangenissen in België
blijven onmenselijk en onfatsoenlijk.
|
|
Mme Laurette Onkelinx,
vice-première ministre et ministre de la Justice. –
Je voudrais vous dire, ainsi qu’à M. Vandenberghe,
que ce secteur n’a pas été abandonné
sous cette législature. Depuis des années beaucoup
se plaignaient de la situation. J’ai donc pris le problème
à bras-le-corps. Vous devez le reconnaître.
Nous y avons investi. Par exemple,
nous allons rouvrir l’annexe psychiatrique de Lantin.
Nous avons créé des
équipes multidisciplinaires pour s’occuper des
internés dans les prisons, mais nous avons aussi et
surtout construit un circuit de soins hors prison, car je trouve
insupportable que nos prisons qui sont surpeuplées
accueillent des personnes qui n’ont rien à y faire.
On le dit depuis des années, mais pour la première
fois, on a pris des décisions : ces personnes vont
sortir des prisons.
Un nouvel établissement à
Gand, un nouvel établissement à Anvers, une
extension à Paifve, des conventions avec les hôpitaux
privés et publics pour accueillir ceux que l’on
désigne comme des low circuit, c’est-à-dire
ceux qui ne nécessitent pas un travail de surveillance
hors norme, tout cela s’est construit sous cette
législature-ci.
Avec ce projet, nous créons
non seulement des tribunaux d’application des peines pour
les internés, mais en outre nous réglons ce qui
n’était réglé nulle part sauf dans des
circulaires sans base légale : tout le système
de libération, de suivi, de permis de sortie, de
libération conditionnelle. Tout cela n’existait pas.
Les commissions de défense sociale se prononçaient
avec énormément d’humanisme et de bonne
volonté, mais sans cadre pour les soutenir, pour les
aider. Tout cela a été réalisé sous
cette seule législature. Le travail n’est pas
terminé. Les établissements doivent encore sortir
de terre. C’est peu à peu que, très
concrètement, on verra la différence.
Jamais on n’était allé
aussi loin que sous cette législature pour protéger
des personnes qui étaient des oubliés de l’Histoire
dans les établissements pénitentiaires.
|
Mevrouw Laurette
Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. –
Ik wens toch op te merken, ook aan de heer Vandenberghe,
dat de sector tijdens deze legislatuur niet werd verwaarloosd. Al
jarenlang klagen velen de situatie aan. U zal moeten erkennen dat
ik het probleem heb aangepakt.
We hebben
geïnvesteerd. Zo zal de psychiatrische vleugel van de
gevangenis van Lantin worden heropend.
Er werden niet
alleen multidisciplinaire teams samengesteld voor de problemen
van de geïnterneerden in gevangenissen, maar we hebben ook
en vooral een zorgcircuit buiten de gevangenis gecreëerd. Ik
vind het vreselijk dat onze gevangenissen zo overbevolkt zijn en
dat er mensen verblijven die er niets te zoeken hebben. Men zegt
het al jaren, maar voor de eerste keer werd beslist dat deze
mensen de gevangenis zullen verlaten.
Er kwamen
nieuwe instellingen in Gent en Antwerpen en een uitbreiding van
Paifve, er zijn overeenkomsten met privé- en publieke
ziekenhuizen om mensen op te nemen die als low circuit
worden beschouwd, dit wil zeggen degenen die geen bijzondere
bewaking nodig hebben.
Met dit
ontwerp creëren we niet alleen strafuitvoeringsrechtbanken
voor geïnterneerden, maar we regelen bovendien alles wat nog
niet geregeld is, behalve in circulaires zonder wettelijke basis.
Het hele systeem van vrijlating, opvolging, verlof,
voorwaardelijke invrijheidstelling bestond vroeger niet. De
Commissies tot bescherming van de maatschappij namen heel
menselijke beslissingen en met veel goed wil, maar er was geen
kader om die mensen te ondersteunen. Dat werd tijdens deze
regeerperiode allemaal geregeld. Het werk is niet af. De
instellingen moeten nog worden opgericht. Beetje bij beetje
krijgt het geheel vorm, men zal het verschil zien.
Men is nooit
zo ver gegaan als onder deze legislatuur om de ‘vergetenen’
van de Geschiedenis in de gevangenissen te beschermen.
|
|
Mme Clotilde Nyssens (CDH).
– Mon intervention n’est pas un discours
d’opposition. Il est évident cependant que l’étude
commandée, par le ministre De Clerck, sur l’internement
et la défense sociale était particulièrement
intéressante.
Je comprends que la Justice se fasse
aussi avec le temps. Il faut que chacun apporte sa pierre à
l’édifice.
De toute façon, quelles que
soient nos fonctions futures, j’irai visiter les annexes
psychiatriques dans quelques mois.
|
Mevrouw Clotilde
Nyssens (CDH). – Ik houd hier geen oppositiespeech.
Minister De Clerck liet destijds een onderzoek doen naar de
internering en de bescherming van de maatschappij. Dat was
bijzonder interessant.
Justitie moet
evolueren met de tijd. Iedereen moet zijn steentje bijdragen.
Wat ook onze
toekomstige functies zijn, ik zal de psychiatrische vleugels over
enkele maanden bezoeken.
|
|
M. Philippe Mahoux (PS).
– Je voudrais faire quelques réflexions.
Dans le texte, on parle de trouble
mental. Je pense que c’est important. L’internement
est lié désormais à l’existence d’un
trouble mental et ne dépend plus strictement d’une
définition nosologique d’une maladie mentale. C’est
un progrès.
Je me suis enquis de savoir si la
décision d’internement impliquait l’existence
cumulative du trouble mental, de la dangerosité et du
risque de récidive. On m’a confirmé que
c’était bien le cas.
Je voudrais encore dire qu’il
me semble parfaitement cohérent que l’application de
la peine, y compris les modalités de l’internement,
soit du ressort d’un tribunal de l’application des
peines. Il est bien du reste que ces modalités soient
codifiées dans un texte de loi.
Il me semble en effet assez
extraordinaire que nous ayons pu nous référer à
une méthode empirique, même s’il faut saluer
la qualité du travail des commissions.
Nous avons longuement discuté
de l’internalisation et de l’externalisation de
l’expertise psychiatrique. Comme d’autres, je suis
favorable à l’externalisation de l’expertise,
tant pour la décision d’internement qu’au
niveau du tribunal de l’application des peines.
L’externalisation garantit une plus grande indépendance
de l’expert dans son évaluation car ce dernier fait
exclusivement référence à sa compétence
professionnelle. Elle permet aussi au tribunal, après avis
de l’expert, de prendre une décision dont il a la
responsabilité unique.
Un autre point important n’a
pas été souligné jusqu’à
présent alors que nous en avons longuement discuté
en commission. Il s’agit de reconnaître aux victimes
les mêmes droits, en ce qui concerne les mesures
d’internement et leur application, que ceux qui sont en
vigueur en cas de libération conditionnelle, de congé
pénitentiaire, etc. Le droit des victimes qui est reconnu
me paraît très important. Qu’il soit écrit
dans un texte de loi est une avancée.
Comme je l’ai fait en
commission, j’attire l’attention sur le fait que,
dans le suivi de l’internement – je pense notamment
aux sorties –, il faut tenir compte de l’élément
géographique. J’ai souligné qu’en
ce qui concerne l’internement et ses alternatives, il
importait que le tribunal prenne des mesures veillant à
éviter la proximité de la victime avec le condamné
ou l’interné. Je pense que c’est positif. En
effet, pour certains crimes ou délits, cette proximité
représente un traumatisme pour la victime.
|
De heer Philippe
Mahoux (PS). – In de tekst wordt gesproken over een
‘geestesstoornis’. Het is een stap vooruit dat de
internering nu wordt verbonden aan de aanwezigheid van een
geestesstoornis en niet langer strikt afhankelijk is van een
nosologische definitie van een geestesziekte.
Ik heb
nagevraagd of bij de beslissing tot internering zowel rekening
wordt gehouden met de geestesstoornis als met de gevaarlijkheid
of met het risico van recidive. Men heeft me bevestigd dat dit zo
is.
Het lijkt me
volstrekt logisch dat de uitvoering van een straf, en dus ook van
de interneringsvoorwaarden, een bevoegdheid is van een
strafuitvoeringsrechtbank. Het is trouwens goed dat die
voorwaarden worden gecodificeerd.
Het lijkt me
vreemd dat we, hoewel in de commissie hoogstaand werk werd
geleverd, kunnen verwijzen naar een vorm van empirisme.
We hebben
uitvoerig gedebatteerd over de internalisering en de
externalisering van de expertise. Net als anderen ben ik er
voorstander van dat zowel de beslissing tot internering als het
niveau van de strafuitvoeringsrechtbanken wordt geëxternaliseerd.
De externalisering waarborgt een grotere onafhankelijkheid van de
expert bij zijn evaluatie aangezien hij uitsluitend verwijst naar
zijn beroepsbekwaamheid. Ook kan de rechtbank die het advies van
de expert heeft gehoord een beslissing nemen waarvoor zij alleen
de verantwoordelijkheid draagt.
Een ander
belangrijk punt dat in de commissie uitvoerig aan bod is gekomen,
maar waarover vandaag nog niets is gezegd, is dat de slachtoffers
inzake de interneringsmaatregelen en hun uitvoering dezelfde
rechten krijgen als met betrekking tot de voorwaardelijke
invrijheidstelling, het penitentiair verlof enzovoort. De
erkenning van de rechten van de slachtoffers is zeer belangrijk
en het is een stap vooruit dat ze in een wettekst zijn
ingeschreven.
Bij de
opvolging van de internering, bijvoorbeeld bij de verloven, moet
rekening worden gehouden met het geografische element. De
rechtbank moet maatregelen nemen om te vermijden dat de
veroordeelde of de geïnterneerde te dicht in de nabijheid
van het slachtoffer komt. Dat is positief. Die nabijheid kan bij
slachtoffers van sommige misdrijven immers trauma’s
veroorzaken.
|
|
Mme Laurette Onkelinx,
vice-première ministre et ministre de la Justice. –
M. Mahoux a posé une série de questions
importantes et les précisions figurent dans le rapport.
Il a raison de dire que, dans ce
dossier comme dans les autres, nous avons eu pour objectif
d’améliorer la situation des victimes. Cela n’aura
échappé à personne que, sous cette
législature, dans tous les dossiers politiques criminels,
les victimes se sont vu reconnaître une place très
importante. Elles pourront désormais donner leur avis et
être entendues, si elles le désirent, concernant le
statut externe de l’interné.
|
Mevrouw Laurette
Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. –
De heer Mahoux heeft enkele belangrijke opmerkingen
gemaakt.
Net als in
andere dossiers hebben wij als doelstelling de situatie van de
slachtoffers te verbeteren. Iedereen zal hebben gemerkt dat we
gedurende deze regeerperiode de slachtoffers een zeer belangrijke
plaats hebben gegeven. Als ze dat willen, kunnen ze hun advies
geven en worden gehoord met betrekking tot het externe statuut
van de geïnterneerde.
|
|
Mme Jacinta
De Roeck (SP.A-SPIRIT). – J’entends dire ici
que cette loi est prématurée. Lors de la
législature actuelle et de la précédente,
des dizaines de parlementaires ont vu des internés en
visitant des prisons, et en ont conclu qu’une action
urgente s’imposait.
Je suis,
depuis des années, en contact avec l’hôpital
psychiatrique de Rekem, où l’on craignait que la
ministre Onkelinx élabore un projet de loi sans faire
appel à l’expertise et au savoir-faire de cet
hôpital et de ceux de Zelzate et de Bierbeek, mais ceux-ci
ont toujours été consultés. Ils ont pour
ainsi dire contribué à la rédaction du
projet de loi. Et j’entends dire ici que le projet ne
répond pas aux attentes du secteur. Cela dépasse
l’entendement.
Les cabinets
des ministres Onkelinx, Demotte et Van den Bossche ont participé
aux concertations avec le secteur. La critique porte-t-elle sur
le contenu du projet ou sur la couleur du cabinet qui tient enfin
compte des souhaits des Frères de la Charité ?
|
Mevrouw Jacinta De Roeck
(SP.A-SPIRIT). – Er wordt hier gezegd dat deze wet te
snel komt. Tijdens de huidige en de vorige zittingsperiode hebben
tientallen parlementsleden gevangenissen bezocht en
geïnterneerden gezien. Hun besluit was dat dringend iets
moest gedaan worden.
Ik heb al jaren contact met het
psychiatrisch ziekenhuis van Rekem waar men bang was dat minister
Onkelinx een wetsontwerp zou opstellen zonder de expertise en de
knowhow van de ziekenhuizen van Zelzate, Bierbeek en Rekem. Dat
is niet gebeurd: zij werden altijd geconsulteerd. Zij hebben het
wetsontwerp als het ware helpen schrijven. En dan wordt hier
vandaag beweerd dat het ontwerp niet beantwoordt aan wat de
sector vraagt. Dat gaat mijn verstand te boven.
Op de bijeenkomst van de sector
waren de kabinetten van de ministers Onkelinx, Demotte en Van den
Bossche aanwezig. Heeft de kritiek betrekking op de inhoud van
het ontwerp of op de kleur van het kabinet dat eindelijk aan de
wens van de Broeders van Liefde tegemoetkomt?
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Mon collègue
De Clerck et moi-même avons déposé des
propositions de loi sous cette législature et sous la
précédente pour améliorer le statut des
internés. Elles ont été mises à
l’ordre du jour d’une réunion de la commission
de la Justice, mais le représentant du gouvernement a
alors déclaré qu’elles ne pourraient plus
être traitées sous cette législature.
La question
est revenue à l’avant-plan à la suite
d’événements tragiques. Le gouvernement a dès
lors réactivé le dossier.
Nombreux sont
les groupes préoccupés par le sort des internés.
Je trouve déplacé que certains veuillent
aujourd’hui s’en attribuer le monopole.
Le
gouvernement annonce ce que nous demandons déjà
depuis des années, à savoir que les internés
sortent des prisons. Lors d’une récente réunion
avec M. Hirsch Ballin, ministre néerlandais de
la Justice, j’ai appris qu’aux Pays-Bas, la capacité
pénitentiaire et d’internement était revue
tous les trois mois. En cas de problème, les
investissements nécessaires sont réalisés
d’urgence, de sorte qu’à l’heure
actuelle, après des années de pénurie, les
places sont trop nombreuses.
Je ne conteste
pas la pertinence de la décision du gouvernement. Je la
compare seulement avec la situation aux Pays-Bas, où le
ministre de la Justice a réussi en quelques années
à améliorer la capacité pénitentiaire
et d’internement.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Ik heb zowel in de vorige
als in de huidige zittingsperiode, samen met collega De Clerck,
wetsvoorstellen ingediend om het statuut van de geïnterneerden
te verbeteren. Toen ze geagendeerd waren op een vergadering van
de commissie voor de Justitie, verklaarde de vertegenwoordiger
van de regering dat ze niet meer tijdens deze zittingsperiode
konden worden behandeld.
De kwestie werd opnieuw actueel naar
aanleiding van tragische gebeurtenissen. De regering heeft het
dossier dan opnieuw geactiveerd.
De bezorgdheid over de
geïnterneerden leeft in vele fracties. Ik vind het
misplaatst dat sommigen zich vandaag het monopolie daarvan willen
toe-eigenen.
De regering kondigt aan wat wij al
jaren vragen, namelijk dat geïnterneerden uit de gevangenis
worden verwijderd. Op een vergadering met de heer Hirsch Ballin,
de Nederlandse minister van Justitie, vorige zaterdag vernam ik
dat in Nederland de cellen- en interneringscapaciteit
driemaandelijks wordt gepland. Als zich een probleem voordoet,
worden bij urgentie de nodige investeringen gedaan, zodat er na
jaren van cellentekort vandaag een overaanbod is.
Ik betwist de juistheid van de
beslissing van de regering niet. Ik vergelijk ze alleen met
Nederland, waar de minister van Justitie het cellentekort en de
plaatsing van geïnterneerden in enkele jaren tijd in een
positieve richting wist te sturen. Dat is mijn kritiek aan het
adres van de regering.
|
|
Mme Laurette Onkelinx,
vice-première ministre et ministre de la Justice. –
Je constate que le CD&V est très attaché au
modèle utilisé aux Pays-Bas, modèle qui a
souvent été cité en exemple. Je vous invite
à prendre un peu plus de recul. Nous n’avons rien à
envier au système hollandais.
|
Mevrouw Laurette
Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. –
Blijkbaar is de CD&V sterk aan het Nederlandse model gehecht.
Ze zouden beter wat afstand nemen want ons systeem moet niet
onderdoen voor dat van Nederland.
|
|
M. Hugo
Coveliers (Indépendant). – Je ne connais la
problématique des internés que parce que je défends
ces personnes. Cependant, j’entends constamment parler du
« secteur ». Quelqu’un peut-il me
dire quelles sont les personnes qui font partie de ce
« secteur » ? Selon moi, il s’agit
surtout des internés eux-mêmes.
|
De heer Hugo Coveliers
(Onafhankelijke). – Ik ken de problematiek van de
geïnterneerden natuurlijk alleen door geïnterneerden te
verdedigen. Ik hoor hier echter constant praten over ‘de
sector’. Kan iemand mij zeggen welke personen deel uitmaken
van die ‘sector’? Voor mij gaat het vooral om de
geïnterneerden zelf.
|
|
Mme Jacinta
De Roeck (SP.A-SPIRIT). – C’est un camouflet
pour tous ceux qui chaque jour s’occupent
professionnellement de cette catégorie de patients
psychiatriques, ceux qui ont réalisé des études
et ont acquis un savoir-faire. Leur opinion doit davantage
compter pour nous que celle des personnes qui défendent de
temps en temps un interné. Je trouve mesquin de la part de
M. Coveliers de mettre la compétence de ces gens en
doute.
|
Mevrouw Jacinta De Roeck
(SP.A-SPIRIT). – Dit is een kaakslag voor alle mensen
die elke dag professioneel bezig zijn met die categorie van
psychiatrische patiënten en die studies hebben gedaan en
knowhow hebben opgebouwd. Met hun mening moeten we meer rekening
houden dan met diegenen die af en toe een gedetineerde juridisch
verdedigen. Het is zeer laag dat de heer Coveliers de
bekwaamheid van die mensen in twijfel trekt.
|
|
M. Hugo
Coveliers (Indépendant). – C’est une
réaction typiquement socialiste de voir des critiques dans
chaque question. Je n’ai fait que poser une question. Une
réaction aussi acerbe n’était nullement
nécessaire. Je sais maintenant que par « le
secteur », on doit entendre tout le monde sauf ceux
qui s’occupent des internés sur le plan juridique.
|
De heer Hugo Coveliers
(Onafhankelijke). – Mevrouw De Roeck zegt dat ik
de bekwaamheid van die mensen in twijfel trek. Het is een typisch
socialistische reactie om in elke vraag kritiek te ontwaren. Ik
heb alleen maar een vraag gesteld. Een dergelijke ‘kattige’
reactie was nergens voor nodig. Ik weet nu dat onder ‘de
sector’ iedereen moet worden verstaan, behalve wie er zich
juridisch mee bezighoudt.
|
|
Mme Laurette Onkelinx,
vice-première ministre et ministre de la Justice. –
Tous les professionnels qui ont réfléchi ensemble à
une réforme de l’internement au sein de la
commission Delva, savent qui est le « secteur ».
|
Mevrouw Laurette
Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. –
Alle beroepsmensen die in de commissie Delva samen over een
hervorming van de internering hebben nagedacht, weten wat de
‘sector’ is.
|
|
– La discussion générale
est close.
|
– De algemene bespreking is
gesloten.
|
|
Discussion
des articles
|
Artikelsgewijze
bespreking
|
|
(Pour le texte corrigé par
la commission de la Justice, voir document 3-2094/4.)
|
(Voor de tekst verbeterd door de
commissie voor de Justitie, zie stuk 3-2094/4.)
|
|
Mme la présidente.
– L’article 3 est ainsi libellé :
|
De voorzitter. –
Artikel 3 luidt:
|
|
Au sens de la présente loi,
on entend par :
|
Voor de toepassing van deze wet
wordt verstaan onder:
|
|
1º le ministre : le
ministre de la Justice ;
|
1º de minister: de minister van
Justitie;
|
|
2º le directeur :
|
2º de directeur:
|
– le fonctionnaire chargé
de la gestion locale d’une prison ou de la gestion locale
d’un établissement ou d’une section de
défense sociale, organisé par l’autorité
fédérale ;
|
– de ambtenaar die belast is
met het lokaal bestuur van een gevangenis of van een door de
federale overheid georganiseerde inrichting of afdeling tot
bescherming van de maatschappij;
|
– le responsable ou la
personne désignée par celui-ci d’un
établissement organisé par une institution privée,
une communauté ou une région, ou par une autorité
locale qui satisfait aux conditions de sécurité
requises est en mesure de dispenser les soins appropriés ;
|
– de verantwoordelijke of de
door de verantwoordelijke aangewezen persoon van een inrichting
die georganiseerd is door een privé-instelling, een
gemeenschap of een gewest, of door een lokale overheid die
voldoet aan de gestelde voorwaarden inzake veiligheid en in
staat is de gepaste zorgen te verstrekken;
|
|
3º l’établissement :
|
3º de inrichting:
|
|
|
|
– l’établissement
ou la section de défense sociale, organisé par
l’autorité fédérale ;
|
– de door de federale
overheid georganiseerde inrichting of afdeling tot bescherming
van de maatschappij;
|
– l’établissement
organisé par une institution privée, une
communauté ou une région, ou par une autorité
locale qui satisfait aux conditions de sécurité à
déterminer par arrêté royal délibéré
en Conseil des ministres et qui est en mesure de dispenser les
soins appropriés ;
|
– de inrichting die is
georganiseerd door een privé-instelling, een gemeenschap
of een gewest of door een lokale overheid, die voldoet aan de
voorwaarden inzake veiligheid te bepalen door een koninklijk
besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en die in
staat is de gepaste zorgen te verstrekken;
|
|
4º le juge de l’application
des peines : le président du tribunal de
l’application des peines ;
|
4º de strafuitvoeringsrechter:
de voorzitter van de strafuitvoeringsrechtbank;
|
|
5º le ministère public :
le ministère public près le tribunal de
l’application des peines ;
|
5º het openbaar ministerie: het
openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank;
|
|
6º la victime : les
catégories suivantes de personnes qui, en cas d’octroi
d’une modalité d’internement, peuvent demander
à être informées et/ou entendues, dans les
cas prévus par la présente loi, selon les règles
prévues par le Roi :
|
6º het slachtoffer: de volgende
categorieën van personen die bij de toekenning van een
modaliteit van internering kunnen vragen om te worden
geïnformeerd en/of te worden gehoord in de door deze wet
bepaalde gevallen, volgens de door de Koning bepaalde regels:
|
|
a) la personne physique dont
l’action civile est déclarée recevable et
fondée ;
|
a) de natuurlijke persoon wiens
burgerlijke vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
|
|
b) la personne qui était
mineure, mineure prolongée ou interdite au moment des
faits et pour laquelle le représentant légal ne
s’est pas constitué partie civile ;
|
b) de persoon die minderjarig,
verlengd minderjarig of onbekwaam was op het ogenblik van de
feiten en voor wie de wettelijke vertegenwoordiger zich geen
burgerlijke partij heeft gesteld;
|
|
c) la personne physique qui n’a
pas pu se constituer partie civile par suite d’une
situation d’impossibilité matérielle ou de
vulnérabilité ;
|
c) de natuurlijke persoon die zich
wegens een toestand van materiële onmogelijkheid of
kwetsbaarheid geen burgerlijke partij heeft kunnen stellen;
|
|
d) la personne physique qui
manifeste son souhait d’être entendue en tant que
victime après que l’internement a été
ordonné par une juridiction d’instruction.
|
d) de natuurlijke persoon die nadat
de internering werd bevolen door een onderzoeksgerecht zijn wens
om als slachtoffer te worden gehoord kenbaar maakt.
|
|
À l’égard des
catégories visées à l’alinéa
1er, 6, b), c) et d), le juge de l’application
des peines apprécie, à leur demande, conformément
aux dispositions du titre II, si elles ont un intérêt
direct et légitime.
|
Ten aanzien van de in het eerste
lid, 6º, b), c) en d), genoemde categorieën, oordeelt
de strafuitvoeringsrechter op hun verzoek, overeenkomstig de
bepalingen van titel II, of ze een direct en legitiem belang
hebben.
|
|
À cet article, Mme Nyssens
propose l’amendement nº 1 (voir document
3-2094/2) ainsi libellé :
|
Op dit artikel heeft mevrouw Nyssens
amendement 1 ingediend (zie stuk 3-2094/2) dat luidt:
|
|
Insérer dans cette article un
4ºbis rédigé comme suit :
|
In dit artikel een 4ºbis
invoegen, luidend:
|
|
« 4ºbis.
Le tribunal d’application des peines : les chambres
telles que visées à l’article 5 de la
loi du 17 mai 2006 instaurant des tribunaux
d’application des peines, composées d’un juge
qui préside, et de deux assesseurs en application de
mesures de sûreté, l’un spécialisé
en traitement des personnes atteintes d’un trouble mental
et l’autre spécialisé en réinsertion
sociales.
|
“4ºbis. De
strafuitvoeringsrechtbank: de kamers als bedoeld in artikel 5
van de wet van 17 mei 2006 houdende oprichting van
strafuitvoeringsrechtbanken, bestaande uit een rechter, die het
voorzitterschap ervan bekleedt, en twee assessoren in zaken van
uitvoering van veiligheidsmaatregelen, de ene gespecialiseerd in
de behandeling van personen die lijden aan een geestesstoornis en
de andere gespecialiseerd in de sociale reïntegratie.
|
|
Le Roi définit les
conditions d’accès à la fonction d’assesseur
spécialisé en traitement des personnes atteintes
d’un trouble mental ».
|
De Koning stelt de voorwaarden
vast inzake de toegang tot het ambt van assessor gespecialiseerd
in de behandeling van personen die lijden aan een
geestesstoornis.”
|
|
L’article 6 est ainsi
libellé :
|
Artikel 6 luidt:
|
|
§1er. Lorsqu’il
existe des raisons de croire qu’une personne incarcérée
en vertu de la loi du 20 juillet 1990 relative à
la détention préventive se trouve dans un état
visé à l’article 8, le juge
d’instruction et les juridictions d’instruction ou de
jugement peuvent ordonner qu’elle fasse l’objet d’une
expertise psychiatrique avec mise en observation.
|
§1. Wanneer er redenen bestaan
om aan te nemen dat een persoon die overeenkomstig de wet van
20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis is
opgesloten, zich bevindt in een in artikel 8 bedoelde
toestand, kunnen de onderzoeksrechter en de onderzoeks- of
vonnisgerechten bevelen dat hij wordt onderworpen aan een
psychiatrisch deskundigenonderzoek met opneming ter observatie.
|
|
Dans ce cas, ils désignent la
section psychiatrique de la prison dans laquelle l’inculpé
doit être transféré pour mise en observation.
|
In dat geval wijzen ze de
psychiatrische afdeling van de gevangenis aan, waarnaar de
verdachte ter observatie moet worden overgebracht.
|
|
§2. Durant la mise en
observation, qui ne peut excéder quatre mois, l’inculpé
reste détenu sur la base des dispositions de la loi du
20 juillet 1990 relative à la détention
préventive.
|
§2. Tijdens de
inobservatiestelling, die vier maanden niet te boven mag gaan,
blijft de verdachte in hechtenis op grond van de bepalingen van
de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige
hechtenis.
|
|
§3. À l’issue de
la période d’observation, c’est-à-dire
soit à l’expiration du délai visé au
§2, soit lorsque cette période prend fin par décision
de l’autorité qui a ordonné la mise en
observation, l’inculpé réintègre une
prison et reste détenu en vertu du mandat d’arrêt,
sauf si son internement avec incarcération immédiate
est ordonné conformément à l’article 9.
|
§3. Na afloop van de
observatieperiode, namelijk hetzij na het verstrijken van de in
§2 bedoelde termijn, hetzij wanneer de periode ten einde
loopt krachtens een beslissing van de overheid die de opneming
ter observatie heeft bevolen, wordt de verdachte opnieuw
geplaatst in een gevangenis en blijft hij in hechtenis op grond
van het bevel tot aanhouding, tenzij de internering met
onmiddellijke opsluiting wordt bevolen overeenkomstig artikel 9.
|
|
La mise en observation prend fin en
cas de levée du mandat d’arrêt.
|
De inobservatiestelling wordt
beëindigd in geval van opheffing van het bevel tot
aanhouding.
|
|
À cet article,
M. Hugo Vandenberghe propose l’amendement nº 2
(voir document 3-2094/2) ainsi libellé :
|
Op dit artikel heeft
de heer Hugo Vandenberghe amendement 2
ingediend (zie stuk 3-2094/2) dat luidt:
|
|
Remplacer l’alinéa 2 du
§1er de l’article proposé par la
disposition suivante :
|
Het tweede lid van de eerste
paragraaf van het voorgestelde artikel vervangen door de volgende
tekst:
|
|
« Dans ce cas,
l’inculpé est transféré, pour mise en
observation, au Centre pénitentiaire de recherche et
d’observation clinique. »
|
“De verdachte wordt in dat
geval ter observatie overgebracht naar het Penitentiair
Onderzoeks- en Klinisch Observatiecentrum.”
|
|
L’article 17 est ainsi
libellé :
|
Artikel 17 luidt:
|
|
Le placement est la décision
par laquelle le tribunal de l’application des peines
désigne l’établissement dans lequel
l’internement sera exécuté.
|
De plaatsing is de beslissing van de
strafuitvoeringsrechtbank tot aanwijzing van de inrichting waar
de internering ten uitvoer zal worden gelegd.
|
|
Le transfèrement est la
décision par laquelle le tribunal de l’application
des peines ou, dans les cas urgents, le juge de l’application
des peines désigne l’établissement dans
lequel l’interné doit être transféré.
|
De overplaatsing is de beslissing
van de strafuitvoeringsrechtbank of, in dringende gevallen, van
de strafuitvoeringsrechter tot aanwijzing van de inrichting
waarnaar de geïnterneerde dient te worden overgebracht.
|
|
L’établissement est
choisi soit parmi les établissements ou sections de
défense sociale organisés par l’autorité
fédérale, soit parmi des établissements
organisés par des institutions privées, les
communautés ou les régions, ou par les autorités
locales qui satisfont aux conditions de sécurité
requises et sont en mesure de dispenser les soins appropriés.
|
De inrichting wordt gekozen hetzij
uit de door de federale overheid georganiseerde inrichtingen of
afdelingen tot bescherming van de maatschappij, hetzij uit
inrichtingen die zijn georganiseerd door privé-instellingen,
de gemeenschappen of de gewesten, of door de lokale overheden die
voldoen aan de gestelde voorwaarden inzake veiligheid en in staat
zijn de gepaste zorgen te verstrekken.
|
|
À cet article,
M. Hugo Vandenberghe propose l’amendement nº 3
(voir document 3-2094/2) ainsi libellé :
|
Op dit artikel heeft
de heer Hugo Vandenberghe amendement 3
ingediend (zie stuk 3-2094/2) dat luidt:
|
|
Ajouter à l’article 17
proposé un alinéa 4 et un alinéa 5
(nouveaux), rédigés comme suit :
|
Aan het voorgestelde artikel 17
een nieuw vierde en vijfde lid toevoegen, luidende:
|
|
« Si un établissement
organisé par une institution privée est choisi, le
directeur de cette institution peut refuser le placement ou le
transfèrement par décision motivée.
|
“Indien wordt gekozen voor
een inrichting die is georganiseerd door een privé-instelling,
kan de plaatsing of overplaatsing door de directeur van deze
instelling geweigerd worden bij een met redenen omklede
beslissing.
|
|
Dans le cas d’un tel refus,
le dossier est à nouveau soumis dans les 3 jours ouvrables
au tribunal d’application des peines ou, en cas d’urgence,
dans les 24 heures au juge d’application des peines, qui
désigne un autre établissement. »
|
In geval van een dergelijke
weigering wordt het dossier binnen de 3 werkdagen opnieuw voor de
strafuitvoeringsrechtbank of, in dringende gevallen, binnen de 24
uur opnieuw voor de strafuitvoeringsrechter gebracht, die een
andere inrichting aanwijst.”
|
|
L’article 25 est ainsi
libellé :
|
Artikel 25 luidt:
|
|
La libération à
l’essai ne peut être accordée qu’à
l’interné qui a déjà bénéficié
d’une des modalités visées aux articles 18,
19, 21 ou 22.
|
De invrijheidstelling op proef kan
slechts worden toegekend aan de geïnterneerde die reeds één
van de in de artikelen 18, 19, 21 of 22 bedoelde
modaliteiten heeft genoten.
|
|
À cet article,
M. Hugo Vandenberghe propose l’amendement nº 4
(voir document 3-2094/2) ainsi libellé :
|
Op dit artikel heeft
de heer Hugo Vandenberghe amendement 4
ingediend (zie stuk 3-2094/2) dat luidt:
|
|
Supprimer cet article.
|
Dit artikel doen vervallen.
|
|
L’article 47 est ainsi
libellé :
|
Artikel 47 luidt:
|
|
Si le tribunal de l’application
des peines prend une décision de transfèrement, il
détermine dans quel établissement l’interné
doit être transféré. Cet établissement
est choisi, soit parmi des établissements ou sections de
défense sociale organisés par l’autorité
fédérale, soit parmi des établissements
organisés par des institutions privées, les
communautés ou les régions, ou par les autorités
locales qui satisfont aux conditions de sécurité
requises et sont en mesure de dispenser les soins appropriés.
|
Indien de strafuitvoeringsrechtbank
een beslissing tot overplaatsing neemt, bepaalt zij naar welke
inrichting de geïnterneerde dient te worden overgebracht.
Deze inrichting wordt gekozen uit hetzij inrichtingen of
afdelingen tot bescherming van de maatschappij georganiseerd door
de federale overheid, hetzij uit inrichtingen georganiseerd door
privé-instellingen, door de gemeenschappen, door de
gewesten of door de lokale overheden, die voldoen aan de vereiste
veiligheidsmaatregelen en die in staat zijn de gepaste zorgen te
verstrekken.
|
|
À cet article,
M. Hugo Vandenberghe propose l’amendement nº 5
(voir document 3-2094/2) ainsi libellé :
|
Op dit artikel heeft
de heer Hugo Vandenberghe amendement 5
ingediend (zie stuk 3-2094/2) dat luidt:
|
|
Ajouter à l’article 47
proposé un alinéa 2 et un alinéa 3
(nouveaux), rédigés comme suit :
|
Aan het voorgestelde artikel 47
een nieuw tweede en derde lid toevoegen luidende:
|
|
« Si un établissement
organisé par une institution privée est choisi, le
directeur de cette institution peut refuser le placement ou le
transfèrement par décision motivée.
|
“Indien wordt gekozen voor
een inrichting die is georganiseerd door een privé-instelling,
kan de plaatsing of overplaatsing door de directeur van deze
instelling geweigerd worden bij een met redenen omklede
beslissing.
|
|
Dans le cas d’un tel refus,
le dossier est à nouveau soumis dans les 3 jours ouvrables
au tribunal d’application des peines ou, en cas d’urgence,
dans les 24 heures au juge d’application des peines, qui
désigne un autre établissement. »
|
In geval van een dergelijke
weigering wordt het dossier binnen de 3 werkdagen opnieuw voor de
strafuitvoeringsrechtbank of, in dringende gevallen, binnen de 24
uur opnieuw voor de strafuitvoeringsrechter gebracht, die een
andere inrichting aanwijst.”
|
|
L’article 58 est ainsi
libellé :
|
Artikel 58 luidt:
|
|
§1er. S’il se
produit, après la décision d’octroi d’une
modalité prévue au chapitre Ier par le
tribunal de l’application des peines, mais avant son
exécution, une situation incompatible avec les conditions
fixées dans cette décision, le tribunal de
l’application des peines peut, sur réquisition du
ministère public, prendre une nouvelle décision, en
ce compris le retrait de la modalité qui avait été
accordée.
|
§1. Indien zich, nadat de
beslissing tot toekenning van een in hoofdstuk I vermelde
modaliteit door de strafuitvoeringsrechtbank is genomen, maar
voor de uitvoering ervan, een situatie voordoet die onverenigbaar
is met de voorwaarden die in deze beslissing zijn bepaald, kan de
strafuitvoeringsrechtbank, op vordering van het openbaar
ministerie, een nieuwe beslissing nemen, met inbegrip van de
intrekking van de modaliteit die werd toegekend.
|
|
§2. L’interné et
son conseil sont convoqués par pli judiciaire à
comparaître devant le tribunal de l’application des
peines dans les sept jours qui suivent la constatation de
l’incompatibilité. La convocation par pli judiciaire
suspend l’exécution de la décision d’octroi
de la modalité en question.
|
§2. De geïnterneerde en
zijn raadsman worden bij gerechtsbrief opgeroepen om binnen zeven
dagen na de vaststelling van de onverenigbaarheid te verschijnen
voor de strafuitvoeringsrechtbank. De oproeping bij gerechtsbrief
schorst de tenuitvoerlegging van de beslissing tot toekenning van
de desbetreffende modaliteit.
|
|
Le directeur et la victime sont
informés par pli judiciaire des lieu, jour et heure de
l’audience.
|
De directeur en het slachtoffer
worden bij gerechtsbrief in kennis gesteld van de dag, het uur en
de plaats van de zitting.
|
|
§3. Le dossier est tenu,
pendant au moins deux jours avant la date fixée pour
l’audience, à la disposition de l’interné
et de son conseil pour consultation au greffe du tribunal de
l’application des peines ou, si l’interné
séjourne dans un établissement, au greffe ou au
secrétariat de l’établissement.
|
§3. Het dossier wordt gedurende
ten minste twee dagen vóór de datum waarop de
zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de
geïnterneerde en zijn raadsman op de griffie van de
strafuitvoeringsrechtbank of, indien de geïnterneerde in een
inrichting verblijft, op de griffie of het secretariaat van de
inrichting.
|
|
L’interné peut, à
sa demande, obtenir une copie du dossier.
|
De geïnterneerde kan, op zijn
verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
|
|
Le juge de l’application des
peines peut, sur avis du psychiatre de l’établissement,
refuser à l’interné l’accès à
son dossier si manifestement cet accès peut nuire
gravement à la santé de celui-ci.
|
Op advies van de psychiater van de
inrichting kan de strafuitvoeringsrechter de geïnterneerde
inzage van zijn dossier ontzeggen wanneer die inzage een
klaarblijkelijk ernstig nadeel voor zijn gezondheid kan
meebrengen.
|
|
§4. L’audience se déroule
à huis clos.
|
§4. De zitting vindt plaats met
gesloten deuren.
|
|
Le tribunal de l’application
des peines entend l’interné et son conseil, le
ministère public et le directeur.
|
De strafuitvoeringsrechtbank hoort
de geïnterneerde en zijn raadsman, het openbaar ministerie
en de directeur.
|
|
L’interné comparaît
en personne. Il est représenté par son conseil si
des questions médicopsychiatriques sont posées en
rapport avec son état et qu’il est particulièrement
préjudiciable de les examiner en sa présence.
|
De geïnterneerde verschijnt
persoonlijk. Hij wordt door zijn raadsman vertegenwoordigd indien
medisch-psychiatrische vragen in verband met zijn toestand
gesteld worden en het bijzonder schadelijk is om deze in zijn
aanwezigheid te behandelen.
|
|
La victime est entendue sur les
conditions particulières imposées dans son intérêt.
|
Het slachtoffer wordt gehoord over
de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden
opgelegd.
|
|
La victime peut se faire représenter
ou assister par un conseil et peut se faire assister par le
délégué d’un organisme public ou d’une
association agréée à cette fin par le Roi.
|
Het slachtoffer kan zich laten
vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten
bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een
door de Koning hiertoe erkende vereniging.
|
|
Le tribunal de l’application
des peines rend sa décision dans les sept jours de la mise
en délibéré.
|
De strafuitvoeringsrechtbank beslist
binnen zeven dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
|
|
L’article 56 est
d’application.
|
Artikel 56 is van toepassing.
|
|
À cet article,
M. Hugo Vandenberghe propose l’amendement nº 16
(voir document 3-2094/2) ainsi libellé :
|
Op dit artikel heeft
de heer Hugo Vandenberghe amendement 16
ingediend (zie stuk 3-2094/2) dat luidt:
|
|
Dans le texte néerlandais de
l’alinéa 4 du §4 de cet article, supprimer le
mot « moeten ».
|
In de Nederlandse tekst van het
vierde lid van §4 van dit artikel het woord “moeten”
doen vervallen.
|
|
L’article 59 est ainsi
libellé :
|
Artikel 59 luidt:
|
|
§1er. Le
transfèrement est octroyé en cas d’urgence
par le juge de l’application des peines, à la
demande de l’interné ou de son conseil ou du
directeur de l’établissement où l’interné
a été placé.
|
§1. De overplaatsing wordt in
dringende gevallen toegekend door de strafuitvoeringsrechter, op
verzoek van de geïnterneerde of zijn raadsman of van de
directeur van de inrichting waar de geïnterneerde is
geplaatst.
|
|
§2. La demande est introduite
auprès du greffe du tribunal de l’application des
peines ou du greffe ou du secrétariat de l’établissement.
|
§2. Het verzoek wordt ingediend
op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of op de griffie
of het secretariaat van de inrichting.
|
|
Le cas échéant, le
greffe ou le secrétariat de l’établissement
transmet la demande dans les vingt-quatre heures au greffe du
tribunal de l’application des peines.
|
In voorkomend geval zendt de griffie
of het secretariaat van de inrichting het verzoek binnen
vierentwintig uur over aan de griffie van de
strafuitvoeringsrechtbank.
|
|
Le ministère public rédige
sans délai un avis motivé, qu’il transmet au
juge de l’application des peines.
|
Het openbaar ministerie stelt
onverwijld een met redenen omkleed advies op en zendt dit over
aan de strafuitvoeringsrechter.
|
|
§3. Le juge de l’application
des peines prend une décision provisoire dans les sept
jours de la réception de la demande au greffe du tribunal
de l’application des peines.
|
§3. Binnen zeven dagen na de
ontvangst van het verzoek op de griffie van de
strafuitvoeringsrechtbank neemt de strafuitvoeringsrechter een
voorlopige beslissing.
|
|
Ce jugement est notifié dans
les vingt-quatre heures, par pli judiciaire, à l’interné
et à son conseil et porté par écrit à
la connaissance du ministère public et du directeur.
|
Dit vonnis wordt binnen
vierentwintig uur bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de
geïnterneerde en zijn raadsman en schriftelijk ter kennis
gebracht van het openbaar ministerie en van de directeur.
|
|
§4. Le tribunal de
l’application des peines prend, conformément aux
articles 26, 27, 28, 29 et 30, une décision
définitive concernant la demande de transfèrement à
la première audience utile qui suit.
|
§4. De
strafuitvoeringsrechtbank neemt, overeenkomstig de artikelen 26,
27, 28, 29 en 30, een definitieve beslissing aangaande het
verzoek tot overbrenging op de eerstvolgende nuttige zitting.
|
|
À cet article,
M. Hugo Vandenberghe propose l’amendement nº 6
(voir document 3-2094/2) ainsi libellé :
|
Op dit artikel heeft
de heer Hugo Vandenberghe amendement 6
ingediend (zie stuk 3-2094/2) dat luidt:
|
|
Au §3 de l’article
proposé, remplacer les mots « dans les sept
jours » par les mots « dans les
vingt-quatre heures ».
|
In §3 van het voorgestelde
artikel de woorden “Binnen zeven dagen” vervangen
door de woorden “Binnen de 24 uur”.
|
|
M. Hugo Vandenberghe
propose l’amendement nº 6 (voir document
3-2094/2) ainsi libellé :
|
De heer Hugo Vandenberghe
heeft amendement 6 ingediend (zie stuk 3-2094/2) dat luidt:
|
|
Insérer un art. 126bis
(nouveau), libellé comme suit :
|
Een nieuw artikel 126bis
invoegen luidend als volgt:
|
|
« À
l’article 78, dernier alinéa, du Code
judiciaire, inséré par la loi du 17 mai 2006,
les mots “Ce dernier est remplacé par un assesseur
psychiatre lorsqu’elles doivent statuer sur un
internement.”
sont insérés après les mots “réinsertion
sociale.”. ».
|
“In artikel 78 van het
Gerechtelijk Wetboek laatste lid, ingevoegd bij wet van
17 mei 2006 na de woorden ‘sociale integratie.’
toevoegen de woorden ‘Wanneer zij dienen te oordelen over
interneringen wordt deze laatste vervangen door een
assessor-psychiater.’.”.
|
|
L’article 157 est ainsi
libellé :
|
Artikel 157 luidt:
|
|
À l’exception du
présent article, qui entre en vigueur le jour de la
publication de la présente loi au Moniteur belge, chacun
des articles de la présente loi entre en vigueur à
la date fixée par le Roi, et au plus tard le premier jour
du dix-huitième mois qui suit celui au cours duquel la
présente loi aura été publiée au
Moniteur belge.
|
Met uitzondering van dit artikel,
dat in werking treedt de dag waarop deze wet in het Belgisch
Staatsblad wordt bekendgemaakt, treedt deze wet in werking op de
dag die de Koning voor elk artikel van de wet bepaalt, en
uiterlijk op de eerste dag van de achttiende maand na die waarin
deze wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
|
|
À cet article,
M. Hugo Vandenberghe propose l’amendement nº 8
(voir document 3-2094/2) ainsi libellé :
|
Op dit artikel heeft
de heer Hugo Vandenberghe amendement 8
ingediend (zie stuk 3-2094/2) dat luidt:
|
|
À cet article, remplacer les
mots « chacun des articles de la présente loi
entre en vigueur à la date fixée par le Roi, et au
plus tard le premier jour du dix-huitième mois qui suit
celui au cours duquel la présente loi aura été
publiée au Moniteur belge » par les mots « la
présente loi entre en vigueur le 1er décembre 2008 ».
|
In dit artikel de woorden “op
de dag die de Koning voor elk artikel van de wet bepaalt en
uiterlijk op de eerste dag van de achttiende maand na die waarop
de wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad”
vervangen door de woorden “op 1 december 2008”.
|
|
– Le vote sur les
amendements et sur les articles auxquels ils se rapportent est
réservé.
|
– De stemming over de
amendementen en over de artikelen waarop zij betrekking hebben
wordt aangehouden.
|
|
– Il sera procédé
ultérieurement aux votes réservés ainsi
qu’au vote sur l’ensemble du projet de loi.
|
– De aangehouden stemmingen
en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later
plaats.
|
|
Proposition
de résolution sur l’annulation de la dette des pays
les moins avancés (de Mme Olga Zrihen et M. Pierre
Galand, Doc. 3-1507)
|
Voorstel
van resolutie betreffende de kwijtschelding van de schulden van
de minst ontwikkelde landen (van mevrouw Olga Zrihen en
de heer Pierre Galand, Stuk 3-1507)
|
|
Discussion
(Pour le texte adopté par
la commission des Relations extérieures et de la Défense,
voir document 3-1507/6.)
|
Bespreking
(Voor de tekst aangenomen door de
commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de
Landsverdediging zie stuk 3-1507/6.)
|
|
Mme la présidente.
– Mme de Bethune se réfère à son
rapport écrit.
|
De voorzitter. –
Mevrouw de Bethune verwijst naar haar schriftelijk verslag.
|
|
Mme Olga Zrihen (PS). –
Il n’est désormais plus possible de parler du
développement des pays du Sud sans parler du problème
que représente leur dette. Si la dette des pays pauvres
n’est pas la cause de leur difficulté, elle
constitue cependant un frein majeur à leur développement.
Pour rappel, cela fait maintenant
près de vingt-cinq ans que des dizaines de pays pauvres
sont confrontés à un endettement difficilement
soutenable. La flambée des taux d’intérêts
et la chute du prix des matières premières au début
des années ’80 ont plongé dans les pires
difficultés des pays qui avaient souscrit des emprunts à
des conditions très avantageuses.
Pendant des années, des pays
créditeurs ont proposé – via le G7 ou le G8,
le Fonds monétaire international ou le Club de Paris –,
de nombreux plans d’échelonnement des créances
et de gestion de la dette. Mais ces mesures n’apportaient
qu’un soulagement temporaire aux pays endettés.
Elles ne réglaient pas la question de façon
structurelle. C’est pourquoi l’idée d’annuler
purement et simplement ces créances s’est mise à
germer.
Il a fallu du temps pour que la
présente proposition prenne forme. Elle a d’abord
suscité de nombreuses réticences. Certains y
voyaient un chèque en blanc, une prime au surendettement
et à la mauvaise gouvernance, tandis que les pays du Sud
craignaient, s’ils y recouraient, de perdre toute
crédibilité face aux organismes financiers. Mais il
est finalement apparu que le problème de la dette ne
pourrait être réglé sans avoir recours à
l’annulation.
Je voudrais rendre ici hommage aux
très nombreuses ONG qui pendant des années, ont
œuvré pour plus de justice en la matière, que
ce soit par leur travail de lobbying, de vulgarisation, par la
production massive d’études et de documentation :
sans elles, nous ne serions certainement pas en train de débattre
de ce sujet aujourd’hui.
Je profite de la tribune qui m’est
offerte pour les féliciter et les remercier de tout cœur.
Aujourd’hui, l’annulation
de la dette figure en bonne place dans les Objectifs du
Millénaire. Les États membres de l’ONU se
sont engagés à « convenir d’annuler
toutes les dettes publiques bilatérales contractées
par ces pays s’ils démontrent en contrepartie leur
volonté de lutter contre la pauvreté ».
Les initiatives à l’égard des pays pauvres
très endettés et des pays les moins avancés
se multiplient. Ces démarches restent largement
insuffisantes mais elles témoignent d’une prise de
conscience croissante au sein des cercles internationaux.
Je souhaiterais dire quelques mots
de la référence à la notion de « dette
odieuse ». Bien qu’elle doive encore être
formalisée, cette notion met en exergue les emprunts
souscrits par des régimes autoritaires au détriment
de leurs peuples. Ces régimes peu recommandables ont
souvent bénéficié de notre bienveillance.
Pendant la guerre froide, l’enjeu réel était
l’exercice d’un leadership, bien plus qu’une
question de développement. La notion de bonne gouvernance
ne s’applique pas seulement aux pays du Sud. Il serait
hypocrite de ne pas reconnaître notre part de
responsabilité.
Le texte qui nous est soumis me
tient particulièrement à cœur. Cependant,
chers collègues, je vous demanderai de ne pas oublier que,
pris isolément, il risque de voir ces effets limités.
En effet, la question de la lutte contre la pauvreté ne
peut être réduite à un seul aspect. La
mondialisation, si elle nous ouvre de formidables possibilités,
fait encore de trop nombreuses victimes. La dette des pays
pauvres n’est qu’un des problèmes que nous
devons traiter. Réforme des institutions financières
internationales, lutte contre les paradis fiscaux, la corruption
ou les grandes pandémies : les chantiers qui nous
attendent sont encore nombreux. Je vous remercie pour l’attention
que vous avez, et continuerez d’avoir, pour ces dossiers.
Je voudrais également remercier les collègues qui
se sont associés à ce travail.
|
Mevrouw Olga
Zrihen (PS). – We kunnen het niet meer hebben over de
ontwikkeling van de landen van het Zuiden zonder ook de
schuldenproblematiek aan te raken. Hoewel de schulden van de arme
landen niet aan de basis liggen van hun problemen, remmen zij
niettemin hun ontwikkeling in belangrijke mate af.
Al bijna 25
jaar gaan tientallen arme landen gebukt onder een moeilijk
houdbare schuldenlast. De stijging van de interestvoeten en de
daling van de grondstoffenprijzen in het begin van de jaren ’80
hebben de landen die tegen heel gunstige voorwaarden leningen
hadden aangegaan, in zware moeilijkheden gebracht.
Gedurende
jaren hebben de schuldeisers via de G7 of de G8, het IMF of de
Club van Parijs, talrijke plannen voor de spreiding van de
terugbetaling en het schuldbeheer uitgewerkt. Die maatregelen
betekenden echter slechts een tijdelijke verlichting voor de
landen met schulden. Zij hielden geen structurele regeling in.
Dat is de reden waarom stilaan de idee is gegroeid om de schulden
eenvoudigweg kwijt te schelden.
Het huidige
voorstel heeft tijd gevergd. Het is aanvankelijk op veel
weerstand gestuit. Sommigen zagen het als een blanco cheque, een
premie voor diegenen die zich in schulden hadden gestoken en voor
slecht bestuur. De landen van het Zuiden van hun kant, vreesden
dat zij door de kwijtschelding van schulden elke
geloofwaardigheid bij de financieringsorganismen zouden
verliezen. Uiteindelijk is gebleken dat het schuldenprobleem niet
kon worden geregeld zonder kwijtschelding.
Ik wens hulde
te brengen aan de talrijke ngo’s die zich gedurende jaren
hebben ingezet voor meer gerechtigheid ter zake, zowel door hun
lobbywerk als door de massale verspreiding van studies en
documentatie. Zonder hen zouden wij hierover vandaag geen debat
kunnen voeren.
Ik maak van
deze gelegenheid gebruik om hen te feliciteren en te bedanken.
De
schuldkwijtschelding werd opgenomen in de
Millenniumdoelstellingen. De lidstaten van de VN hebben zich
ertoe verbonden alle bilaterale overheidschulden van die landen
kwijt te schelden, op voorwaarde dat zij zich bereid tonen de
armoede te bestrijden. Het aantal initiatieven voor de landen met
zeer zware schulden en de minst ontwikkelde landen neemt toe. Die
inspanningen blijven ruimschoots onvoldoende, maar ze getuigen
van een toenemende bewustwording in internationale kringen.
Het begrip
‘schandelijke schulden’ heeft betrekking op de
leningen die door autoritaire regimes werden aangegaan ten koste
van hun bevolking. Dergelijke regimes konden vaak rekenen op onze
welwillendheid. In de context van de Koude Oorlog werd immers
meer aandacht besteed aan macht dan aan ontwikkeling. Behoorlijk
bestuur geldt niet alleen voor de landen van het Zuiden. Het zou
hypocriet zijn onze verantwoordelijkheid te ontkennen.
De
voorliggende tekst ligt mij na aan het hart. Nochtans dreigen de
gevolgen ervan eerder beperkt te zijn. De strijd tegen de armoede
kan niet tot één aspect worden herleid. Hoewel de
globalisering enorme perspectieven opent, maakt zij nog altijd
veel slachtoffers. De schuldenlast van de arme landen is maar een
van de problemen waaraan we iets moeten doen. De hervorming van
de internationale financiële instellingen, de strijd tegen
de fiscale paradijzen, de corruptie of de grote pandemieën:
er is nog veel werk voor de boeg. Ik dank u voor de aandacht die
u voor dit dossier wil blijven opbrengen. Tevens dank ik de
collega’s die aan het voorstel hebben meegewerkt.
|
|
M. Pierre Galand (PS). –
La résolution visant à annuler les dettes des PMA
vient à point nommé, surtout quand il s’agit
de dettes « odieuses ».
Le ministre vient de diffuser le
rapport sur l’état d’avancement des Objectifs
du Millénaire pour le développement. En l’absence
de mesures relatives à l’endettement et à
l’annulation des dettes des pays les moins avancés,
il y a peu de chances que les objectifs que la communauté
internationale s’est fixés soient atteints en 2015.
L’originalité de la
résolution tient à la nature même de la
proposition de contrat qui portera la conditionnalité sur
l’exigence d’investir dans le développement
humain dans des politiques liées directement aux Objectifs
du Millénaire.
Il ne s’agit pas d’une
simple annulation mais d’une annulation avec une dynamique
centrée sur le développement en fonction des
Objectifs du Millénaire. Le même processus que pour
les PMA peut être engagé pour les États dont
la dette ne peut être considérée comme étant
« odieuse ».
L’opération pourra être
enclenchée sans délai pour pouvoir être
entièrement prise en compte dans le prochain budget de
l’État belge. On veillera à ce que
l’annulation de la dette ne se fasse pas au détriment
du budget de la Coopération au développement et ne
soit pas comptabilisée dans l’aide publique au
développement.
La Belgique devra jouer un rôle
mobilisateur dans les enceintes européennes pour inciter
les autres États membres de l’Union à adopter
des mesures équivalentes et à intensifier l’action
diplomatique de la Belgique dans les enceintes internationales en
vue de l’annulation des dettes publiques extérieures
détenues par les institutions multilatérales et du
maintien de la conditionnalité exclusive des politiques
d’ajustement structurel.
Pour terminer, je voudrais remercier
les collègues qui ont contribué à
l’élaboration de ce texte. Je voudrais aussi
remercier Mme de Bethune qui avait déposé une
proposition préalable à la nôtre et qui a
accepté de se joindre à nous pour présenter
un texte d’ensemble.
|
De heer Pierre
Galand (PS). – De resolutie over de kwijtschelding van
de schulden van de MOL komt op het juiste ogenblik, vooral wat de
‘schandelijke schulden’ betreft.
De minister
heeft zopas het rapport ter beschikking gesteld over de voortgang
van de Millenniumdoelstellingen. Zonder maatregelen in verband
met de schuldenlast en de kwijtschelding van de schulden van de
minst ontwikkelde landen, bestaat er weinig kans dat de
doelstellingen van de internationale gemeenschap in 2015 bereikt
zullen zijn.
De
originaliteit van de resolutie bestaat erin dat zij een contract
voorstelt met als voorwaarde dat geïnvesteerd wordt in de
menselijke ontwikkeling en dat een rechtstreeks verband wordt
gelegd met het beleid inzake de Millenniumdoelstellingen.
Het gaat niet
om een eenvoudige kwijtschelding, maar om een kwijtschelding die
gericht is op de ontwikkeling zoals bedoeld in de
Millenniumdoelstellingen. Het proces van schuldkwijtschelding
voor de MOL zal ook voor de landen met schulden die niet als
‘schandelijk’ worden beschouwd, op gang kunnen worden
gebracht.
Met de
operatie kan onmiddellijk worden gestart zodat zij in de volgende
Belgische begroting kan worden opgenomen. We moeten erover waken
dat de schuldkwijtschelding niet in mindering wordt gebracht van
de begroting Ontwikkelingssamenwerking en van de officiële
ontwikkelingshulp.
België
moet een voortrekkersrol spelen binnen de Europese Unie om de
andere lidstaten ertoe aan te zetten soortgelijke maatregelen te
nemen. Tegelijkertijd moet België binnen de internationale
gemeenschap ijveren voor de schuldkwijtschelding door de
multilaterale instellingen en het handhaven van voorwaarden voor
een structureel aanpassingsbeleid.
Ik dank de
collega’s die hebben meegewerkt aan de tekst. Ik dank ook
mevrouw de Bethune die al een voorstel had ingediend en die
bereid was zich bij ons voorstel aan te sluiten.
|
|
– La discussion est close.
|
– De bespreking is
gesloten.
|
|
– Il sera procédé
ultérieurement au vote sur l’ensemble de la
proposition de résolution.
|
– De stemming over het
voorstel van resolutie in zijn geheel heeft later plaats.
|
|
Demande
d’explications de M. Christian Brotcorne à la
vice-première ministre et ministre de la Justice et au
vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur et
au ministre de la Mobilité sur «les personnes
habilitées à constater le stationnement dépénalisé
en vue d’établir la recevabilité de la
rétribution ou taxe de stationnement due en exécution
de la loi du 22 février 1965» (nº 3-2249)
|
Vraag
om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de
minister van Mobiliteit over «de personen die gemachtigd
zijn tot vaststelling van het niet meer strafrechtelijk bestrafte
parkeren met het oog op de vestiging van een parkeerretributie of
-belasting, verschuldigd krachtens de wet van 22 februari 1965»
(nr. 3-2249)
|
|
Mme la présidente.
– M. Didier Donfut, secrétaire d’État
aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires
étrangères, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese
Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken,
antwoordt.
|
|
M. Christian Brotcorne
(CDH). – Cette question est très importante, car
elle concerne essentiellement la surveillance des parkings en
Wallonie picarde.
Cette demande d’explications
reprend deux questions écrites que j’avais déposées
et auxquelles je n’ai pas reçu de réponse.
Elles étaient adressées respectivement aux
ministres de l’Intérieur et de la Mobilité.
Ma demande d’explications est
également adressée à la ministre de la
Justice, cette dernière ayant déjà répondu
partiellement à une question écrite.
L’article 29, paragraphe
2, des lois relatives à la police de la circulation
routière, coordonnées le 16 mars 1968,
modifié par la loi du 20 juillet 2005, énonçait
que « Les autres infractions aux règlements
pris en exécution des présentes lois coordonnées
sont des infractions du premier degré et sont punies d’une
amende de 10 à 250 euros. Les stationnements à
durée limitée, les stationnements payants et les
stationnements sur les emplacements réservés aux
riverains définis dans les règlements précités
ne sont pas sanctionnés pénalement, sauf le
stationnement alterné semi-mensuel, la limitation du
stationnement de longue durée et la fraude avec le disque
de stationnement ».
Cet alinéa a été
complété, dans la loi du 1er avril 2006,
entrée en vigueur le 10 mai 2006, par l’ajout
du nouvel alinéa suivant : « Le
stationnement dépénalisé visé à
l’alinéa 2 peut toutefois être constaté,
jusqu’à une date déterminée par le
Roi, par les agents de police en vue d’établir la
recevabilité de la rétribution ou taxe de
stationnement due en exécution de la loi du
22 février 1965 permettant aux communes
d’établir des redevances de stationnement
applicables aux véhicules à moteur ».
M. le ministre peut-il préciser
si d’autres personnes ou groupements de personnes disposent
des mêmes prérogatives que les agents de police
cités dans la loi pour la même tâche ?
Dans l’affirmative, selon quelle prescription légale ?
Actuellement, certaines sociétés
privées perçoivent les décimes additionnels.
À quel titre et sur quelles bases légales certaines
sociétés privées sont-elles habilitées
à constater le stationnement dépénalisé
– tel que défini à l’article 29,
paragraphe 2, alinéa 2, des lois relatives à la
police de la circulation routière – en vue d’établir
la recevabilité de la rétribution ou taxe de
stationnement due en exécution de la loi du
22 février 1965 permettant aux communes
d’établir des redevances de stationnement
applicables aux véhicules à moteur ?
|
De heer Christian
Brotcorne (CDH). – Artikel 29, paragraaf 2, van de
gecoördineerde wetten van 16 maart 1968
betreffende de politie over het wegverkeer, gewijzigd door de wet
van 20 juli 2005 luidt: ‘De andere overtredingen
van de reglementen uitgevaardigd op grond van deze gecoördineerde
wetten zijn overtredingen van de eerste graad en worden gestraft
met een geldboete van 10 euro tot 250 euro. Het in voormelde
reglementen omschreven parkeren met beperkte parkeertijd,
betalend parkeren en parkeren op plaatsen voorbehouden aan
bewoners worden niet strafrechtelijk bestraft, behoudens het
halfmaandelijks beurtelings parkeren, de beperking van het
langdurig parkeren, en bedrog met de parkeerschijf.’
Deze alinea
werd aangevuld door de wet van 1 april 2006, met de
volgende nieuwe alinea: ‘Het niet meer strafrechtelijk
bestrafte parkeren bedoeld in het tweede lid kan, tot een datum
bepaald door de Koning, door de agenten van politie worden
vastgesteld met het oog op de vestiging van een parkeerretributie
of -belasting, verschuldigd krachtens de wet van 22 februari 1965
waarbij aan de gemeenten wordt toegestaan parkeergeld op
motorrijtuigen in te voeren.’.
Beschikken
andere personen of groepen over dezelfde voorrechten als de
politieagenten die in de wet voor dezelfde taak worden genoemd?
Op basis van welk wettelijk voorschrift?
Momenteel
innen bepaalde privéondernemingen opdeciemen. Op grond van
welke wettelijke basis(sen) zijn bepaalde privéondernemingen
gemachtigd om het niet meer strafrechtelijk bestrafte parkeren
vast te stellen, zoals bepaald in artikel 29, paragraaf 2,
tweede lid, van de wet betreffende de politie over het
wegverkeer, met het oog op de vestiging van een parkeerretributie
of -belasting verschuldigd krachtens de wet van 22 februari 1965,
waarbij aan de gemeenten wordt toegestaan parkeergeld op
motorrijtuigen in te voeren?
|
|
M. Didier Donfut,
secrétaire d’État aux Affaires européennes,
adjoint au ministre des Affaires étrangères. –
Je vous donne lecture de la réponse de M. le ministre
de la Mobilité.
En réponse à
l’ensemble des questions, je peux préciser que, sur
la base de la nouvelle loi communale, le conseil communal peut
décider de donner en concession, à une société
privée, la gestion de certains domaines publics communaux.
Étant donné la dépénalisation de
certaines infractions en matière de stationnement,
notamment le stationnement payant, par la loi du 7 février 2003,
et la compétence de l’autorité communale en
la matière, celle-ci peut donc donner en concession à
une société privée, dans le respect des
réglementations sur les marchés publics, la gestion
de cette matière.
Les montants et la perception de
ceux-ci sont prévus par un règlement de rétribution
communal, pris en vertu de la loi du 22 février 1965,
permettant aux communes de percevoir une rétribution sur
le stationnement de véhicules à moteur.
Depuis la dépénalisation
de certaines infractions de stationnement, les avis étaient
partagés dans les milieux juridiques quant à savoir
si l’agent de police est encore ou non compétent
pour effectuer des constats de ce type. Afin de permettre aux
communes de continuer à investir les agents de police –
anciennement les agent auxiliaires de police – dans la
gestion du stationnement, cette compétence leur a
explicitement été accordée par la loi du
1er avril 2006, jusqu’à une
date à déterminer par le Roi.
Contrairement aux constats des
agents, les constats effectués par les employés de
sociétés privées ayant une concession n’ont
pas la force de preuve d’un procès-verbal. Cela
signifie que le constat d’une société privée
ayant une concession ne fait pas foi, comme le procès-verbal,
sauf preuve du contraire. C’est pourquoi ces sociétés
privées prennent toujours une photo numérique du
véhicule stationné, sur laquelle se trouve une date
et une heure.
|
De heer Didier
Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan
de minister van Buitenlandse Zaken. – Ik lees het antwoord
van de minister van Mobiliteit.
Op basis van
de nieuwe gemeentewet kan de gemeenteraad beslissen het beheer
van bepaalde gemeentelijke openbare domeinen in concessie te
geven aan een privéonderneming. Sedert bepaalde
parkeerovertredingen, inzonderheid het betalend parkeren,
ingevolge de wet van 7 februari 2003 niet langer
strafrechtelijk worden bestraft, en gelet op de bevoegdheid van
de gemeentelijke overheid ter zake, mag deze overheid het beheer
van die aangelegenheid in concessie geven aan een
privéonderneming, op voorwaarde dat de reglementering
inzake de overheidsopdrachten wordt nageleefd.
De bedragen en
de inning ervan worden bepaald in een gemeentelijke
retributieverordening krachtens de wet van 22 februari 1965,
waarbij aan de gemeenten wordt toegestaan parkeergeld op
motorrijtuigen te innen.
Sedert
bepaalde parkeerovertredingen niet langer strafrechtelijk worden
bestraft, waren in gerechtelijke kringen de meningen verdeeld
over de vraag of een politieagent nog bevoegd is om dat soort
vaststellingen te doen. Om het de gemeenten mogelijk te maken
politieagenten – vroeger hulpagenten van politie – te
blijven inzetten voor het beheer van de parkeerplaatsen, werd die
bevoegdheid hun, tot een door de Koning bepaalde datum, expliciet
toegekend door de wet van 1 april 2006.
In
tegenstelling tot de vaststellingen van de agenten hebben de
vaststellingen van de bedienden van privéondernemingen die
een concessie hebben, niet de bewijskracht van een
proces-verbaal. Tenzij het bewijs van het tegendeel wordt
geleverd, heeft de vaststelling door een dergelijke
privéonderneming dus niet de rechtsgeldigheid van een
proces-verbaal. Daarom nemen die privéondernemingen een
digitale foto van het geparkeerde voertuig, waarop de datum en
het uur vermeld zijn.
|
|
M. Christian Brotcorne
(CDH). – La réponse était intéressante
jusqu’à la dernière phrase. La photo
numérique permet-elle de donner compétence à
un agent d’une société privée dont on
vient de dire qu’il n’avait justement pas la qualité
pour relever les infractions ? Je ne vois pas en quoi le
fait de prendre une photo numérique du véhicule mal
stationné permet d’invalider l’incompétence
de cet agent à dresser un procès-verbal qui vaut
foi des constatations.
|
De heer Christian
Brotcorne (CDH). – Het antwoord was interessant tot aan
de laatste zin. Krijgt de bediende van een privéonderneming,
van wie gezegd werd dat hij niet bevoegd is om overtredingen te
noteren, nu wel die bevoegdheid door die digitale foto? Ik zie
niet in hoe een digitale foto van een verkeerd geparkeerd
voertuig iets kan veranderen aan het feit dat die bediende niet
bevoegd is om een proces-verbaal op te stellen dat die
vaststellingen staaft.
|
|
M. Didier Donfut,
secrétaire d’État aux Affaires européennes,
adjoint au ministre des Affaires étrangères. –
Je pense effectivement que ces agents n’ont pas ce pouvoir.
Cela dit, je pense que la photo numérique n’est
qu’un élément de preuve en cas de
contestation, laquelle devra être plaidée.
|
De heer Didier
Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan
de minister van Buitenlandse Zaken. – Ik denk inderdaad dat
die bedienden niet die bevoegdheid hebben. Ik denk dat de
digitale foto maar een bewijselement is indien zich een
betwisting voordoet, die moet worden uitgeklaard.
|
|
M. Christian Brotcorne
(CDH). – Je note donc que l’on organise
l’insécurité juridique.
|
De heer Christian
Brotcorne (CDH). – Ik noteer dus dat men
rechtsonzekerheid organiseert.
|
|
M. Didier Donfut,
secrétaire d’État aux Affaires européennes,
adjoint au ministre des Affaires étrangères. –
Absolument !
|
De heer Didier
Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan
de minister van Buitenlandse Zaken. – Beslist!
|
|
Demande
d’explications de M. Hugo Vandenberghe à la
vice-première ministre et ministre de la Justice sur «le
changement du statut des ministres des cultes» (nº 3-2252)
|
Vraag
om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie over «de
wijziging van het statuut van bedienaars van de eredienst»
(nr. 3-2252)
|
|
Mme la présidente.
– M. Didier Donfut, secrétaire d’État
aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires
étrangères, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese
Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken,
antwoordt.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Les lois-programmes des
27 décembre 2004 et 11 juillet 2005
ont, dans l’attente d’une réglementation mieux
définie, instauré puis adapté un plafond
pour la désignation et la rémunération des
assistants paroissiaux. La loi-programme de 2004 confère à
cette fonction un caractère extinctif. En marge de cette
mesure, la ministre de la Justice a annoncé qu’une
commission serait installée afin d’examiner et de
continuer à développer la fonction de ministre du
culte.
Dans sa
réponse à une question écrite de Mme Mia
De Schamphelaere, la ministre a laissé entendre que l’avis
était prêt. Le 20 novembre 2006, elle a
adressé aux organes représentatifs des cultes et au
Conseil central laïque un questionnaire dans lequel leur est
demandée leur opinion sur les recommandations. Ensuite, la
ministre souhaitait examiner les possibilités concrètes,
en fonction de ces réponses et des implications
budgétaires. Entre-temps, deux ans et demi se sont écoulés
entre l’instauration du caractère extinctif de la
fonction d’assistant paroissial et la demande d’avis.
La situation reste particulièrement confuse pour ces
assistants.
Quelles
initiatives concrètes la ministre entend-elle encore
prendre avant la fin de la législature ? Quand le
fera-t-elle ? A-t-elle entre-temps fixé un délai ?
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – In de programmawetten van
27 december 2004 en van 11 juli 2005 werd in
afwachting van een omvattender regeling een plafonnering
ingesteld en vervolgens bijgesteld voor de aanstelling en
bezoldiging van de parochieassistenten. De functie van
parochieassistent kreeg in de programmawet van 2004 een uitdovend
karakter. In de rand hiervan kondigde de minister van Justitie
aan dat een commissie zou worden geïnstalleerd om de functie
van de bedienaar van de eredienst te bespreken en verder uit te
werken.
In een antwoord op een schriftelijke
vraag van senator Mia De Schamphelaere laat de minister weten dat
het advies klaar is. De minister heeft op 20 november 2006
een vragenlijst aan de representatieve organen van de
godsdiensten en de Centrale Vrijzinnige Raad bezorgd, waarin hun
standpunt omtrent de aanbevelingen wordt gevraagd. Vervolgens wou
de minister, afhankelijk van deze antwoorden en de budgettaire
implicaties, nagaan wat concreet mogelijk is. Inmiddels is tussen
de invoering van het uitdovend karakter van de functie van
parochieassistent en het vragen van het advies twee en half jaar
verstreken en blijft de werkingssituatie voor parochieassistenten
bijzonder onduidelijk.
Welke concrete initiatieven wil de
minister nog voor het einde van de legislatuur nemen en wanneer
zal hij dat doen? Heeft de minister inmiddels een tijdspad
opgesteld?
|
|
M. Didier
Donfut, secrétaire d’État aux Affaires
européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères.
– Je vous lis la réponse de Mme Onkelinx.
Le rapport
circonstancié de la « Commission des sages »
m’a été remis officiellement le
7 novembre 2006. Ce rapport présente l’avantage
d’examiner en profondeur les problèmes de disparité
entre les différents statuts des ministres des cultes
reconnus en Belgique. La Commission a notamment plaidé
pour le maintien de la fonction d’assistant paroissial. En
outre, la Commission a élaboré des simulations
budgétaires sur la base d’un certain nombre de
propositions qu’elle a elle-même formulées.
Quelle que soit l’option choisie, elle impliquera une
dépense supplémentaire non négligeable pour
le budget du SPF Justice. Les choix effectués doivent être
traduits dans les budgets des années à venir.
J’ai
effectivement demandé aux différents organes
représentatifs des cultes reconnus et du Conseil central
laïque de me faire parvenir pour le 31 décembre 2006
leurs remarques, considérations et suggestions relatives
aux propositions formulées par la Commission. Cependant,
je n’ai pas encore reçu de réponse de tous
les organes consultés ou je n’ai obtenu que des
réponses partielles et provisoires, ce qui ne me permet
pas encore d’avoir une vue précise de la position de
l’ensemble des représentants des cultes reconnus et
de la laïcité.
|
De heer Didier Donfut,
staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister
van Buitenlandse Zaken. – Ik lees het antwoord van minister
Onkelinx.
Het uitvoerige rapport van de
commissie van wijzen werd me officieel op 7 november 2006
overhandigd. Het heeft als voordeel dat het de problemen van
ongelijkheid tussen de statuten van de bedienaars van de erkende
erediensten in België grondig onderzoekt. Zo heeft de
commissie onder meer gepleit voor het behouden van de functie van
parochieassistent. Daarnaast heeft de commissie eveneens
budgettaire simulaties uitgevoerd op basis van voorstellen die ze
zelf formuleerde. Welke optie ook gekozen wordt, ze brengt altijd
een niet onaanzienlijke verhoging mee voor het budget van de FOD
Justitie. De gemaakte keuzen moeten immers worden vertaald in de
budgetten.
Ik had de representatieve organen
van de erkende erediensten en van de Centrale raad der
niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen gevraagd
me vóór 31 december 2006 hun opmerkingen,
overwegingen en suggesties te bezorgen met betrekking tot de
voorstellen van de commissie. Ik heb evenwel nog geen antwoord
ontvangen van alle geraadpleegde organen of ik ontving slechts
gedeeltelijke of voorlopige antwoorden, waardoor ik nog geen
zicht heb op het standpunt van alle vertegenwoordigers van de
erkende erediensten en van de Centrale raad.
|
|
Il ressort néanmoins déjà
des différentes réponses reçues que d’autres
cultes reconnus sont également intéressés
par la possibilité de recruter des assistants laïques.
Ils estiment en effet que ces personnes pourraient soulager les
ministres des cultes et s’occuper principalement de l’aide
morale aux familles. Il est donc difficile aujourd’hui de
régler uniquement le sort des assistants paroissiaux de
l’Église catholique sans être attentif aux
demandes des autres cultes reconnus.
Dans ce contexte, j’estime dès
lors qu’il conviendra, après les élections,
de mettre le rapport de la Commission sur la table des futurs
négociateurs et qu’une décision devra être
prise à ce niveau. Il serait en outre souhaitable que
toute cette problématique fasse l’objet d’un
débat serein et approfondi au parlement, dans la mesure où
il s’agit de questions de société
essentielles.
Le travail n’est donc pas
perdu mais, vu les circonstances, il ne peut être finalisé
pour l’instant en propositions concrètes, lesquelles
impliqueront d’ailleurs également des modifications
législatives.
|
Uit de
verschillende antwoorden komt naar voren dat ook andere erkende
erediensten interesse betonen om lekenassistenten in dienst te
nemen. Ze zijn immers van oordeel dat die mensen de bedienaars
van de eredienst kunnen bijstaan en dat ze zich hoofdzakelijk
kunnen inlaten met morele bijstand aan gezinnen. Vandaag kunnen
we dus moeilijk alleen het lot van de parochieassistenten van de
katholieke kerk bezegelen en de vragen van de andere erkende
godsdiensten uit het oog verliezen.
Daarom ben ik
van oordeel dat het verslag van de Commissie na de verkiezingen
op de tafel van de regeringsonderhandelaars moet belanden en dat
er op dat niveau een beslissing moet worden genomen. Het is
overigens wenselijk dat het Parlement over die problemen een
sereen en diepgaand debat voert, aangezien het toch om wezenlijke
maatschappelijke vraagstukken gaat.
Het geleverde
werk is niet verloren, maar gezien de omstandigheden kan het niet
in concrete voorstellen worden omgezet, want dan zou ook de wet
moeten worden aangepast.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – J’ai écouté
avec beaucoup d’attention la réponse de la ministre.
Elle m’indique que la résolution du problème
est reportée jusqu’après le moment où
l’électeur portera un jugement sur la politique
menée jusqu’à présent. Nous tenterons
donc de convaincre l’électeur de voter pour les bons
partis qui résoudront ce problème.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Ik heb het antwoord van de
minister met veel aandacht beluisterd. Ze deelt me mee dat de
oplossing van het probleem wordt uitgesteld tot na het moment
waarop de kiezer oordeelt over het beleid dat tot op vandaag is
gevoerd. We zullen dus maar trachten de kiezer te overtuigen om
voor de goede partijen te stemmen die dit probleem zullen
oplossen.
|
|
Demande
d’explications de M. Christian Brotcorne au
vice-premier ministre et ministre des Finances sur «le
protocole d’accord intervenu relatif à la
modification du régime des travailleurs frontaliers»
(nº 3-2250)
|
Vraag
om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de
vice-eersteminister en minister van Financiën over «het
protocolakkoord inzake de wijziging van de regeling die van
toepassing is op de grensarbeiders» (nr. 3-2250)
|
|
Mme la présidente.
– M. Didier Donfut, secrétaire d’État
aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires
étrangères, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese
Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken,
antwoordt.
|
|
M. Christian Brotcorne
(CDH). – Le 15 mars 2007, M. le ministre
des Finances répondait tant à la Chambre qu’au
Sénat à plusieurs questions précises sur le
protocole d’accord relatif à la modification du
régime des travailleurs frontaliers (de Belgique et de
France).
Les réponses fournies à
la Chambre aux députés Arens et Lahaye-Battheu ne
sont pas tout à fait les mêmes que celles apportées
à ma demande d’explications. Comme des zones d’ombre
subsistent, je souhaiterais donc obtenir quelques
éclaircissements.
Ainsi, dans sa réponse, le
ministre énonce clairement qu’ « à
partir du 1er janvier 2009 et pendant une
période de 25 ans, les frontaliers résidents de
France, qui exercent une activité en Belgique, continuent
à être imposés en France, à condition
que l’exercice d’activités hors zone
frontalière n’excède pas 30 jours par an. La
Belgique appliquera cet accord rétroactivement pour les
années 2003 à 2006, pour les frontaliers résidents
de France, ce qui permettra de régler les problèmes
actuels ».
A) Compte tenu des réponses
qu’il a fournies à la Chambre et des divers
communiqués parus dans la presse, qui ne semblent pas
identiques aux réponses apportées au Sénat,
le ministre pourrait-il apporter les précisions
suivantes ?
1) Tous les frontaliers qui résident
en France et travaillent en Belgique seront-ils durant 25 années
imposés en France, ou faut-il sous-entendre dans le
discours du ministre que cela ne concerne que les travailleurs
qui sont « frontaliers » au
1er janvier 2009 ? En outre, pour les
années 2007 et 2008, la rétroactivité
fonctionnera-t-elle ?
2) La rétroactivité
concerne-t-elle bien uniquement les frontaliers résidents
de France ? Les résidents de Belgique imposés
en France pour avoir travaillé hors zone frontalière
française, à Paris par exemple, ont-ils bien la
garantie que la condition d’activités hors zone
frontalière ne peut pas leur être appliquée
rétroactivement et donc qu’ils seront
rétroactivement imposés en Belgique ?
3) Dans le cas où nos
entreprises ne pourraient plus engager, après 2009, des
Français sous le régime frontalier, comme mentionné
au point 1 ci-dessus, mais pourraient toutefois conserver leurs
travailleurs engagés avant 2009 dans ce régime, ne
pourrait-on prévoir la possibilité pour ces
entreprises de garder le même nombre de contrats dans ce
régime, indépendamment des personnes qui les ont
signés, pour pallier d’éventuels départs
spontanés, maladies ou départs à la
retraite ?
B) L’article 11 de la
Convention de 1964 préventive de la double imposition
applique le statut de frontalier aux seuls travailleurs du
secteur privé. Les travailleurs du secteur public sont
visés par un autre article de la Convention. Qu’en
est-il de ces travailleurs du secteur public ? Comment
seront imposés les Belges résidant en France et
travaillant dans le secteur public belge ou les Belges résidant
en Belgique travaillant dans le secteur public français ?
Sont-ils visés par l’accord ? Si non,
pourquoi ?
C) De nombreux retraités
français résident en Belgique dans nos maisons de
repos et de soins. De même, nombreux retraités
belges sont partis vivre en France à la recherche d’un
climat plus doux. Qu’en est-il de tous ces retraités ?
Où seront-ils imposés ? Que dit le protocole
d’accord sur les pensions ?
D) Enfin, le protocole d’accord
devant aboutir devant le parlement, pourriez-vous d’ores et
déjà me faire parvenir le texte de ce protocole ?
|
De heer Christian
Brotcorne (CDH). – Op 15 maart 2007
beantwoordde de minister van Financiën zowel in de Kamer als
in de Senaat verscheidene vragen over het protocolakkoord inzake
de wijziging van de regeling die van toepassing is op de
grensarbeiders (van België en Frankrijk).
Het antwoord
op de vragen van Volksvertegenwoordigers Arens en Lahaye-Battheu
stemt niet volledig overeen met het antwoord op mijn vraag om
uitleg. Ik had dan ook graag enkele verduidelijkingen.
In zijn
antwoord op mijn vraag stelt de minister duidelijk: ‘Vanaf
1 januari 2009 en gedurende een periode van 25 jaar
blijven grensarbeiders die in Frankrijk verblijven, maar in
België werken, in Frankrijk belast, op voorwaarde dat ze
niet meer dan dertig dagen per jaar buiten het grensgebied
werken. België zal die overeenkomst met terugwerkende kracht
toepassen voor de jaren 2003 tot 2006 voor grensarbeiders die in
Frankrijk wonen, zodat de bestaande problemen worden opgelost.’
Aangezien de
minister in de Kamer en in verschillende mededelingen andere
dingen heeft verklaard, heb ik de volgende vragen.
Zullen de
grensarbeiders die in Frankrijk verblijven, maar in België
werken, gedurende een periode van 25 jaar worden belast in
Frankrijk of geldt dat alleen voor de werknemers die op
1 januari 2009 ‘grensarbeider’ zijn? Zal de
terugwerkende kracht gelden voor de jaren 2007 en 2008?
Geldt de
terugwerkende kracht alleen voor grensarbeiders die in Frankrijk
verblijven? Kunnen mensen die in België verblijven, maar in
Frankrijk worden belast omdat ze buiten de Franse grensstreek
hebben gewerkt, er zeker van zijn dat de voorwaarde inzake het
plaatsvinden van de activiteiten buiten de grensstreek niet met
terugwerkende kracht zal worden opgelegd en dat ze bijgevolg niet
met terugwerkende kracht in België zullen worden belast?
Ingeval onze
ondernemingen na 2009 geen Fransen meer mogen aanwerven onder het
regime van de grensarbeid, maar de werknemers die ze vóór
2009 onder dat regime hebben aangeworven mogen behouden, zou het
dan niet mogelijk zijn die ondernemingen hetzelfde aantal
contracten onder dat regime te laten behouden, ongeacht de
personen die ze hebben ondertekend, zodat eventuele lacunes die
het gevolg zijn van spontane vertrekken, ziekten of
pensioneringen kunnen worden aangevuld?
Artikel 11
van de overeenkomst van 1964 tot voorkoming van dubbele belasting
regelt enkel het statuut van grensarbeider voor de werknemers uit
de privésector. Werknemers uit de overheidssector vallen
onder een ander artikel van de overeenkomst. Wat met die
werknemers uit de overheidssector? Hoe zullen Belgen die in
Frankrijk verblijven, maar in de Belgische openbare dienst werken
of Belgen die in België verblijven, maar in de Franse
openbare dienst werken, worden belast? Zijn de bepalingen van het
akkoord op hen van toepassing? Zo niet, waarom?
In de
Belgische rust- en verzorgingstehuizen verblijven heel wat Franse
gepensioneerden. Anderzijds zoeken veel Belgische gepensioneerden
het zachtere Franse klimaat op. Waar zullen zij worden belast?
Wat bepaalt het protocolakkoord met betrekking tot de pensioenen?
Kan de
minister mij ten slotte de tekst van het protocolakkoord, dat
door het Parlement moet worden goedgekeurd, reeds overhandigen?
|
|
M. Didier Donfut,
secrétaire d’État aux Affaires européennes,
adjoint au ministre des Affaires étrangères. –
Je vous lis la réponse du ministre des Finances.
Le protocole d’accord relatif
à la modification du régime frontalier fixe les
règles qui serviront de base à la révision
de ce régime. Ces règles seront intégrées
dans un nouvel avenant à la Convention franco-belge du
10 mars 1964, qui devrait être signé dans
les prochaines semaines. C’est à ce stade que,
conformément aux règles en usage, le texte du
nouvel avenant sera communiqué au parlement en vue de son
approbation. Comme toutes les conventions de double imposition,
c’est en effet sous réserve de son approbation par
les parlements belge et français que le nouvel avenant
pourra entrer en vigueur.
Compte tenu de ce qui précède,
je vais vous apporter les précisions suivantes.
Le protocole d’accord prévoit
un régime transitoire et une rétroactivité
pour les seuls résidents de la zone frontalière
française qui exercent une activité salariée
dans la zone frontalière belge. Pour les résidents
belges exerçant une activité salariée en
France, le protocole d’accord prévoit la suppression
pure et simple du régime frontalier à partir de
l’exercice d’imposition 2008. En d’autres
termes, ceux-ci seront imposables en France sur leurs
rémunérations de 2007. Cela étant, il n’y
a aucune raison de revenir sur la situation des résidents
belges qui étaient déjà imposables en France
pour les exercices d’imposition précédents en
vertu des règles actuelles.
Le protocole d’accord prévoit
que les frontaliers qui, au 31 décembre 2008,
auront leur foyer d’habitation permanent dans la zone
frontalière française et exerceront une activité
salariée dans la zone frontalière belge resteront
imposables en France pendant une période de 25 ans prenant
cours le 1er janvier 2009, à la
condition de ne pas sortir plus de 30 jours par an de la zone
frontalière belge. Le régime transitoire
s’appliquera également aux années 2007 et
2008 et, rétroactivement, aux années 2003 à
2006.
Les résidents français
qui seront engagés en Belgique à partir du
1er janvier 2009 ne pourront plus bénéficier
du régime frontalier. Initialement, il était prévu
que la période transitoire de 25 ans prenne cours dès
à présent. En vue de répondre aux
inquiétudes des entreprises belges, il a été
convenu de reporter le début de cette période
transitoire au 1er janvier 2009. Cet
allongement de la période transitoire permettra aux
entreprises belges de continuer à engager des frontaliers
français jusqu’à la fin de l’année
2008. Cela devrait également permettre à la
Belgique de prendre des mesures en vue d’augmenter la
mobilité entre les différentes régions
belges et de favoriser l’emploi, par les entreprises de la
zone frontalière, de demandeurs d’emploi belges.
À ce stade, le protocole
d’accord règle uniquement le problème des
travailleurs frontaliers. Du côté belge, on est
également favorable à une adaptation des règles
relatives aux pensions et aux rémunérations du
secteur public. L’avenant à conclure fera l’objet
de propositions en ce sens par la délégation belge.
|
De heer Didier
Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan
de minister van Buitenlandse Zaken. – Ik lees het antwoord
van de minister van Financiën.
Het
protocolakkoord met betrekking tot de wijziging van de
grensarbeidersregeling stelt de regels vast die als basis zullen
dienen voor de herziening van die regeling. Die regels zullen
worden opgenomen in een nieuw avenant bij de Belgisch-Franse
Overeenkomst van 10 maart 1964, dat in de komende weken
zou moeten ondertekend worden. In dat stadium zal de tekst van
het nieuwe avenant, overeenkomstig de gebruikelijke regels, ter
goedkeuring aan het Parlement worden voorgelegd. Zoals dat met
alle dubbelbelastingverdragen het geval is, kan het nieuwe
avenant pas in werking treden op voorwaarde dat het door het
Belgische en het Franse parlement wordt goedgekeurd.
Het
protocolakkoord voorziet in een overgangsregeling en in een
terugwerkende kracht die enkel gelden voor de inwoners van de
Franse grensstreek die een bezoldigde activiteit in de Belgische
grensstreek uitoefenen. Voor de inwoners van België die een
bezoldigde activiteit uitoefenen in Frankrijk voorziet het
protocolakkoord gewoonweg in de afschaffing van de
grensarbeidersregeling met ingang van aanslagjaar 2008. Zij
zullen met andere woorden in Frankrijk belastbaar zijn op hun
lonen van 2007. Er is geen enkele reden om terug te komen op de
toestand van de inwoners van België die op grond van de
huidige regels reeds voor de voorgaande aanslagjaren belastbaar
waren in Frankrijk.
Het
protocolakkoord bepaalt dat de grensarbeiders die op
31 december 2008 hun duurzaam tehuis in de Franse
grensstreek hebben en een bezoldigde activiteit uitoefenen in de
Belgische grensstreek, verder in Frankrijk belastbaar blijven
gedurende een periode van 25 jaar die aanvangt op 1 januari 2009,
op voorwaarde dat ze de Belgische grensstreek niet meer dan 30
dagen per jaar verlaten. De overgangsregeling zal eveneens van
toepassing zijn op de jaren 2007 en 2008 en, met terugwerkende
kracht, op de jaren 2003 tot 2006.
De inwoners
van Frankrijk die met ingang van 1 januari 2009 in
België worden aangeworven zullen de voordelen van de
grensarbeidersregeling niet meer kunnen genieten. Aanvankelijk
was bepaald dat de overgangsperiode van 25 jaar vanaf heden zou
ingaan. Om tegemoet te komen aan de bezorgdheid van de Belgische
ondernemingen, werd overeengekomen om de aanvang van die
overgangsperiode uit te stellen tot 1 januari 2009.
Door die verlenging van de overgangsperiode zullen de Belgische
ondernemingen Franse grensarbeiders kunnen aanwerven tot eind
2008. Die verlenging zou België tevens de mogelijkheid
moeten bieden maatregelen te nemen om de mobiliteit tussen de
verschillende Belgische regio’s te verhogen en om de
tewerkstelling van Belgische werkzoekenden in ondernemingen uit
de grensstreek aan te moedigen.
In deze fase
regelt het protocolakkoord enkel het probleem van de
grensarbeiders. België is eveneens voorstander van een
aanpassing van de regels inzake pensioenen en lonen uit de
overheidssector. De Belgische delegatie zal in het kader van het
af te sluiten avenant voorstellen in die zin formuleren.
|
|
Demande
d’explications de M. Stefaan Noreilde à la
vice-première ministre et ministre de la Justice sur «les
substitutions de personnes dans les prisons» (nº 3-2246)
|
Vraag
om uitleg van de heer Stefaan Noreilde aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie over
«persoonsverwisselingen in de gevangenissen»
(nr. 3-2246)
|
|
Mme la présidente.
– M. Didier Donfut, secrétaire d’État
aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires
étrangères, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese
Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken,
antwoordt.
|
|
M. Stefaan
Noreilde (VLD). – Aux Pays-Bas, on a constaté
récemment que le problème de la fraude à
l’identité en milieu carcéral prenait de plus
en plus d’ampleur. Un sondage effectué par le
ministère de la Justice dans trois prisons néerlandaises
a montré que dans 46 cas sur 700, il y avait eu
substitution d’identité ou communication de données
incorrectes. Il s’agit généralement de
personnes qui, contre paiement, purgent une peine à la
place de quelqu’un d’autre. La substitution
d’identité peut intervenir lorsqu’un détenu
quitte la prison, par exemple à l’occasion d’un
congé pénitentiaire. Cela engendrerait de
nombreuses fraudes dans toutes les prisons. Selon un enquêteur
du ministère néerlandais de la Justice, il ne
s’agit vraisemblablement que de la partie visible de
l’iceberg.
La ministre
a-t-elle connaissance de cas de substitutions d’identité
ou de communication de renseignements erronés à
propos de l’identité des détenus dans les
prisons belges ? Dans l’affirmative, de combien de cas
s’agit-il ?
Quelles
mesures sont-elles mises en œuvre dans notre pays pour
empêcher les substitutions d’identité ?
Ces mesures sont-elles d’application dans toutes les
prisons ?
L’an
dernier le président de la CCSP a mis en évidence
un problème apparu lors du contrôle des empreintes
digitales, notamment dans les prisons de Forest et de Lantin. Le
logiciel de l’ordinateur serait souvent en panne. La
ministre est-elle au courant de ce problème ? Dans
l’affirmative, quelles mesures a-t-elle prises depuis lors
pour y remédier ?
|
De heer Stefaan
Noreilde (VLD). – In Nederland is onlangs gebleken dat
identiteitsfraude in het gevangeniswezen een snel groeiend
probleem is. Een steekproef uitgevoerd door het ministerie van
Justitie in drie Nederlandse gevangenissen wees uit dat in 46 van
de 700 gevallen sprake was van een persoonsverwisseling of
onjuiste gegevens. Het gaat vaak om mensen die tegen betaling een
straf uitzitten voor een ander. De persoonsverwisseling kan
gebeuren telkens wanneer een gevangene de gevangenis verlaat,
bijvoorbeeld voor penitentiair verlof. Voor alle gevangenissen
zou dit een veelvoud aan fraudeurs opleveren. Volgens een
onderzoeker van het Nederlandse ministerie van Justitie gaat het
vermoedelijk om het topje van de ijsberg.
Heeft de minister weet van gevallen
van persoonsverwisseling of onjuiste identiteitsgegevens bij
gedetineerden in de Belgische gevangenissen? Zo ja, om hoeveel
gevallen gaat het?
Welke maatregelen bestaan er in ons
land om persoonsverwisselingen tegen te gaan? Gelden deze
maatregelen in iedere gevangenis?
Vorig jaar kaartte de
CCOD-vakbondsvoorzitter een probleem met de controle van de
digitale vingerafdruk aan, onder meer in de gevangenissen van
Vorst en Lantin. De software van de computer zou vaak niet
functioneren. Is de minister op de hoogte van problemen bij de
controle van de digitale vingerafdrukken? Zo ja, welke
maatregelen heeft zij intussen genomen om deze te verhelpen?
|
|
M. Didier
Donfut, secrétaire d’État aux Affaires
européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères.
– On a constaté 6 cas de substitution d’identité
de 2001 à 2006.
Dans trois
cas, un membre de la famille a pris la place du détenu
pendant la visite. Ces substitutions ont eu lieu à
Nivelles en 2001, à Forest en 2002 et à Lantin en
2003. Depuis 2004, pour empêcher les substitutions
d’identité, lorsque les détenus quittent la
salle de visite, on leur appose un cachet à l’encre
invisible qui n’est perceptible qu’au moyen
d’ultraviolets. Depuis lors, plus aucune substitution de ce
type n’a eu lieu.
Dans les trois
autres cas, la substitution de personne a eu lieu à la
suite d’une libération et un détenu a pris la
place d’un autre, un compagnon de cellule. Cela s’est
produit à Lantin en 2004 et à Forest en 2006.
Lorsqu’un
détenu intègre la prison, on vérifie
systématiquement, au moyen de sa carte d’identité,
si l’identité de la personne qui se présente
correspond bien à la personne qui est mentionnée
sur le billet d’écrou, on la photographie et on
prélève ses empreintes digitales. La technique
s’est améliorée depuis quelques années.
Depuis 1998, on recourt à la photo digitale et les
empreintes sont envoyées pour contrôle aux services
centraux de la police. La photo est stockée dans une base
de données électronique. En plus de ce contrôle,
au moment de l’incarcération, on effectue un
prélèvement supplémentaire d’empreintes
par voie électronique. Cette technique permet un contrôle
au moment de la libération de la personne. En effet,
lorsque le détenu quitte l’établissement ou
est libéré, l’empreinte enregistrée
est contrôlée.
En 2004, une
série de problèmes ont été constatés
dans le fonctionnement des lecteurs d’empreintes. Deux
substitutions d’identité ont été
opérées à cette occasion. Le système
d’empreintes a été amélioré et
depuis lors, il est totalement opérationnel. Ainsi, le cas
de substitution de 2006 relève d’une faute humaine.
Un dossier disciplinaire a d’ailleurs été
ouvert à l’encontre de l’agent concerné.
Afin de
perfectionner le système, un nouveau contrôle des
empreintes est à l’essai à Forest, Hasselt et
Andenne.
Dans ce
nouveau système, une nouvelle interface a été
développée entre les programmes d’accès
et le lecteur d’empreintes. L’évaluation
montre qu’une meilleure qualité et une plus grande
fiabilité de l’empreinte sont constatées.
L’objectif
est d’équiper toutes les prisons avec ce nouveau
système. Des moyens budgétaires ont été
dégagés à cet effet.
Nous n’avons
pas connaissance de situations où une personne aurait
purgé une peine à la place d’une autre.
|
De heer Didier Donfut,
staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister
van Buitenlandse Zaken. – Tussen 2001 en 2006 werden zes
gevallen van persoonsverwisseling vastgesteld.
In drie gevallen nam een familielid
tijdens het bezoek de plaats in van de gedetineerde. Dat gebeurde
in de gevangenissen van Nijvel in 2001, Vorst in 2002 en Lantin
in 2003. Om persoonsverwisseling tijdens het bezoek te
verhinderen worden de gedetineerden sinds 2004 gecontroleerd
wanneer ze de bezoekzaal verlaten. Dit gebeurt met stempels met
inkt die enkel onder ultraviolet licht zichtbaar wordt. Sindsdien
zijn er geen persoonsverwisselingen meer geweest.
In de drie andere gevallen gebeurde
de persoonsverwisseling na een vrijlating en nam een gedetineerde
de plaats van een andere, een celgenoot, in. Dat gebeurde in 2004
in Lantin en Vorst en in 2006 in Vorst.
Wanneer een gedetineerde in de
gevangenis wordt opgenomen, wordt altijd aan de hand van de
identiteitskaart nagegaan of de identiteit van de persoon die
zich aanbiedt overeenstemt met de persoon die op het
gevangenisbriefje vermeld staat en worden een foto en
vingerafdrukken genomen. De techniek is sinds enkele jaren
verbeterd. Sinds 1998 wordt er een digitale foto genomen en de
vingerafdrukken worden ter controle doorgestuurd naar de centrale
diensten van de politie. De foto wordt opgeslagen in een
elektronische gegevensbank. Naast bovengenoemde controle wordt er
bij opsluiting een extra elektronische vingerafdruk gemaakt. De
geregistreerde elektronische vingerafdrukken maken een controle
mogelijk wanneer de persoon wordt vrijgelaten. Bij vrijlating of
bij het verlaten van de inrichting wordt de geregistreerde
vingerafdruk gecontroleerd.
In 2004 zijn er problemen
vastgesteld met het functioneren van de vingerafdruklezer. De
twee persoonsverwisselingen profiteerden van deze situatie. Het
systeem werd verbeterd en is sindsdien volledig operationeel. Zo
was de persoonsverwisseling van 2006 aan een menselijke fout te
wijten. Er werd trouwens een tuchtdossier opgemaakt ten laste van
de betrokken beambte.
Om het systeem nog te perfectioneren
is er een nieuw systeem voor de controle van digitale
vingerafdrukken aan het proefdraaien in de gevangenissen van
Vorst, Hasselt en Andenne.
In dit nieuwe systeem wordt een
koppeling gemaakt tussen het accessprogramma en de
vingerafdruklezer. Uit de evaluatie blijkt dat dit een betere
kwaliteit en een grotere betrouwbaarheid geeft.
Het is de bedoeling alle
gevangenissen met de nieuwe systemen uit te rusten. Er werden
daartoe middelen vrijgemaakt.
Ik heb geen kennis van een situatie
waarbij een persoon een straf van een andere persoon heeft
uitgezeten.
|
|
Demande
d’explications de M. Berni Collas à la
vice-première ministre et ministre du Budget et de la
Protection de la consommation sur «les tarifs de roaming
des GSM» (nº 3-2242)
|
Vraag
om uitleg van de heer Berni Collas aan de
vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken
over «roamingtarieven voor gsm’s» (nr. 3-2242)
|
|
Mme la présidente.
– M. Didier Donfut, secrétaire d’État
aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires
étrangères, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese
Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken,
antwoordt.
|
|
M. Berni Collas (MR). –
En décembre 2006, j’ai déjà eu
l’occasion d’adresser à la ministre une
demande d’explications relative aux tarifs de roaming,
principalement dans les zones frontalières. Je voulais
savoir si le gouvernement étudiait cette problématique
et s’il existait une initiative pour atténuer le
coût de roaming. La ministre m’avait répondu
qu’un projet de règlement européen visant à
faire baisser sensiblement ces tarifs était examiné.
La commissaire responsable des médias, Mme Viviane
Reding, avait annoncé, au début de 2006, que la
commission envisageait un projet de règlement européen
concernant les tarifs de roaming.
Le 15 mars dernier, le conseil
des ministres s’est mis d’accord sur les tarifs
maximums. Selon cet accord, un appel de l’étranger
vers la Belgique peut coûter au maximum 50 centimes par
minute. Le prix maximum pour un appel de notre pays vers
l’étranger est fixé à 33 centimes par
minute.
Un projet de règlement
européen est en voie d’élaboration. Il
devrait être finalisé durant la première
moitié de cette année et adopté au plus tard
en juin 2007.
Pouvez-vous préciser l’impact
de la réduction des prix de roaming pour les consommateurs
belges ? Quel est le prix moyen actuel du roaming ?
Combien les consommateurs vont-ils économiser en moyenne ?
|
De heer Berni
Collas (MR). – In december 2006 heb ik de minister
een vraag om uitleg gesteld over de roamingtarieven, voornamelijk
in grensgebieden. Ik wilde weten of de regering dat probleem
bestudeert en of een initiatief heeft genomen om de roamingkosten
te drukken. De minister antwoordde me dat er een Europees ontwerp
van verordening wordt besproken dat een aanzienlijke daling van
die tarieven beoogt. Mevrouw Reding, commissaris voor media,
heeft begin 2006 aangekondigd dat de commissie een ontwerp van
verordening betreffende de roamingtarieven overweegt.
Op 15 maart
jongstleden is de ministerraad het eens geworden over de
maximumtarieven. Krachtens dat akkoord mag een oproep uit het
buitenland naar België maximum 50 cent per minuut
kosten en een oproep van ons land naar het buitenland 33 cent
per minuut.
Er wordt een
ontwerp van Europese verordening uitgewerkt. Het moet rond zijn
in de eerste helft van het jaar en ten laatste in juni 2007
worden goedgekeurd.
Kunt u
preciseren wat de vermindering van het roamingtarief zal
opleveren voor de Belgische consument? Hoeveel bedraagt het
gemiddelde roamingtarief vandaag? Hoeveel zal de consument
gemiddeld besparen?
|
|
M. Didier Donfut,
secrétaire d’État aux Affaires européennes,
adjoint au ministre des Affaires étrangères. –
Je vous lis la réponse de la ministre.
Le roaming désigne plus
généralement la capacité des clients à
accéder à leurs services de téléphonie
mobile à partir d’un pays étranger.
Un projet de règlement est
effectivement en discussion au parlement européen et au
Conseil sur base d’une proposition de la Commission
européenne. Tous les États membres sont d’accord
avec l’objectif final de ce projet de règlement qui
est de réduire de façon significative les tarifs de
roaming. Les ministres des Télécommunications ont
eu un échange informel à ce propos le 15 mars
à Hanovre sur la base d’une proposition de compromis
de la présidence qui envisageait un tarif de protection du
consommateur de 50 centimes hors TVA pour les appels émis
et 25 centimes pour les appels reçus.
La discussion se poursuit
actuellement au Conseil et au parlement, non seulement sur les
montants envisagés mais également pour ce qui
concerne la structure du système à mettre en place.
Il s’agit en effet d’arriver à une réduction
significative pour les consommateurs. Le Conseil, le parlement et
la Commission espèrent dégager un accord sur la
question au cours de cette année, peut-être même
dès le Conseil européen des Télécommunications
du 7 juin.
À titre purement indicatif,
avec les valeurs citées ci-dessus, à savoir un prix
de 50 centimes par minute pour les appels vers la Belgique et un
prix de 25 centimes par minute pour la réception d’appel
à l’étranger, la réduction pour les
consommateurs belges pourrait être estimée à
environ 60% pour les appels depuis l’étranger vers
la Belgique et 70% pour la réception d’appels à
l’étranger.
|
De heer Didier
Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan
de minister van Buitenlandse Zaken. – Roaming maakt het
mogelijk dat klanten ook in het buitenland een beroep kunnen doen
op hun mobiele telefoondiensten.
Op voorstel
van de Europese Commissie bespreken het Europees Parlement en de
Europese Raad inderdaad een ontwerp van verordening ter zake.
Alle lidstaten zijn het eens met het einddoel van het ontwerp van
verordening: het roamingtarief aanzienlijk verminderen. De
ministers van Telecommunicatie hebben hierover op 15 maart
te Hannover informeel van gedachten gewisseld op grond van een
compromisvoorstel van het voorzitterschap dat een
beschermingstarief van 50 cent zonder BTW voor uitgaande
oproepen en van 25 cent voor inkomende oproepen in het
vooruitzicht stelt.
Momenteel
zetten Raad en Parlement de discussie voort, niet alleen over de
toekomstige bedragen, maar ook over de structuur van het in te
voeren systeem. Het komt erop aan de prijs voor de consument
aanzienlijk te verminderen. De Raad, het Parlement en de
Commissie hopen in de loop van dit jaar een akkoord te bereiken,
misschien zelfs al op de Europese Raad voor Telecommunicatie van
7 juni.
Enkel ter
informatie; de prijsvermindering voor de Belgische consument kan
op grond van bovenvermeld tarief van 50 cent per minuut voor
oproepen naar België en van 25 cent per minuut voor de
ontvangst van oproepen uit het buitenland geschat worden op
respectievelijk 60 en 70%.
|
|
Demande
d’explications de Mme Margriet Hermans au ministre des
Affaires sociales et de la Santé publique sur «les
études récentes démontrant les effets nocifs
liés à la consommation de cannabis»
(nº 3-2237)
|
Vraag
om uitleg van mevrouw Margriet Hermans aan de minister van
Sociale Zaken en Volksgezondheid over «recente studies die
de schadelijke gevolgen van het gebruik van cannabis aantonen»
(nr. 3-2237)
|
|
Mme la présidente.
– M. Didier Donfut, secrétaire d’État
aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires
étrangères, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese
Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken,
antwoordt.
|
|
Mme Margriet
Hermans (VLD). – On a pu lire récemment dans la
presse néerlandophone que, selon une étude
britannique, le cannabis était plus dangereux que le LSD
et l’ecstasy. L’étude établit un lien
évident entre le cannabis et les problèmes
psychiques. On évalue à 6% cent la part des adultes
européens qui consomment du cannabis ou avouent en avoir
consommé au moins une fois dans leur vie. L’étude
britannique conclut que, plus que d’autres drogues dures,
le cannabis est responsable de nombreux problèmes mentaux
et psychologiques. Des chiffres du service de santé
britannique montrent par ailleurs que le nombre de mineurs
traités pour des problèmes dus à la
consommation de cannabis a doublé en un an, passant de
5.000 en 2005 à 9.600 un an plus tard. On dénombre
aussi 13.000 adultes qui ont besoin d’un traitement.
L’étude
parue dans le journal britannique « The Independent »
est sans doute la plus convaincante d’une longue série
d’études récentes qui soulignent les dangers
de cette drogue douce. L’accumulation des indices de
nocivité de cette drogue fait que les fervents partisans
de la politique de tolérance, chez nous comme à
l’étranger, se voient obligés de faire marche
arrière.
Que pense le
ministre des résultats de cette étude ?
Quelles conclusions politiques en tire-t-il ?
|
Mevrouw Margriet Hermans
(VLD). – Onlangs verscheen in de Nederlandstalige pers
dat cannabis volgens een Brits onderzoek gevaarlijker is dan LSD
en XTC. Het onderzoek legt een duidelijke link tussen cannabis en
psychische problemen. Naar schatting 6% van alle Europese
volwassenen gebruikt cannabis of geeft toe minstens een keer in
zijn leven cannabis te hebben gebruikt. Cannabis is meer nog dan
bepaalde harddrugs rechtstreeks verantwoordelijk voor tal van
mentale en psychologische problemen, zo concludeert het Britse
onderzoek. Uit cijfers van de Britse gezondheidsdienst blijkt
bovendien dat het aantal minderjarigen in behandeling voor
problemen ten gevolge van het gebruik van cannabis in een jaar
bijna verdubbelde: van 5.000 jongeren in 2005 naar 9.600 een jaar
later. Ook 13.000 volwassenen hebben een behandeling nodig.
Het onderzoek dat in de Britse krant
The Independent verscheen is wellicht het meest
overtuigende van een lange reeks recente onderzoeken die wijzen
op de gevaren van deze softdrug. Grote voorstanders van het
gedoogbeleid in binnen- en buitenland zien zich door de stroom
aan bewijzen tegen de drug verplicht wat gas terug te nemen.
Hoe staat de minister tegenover de
resultaten van deze studie? Welke beleidsconclusies trekt hij
eruit?
|
|
M. Didier
Donfut, secrétaire d’État aux Affaires
européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères.
– Je vous lis la réponse du ministre Demotte.
J’ai
pris connaissance des récentes publications dans les
revues scientifiques « The Lancet » et
« Addiction ». J’ai également
constaté l’intérêt de la presse pour
les résultats de ces études. Je trouve que de
telles études et leur large diffusion sont une bonne
chose. J’applaudis à toute initiative qui apporte
des éléments objectifs dans le débat
sociétal sur l’utilisation des drogues.
Je retiens de
ces études surtout les points suivants. Les chercheurs
font une distinction entre le groupe de produits avec une
nocivité plus grande, et les produits moins nocifs. La
ligne de démarcation entre les deux groupes est constituée
par l’alcool. Ensuite, il ressort de cette division que des
produits tels que l’héroïne, le tabac,
l’alcool, les benzodiazépines et la méthadone
vendue sur le marché noir se situent dans le groupe des
produits présentant une plus grande nocivité.
Ma politique
se concentre surtout sur ce dernier groupe. Je donnerai comme
exemples la distribution médicale d’héroïne
à Liège, l’enregistrement des produits de
substitution, le plan fédéral contre le tabac, le
plan d’action national contre l’alcool et les
campagnes relatives aux benzodiazépines. Les experts
estiment que le tabac et l’alcool sont plus nocifs que le
cannabis. Plus encore, le tabac et l’alcool pris ensemble
sont responsables d’environ 90% des décès dus
aux drogues au Royaume-Uni.
Il n’y a
pas d’unanimité scientifique sur le lien causal
direct entre la consommation de cannabis et le développement
d’une schizophrénie. En d’autres termes, les
messages véhiculés par ces études ne sont
pas neufs.
Néanmoins,
tous les chiffres indiquent que le cannabis est la drogue
illégale la plus consommée et que cette
consommation a augmenté au cours de la dernière
décennie. Cela ne peut pas nous laisser indifférents.
Nous devons être tout particulièrement attentifs à
la consommation des jeunes.
Une question
essentielle est de savoir comment il est possible d’inciter
les gens, et surtout les jeunes, à adopter un comportement
sain, d’où est exclue par définition la
consommation de drogues. Il faut favoriser la communication
ouverte avec les jeunes et de faire en sorte d’accroître
leur répulsion envers la consommation de substances
psychoactives. C’est une responsabilité des parents,
de l’enseignement, des dispensateurs de soins, des jeunes
eux-mêmes, mais aussi des autorités.
|
De heer Didier Donfut,
staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister
van Buitenlandse Zaken. – Ik lees het antwoord van minister
Demotte.
Ik heb kennis genomen van de recente
publicaties in de wetenschappelijke tijdschriften The Lancet
en Addiction. Ik ben ook op de hoogte van de
persbelangstelling voor de onderzoeksresultaten. Ik vind
dergelijke studies en de verspreiding ervan een goede zaak. Ik
juich elk initiatief toe dat objectieve elementen aanbrengt in
het maatschappelijke debat over drugsgebruik.
Ik onthoud uit deze studies vooral
de volgende punten. De onderzoekers maken een onderscheid tussen
producten met een grotere schade en producten met een kleinere
schade, waarbij alcohol de cutoff tussen beide groepen is.
Producten zoals heroïne, tabak, alcohol, benzodiazepines en
methadon op de zwarte markt horen thuis in de groep met grotere
schade.
Mijn beleid richt zich vooral op die
laatste groep. Ik verwijs naar het opstarten van het medisch
verstrekken van heroïne in Luik, de registratie van
vervangingsmiddelen, het federale tabaksplan, het nationaal
alcoholactieplan en de benzocampagne.
Volgens experts is een gewoon
gebruik van tabak en alcohol schadelijker dan dat van cannabis.
Tabak en alcohol zijn in het Verenigd Koninkrijk zelfs
verantwoordelijk voor ongeveer 90 procent van de
drugsgerelateerde overlijdens. Onder wetenschappers bestaat geen
eensgezindheid over het directe causale verband tussen
cannabisgebruik en het ontwikkelen van schizofrenie. De
boodschappen van deze studies zijn dus niet nieuw.
Volgens alle gegevens is cannabis
wel de meest gebruikte illegale drug. Het gebruik ervan is de
voorbije tien jaar nog toegenomen. Dat mag ons niet onverschillig
laten. Vooral voor het gebruik door jongeren moeten we meer dan
bijzondere aandacht hebben.
Een essentiële vraag is hoe we
mensen, en vooral jongeren, kunnen stimuleren tot gezond gedrag,
waarvan drugsgebruik per definitie geen deel uitmaakt. Belangrijk
hierbij is een open communicatie met jongeren en het verhogen van
hun afkeer voor het gebruik van psychoactieve stoffen. Dat is een
verantwoordelijkheid van de ouders, het onderwijs, de
zorgverleners en de jongeren zelf, maar ook van de overheid.
|
|
Un élément important
dans la communication est de disposer d’informations
objectives. Aussi bien moi-même que mes homologues des
gouvernements des entités fédérées
prennent déjà des initiatives en la matière.
Je constate toutefois qu’il y
a encore un grand besoin de telles informations, et ce, chez
toutes les personnes concernées. Je vais dès lors
lancer prochainement une campagne à grande échelle
afin de diffuser le plus largement possible des informations
objectives sur le cannabis mais aussi sur toutes les autres
substances psychoactives. Il va de soi que je le ferai en
concertation avec mes homologues des communautés et des
régions. Je vais demander que la Cellule de politique
sanitaire sur les drogues, qui réunit chaque mois les
représentants des différents ministres de la Santé
publique, suive de près cette initiative.
Toutefois, donner des informations
n’est pas suffisant. L’accueil et le traitement des
utilisateurs problématiques doivent également être
constamment améliorés. Sur ce point, je peux vous
dire qu’il y a à peine deux semaines, sur ma
proposition, le conseil des ministres a donné son
approbation au financement d’un projet pilote dans lequel
sera testé un nouveau modèle de traitement pour les
jeunes consommateurs problématiques de cannabis.
Ce modèle de traitement se
fonde sur une thérapie familiale multidimensionnelle, et
est déjà appliquée actuellement avec succès
aux États-Unis. Ce projet fera l’objet d’une
collaboration avec des centres de traitement et des équipes
de recherche aux Pays-Bas, en France et en Allemagne. Les
résultats finaux de cette étude sont attendus en
2010.
Troisièmement, j’ai
créé à la fin de l’année
dernière un fonds distinct pour financer des projets de
lutte contre les assuétudes. Ce fonds bénéficie
chaque année d’un apport de cinq millions d’euros.
À ce jour, nous avons reçu quelque cent cinquante
propositions de projets, qui concernent environ tous les aspects
des assuétudes. Un comité interdisciplinaire me
donnera un avis ce mois-ci encore sur chacun de ces projets. Je
veillerai à ce que les besoins existants soient satisfaits
au maximum et ce, dans toutes les régions de notre pays.
Avec de telles initiatives, je
pense, madame Hermans, pouvoir contribuer dans une large mesure à
trouver des solutions à la consommation problématique
de substances psychoactives comme le cannabis.
|
Een belangrijk
element in de communicatie is objectieve informatie. Zowel ikzelf
als mijn collega’s van de gemeenschaps- en gewestregeringen
nemen reeds initiatieven op dat vlak.
Ik stel
evenwel bij alle betrokkenen nog een grote behoefte aan
objectieve informatie vast. Daarom start ik binnenkort een
campagne op voor de ruime verspreiding van objectieve informatie
over cannabis en alle andere psychotrope stoffen. Dat gebeurt
uiteraard in overleg met mijn collega’s van de
gemeenschappen en de gewesten. Ik ga de beleidscel
Gezondheid-Drugs, waar de verschillende ministers van
Volksgezondheid maandelijks bijeenkomen, vragen dat initiatief
van nabij te volgen.
Informatie
verstrekken volstaat evenwel niet. Opvang en behandeling van de
problematische gebruikers moeten ook voortdurend worden
verbeterd. Nauwelijks twee weken geleden heeft de ministerraad op
mijn voorstel zijn goedkeuring verleend aan de financiering van
een proefproject waarin een nieuw behandelingsmodel voor jonge
problematische cannabisgebruikers zal worden getest.
Dat
behandelingsmodel is gebaseerd op een meerdimensionale familiale
therapie en wordt momenteel reeds met succes toegepast in de
Verenigde Staten. Voor dat project zal worden samengewerkt met
behandelings- en onderzoekscentra in Nederland, Frankrijk en
Duitsland. De eindresultaten van deze studie worden verwacht in
2010.
Eind vorig
jaar heb ik een afzonderlijk fonds voor de financiering van
projecten voor bestrijding van verslaving opgericht. Dat fonds
krijgt jaarlijks vijf miljoen euro steun. Tot op heden hebben we
ongeveer honderdvijftig voorstellen van projecten ontvangen, die
zowat alle aspecten van verslaving betreffen. Een
interdisciplinair comité zal me nog deze maand advies
verstrekken over elk project. Ik zal ervoor zorgen dat zo veel
mogelijk aan de behoeften in alle gewesten van ons land wordt
voldaan.
Met zulke
initiatieven denk ik in ruime mate bij te dragen tot het vinden
van oplossingen voor het problematische gebruik van psychotrope
stoffen zoals cannabis.
|
|
Mme Margriet
Hermans (VLD). – Je sais que le ministre partage mon
inquiétude. Il a d’ailleurs abattu un travail
considérable en la matière ces dernières
semaines. J’insiste pourtant encore pour qu’il prenne
au sérieux les articles parus dans The Lancet. Je
persiste à croire que nous sous-estimons les risques de
l’usage du cannabis, d’autant plus que la qualité
du produit a énormément changé ces vingt
dernières années.
|
Mevrouw Margriet Hermans
(VLD). – Ik weet dat de minister mijn bezorgdheid
deelt. Hij heeft de voorbije weken overigens enorm veel werk
verzet rond deze problematiek. Toch dring ik er nog op aan dat
hij de artikelen in The Lancet ernstig neemt. Ik blijf
erbij dat we het gevaar van cannabisgebruik onderschatten, ook al
omdat de kwaliteit van het product de voorbije twintig jaar enorm
veranderd is.
|
|
Demande
d’explications de M. Christian Brotcorne au ministre
de l’Économie, de l’Énergie, du
Commerce extérieur et de la Politique Scientifique sur «la
mise en œuvre du Livre blanc pour la modernisation des
établissements scientifiques» (nº 3-2238)
|
Vraag
om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de
minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en
Wetenschapsbeleid over «de uitvoering van het Witboek voor
de modernisering van de wetenschappelijke instellingen»
(nr. 3-2238)
|
|
Mme la présidente.
– M. Didier Donfut, secrétaire d’État
aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires
étrangères, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese
Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken,
antwoordt.
|
|
M. Christian Brotcorne
(CDH). – La présente demande d’explications
reprend ma question écrite de mai 2005 (nº 3-2649)
relative à la mise en œuvre du Livre blanc pour la
modernisation des établissements scientifiques. Sous
l’impulsion de dix directeurs d’établissements
scientifiques et du ministre de tutelle de l’époque,
un Livre blanc avait été rédigé afin
de moderniser les établissements scientifiques.
Dans ce livre, huit grandes actions
prioritaires avaient été identifiées :
informatisation des collections menacées de disparition ;
maintien et développement de la recherche en faisant des
choix dans les thèmes de recherche et en les inscrivant
dans les grands réseaux d’excellence
internationaux ; modernisation et mise en valeur du
patrimoine, dont les bâtiments, la muséographie,
etc. ; garantie de la sécurité des
utilisateurs, des visiteurs et du personnel par la mise en
conformité aux normes de sécurité contre le
vol et l’incendie ; amélioration de l’image
des musées et des institutions qui sont mal connus du
public, par un meilleur accueil du public, des art shops,
des restaurants, entre autres ; amélioration de la
gestion par l’accroissement de l’autonomie de gestion
des établissements, la mise en œuvre d’un
contrôle interne et externe, etc.
Je souhaiterais connaître la
position du ministre à l’égard des huit
actions prioritaires formulées par le Livre blanc.
Envisage-t-il de les mettre en œuvre ? Si oui, dans
quel délai ? Si non, pourquoi ?
En outre, le Livre blanc envisageait
des mesures d’autonomie accrue dans la gestion des
établissements scientifiques et un refinancement
progressif qui, au total, aurait dû approcher un milliard
d’euros en dix ans.
Le ministre envisage-t-il
d’accroître l’autonomie de gestion des
directeurs des établissements scientifiques ? Dans la
négative, pourquoi ? Dans l’affirmative,
peut-il me communiquer les différentes mesures qui ont été
prises en ce sens ? Peut-il également me préciser
ce qu’il en est au niveau du refinancement ?
Plus fondamentalement, je
souhaiterais connaître le bilan qui peut être dressé
de son action à l’égard des établissements
scientifiques au cours de cette législature ?
|
De heer Christian
Brotcorne (CDH). – Ik heb deze vraag om uitleg al
gesteld onder de vorm van een schriftelijke vraag in mei 2005
(nr. 3-2649). Onder impuls van tien directeurs van de
wetenschappelijke instellingen en van de toenmalige
voogdijminister werd een Witboek opgesteld met het oog op de
modernisering van de wetenschappelijke instellingen.
In het Witboek
werden acht grote, prioritaire acties aangegeven: informatisering
van de met verdwijning bedreigde verzamelingen; op peil houden en
ontwikkelen van het onderzoek door keuzes te maken in de
onderzoeksthema’s en ze te laten opnemen in de grote,
internationale onderzoeksnetwerken tussen de topinstituten;
modernisering en valorisatie van het patrimonium, waaronder
gebouwen, museologie, enzovoort; gewaarborgde veiligheid van de
gebruikers, de bezoekers en het personeel, door te zorgen voor
conformiteit met de veiligheidsnormen tegen inbraak en brand;
verbetering van het imago van de musea en instituten die slecht
bekend zijn bij het publiek door middel van beter onthaal van het
publiek, ‘art shops’, restaurants; verbetering van
het beheer door middel van grotere beheersautonomie van de
instellingen, invoering van een interne en een externe controle,
enzovoort.
Ik zou graag
het standpunt van de minister kennen ten aanzien van de acht
prioritaire acties voor de modernisering van de wetenschappelijke
instellingen waarin het Witboek voorziet. Is hij voornemens ze
uit te voeren? Zo ja, binnen welke termijn? Zo niet, waarom?
Bovendien
stelde het Witboek een grotere beheersautonomie voor de
wetenschappelijke instellingen in het vooruitzicht evenals een
geleidelijke herfinanciering die globaal genomen over tien jaar
bijna één miljard euro beloopt.
Overweegt de
minister de beheersautonomie voor de directeurs van de
wetenschappelijke instellingen uit te breiden? Zo niet, waarom
niet? Zo ja, kan hij me meedelen welke maatregelen in die zin
werden genomen? Kan hij tevens preciseren hoe ver het staat met
de herfinanciering?
Wat is het
resultaat van het beleid dat de minister gedurende deze
regeerperiode ten aanzien van de wetenschappelijke instellingen
heeft gevoerd?
|
|
M. Didier Donfut,
secrétaire d’État aux Affaires européennes,
adjoint au ministre des Affaires étrangères. –
Je vous donne lecture de la réponse du ministre
Verwilghen.
À la suite du Livre blanc
pour la modernisation des établissements scientifiques
fédéraux, ESF, la Politique scientifique fédérale
a lancé en 2002 un appel d’offres pour identifier
les besoins, les acquis et les priorités à dix ans
dans le domaine de la digitalisation des collections.
Le coût de la numérisation
intégrale du patrimoine documentaire, artistique et
scientifique est évalué à 575 millions
d’euros. La Politique scientifique fédérale a
déterminé, en concertation avec les établissements
scientifiques fédéraux, une soixantaine de projets
prioritaires, et a dégagé un scénario de
base de l’ordre de 150 millions d’euros portant sur
une durée de dix ans.
Les ESF participent activement par
le biais des programmes de recherche au maintien et au
développement de la recherche en faisant des choix dans
les thèmes de recherche et en les inscrivant dans les
grands réseaux d’excellence.
Pour ce qui concerne la
modernisation et la mise en valeur du patrimoine, je citerai les
travaux d’infrastructure réalisés en
partenariat avec la Régie des Bâtiments concernant
notamment l’aile Janlet de l’IRScNB, le lancement de
la rénovation du Musée royal d’Afrique
centrale, la future scénographie de la Porte de Hall, la
rénovation d’une partie du Musée d’Art
ancien des Musées royaux des Beaux-arts de Belgique et les
Archives des dépôts de Gand, Tournai, Namur et
Bruges.
En outre, de nouvelles dispositions
ont été prises avec la Régie des Bâtiments
pour impliquer plus étroitement les ESF lors de
l’élaboration de son planning d’investissement.
En ce qui concerne la sécurité
des utilisateurs, des visiteurs et du personnel, un budget
supplémentaire de trois millions d’euros a été
dégagé pour répondre notamment à ces
besoins. En outre, deux personnes ont été désignées
pour remplir cette tâche par institut, à savoir un
conseiller chargé de la prévention et un directeur
du service de sécurité.
Pour ce qui concerne l’image
des musées et institutions, je citerai à titre
d’exemple la rénovation du Musée d’Art
ancien qui vise l’accueil au public.
Sur le plan de l’amélioration
de la gestion, je rappelle la nomination, en 2005, des dix
nouveaux directeurs des ESF pour une durée de six ans. Ces
nominations permettent de stabiliser les perspectives de
développement de ces établissements grâce aux
programmes cadres qui s’étendent sur une période
de trois ans et ont pour objet de fixer les objectifs
prioritaires. En outre, diverses dispositions réglementaires
fondamentales régissant les statuts des ESF sont
actuellement en cours de révision.
Ainsi, depuis 2005, un plan commun
annuel de personnel est rédigé pour l’ensemble
de la Politique scientifique fédérale.
Les réformes des
réglementations concernant la gestion des ESF et le statut
du personnel entrent dans leur phase finale en matière de
contrôle administratif et budgétaire.
La réforme des organes de
gestion et des structures de gestion des ESF est également
inscrite dans les textes réglementaires mentionnés
ci-dessus. Elle prévoit entre autres le regroupement des
compétences de la commission de gestion et du Conseil
scientifique en un seul nouveau Conseil stratégique et le
remplacement des sections et des départements actuels par
des directions opérationnelles.
Sur le plan budgétaire, j’ai
pu faire procéder, à partir de 2007, à un
refinancement récurrent pour la plupart des besoins
urgents des ESF, avec une provision de trois millions d’euros
par an.
Un montant de 4,6 millions d’euros
supplémentaires est prévu pour des projets de
valorisation du savoir-faire scientifique des ESF. Le
gouvernement démontre de cette façon qu’il
prend ses responsabilités pour ancrer solidement au
fédéral l’avenir de ces établissements.
Avec l’indexation éventuelle, l’augmentation
de la dotation se chiffre à environ 9%.
|
De heer Didier
Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan
de minister van Buitenlandse Zaken. – Ik lees het antwoord
van minister Verwilghen.
Ten gevolge
van het Witboek voor de modernisering van de federale
wetenschappelijke instellingen (FWI), schreef het Federaal
Wetenschapsbeleid in 2002 een offerteaanvraag uit om de
behoeften, verworvenheden en prioriteiten op het gebied van de
digitalisering van de collecties voor de komende tien jaar vast
te stellen.
De kosten voor
de volledige digitalisering van het documentair, artistiek en
wetenschappelijk patrimonium worden op 575 miljoen euro geraamd.
In samenspraak met de federale wetenschappelijke instellingen
(FWI) heeft het Federaal Wetenschapsbeleid een zestigtal
prioritaire projecten vastgelegd en een basisscenario over tien
jaar voor een bedrag van 150 miljoen euro opgesteld.
De FWI dragen
via de onderzoeksprogramma’s actief bij tot het behoud en
de uitbouw van het onderzoek door onderzoeksthema’s te
kiezen en ze in de beste grote netwerken op te nemen.
Ten behoeve
van de modernisering en de valorisatie van het erfgoed werden in
samenwerking met de Regie der Gebouwen infrastructuurwerken
uitgevoerd, met name de Janletvleugel van het KBIN, de renovatie
van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, de toekomstige
scenografie van de Hallepoort, de renovatie van een deel van het
Museum voor Oude Kunst van de KMSKB en het Rijksarchief te Gent,
Doornik, Namen en Brugge.
Bovendien
werden met de Regie der Gebouwen nieuwe bepalingen opgesteld die
de FWI’s nauwer moeten betrekken bij de uitwerking van de
investeringsplanning van de Regie.
Voor de
veiligheid van de gebruikers, de bezoekers en het personeel werd
een bijkomend budget van drie miljoen euro vrijgemaakt. Bovendien
werden twee personen per instituut aangewezen om deze taak in te
vullen: een raadgever belast met de preventie en een directeur
van de veiligheidsdienst.
Wat het imago
van de musea en de instellingen betreft, geef ik als voorbeeld de
renovatie van het Museum voor Oude Kunst, die betrekking had op
het onthaal van het publiek.
Op het vlak
van de verbetering van het beheer verwijs ik naar de benoeming,
in 2005, van de tien nieuwe directeurs van de FWI’s voor
zes jaar. Deze benoemingen zorgen voor meer stabiliteit in de
ontwikkelingsperspectieven van die instellingen. Er zullen
driejarenplannen worden opgesteld waarin de prioritaire
doelstellingen worden opgenomen. Sommige fundamentele
reglementaire bepalingen betreffende het statuut van de FWI’s
worden momenteel herzien.
Zo wordt
sedert 2005 een gezamenlijk jaarlijks personeelsplan voor het
gehele Federale Wetenschapsbeleid opgesteld.
De
hervormingen van de regelgevingen inzake het beheer van de FWI’s
en het statuut van het personeel bevinden zich in de eindfase van
de administratieve en begrotingscontrole.
De hervorming
van de beheersorganen en beheersstructuren van de FWI’s,
die eveneens in de hiervoor vermelde regelgevende teksten is
ingeschreven, voorziet onder meer in de samenvoeging van de
bevoegdheden van de Beheerscommissie en van de Wetenschappelijke
Raad in één nieuw beleidsorgaan, de Beleidsraad, en
in de vervanging van de huidige departementen en afdelingen door
operationele directies.
Op budgettair
vlak heb ik vanaf 2007 in een recurrente financiering voor de
meeste dringende behoeften van de FWI’s voorzien, met een
voorlopig bedrag van drie miljoen euro per jaar.
Een bijkomend
bedrag van 4,6 miljoen euro zal worden vrijgemaakt voor projecten
ter valorisering van de wetenschappelijke knowhow van de FWI’s.
Met dat engagement toont de regering aan dat zij haar
verantwoordelijkheid opneemt om deze instellingen duurzaam
federaal te verankeren. Samen met de eventuele indexering
bedraagt de stijging van de dotatie ongeveer 9%.
|
|
Demande
d’explications de M. Dany Vandenbossche au ministre de
l’Économie, de l’Énergie, du Commerce
extérieur et de la Politique Scientifique sur «le
service de la Bibliothèque Royale les samedis»
(nº 3-2230)
|
Vraag
om uitleg van de heer Dany Vandenbossche aan de
minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en
Wetenschapsbeleid over «de dienstverlening van de
Koninklijke Bibliotheek op zaterdag» (nr. 3-2230)
|
|
Mme la présidente.
– M. Didier Donfut, secrétaire d’État
aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires
étrangères, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese
Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken,
antwoordt.
|
|
M. Dany
Vandenbossche (SP.A-SPIRIT). – Le samedi, les livres du
Dépôt légal et les collections spéciales
de la Bibliothèque royale de Belgique ne sont plus
accessibles. Selon les rumeurs, il serait aussi question de ne
plus permettre d’autres emprunts d’ouvrages le
samedi, à moins que le document n’ait été
demandé au préalable. Des recherches flexibles ne
seraient donc plus possibles.
Dans une ville
caractérisée par un déséquilibre
entre l’offre et la demande sur le marché de
l’emploi et dans un pays où toutes les autorités
s’efforcent de promouvoir la formation continue, notre
Bibliothèque royale risque quasiment de ne plus ouvrir ses
portes le samedi.
Les personnes
qui réalisent des études après leur journée
de travail et les autres personnes intéressées
n’auront donc plus l’occasion de réaliser des
recherches à l’Albertine le samedi.
Le ministre
juge-t-il préoccupant que seul un service minimal soit
offert le samedi à la Bibliothèque royale de
Belgique ?
Les rumeurs de
nouvelles réductions du service le samedi sont-elles
fondées ?
Est-il
possible d’organiser une concertation pour modifier ces
projets ?
|
De heer Dany
Vandenbossche (SP.A-SPIRIT). – Wie op zaterdag naar de
Koninklijke Bibliotheek van België gaat, en een boek wil
inkijken uit het wettelijk depot – dat zijn de Belgische
boeken van na 1966 – of uit een gespecialiseerde afdeling,
komt voor een onaangename verrassing te staan: op zaterdag zijn
die niet meer toegankelijk. Er lijkt bovendien geen beterschap in
zicht te zijn. Integendeel, het gerucht doet de ronde dat er
plannen zijn om ook andere ontleningen in de toekomst op zaterdag
niet meer mogelijk te maken, tenzij ze vooraf werden aangevraagd
– wat flexibel opzoekwerk uitsluit.
In een stad die worstelt met een
tegenstelling tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, in een
land waar zowat alle overheden inspanningen doen om levenslang
leren en opleidingen te propageren, dreigt onze Koninklijke
Bibliotheek op zaterdag nog nét niet helemaal te sluiten.
Wie overdag gaat werken en uit
interesse of om beroepsredenen na zijn uren studeert kan maar
beter in ziekteverlof gaan, want op zaterdag zijn vlotte
opzoekingen niet mogelijk in de Albertina.
Er zijn ongetwijfeld ook genoeg
andere potentiële geïnteresseerden voor wie zaterdag de
dag bij uitstek is waarop ze tijd kunnen maken om naar de
bibliotheek te gaan.
Deelt de minister de mening dat het
zorgwekkend is dat er op zaterdag slechts een minimale
dienstverlening in de Koninklijke Bibliotheek van België is?
Zijn de geruchten over plannen van
een verdere afbouw van de dienstverlening op zaterdag juist?
Is er overleg mogelijk om die
plannen alsnog te wijzigen?
|
|
M. Didier
Donfut, secrétaire d’État aux Affaires
européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères.
– Je vous lis la réponse du ministre Verwilghen.
Dans la
plupart des pays, le dépôt légal implique la
remise gratuite à la bibliothèque nationale d’un
minimum de deux exemplaires de tout ouvrage publié dans ou
sur le pays concerné : soit un premier exemplaire
destiné à « l’archivage »
et à conserver tel quel, comme un patrimoine national
|