3-208

Sénat de Belgique

Session ordinaire 2006-2007

Séances plénières

Jeudi 15 mars 2007

Séance de l’après-midi

3-208

Belgische Senaat

Gewone Zitting 2006-2007

Plenaire vergaderingen

Donderdag 15 maart 2007

Namiddagvergadering

Annales

Handelingen

 

Sommaire

Inhoudsopgave

Présentation de candidats pour la fonction d’assesseur (F) auprès de la section de législation du Conseil d’État

Prise en considération de propositions

Dépôt de propositions

Questions orales

Projet de loi désignant les représentants des infirmiers à domicile à la commission de conventions infirmiers-organismes assureurs (de Mme Annemie Van de Casteele et consorts, Doc. 3-336) (Art. 81, alinéa 3, et art. 78, alinéa premier, de la Constitution)

Projet de loi modifiant les lois coordonnées du 12 janvier 1973 sur le Conseil d’État (Doc. 3-2070)

Demande d’explications de M. Christian Brotcorne au vice-premier ministre et ministre des Finances sur «les négociations en vue d’une révision de la convention franco-belge préventive de double imposition» (nº 3-2187)

Demande d’explications de M. Christian Brotcorne au vice-premier ministre et ministre des Finances sur «l’instauration d’un incitant fiscal en vue de favoriser le mécénat d’entreprise» (nº 3-2188)

Demande d’explications de Mme Jacinta De Roeck à la vice-première ministre et ministre du Budget et de la Protection de la consommation sur «le champ d’application de la réglementation élaborée pour les travailleurs qui dénoncent des irrégularités» (nº 3-2184)

Demande d’explications de Mme Jacinta De Roeck à la vice-première ministre et ministre du Budget et de la Protection de la consommation sur «la vente couplée dans le secteur des télécommunications» (nº 3-2185)

Demande d’explication de M. Christian Brotcorne au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur «l’octroi du statut de protection temporaire aux victimes de la guerre civile en Irak» (nº 3-2192)

Demande d’explications de Mme Jacinta De Roeck au ministre des Affaires étrangères sur «la proposition d’autonomie du Sahara occidental» (nº 3-2189)

Demande d’explications de Mme Margriet Hermans au ministre des Affaires étrangères sur «la Convention du Conseil de l’Europe sur la lutte contre la traite des êtres humains» (nº 3-2190)

Votes

Ordre des travaux

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «les grandes quantités de benzène dans les boissons rafraîchissantes» (nº 3-2195)

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «les conditions de travail des médecins généralistes en formation» (nº 3-2196)

Demande d’explications de Mme Jacinta De Roeck au ministre de la Coopération au Développement sur «le fonds des garanties» (nº 3-2170)

Demande d’explications de Mme Christel Geerts au ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances et au ministre de l’Emploi sur «la politique relative aux holebis» (nº 3-2186)

Demande d’explications de M. Berni Collas au ministre de la Mobilité sur «la réforme de la formation à la conduite pour le permis de conduire de la catégorie G» (nº 3-2191).

Excusés

Annexe

Votes nominatifs

Propositions prises en considération

Demandes d’explications

Non-évocation

Dépôt de projets de loi

Cour d’arbitrage – Arrêts

Cour d’arbitrage – Questions préjudicielles

Cour d’arbitrage – Recours

Auditorat du Travail

Parquet

Tribunaux de commerce

Tribunal du travail

Voordracht van kandidaten voor het ambt van assessor (F) bij de afdeling wetgeving van de Raad van State

Inoverwegingneming van voorstellen

Indiening van voorstellen

Mondelinge vragen

Wetsontwerp tot aanwijzing van de vertegenwoordigers van de thuisverpleegkundigen in de overeenkomstencommissie verpleegkundigen-verzekeringsinstellingen (van mevrouw Annemie Van de Casteele c.s., Stuk 3-336) (Art. 81, derde lid, en art. 78, eerste lid, van de Grondwet)

Wetsontwerp tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State (Stuk 3-2070)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over «de onderhandelingen in het kader van de herziening van de Belgisch-Franse overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting» (nr. 3-2187)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over «de invoering van een fiscale incentive ter bevordering van het bedrijfsmecenaat» (nr. 3-2188)

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken over «het toepassingsgebied van de regeling voor klokkenluiders» (nr. 3-2184)

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken over «koppelverkoop in de telecommunicatiesector» (nr. 3-2185)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «het verlenen van tijdelijke bescherming aan de slachtoffers van de burgeroorlog in Irak» (nr. 3-2192)

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Buitenlandse Zaken over «het voorstel tot autonomie van de Westelijke Sahara» (nr. 3-2189)

Vraag om uitleg van mevrouw Margriet Hermans aan de minister van Buitenlandse Zaken over «het Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel» (nr. 3-2190)

Stemmingen

Regeling van de werkzaamheden

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de grote hoeveelheden benzeen in frisdranken» (nr. 3-2195)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «arbeidsvoorwaarden van de huisartsen in opleiding» (nr. 3-2196)

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «het garantiefonds» (nr. 3-2170)

Vraag om uitleg van mevrouw Christel Geerts aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen en aan de minister van Werk over «het holebibeleid» (nr. 3-2186)

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de minister van Mobiliteit over «de hervorming van de rijopleiding voor het rijbewijs categorie G» (nr. 3-2191).

Berichten van verhindering

Bijlage

Naamstemmingen

In overweging genomen voorstellen

Vragen om uitleg

Niet-evocatie

Indiening van wetsontwerpen

Arbitragehof – Arresten

Arbitragehof – Prejudiciële vragen

Arbitragehof – Beroepen

Arbeidsauditoraat

Parket

Rechtbanken van koophandel

Arbeidsrechtbank

 

Présidence de Mme Anne-Marie Lizin

(La séance est ouverte à 15 h 15.)

Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin

(De vergadering wordt geopend om15.15 uur.)

Présentation de candidats pour la fonction d’assesseur (F) auprès de la section de législation du Conseil d’État

Voordracht van kandidaten voor het ambt van assessor (F) bij de afdeling wetgeving van de Raad van State

Mme la présidente. – Par lettre du 8 mars 2007 le premier président du Conseil d’État porte à la connaissance du Sénat qu’en son audience publique du 6 février 2007, l’assemblée générale du Conseil a procédé, conformément à l’article 80 des lois coordonnées sur le Conseil d’État, à l’établissement de listes de candidats présentés en vue de la nomination à deux fonctions d’assesseur francophone devenues vacantes auprès de la section de législation.

De voorzitter. – Bij brief van 8 maart 2007 deelt de eerste voorzitter van de Raad van State mee dat de algemene vergadering van de Raad ter openbare zitting van 6 februari 2007, overeenkomstig artikel 80 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, overgegaan is tot het opmaken van lijsten van kandidaten voorgedragen voor de benoeming tot twee ambten van Franstalig assessor die bij de afdeling wetgeving vacant zijn geworden.

En vertu de l’article 70, §1er, alinéas 2 à 12, des lois coordonnées précitées, il incombe au Sénat de procéder à la présentation de candidats pour la deuxième place vacante d’assesseur.

Overeenkomstig artikel 70, §1, tweede tot twaalfde lid van de voornoemde gecoördineerde wetten, komt het aan de Senaat toe om over te gaan tot de voordracht van kandidaten voor het tweede vacante ambt van assessor.

Le premier président du Conseil d’État a reçu les candidatures des personnes suivantes :

De eerste voorzitter van de Raad van State heeft de kandidaturen van de volgende personen ontvangen:

M. Yves-Henri Leleu, professeur ordinaire à l’ULg, chargé de cours à l’ULB et avocat au barreau de Bruxelles ;

de heer Yves-Henri Leleu, gewoon hoogleraar aan de ULg, docent aan de ULB en advocaat aan de balie van Brussel;

M. Georges de Leval, professeur ordinaire à l’ULg ;

de heer Georges de Leval, gewoon hoogleraar aan de ULg.

M. Michel Pâques, doyen de l’ULg et professeur ordinaire à l’ULg ;

de heer Michel Pâques, decaan aan de ULg en gewoon hoogleraar aan ULg;

M. Jean-François Romain, avocat au barreau de Bruxelles et au barreau de Mons et chargé de cours à l’ULB ;

de heer Jean-François Romain, advocaat aan de balie van Brussel en aan de balie van Bergen en docent aan de ULB;

Mme Anne Weyembergh, directrice de l’Institut d’Études européennes de l’ULB et chargée de cours à l’Institut d’études européennes, section juridique ;

mevrouw Anne Weyembergh, directrice van het Institut d’études européennes aan de ULB en docente aan het Institut d’études européennes, juridische afdeling;

Le Conseil d’État a présenté à l’unanimité des voix M. Georges de Leval pour la première place vacante d’assesseur.

De Raad van State heeft de heer Georges de Leval bij eenparigheid van stemmen voorgedragen voor het eerste ambt van assessor.

Ont été présentés par le Conseil d’État pour la deuxième place vacante, sans unanimité toutefois :

Werden door de Raad van State voorgedragen voor het tweede vacante ambt, evenwel zonder eenparigheid van stemmen:

comme premier candidat : Mme Anne Weyembergh ;

als eerste kandidaat: mevrouw Anne Weyembergh;

comme deuxième candidat : M. Jean-François Romain ;

als tweede kandidaat: de heer Jean-François Romain;

comme troisième candidat : M. Michel Pâques.

als derde kandidaat: de heer Michel Pâques.

Étant donné que la présentation n’est pas unanime, l’article 70, §1er, alinéa 7, et l’article 80, alinéa 2, des lois coordonnées sur le Conseil d’État, sont d’application : « En l’absence d’unanimité lors d’une première présentation ou lors d’une nouvelle présentation à la suite d’un refus, la Chambre des représentants ou le Sénat peuvent alternativement, dans un délai ne pouvant dépasser trente jours à compter de la réception de cette présentation :

Aangezien de voordracht niet unaniem is, zijn artikel 70, §1, zevende lid, en artikel 80, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, van toepassing: ‘Indien er geen eenparigheid van stemmen is bij een eerste of bij een nieuwe voordracht naar aanleiding van een weigering, kunnen de Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat beurtelings, binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen vanaf de ontvangst van de mededeling van deze voordracht:

soit confirmer la liste présentée par le Conseil d’État ;

hetzij de door de Raad van State voorgedragen lijst bevestigen;

soit présenter par scrutin secret, une deuxième liste de trois noms qui fait l’objet d’une motivation formelle. ».

hetzij bij geheime stemming een tweede lijst met drie namen die uitdrukkelijk wordt gemotiveerd, voordragen.’.

Le Bureau propose de renvoyer ce point à la commission de l’Intérieur et des Affaires administratives afin que celle-ci entende les candidats conformément à l’article 70, §1, alinéa 8, et à l’article 80, alinéa 2, des lois coordonnées sur le Conseil d’État. (Assentiment)

Het Bureau stelt voor dit punt naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden te verzenden teneinde de kandidaten te horen, overeenkomstig artikel 70, §1, achtste lid, en artikel 80, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. (Instemming)

Prise en considération de propositions

Inoverwegingneming van voorstellen

Mme la présidente. – La liste des propositions à prendre en considération a été distribuée.

Je prie les membres qui auraient des observations à formuler de me les faire connaître avant la fin de la séance.

Sauf suggestion divergente, je considérerai ces propositions comme prises en considération et renvoyées à la commission indiquée par le Bureau. (Assentiment)

De voorzitter. – De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(La liste des propositions prises en considération figure en annexe.)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Dépôt de propositions

Indiening van voorstellen

M. Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – La semaine dernière, nous avions déposé une proposition unique de révision de la Constitution ouvrant à révision tous les articles de la Constitution, certes pris séparément.

M. Delpérée jugé ce procédé inconstitutionnel et a été suivi par le Sénat. Nous déposons donc de nouvelles propositions de révision de la Constitution concernant soit des articles séparés, soit des articles joints de celle-ci. Monsieur Delpérée obtient ainsi satisfaction et personne ne pourra donc plus s’y opposer.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – Op de lijst van de inoverwegingnemingen staat een voorstel van verklaring tot herziening van artikel 1 van de Grondwet. Vorige week hadden wij één voorstel van verklaring tot herziening van de Grondwet ingediend waarin alle artikelen, weliswaar afzonderlijk, waren opgenomen.

De heer Delpérée heeft er toen op gewezen – volgens ons ten onrechte – dat die werkwijze niet kon en hij werd door de Senaat bijgevallen. Daarom dienen wij nu een aantal voorstellen van verklaring tot herziening in, ofwel van afzonderlijke, ofwel van samengevoegde artikelen van de Grondwet. Zo krijgt de heer Delpérée genoegdoening en kan hij constateren dat de door ons gevolgde werkwijze grondwettelijk is en conform met zijn visie. Eens onze voorstellen gedrukt zullen zijn en opgenomen in de lijst van in overweging te nemen voorstellen, zal niemand er dus nog bezwaar tegen kunnen maken.

Mme la présidente. – C’est parfaitement votre droit, monsieur Van Hauthem.

De voorzitter. – Dat is uw goed recht, mijnheer Van Hauthem.

Questions orales

Mondelinge vragen

Question orale de M. François Roelants du Vivier au ministre de l’Économie, de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la Politique scientifique sur «le patrimoine du Jardin botanique national de Belgique» (nº 3-1448)

Mondelinge vraag van de heer François Roelants du Vivier aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «het erfgoed van de Nationale Plantentuin van België» (nr. 3-1448)

M. François Roelants du Vivier (MR). – Le Jardin botanique national de Belgique est l’un des plus grands jardins botaniques au monde et jouit depuis longtemps d’une excellente réputation tant au niveau scientifique qu’au niveau horticole.

Historiquement situé sur un ancien domaine royal, les serres et les collections de plein air comptabilisent ensemble pratiquement 24.000 plantes vivantes, ce qui représente environ 6% de toutes les espèces de plantes connues au monde. Ces fabuleuses collections sont utilisées pour la recherche, ainsi que pour les activités pédagogiques et de conservation du Jardin.

À la suite des accords du Lambermont de 2001, le Jardin doit être transféré à la Communauté flamande, sur le territoire de laquelle il se trouve. Cette réforme prévoit cependant qu’un accord de coopération soit conclu entre les communautés dans le cadre de ce transfert.

Il apparaît aussi que les collections du Jardin restent la propriété de l’État pour la partie acquise avant le transfert étant donné que l’argent des contribuables des trois régions a permis de faire exister le Jardin pendant plus d’un siècle.

Dès lors, monsieur le ministre, pouvez-vous déterminer précisément ce qui constitue les collections de l’État et ce qui appartient désormais à la Communauté flamande, ainsi que le ratio en pourcentage ?

Pouvez-vous également nous dire si le Jardin sera encore accessible aux chercheurs et au grand public belge et international dans une autre langue que le néerlandais ?

De heer François Roelants du Vivier (MR). – De Nationale Plantentuin van België is één van de grootste botanische tuinen ter wereld en geniet sinds lang een uitstekende reputatie, zowel op wetenschappelijk als op tuinbouwgebied.

De Plantentuin ligt op een oud koninklijk domein. De serres en de collecties in open lucht tellen samen bijna 24.000 levende planten, wat ongeveer 6% van alle bekende plantensoorten in de wereld vertegenwoordigt. Die onvoorstelbare verzameling wordt gebruikt voor onderzoek, voor pedagogische activiteiten en voor de instandhouding van de Plantentuin.

Ten gevolge van de Lambermontakkoorden van 2001 moet de Plantentuin, die op Vlaams grondgebied ligt, aan de Vlaamse Gemeenschap worden overgedragen. De hervorming bepaalt evenwel dat de gemeenschappen met het oog op de overdracht een samenwerkingsakkoord sluiten.

Het gedeelte van de verzameling van de Plantentuin dat verworven is vóór de overdracht, blijft eigendom van de Staat aangezien de Plantentuin gedurende meer dan een eeuw heeft kunnen bestaan dankzij het belastinggeld van de drie gewesten.

Kan de minister precies bepalen welk gedeelte van de verzameling het eigendom is van de Staat en wat voortaan aan de Vlaamse gemeenschap toebehoort? Kan hij ook de verhouding tussen beide in percent geven?

Kan hij ook zeggen of de onderzoekers en het Belgische en internationale publiek in de Plantentuin nog in een andere taal dan het Nederlands terecht zullen kunnen?

M. Marc Verwilghen, ministre de l’Économie, de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la Politique scientifique. – En l’absence d’accord de coopération, le transfert à la Communauté flamande n’a pas encore été effectué. Aucune collection scientifique n’appartient dès lors à la Communauté flamande.

Lors du transfert du Jardin botanique, la totalité des collections resteront la propriété du fédéral. Ce n’est qu’au fur et à mesure des nouvelles acquisitions qu’une partie des collections deviendra la propriété de la Communauté flamande pour autant que le texte actuel du projet d’accord de coopération soit approuvé.

Pour l’instant, le ratio est donc de 100% en faveur du fédéral. Il ne changera qu’au fil du temps, vu le grand nombre de collections qui appartiennent au fédéral.

La tradition des jardins botaniques est de permettre à tous les chercheurs du monde entier d’accéder aux collections scientifiques.

Hormis la possibilité de consultation sur place, des dizaines de milliers de spécimens sont envoyés annuellement à l’étranger. De plus, les informations scientifiques relatives aux collections sont accessibles via Internet.

Par ailleurs, le Jardin botanique est ouvert au grand public belge et international.

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. – Aangezien er nog geen samenwerkingsakkoord is gesloten, heeft de overdracht naar de Vlaamse Gemeenschap nog niet plaatsgevonden. Geen enkele wetenschappelijke collectie behoort bijgevolg tot de Vlaamse Gemeenschap.

Bij de overdracht van de Plantentuin zal de volledige verzameling federaal eigendom blijven. Pas naargelang er nieuwe aanwinsten komen, zal een deel van de verzameling het eigendom worden van de Vlaamse Gemeenschap, voor zover de huidige tekst van het ontwerp van samenwerkingsakkoord wordt goedgekeurd.

Op dit ogenblik is de Plantentuin dus voor 100% federaal eigendom. Dat zal pas in de loop van de tijd veranderen, gezien de grote verzameling die aan de Staat toebehoort.

Plantentuinen hebben de traditie alle onderzoekers uit heel de wereld toegang te verschaffen tot de wetenschappelijke collecties.

Ze kunnen ter plaatse onderzoek verrichten, maar er worden jaarlijks ook tienduizenden soorten naar het buitenland verzonden. De wetenschappelijke informatie over de verzamelingen kan bovendien via het internet worden geraadpleegd.

De Plantentuin is overigens toegankelijk voor het Belgische en internationale publiek.

Question orale de Mme Olga Zrihen au ministre de l’Économie, de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la Politique scientifique sur «le crédit à la consommation» (nº 3-1451)

Mondelinge vraag van mevrouw Olga Zrihen aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «het consumentenkrediet» (nr. 3-1451)

Mme Olga Zrihen (PS). – J’accorde beaucoup d’attention aux questions liées au surendettement. Il y a un an, nous avons eu plusieurs fois l’occasion de débattre du « zérotage ». Ce mécanisme consiste à exiger d’un emprunteur que, dans le cas d’une ouverture de crédit, il renfloue sa réserve avant de pouvoir y puiser à nouveau. Ce mécanisme me semble être un outil de tout premier ordre dans la protection des consommateurs contre le surendettement.

Depuis le 1er février, un arrêté royal fixe un délai de « zérotage » de 60 mois maximum pour tous les contrats d’ouverture de crédits à durée indéterminée ou supérieurs à cinq ans qui ne prévoient aucun remboursement périodique en capital. Cette disposition peut très facilement être détournée en prévoyant un remboursement périodique en capital, aussi minime soit-il. Je continue donc à penser que le délai de « zérotage » doit aussi inclure le montant total de la somme à rembourser.

Lors de ma dernière demande d’explications, le ministre m’avait répondu qu’il attendait une évaluation de la loi du 1er janvier 2004 et la publication par la Commission européenne d’une proposition de directive en matière de crédit à la consommation avant de prendre une décision. L’arrêté royal étant publié, je suppose que l’évaluation de la loi et de la proposition de directive est terminée.

Le ministre pourrait-il nous faire part des éléments qui ont prévalu à sa prise de décision ?

En outre, le ministre s’était engagé à publier un arrêté royal prévoyant une baisse des plafonds pour les taux annuels effectifs globaux, qui peuvent grimper actuellement jusque 16, voire 19%. Peut-il faire le point sur l’état d’avancement de ce texte ?

Mevrouw Olga Zrihen (PS). – Een jaar geleden hebben we het probleem van de nulstelling verschillende keren besproken. Dat mechanisme bestaat erin dat van de kredietnemer wordt geëist dat hij zijn geldreserve volledig aanvult alvorens een nieuw krediet op te nemen. Dat mechanisme lijkt me een voortreffelijk instrument voor de bescherming van de consumenten tegen overmatige schuldenlast.

Sinds 1 februari bedraagt de nulstellingstermijn overeenkomstig een koninklijk besluit maximaal 60 maanden voor de kredietovereenkomsten van onbepaalde duur of met een looptijd van meer dan vijf jaar, die niet in de periodieke terugbetaling van kapitaal voorzien. Die bepaling kan gemakkelijk worden omzeild door in een periodieke, zelfs zeer geringe terugbetaling van kapitaal te voorzien. Ik blijf dus van mening dat de termijn voor de nulstelling ook het totale terug te betalen bedrag moet omvatten.

De minister antwoordde op mijn vorige vraag over dit onderwerp dat hij de evaluatie van de wet van 1 januari 2004 en de publicatie van een voorstel van richtlijn inzake consumentenkrediet door de Europese Commissie afwachtte om een beslissing te nemen. Aangezien het koninklijk besluit gepubliceerd is, ga ik ervan uit dat de evaluatie van de wet en van het voorstel van richtlijn voltooid is.

Kan de minister mededelen op welke elementen hij zijn beslissing heeft gebaseerd?

De minister had beloofd een koninklijk besluit te publiceren met het oog op een daling van de maximale jaarlijkse kostenpercentages, die nu kunnen oplopen tot 16 of zelfs 19%. Kan hij de stand van zaken met betrekking tot die tekst meedelen?

M. Marc Verwilghen, ministre de l’Économie, de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la Politique scientifique. – L’article 9, §1er, de l’arrêté royal du 4 août 1992 relatif aux coûts, aux taux, à la durée et aux modalités de remboursement du crédit à la consommation vise les cas où un remboursement minimum de capital est prévu dans le contrat de crédit. Cette disposition prévoit un « zérotage » par prélèvement de crédit : le prêteur doit exiger du consommateur un remboursement régulier et minimal avec un schéma de remboursement qui est parallèle à celui de la vente et prêt à tempérament.

Le système de « zérotage » absolu a été introduit en vue de combler un vide juridique par rapport aux ouvertures de crédit qui ne prévoyaient pas de remboursement minimal de capital.

Ce qui est demandé maintenant est l’inverse : renforcer encore le §1er avec un délai absolu de « zérotage ». Le système visé au §1er revient déjà à un « zérotage » tacite si le consommateur ne fait plus de nouveaux prélèvements. Il ne s’agit donc pas d’un détournement de la loi.

J’ai déjà indiqué dans ma réponse à la question orale du 8 décembre 2005 que l’ouverture de crédit, notamment les avances en compte courant et le revolving, sont des produits souples. En imposant des mesures de remboursements restreintes, la souplesse du produit est diminuée. Il faudra en tout état de cause, garder un équilibre entre la protection voulue et la mesure proposée. Imposer pour un revolving un « zérotage » absolu semble toujours être indéfendable car les institutions de crédit étrangères ne connaissent pas dans leur pays d’origine des mesures de protection du consommateur aussi poussées.

Dans ma réponse à la question parlementaire du 19 janvier 2006, j’avais effectivement annoncé une évaluation des retombées pratiques de la nouvelle disposition imposant le délai de « zérotage » au vu des effets de la lutte contre le surendettement. Cependant, la proposition de directive en matière de crédit à la consommation a déjà été modifiée à maintes reprises et le débat continue. La Commission européenne ne semble pas prête à accepter une disposition relative au « zérotage » ou aux taux maxima.

En outre, le nouvel arrêté relatif au zérotage est seulement entré en vigueur le 1er février 2007. Il semble dès lors que l’évaluation annoncée, bien que nécessaire, ne doive pas être précipitée.

Les nouveaux taux annuels effectifs globaux maxima ont été fixés par arrêté royal du 19 octobre 2006 et sont entrés en vigueur le 1er février 2007.

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. – Artikel 9, §1 van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 betreffende de kosten, de percentages, de duur en de terugbetalingsmodaliteiten van het consumentenkrediet somt de gevallen op waarin een minimale terugbetaling van kapitaal in de kredietovereenkomst is bepaald. Die bepaling voorziet in een nulstelling per kredietopneming: de kredietverlener moet van de consument een regelmatige en minimale terugbetaling eisen aan de hand van een afbetalingstabel die overeenstemt met die van de verkoop en lening op afbetaling.

Het systeem van de absolute nulstelling werd ingevoerd om een juridische leemte aan te vullen voor kredietopeningen waarbij geen minimale terugbetaling van kapitaal was vereist.

Nu wordt het omgekeerde gevraagd: §1 nog versterken met een absolute termijn voor de nulstelling. Het systeem uit §1 komt al neer op een impliciete nulstelling als de consument geen nieuw krediet opneemt. De wet wordt dus niet omzeild.

In mijn antwoord op de mondelinge vraag van 8 december 2005 heb ik reeds gezegd dat de kredietopening, en zeker de voorschotten op rekening-courant en het revolving credit, soepele producten zijn. Door strikte terugbetalingsmaatregelen op te leggen, wordt die soepelheid verminderd. In ieder geval moet het evenwicht worden bewaard tussen de gewenste bescherming en de voorgestelde maatregel. Een absolute nulstelling opleggen voor revolving credit is niet verdedigbaar omdat buitenlandse kredietinstellingen in hun land niet zulke uitgebreide maatregelen voor de bescherming van de consument kennen.

In mijn antwoord op de parlementaire vraag van 19 januari 2006 had ik inderdaad aangekondigd dat de praktische gevolgen van de nieuwe bepaling die de termijn voor de nulstelling verplicht, zouden worden geëvalueerd in het kader van de strijd tegen de overmatige schuldenlast. Het voorstel van richtlijn inzake consumentenkrediet is evenwel al verschillende keren gewijzigd en het debat gaat voort. De Europese Commissie lijkt niet bereid een bepaling over de nulstelling of de maximumtarieven te aanvaarden.

Bovendien is het nieuw koninklijk besluit betreffende de nulstelling pas op 1 februari 2007 in werking getreden. De evaluatie is nodig, maar moet niet worden overhaast.

De nieuwe jaarlijkse totale maximale kostenpercentages zijn bepaald in het koninklijk besluit van 19 oktober 2006 en zijn van toepassing sedert 1 februari 2007.

Mme Olga Zrihen (PS). – Je vous remercie pour cette réponse très technique, mais je trouve certains éléments difficilement acceptables, notamment quand vous estimez que le renforcement du §1er permettrait un « zérotage » tacite et que vous considérez le principe du revolving comme une mesure souple.

En matière de lutte contre le surendettement, nous sommes tout à fait conscients du fait que les instruments existent, mais notre difficulté est de protéger le consommateur parfois malgré lui. Or, la tentation est grande pour certains d’utiliser ces mesures souples ou tacites et le surendettement risque de prendre une ampleur telle que la faillite doive être déclarée.

Une déclaration de faillite est très grave. Aussi me semble-t-il que nos propositions, même si elles ne rencontrent pas l’adhésion de l’Union européenne, ce que nous pouvons comprendre car on ne peut pas, pour le moment, parler d’une Europe vraiment sociale, pourraient nous permettre de protéger les plus démunis et les plus faibles et, en tout cas, de ne pas continuer à travailler dans le sens souhaité par les systèmes bancaires, extrêmement intéressés par les taux pratiqués.

Mevrouw Olga Zrihen (PS). – Ik kan de stelling van de minister dat de versterking van §1 een impliciete nulstelling mogelijk maakt en dat het principe van revolving credit een flexibele maatregel is, moeilijk onderschrijven.

We beseffen goed dat de instrumenten om de overmatige schuldenlast te bestrijden voorhanden zijn, maar het probleem is dat we de consument tegen zichzelf moeten beschermen. Voor sommigen is de verleiding dan ook groot om die flexibele of impliciete instrumenten te gebruiken op het gevaar af dat de schuldenlast zo hoog oploopt dat er een bankroet moet worden uitgesproken.

Een bankroetverklaring is erg. Met onze voorstellen, ook al gaat Europa er niet mee akkoord, kunnen we de minst gegoeden en de zwaksten beschermen en werken we in ieder geval niet verder in de richting die de banken wensen. Zij zijn vooral geïnteresseerd in de toegepaste tarieven.

Het is trouwens niet verwonderlijk dat Europa niet akkoord gaat met onze voorstellen want van een sociaal Europa is op dit ogenblik niet echt sprake.

M. Marc Verwilghen, ministre de l’Économie, de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la Politique scientifique. – Je propose à Mme Zrihen de me communiquer les cas individuels dont elle a connaissance. J’ai, par le passé déjà, demandé que des enquêtes soient menées à cet égard, car je sais que certains dossiers individuels posent gravement problème.

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. – Ik stel voor dat mevrouw Zrihen me de individuele gevallen waarvan ze op de hoogte is, meedeelt. Ik heb vroeger al gevraagd individuele dossiers te laten onderzoeken omdat ik weet dat er in sommige dossiers ernstige problemen rijzen.

Question orale de Mme Christel Geerts au ministre de l’Environnement et ministre des Pensions sur «les conséquences des adaptations à l’évolution du bien-être» (nº 3-1453)

Mondelinge vraag van mevrouw Christel Geerts aan de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen over «de gevolgen van de welvaartsaanpassingen» (nr. 3-1453)

Mme Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). – Les personnes isolées ou percevant un revenu de remplacement ne doivent pas payer d’impôt lorsque leur revenu ne dépasse pas un certain plafond, à savoir 12.450 euros environ. Mais dès que cette limite est franchie, ne serait-ce que de quelques centimes d’euro, ces personnes risquent de devoir payer quelques centaines d’euros d’impôts.

À la suite des adaptations à l’évolution du bien-être, de nombreuses personnes verront leur revenu dépasser ce plafond et devront donc payer des impôts. Il se peut même que le montant de ces impôts soit supérieur au supplément de revenu découlant de l’adaptation. Ce serait le cas pour 5% des retraités. Il serait regrettable que cette mesure sociale importante subisse une ponction fiscale telle que le revenu net s’en trouve diminué.

En réponse à de récentes questions parlementaires, le ministre a assuré qu’une solution serait trouvée. Où en est ce dossier et une solution est-elle en vue ?

Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). – Mensen die alleen wonen of een vervangingsinkomen genieten, hoeven geen belastingen te betalen wanneer dat inkomen onder een bepaalde grens ligt. Die ligt momenteel op ongeveer 12.450 euro. Wanneer die grens wordt overschreden, al is het maar met een halve euro, bestaat het risico dat die mensen enkele honderden euro belastingen moeten betalen.

Door de welvaartsaanpassingen zal een groot aantal mensen die grens overschrijden en effectief belastingen moeten betalen. Het bedrag van die belastingen kan hoger liggen dan de welvaartsaanpassing die zij krijgen. Uit de berekeningen die werden gemaakt, bleek dat dit het geval zou kunnen zijn voor 5% van de gepensioneerden, dus ongeveer 75.000 personen. De welvaartsaanpassingen zijn nochtans een belangrijke sociale maatregel. Het zou jammer zijn dat ze fiscaal worden afgeroomd en dat de mensen er netto minder aan overhouden.

In antwoord op recente parlementaire vragen hieromtrent werd verzekerd dat een oplossing zou worden uitgewerkt. Hoever staat het met dit dossier en is er al een oplossing in het vooruitzicht?

M. Bruno Tobback, ministre de l’Environnement et ministre des Pensions. – Cette question traite d’un problème qui se pose à chaque amélioration des adaptations des allocations sociales à l’évolution du bien-être. J’avais dès lors proposé d’octroyer ces adaptations sous forme d’un bonus qui ne serait pas intégré dans le montant de la pension, ne serait donc pas imposé, ni pris en compte pour l’octroi des avantages liés aux statuts VIPO et CPAS. Sur les instances des partenaires sociaux, l’adaptation a toutefois été incorporée dans la pension, ce qui peut avoir certaines conséquences.

Le projet de loi exécutant l’accord interprofessionnel 2007-2008 offre un début de solution. Dès que le revenu dépasse le plafond, une règle dégressive s’applique pour éviter que l’impôt à payer soit supérieur à la tranche de revenu qui excède la limite. En net, l’adaptation ne pourra donc plus jamais se traduire par une diminution des revenus. Cette règle est d’application depuis le 1er janvier 2007.

Pour les statuts VIPO et autres, nous étudierons si les plafonds de revenus peuvent suivre l’évolution des adaptations au bien-être. Le problème est plus complexe puisque l’adaptation a été intégrée dans le montant de la pension. Nous n’avons donc pas encore de solution définitive pour tout le monde.

De heer Bruno Tobback, minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen. – De vraag van mevrouw Geerts is zeer terecht en betreft een probleem waarmee we bij iedere verbetering van de sociale aanpassingen worden geconfronteerd. Daarom had ik voorgesteld de welvaartsaanpassingen toe te kennen in de vorm van een forfaitaire bonus die niet bij het bedrag van het pensioen zou worden gevoegd. Daardoor zouden die bonussen niet worden belast en zou er ook geen rekening mee worden gehouden voor het toekennen van voordelen aan personen die onder WIGW- en OCMW-statuten vallen. Op aandringen van de sociale partners hebben wij beslist die welvaartsaanpassing toch te integreren in het pensioenbedrag, wat een aantal gevolgen met zich kan meebrengen.

Het wetsontwerp houdende uitvoering van het interprofessionele akkoord voor de periode 2007-2008, dat op 1 maart door de Ministerraad werd goedgekeurd, bevat een begin van oplossing. Zolang het inkomen de huidige grensbedragen niet overschrijdt, blijft uiteraard de huidige vrijstelling geldig. Zodra het inkomen die grens wel overschrijdt, wordt een afbouwregel toegepast. Die regel zorgt ervoor dat bij een lichte overschrijding van de grens, de belasting niet meer kan bedragen dan het inkomen dat die grens overschrijdt. Gepensioneerden blijven daardoor minstens op hetzelfde inkomensniveau. Ze kunnen dus nooit netto minder krijgen door die aanpassing. De belastingdruk is dus al lager dan in de huidige regeling. Die regel wordt toegepast vanaf 1 januari 2007 en geldt dus ook voor de aanpassing die vanaf 1 april wordt toegekend.

Voor de WIGW- en andere statuten zal worden nagegaan of de grensbedragen mee kunnen evolueren met de welvaartsaanpassingen. Dat is een complexer probleem aangezien de aanpassing verrekend is in het pensioenbedrag. We hebben dus nog niet voor iedereen een definitieve oplossing gevonden.

Mme Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). – Je me réjouis que le ministre fasse le nécessaire pour éviter qu’une adaptation au bien-être se traduise par une perte de revenu net pour les retraités. Je prends bonne note du fait que le ministre s’efforcera dorénavant d’éviter les effets indésirables et d’améliorer les pensions les plus modestes.

Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). – Ik dank de minister voor zijn duidelijke antwoord. Het is positief dat de minister de nodige aanpassingen zal uitvoeren om te voorkomen dat gepensioneerden door een welvaartsaanpassing netto uiteindelijk minder krijgen . Ik neem er akte van dat de minister zei dat hij deze zaak zal blijven volgen om ongewenste neveneffecten te voorkomen en ervoor te zorgen dat de mensen met de laagste pensioenen meer zullen krijgen.

Question orale de M. Jean-Marie Cheffert au ministre de l’Emploi sur «les accidents du travail dans le secteur de la construction» (nº 3-1459)

Mondelinge vraag van de heer Jean-Marie Cheffert aan de minister van Werk over «arbeidsongevallen in de bouwsector» (nr. 3-1459)

M. Jean-Marie Cheffert (MR). – Bien que les accidents du travail ne cessent de diminuer depuis 20 ans, leur nombre reste cependant important et plus particulièrement dans le secteur de la construction.

Chaque année, plus de 25.000 accidents du travail affecteraient ce secteur. Pouvez-vous confirmer ce chiffre ? Dans l’ensemble des accidents du travail, quelle part représentent les accidents du travail du secteur de la construction ?

En 2001, la Belgique a transposé une directive européenne pour permettre de diminuer le risque sur les chantiers.

Le risque étant aggravé par le nombre d’entreprises présentes sur un même chantier, notre réglementation sur les chantiers temporaires ou mobiles prévoit l’obligation de désigner un coordinateur de sécurité chargé notamment de veiller à l’exécution des travaux sans risques par les différentes parties intervenantes.

De lourdes sanctions sont prévues en cas de non-désignation du coordinateur.

Pouvons-nous aujourd’hui évaluer l’impact de cette législation sur le nombre d’accidents du travail dans le secteur de la construction ? En effet, cette législation semble difficile à mettre en œuvre sur le terrain ; des voix s’élèvent, notamment au niveau de BIB.Co, l’Institut belge des coordinateurs de sécurité et de santé, pour réclamer une meilleure application de celle-ci.

Que pensez-vous mettre en œuvre pour réduire le nombre d’accidents du travail dans le secteur de la construction ?

De heer Jean-Marie Cheffert (MR). – Hoewel het aantal arbeidsongevallen al gedurende twintig jaar daalt, blijft het hoog, vooral in de bouwsector, waar zich jaarlijks meer dan 25.000 arbeidsongevallen voordoen. Kan de minister dat cijfer bevestigen? Wat is het aandeel van de arbeidsongevallen in de bouwsector in het totale aantal arbeidsongevallen?

In 2001 heeft België een Europese richtlijn omgezet met het oog op de vermindering van het risico op de bouwplaatsen.

Aangezien het risico toeneemt naarmate er meer bedrijven op eenzelfde bouwplaats aanwezig zijn, bepaalt onze reglementering op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen dat een veiligheidscoördinator moet worden aangesteld die erop moet toezien dat de werkzaamheden worden uitgevoerd zonder gevaar voor de verschillende betrokken partijen.

Er gelden zware sancties indien geen coördinator wordt aangesteld.

Kunnen we het effect van deze wetgeving op het aantal arbeidsongevallen in de bouwsector vandaag evalueren? Die wetgeving lijkt immers moeilijk toe te passen op het terrein. Er gaan stemmen op, in het bijzonder bij BIB.Co, het Belgisch Instituut voor veiligheids- en gezondheidscoördinatoren, om een betere toepassing van die wetgeving te eisen.

Hoe denkt de minister het aantal arbeidsongevallen in de bouwsector te verminderen?

M. Peter Vanvelthoven, ministre de l’Emploi. – Il est exact que le secteur de la construction présente un risque élevé d’accidents du travail. Le pourcentage des accidents du travail attribuable à des activités de construction se situe autour de 13,3%. En chiffres absolus, on comptait 22.800 accidents en 2003, 22.100 en 2004 et 21.150 en 2005. On ne connaît pas encore le chiffre pour 2006, mais on s’attend à une augmentation, en raison de l’activité croissante dans le secteur. Pour les années 2003 à 2005, on observe une réduction du taux de fréquence de 54 à 51, ce qui est assez significatif. Le taux de gravité a aussi diminué.

Il est impossible de calculer dans quelle mesure les coordinateurs de sécurité ont influencé les chiffres. Il est par ailleurs évident que de bonnes pratiques de coordination contribuent à la réduction du risque d’accident du travail.

Pour réduire le nombre d’accidents, tant dans le secteur de la construction qu’ailleurs, le gouvernement a développé le plan PHARAON et l’a exécuté. Je vous cite deux de ces mesures :

le bonus/malus obligatoire pour tout contrat d’assurance sur les accidents du travail. L’arrêté d’exécution sera présenté au Conseil des ministres de la semaine prochaine.

le système de risque aggravé, qui concerne les entreprises dont les chiffres d’accidents dépassent, de façon dramatique, la moyenne du secteur. On les appelle les cow-boys. Le projet d’arrêté royal sera présenté le mois prochain aux partenaires sociaux. Ces entreprises devront payer une contribution supplémentaire qui financera une enquête approfondie.

Ces deux mesures conjointes toucheront fortement les entreprises « cow-boys ».

Ces mesures seront d’application à partir de 2009 mais devraient avoir un effet immédiat, car la facture pour les éventuels excès d’accidents d’aujourd’hui sera présentée dès 2009, et cette facture sera lourde.

Nous souhaitons avantager les entreprises respectueuses de la sécurité.

De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk. – In de bouwsector is het risico op arbeidsongevallen inderdaad groot. Het percentage arbeidsongevallen dat is toe te schrijven aan bouwactiviteiten ligt rond de 13,3%. In absolute cijfers waren er 22.800 ongevallen in 2003, 22.100 in 2004 en 21.150 in 2005. Voor 2006 is het cijfer nog niet bekend, maar wegens de groei in de bouwsector wordt een stijging verwacht. Voor de jaren 2003 tot 2005 zien we een aanzienlijke daling van de frequentiegraad, namelijk van 54 naar 51. De ernstgraad is ook gedaald.

Het is onmogelijk te berekenen in welke mate de veiligheidscoördinatoren een invloed hebben gehad op de cijfers. Uiteraard dragen goede praktijken inzake coördinatie bij tot de vermindering van het risico op arbeidsongevallen.

Om het aantal ongevallen zowel in de bouwsector als in andere sectoren te verminderen heeft de regering het FARAO-plan uitgewerkt en uitgevoerd. Ik vermeld twee maatregelen:

de verplichte bonus/malus voor elk verzekeringscontract voor arbeidsongevallen. Het uitvoeringsbesluit zal op de Ministerraad van volgende week worden voorgelegd.

toepassing van het systeem voor verzwaard risico voor de bedrijven waar het aantal arbeidsongevallen aanzienlijk hoger is dan het gemiddelde van de sector, de zogenaamde ‘cowboybedrijven’. Het ontwerp van koninklijk besluit zal volgende maand aan de sociale partners worden voorgesteld. Die ondernemingen zullen een bijkomende bijdrage moeten betalen waarmee een diepgaand onderzoek zal worden gefinancierd.

Die twee maatregelen samen zullen de ‘cowboybedrijven’ zwaar treffen.

Die maatregelen zullen van toepassing zijn vanaf 2009, maar zouden onmiddellijk resultaat moeten opleveren aangezien de factuur voor de eventuele overmatige ongevallen van vandaag vanaf 2009 zal worden voorgeschoteld, en die factuur zal zwaar zijn.

We willen de bedrijven die de veiligheid respecteren bevoordelen.

Question orale de M. Pierre Chevalier au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «l’interdiction de fumer dans les restaurants» (nº 3-1449)

Mondelinge vraag van de heer Pierre Chevalier aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het rookverbod in restaurants» (nr. 3-1449)

M. Pierre Chevalier (VLD). – Depuis le 1er janvier, il est interdit de fumer dans les restaurants et certains débits de boisson.

Selon certains inspecteurs de la Santé publique, cette interdiction vaut aussi pour les terrasses extérieures ou intérieures.

Cette interprétation est-elle correcte ? Ou bien est-il permis de fumer dans les débits de boissons situés en dehors de l’espace fermé du restaurant ? La solution de bon sens serait une autorisation de fumer sur les terrasses.

De heer Pierre Chevalier (VLD). – Sinds 1 januari jongstleden geldt een rookverbod in restaurants en in bepaalde drankgelegenheden.

Volgens sommige inspecteurs van Volksgezondheid zou dit rookverbod ook van kracht zijn op de terrassen buiten en de binnenterrassen van restaurants.

Is die interpretatie correct? Als ik de tekst van het koninklijk besluit lees, is me dat niet helemaal duidelijk.

Of mag er toch nog gerookt worden indien de eetgelegenheden zich buiten de besloten ruimte van het restaurant bevinden? Mocht het gezond verstand een inspiratiebron zijn voor de wetgeving, dan denk ik dat het antwoord positief kan zijn.

M. Rudy Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – L’article 2 de l’arrêté royal du 13 décembre 2005 portant interdiction de fumer dans les lieux publics dispose qu’il est interdit de fumer « dans les lieux fermés accessibles au public ». La définition du lieu fermé est donnée à l’article 1er : « lieu isolé de l’environnement par des parois, pourvu d’un plafond ».

L’interdiction de fumer ne s’applique donc pas à une terrasse extérieure.

Toutefois, si la terrasse est isolée par des parois et un plafond ou par des bâches en plastique, elle est considérée comme un lieu fermé soumis à l’interdiction totale de fumer. Il en va de même pour une véranda.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – De vraag betreft de toepassing van het koninklijk besluit van 13 december 2005 dat het roken verbiedt op openbare plaatsen. Artikel 2 van dat besluit bepaalt dat het verboden is te roken in ‘gesloten plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn’.

De definitie van een gesloten plaats staat in artikel 1, namelijk ‘een plaats door wanden afgesloten van de omgeving en voorzien van een plafond’.

Het rookverbod is dus niet van toepassing op een buitenterras, waar die ook gelegen is, langs de openbare weg of op een privéterrein.

Als een terras evenwel is afgesloten met wanden en een plafond, is er een totaal rookverbod. Terrassen die afgesloten zijn met plastic zeilen worden als gesloten plaatsen beschouwd, waar het totaal rookverbod van toepassing is. Hetzelfde geldt voor een veranda, zelfs als daar een raam of deur open staat in de zomer.

M. Pierre Chevalier (VLD). – Je remercie le ministre pour sa réponse très précise et je me réjouis qu’il se laisse guider par le bon sens.

De heer Pierre Chevalier (VLD). – Ik dank de minister voor dit heel duidelijke antwoord, te meer omdat de inspectie niet altijd een eenduidige houding aanneemt. Ik ben blij dat de minister zich laat inspireren door het gezond verstand.

Question orale de Mme Myriam Vanlerberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice, au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur et au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «l’enregistrement de la déclaration anticipée en matière d’euthanasie et les modalités de communication de celle-ci aux médecins concernés» (nº 3-1455)

Mondelinge vraag van mevrouw Myriam Vanlerberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie, aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de registratie van de wilsverklaring inzake euthanasie en de wijze van mededeling ervan aan de betrokken artsen» (nr. 3-1455)

Mme Myriam Vanlerberghe (SP.A-SPIRIT). – La loi du 28 mai 2002 relative à l’euthanasie a été publiée au Moniteur belge le 22 juin 2002 et l’arrêté royal du 2 avril 2003 fixant les modalités suivant lesquelles la déclaration anticipée relative à l’euthanasie est rédigée, reconfirmée, révisée ou retirée, le 13 mai 2003. Cet arrêté royal ne prévoit cependant pas l’enregistrement de la déclaration anticipée auprès des administrations communales ou l’information des médecins concernés de l’existence de cette déclaration par le biais du Registre national.

Le 2 février 2007, le Conseil des ministres a approuvé un projet d’arrêté royal permettant l’enregistrement de la déclaration anticipée relative à l’euthanasie et sa communication au médecin via les services du Registre national.

C’est un pas dans la bonne direction mais les administrations en sont très peu informées et les citoyens ne peuvent faire enregistrer leur déclaration anticipée partout, ni de manière moderne.

Le ministre peut-il me dire quand l’enregistrement des déclarations anticipées auprès des administrations communales par le biais du Registre national sera concrétisé ?

Peut-il me dire si les communes seront incitées à informer la population ou contraintes de le faire ? L’objectif est en effet de rendre la déclaration anticipée accessible à tous.

Quand ces mesures sont-elles précisément entrées en vigueur ? Il importe que nous puissions annoncer à la population qu’il est désormais possible d’enregistrer une déclaration anticipée.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (SP.A-SPIRIT). – Het is al de tweede of de derde keer dat ik een vraag stel over de euthanasiewet. Zolang die wet niet volledig van toepassing is, blijft het onderwerp actueel.

Op 22 juni 2002 verscheen de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie in het Belgisch Staatsblad. Op 13 mei 2003 werd het koninklijk besluit tot vaststelling van de wijze waarop de wilsverklaring inzake euthanasie wordt opgesteld, herbevestigd, herzien of ingetrokken, gepubliceerd. Daarin wordt echter geen melding gemaakt van de registratie van de wilsverklaring bij de gemeentebesturen of de bekendmaking van het bestaan ervan via het rijksregister aan de betrokken artsen.

De ministerraad keurde op 2 februari 2007 een ontwerp van koninklijk besluit goed over de registratie van de wilsverklaring over euthanasie en de communicatie ervan aan de arts via de diensten van het Rijksregister. Dat was een grote stap vooruit. Alleen merk ik dat de gemeentebesturen slecht of helemaal niet zijn geïnformeerd, dat burgers niet overal terechtkunnen voor hun wilsverklaring en dat zij zich niet kunnen laten registreren op een moderne manier, zoals de wet bepaalt.

Kan de minister mij meedelen wanneer concreet werk wordt gemaakt van de registratie via het rijksregister van de wilsverklaringen bij de gemeentebesturen?

Kan de minister mij eveneens meedelen of diezelfde gemeentebesturen ertoe kunnen worden aangezet of verplicht de bevolking in te lichten? Mensen moeten zeer gemotiveerd zijn en de wetgeving heel goed kennen, om een wilsverklaring te kunnen invullen. Dat was niet de bedoeling. Het was de bedoeling de wilsverklaring voor iedereen toegankelijk te maken.

Wanneer traden deze maatregelen precies in werking? Het is belangrijk dat wij de bevolking kunnen meedelen dat de wetgeving af is en dat de registratie van de wilsverklaring nu mogelijk is.

M. Rudy Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – Le projet d’arrêté royal est actuellement au Conseil d’État. L’avis du Conseil devrait me parvenir tout prochainement.

Après adaptation éventuelle du projet et approbation par la Commission de la vie privée, nous disposerons d’un cadre légal définitif pour l’enregistrement. Mes services s’attelleront alors à l’élaboration du système d’enregistrement en étroite collaboration avec le Registre national et éventuellement les communes.

Jusqu’à présent, les communes ne jouaient aucun rôle dans la déclaration anticipée relative à l’euthanasie. Cela va changer. Nous avons l’intention d’informer les communes sur le système d’enregistrement et de leur demander d’informer leurs habitants.

Le système d’enregistrement est facultatif et les déclarations anticipées élaborées conformément à l’arrêté royal du 13 mai 2003 resteront valables. La personne concernée pourra choisir de faire enregistrer sa déclaration anticipée selon la nouvelle procédure.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Het ontwerp van koninklijk besluit waarvan sprake bevindt zich momenteel bij de Raad van State. Ik verwacht hierover zeer binnenkort een advies.

Na een eventuele aanpassing van het besluit en de machtiging van de privacycommissie, beschikken we over een definitief wettelijk kader voor de registratie. Op dat ogenblik zullen mijn diensten beginnen met de uitwerking van het registratiesysteem. Zij zullen nauw samenwerken met de diensten van het rijksregister en eventueel ook de gemeenten. Bij de totstandkoming van het ontwerp werd overigens met de diensten van het rijksregister overlegd.

Tot nu toe speelden de gemeentebesturen geen rol voor wat betreft de wilsverklaring. Dat zal veranderen als het registratiesysteem, zoals voorzien in het ontwerp, wordt ingevoerd. Het is de bedoeling om de gemeentebesturen over het registratiesysteem te informeren. Aan de gemeentebesturen zal dan ook worden gevraagd hun inwoners in te lichten.

Het facultatieve registratiesysteem impliceert dat om rechtsgeldig te zijn, een wilsverklaring niet verplicht moet worden geregistreerd. Wilsverklaringen die in toepassing van het koninklijk besluit van 13 mei 2003 werden opgesteld, blijven van kracht. De betrokken persoon kan er uiteraard voor opteren zijn wilverklaring volgens de nieuwe procedure te laten registreren.

Mme Myriam Vanlerberghe (SP.A-SPIRIT). – Je regrette que le ministre ne mentionne aucune date. Le Conseil d’État peut se prononcer rapidement mais je crains que la Commission de la vie privée n’étudie longuement la question.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (SP.A-SPIRIT). – Het is jammer dat de minister geen datum heeft meegedeeld. De Raad van State kan zich snel uitspreken, maar ik vrees dat de privacycommissie de kwestie heel lang zal bestuderen.

Question orale de Mme Mia De Schamphelaere au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «les dangers des radiations des GSM pour les jeunes» (nº 3-1456)

Mondelinge vraag van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de gevaren van gsm-straling voor jongeren» (nr. 3-1456)

Mme Mia De Schamphelaere (CD&V). – De nombreux parents s’inquiètent pour la santé de leurs enfants après l’appel lancé dans la presse par certains pédiatres qui demandent d’interdire l’usage du GSM aux jeunes de moins de 16 ans.

Malgré l’absence de rapport causal univoque entre l’usage du GSM et sa nocivité pour le cerveau, un nombre croissant d’études indiquent des effets sur l’activité cérébrale normale. Plus longue est la période couverte, plus les études vont dans le sens d’une influence négative. Les enfants, dont le cerveau est en cours de développement, risquent davantage d’éventuelles lésions.

Pour éliminer cette incertitude précisément, des organisations internationales demandent une intensification des études. La Belgique n’a pas encore mis les moyens demandés à cet effet à disposition. Les pédiatres plaident dès lors, par prudence, pour l’interdiction de l’usage du GSM aux jeunes de moins de 16 ans.

Le ministre est-il au courant de cet appel et comment y réagit-il ?

Dispose-t-il d’études qui réfutent cette crainte ou, au contraire, la confirment ?

Dans la négative, demandera-t-il l’avis du Conseil supérieur d’hygiène et commandera-t-il une étude au Centre fédéral d’expertise des soins de santé afin de faire la clarté sur ce problème ?

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). – Vele ouders maken zich zorgen over de gezondheid van hun kinderen nadat een aantal kinderartsen in de pers heeft opgeroepen om het gsm-gebruik voor jongeren onder de 16 jaar te verbieden.

Hoewel eenduidige causale verbanden tussen gsm-gebruik en de schadelijkheid voor de hersenen uitblijven, wijzen steeds meer studies op een beïnvloeding van de normale hersenactiviteit. Naarmate studies een langere termijn bestrijken, wijzen ze steeds meer in de richting van een negatieve beïnvloeding. Omdat de hersenen van kinderen nog in volle ontwikkeling zijn, loopt die groep dan ook een groter risico op mogelijke beschadiging.

Net om die onzekerheid weg te nemen vragen internationale organisaties om meer onderzoek. België heeft de middelen die voor dat onderzoek werden gevraagd, nog niet ter beschikking gesteld. Op basis van het voorzichtigheidsprincipe pleiten de kinderartsen dan ook voor een verbod op gsm-gebruik voor jongeren onder 16 jaar.

Is de minister op de hoogte van deze oproep en wat is zijn reactie?

Beschikt hij over studies die deze bekommernis weerleggen of integendeel bevestigen?

Zo niet, zal hij de Hoge Gezondheidsraad om advies vragen en het Federaal Kenniscentrum voor de gezondheidszorg een studie laten maken teneinde over dat probleem duidelijkheid te krijgen?

M. Rudy Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – J’ai également appris par la presse que plus de trente pédiatres flamands avaient signé la pétition du groupe d’action Beperk de straling demandant d’interdire l’usage du GSM aux jeunes de moins de 16 ans.

Mon administration suit de près la littérature scientifique. L’Organisation mondiale de la santé et la Commission européenne ont récemment indiqué que l’absorption des ondes radio lors d’une conversation par GSM peut varier selon qu’il s’agit d’enfants ou d’adultes. Les enfants seraient plus vulnérables. De plus, l’exposition cumulative de l’actuelle génération de jeunes sera plus importante, car ils utilisent les GSM dès la plus tendre enfance. Les études épidémiologiques sur l’usage du GSM n’ont guère de force probante puisqu’elles n’ont pas pu établir de rapport avec les tumeurs cérébrales. La prudence est donc de mise. C’est pourquoi l’Organisation mondiale de la santé recommande de ne pas encourager l’usage du GSM par les enfants.

Les effets sur la santé des technologies à haute fréquence étaient déjà à l’agenda du Conseil supérieur d’hygiène en 2006 mais aucune recommandation n’a été faite jusqu’à présent. En 2002, le Conseil a, par mesure de prudence, recommandé à l’ensemble de la population et particulièrement aux enfants et aux femmes enceintes de ne pas utiliser le GSM plus de quelques minutes à la fois. Des kits mains libres ont été proposés en guise d’alternative.

Je considère également que la prudence est de mise. Les autorités fédérales ont dès lors inséré dans la dernière édition du Belgopocket une fiche incitant à un usage prudent du GSM par les enfants.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Ook ik heb in de pers kennis vernomen dat al meer dan dertig Vlaamse kinderartsen een petitie van de actiegroep ‘Beperk de straling’ heeft ondertekend waarin wordt gevraagd het gebruik van gsm-toestellen door jongeren onder 16 jaar te verbieden.

Mijn administratie volgt de wetenschappelijke literatuur op de voet. De Wereldgezondheidsorganisatie en de Europese Commissie hebben onlangs gesteld dat de absorptie van radiogolven tijdens een gsm-gesprek bij kinderen en volwassenen kan verschillen. Kinderen zouden kwetsbaarder kunnen zijn. Bovendien zal de cumulatieve blootstelling van de huidige generatie jongeren groter zijn omdat ze reeds op jonge leeftijd zijn beginnen gsm’en.

De epidemiologische studies over het gsm-gebruik die geen verband konden aantonen met hersentumoren, hebben daarom beperkte bewijskracht als het over kinderen gaat. Voorzichtigheid is dan ook geboden. Daarom beveelt de Wereldgezondheidsorganisatie aan gsm-gebruik bij kinderen niet aan te moedigen.

De gezondheidsaspecten van hoogfrequente technologieën stonden in 2006 al op de agenda van de Hoge Gezondheidsraad. Tot nog toe werden hierover echter geen aanbevelingen gedaan. In 2002 gaf de Hoge Gezondheidsraad uit voorzorg de aanbeveling mee dat de hele bevolking en in het bijzonder kinderen en zwangere vrouwen beter niet langer dan enkele minuten aan één stuk de gsm gebruiken. Als alternatief werden kits voor handenvrij bellen voorgesteld.

Ik ben het ermee eens dat voorzichtigheid geboden is. De federale overheid heeft in de jongste uitgave van Belgopocket dan ook enkele elementen opgenomen die oproepen tot een voorzichtig gebruik van gsm’s door kinderen.

Mme Mia De Schamphelaere (CD&V). – Le ministre ne réagit pas à la demande des pédiatres d’interdire l’usage du GSM aux enfants de moins de 16 ans mais il estime que la prudence est de mise et doit être encouragée. La question est à présent de savoir quelles actions préventives doivent être menées. Selon nous, elles relèvent de la compétence de la Communauté flamande.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). – Ik meen begrepen te hebben dat de minister niet ingaat op de vraag van de kinderartsen om het gsm-gebruik te verbieden voor kinderen onder 16 jaar. Hij zegt wel dat voorzichtigheid geboden is en dat hij die voorzichtigheid wil stimuleren. De vraag is nu welke preventieve acties er moeten komen. Dat behoort volgens ons tot de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap.

M. Rudy Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – Je suis en effet partisan de mesures préventives. Il importe dès lors de communiquer et d’informer. Les résultats d’une nouvelle étude mondiale menée pour le compte de l’OMS seront disponibles à la fin de l’année ou au début de l’an prochain. Peut-être aurons nous alors une vision plus claire des effets du GSM sur des groupes cibles déterminés, comme les enfants.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Ik wil inderdaad preventieve maatregelen. Communiceren en informeren zijn dan ook belangrijk. De resultaten van een nieuwe, wereldwijde studie in opdracht van de WGO zullen tegen eind dit jaar of begin volgend jaar beschikbaar zijn. Misschien krijgen we dan een beter zicht op de effecten van gsm-gebruik door welbepaalde doelgroepen, zoals kinderen.

Question orale de M. Luc Willems au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «les déclarations du président du SPF Sécurité sociale sur le Conseil d’État» (nº 3-1454)

Mondelinge vraag van de heer Luc Willems aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de verklaringen van de voorzitter van de FOD Sociale Zekerheid betreffende de Raad van State» (nr. 3-1454)

M. Luc Willems (VLD). – M. Frank Van Massenhove, président du SPF Sécurité sociale, s’en est pris vivement au Conseil d’État dans la presse nationale. Il qualifie cette juridiction d’ennemie de l’État et la compare à un bourreau.

Cette réaction semble due à l’annulation de la nomination de M. Georges Monard à la tête du SPF Personnel et Organisation. Je comprends tout à fait que le fonctionnaire en question, qui n’est responsable d’aucune faute, prenne très mal une telle annulation, mais le Conseil d’État doit respecter la loi et vérifier si les pouvoirs publics la respectent. Les parties intéressées demandent au Conseil d’État d’annuler une décision déterminée, en l’occurrence la nomination d’un fonctionnaire, parce qu’elles se sentent lésées dans leurs intérêts. Le Conseil d’État n’intervient donc pas d’office.

Pour M. Van Massenhove, le Conseil d’État doit prendre en compte le principe de proportionnalité dans ses arrêts relatifs à l’annulation de décisions administratives. Cependant, la loi ne l’autorise pas et une mise en balance des intérêts en jeu n’est possible qu’en cas de procédure de suspension.

Le ministre partage-t-il l’analyse de M. Van Massenhove quant à la jurisprudence du Conseil d’État ? Cette critique est-elle justifiée ?

Le ministre croit-il lui aussi que le Conseil d’État est une organisation dangereuse pour l’État et qui agit comme un bourreau ?

Le ministre s’est-il déjà entretenu avec le fonctionnaire en question au sujet de ces déclarations et juge-t-il que des mesures s’imposent ?

De heer Luc Willems (VLD). – In de nationale media heeft de heer Frank Van Massenhove, de voorzitter van de FOD Sociale Zekerheid, keihard uitgehaald naar de Raad van State. Hij bestempelde dit rechtscollege als ‘staatsgevaarlijk’ en als een ‘beul’.

De aanleiding daartoe blijkt de vernietiging te zijn van de benoeming van de heer Georges Monard tot hoofd van de FOD Personeel en Organisatie. Persoonlijk begrijp ik ten volle dat het voor de betrokken ambtenaar hard aankomt wanneer zijn benoeming wordt vernietigd zonder dat hij zelf enige fout heeft gemaakt.

De Raad van State moet echter de wet naleven en controleren of de wet door de publieke overheden wordt nageleefd. Belanghebbenden verzoeken de Raad van State een bepaalde beslissing, in casu de aanstelling van een ambtenaar, te vernietigen omdat zij zich in hun belangen geschaad voelen. De Raad van State treedt dus niet ambtshalve op.

De heer Van Massenhove meent dat de Raad van State het principe van ‘proportionaliteit’ moet hanteren bij haar arresten inzake de vernietiging van administratieve beslissingen. Volgens de wet kan dit echter niet en is alleen bij een schorsingsprocedure een belangenafweging mogelijk.

Deelt de minister de analyse van de heer Van Massenhove inzake de rechtspraak van de Raad van State? Is zijn kritiek terecht?

Meent de minister eveneens dat de Raad van State een staatsgevaarlijke organisatie is en als een beul te werk gaat?

Heeft de minister met de betrokken ambtenaar over deze uitspraken gesproken en zijn maatregelen nodig?

M. Rudy Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – Je tiens tout d’abord à souligner qu’en tant que ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, j’ai une confiance absolue dans le Conseil d’État. Il est extrêmement dangereux de mettre en cause la légitimité de la plus haute instance juridique du pays.

Je n’ai été ni associé à, ni informé de la démarche entreprise par M. Frank Van Massenhove. Il ne s’exprimait en aucun cas au nom du SPF Sécurité sociale.

Je regrette évidemment la bévue qu’il a commise en comparant le Conseil d’État à une organisation terroriste.

Je le convoquerai prochainement pour entendre ses explications et ce qui a motivé de tels propos.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Om te beginnen wens ik zeer duidelijk te stellen dat ik als minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid een absoluut vertrouwen in de Raad van State heb. Het is uiterst gevaarlijk om de legitimiteit van de hoogste gerechtelijke instantie van het land in twijfel te trekken.

Ik werd nooit betrokken bij, noch ingelicht over het initiatief van de heer Frank Van Massenhove. Hij heeft zich in geen geval uitgesproken in naam van de FOD Sociale Zekerheid.

Ik betreur natuurlijk zijn flater om de Raad van State met een terroristische organisatie te vergelijken.

Ik zal hem binnenkort bij mij ontbieden en hem een verklaring en motivering voor deze uitingen vragen.

M. Luc Willems (VLD). – Je remercie le ministre pour sa une réponse claire. La légitimité de certaines institutions doit être prioritaire. Si le fonctionnement doit être revu, cela doit se faire par une modification de la loi au parlement. Ces institutions doivent s’en tenir aux lois.

De heer Luc Willems (VLD). – Ik dank de minister voor zijn duidelijke antwoord. De legitimiteit van een aantal instellingen moet vooropstaan. Als de werking moet worden gewijzigd, dan moet dat door een wetswijziging in het parlement gebeuren. Deze instellingen moeten zich houden aan de wetten.

Question orale de M. Wouter Beke au ministre de la Défense sur «le remplacement éventuel du Chef de la Défense» (nº 3-1457)

Mondelinge vraag van de heer Wouter Beke aan de minister van Landsverdediging over «de eventuele vervanging van de Chef Defensie» (nr. 3-1457)

M. Wouter Beke (CD&V). – Ces derniers jours, on a beaucoup spéculé, non seulement dans la presse mais aussi dans les syndicats et les cercles militaires, sur un éventuel remplacement accéléré du chef d’état-major, le général Van Daele.

Cela nous étonne car le parlement vient de prolonger d’un an le mandat du chef d’état-major, en raison de la continuité à assurer durant l’année d’élections 2007 et de la réforme des carrières planifiées.

Notre étonnement fut d’autant plus grand lorsque nous apprîmes qu’on cherchait un successeur au général Van Daele. Cela figurerait même à l’ordre du jour du Conseil des ministres de demain.

Le gouvernement envisage-t-il de remplacer le chef d’état-major à court terme ?

Est-il vrai qu’on cherche un remplaçant pour accélérer la diminution des effectifs ? Lors du débat sur le concept de carrière mixte, le ministre répondit affirmativement à la question de savoir si un effectif de 27.000 plus 10.000 était bien l’objectif de la réforme. Est-il exact qu’un scénario de départ accéléré de 13.000 personnes circule dans les sphères gouvernementales ? Selon les syndicats militaires ce scénario est pris très au sérieux. Il y a de l’inquiétude dans l’air.

Y a-t-il une vacance de poste et si oui, pourquoi ? Y a-t-il un plan de succession ? Cela s’inscrit-il dans le cadre de la réduction accélérée des effectifs de la Défense ?

De heer Wouter Beke (CD&V). – De afgelopen dagen werd niet alleen in de pers, maar ook bij de militaire vakbonden en in militaire kringen druk gespeculeerd over de eventuele versnelde vervanging van de stafchef, generaal Van Daele.

Dat verbaast ons, want het parlement heeft ten behoeve van de continuïteit in het verkiezingsjaar 2007 en van de geplande loopbaanhervormingen het mandaat van de stafchef net voor één jaar verlengd.

Groot was ook onze verbazing toen we vernamen dat men naar een opvolger voor generaal Van Daele zocht. Het zou morgen zelfs op de agenda van de Ministerraad staan.

Overweegt de regering de stafchef op korte termijn te vervangen?

Klopt het dat een vervanger wordt gezocht om de afbouw van het aantal manschappen te versnellen? Bij de bespreking van het gemengde loopbaanconcept antwoordde de minister bevestigend op de vraag of 27.000 plus 10.000 manschappen het streefcijfer van de hervorming is. Is het juist dat er in regeringskringen een scenario de ronde doet om tot een versnelde afbouw met 13.000 eenheden te komen? Volgens militaire vakbonden wordt dit scenario ernstig genomen. Er bestaat daarover dan ook ongerustheid.

Is er een vacature, zo ja waarom? Bestaat er een opvolgingsscenario? Past dit in het kader van de versnelde afbouw van het personeelsbestand van defensie?

M. André Flahaut, ministre de la Défense. – L’information de M. Beke ne concerne que de pures spéculations de syndicats et de divers journaux du Nord du pays.

Que se passe-t-il réellement ? Le chef d’état-major, le général Van Daele, a vu son mandat prolongé pour un an. Le gouvernement décide de sa succession, mais la question ne figure pas encore à l’ordre du jour du Conseil des ministres. Pour la planification du personnel et des investissements, nous suivons le plan établi pour la période 2000-2015. Il n’est aucunement question d’une exécution accélérée de ce plan. Il s’agit dont de pures spéculations dont je ne comprends pas la raison. Je puis seulement supposer que cela à quelque chose à voir avec les élections.

De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. – De informatie van de heer Beke betreft zuivere speculatie van diverse kranten uit het noorden van het land en van vakbonden.

Wat is er echt gebeurd? De Chief of Defence, generaal Van Daele, heeft een verlenging van zijn mandaat met een jaar gekregen. Over zijn opvolging beslist de regering, maar die kwestie staat nog niet op de agenda van de Ministerraad. Voor de personeelsplanning en de investeringen loopt er een plan voor de periode 2000-2015. Er is geen sprake van enige versnelde uitvoering van deze planning. Het gaat dus om zuivere speculaties, waarvan ik de reden niet begrijp. Ik kan alleen vermoeden dat het met de verkiezingen te maken heeft.

M. Wouter Beke (CD&V). – Le ministre dit que la nomination est l’affaire du gouvernement. Veut-il dire le gouvernement actuel ou le prochain ?

De heer Wouter Beke (CD&V). – De minister zegt dat de aanstelling een zaak van de regering is. Bedoelt hij de huidige of de volgende regering?

M. André Flahaut, ministre de la Défense. – Comme je l’ai dit, c’est une décision du gouvernement. Pour le reste, je ne puis que répéter que vous vous basez uniquement sur des spéculations.

De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. – Zoals ik zei, het is een beslissing van de regering. Voor de rest kan ik alleen maar herhalen dat u zich louter op speculaties baseert.

M. Wouter Beke (CD&V). – Cependant les syndicats, avec lesquels le ministre discute chaque jour, sont également inquiets.

La réponse me rassure quelque peu mais, d’un autre côté, le SP.A sème la confusion. Ce parti, l’un des piliers de la coalition, dit dans son programme électoral qu’il veut diviser par deux le nombre de soldats à court terme, l’effectif passant de 40.000 à 20.000 militaires. Le ministre réagit en disant que c’est le point de vue d’un parti et non celui du gouvernement, mais il sera d’accord avec moi pour dire que cela crée du mécontentement et de la confusion.

Je comprends de sa réponse que la question n’est plus à l’ordre du jour du gouvernement. J’espère que celui-ci aura la sagesse et le réflexe démocratique de laisser la décision au prochain gouvernement.

De heer Wouter Beke (CD&V). – Nochtans zijn ook de vakbonden, waarmee de minister dagelijks aan tafel zit, erg ongerust.

Het antwoord stelt mij wel enigszins gerust, maar aan de andere kant zorgt de SP.A wel voor onduidelijkheid. Als één van de pijlers van deze coalitie zegt deze partij in haar verkiezingsprogramma dat ze het aantal soldaten op korte termijn wil halveren van 40.000 naar 20.000. De minister reageert daarop met te zeggen dat dit het standpunt is van een partij en niet van de regering, maar hij zal het met mij eens zijn dat zoiets onvermijdelijk voor ongenoegen en verwarring zorgt.

Ik begrijp uit zijn antwoord dat de kwestie niet meer op de agenda van de regering staat. Ik hoop dat deze de wijsheid én de democratische reflex heeft om een volgende regering daarover te laten beslissen.

M. André Flahaut, ministre de la Défense. – En tant que ministre, j’ai évidemment un plan de modernisation de la Défense. Pour les programmes électoraux, c’est aux partis que M. Beke doit s’adresser.

De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. – Als minister heb ik natuurlijk een plan voor de modernisering van defensie. Voor de verkiezingsprogramma’s van de partijen moet de heer Beke zich tot hen richten.

Question orale de M. Franco Seminara au ministre de la Mobilité sur «l’accessibilité des avions» (nº 3-1452)

Mondelinge vraag van de heer Franco Seminara aan de minister van Mobiliteit over «de toegankelijkheid van vliegtuigen» (nr. 3-1452)

M. Franco Seminara (PS). – La mobilité de la personne handicapée est au cœur des préoccupations en cette année 2007 qui est celle de l’Égalité des chances pour tous.

Il me revient de diverses associations que le transport aérien pour les personnes handicapées n’est pas des plus aisés. Le nombre de places disponibles serait également très restreint selon le type d’avion et son occupation.

En outre, ces associations me rapportent que les avions ne sont pas adaptés à certains handicaps, particulièrement ceux des personnes ne pouvant se défaire de leur fauteuil. Selon ces mêmes associations, il serait utile pour le respect des personnes à mobilité fortement réduite d’envisager la possibilité d’adapter le transport aérien à ce type d’invalidité lourde afin de permettre leur déplacement dans des conditions plus confortables.

M. le ministre pourrait-il me renseigner sur les mesures prises pour remédier à ce constat ?

Ne serait-ce pas une belle signature pour la Belgique, grâce à un accord entre les compagnies aériennes, le gouvernement et l’honorable ministre, d’être la première à proposer un avion complètement adapté à la personne à mobilité réduite ?

Cela nous permettrait d’être à la pointe du progrès, dans la lignée de la convention internationale pour la protection et la promotion des droits des personnes handicapées adoptée en 2006 par l’ONU (Convention relative aux droits des personnes handicapées).

Je me permets d’évoquer également, monsieur le ministre, l’article 27 de la Déclaration universelle des droits de l’homme qui dispose, entre autres, que toute personne a le droit de prendre part librement à la vie culturelle de la communauté. Le droit aux voyages fait partie de ces droits, le droit au confort dans les transports aériens également parce que les personnes handicapées y sont à leur place et ont droit à une bonne place.

De heer Franco Seminara (PS). – In 2007, het Europees jaar van de gelijke kansen voor iedereen, staat ook de mobiliteit van de gehandicapten centraal.

Van verschillende verenigingen verneem ik dat vliegreizen voor gehandicapten geen makkie zijn. Naargelang van het type vliegtuig en van de bezetting zou het aantal beschikbare plaatsen zeer beperkt zijn.

Die verenigingen wijzen er overigens op dat vliegtuigen niet aangepast zijn aan bepaalde handicaps, in het bijzonder als het gaat om personen die niet zonder hun rolstoel kunnen. Vliegtuigen afstemmen op de comfortbehoeften van personen met een uitermate beperkte mobiliteit zou volgens dezelfde verenigingen blijk geven van meer respect voor die mensen.

Kan de minister me vertellen welke maatregelen genomen zijn om dat euvel te verhelpen?

Zou het niet mooi zijn mocht België zich middels een akkoord tussen de vliegmaatschappijen en de regering er als eerste toe verbinden een vliegtuig volledig aan te passen aan personen met beperkte mobiliteit?

Daarmee zouden we koploper zijn op het vlak van de bevordering en de bescherming van de rechten en de waardigheid van gehandicapten die is opgenomen in het VN-Verdrag voor de rechten van mensen met een handicap.

Ik verwijs ook naar artikel 27 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens die bepaalt dat eenieder het recht heeft om vrijelijk deel te nemen aan het culturele leven van de gemeenschap. Het recht op reizen maakt daarvan deel uit en het recht op comfortabel luchtvervoer eveneens, want personen met een handicap zijn er op hun plaats en hebben recht op een goede plaats in het vliegtuig.

M. Renaat Landuyt, ministre de la Mobilité. – Depuis 2001, des efforts ont été entrepris tant par les compagnies aériennes que par les aérodromes européens pour améliorer la situation des passagers à mobilité réduite par l’intermédiaire d’engagements unilatéraux.

Depuis lors, a été adopté le règlement européen 1107/2006. Celui-ci impose le respect de nombreuses obligations par les compagnies aériennes et les aérodromes, dont celle de justifier l’impossibilité éventuelle d’embarquer un passager à mobilité réduite.

Les compagnies qui s’étaient engagées unilatéralement fournissent déjà pareille justification qui, dans la majorité des cas, a trait au respect des normes de sécurité. En effet, seul un nombre restreint de passagers à mobilité réduite peut se trouver à bord d’un aéronef du fait, notamment, du respect du temps d’évacuation prescrit en cas d’urgence.

Bien entendu, il serait opportun de revoir la configuration des aéronefs en vue de concilier un plus grand respect des droits des passagers à mobilité réduite et les impératifs de sécurité.

À cet effet, le considérant nº 11 du règlement européen encourage les compagnies aériennes à tenir compte autant que possible des besoins des passagers à mobilité réduite lorsqu’ils décident de la conception d’un nouvel aéronef ou du réaménagement d’un aéronef. La Belgique veillera dans la mesure de ses possibilités à ce que les compagnies belges soient soumises à cette disposition, lors de la mise en application du règlement qui entrera en vigueur dans sa globalité en juillet 2008.

De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. – Sinds 2001 hebben vliegmaatschappijen en luchthavens op eigen initiatief de situatie voor personen met beperkte mobiliteit verbeterd.

Sindsdien werd de Europese verordening 1107/2006 goedgekeurd die talrijke verplichtingen oplegt aan luchtvaartmaatschappijen en luchthavens. Zo zijn ze verantwoording verschuldigd als een passagier met beperkte mobiliteit niet aan boord kan worden gebracht.

De maatschappijen die dergelijke verplichtingen al op eigen initiatief nakwamen, verantwoorden soortgelijke beslissingen meestal op grond van de veiligheidsnormen. Het aantal personen met beperkte mobiliteit aan boord van een luchtvaartuig is beperkt omdat rekening moet worden gehouden met de evacuatietijd in geval van nood.

Het zou goed zijn bij de inrichting van luchtvaartuigen een middenweg te vinden tussen de rechten van personen met beperkte mobiliteit en de veiligheidsvoorschriften.

Overweging 11 van de Europese verordening zet de luchtvaartmaatschappijen ertoe aan om bij het ontwerp of de renovatie van een luchtvaartuig zo veel als mogelijk rekening te houden met de behoeften van personen met beperkte mobiliteit. Bij de toepassing van de verordening die volledig van kracht wordt in juli 2008, zal België erop toezien dat de Belgische maatschappijen zich ernaar schikken.

Question orale de Mme Clotilde Nyssens au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur «les plaintes récurrentes du personnel médical de Vottem» (nº 3-1458)

Mondelinge vraag van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de terugkerende klachten van het medisch personeel van Vottem» (nr. 3-1458)

Mme la présidente. – Mme Gisèle Mandaila Malamba, secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées, adjointe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, répondra.

De voorzitter. – Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

Mme Clotilde Nyssens (CDH). – De nouvelles plaintes formulées par le personnel médical du centre fermé de Vottem – que j’ai déjà eu l’occasion de visiter – font la une des journaux ce matin. Ces plaintes, assez graves, portent sur les points suivants : le recours régulier à la détention des résidents en cellule d’isolement ; la présence de personnes gravement malades qui ne devraient pas être enfermées vu leur état de santé ; les difficultés pour les personnes enfermées à consulter leur dossier médical ; l’administration abusive de somnifères et de calmants ; la non-indépendance des services médicaux et sociaux, du psychologue en particulier ; l’inefficacité de la Commission des plaintes.

Les médecins travaillant à Vottem, statutaires ou contractuels selon les cas, se plaignent de pressions et de harcèlement. Ne serait-il donc pas plus sain qu’ils gardent leur statut d’indépendant ? Ne conviendrait-il pas également de faire appel à un psychologue indépendant ?

Les associations se plaignent du manque d’efficacité de la Commission des plaintes, et il conviendrait sans doute d’en améliorer le fonctionnement – comme des rapports l’ont déjà préconisé –, notamment en augmentant le délai d’introduction de recours, en créant des permanences au sein des différents centres fermés, en informant les résidents de l’existence de cette commission et en les assurant de la confidentialité de leur plainte.

Avez-vous déjà tenté d’améliorer le fonctionnement de cette commission ? Quelle est votre position à cet égard ?

Enfin, il me revient que vous avez l’intention de rouvrir une aile pour les familles à Vottem. Cette information est-elle exacte ?

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). – Nieuwe klachten van het medisch personeel van het gesloten centrum van Vottem halen vanochtend de voorpagina’s. Deze vrij ernstige klachten hebben betrekking op het geregeld opsluiten van bewoners in isoleercellen, de aanwezigheid van ernstig zieke personen die gelet op hun gezondheidstoestand niet opgesloten zouden mogen zijn, de moeilijkheden van opgesloten personen om hun medisch dossier in te zien, het overmatig toedienen van slaap- en kalmeermiddelen, het feit dat de medische en sociale diensten, vooral de psycholoog, niet onafhankelijk zijn, de inefficiëntie van de klachtencommissie.

De artsen die in Vottem werken, naargelang van het geval als vastbenoemde of als contractueel, klagen over druk en pesterijen. Zou het niet gezonder zijn dat ze hun statuut van onafhankelijke behouden? Zou ook niet beter een beroep worden gedaan op een onafhankelijk psycholoog?

De verenigingen klagen over het gebrek aan efficiëntie van de klachtencommissie. Het zou wellicht goed zijn de werking ervan te verbeteren – zoals in rapporten al werd aanbevolen – inzonderheid door de termijn voor het indienen van een beroep te verlengen, aanspreekpunten te creëren in de gesloten centra, de bewoners in te lichten over het bestaan van deze commissie en hen te verzekeren dat hun klacht vertrouwelijk wordt behandeld.

Heeft de minister al geprobeerd de werking van deze commissie te verbeteren? Wat is zijn standpunt daarover?

Ik verneem dat de minister van plan is in Vottem een vleugel te heropenen voor de gezinnen. Is die informatie correct?

Mme Gisèle Mandaila Malamba, secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées, adjointe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – Les centres fermés travaillent avec des médecins indépendants engagés sous contrat d’entreprise. Ces derniers assurent donc des services pour les centres et sont à leur disposition. Ce type d’engagement fait suite au souhait des ONG de faire appel à des « médecins indépendants ».

Je n’ai jamais reçu de plainte sur le fonctionnement de la Commission des plaintes. Les ONG sont apparemment les seules à se plaindre d’un manque d’efficacité. Cette commission reçoit peu de plaintes et traite toutes celles qu’elle reçoit dans les meilleurs délais.

Dès réception d’une plainte, le secrétariat de la commission se rend dans le centre concerné et la plainte est souvent retirée à la suite d’une médiation sur place.

La commission est tout à fait indépendante ; elle se compose d’un magistrat, d’un avocat et de la présidente du SPF Intérieur ou de son délégué, lequel ne peut être membre du personnel de l’Office des étrangers. Il n’y a donc aucune raison de modifier une structure qui fonctionne bien et dont l’efficacité n’a jamais été mise en cause.

Dans un souci d’humanisation, des ailes réservées aux familles avec enfants ont été créées dans plusieurs centres fermés, dont celui de Vottem. Mais actuellement, l’aile de Vottem n’est pas occupée par des familles.

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – De gesloten centra werken met onafhankelijke artsen die met een ondernemingscontract in dienst worden genomen. Zij verlenen dus diensten aan de centra en staan tot hun beschikking. Dat soort aanstelling komt tegemoet aan de wens van de ngo’s om een beroep te doen op onafhankelijke artsen.

Ik heb nooit klachten ontvangen over de werking van de klachtencommissie. De ngo’s zijn blijkbaar de enigen die klagen over een gebrek aan efficiëntie. De commissie ontvangt weinig klachten en behandelt alles wat ze ontvangt zo spoedig mogelijk.

Zodra de commissie een klacht ontvangt, begeeft het secretariaat van de commissie zich naar het bewuste centrum. Na bemiddeling ter plaatse wordt de klacht vaak ingetrokken.

De commissie is volledig onafhankelijk, ze is samengesteld uit een magistraat, een advocaat en de voorzitster van de FOD Binnenlandse Zaken of haar afgevaardigde, die echter geen personeelslid mag zijn van de Dienst Vreemdelingenzaken. Er is dus geen enkele reden om een structuur te veranderen die goed functioneert en waarvan de efficiëntie nooit ter discussie werd gesteld.

Om humanitaire redenen werden in verschillende centra, waaronder Vottem, vleugels ingericht voor gezinnen met kinderen. Thans wordt die vleugel in Vottem niet bewoond door gezinnen.

Mme Clotilde Nyssens (CDH). – Je transmettrai cette réponse claire aux associations et nous examinerons la manière de traiter les divergences de vue qui opposent ces dernières et le ministre de l’Intérieur.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). – Ik zal dit duidelijke antwoord meedelen aan de verenigingen en we zullen nagaan hoe we iets kunnen doen aan de meningsverschillen tussen deze verenigingen en de minister van Binnenlandse Zaken.

Projet de loi désignant les représentants des infirmiers à domicile à la commission de conventions infirmiers-organismes assureurs (de Mme Annemie Van de Casteele et consorts, Doc. 3-336) (Art. 81, alinéa 3, et art. 78, alinéa premier, de la Constitution)

Wetsontwerp tot aanwijzing van de vertegenwoordigers van de thuisverpleegkundigen in de overeenkomstencommissie verpleegkundigen-verzekeringsinstellingen (van mevrouw Annemie Van de Casteele c.s., Stuk 3-336) (Art. 81, derde lid, en art. 78, eerste lid, van de Grondwet)

Discussion générale

Algemene bespreking

Mme la présidente. – Mme Pehlivan se réfère à son rapport écrit.

De voorzitter. – Mevrouw Pehlivan verwijst naar haar schriftelijk verslag.

La discussion générale est close.

De algemene bespreking is gesloten.

Discussion des articles

Artikelsgewijze bespreking

(Le texte adopté par la commission des Affaires sociales est identique au texte du projet transmis par la Chambre des représentants. Voir le document Chambre 51-2194/7.)

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2194/7.)

Il sera procédé ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de loi.

De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Projet de loi modifiant les lois coordonnées du 12 janvier 1973 sur le Conseil d’État (Doc. 3-2070)

Wetsontwerp tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State (Stuk 3-2070)

Discussion générale

Algemene bespreking

M. Jan Steverlynck (CD&V), rapporteur. – Je me réfère à mon rapport écrit, mais je tiens à dire quelque mots au nom de notre groupe.

Le CD&V s’abstiendra lors du vote de ce projet de loi. Nous nous interrogeons quant à la justification de la disposition selon laquelle les contestations relatives à l’assurance contre les dommages causés par le terrorisme doivent être traitées en priorité par le Conseil d’État.

Voici quelques mois, des contestations relatives à l’Office des étrangers ont été soustraites à la compétence du Conseil d’État. À l’heure actuelle, les contestations relatives à l’assurance contre les dommages causés par le terrorisme doivent être traitées en priorité par le Conseil d’État. On avance l’argument que, sinon, les victimes doivent attendre une décision durant plusieurs années.

Le CD&V dit depuis un certain temps, au sujet de la réforme du Conseil d’État, qu’il faut faire davantage que les adaptations ayant eu lieu jusqu’à présent.

En raison de l’imprécision de la justification relative à ce projet de loi, nous nous abstiendrons lors du vote.

De heer Jan Steverlynck (CD&V), rapporteur. – Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag, maar ik wil nog iets zeggen namens onze fractie.

CD&V zal zich onthouden bij de stemming over dit wetsontwerp. We hebben vragen bij de verantwoording bij de bepaling dat betwistingen betreffende de verzekering tegen schade veroorzaakt door terrorisme bij voorrang door de Raad van State moeten worden behandeld.

Enkele maanden geleden zijn betwistingen betreffende vreemdelingenzaken aan de bevoegdheid van de Raad van State onttrokken. Nu moeten de betwistingen betreffende de verzekering tegen schade veroorzaakt door terrorisme bij voorrang door de Raad van State worden behandeld. Als argument wordt aangevoerd dat de slachtoffers anders verschillende jaren zouden moeten wachten op een beslissing.

CD&V zegt reeds enige tijd dat, wat de hervorming van de Raad van State betreft, er meer nodig is dan de bijsturingen die tot nu toe zijn gebeurd.

Wegens de onduidelijke verantwoording bij dit wetsontwerp zullen wij ons bij de stemming onthouden.

La discussion générale est close.

De algemene bespreking is gesloten.

Discussion des articles

Artikelsgewijze bespreking

(Le texte adopté par la commission des Finances et des Affaires économiques est identique au texte du projet transmis par la Chambre des représentants. Voir le document Chambre 51-2849/3.)

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2849/3.)

Les articles 1er à 3 sont adoptés sans observation.

Il sera procédé ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de loi.

De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.

Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Demande d’explications de M. Christian Brotcorne au vice-premier ministre et ministre des Finances sur «les négociations en vue d’une révision de la convention franco-belge préventive de double imposition» (nº 3-2187)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over «de onderhandelingen in het kader van de herziening van de Belgisch-Franse overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting» (nr. 3-2187)

Mme la présidente. – Mme Gisèle Mandaila Malamba, secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées, adjointe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, répondra.

De voorzitter. – Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

M. Christian Brotcorne (CDH). – En réponse à ma question écrite de novembre 2006 relative aux négociations en vue d’une révision de la convention franco-belge préventive à la double imposition, vous m’indiquiez que les autorités françaises avaient manifesté récemment leur intention de reprendre les négociations interrompues en octobre 2004.

Vous me précisiez également qu’une réunion entre des représentants des administrations fiscales belge et française s’était d’ailleurs tenue à Bruxelles le vendredi 15 décembre 2006.

Bien qu’aucun accord n’ait été trouvé ce jour-là, vous indiquiez, je cite : « Il semblerait qu’il y ait cette fois du côté français une volonté de régler le problème des travailleurs frontaliers. Il est encore trop tôt pour indiquer la forme que pourrait prendre une solution équilibrée, mais le maintien d’un régime transitoire pour les frontaliers résidents de France est effectivement une piste envisagée. Dans l’éventualité où cette solution serait retenue, l’étendue des compensations serait un élément très important pour la Belgique ».

Il me revient que Jean-François Copé, ministre délégué au Budget et à la Réforme de l’État, aurait récemment affirmé à Patrick Delnatte, député du Nord, que des progrès auraient été enregistrés lors de l’entrevue du 15 décembre 2006 dans la recherche d’une solution équilibrée pour les deux parties, permettant de préserver pleinement les intérêts des travailleurs frontaliers.

À ce titre, il semble que la partie française aurait demandé qu’un protocole soit signé préservant, pour une période de 25 ans, le régime frontalier dont relèvent actuellement les résidents de France. La France aurait également demandé un assouplissement des modalités d’application du régime, à savoir l’introduction d’une clause permettant à un travailleur frontalier de ne pas perdre son statut s’il exerce son activité professionnelle hors zone pour une durée inférieure à un nombre déterminé de jours. Aujourd’hui, le fait de sortir un seul jour de la zone autorisée interdit de bénéficier du statut de frontalier.

Il semble que vous ayez accepté de négocier sur cette base tout en demandant des contreparties, notamment une compensation financière et un allégement de la fiscalité des dividendes perçus en France par des résidents belges. Une nouvelle rencontre devait avoir lieu mi-février à ce sujet.

Où en sont les négociations ? Pourriez-vous me confirmer qu’une rencontre a bien eu lieu mi-février à ce sujet ? Pourriez-vous m’indiquer si des progrès ont été enregistrés à cette occasion ? Envisagez-vous d’aboutir, dans les prochaines semaines, à la conclusion d’un accord avec la France en vue de réviser la convention préventive à la double imposition liant nos deux pays, éliminant peut-être définitivement le statut de frontalier ? Dans la négative, pourquoi ?

De heer Christian Brotcorne (CDH). – Op mijn schriftelijke vraag van november 2006 betreffende de onderhandelingen in het kader van de herziening van de Belgisch-Franse overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting antwoordde u dat de Franse overheid onlangs aanstalten had gemaakt om de in oktober 2004 opgeschorte onderhandelingen te hervatten.

Op 15 december 2006 zou overigens een vergadering hebben plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van de Belgische en de Franse fiscus.

Hoewel toen geen akkoord werd bereikt, antwoordde u: ‘Deze keer schijnt aan Franse zijde de wil aanwezig te zijn om tot een oplossing te komen voor het probleem van de grensarbeiders.

Het is nog te vroeg om te zeggen welke vorm een evenwichtige oplossing zou kunnen aannemen, maar het behouden van een overgangsregeling voor de grensarbeiders die inwoner zijn van Frankrijk is inderdaad een piste die overwogen wordt. Mocht er voor die oplossing gekozen worden dan zou de omvang van de vergoeding een zeer belangrijke factor zijn voor België.’

Ik verneem dat Jean-François Copé, de Franse onderminister van Begroting en Staatshervorming onlangs aan Patrick Delnatte, volksvertegenwoordiger uit het Franse Département du Nord, heeft bevestigd dat er tijdens het gesprek van 15 december 2006 vooruitgang is gemaakt op de weg naar een voor beide partijen evenwichtige oplossing en dat de belangen van de grensarbeiders daarbij volledig gevrijwaard zouden kunnen blijven.

Van Franse zijde zou erop zijn aangedrongen om een protocol te ondertekenen waardoor de regeling die momenteel van toepassing is op grensarbeiders die in Frankrijk verblijven, nog 25 jaar blijft gelden. Frankrijk zou tevens gevraagd hebben om de toepassingsmodaliteiten te versoepelen zodat een grensarbeider die een beperkt aantal dagen buiten de zone werkt, zijn statuut niet zou verliezen. Wie nu één dag buiten de toegelaten zone werkt, verliest zijn statuut van grensarbeider.

Naar verluidt zou u als tegenprestatie voor die onderhandelingen financiële compensaties gevraagd hebben en een verlichting van de belastingen op dividenden die worden uitgekeerd aan België die in Frankrijk verblijven. Half februari zou hierover opnieuw een ontmoeting plaatsvinden.

Hoe ver staat het met de onderhandelingen? Kunt u bevestigen dat er half februari wel degelijk een ontmoeting heeft plaatsgevonden? Kunt u mij zeggen of daarbij vooruitgang werd geboekt? Denkt u de komende weken met Frankrijk een akkoord te kunnen bereiken om de Belgisch-Franse overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting te herzien en het statuut van grensarbeider misschien voor goed te schrappen? Zo niet, waarom niet?

(M. Staf Nimmegeers, premier vice-président, prend place au fauteuil présidentiel.)

(Voorzitter: de heer Staf Nimmegeers, eerste ondervoorzitter.)

Mme Gisèle Mandaila Malamba, secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées, adjointe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – Je vous lis la réponse du ministre.

Je peux vous confirmer qu’un protocole d’accord est intervenu au terme des discussions relatives à la modification du régime des travailleurs frontaliers qui ont eu lieu le 9 mars dernier.

L’accord qui sera soumis à l’approbation des deux Parlements clarifie de manière définitive les règles applicables tant aux travailleurs frontaliers qu’aux entreprises qui les emploient.

Les principaux points de cet accord sont les suivants :

1. À partir du 1er janvier 2007, les frontaliers résidents de la Belgique exerçant leur activité en France sont imposables en France.

Je rappelle que l’imposition des revenus des travailleurs frontaliers dans l’État de résidence, prévue par la Convention belgo-française de 1964, constitue une dérogation à la règle générale édictée par le modèle de convention fiscale de l’OCDE selon laquelle les travailleurs salariés du secteur privé sont normalement imposés dans leur État d’activité. Nous avons déjà revu les conventions conclues avec l’Allemagne, les Pays-Bas et le Luxembourg.

S’il se justifiait à une époque où la mobilité des travailleurs était nettement moins importante qu’aujourd’hui, ce régime n’est plus adapté au contexte européen actuel. Par exemple, la plupart des travailleurs européens paient actuellement leurs impôts et leurs cotisations sociales dans le même État et ce, grâce à l’effet combiné des conventions fiscales conclues entre les États membres de l’Union européenne et de la législation communautaire en matière de sécurité sociale qui assujettit les travailleurs européens à la sécurité sociale de leur seul État d’activité.

Or, ce n’est pas le cas pour les travailleurs frontaliers franco-belges, puisque ceux-ci sont imposables dans leur État de résidence. Cette situation est particulièrement préjudiciable aux frontaliers belges employés en France, qui cumulent le désavantage d’une lourde fiscalité en Belgique et celui de cotisations sociales élevées en France.

2. À partir du 1er janvier 2009 et pendant une période de 25 ans, les frontaliers résidents de France, qui exercent leur activité en Belgique, continuent à être imposés en France, à condition que l’exercice d’activité hors zone frontalière n’excède pas 30 jours par an.

3. La Belgique appliquera cet accord rétroactivement pour les années 2003 à 2006, pour les frontaliers résidents de France, ce qui permettra de régler les problèmes actuels.

4. Une compensation financière sera versée par la France pendant la période transitoire.

Dans les prochaines semaines, un nouvel avenant à la Convention belgo-française de 1964 sera signé.

Le ministre s’est déclaré heureux qu’une solution ait pu être dégagée en la matière.

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Ik lees het antwoord van de minister.

Op 9 maart jongstleden werd een protocolakkoord gesloten over de wijziging van de regeling voor grensarbeiders.

Het akkoord zal ter goedkeuring worden voorgelegd aan beide Parlementen en brengt definitief uitsluitsel over de regels die van toepassing zijn zowel op grensarbeiders als op de ondernemingen die hen in dienst nemen.

De belangrijkste punten van het akkoord zijn de volgende:

1. Vanaf 1 januari 2007 zijn grensarbeiders die in België verblijven en in Frankrijk werken belastbaar in Frankrijk.

Ik wijs erop dat de belasting van grensarbeiders in het land waar ze verblijven, zoals bepaald in de Frans-Belgische Overeenkomst van 1964, een afwijking vormt van de algemene regel voor fiscale overeenkomsten die door de OESO wordt voorgeschreven, en met toepassing waarvan loontrekkers in de privésector belast worden in de Staat waar ze werken. Wij hebben de overeenkomsten met Duitsland, Nederland en Luxemburg al herzien.

Die regeling was verantwoord toen de werknemers veel minder mobiel waren, maar is niet aangepast aan de huidige Europese context. De meeste Europese werknemers betalen vandaag belastingen en sociale bijdragen in dezelfde Staat. Dat is het gevolg van de fiscale overeenkomsten tussen de EU-lidstaten en van de gemeenschapswetgeving inzake sociale zekerheid die Europese werknemers uitsluitend onderwerpt aan de sociale zekerheid van de Staat waar ze werken.

Dat is echter niet het geval voor de Frans-Belgische grensarbeiders, die worden belast in de Staat waar ze verblijven. Die toestand is bijzonder nadelig voor Belgische grensarbeiders die in Frankrijk werken; zij hebben zowel af te rekenenen met zware belastingen in België als met hoge sociale bijdragen in Frankrijk.

2. Vanaf 1 januari 2009 en gedurende een periode van 25 jaar blijven grensarbeiders die in Frankrijk verblijven, maar in België werken, in Frankrijk belast, op voorwaarde dat ze niet meer dan dertig dagen per jaar buiten het grensgebied werken.

3. België zal die overeenkomst met terugwerkende kracht toepassen voor de jaren 2003 tot 2006 voor grensarbeiders die in Frankrijk wonen, zodat de bestaande problemen worden opgelost.

4. In de overgangsperiode zal Frankrijk een financiële compensatie betalen.

In de loop van de komende weken zal een nieuw avenant bij de Frans-Belgische Overeenkomst van 1964 worden ondertekend.

De minister is blij dat ter zake een oplossing is gevonden.

Demande d’explications de M. Christian Brotcorne au vice-premier ministre et ministre des Finances sur «l’instauration d’un incitant fiscal en vue de favoriser le mécénat d’entreprise» (nº 3-2188)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over «de invoering van een fiscale incentive ter bevordering van het bedrijfsmecenaat» (nr. 3-2188)

M. le président. – Mme Gisèle Mandaila Malamba, secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées, adjointe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, répondra.

De voorzitter. – Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

M. Christian Brotcorne (CDH). – Le mécénat d’entreprises s’inscrit dans le concept plus large d’entreprise citoyenne, soucieuse de participer au développement économique et culturel des communautés au sein desquelles s’exercent ses activités.

Si le mécénat constitue un moyen de communication, il ne se limite pas à ce seul aspect dès lors qu’il permet d’introduire de nouvelles valeurs dans l’entreprise, de favoriser son intégration dans son environnement, qu’il soit social, culturel, humain ou naturel sans compter que la pratique du mécénat permet aux entreprises de rencontrer leurs partenaires habituels, les pouvoirs publics, leurs collaborateurs et leurs clients dans un contexte nouveau, riche en occasions de dialogue et d’échanges.

Les modalités qui s’offrent à une entreprise afin de poursuivre une politique de mécénat sont nombreuses et multiples, que ce soit par le biais de libéralités, de subventions, d’apports en nature, de l’exécution de prestations de services, de la mise à disposition de moyens matériels, personnels ou techniques.

Cependant, dans notre pays, le mécénat apparaît beaucoup moins développé qu’à l’étranger. Ce retard s’explique, en partie, par le caractère insuffisamment incitatif du régime fiscal, notamment en ce qui concerne les dons importants.

En Belgique, la déductibilité fiscale des actions sociétales des entreprises ne tombe pas sous le sens étant donné qu’aucune disposition n’existe en la matière au niveau de l’impôt des sociétés, mis à part le fait, valable également pour l’impôt des personnes physiques, que les sociétés peuvent déduire les libéralités qu’elles ont consenties à des établissements ou organismes divers, pourvu que ceux-ci soient reconnus par arrêté royal.

Comme le soulignait récemment Maurice Lippens, Président de Fortis Foundation, à l’occasion d’une journée consacrée au mécénat : « Nous sommes le dernier pays d’Europe à ne pas avoir défini de cadre légal pour le mécénat. Les enjeux sont pourtant énormes. En France, entre la promulgation d’une telle loi, en 2003, et la fin 2006, 144 fondations d’entreprise ont été créées. En 2002, dans ce même pays, 343 millions d’euros avaient été investis dans les entreprises-mécènes. En 2005, le cap du milliard d’euros a été dépassé : 55% ont été investis dans la solidarité, 34% dans la culture, 5% dans l’environnement et 4% dans la recherche ». Ces chiffres font plutôt réfléchir et montrent la nécessité d’inciter fiscalement le mécénat dans notre pays.

Je voudrais savoir si le ministre confirme la situation. En d’autres termes, partage-t-il l’opinion du Président de la Fortis Foundation selon laquelle la Belgique serait le dernier pays d’Europe à ne pas avoir défini de cadre légal pour le mécénat ? Dans la négative, pourquoi ? Dans l’affirmative, envisage-t-il de prendre une initiative en la matière ou à donner suite aux initiatives parlementaires qui ont déjà été lancées ?

De heer Christian Brotcorne (CDH). – Het bedrijfsmecenaat past in het ruimere concept van de burgeronderneming, die wil deelnemen aan de economische en culturele ontwikkeling van de gemeenschappen waarin hun activiteiten worden uitgeoefend.

Het mecenaat is een communicatiemiddel, maar beperkt zich niet tot dat ene aspect. Het doet immers ook nieuwe waarden ingang vinden in de onderneming en stimuleert haar integratie in de sociale, culturele, menselijke of natuurlijke omgeving. Het geeft de ondernemingen de gelegenheid hun vertrouwde partners, de overheid, hun medewerkers en hun klanten te ontmoeten in een nieuwe context met heel wat mogelijkheden tot dialoog en uitwisseling.

Een onderneming krijgt veel en uiteenlopende mogelijkheden om een mecenaatsbeleid te voeren: giften, subsidies, inbreng in natura, dienstverlening, terbeschikkingstelling van materiaal, personeel of technische middelen.

Nochtans blijkt in ons land het mecenaat veel minder ontwikkeld dan in het buitenland. Die achterstand kan gedeeltelijk worden verklaard omdat de belastingregeling op dat vlak onvoldoende stimulansen biedt, vooral wat de grote giften betreft.

In België is de fiscale aftrekbaarheid van maatschappelijke acties van ondernemingen niet evident, aangezien er in de vennootschapsbelasting ter zake geen enkele bepaling bestaat. Wel kunnen vennootschappen hun giften aan allerlei instellingen of organisaties aftrekken, op voorwaarde dat die bij koninklijk besluit werden erkend. Die regeling geldt ook voor de personenbelasting.

Onlangs zei Maurice Lippens, voorzitter van Fortis Foundation ter gelegenheid van een dag gewijd aan het mecenaat: België is het laatste land van Europa dat geen wettelijk kader heeft voor het mecenaat. Er is nochtans veel mogelijk. In Frankrijk werden, tussen de afkondiging van een dergelijke wet, in 2003, en eind 2006 144 bedrijfsstichtingen opgericht. In 2002 werd daar 343 miljoen euro geïnvesteerd in het bedrijfsmecenaat. In 2005 werd de kaap van een miljard euro overschreden: 55% werd geïnvesteerd in solidariteitsprojecten, 34% in cultuur, 5% in het milieu en 4% in onderzoek. Die cijfers sporen aan tot nadenken en wijzen op de noodzaak om het mecenaat in ons land fiscaal te stimuleren.

Bevestigt de minister die situatie? Met andere woorden, is hij het eens met de mening van de voorzitter van Fortis Foundation dat België het laatste land van Europa is dat geen wettelijk kader heeft uitgewerkt voor het mecenaat? Zo neen, waarom niet? Zo ja, is hij van plan op dat gebied een initiatief te nemen of gevolg te geven aan parlementaire initiatieven die al werden gelanceerd?

Mme Gisèle Mandaila Malamba, secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées, adjointe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – Je vous lis la réponse du ministre.

Mon administration n’a pu confirmer ou infirmer dans le délai imparti que tous les pays d’Europe ont effectivement adopté un cadre fiscal favorable au mécénat d’entreprise, ni en quoi il consiste le cas échéant.

Notre arsenal législatif ne comporte pas de cadre général visant à favoriser le mécénat d’entreprise par le biais de la fiscalité.

Actuellement, il n’existe que des mesures particulières. Le mécénat peut bénéficier du régime bien connu des libéralités déductibles, avec ses limites, et nombre d’entreprises peuvent déjà voir admises en déduction à titre de frais professionnels certaines dépenses relatives à leurs actions de solidarité sociétale. Dans ce deuxième aspect, tout est question de fait et il peut dès lors s’avérer utile de légiférer en la matière.

L’intérêt manifesté par plusieurs sénateurs pour le traitement fiscal du mécénat des entreprises m’a amené à examiner attentivement les diverses propositions de loi déposées sur ce sujet et à privilégier la voie parlementaire.

Mes services ont examiné trois propositions : celle de M. Brotcorne, déposée le 20 avril 2005, celle de Mme Defraigne et MM. Roelants du Vivier et Noreilde, déposée le 10 mars 2005 et celle de Mme Zrihen, déposée le 30 novembre 2006.

Le dépôt de cette dernière proposition après que les auditions ont eu lieu en commission a constitué un frein important à la dynamique créée. En effet, bien qu’ayant en apparence le même objet, à savoir étendre les déductions fiscales en matière de mécénat, les trois propositions divergent considérablement dans leur rédaction, leurs objectifs, leur champ d’application, leurs intentions et leur souci d’éviter tout dérapage budgétaire.

La question du mécénat est suffisamment importante et d’actualité pour mériter un nouveau cadre légal. Dès lors, à moins que les sénateurs précités ne préfèrent initier un groupe d’étude en vue de concilier leurs points de vue et de ne retenir que des mesures applicables, je chargerai l’administration d’approfondir les questions pratiques et les difficultés suscitées par chacune des propositions. Je l’inviterai à cerner les précautions à prendre pour éviter que les avantages fiscaux qui seraient concédés ne favorisent les fuites ou les abus, en s’inspirant au besoin des législations d’autres pays européens.

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Ik lees het antwoord van de minister.

Mijn administratie had niet voldoende tijd om te onderzoeken of alle Europese landen effectief een wettelijk kader hebben uitgewerkt ten gunste van het mecenaat, en waaruit dat desgevallend bestaat.

Ons wettelijk arsenaal bevat geen algemeen kader ter bevordering van het bedrijfsmecenaat via de fiscaliteit.

Thans bestaan er alleen maar specifieke maatregelen. Het mecenaat kan rekenen op de welbekende regeling van de aftrekbare giften, binnen bepaalde grenzen. Tal van ondernemingen mogen reeds bepaalde uitgaven met betrekking tot hun maatschappelijke acties aftrekken als bedrijfskosten. Wat dit laatste aspect betreft, gebeurt de appreciatie geval per geval en kan een wettelijke regeling nuttig zijn.

De belangstelling van verschillende senatoren voor de fiscale behandeling van het bedrijfsmecenaat heeft mij ertoe aangezet de diverse wetsvoorstellen die daaromtrent werden ingediend, aandachtig te bestuderen en de voorkeur te geven aan het parlementaire initiatief.

Mijn diensten hebben drie voorstellen onderzocht: dat van de heer Brotcorne, ingediend op 20 april 2005, dat van mevrouw Defraigne en de heren Roelants du Vivier en Noreilde, ingediend op 10 maart 2005 en dat van mevrouw Zrihen, ingediend op 30 november 2006.

Daar dit laatste voorstel werd ingediend na de hoorzittingen in de commissie, werd de tot stand gekomen dynamiek ernstig afgeremd. De drie voorstellen lijken wel hetzelfde voorwerp te hebben, namelijk de uitbreiding van de fiscale aftrekbaarheid inzake het mecenaat, maar ze zijn nogal uiteenlopend op het gebied van de redactie, de doelstellingen, het toepassingsgebied, het opzet en de bezorgdheid om budgettaire ontsporingen te voorkomen.

De problematiek van het mecenaat is voldoende belangrijk en actueel om er een nieuw wettelijk kader voor uit te werken. Tenzij de genoemde senatoren verkiezen een studiegroep op te richten om hun standpunten met elkaar te verzoenen en alleen toepasbare maatregelen voor te stellen, zal ik de administratie belasten met een grondig onderzoek van de praktische problemen en de moeilijkheden die rijzen in elk van de voorstellen. Ik zal mijn diensten vragen goed na te gaan welke voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen om te voorkomen dat de toegekende fiscale voordelen leiden tot belastingontwijking of misbruiken, en daarvoor desnoods te rade te gaan bij de wetgevingen van de andere Europese landen.

M. Christian Brotcorne (CDH). – Je prends acte de la réponse du ministre des Finances. Le ministre, qui dit parfois beaucoup de mal du Sénat, nous laisse le soin de prendre l’initiative. À défaut, il prendra ses responsabilités. En pratique, il faudra certainement attendre le début de la prochaine législature mais j’espère que nous pourrons très rapidement nous mettre d’accord sur un dispositif fiscal encourageant le mécénat d’entreprise.

De heer Christian Brotcorne (CDH). – Ik neem akte van het antwoord van de minister van Financiën. De minister, die soms veel kwaads zegt over de Senaat, laat ons het initiatief nemen. Als wij dat niet doen, zal hij zijn verantwoordelijkheid op zich nemen. In de praktijk zullen we moeten wachten tot de volgende regeerperiode, maar ik hoop dat we het snel eens kunnen worden over een fiscale maatregel om het bedrijfsmecenaat te bevorderen.

Demande d’explications de Mme Jacinta De Roeck à la vice-première ministre et ministre du Budget et de la Protection de la consommation sur «le champ d’application de la réglementation élaborée pour les travailleurs qui dénoncent des irrégularités» (nº 3-2184)

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken over «het toepassingsgebied van de regeling voor klokkenluiders» (nr. 3-2184)

M. le président. – Mme Gisèle Mandaila Malamba, secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées, adjointe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, répondra.

De voorzitter. – Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

Mme Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). – Fin novembre, j’avais posé une question écrite sur le statut de protection légale des travailleurs qui dénoncent des irrégularités. En Flandre, le médiateur flamand prend en charge les plaintes des fonctionnaires qui ne peuvent les déposer dans leur propre service. Le ministre me répondit alors qu’une note sur la politique préventive d’intégrité fédérale avait été approuvée. On a demandé au Bureau d’éthique et de déontologie administratives et au groupe d’avis d’éthique et de déontologie administratives de formuler une proposition concernant un système de signalement des comportements des fonctionnaires fédéraux déontologiquement inacceptables, mais il fallait préalablement obtenir l’avis de la commission de la protection de la vie privée. Cet avis a été transmis le 29 novembre 2006.

Le ministre soulignait que les propositions ne concernaient que les fonctionnaires fédéraux de la fonction publique administrative. Cela peut signifier que la réglementation qui protège les travailleurs qui signalent les irrégularités ne sera pas d’application pour tous les fonctionnaires fédéraux, par exemple en seraient exclus les membres de la police fédérale ou de l’armée. Nous déplorons qu’on laisse passer ainsi une occasion d’instaurer une réglementation universelle et centralisée pour les travailleurs qui signalent des irrégularités au plan fédéral, une réglementation qui s’appliquerait à tous les agents et fonctionnaires de l’autorité fédérale.

À quels groupes de fonctionnaires fédéraux, militaires et membres de la police fédérale, les propositions de réglementation du Bureau d’éthique et de déontologie administratives ne s’appliqueront-elles pas ? Quelles réglementations s’appliqueront dès lors pour les fonctionnaires fédéraux qui ne relèvent pas des proposition du Bureau d’éthique ?

Quel est le calendrier de mise en œuvre de ces propositions et de la politique d’intégrité préventive fédérale, étant donné les prochaines élections ? Quelles sont les garanties qu’un tel plan puisse être effectivement mis en application durant la prochaine législature ?

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). – Eind november stelde ik een schriftelijke vraag over het wettelijk beschermend statuut voor klokkenluiders. In Vlaanderen behartigt de Vlaamse Ombudsman als extern adviesorgaan klachten van ambtenaren die niet terecht kunnen op de eigen dienst. De minister antwoordde toen dat een beleidsnota federaal preventief integriteitsbeleid werd goedgekeurd. Het Bureau voor Ambtelijke Ethiek en de adviesgroep Ambtelijke Ethiek en Deontologie werd toen gevraagd een voorstel te formuleren omtrent een meldingssysteem voor deontologisch onaanvaardbaar gedrag door federale administratieve ambtenaren, maar eerst diende het advies van de Privacycommissie te worden ingewonnen. Dat advies werd op 29 november 2006 overgezonden.

De minister wees erop dat de voorstellen betrekking hebben op de federale ambtenaren van het openbare administratieve ambt. Dat kan betekenen dat de regeling voor klokkenluiders niet op alle federale ambtenaren van toepassing is, bij voorbeeld niet op leden van de federale politie of op militairen. Jammer genoeg laten we zo een gelegenheid voorbijgaan om een universele, gecentraliseerde regeling te treffen voor klokkenluiders op federaal vlak, dus voor alle bedienden en ambtenaren van de federale overheid. Graag kreeg ik wat meer duidelijkheid.

Op welke groepen federale ambtenaren, militairen en leden van de federale politie incluis, zullen de voorstellen voor een klokkenluiderregeling van het Bureau van Ambtelijke Ethiek niet van toepassing zijn en op welke wel? Onder welke regeling vallen federale ambtenaren op wie de voorstellen die door het Bureau voor Ambtelijke Ethiek zullen worden geformuleerd, niet van toepassing zijn?

Welk tijdschema zal worden gevolgd voor de realisatie van de voorstellen en de eigenlijke implementering van een federaal preventief integriteitsbeleid, gelet op de komende verkiezingen? Welke garanties zijn er dat dit plan ook effectief tijdens de volgende legislatuur kan worden uitgevoerd?

Mme Gisèle Mandaila Malamba, secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées, adjointe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – Je vous lis la réponse de la ministre Van den Bossche.

Le Bureau d’éthique et de déontologie administratives me communiquera à court terme, après concertation avec le groupe d’avis d’éthique et de déontologie administratives, un projet de note que je soumettrai à l’approbation du Conseil des ministres.

Dans l’état actuel du dossier, le champ d’application est celui de la fonction publique administrative fédérale. Toutefois, il n’est pas exclu que le champ d’application soit étendu par exemple à la police fédérale, à la défense nationale ou encore aux membres du personnel des entreprises entrant en relation contractuelle avec le pouvoir fédéral dans le cadre d’un marché public.

La réglementation en matière de communication de comportements non souhaitables devrait en tout cas avoir un champ d’application bien défini et veiller à l’intérêt général. Ceci implique que les administrations publiques et leurs agents qui ne ressortiraient pas de ce champ d’application, devraient élaborer leur propre réglementation ou éventuellement fonctionner sans structure de communication de comportements non souhaitables.

Bref, toutes les options relatives aux modalités d’une structure de communication de comportement non souhaitable, en ce compris leur champ d’application, sont actuellement ouvertes et sujettes à évolution.

Comme je l’ai déjà dit, j’ai l’intention de soumettre, encore sous la législature actuelle, une note concernant la structure de communication au conseil des ministres. Ensuite, cette de note sera transposée en réglementation.

Maintenant que nous disposons d’un cadre déontologique des services publics fédéraux, nous travaillons la structure de communication. Ce cadre constitue un pilier préventif général. Combiné avec les arrêtés royaux en projet concernant le contrôle interne et l’audit interne, il a pour but d’éviter les éventuelles infractions déontologiques.

À la suite de ces travaux et à la demande de la ministre du budget, le Bureau d’éthique et de déontologie administratives prépare un cadre global qui permettra au prochain gouvernement de développer une structure de communication performante.

Le gouvernement actuel s’applique à développer une politique d’intégrité préventive.

Quant au prochain gouvernement, je ne peux m’engager. Toutefois, je suis convaincue qu’il accordera une attention suffisante à la problématique de l’intégrité dans la mesure où un certain nombre d’obligations et de recommandations internationales des Nations unies, de l’OCDE et du Conseil de l’Europe devront être mises en œuvre.

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Ik lees het antwoord van minister Van den Bossche.

Op korte termijn bereidt het Bureau voor Ambtelijke Ethiek en Deontologie in overleg met de Adviesgroep Ambtelijke Ethiek en Deontologie een conceptnota voor die ik ter goedkeuring aan de ministerraad zal voorleggen.

Zoals het er nu naar uitziet is de regeling van toepassing op de federale overheidsdiensten. Het is echter niet uitgesloten dat het toepassingsgebied wordt verruimd tot bijvoorbeeld de federale politie, defensie of de personeelsleden van privéorganisaties die in het kader van overheidsopdrachten een contractuele relatie met de federale overheid aangaan.

Het toepassingsgebied van de regelgeving inzake meldingen moet in elk geval goed afgelijnd worden en het algemeen belang beogen. Dat impliceert dat overheidsdiensten en hun personeelsleden die niet onder het toepassingsgebied vallen, zelf een specifieke regelgeving zullen dienen uit te werken of in voorkomend geval zonder meldingsstructuur moeten functioneren.

Kortom, alle opties voor de modaliteiten van een meldingsstructuur, met inbegrip van het toepassingsgebied ervan, kunnen vandaag nog worden gewijzigd.

Zoals ik al zei, is het mijn bedoeling om nog tijdens de huidige regeerperiode een conceptnota over de meldingstructuur aan de ministerraad voor te leggen. Die nota wordt daarna in regelgeving omgezet.

Nu een deontologisch kader voor de federale overheidsdiensten is uitgewerkt, wordt volop gesleuteld aan de meldingsstructuur. Dat kader vormt een algemene preventieve pijler. Samen met de nog goed te keuren koninklijke besluiten inzake interne controle en interne audit moet het deontologische inbreuken helpen voorkomen.

In aansluiting hierop en op mijn verzoek werkt het Bureau voor Ambtelijke Ethiek en Deontologie het kader uit waarbinnen de volgende regering een goed functionerende meldingsstructuur kan uitbouwen.

De huidige regering maakt duidelijk werk van een federaal preventief integriteitsbeleid.

Ik kan mij uiteraard niet engageren namens de volgende regering. Ik ben er evenwel van overtuigd dat die eveneens voldoende aandacht zal hebben voor de integriteitsproblematiek omdat een aantal internationale verplichtingen en aanbevelingen van organisaties zoals de Verenigde Naties, de OESO en de Raad van Europa hieromtrent dienen te worden uitgevoerd.

Mme Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). – La réponse de la ministre est claire. Il faut encore travailler la question. L’extension de la réglementation n’est pas exclue. Nous continuerons à suivre ce dossier. Nous espérons que l’on avancera encore avant les élections et que la réglementation sur la dénonciation de comportements inacceptables entrera en vigueur après les élections.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). – De minister heeft een duidelijk antwoord gegeven. Er wordt nog aan de problematiek gewerkt. De vraag die ik specifiek stel in verband met de uitbreiding van de regeling van klokkenluiders sluit dat niet uit. Ik stel voor dat we dit dossier blijven volgen. Hopelijk kan er vóór de verkiezingen nog iets worden gedaan en kan het beleid inzake klokkenluiders na de verkiezingen worden voortgezet.

Demande d’explications de Mme Jacinta De Roeck à la vice-première ministre et ministre du Budget et de la Protection de la consommation sur «la vente couplée dans le secteur des télécommunications» (nº 3-2185)

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken over «koppelverkoop in de telecommunicatiesector» (nr. 3-2185)

M. le président. – Mme Gisèle Mandaila Malamba, secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées, adjointe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, répondra.

De voorzitter. – Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

Mme Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). – La loi sur les pratiques commerciales est stricte en ce qui concerne la vente couplée. La Belgique est l’un des rares pays qui interdisent la vente couplée et cette interdiction est assortie de peu d’exceptions. Deux modifications ont pourtant été récemment apportées.

La première est intervenue en 2005, par la voie d’un amendement de la majorité à la loi sur les télécommunications, pour permettre l’offre conjointe de téléphonie, d’internet, de services TV, de décodeurs et de modems.

Une deuxième modification a eu lieu avec l’adoption du package « Internet pour tous ». Le législateur a modifié la loi sur les pratiques du commerce pour permettre la vente couplée d’un PC, du software et d’un lecteur de carte eID.

Un phénomène plus récent est cependant la vente couplée de PC et de software. Les PC sont de plus en plus souvent offerts avec le système d’exploitation Windows de Microsoft. Le consommateur n’a pas le choix : il doit prendre le système d’exploitation quand il achète n’importe quel PC. S’il ne veut pas le système d’exploitation, il doit payer le même prix.

Si l’on étend le principe de la loi sur les télécommunications, selon lequel les produits de télécommunication doivent aussi être offerts séparément au prix habituel, cela ne concerne pas seulement la vente couplée, mais aussi la concurrence déloyale. En effet, d’autres systèmes d’exploitation ne peuvent pas être concurrentiels par rapport à un système offert sans surcoût avec la plupart des PC vendus.

La vente couplée de PC et de systèmes d’exploitations relève-t-elle de la loi sur les pratiques du commerce ou de la loi sur les télécommunications de 2005 ? La technique de vente concernée est-elle légale ?

Les autorités nationales de la concurrence ont-elles déjà examiné la vente couplée de PC et de systèmes d’exploitation ? Dans la négative, la ministre prendra-t-elle une initiative en ce sens ? Dans l’affirmative, où en est l’étude ? Quels sont les résultats provisoires et quelles sont les sanctions possibles ?

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). – De wet op de handelspraktijken is streng wat de koppelverkoop betreft. België is een van de zeldzame landen met een verbod op koppelverkoop en er zijn nauwelijks uitzonderingen op dit verbod. Recentelijk werden echter twee wijzigingen aangebracht.

De eerste wijziging kwam er in 2005 via een meerderheidsamendement op de telecomwet om het gezamenlijk aanbieden van telefonie, internet, tv-diensten, decoders en modems mogelijk te maken.

Een tweede wijziging kwam er met de goedkeuring van het pakket Internet voor iedereen. De wetgever wijzigde de wet op de handelspraktijken om de koppelverkoop van een pc, software en een eID-kaartlezer mogelijk te maken.

Een recenter fenomeen is echter de koppelverkoop van pc’s en software. Pc’s worden steeds vaker aangeboden in combinatie met het besturingssysteem Windows van Microsoft. De consument heeft geen keuze: hij moet het besturingssysteem erbij nemen als hij deze of gene pc koopt. Wil hij het besturingssysteem niet, dan moet hij dezelfde prijs betalen.

Als het principe van de telecomwet, dat telecommunicatieproducten ook apart moeten worden aangeboden tegen de gebruikelijke prijs, hier consequent wordt doorgetrokken, betreft dit niet alleen een geval van koppelverkoop, maar ook van concurrentievervalsing. Immers, andere besturingssystemen kunnen niet concurrentieel zijn met een besturingssysteem dat zonder meerkost bij het merendeel van de verkochte pc’s wordt aangeboden.

Valt de koppelverkoop van pc’s en besturingssystemen onder de wet op de handelspraktijken of onder de telecomwet van 2005? Is de aangehaalde verkooptechniek wettelijk?

Hebben de nationale mededingingsautoriteiten de koppelverkoop van pc’s en besturingssystemen al onderzocht? Zo nee, zal de minister dan een initiatief in die zin nemen? Zo ja, hoe ver staat het onderzoek? Wat zijn de voorlopige resultaten en wat zijn de mogelijke sancties?

Mme Gisèle Mandaila Malamba, secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées, adjointe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – L’offre conjointe d’ordinateurs et de systèmes d’exploitation relève des articles 54 et suivants de la loi du 14 juillet 1991 sur les pratiques du commerce et sur l’information et la protection du consommateur. Cette pratique ne relève pas de la loi relative aux communications électroniques, selon laquelle une des composantes de l’offre conjointe doit consister en « produits interactifs intermédiaires ».

L’interdiction de la vente couplée est entre autres reprise dans la loi sur les pratiques du commerce pour protéger le consommateur contre des trucages de prix et des achats inutiles et instaurer des conditions de concurrence normales.

Une des exceptions à cette interdiction concerne l’offre conjointe de produits ou de services qui constituent un ensemble.

Pour apprécier si une offre peut être considérée comme un ensemble, il y a lieu de se placer du point de vue du consommateur. Dès lors qu’une habitude s’est ancrée chez le consommateur d’acquérir en même temps des produits ou services distincts, de sorte que sa décision d’achat n’est plus influencée de manière substantielle par le fait de l’offre conjointe de ces produits ou services, on peut parler d’un ensemble au sens de l’article 55, 1. de la loi sur les pratiques du commerce.

Pour la plupart des consommateurs, il est normal lors de l’achat d’un ordinateur, que celui-ci soit équipé du software d’exploitation nécessaire. Il est donc courant, dans le chef du consommateur, d’acheter en même temps les deux éléments. C’est pourquoi on considère qu’il est question dans ce cas d’un ensemble offert pour un prix global. Il s’agit donc d’une offre conjointe autorisée.

L’offre conjointe d’un ordinateur et du software d’exploitation ne peut avoir pour conséquence d’entraver la libre concurrence, qui forme la base de notre système économique. La concurrence économique relève cependant de la compétence du ministre de l’Économie.

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Het samen aanbieden van computers en besturingssoftware valt onder de artikelen 54 en volgende van de wet van 14 juli 1991 op de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument. Deze praktijk valt niet onder de wet betreffende de elektronische communicatie, die stelt dat één van de bestanddelen van de gezamenlijke aanbieding moet bestaan in ‘intermediaire interactieve producten’. Deze laatste bepaling werd vooral ingevoerd als gevolg van de convergentie in de elektronische communicatie.

Het verbod op koppelverkoop is onder meer in de wet op de handelspraktijken opgenomen om de consument tegen prijsbewimpeling en nutteloze aankopen te beschermen en normale mededingingsvoorwaarden in te stellen.

Eén van de uitzonderingen op dat verbod betreft het samen aanbieden van producten of diensten die een geheel vormen.

Of iets als een geheel kan worden beschouwd, dient in de eerste plaats te worden nagegaan vanuit het oogpunt van de consument. Van zodra er bij de consument een gewoonte is gegroeid om de onderscheiden producten of diensten tegelijk aan te kopen, zodat zijn aankoopbeslissing niet meer op substantiële wijze beïnvloed wordt door het feit dat de producten of diensten gezamenlijk worden aangeboden, kan men spreken van een geheel in de zin van artikel 55, 1. van de wet betreffende de handelspraktijken.

Bij het merendeel van de consumenten is het nog altijd zo dat er bij de aankoop van een computer van wordt uitgegaan dat die is uitgerust met de nodige besturingssoftware. Het is dus in hoofde van de consument nog altijd gangbaar om de twee samen aan te kopen. Daarom wordt beschouwd dat er in dit geval sprake is van een geheel, aangeboden tegen een totale prijs. Het gaat dus om een toegelaten gezamenlijk aanbod.

De gezamenlijke verkoop van computers en besturingssoftware mag niet leiden tot belemmering van de vrije concurrentie, die de basis vormt van ons economisch bestel. De economische mededinging behoort evenwel tot de bevoegdheid van de Minister van Economie.

Mme Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). – Vendredi dernier, une réunion s’est tenue ici au sujet de la pauvreté. La fracture numérique devient pour un nombre croissant de personnes une fracture de la connaissance. Un des grands problèmes qui se pose à eux est le fait que le software est cher et généralement lié à l’achat d’un PC. Ce software a ainsi une position dominante sur le marché. Il est clair que pour certains groupes de population, il est important qu’une concurrence entre les progiciels soit possible. Ces personnes peuvent alors acheter un ordinateur bon marché, souvent en seconde main, avec un progiciel abordable et de bonne qualité.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). – Vorige vrijdag werd hier een vergadering gehouden rond armoede. De digitale kloof wordt voor steeds meer mensen een kenniskloof. Eén van de grote problemen voor hen is dat software duur is en meestal gekoppeld aan een pc verkocht wordt. Daardoor behoudt die software ook een dominantie op de markt. Zeker voor bepaalde bevolkingsgroepen is van het belang dat concurrentie tussen softwarepakketten mogelijk is. Dan kunnen die mensen een goedkope, meestal tweedehandse, computer kopen, samen met een betaalbaar en degelijk softwarepakket.

Demande d’explication de M. Christian Brotcorne au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur «l’octroi du statut de protection temporaire aux victimes de la guerre civile en Irak» (nº 3-2192)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «het verlenen van tijdelijke bescherming aan de slachtoffers van de burgeroorlog in Irak» (nr. 3-2192)

M. le président. – Mme Gisèle Mandaila Malamba, secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées, adjointe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, répondra.

De voorzitter. – Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

M. Christian Brotcorne (CDH). – Le mardi 6 mars, un attentat a causé la mort de 150 personnes dans la ville d’Hilla, en Irak.

Dans son dernier rapport relatif aux droits de l’homme, publié le 16 janvier 2007, la MANUI, Mission d’assistance des Nations unies pour l’Irak, a estimé à 34.452 le nombre de civils tués en Irak en 2006 et à un chiffre équivalent le nombre de blessés. Entre le 1er novembre et le 31 décembre 2006, 6.376 Irakiens ont perdu la vie, et 6.875 ont été blessés. La MANUI tire ses informations de deux sources : le gouvernement irakien et l’Institut médicolégal de Bagdad.

Toujours selon les Nations unies, l’Irak est devenu l’une des zones de conflit les plus violentes du monde, puisque l’on dénombre une centaine de morts par jour. Selon les chiffres officiels, c’est-à-dire les chiffres communiqués par le gouvernement irakien et mentionnés dans un rapport au Conseil de sécurité, le nombre de civils tués a considérablement augmenté et représente en moyenne une centaine de personnes par jour, et plus de 14.000 personnes seraient blessées tous les mois. Ce sont essentiellement les femmes et les minorités qui sont la proie des exactions des insurgés, des milices et des gangs criminels, et la violence sectaire est désormais la première cause de migration et de déplacement des Irakiens, tant à l’intérieur qu’à l’extérieur des frontières.

La loi du 15 décembre 1980 prévoit en son article 57/29 qu’un statut dit de protection temporaire peut être octroyé « en cas d’afflux massif ou d’afflux massif imminent de personnes déplacées vers les États membres de l’Union européenne, constaté par une décision du Conseil de l’Union européenne prise en application de la directive 2001/55/CE du Conseil de l’Union européenne du 20 juillet 2001, relative à des normes minimales pour l’octroi d’une protection temporaire en cas d’afflux massif de personnes déplacées et à des mesures tendant à assurer un équilibre entre les efforts consentis par les États membres pour accueillir ces personnes et supporter les conséquences de cet accueil ».

Les personnes visées sont « les ressortissants de pays tiers ou apatrides qui ont dû quitter leur pays ou région d’origine ou ont été évacués, notamment à la suite d’un appel lancé par des organisations internationales, dont le retour dans des conditions sûres et durables est impossible en raison de la situation régnant dans ce pays, et qui peuvent éventuellement relever du champ d’application de l’article 1A de la Convention de Genève ou d’autres instruments internationaux ou nationaux de protection internationale, et en particulier : les personnes qui ont fui des zones de conflit armé ou de violence endémique et les personnes qui ont été victimes de violations systématiques ou généralisées des droits de l’homme ou sur lesquelles pèsent de graves menaces à cet égard ».

Je souhaiterais poser cinq questions à M. le ministre.

Tout d’abord, comment interprète-t-on, dans la pratique tant européenne que nationale, les termes « afflux massif imminent de personnes déplacées vers les États membres de l’Union européenne » ? Quels sont les critères d’appréciation qui permettent d’établir l’existence d’un afflux massif imminent ?

Ensuite, combien de demandes d’asile et/ou de protection temporaire a-t-on enregistrées, en Belgique et dans les autres États membres, de la part de personnes en provenance d’Irak depuis le début du conflit ?

La proposition de la Commission, point de départ de la procédure menant à la décision du Conseil, peut être soumise par la Commission au Conseil, d’initiative ou à la demande d’un État membre. Cette situation s’est-elle présentée dans le cas de l’Irak ?

La Belgique a-t-elle recours au statut de protection temporaire pour les personnes en provenance d’Irak qui se trouvent sur son territoire ?

Enfin, quelle est la pratique des États membres de l’Union européenne en la matière ?

De heer Christian Brotcorne (CDH). – Dinsdag 6 maart kwamen bij een aanslag in de stad Hilla in Irak 150 mensen om het leven.

In haar laatste verslag met betrekking tot de mensenrechten, dat op 16 januari 2007 werd bekendgemaakt, raamde UNAMI, de United Nations Assistance Mission for Iraq, het aantal burgers dat in 2006 in Irak werd gedood op 34.452. Het aantal gewonden zou evenveel bedragen. Tussen 1 november en 31 december 2006 verloren 6.376 Irakezen het leven en werden er 6.875 gewond. UNAMI haalt haar informatie uit twee bronnen: de Iraakse regering en het gerechtelijk geneeskundig instituut van Bagdad.

Nog altijd volgens de VN is Irak één van de meest gewelddadige conflictzones ter wereld, aangezien er elke dag een honderdtal doden vallen. Volgens de officiële cijfers, namelijk de cijfers verstrekt door de Irakese regering en die werden opgenomen in een rapport van de Veiligheidsraad, is het aantal burgerdoden aanzienlijk gestegen. Gemiddeld sterven elke dag een honderdtal mensen en elke maand zouden 14.000 mensen worden gewond. Vooral vrouwen en minderheden vallen ten prooi aan het machtsmisbruik van opstandelingen, milities en criminele bendes. Het sektarische geweld is nu de eerste oorzaak van migratie en ontheemding van de Irakezen, zowel binnen als buiten de grenzen.

De wet van 15 december 1980 bepaalt in artikel 57/29 dat een statuut van tijdelijke bescherming kan worden verleend ‘in geval van een massale toestroom of een imminente massale toestroom van ontheemden naar lid-Staten van de Europese Unie die is vastgesteld bij een besluit van de Raad van de Europese Unie dat is uitgevaardigd met toepassing van richtlijn 2001/55/EG van de Raad van de Europese Unie van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen’.

De bedoelde personen zijn ‘onderdanen van derde landen of staatlozen die hun land of regio van oorsprong hebben moeten verlaten of geëvacueerd zijn, met name ingevolge een verzoek van internationale organisaties, en wier terugkeer onder veilige en duurzame omstandigheden onmogelijk is gezien de situatie in dat land en die eventueel kunnen vallen onder de toepassing van artikel 1A van het Verdrag van Genève of andere internationale of nationale instrumenten van internationale bescherming, in het bijzonder: personen die uit door een gewapend conflict of inheems geweld getroffen gebieden hebben moeten vluchten en personen die ernstig gevaar lopen op dan wel slachtoffer zijn geweest van systematische of algemene schending van de mensenrechten’.

Hoe interpreteert de minister, zowel in de Europese als de nationale praktijk, de woorden ‘imminente massale toestroom van ontheemden naar lid-Staten van de Europese Unie’? Wat zijn de beoordelingscriteria waarmee het bestaan van een imminente massale toestroom kan worden vastgesteld?

Hoeveel asielaanvragen en/of aanvragen voor tijdelijke bescherming van uit Irak afkomstige personen werden in België en in de andere lidstaten geregistreerd sedert het begin van het conflict aldaar?

Het voorstel van de Commissie, dat het uitgangspunt is van de procedure die tot een dergelijk besluit van de Raad leidt, kan door de Commissie uit eigen beweging of op verzoek van een lidstaat aan de Raad worden voorgelegd. Heeft die situatie zich voorgedaan in het geval van Irak?

Doet België een beroep op het statuut van tijdelijke bescherming voor de personen uit Irak die zich op ons grondgebied bevinden?

Welke praktijk hanteren de lidstaten van de Europese Unie op dat gebied?

Mme Gisèle Mandaila Malamba, secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées, adjointe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – Je vous donne lecture de la réponse de M. le ministre de l’Intérieur.

Par afflux massif imminent de personnes déplacées, on entend l’arrivée dans l’Union européenne d’un nombre important de personnes déplacées, en provenance d’un pays ou d’une zone géographique déterminés, que leur arrivée dans la Communauté soit spontanée ou organisée, par exemple dans le cadre d’un programme d’évacuation.

L’afflux massif doit être réel ou imminent, de personnes déplacées en provenance de pays tiers et dont le retour dans des conditions sûres et durables est impossible en raison de la situation qui règne dans leur pays d’origine. Les personnes qui ont fui des zones de combat armé ou de violence endémique ou qui ont été victimes de violations systématiques ou généralisées des droits de l’homme sont particulièrement visées. C’est l’article 2 de la directive.

Le nombre de demandeurs d’asile irakiens est en légère augmentation en 2006 et 2007 mais reste relativement stable. L’Irak atteint la quatrième place du top des demandeurs d’asile avec 695 demandes d’asile introduites en 2006 et 122 en 2007, en janvier et février.

Le déclenchement de cette procédure d’octroi du statut de protection temporaire doit être décidé par le conseil des ministres, statuant à la majorité qualifiée, sur proposition de la Commission – article 5. La décision doit préciser notamment la description des groupes spécifiques de personnes concernées et prend en compte l’ampleur des mouvements de personnes déplacées et les possibilités d’aides d’urgence et d’actions sur place. À ce jour, et depuis l’entrée en vigueur de la directive susmentionnée, cette procédure n’a jamais été déclenchée.

Lors du dernier Conseil Justice et Affaires intérieures du 15 février, la Suède a évoqué le nombre important de demandeurs d’asile irakiens – 9.000 en 2006 – sur son territoire, sans pour autant introduire officiellement, auprès de la Commission, une demande visant à enclencher ce mécanisme au niveau européen. Elle a cependant demandé qu’une concertation ait lieu entre les différentes instances d’asile des États membres, sur le traitement réservé aux demandes d’asile et de protection subsidiaire introduites par les ressortissants irakiens.

En l’absence de mécanisme au niveau européen, la Belgique et les autres États membres n’ont par conséquent pas octroyé le statut de protection temporaire aux ressortissants irakiens.

Par contre, des ressortissants irakiens bénéficient actuellement soit du statut de réfugié soit de la protection subsidiaire. Trente Irakiens ont reçu ce statut alors que la protection subsidiaire n’est appliquée que depuis le 10 octobre 2006.

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Ik lees het antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken.

Onder imminente massale toestroom van ontheemden wordt verstaan de aankomst in de Europese Unie van een aanzienlijk aantal ontheemden, uit een bepaald land of een bepaalde geografische zone, ongeacht of zij op eigen initiatief of met hulp, bijvoorbeeld in het kader van een evacuatieprogramma, de Gemeenschap zijn binnengekomen.

Het moet gaan om een reële of imminente massale toestroom van ontheemden uit derde landen wier terugkeer onder veilige en duurzame omstandigheden onmogelijk is, gezien de situatie in hun land van herkomst. In het bijzonder worden personen beoogd die moesten vluchten uit een door een gewapend conflict of inheems geweld getroffen gebied of die het slachtoffer zijn geweest van systematische of algemene schendingen van de mensenrechten. Dat wordt bepaald in artikel 2 van de richtlijn.

Het aantal Irakese asielzoekers vertoont een lichte stijging in 2006 en 2007, maar blijft relatief stabiel. Irak staat op de vierde plaats wat het aantal asielzoekers betreft. Er werden 695 asielaanvragen ingediend in 2006 en 122 in januari en februari 2007.

De procedure tot toekenning van tijdelijke bescherming wordt gestart door een besluit van de Raad van ministers, die zich, op voorstel van de Commissie, uitspreekt met een gekwalificeerde meerderheid, aldus artikel 5. Het besluit moet inzonderheid de omschrijving bevatten van de specifieke groepen personen en houdt rekening met de omvang van de verplaatsingen van ontheemden en met de mogelijkheden van spoedhulp ter plaatse. Tot nog toe en sedert de inwerkingtreding van de genoemde richtlijn, werd deze procedure nog niet gestart.

Op de laatste Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 15 februari vermeldde Zweden het aanzienlijke aantal Iraakse asielzoekers – 9.000 in 2006 – op zijn grondgebied, maar diende geen officiële vraag in bij de Commissie om het mechanisme op Europees niveau te starten. Het land vroeg wel dat tussen de asielinstanties van de lidstaten overleg zou worden gepleegd over de behandeling die is voorbehouden voor de aanvragen om asiel en subsidiaire bescherming, ingediend door Iraakse onderdanen.

Aangezien het mechanisme op Europees niveau niet werd gestart, hebben België en de andere lidstaten geen tijdelijke bescherming toegekend aan de Iraakse onderdanen.

De Iraakse onderdanen genieten nu wel het statuut van vluchteling of de subsidiaire bescherming. Dertig Irakezen hebben het vluchtelingenstatuut al gekregen. De subsidiaire bescherming is maar sedert 10 oktober 2006 van toepassing.

Demande d’explications de Mme Jacinta De Roeck au ministre des Affaires étrangères sur «la proposition d’autonomie du Sahara occidental» (nº 3-2189)

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Buitenlandse Zaken over «het voorstel tot autonomie van de Westelijke Sahara» (nr. 3-2189)

M. le président. – Mme Gisèle Mandaila Malamba, secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées, adjointe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, répondra.

De voorzitter. – Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

Mme Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). – Au printemps 2006, le Conseil royal consultatif pour les affaires sahariennes (CORCAS) du Maroc a entamé des consultations en vue de la préparation d’un plan d’autonomie du Sahara occidental. Outre le CORCAS, tous les partis politiques, les représentants des habitants de la région et les chefs des différentes tribus sahraouies ont également apporté leur contribution. Au fur et à mesure de la progression des travaux, le contenu du plan d’autonomie est devenu plus clair. Trois principes y figurent : l’unité territoriale du Royaume du Maroc, l’attention pour les particularités sociales et culturelles de la région et la conformité au droit international en ce qui concerne l’autonomie des régions.

La diplomatie marocaine veille en particulier à expliquer le plan d’autonomie aux chefs d’État et de gouvernement européens. Ainsi, le président français Jacques Chirac et le Premier ministre espagnol Zapatero se sont déjà prononcés favorablement sur le contenu du plan. La présidence de l’Union européenne a reçu la proposition et a annoncé qu’elle l’étudierait. Le plan sera discuté prochainement au sein du Conseil de sécurité des Nations unies. Notre pays doit adopter une position sur la voie à suivre pour résoudre le conflit au Sahara occidental.

Le plan ne faisant aucune allusion au droit de décider librement de son propre statut politique conformément à la résolution des Nations unies 1514 (XV), je souhaiterais obtenir une réponse aux questions suivantes.

Quelle position notre pays adoptera-t-il au sein du Conseil de sécurité des Nations unies sur le nouveau plan d’autonomie marocain pour le Sahara occidental ?

Notre pays continuera-t-il à invoquer le droit à l’autodétermination, tel que défini dans la résolution 1514 (XV) des Nations unies, comme condition sine qua non pour résoudre ce conflit ?

Une consultation au sein du Conseil européen de ministres est-elle encore prévue concernant ce plan ? Dans l’affirmative, quand aura-t-elle lieu et quelle position la Belgique adoptera-t-elle ?

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). – In het voorjaar van 2006 startte de Marokkaanse Conseil royal consultatif pour les affaires sahariennes (CORCAS) een consultatieronde ter voorbereiding van een autonomieplan voor de Westelijke Sahara. Naast de CORCAS hadden ook alle politieke partijen, de vertegenwoordigers van de inwoners van de regio en de chefs van de verschillende Sahrawi stammen hun inbreng. Naarmate de werkzaamheden vorderden, werd ook duidelijk wat de invulling van het autonomieplan zou zijn. In het plan staan drie principes centraal: de territoriale eenheid van het Koninkrijk Marokko, de aandacht voor sociale en culturele bijzonderheden van de regio en de conformiteit met het internationale recht, wat autonomie van de deelgebieden betreft.

De Marokkaanse diplomatie is bijzonder actief om het autonomieplan toe te lichten bij de Europese regerings- en staatsleiders. Zo lieten de Franse president Jacques Chirac en de Spaanse premier Zapatero zich al positief uit over de inhoud van het plan. Ook het voorzitterschap van de Europese Unie heeft het plan ontvangen en heeft aangekondigd het te zullen bestuderen. Later deze maand wordt het plan besproken in de VN-Veiligheidsraad. Daarbij dient ons land een positie in te nemen over de te volgen weg om het conflict van de Westelijke Sahara op te lossen.

Aangezien het plan geen allusie maakt op het recht om zelfstandig over de eigen politieke status te beslissen, overeenkomstig VN-resolutie 1514 (XV), had ik graag een antwoord gekregen op de volgende vragen.

Welk standpunt zal ons land in de VN-Veiligheidsraad innemen over het nieuwe Marokkaanse autonomieplan voor de Westelijke Sahara?

Zal ons land het zelfbeschikkingsrecht zoals omschreven in VN-resolutie 1514 (XV), als conditio sine qua non blijven hanteren als oplossing voor dit conflict?

Komt er nog een consultatie over dit plan binnen de Europese Raad van Ministers? Zo ja, wanneer en welk standpunt zal België aannemen?

Mme Gisèle Mandaila Malamba, secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées, adjointe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – Je vous lis la réponse du ministre des Affaires étrangères.

Je puis vous assurer que je suis attentivement la situation au Sahara occidental. Tout comme ses partenaires européens, la Belgique soutient les efforts du secrétaire général des Nations unies, Ban Ki-Moon, et de son représentant spécial, Peter van Walsum, en vue de trouver une solution acceptable pour toutes les parties. La situation est urgente, entre autres en raison des graves implications humanitaires de ce conflit. Il faut insister auprès des parties concernées en faveur d’une solution pacifique, durable et mutuellement acceptable, ce qui suppose une certaine flexibilité des parties. En tant que membre du Conseil de sécurité des Nations unies jusqu’à fin 2008, la Belgique s’efforcera d’apporter une contribution pour sortir de l’impasse actuelle en favorisant une discussion approfondie sur la problématique.

Le Maroc essaie déjà depuis longtemps de préparer une proposition d’autonomie dans le cadre de la souveraineté marocaine et il a mené des consultations internes et internationales à ce sujet. Cette proposition devrait, en principe, être soumise au Conseil de sécurité au mois d’avril. Ce n’est qu’à ce moment-là que le plan d’autonomie pourra être étudié et évalué, entre autres par l’Union européenne.

La Belgique salue toutes les initiatives qui peuvent conduire à une nouvelle dynamique mais reste prudente. Nous n’approuverons aucun plan tant que nous n’en connaîtrons pas tous les détails.

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Ik lees het antwoord van de minister van Buitenlandse Zaken.

Ik kan u verzekeren dat ik de toestand in de Westelijke Sahara met aandacht volg. Net als zijn Europese partners, ondersteunt België de inspanningen van secretaris-generaal van de Verenigde Naties Ban Ki-Moon en zijn speciale afgezant Peter van Walsum, om een politieke oplossing te vinden die voor alle partijen aanvaardbaar is. Ik ben van oordeel dat er dringend een oplossing voor dit geschil moet komen, mede wegens de ernstige humanitaire implicaties. Bij de betrokken partijen moet worden aangedrongen op een vreedzame, duurzame en wederzijds aanvaardbare oplossing, wat enige flexibiliteit van de partijen veronderstelt. Als lid van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties tot eind 2008, zal België trachten een bijdrage te leveren om uit de huidige impasse te raken door een diepgaande discussie over de problematiek te bevorderen.

Marokko is al lang bezig met de voorbereiding van een voorstel voor zelfbestuur in het kader van de Marokkaanse soevereiniteit en heeft daarover een interne en internationale consultatie gevoerd. Dat voorstel zou in principe in april officieel aan de Veiligheidsraad worden voorgesteld. Pas vanaf dat ogenblik zal het autonomieplan kunnen worden bestudeerd en geëvalueerd, onder meer door de Europese Unie.

België verwelkomt alle initiatieven die tot een nieuwe dynamiek kunnen leiden, maar blijft voorzichtig. We zullen geen plan goedkeuren als we niet alle details ervan kennen.

Mme Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). – Il est un fait qu’il faut finalement trouver une solution pour les 160.000 personnes qui vivent, depuis 31 ans déjà, dans des campements établis dans le désert. Des plans tenant compte de l’avis des Sahraouis ont déjà été proposés. Le Maroc les a systématiquement écartés. Le plan d’autonomie marocain paraît intéressant à première vue, mais les populations sahraouies et le Polisario n’ont pas été consultés à son sujet.

C’est pourquoi je propose de se tenir au second plan de James Baker : celle-ci est similaire à la proposition marocaine, mais prévoit en outre que les populations sahraouies qui ont vécu de façon autonome dans une structure permanente pendant cinq ans, devraient pouvoir se prononcer dans le cadre d’un référendum. Cette autodétermination importante fait défaut dans le plan marocain. J’espère que la Belgique ne suivra pas la position de la France et de l’Espagne à cet égard.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). – Het klopt dat eindelijk een oplossing moet worden gevonden voor de 160.000 mensen die reeds 31 jaar in tentenkampen in de woestijn leven. Er zijn reeds plannen voorgesteld waarin ook de Sahrawi inspraak hebben. Marokko heeft die plannen systematisch van tafel geveegd. Het Marokkaanse autonomieplan ziet er op het eerste gezicht goed uit, maar er is volstrekt geen overleg gepleegd met de Sahrawi volkeren en het Polisario.

Ik stel dan ook voor om vast te houden aan het tweede plan van James Baker, dat op het Marokkaanse voorstel lijkt, maar tevens de bepaling bevat dat de Sahrawi volkeren, na vijf jaar autonoom in een vaste constellatie te hebben geleefd, zich in een referendum zouden kunnen uitspreken. Dat belangrijke zelfbeschikkingsrecht ontbreekt in het Marokkaanse plan. Ik hoop dat België de lijn van Frankrijk en Spanje niet zal volgen.

Demande d’explications de Mme Margriet Hermans au ministre des Affaires étrangères sur «la Convention du Conseil de l’Europe sur la lutte contre la traite des êtres humains» (nº 3-2190)

Vraag om uitleg van mevrouw Margriet Hermans aan de minister van Buitenlandse Zaken over «het Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel» (nr. 3-2190)

M. le président. – Mme Gisèle Mandaila Malamba, secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées, adjointe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, répondra.

De voorzitter. – Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

Mme Margriet Hermans (VLD). – La Convention du Conseil de l’Europe sur la lutte contre la traite des êtres humains a été adoptée le 16 mai 2005 à Varsovie. Fin 2006, 34 pays, membres et non-membres du Conseil de l’Europe, avaient déjà signé la convention. La Belgique l’a fait le 17 novembre 2005. La convention n’entrera en vigueur que lorsqu’elle aura été signée par au moins dix États, dont huit au moins qui sont membres du Conseil de l’Europe.

La 51e Commission des Nations unies sur le statut de la femme s’est tenue du 26 février au 9 mars 2007 dans les bâtiments des Nations unies à New York. Dans le cadre de la Convention du Conseil de l’Europe sur la lutte contre la traite des êtres humains, l’Union interparlementaire et la section des Nations unies pour l’amélioration de la position des femmes se sont réunies en même temps que la Commission des Nations unies sur le statut de la femme. ‘A parliamentary perspective on discrimination and violence against the girl child’. Au cours d’une des réunions de travail, la secrétaire générale suppléante du Conseil de l’Europe, Mme Maud de Boer-Buquicchio a déclaré que seuls quatre pays avaient ratifié la convention fin 2006.

La semaine dernière encore, la police fédérale belge a mené, en collaboration avec l’ECPAT (End Child Prostitution, Child Pornography and Trafficking in Children for sexual purposes) et Child Focus une action contre les abus commis à l’étranger sur les enfants. La cellule « Traite des êtres humains » de la police fédérale estime qu’à lui seul, ce projet ne va pas éradiquer ce problème dans le monde.

Sur la proposition du ministre De Gucht, le conseil des ministres a approuvé en septembre 2006 l’avant-projet de loi portant assentiment à la Convention du Conseil de l’Europe sur la lutte contre la traite des êtres humains, adoptée à Varsovie le 16 mai 2005.

Pourquoi la Belgique n’a-t-elle toujours pas ratifié cette convention ? Est-il exact que la Communauté européenne doit ratifier la convention, avant que les États membres ne puissent le faire ? Dans l’affirmative, la Communauté européenne a-t-elle déjà entrepris des démarches à cet effet ? La Belgique ratifiera-t-elle ou non cette convention dans un proche avenir et quand le ministre pense-t-il que cela se fera ?

Mevrouw Margriet Hermans (VLD). – Op 16 mei 2005 werd in Warschau het Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel aangenomen. Eind 2006 hadden reeds 34 landen, zowel leden als niet-leden van de Raad van Europa, het verdrag ondertekend. België ondertekende het op 17 november 2005. Het verdrag treedt pas in werking als het door minstens tien staten is ondertekend, waarvan minstens acht lid van de Raad van Europa zijn.

Van 26 februari tot 9 maart 2007 ging in de gebouwen van de Verenigde Naties in New York de 51ste VN-Commissie voor de Status van de Vrouw door. In het kader van het Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel werd op 1 maart samen met de VN-Commissie voor de Status van de Vrouw, de IPU en de VN-Afdeling voor Verbetering van de Positie van Vrouwen een zitting gehouden ‘A parliamentary perspective on discrimination and violence against the girl child’. In een van de werkvergaderingen zei waarnemend secretaris-generaal van de Raad van Europa, mevrouw Maud de Boer-Buquicchio, dat slechts vier landen eind 2006 het verdrag hadden geratificeerd.

Vorige week nog voerde de federale politie in ons land in samenwerking met ECPAT (End Child Prostitution, Child Pornography and Trafficking in Children for sexual purposes) en Child Focus actie tegen kindermisbruik in het buitenland. De Dienst Mensenhandel van de federale politie stelt dat dit project alleen, het probleem niet uit de wereld zal helpen.

Op voorstel van minister De Gucht keurde de ministerraad in september 2006 het voorontwerp van wet goed houdende instemming met het verdrag van de Raad van Europa ter bestrijding van mensenhandel, aangenomen te Warschau op 16 mei 2005.

Waarom heeft België dat verdrag nog niet geratificeerd? Klopt het dat de Europese Gemeenschap eerst het verdrag moet ratificeren, alvorens de lidstaten het kunnen ratificeren? Zo ja, heeft de Europese Gemeenschap al stappen gedaan? Zal België in de nabije toekomst het verdrag ratificeren of niet? Kan de minister een termijn vooropstellen?

Mme Gisèle Mandaila Malamba, secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées, adjointe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – Je vous lis la réponse du ministre.

Sa majesté le Roi vient de signer le projet de loi. Le Conseil des ministres avait approuvé le dossier, mais il a fallu adapter l’exposé des motifs à la lumière des remarques du Conseil d’État. Le projet de loi sera prochainement transmis au Sénat.

L’Union européenne n’a pas encore ratifié cette convention. Ceci n’empêche pas les États membres européens de le faire. L’Autriche et la Roumanie l’ont d’ailleurs déjà ratifiée. La convention entrera en vigueur dès le moment où dix pays, dont huit membres du Conseil de l’Europe, auront ratifié le texte.

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Ik lees het antwoord voor.

Zijne Majesteit de Koning heeft het wetsontwerp onlangs ondertekend. De ministerraad had het dossier goedgekeurd, maar na enkele opmerkingen van de Raad van State, moest de memorie van toelichting worden aangepast. Het wetsontwerp zal eerstdaags naar de Senaat worden gezonden.

De Europese Unie heeft het bewuste verdrag nog niet ondertekend. Dat verhindert de Europese lidstaten niet het verdrag te ratificeren. Oostenrijk en Roemenië hebben dat reeds gedaan. Ook zal het verdrag in werking treden zodra tien landen, waarvan acht lidstaten van de Raad van Europa moeten zijn, de tekst hebben geratificeerd.

(Mme Anne-Marie Lizin, présidente, prend place au fauteuil présidentiel.)

(Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin.)

Mme Margriet Hermans (VLD). – Je suis heureuse de constater que ce dossier progresse. Le Conseil de l’Europe se réjouira des intentions de la Belgique.

Mevrouw Margriet Hermans (VLD). – Het verheugt me dat er schot zit in dit dossier. De Raad van Europa zal blij zijn met het Belgische voornemen.

Votes

Stemmingen

(Les listes nominatives figurent en annexe.)

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Projet de loi relatif aux offres publiques d’acquisition (Doc. 3-2071) (Procédure d’évocation)

Wetsontwerp op de openbare overnamebiedingen (Stuk 3-2071) (Evocatieprocedure)

Vote nº 1

Stemming 1

Présents : 56
Pour : 48
Contre : 0
Abstentions : 8

Aanwezig: 56
Voor: 48
Tegen: 0
Onthoudingen: 8

Le projet de loi est adopté sans modification. Par conséquent, le Sénat est censé avoir décidé de ne pas l’amender.

Il sera transmis à la Chambre des représentants en vue de la sanction royale.

Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.

Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Projet de loi modifiant l’article 220 de la loi du 4 décembre 1990 relative aux opérations financières et aux marchés financiers, l’article 121, §1er, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, ainsi que l’article 584 du Code judiciaire, et insérant l’article 41 dans la loi du … relative aux offres publiques d’acquisition (Doc. 3-2072)

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 220 van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten, van artikel 121, §1, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en van artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek en tot invoeging van artikel 41 in de wet van … op openbare overnamebiedingen (Stuk 3-2072)

Vote nº 2

Stemming 2

Présents : 58
Pour : 47
Contre : 0
Abstentions : 11

Aanwezig: 58
Voor: 47
Tegen: 0
Onthoudingen: 11

Le projet de loi est adopté.

Il sera soumis à la sanction royale.

Het wetsontwerp is aangenomen.

Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

Projet de loi modifiant, en ce qui concerne le droit successoral à l’égard du cohabitant légal survivant, le Code civil et la loi du 29 août 1988 relative au régime successoral des exploitations agricoles en vue d’en promouvoir la continuité (Doc. 3-2015) (Procédure d’évocation)

Wetsontwerp tot wijziging, wat de regeling van het erfrecht van de langstlevende wettelijk samenwonende betreft, van het Burgerlijk Wetboek en van de wet van 29 augustus 1988 op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit (Stuk 3-2015) (Evocatieprocedure)

Mme la présidente. – Nous votons sur l’amendement nº 10 de M. Vandenberghe.

De voorzitter. – We stemmen over amendement 10 van de heer Vandenberghe.

Vote nº 3

Stemming 3

Présents : 59
Pour : 19
Contre : 39
Abstentions : 1

Aanwezig: 59
Voor: 19
Tegen: 39
Onthoudingen: 1

L’amendement n’est pas adopté.

Het amendement is niet aangenomen.

Mme la présidente. – Nous votons sur l’amendement nº 1 de Mme Nyssens.

De voorzitter. – We stemmen over amendement 1 van mevrouw Nyssens.

Vote nº 4

Stemming 4

Présents : 62
Pour : 23
Contre : 39
Abstentions : 0

Aanwezig: 62
Voor: 23
Tegen: 39
Onthoudingen: 0

L’amendement n’est pas adopté.

Het amendement is niet aangenomen.

Le même résultat de vote est accepté pour l’amendement nº 5 de Mme Nyssens. Cet amendement n’est donc pas adopté.

Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor amendement 5 van mevrouw Nyssens. Het amendement is dus niet aangenomen.

Mme la présidente. – Nous votons sur l’amendement nº 11 de M. Vandenberghe.

De voorzitter. – We stemmen over amendement 11 van de heer Vandenberghe.

Vote nº 5

Stemming 5

Présents : 62
Pour : 23
Contre : 38
Abstentions : 1

Aanwezig: 62
Voor: 23
Tegen: 38
Onthoudingen: 1

L’amendement n’est pas adopté.

Het amendement is niet aangenomen.

Le même résultat de vote est accepté pour les amendements nos 7, 8 et 9 de M. Vandenberghe. Ces amendements ne sont donc pas adoptés.

Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de amendementen 7, 8 en 9 van de heer Vandenberghe. Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.

Mme la présidente. – Nous votons à présent sur l’ensemble du projet de loi.

De voorzitter. – We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

Vote nº 6

Stemming 6

Présents : 62
Pour : 39
Contre : 11
Abstentions : 12

Aanwezig: 62
Voor: 39
Tegen: 11
Onthoudingen: 12

Le projet de loi est adopté sans modification. Par conséquent, le Sénat est censé avoir décidé de ne pas l’amender.

Il sera transmis à la Chambre des représentants en vue de la sanction royale.

Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.

Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Projet de loi relative à la mise à la disposition du tribunal de l’application des peines (Doc. 3-2054)

Wetsontwerp betreffende de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank (Stuk 3-2054)

Vote nº 7

Stemming 7

Présents : 62
Pour : 62
Contre : 0
Abstentions : 0

Aanwezig: 62
Voor: 62
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Le projet de loi est adopté.

Il sera transmis à la Chambre des représentants.

Het wetsontwerp is aangenomen.

Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Projet de loi modifiant l’article 40 des lois sur l’emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966 (Doc. 3-1495) (Art. 81, alinéa 3, et art. 78, alinéa premier, de la Constitution)

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 40 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 (Stuk 3-1495) (Art. 81, derde lid, en art. 78, eerste lid, van de Grondwet)

Vote nº 8

Stemming 8

Présents : 62
Pour : 62
Contre : 0
Abstentions : 0

Aanwezig: 62
Voor: 62
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Le projet de loi est adopté sans modification. Par conséquent, le Sénat est censé avoir décidé de se rallier au projet.

Il sera transmis à la Chambre des représentants en vue de la sanction royale.

Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist in te stemmen met het wetsontwerp.

Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Projet de loi réglant la publication en langue allemande des lois et arrêtés royaux et ministériels d’origine fédérale et modifiant la loi du 31 mai 1961 relative à l’emploi des langues en matière législative, à la présentation, à la publication et à l’entrée en vigueur des textes légaux et réglementaires, les lois sur l’emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966, ainsi que la loi du 31 décembre 1983 de réformes institutionnelles pour la Communauté germanophone (Doc. 3-1496)

Wetsontwerp tot regeling van de bekendmaking in het Duits van de wetten en de koninklijke en ministeriële besluiten afkomstig van de federale overheid en tot wijziging van de wet van 31 maart 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, alsook van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap (Stuk 3-1496)

Vote nº 9

Stemming 9

Présents : 62
Pour : 62
Contre : 0
Abstentions : 0

Aanwezig: 62
Voor: 62
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Le projet de loi est adopté.

Il sera soumis à la sanction royale.

Het wetsontwerp is aangenomen.

Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

Proposition de loi modifiant les lois coordonnées sur le Conseil d’État, en vue d’accorder aux associations le droit d’introduire une action d’intérêt collectif (de Mme Fauzaya Talhaoui et consorts, Doc. 3-1953)

Wetsvoorstel tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, teneinde verenigingen een vorderingsrecht toe te kennen ter verdediging van collectieve belangen (van mevrouw Fauzaya Talhaoui c.s., Stuk 3-1953)

M. Hugo Coveliers (Indépendant). – Je voudrais justifier mon vote car cette proposition de loi amorce une évolution importante. Elle donne insensiblement au droit une orientation à laquelle d’aucuns ne sont pas favorables.

Par droit, nous entendons la réglementation des conflits entre l’autorité et l’individu – effet vertical – et entre individus – effet horizontal. C’est un point de vue très libéral de dire que l’autorité doit intervenir un minimum, qu’elle ne doit régler que les choses importantes et qu’elle offre les facteurs environnementaux permettant de vivre aussi heureux que possible.

Cependant, cette proposition de loi instaure un troisième facteur, à savoir un groupe d’individus réunis en asbl, sponsorisés ou non par un groupe refusant de prendre la forme d’une asbl parce qu’il ne veut pas être tenu responsable de ses actes. L’asbl occupera alors une position privilégiée et fera comme si elle représentait l’intérêt collectif. Ce n’est pas le cas. L’asbl ne défend pas l’intérêt collectif ; elle se l’arroge simplement. On craint que cela soit démontré car on refuse de demander l’avis du Conseil d’État.

Nous avons ici à faire à un législateur qui refuse de consulter son conseiller sous le prétexte le plus fallacieux qui soit, à savoir que la proposition constitue une critique à l’égard du Conseil d’État. C’est une grave insulte pour les membres du Conseil d’État car cela implique qu’ils ne tolèrent aucune critique. Tout juge doit pouvoir supporter les critiques fondées sur ses jugements, que ce soit par le biais d’un appel ou sur la base de la doctrine. Les exemples qui ont été donnés sont parmi les plus mauvais que l’on puisse trouver. Le fait de confier des délits tels que le racisme et la discrimination à un ministère public séparé, à savoir le Centre de M. De Witte, a naturellement pour conséquence que les parquets ne poursuivent plus ces affaires et que les tribunaux sont quelque peu sceptiques, à juste titre, vis-à-vis de ce traitement de faveur.

Le Sénat auditionne de très nombreuses personnes et organise toutes sortes de colloques mais lors de la réforme d’une institution, il refuse de consulter et d’entendre, quelqu’un de cette institution, à savoir le Conseil d’État lui-même.

Cette proposition signifie une intervention collectiviste dans le droit. Où allons-nous ? Nous devons qualifier cela de coup d’État du ministre de la Mobilité dans les parquets. Je mets en garde contre cette attitude et je m’opposerai vigoureusement à cette proposition. Je demande à tous ceux qui ont approuvé le texte de réfléchir à l’orientation qu’ils donnent à notre droit.

De heer Hugo Coveliers (Onafhankelijke). – Ik wil graag een stemverklaring afleggen, omdat dit wetsvoorstel een belangrijke evolutie inluidt. Het geeft ongemerkt aan het recht een richting die sommigen niet willen.

Onder recht verstaan we in principe de regeling van conflicten tussen de overheid en het individu – de verticale werking – en tussen individuen onderling – de horizontale werking. Het is een erg liberaal standpunt te zeggen dat de overheid zo min mogelijk moet ingrijpen en alleen datgene moet regelen wat belangrijk is en de omgevingsfactoren biedt om zo gelukkig mogelijk te leven.

Met dit wetsvoorstel wordt echter een derde factor ingevoerd, namelijk een groep van individuen die zich in een vzw verenigt en die al dan niet wordt gesponsord door een groep die geen vzw-vorm aanneemt omdat hij niet aansprakelijk wil zijn voor zijn daden. De vzw zal dan een bevoorrechte positie innemen en het voorstellen alsof ze het collectief belang vertegenwoordigt. Dat is dus niet zo. De vzw verdedigt niet het collectieve belang; ze matigt zich dat gewoonweg aan. Men is bang dat dit bewezen zal worden, want men weigert het advies van de Raad van State te vragen.

We hebben hier te maken met een wetgever die weigert zijn adviseur te raadplegen, met de grootst mogelijke drogreden, namelijk dat het voorstel een kritiek vormt op de Raad van State. Dat is een zeer grote belediging voor de leden van de Raad van State, want dat houdt in dat ze geen kritiek zouden dulden. Elke rechter moet gefundeerde kritiek op zijn uitspraken kunnen verdragen, hetzij via beroep, hetzij in de rechtsleer.

Er worden voorbeelden gegeven, maar dan wel de slechtste die er te vinden zijn. Dat misdrijven zoals racisme en discriminatie aan een apart openbaar ministerie zijn toegewezen, namelijk het centrum van de heer De Witte, brengt natuurlijk met zich mee dat de parketten dergelijke zaken niet meer vervolgen en dat de rechtbanken terecht zeer huiverig staan tegenover deze geprivilegieerde behandeling.

De Senaat hoort heel veel mensen en organiseert allerlei colloquia, maar bij de hervorming van een instelling weigert hij iemand van die instelling, namelijk de Raad van State zelf, te consulteren en te horen.

Dit voorstel betekent een collectivistische ingreep in het recht. Waar gaat dat naartoe? We moeten dat catalogiseren als een staatsgreep van de minister van Mobiliteit in de parketten. Ik waarschuw daarvoor en zal met alle kracht die ik heb – al besef ik dat die zeer beperkt is – tegen dit voorstel stemmen. Ik vraag echter iedereen die de tekst goedkeurt, na te denken over de richting waarin hij of zij ons recht stuurt.

Vote nº 10

Stemming 10

Présents : 61
Pour : 41
Contre : 13
Abstentions : 7

Aanwezig: 61
Voor: 41
Tegen: 13
Onthoudingen: 7

La proposition de loi est adoptée.

Le projet de loi sera transmis à la Chambre des représentants.

Het wetsvoorstel is aangenomen.

Het wetsontwerp zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Projet de loi modifiant les lois coordonnées du 12 janvier 1973 sur le Conseil d’État (Doc. 3-2070)

Wetsontwerp tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State (Stuk 3-2070)

Vote nº 11

Stemming 11

Présents : 61
Pour : 52
Contre : 0
Abstentions : 9

Aanwezig: 61
Voor: 52
Tegen: 0
Onthoudingen: 9

Le projet de loi est adopté.

Il sera soumis à la sanction royale.

Het wetsontwerp is aangenomen.

Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

Projet de loi désignant les représentants des infirmiers à domicile à la commission de conventions infirmiers-organismes assureurs (de Mme Annemie Van de Casteele et consorts, Doc. 3-336) (Art. 81, alinéa 3, et art. 78, alinéa premier, de la Constitution)

Wetsontwerp tot aanwijzing van de vertegenwoordigers van de thuisverpleegkundigen in de overeenkomstencommissie verpleegkundigen-verzekeringsinstellingen (van mevrouw Annemie Van de Casteele c.s., Stuk 3-336) (Art. 81, derde lid, en art. 78, eerste lid, van de Grondwet)

Vote nº 12

Stemming 12

Présents : 60
Pour : 37
Contre : 9
Abstentions : 14

Aanwezig: 60
Voor: 37
Tegen: 9
Onthoudingen: 14

Le projet de loi est adopté sans modification. Par conséquent, le Sénat est censé avoir décidé de se rallier au projet.

Il sera transmis à la Chambre des représentants en vue de la sanction royale.

Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist in te stemmen met het wetsontwerp.

Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Ordre des travaux

Regeling van de werkzaamheden

Mme la présidente. – Le Bureau propose l’ordre du jour suivant pour la semaine prochaine :

De voorzitter. – Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Jeudi 22 mars 2007

Donderdag 22 maart 2007

le matin à 10 heures

s ochtends om 10 uur

La politique énergétique en Belgique ; Doc. 3-2041/1. (Débat thématique – Art. 74 du Règlement)

Het energiebeleid in België; Stuk 3-2041/1. (Themadebat – Art. 74 van het Reglement)

l’après-midi à 15 heures

s namiddags om 15 uur

Prise en considération de propositions.

Inoverwegingneming van voorstellen.

Débat d’actualité et questions orales.

Actualiteitendebat en mondelinge vragen.

Projet de loi portant assentiment à la Convention entre le Royaume de Belgique et la République de Saint-Marin tendant à éviter la double imposition et à prévenir la fraude fiscale en matière d’impôts sur le revenu, signée à Saint-Marin le 21 décembre 2005 ; Doc. 3-2045/1 et 2.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek San Marino tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontduiken van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te San Marino op 21 december 2005; Stuk 3-2045/1 en 2.

Procédure d’évocation
Projet de loi modifiant la loi du 8 août 1981 portant création de l’Institut national des invalides de guerre, anciens combattants et victimes de guerre ainsi que du Conseil supérieur des invalides de guerre, anciens combattants et victimes de guerre ; Doc. 3-2097/1 et 2.

Evocatieprocedure
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 8 augustus 1981 tot oprichting van het Nationaal Instituut voor oorlogsinvaliden, oud-strijders en oorlogsslachtoffers en van de Hoge Raad voor oorlogsinvaliden, oud-strijders en oorlogsslachtoffers; Stuk 3-2097/1 en 2.

Procédure d’évocation
Projet de loi réformant le divorce ; Doc. 3-2068/1 à 5. (Pour mémoire)

Evocatieprocedure
Wetsontwerp betreffende de hervorming van de echtscheiding; Stuk 3-2068/1 tot 5. (Pro memorie)

Procédure d’évocation
Projet de loi relative à la transsexualité ; Doc. 3-1794/1 à 7. (Pour mémoire)

Evocatieprocedure
Wetsontwerp betreffende de transseksualiteit; Stuk 3-1794/1 tot 7. (Pro memorie)

Projet de loi portant assentiment à l’accord de coopération du 13 décembre 2006 entre l’État fédéral, la Communauté flamande, la Communauté française, la Communauté germanophone et la Commission communautaire commune portant sur l’organisation et le financement de l’offre restauratrice visée à la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait ; Doc. 3-2085/1 et 2. (Pour mémoire)

Wetsontwerp houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 13 december 2006 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, betreffende de organisatie en de financiering van het herstelrechtelijk aanbod bedoeld in de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade; Stuk 3-2085/1 en 2. (Pro memorie)

Projet de loi portant assentiment à l’accord de coopération du 13 décembre 2006 entre l’État fédéral, la Communauté flamande, la Communauté française, la Communauté germanophone et la Commission communautaire commune portant sur l’organisation et le financement du stage parental visé à la loi relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait ; Doc. 3-2086/1 et 2. (Pour mémoire)

Wetsontwerp houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 13 december 2006 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, betreffende de organisatie en financiering van de ouderstage, bedoeld in de wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade; Stuk 3-2086/1 en 2. (Pro memorie)

Projet de loi portant assentiment à l’accord de coopération du 13 décembre 2006 entre l’État fédéral, la Communauté flamande, la Communauté française, la Région wallonne, la Communauté germanophone et la Commission communautaire commune portant sur l’entrée en vigueur de l’article 7, 7º de la loi du 13 juin 2006 modifiant la législation relative à la protection de la jeunesse et à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction ; Doc. 3-2087/1 et 2. (Pour mémoire)

Wetsontwerp houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 13 december 2006 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, het Waals Gewest, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, betreffende de inwerkingtreding van artikel 7, 7º van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd; Stuk 3-2087/1 en 2. (Pro memorie)

Proposition de loi complétant l’article 45 de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, en vue de renforcer la participation démocratique (de M. Jan Steverlynck et consorts) ; Doc. 3-1956/1 à 4. (Pour mémoire)

Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 45 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, ter versterking van de democratische betrokkenheid (van de heer Jan Steverlynck c.s.); Stuk 3-1956/1 tot 4. (Pro memorie)

Proposition de résolution visant à promouvoir l’enregistrement généralisé d’un numéro ICE (In Case of Emergency) dans la mémoire du GSM (de MM. Flor Koninckx et Ludwig Vandenhove) ; Doc. 3-2011/1 et 2. (Pour mémoire)

Voorstel van resolutie om het veralgemeend gebruik van een ICE-nummer (In Case of Emergency) in het gsm-geheugen te bevorderen (van de heren Flor Koninckx en Ludwig Vandenhove); Stuk 3-2011/1 en 2. (Pro memorie)

À partir de 18 heures : Votes nominatifs sur l’ensemble des points à l’ordre du jour dont la discussion est terminée.

Vanaf 18 uur: Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

Demandes d’explications :

Vragen om uitleg:

de Mme Annemie Van de Casteele à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au ministre de la Mobilité sur « le taux de la peine infligée aux conducteurs ayant provoqué un accident mortel » (nº 3-2198) ;

van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de minister van Mobiliteit over “de strafmaat voor bestuurders die dodelijke ongevallen veroorzaakten” (nr. 3-2198);

de Mme Sabine de Bethune à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur « la reconnaissance du mariage des réfugiés et des demandeurs d’asile en tenant compte d’autres éléments que les actes de mariage officiels » (nº 3-2202) ;

van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over “de erkenning van het huwelijk van vluchtelingen en asielzoekers op basis van andere elementen dan officiële huwelijksakten” (nr. 3-2202);

de Mme Stéphanie Anseeuw à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur « l’interdiction de la pornographie infantile virtuelle » (nº 3-2203) ;

van mevrouw Stéphanie Anseeuw aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over “het verbod op virtuele kinderporno” (nr. 3-2203);

de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur « le manque d’un nouveau règlement sur les frais de justice » (nº 3-2207) ;

van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over “het ontbreken van een nieuw reglement betreffende gerechtskosten” (nr. 3-2207);

de M. Joris Van Hauthem à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur « le recours à de fausses adresses par des éditeurs responsables » (nº 3-2208) ;

van de heer Joris Van Hauthem aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over “het gebruik van valse adressen door verantwoordelijke uitgevers” (nr. 3-2208);

de M. Joris Van Hauthem à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur « les résultats de la concertation avec le Collège des procureurs-généraux concernant le contrôle des dispositions selon lesquelles le mariage civil doit précéder la bénédiction nuptiale » (nº 3-2210) ;

van de heer Joris Van Hauthem aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over “de resultaten van het overleg met het College van procureurs-generaal inzake de controle op het voorafgaan van het burgerlijk huwelijk aan de huwelijksinzegening” (nr. 3-2210);

de Mme Fauzaya Talhaoui à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur « le code de déontologie pendant et après les interventions des services de police » (nº 3-2215) ;

van mevrouw Fauzaya Talhaoui aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over “de gedragscode bij en na optredens van politiediensten” (nr. 3-2215);

de M. Christian Brotcorne à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur « le blocage de la situation en matière d’exécution des peines de travail et des travaux d’intérêt général » (nº 3-2221) ;

van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over “de geblokkeerde situatie bij het uitvoeren van werkstraffen of activiteiten van algemeen nut” (nr. 3-2221);

de M. Stefaan Noreilde à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur « les poursuites des assesseurs » (nº 3-2222) ;

van de heer Stefaan Noreilde aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over “het vervolgen van bijzitters” (nr. 3-2222);

de Mme Clotilde Nyssens à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur « le calcul des contributions alimentaires pour les enfants » (nº 3-2226) ;

van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over “de berekening van alimentatie voor kinderen” (nr. 3-2226);

de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur « le trafic de drogues dures » (nº 3-2227) ;

van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over “het smokkelen van harddrugs” (nr. 3-2227);

de M. Wim Verreycken au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur et au ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances sur « la circulaire relative au retour volontaire d’étrangers avec l’aide de l’Organisation internationale pour les migrations » (nº 3-2199) ;

van de heer Wim Verreycken aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over “de omzendbrief betreffende de vrijwillige terugkeer van vreemdelingen met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie” (nr. 3-2199);

de M. Christian Brotcorne au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur « l’accès aux bureaux de vote lors des élections fédérales par les électeurs à mobilité réduite ou présentant des difficultés de compréhension » (nº 3-2214) ;

van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over “de toegang tot de stembureaus bij de federale parlementsverkiezingen voor kiezers met een beperkte mobiliteit of voor slechthorende kiezers” (nr. 3-2214);

de M. Christian Brotcorne au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur et au ministre des Affaires étrangères sur « l’octroi de visa aux étudiants congolais qui doivent passer une année complémentaire de type secondaire avant d’entrer à l’université » (nº 3-2216) ;

van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Buitenlandse Zaken over “de toekenning van een visum aan de Congolese studenten die een bijkomend jaar secundair onderwijs moeten volgen voor ze naar de universiteit kunnen” (nr. 3-2216);

de M. Stefaan Noreilde au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur « le projet-pilote en ce qui concerne la déclaration électronique des petits délits » (nº 3-2223) ;

van de heer Stefaan Noreilde aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over “het proefproject inzake de elektronische aangifte van kleine misdrijven” (nr. 3-2223);

de M. Stefaan Noreilde au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur « les appels d’urgence par GSM » (nº 3-2225) ;

van de heer Stefaan Noreilde aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over “noodoproepen per gsm” (nr. 3-2225);

de M. Christian Brotcorne au ministre des Affaires étrangères sur « les listes des Belges inscrits auprès des postes diplomatiques et consulaires » (nº 3-2219) ;

van de heer Christian Brotcorne aan de minister van Buitenlandse Zaken over “de lijsten van de Belgen die zijn ingeschreven bij een diplomatieke of consulaire post” (nr. 3-2219);

de Mme Stéphanie Anseeuw au ministre de l’Économie, de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la Politique scientifique et au ministre de l’Environnement et ministre des Pensions sur « la prolongation de l’heure d’été dans le cadre du combat contre le réchauffement climatique » (nº 3-2204) ;

van mevrouw Stéphanie Anseeuw aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid en aan de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen over “de verlenging van de zomertijd in de strijd tegen klimaatopwarming” (nr. 3-2204);

de M. Joris Van Hauthem au ministre de l’Économie, de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la Politique scientifique sur « les mesures prises afin d’éliminer la répartition déséquilibrée des emplois entre les groupes linguistiques au sein des établissements scientifiques fédéraux » (nº 3-2206) ;

van de heer Joris Van Hauthem aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over “de maatregelen om de onevenwichtige verdeling van de betrekkingen over de taalgroepen in de federale wetenschappelijke instellingen weg te werken” (nr. 3-2206);

de Mme Annemie Van de Casteele au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « l’instauration du statut OMNIO et son application pour les travailleurs indépendants » (nº 3-2197) ;

van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “de invoering van het statuut OMNIO en de toepassing ervan voor zelfstandigen” (nr. 3-2197);

de Mme Margriet Hermans au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « le manque de lits pour les toxicomanes mineurs » (nº 3-2205) ;

van mevrouw Margriet Hermans aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “het gebrek aan bedden voor drugsverslaafde minderjarigen” (nr. 3-2205);

de Mme Nele Lijnen au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « le vaccin contre le cancer du col de l’utérus » (nº 3-2212) ;

van mevrouw Nele Lijnen aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “het vaccin tegen baarmoederhalskanker” (nr. 3-2212);

de Mme Sabine de Bethune au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique et au ministre de l’Emploi sur « les allocations familiales pendant le stage d’attente » (nº 3-2217) ;

van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Werk over “de kinderbijslag tijdens de wachttijd” (nr. 3-2217);

de Mme Stéphanie Anseeuw au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique et au ministre de l’Emploi sur « les cancers liés au travail » (nº 3-2220) ;

van mevrouw Stéphanie Anseeuw aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Werk over “werkgerelateerde kankers” (nr. 3-2220);

de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « l’augmentation des erreurs dans l’utilisation des médicaments génériques » (nº 3-2228) ;

van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “de toename van vergissingen met generieke geneesmiddelen” (nr. 3-2228);

de M. Jan Steverlynck à la ministre des Classes moyennes et de l’Agriculture et au ministre de l’Environnement et ministre des Pensions sur « la fixation de la pension d’indépendant après une suspension de la pension pour cause de reprise d’une activité professionnelle » (nº 3-2201) ;

van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Middenstand en Landbouw en aan de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen over “de vaststelling van het pensioen als zelfstandige na een schorsing van het pensioen wegens hervatting van een beroepsbezigheid” (nr. 3-2201);

de Mme Nele Lijnen à la ministre des Classes moyennes et de l’Agriculture sur « l’indemnité compensatoire en faveur des travailleurs indépendants en cas de travaux publics » (nº 3-2211) ;

van mevrouw Nele Lijnen aan de minister van Middenstand en Landbouw over “de inkomenscompensatie aan zelfstandigen bij openbare werken” (nr. 3-2211);

de M. Joris Van Hauthem au ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances sur « la campagne “Migrant du jour” organisée par le Centre pour l’égalité des chances et la lutte contre le racisme » (nº 3-2209) ;

van de heer Joris Van Hauthem aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over “de campagne ‘Migrant van de dag’ door het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding” (nr. 3-2209);

de Mme Sabine de Bethune au ministre de l’Emploi sur « l’assimilation du volontariat à l’étranger au stage d’attente » (nº 3-2218) ;

van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Werk over “gelijkstelling van vrijwilligerswerk in het buitenland met de wachttijd” (nr. 3-2218);

de Mme Nele Lijnen au secrétaire d’État à la Simplification administrative sur « Kafka » (nº 3-2213) ;

van mevrouw Nele Lijnen aan de staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging over “Kafka” (nr. 3-2213);

de M. Luc Willems au secrétaire d’État aux Entreprises publiques sur « la remise en circulation de trains supprimés » (nº 3-2200) ;

van de heer Luc Willems aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over “het terug inlassen van afgeschafte treinen” (nr. 3-2200);

de M. Stefaan Noreilde au secrétaire d’État aux Entreprises publiques sur « les infractions au code de la route commises par le personnel de La Poste » (nº 3-2224).

van de heer Stefaan Noreilde aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over “verkeersovertredingen bij De Post” (nr. 3-2224).

Le Sénat est d’accord sur cet ordre des travaux.

De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «les grandes quantités de benzène dans les boissons rafraîchissantes» (nº 3-2195)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de grote hoeveelheden benzeen in frisdranken» (nr. 3-2195)

Mme la présidente. – Mme Gisèle Mandaila Malamba, secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées, adjointe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, répondra.

De voorzitter. – Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Test-Achats a noté qu’à l’occasion d’un contrôle des boissons rafraîchissantes sur le marché belge on avait détecté la présence de grandes quantités de benzène cancérigène. La valeur belge de référence de 1 microgramme par kg et la norme de 10 microgrammes par kg proposée par l’Organisation mondiale de la santé sont régulièrement dépassées.

Étant donné que le benzène est un produit cancérigène, il faut essayer de maintenir sa présence aussi basse que possible. Quels contrôles le ministre fait-il exécuter pour vérifier la présence de benzène dans les boissons rafraîchissantes ? Avec quelle régularité ces contrôles ont-il lieu ? Que fait le ministre pour maintenir aussi faible que possible la dose de benzène dans les boissons rafraîchissantes ?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Test-Aankoop merkte op dat bij een controle van frisdranken op de Belgische markt grote hoeveelheden kankerverwekkend benzeen werd aangetroffen. De Belgische referentiewaarde van 1 µg/kg en de norm van 10 µg/kg van de Wereldgezondheidsorganisatie, werd geregeld overschreden.

Aangezien benzeen een kankerverwekkende stof is, wordt het best geprobeerd om de hoeveelheid zo laag mogelijk te houden. Welke controles laat de minister uitvoeren om benzeen in frisdranken te controleren? Hoe geregeld vinden deze controles plaats? Wat onderneemt de minister om de dosis benzeen in frisdranken zo laag mogelijk te houden?

Mme Gisèle Mandaila Malamba, secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées, adjointe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – Je vous lis la réponse du ministre.

Je suis bien au courant de la problématique de la présence de benzène dans les boissons rafraîchissantes et de l’enquête britannique.

En fait le benzène se forme dans les boissons par l’action de la lumière sur l’acide benzoïque et la vitamine C (acide ascorbique). Cette formation dépend de facteurs comme le temps, la température, la présence favorisante d’ions métalliques et celle de matières accélérantes comme le sucre.

Je souhaite d’une part faire remarquer que les concentrations observées sont très faibles. Néanmoins, du point de vue des carcinogènes génotoxiques, ces concentrations doivent être et rester aussi faibles que possible. D’autre part nous suivons de près cette question, tant au SPF de la Santé publique, de la Sécurité de la chaîne alimentaire et de l’Environnement qu’à l’AFSCA.

Cette question du niveau de concentration – qui doit être as low as reasonably achievable – est le sujet de nombreuses discussions au niveau européen, en particulier au Comité permanent. Ce niveau peut être interprété comme l’équivalent de 10 microgrammes par kg.

Ceci signifie concrètement que les boissons rafraîchissantes qui se situent sous le seuil de 10 microgrammes par kg peuvent être mises sur le marché. L’Union européenne n’a cependant pas encore officiellement publié cette norme.

Pour traiter au mieux cette problématique en Belgique, mon administration a pris des contacts avec l’industrie. Il y a déjà eu des réunions, d’autres sont prévues. Lorsque le point de vue de chacun sera connu, on pourra décider des mesures possibles.

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Ik lees het antwoord van de minister.

Ik ben goed op de hoogte van de problematiek van benzeen in frisdranken en van het Britse onderzoek.

Benzeen kan inderdaad gevormd worden in frisdrank door de combinatie van benzoëzuur, vitamine C (ascorbinezuur) en licht. Dat hangt af van factoren zoals tijd, temperatuur, de aanwezigheid van stimulerende metaalionen en de aanwezigheid van remmende stoffen zoals suiker.

Enerzijds wens ik op te merken dat de waargenomen concentraties zeer laag zijn. Toch moeten in het raam van de gentoxische carcinogenen, deze concentraties zo laag mogelijk zijn en blijven.

Anderzijds wordt deze kwestie van heel nabij gevolgd, zowel de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, als het FAVV.

Op Europees niveau was de kwestie van het concentratieniveau – dat as low as reasonably achievable moet zijn – het onderwerp van vele besprekingen, met name in het Permanent Comité. Dit niveau kan worden geïnterpreteerd als equivalent van 10 µg/kg.

Dit betekent concreet dat frisdranken, die zich onder de grens van 10 µg/kg bevinden, volledig op de markt zijn toegestaan. De Europese Unie heeft momenteel deze norm nog niet officieel gepubliceerd.

Om in België zo goed mogelijk met deze problematiek te kunnen omgaan, hebben mijn diensten contact opgenomen met de industrie. Er zijn al vergaderingen geweest en er zijn er nog andere gepland. Als de standpunten van iedereen bekend zijn, kan bepaald worden welke maatregelen kunnen worden genomen.

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «les conditions de travail des médecins généralistes en formation» (nº 3-2196)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «arbeidsvoorwaarden van de huisartsen in opleiding» (nr. 3-2196)

Mme la présidente. – Mme Gisèle Mandaila Malamba, secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées, adjointe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, répondra.

De voorzitter. – Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Les généralistes en formation se plaignent de leur situation sociale. Ils sont contraints de travailler sous un statut d’indépendant fictif. Le médecin auprès de qui ils effectuent leur stage de deux ans, leur verse un salaire fixe de près de 2.000 euros, quelles que soient les prestations.

Les généralistes en formation conservent à peu près la moitié de ce revenu. Le ministre de la Santé publique aurait l’intention de modifier leur statut. Les stagiaires obtiendraient une augmentation salariales de 400 euros. Aujourd’hui pourtant, les stagiaires annoncent publiquement que le ministre ne tient pas parole et ne leur accorde qu’une augmentation de 168 euros.

Quelle conclusion le ministre tire-t-il des critiques des stagiaires et comment compte-t-il répondre à leurs aspirations ? Quelles modifications le ministre veut-il apporter au statut des généralistes en formation ?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – De huisartsen in opleiding klagen dat ze in een slechte sociale situatie zitten. Ze zijn verplicht om als een soort schijnzelfstandige te werken. De huisarts bij wie ze hun twee jaar durende stage volgen, keert hen een vast loon uit. Het loon, dat rond de 2000 euro schommelt, is onafhankelijk van de geleverde prestaties. De helft van dat bedrag krijgt de huisarts-praktijkbegeleider van het RIZIV terug.

Van die 2000 euro houden de huisartsen in opleiding ongeveer 1000 euro over. De minister van Volksgezondheid wou volgens de vereniging van stagiairs-huisartsen, het HIBO-forum, aan het statuut sleutelen. De stagairs zouden zo 400 euro loonsverhoging verwerven. De stagairs klagen publiek aan dat de minister op zijn woorden terugkomt en enkel een verhoging van 168 euro zal toelaten.

Welke conclusie trekt de minister uit de kritiek van de huisartsen in opleiding en op welke manier wil hij aan hun verzuchtingen tegemoetkomen? Welke wijzigingen wil de minister in het statuut van huisartsen in opleiding aanbrengen?

Mme Gisèle Mandaila Malamba, secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées, adjointe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – Je vous lis la réponse du ministre Demotte.

Le recrutement de jeunes généralistes pose problème actuellement car, à la fin de leur doctorat, trop peu d’étudiants optent pour la médecine générale, bien que diverses mesures aient déjà été prises pour améliorer les conditions de travail des généralistes.

Le statut des médecins généralistes en formation professionnelle (MGFP) joue également un grand rôle dans ce choix. Il s’agit pour l’instant d’un statut d’indépendant et le revenu varie fortement selon l’endroit du stage. Le contrat est signé entre le MGFP et le maître de stage. Les universités ne sont responsables que de l’aspect pédagogique de la formation. L’INAMI rembourse la moitié des montants versés aux MGFP, avec un maximum de 10.000 euros.

En Flandre, la rémunération des MGFP est assez uniforme et varie autour de 2.000 euros bruts pour un indépendant, ce qui est beaucoup moins que ce que reçoit un candidat-spécialiste.

Il est donc indispensable de revaloriser le statut du MGFP. À court terme, l’intervention de l’INAMI sera portée à 12.000 euros par an.

À l’avenir, nous prévoyons de créer deux ASBL interuniversitaires, l’une néerlandophone, l’autre francophone, qui regrouperont les centres universitaires de médecine générale et les employeurs des MGFP. Ces centres seront financés par une contribution de l’INAMI et par le budget découlant des prestations réalisées par les MGFP sur leur lieu de stage.

Ce nouveau statut nécessite par ailleurs la détermination d’un nombre moyen de prestations que devra réaliser le MGFP. Il faut également fixer le pourcentage des revenus découlant de ces actes qui doit servir à rémunérer le MGFP. Celui-ci pourra alors travailler sous le statut de salarié, assimilé à celui du candidat-spécialiste.

Avant d’en arriver là, nous avons encore beaucoup de mesures à prendre et je ne pense pas que le nouveau statut sera prêt avant juillet 2008.

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Ik lees het antwoord van minister Demotte.

Momenteel kent de rekrutering van jonge huisartsen problemen, doordat te weinig studenten aan het einde van hun doctoraat de optie huisartsengeneeskunde kiezen. Het gebrek aan aantrekkingskracht van het toekomstige beroep speelt hier duidelijk een rol. Er werden reeds tal van maatregelen genomen om de arbeidsomstandigheden van huisartsen te verbeteren.

Het statuut van de assistent-huisartsen in opleiding kan eveneens een belangrijke rol spelen in deze keuze. Het statuut van de huisartsen in opleiding of HIBO is momenteel een zelfstandigenstatuut en het inkomen varieert enorm naar gelang van de stageplaats. De contracten worden getekend tussen HIBO’s en stagemeesters. De universiteiten zijn alleen verantwoordelijk voor het pedagogische aspect van de opleiding. Het RIZIV komt tussenbeide om de bedragen betaald aan de HIBO’s terug te betalen à rato van de helft van de bijdragen ontvangen door de HIBO. Deze tegemoetkoming bedraagt momenteel maximum 10.000 euro.

In Vlaanderen bestaat er een vrij grote uniformiteit en schommelt de vergoeding van de HIBO’s rond de 2.000 euro bruto voor een zelfstandige, wat veel minder is dan de vergoedingen van de kandidaat-specialisten en tot concurrentie leidt ten nadele van de opleiding voor huisartsen.

Het is dus noodzakelijk om het statuut van de HIBO te herwaarderen. Op korte termijn zal de tegemoetkoming door het RIZIV op 12.000 euro per jaar worden gebracht. Dit is een verhoging van 2000 euro per jaar. Dankzij de bijdrage van de stagemeesters, zou de verhoging voor de HIBO’s voor het academiejaar 2007-2008 dus 20% bedragen.

Voor de toekomst wordt de oprichting van twee interuniversitaire vzw’s gepland, een Nederlandstalige en een Franstalige, die de universitaire centra voor huisartsengeneeskunde verenigen en de werkgevers van de HIBO’s worden. Deze centra worden gezamenlijk gefinancierd door de bijdrage van het RIZIV en het budget dat totstandkomt uit de verstrekkingen uitgevoerd door de HIBO’s op hun stageplaats.

In het raam van het nieuwe statuut moet een gemiddeld aantal verstrekkingen worden bepaald die door de HIBO moet worden gepresteerd. Ook moet nog worden vastgelegd welk percentage van de inkomsten uit deze handelingen moet dienen voor de vergoeding van de HIBO. De HIBO’s kunnen in dat geval werken onder het statuut van werknemer, gelijkgesteld met dat van de kandidaat-specialisten. Het betreft hier een specifiek statuut dat beantwoordt aan de kenmerken van de situatie van artsen in opleiding.

Voor we zover zijn, moet er nog veel werk worden verricht: de vzw’s oprichten, de verdragen over het statuut van de HIBO’s en de financiering daarvan wijzigen, het statuut aanpassen aan de kenmerken van de huisartsengeneeskunde en aan een praktijk buiten het ziekenhuis, overleg plegen met de stagemeesters en de HIBO’s … Dat alles vergt tijd. Het ziet ernaar uit dat het nieuwe statuut niet voor juli 2008 wordt bereikt.

Demande d’explications de Mme Jacinta De Roeck au ministre de la Coopération au Développement sur «le fonds des garanties» (nº 3-2170)

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «het garantiefonds» (nr. 3-2170)

Mme la présidente. – Mme Gisèle Mandaila Malamba, secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées, adjointe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, répondra.

De voorzitter. – Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

Mme Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). – En 2000 déjà, le secrétaire d’État à la Coopération au développement de l’époque proposait de créer un mécanisme financier offrant aux investisseurs en commerce équitable une assurance contre les risques et une intervention dans le préfinancement. La couverture des risques du commerce équitable diffère de celle qu’offre l’Office national du ducroire. L’OND est l’assureur-crédit de l’exportation régulière, mais ne dispose pas d’un fonctionnement adapté aux ONG.

Le rapport 2003 de la Commission interdépartementale du développement durable indiquait qu’un budget serait prévu pour la création d’un fonds de garantie du commerce équitable, qui serait intégré à la CTB. Lors des auditions en commission Globalisation, M. Bontemps, d’Ethibel, a à nouveau attiré l’attention sur la création d’un fonds de garantie. Il a souligné qu’un fonds de garantie du commerce équitable était un instrument précieux.

Il ressort de la réponse du ministre à ma question écrite qu’aucun consensus n’a pu être dégagé quant à la forme d’un tel fonds. Le ministre signalait que la création d’un fonds de garantie ne faisait pas partie de sa convention avec le Fair Trade Centre et la CTB.

Pourquoi la création d’un fonds de garantie ne fait-elle pas partie de la convention entre le ministre, le FTC et la CTB ? Sur la base de quels arguments a-t-il pris cette décision ? Dans quel délai le ministre envisage-t-il encore la création du fonds de garantie ? Quels moyens seront-ils prévus à cet effet ? La création du fonds de garantie figurera-t-elle dans un prochain contrat de gestion avec la CTB et le FTC ?

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). – Al in 2000 stelde de toenmalige staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking voor om een financieel mechanisme op te richten dat investeerders in eerlijke handel een risicoverzekering en een tegemoetkoming in de prefinanciering aanbiedt. De dekking van de risico’s voor eerlijke handel verschilt van de dekking die door de Nationale Delcrederedienst wordt aangeboden. De NDD is de kredietverzekeraar voor de reguliere export, maar beschikt niet over een aangepaste werkwijze op maat van ngo’s.

In haar rapport van 2003 vermeldde de Interdepartementale Commissie voor duurzame ontwikkeling dat er een budget voor de oprichting van een garantiefonds voor eerlijke handel zou komen, dat in het BTC zou worden geïntegreerd. Tijdens de hoorzittingen in de commissie Globalisering bracht de heer Bontemps, van Ethibel, de oprichting van een garantiefonds opnieuw onder de aandacht. Hij stipte aan dat een garantiefonds voor de eerlijke handel een waardevol instrument is.

Uit het antwoord van de minister op mijn schriftelijke vraag blijkt echter dat er geen consensus wordt gevonden over de vorm van zulk een fonds. De minister stelde dat de oprichting van een garantiefonds geen deel uitmaakt van zijn overeenkomst met het Fair Trade Centre, FTC, en de BTC. Dit is een stap achteruit voor de Belgische ontwikkelingssamenwerking.

Waarom maakt de oprichting van een garantiefonds geen deel uit van de overeenkomst tussen de minister en het FTC en de BTC? Op basis van welke argumenten heeft hij deze beslissing genomen? Binnen welke termijn plant de minister alsnog de oprichting van het garantiefonds? Welke middelen zullen hiervoor worden uitgetrokken? Wordt de oprichting van het garantiefonds opgenomen in een volgend beheerscontract met de BTC en het FTC?

Mme Gisèle Mandaila Malamba, secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées, adjointe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – Je vous lis la réponse du ministre De Decker.

Une convention signée le 16 juin 2003 avec la CTB organisait la gestion d’un « mécanisme de garantie pour les transactions de commerce équitable ». Force est de constater que ce mécanisme n’a jamais fonctionné. Il n’y eut qu’une seule demande introduite, en outre jugée irrecevable par l’Inspecteur des finances. La raison principale de ce manque d’intérêt réside dans l’inadéquation de ce mécanisme aux besoins des acteurs du secteur.

Dans une lettre du 23 avril 2004, les cinq principales organisations de commerce équitable – Max Havelaar, Oxfam-Magasins du monde, Miel Maya Honing, Fair Trade Original – faisaient déjà remarquer que le mécanisme actuellement mis en œuvre ne concernait que trois ONG de commerce équitable, alors qu’initialement il devait également permettre de garantir les préfinancements des acteurs privés. En outre, les organisations estiment que le mécanisme actuel ne rencontre pas leurs besoins sur le plan de la nature des risques couverts. C’est pourquoi aucune d’entre elles n’a introduit de dossier.

La CTB a alors demandé à l’Office national du ducroire de préparer un projet de mécanisme de garantie adapté. La proposition d’un produit visant à assurer les risques liés aux préfinancements dans le cadre des transactions Fair Trade, du 20 octobre 2004, répondait à certaines préoccupations du secteur, notamment la couverture du risque débiteur et l’élargissement du nombre de bénéficiaires.

Mais le rapport coût/bénéfice d’un tel fonds de garantie n’apparaissait plus intéressant pour la plupart des acteurs du secteur, la charge administrative étant très lourde. C’est pourquoi la convention du 16 juin 2003 organisant le « mécanisme de garantie pour les transactions de commerce équitable », et qui prenait fin le 30 juin 2005, n’a pas été renouvelée.

Il a été envisagé à un moment donné d’insérer un mécanisme de garantie dans la convention signée le 16 juin 2005 entre la CTB et le département de la Coopération au développement afin d’intégrer le Fair Trade Centre à la CTB, mais pour les raisons invoquées ci-dessus, cette piste n’a pas été retenue.

Mieux valait dès lors répondre à la proposition des organisations de commerce équitable et consacrer des moyens financiers à la création d’un fonds pour le développement de produits du commerce équitable.

La convention organisant le Fair Trade Centre intègre donc un mécanisme d’appui à la commercialisation de produits issus du commerce équitable. En effet, pour faire du commerce équitable un outil efficace de lutte contre la pauvreté, il faut permettre aux producteurs marginalisés d’inscrire leur activité économique dans la durée, notamment par le développement de nouveaux produits ou l’amélioration des produits existants.

Dans cette optique, plusieurs activités reçoivent le soutien du Fair Trade Centre de la CTB : études de marché, création de nouveaux produits, amélioration de la qualité des produits existants, mise en place de systèmes de contrôle de qualité, formation des producteurs en gestion et marketing, participation à des foires commerciales, company matching pour mettre en contact direct producteurs et importateurs.

Ces activités, financées à hauteur maximale de 75%, sont autant de coups de pouce qui peuvent s’avérer décisifs pour les producteurs.

Le règlement ainsi qu’une présentation de quelques projets soutenus sont disponibles sur le site web http://www.befair.be/en/articles/www-befair-be/6-producer-support/producer-support.cfm.

Il n’est pas prévu d’intégrer un fonds de garantie dans la prochaine convention organisant le Fair Trade Centre à la CTB. Il serait par contre peut-être intéressant d’étudier la faisabilité de la création d’un fonds d’octroi de prêts à faible taux d’intérêt. Un tel fonds permettrait à différents acteurs du commerce équitable – que ces derniers soient ou non des ONG – de préfinancer plus facilement leurs commandes. Les préfinancements spécifiques au commerce équitable engendrent en effet une forte pression sur leur trésorerie.

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Ik lees het antwoord van minister De Decker.

Een overeenkomst met de BTC van 16 juni 2003 regelde het beheer van een ‘garantiemechanisme voor transacties van eerlijke handel’. Dit mechanisme heeft echter nooit gewerkt. Er werd slechts één aanvraag ingediend, die bovendien door de inspecteur van Financiën onontvankelijk werd verklaard. De voornaamste reden voor dit gebrek aan interesse ligt in het feit dat dit mechanisme niet is afgestemd op de noden van de actoren uit de sector.

In een brief van 23 april 2004 merkten de vijf belangrijkste organisaties van eerlijke handel – Max Havelaar, Oxfam Wereldwinkels, Miel Maya Honing, Fair Trade Original – inderdaad op dat het huidige mechanisme alleen betrekking heeft op drie ngo’s van eerlijke handel, terwijl het oorspronkelijk ook de mogelijkheid moest bieden de voorlopige financieringen van de privéactoren te verzekeren. Daarnaast stellen de organisaties dat het huidige mechanisme niet tegemoet komt aan hun noden op het vlak van de aard van de gedekte risico’s van eerlijke handel. Daarom heeft geen enkele van deze ngo’s een dossier ingediend.

De BTC heeft dan aan de Nationale Delcrederedienst gevraagd om een ontwerp voor te bereiden voor een aangepast garantiemechanisme. Het ‘Voorstel van een product gericht op het verzekeren van de risico’s verbonden aan prefinancieringen in het kader van fair trade transacties’ van 20 oktober 2004 beantwoordde aan bepaalde bekommernissen van de sector, in het bijzonder betreffende de dekking van het debiteursrisico en de uitbreiding van het aantal begunstigden.

De verhouding tussen de kosten en de baten van zo’n een garantiefonds bleek echter niet meer interessant voor het merendeel van de actoren van de sector wegens een zeer zware administratieve last. Daarom werd de overeenkomst van 16 juni 2003 betreffende het ‘garantiemechanisme voor transacties van eerlijke handel’, die eindigde op 30 juni 2005, niet meer verlengd.

Op een bepaald moment werd overwogen om een garantiemechanisme op te nemen in de overeenkomst die op 16 juni 2005 door de BTC en door het departement Ontwikkelingssamenwerking werd ondertekend om het Fair Trade Centre bij de BTC onder te brengen. Om bovenvermelde redenen werd dat denkspoor echter verlaten.

Het was dus beter om in te gaan op het voorstel van de organisaties voor eerlijke handel en middelen te besteden aan de oprichting van een fonds voor de ontwikkeling van producten uit eerlijke handel.

De overeenkomst betreffende het Fair Trade Centre bevat dus een mechanisme om de commercialisering van producten uit eerlijke handel te ondersteunen. Wil men van de eerlijke handel een doeltreffend instrument in de strijd tegen de armoede maken, dan moeten de arme producenten de gelegenheid krijgen om een duurzame economische activiteit te ontplooien en meer bepaald nieuwe producten voort te brengen of bestaande producten te verbeteren.

In die optiek verdienen verschillende activiteiten de steun van het Faire Trade Centre van de BTC: marktonderzoeken, nieuwe producten ontwikkelen, de kwaliteit van bestaande producten verbeteren, kwaliteitscontrole, opleiding van producenten in management en marketing, deelnemen aan handelsbeurzen, company matching om producenten en importeurs rechtstreeks met elkaar in contact te brengen.

Die activiteiten worden tot maximaal 75% gefinancierd, maar kunnen wel het beslissende duwtje in de rug van de producenten zijn.

Het reglement staat op de webstek http://www.befair.be/en/articles/www-befair-be/6-producer-support/producer-support.cfm. Er worden ook gesteunde projecten voorgesteld.

De volgende overeenkomst betreffende het Fair Trade Centre bij de BTC voorziet niet in een garantiefonds. Het zou echter wel interessant kunnen zijn om na te gaan of het haalbaar is een fonds voor lagerenteleningen op te richten. Dankzij een dergelijk fonds kunnen verschillende actoren uit de eerlijke handel – of het nu ngo’s zijn of niet – hun bestellingen makkelijker voorafbetalen. De voor eerlijke handel specifieke voorafbetalingen wegen immers zwaar op hun liquiditeiten.

Mme Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). – Comme c’est toujours le cas, la réponse du ministre est très circonstanciée. Quand je constate à quel point il est difficile de trouver une majorité pour une résolution sur le commerce équitable en commission des Relations extérieures, je suis quelque peu inquiète. Je continuerai à suivre le dossier de près et j’espère également que le ministre continuera à se battre. En effet, le commerce équitable est l’un des moyens de réduire la pauvreté dans les pays du tiers monde.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). – Zoals altijd is het antwoord van de minister heel uitgebreid. Als ik merk hoe moeilijk het is om een meerderheid te vinden voor een resolutie over eerlijke handel in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen, dan word ik wat ongerust. Ik blijf het dossier op de voet volgen en ik hoop dat ook de minister er zijn schouders blijft onder zetten. Eerlijke handel is immers een van de middelen om de armoede in de derdewereldlanden terug te dringen.

Demande d’explications de Mme Christel Geerts au ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances et au ministre de l’Emploi sur «la politique relative aux holebis» (nº 3-2186)

Vraag om uitleg van mevrouw Christel Geerts aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen en aan de minister van Werk over «het holebibeleid» (nr. 3-2186)

Mme la présidente. – Mme Gisèle Mandaila Malamba, secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées, adjointe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, répondra.

De voorzitter. – Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

Mme Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). – Des données en provenance de l’étranger et du Conseil socio-économique de Flandre indiquent clairement que les holebis sont confrontés à des discriminations et à du harcèlement sur le lieu de travail, dans le recrutement, la sélection, les promotions comme dans les licenciements. À l’automne 2006, le ministre a dit qu’il attendait les résultats de plusieurs études pour pouvoir éventuellement adapter sa politique.

A-t-on déjà les résultats de l’étude du Centre pour l’égalité des chances et la lutte contre le racisme, à propos de la discrimination des holebis sur le lieu de travail, ainsi que les résultats de l’étude du SPF Personnel et Organisation à propos de l’image de l’homosexualité dans les services publics ? Le ministre a-t-il déjà pris des initiatives pour intégrer ces résultats dans sa politique ?

Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). – Buitenlandse data alsook data van de Sociaal-economische Raad van Vlaanderen tonen duidelijk aan dat holebi’s geconfronteerd worden met discriminaties en pesterijen op het werk, zowel bij de indienstneming, de selectie, de doorstroming als bij ontslag. In het najaar 2006 zei de minister dat hij wachtte op de resultaten van diverse onderzoeken om zo het beleid eventueel te kunnen aanpassen.

Zijn er al resultaten van het onderzoek van het Centrum voor Gelijkheid van kansen en racismebestrijding (CGKR) naar discriminatie van holebi’s op de werkvloer? Zijn er al resultaten van het onderzoek van de FOD Personeel en Organisatie naar het beeld van homoseksualiteit in de overheidsdiensten? Heeft de minister al initiatieven genomen om deze bevindingen te integreren in zijn beleid?

Mme Gisèle Mandaila Malamba, secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées, adjointe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – Je vous lis la réponse du ministre Dupont.

Mme Geerts fait référence à des données en provenance de l’étranger et du Conseil socio-économique de Flandre sur les discriminations dont sont victimes les holebis. Elle souligne ainsi indirectement le manque crucial de données fédérales sur les discriminations homophobes. J’ai décidé de commander deux études pour y pallier.

Pour pouvoir les combattre efficacement, il importe d’avoir une connaissance approfondie des types de discriminations touchant les holebis. Deux études ont ainsi été entamées en même temps : l’une, coordonnée par le Centre pour l’égalité des chances et la lutte contre le racisme, vise à circonscrire les discriminations homophobes sur le marché du travail. L’autre, coordonnée par la cellule Diversité de la Fonction publique, a pour but de cerner les discriminations spécifiques dans la fonction publique fédérale.

Le Centre vient de signer un contrat de recherche de 12 mois avec une équipe universitaire mais il est trop tôt pour pouvoir fournir des résultats.

Quant à l’étude menée au sein de la Fonction publique fédérale, les résultats intermédiaire visent l’identification de certaines discriminations. Une personne sur deux estime en effet qu’il est difficile d’avouer son homosexualité sur le lieu de travail, une sur trois estime qu’en se déclarant homosexuelle, elle porte préjudice à sa carrière. Les résultats définitifs de cette étude seront présentés fin mai et à cette occasion, nous proposerons des recommandations pour une politique efficace de lutte contre les discriminations homophobes.

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Ik lees het antwoord van minister Dupont.

Mevrouw Geerts verwijst naar buitenlandse gegevens en naar gegevens van de Sociaal-economische Raad van Vlaanderen over de discriminaties die holebi’s ondergaan. Ze wijst zo onrechtstreeks op het cruciale gebrek aan federale gegevens over homofobe discriminaties. Om dit gebrek aan gegevens te verhelpen heb ik beslist twee studies te laten uitvoeren.

Om de discriminaties die holebi’s treffen efficiënt te bestrijden, is het belangrijk een grondige kennis te hebben van het type discriminatie dat zich voordoet. Er werden dus twee studies tegelijkertijd aangevat: de ene wordt gecoördineerd door het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding en heeft tot doel de homofobe discriminaties op de arbeidsmarkt in België af te bakenen. De andere wordt gecoördineerd door de Cel Diversiteit van het Openbaar Ambt en heeft tot doel de specifieke discriminaties in het Federaal openbaar ambt te onderscheiden.

Het Centrum heeft onlangs een onderzoekscontract voor een duur van 12 maanden toegekend aan een universitair team. Aangezien de studie nog maar pas gestart is, kan ik nog geen resultaten meedelen.

Wat het onderzoek binnen het Federaal openbaar ambt betreft, beogen de tussentijdse resultaten de identificatie van bepaalde discriminaties. Eén persoon op twee is immers van mening dat het moeilijk is zijn homoseksualiteit op het werk bekend te maken, en één respondent op drie is van mening dat een persoon die zich als homoseksueel out in de overheidsdiensten, zijn loopbaan schade berokkent. De eindresultaten van deze studie zullen eind mei worden voorgesteld en bij deze gelegenheid zullen de aanbevelingen om een efficiënt beleid ter bestrijding van de homofobe discriminaties te voeren, worden voorgesteld.

Mme Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). – Je ne suis certainement pas opposée à cette étude mais nous devons quand même être vigilants. Souvent en effet, nous avons l’impression d’être bien au courant d’un problème et nous remettons à plus tard les incitants à prévoir dans la politique sous prétexte qu’il faut attendre les résultats de l’étude. La conclusion est simple : si le ministre reçoit les résultats fin mai, il ne pourra plus les intégrer dans sa politique actuelle. On peut espérer pour les holebis que les ministres du prochain gouvernement n’auront pas envie de recommencer l’étude depuis le début. En ce qui concerne le calendrier, il s’agit bel et bien d’une occasion manquée.

Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). – Ik ben zeker niet gekant tegen onderzoek, maar we moeten daar toch mee opletten. We krijgen immers dikwijls het gevoel dat we ons goed bewust zijn van een problematiek, maar we blijven aansporingen door het beleid uitstellen omdat we wachten op resultaten van onderzoek. De conclusie is eenvoudig: als de minister de resultaten eind mei ontvangt, kan hij ze niet meer integreren in het huidige beleid. Voor de holebi’s is het te hopen dat de ministers in de volgende regering zich niet geroepen voelen het onderzoek van vooraf aan te beginnen. Wat de timing betreft, is dit wel een gemiste kans.

Demande d’explications de M. Berni Collas au ministre de la Mobilité sur «la réforme de la formation à la conduite pour le permis de conduire de la catégorie G» (nº 3-2191).

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de minister van Mobiliteit over «de hervorming van de rijopleiding voor het rijbewijs categorie G» (nr. 3-2191).

Mme la présidente. – Mme Gisèle Mandaila Malamba, secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées, adjointe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, répondra.

De voorzitter. – Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

M. Berni Collas (MR). – Me référant à mon intervention du 1er mars 2007 concernant la réforme du permis de conduire, mon attention a été attirée par la nouvelle réglementation des permis de conduire de catégorie G.

Depuis le 15 septembre 2006, les jeunes de 16 ans en possession du permis de conduire de la catégorie G peuvent conduire un véhicule agricole si celui-ci n’excède pas les 20 tonnes. Pour pouvoir conduire un véhicule de plus de 20 tonnes, il faut avoir 18 ans.

La formation à la conduite d’un véhicule de la catégorie G comprend plusieurs étapes, à savoir la réussite d’un examen théorique spécifique de la catégorie G ; une formation pratique d’au moins huit heures dans une auto-école agréée ou dans une école agricole ; la réussite d’un examen pratique spécifique de la catégorie G.

Les dépenses pour se procurer ce permis de conduire sont ainsi relativement élevées. Il faut en effet payer la formation pratique, les redevances pour les examens, etc.

Cela peut poser un problème dans les régions rurales où de nombreux jeunes ne conduisent des véhicules agricoles que de manière occasionnelle. Je cite l’exemple d’un jeune qui conduit un petit tracteur de 20 ou 35 chevaux pour aller chercher du bois dans la forêt trois fois par an. Les dépenses pour le permis de conduire ne sont pas proportionnelles à l’usage du véhicule. Cette réglementation empêche de nombreux jeunes de s’impliquer dans des activités occasionnelles très utiles en région rurale.

Dans ce contexte, je me permets de vous poser la question suivante : serait-il possible de dégager une solution simplifiée ou plus adaptée pour ce genre d’activités en tenant compte, par exemple, de la puissance ou du poids du véhicule agricole ?

De heer Berni Collas (MR). – Sinds mijn toespraak van 1 maart 2007 over de hervorming van het rijbewijs, werd mijn aandacht getrokken door de nieuwe regelgeving inzake het rijbewijs G.

Sinds 15 september mogen jongeren van 16 jaar met een rijbewijs G een landbouwvoertuig van minder dan 20 ton besturen. Om een voertuig van meer dan 20 ton te besturen, moet men 18 jaar zijn.

De rijopleiding voor een voertuig van categorie G bevat verschillende onderdelen. Zo moet men slagen voor een specifiek theoretisch examen, een praktische opleiding volgen van minstens acht uur in een erkende rijschool of landbouwschool en slagen voor een specifiek praktisch examen.

De kostprijs van dat rijbewijs is betrekkelijk hoog. Men moet de praktische opleiding betalen, het examengeld, enzovoorts.

In landelijke gebieden waar talloze jongeren occasioneel landbouwvoertuigen besturen, kunnen daardoor problemen rijzen. Ik vermeld het voorbeeld van een jongere die driemaal per jaar met een trekker van 20 of 35 pk hout gaat halen in het bos. De uitgaven om een rijbewijs te halen staan niet in verhouding tot het gebruik van het voertuig. De regelgeving belet talloze jongeren in een landelijk gebied om zich van tijd tot tijd nuttig in te zetten.

Zou u voor dat soort van activiteiten een eenvoudiger of beter aangepaste oplossing kunnen vinden en daarbij bijvoorbeeld rekening kunnen houden met het vermogen of het gewicht van het landbouwvoertuig?

Mme Gisèle Mandaila Malamba, secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées, adjointe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – Je vous lis la réponse du ministre Landuyt.

La nouvelle réglementation relative à la conduite des tracteurs agricoles a voulu répondre à plusieurs impératifs tels que l’évolution technologique des véhicules agricoles, la nécessité pour la profession de se déplacer de plus en plus souvent sur la voie publique, la recherche constante d’une meilleure sécurité pour les usagers et la simplification de la réglementation en matière de permis de conduire qui imposait, dans la plupart des cas, aux conducteurs de tracteurs agricoles d’être titulaires d’un permis de conduire valable pour la catégorie C et même C+E.

Dans le but de concilier ces différents objectifs, un permis de conduire de la catégorie G a été instauré. Ce dernier est obtenu après le suivi d’un apprentissage et la réussite d’un examen théorique et pratique spécifique. La nouvelle réglementation peut paraître plus contraignante mais elle autorise en contrepartie la conduite, dès l’âge de 16 ans, de véhicules de la catégorie G dont la masse maximale autorisée ne dépasse pas 20 tonnes.

En outre, il a également été prévu que les permis de conduire des catégories C et C+E et des sous-catégories C1 et C1+E ainsi que les permis de conduire des catégories B et B+E délivrés avant le 15 septembre 2006 autorisent la conduite des véhicules de la catégorie G d’une masse maximale autorisée équivalente à celle des véhicules automobiles qui peuvent être conduits sous le couvert de ces permis de conduire.

Pour remédier au problème soulevé par M. Collas, la réglementation sera modifiée afin que les permis de conduire des catégories B et B+E délivrés à partir du 15 septembre 2006 soient également valables pour la conduite des véhicules de la catégorie G d’une masse maximale autorisée équivalente à celle des véhicules automobiles qui peuvent être conduits sous le couvert de ces permis de conduire.

En outre, il sera également proposé, pour faciliter l’accès au permis de conduire de la catégorie G, de supprimer l’obligation de suivre un apprentissage préalable à l’examen pratique. Les candidats pourront se présenter à l’examen pratique sans avoir suivi une formation dans une école de conduite agréée, dans une école d’agriculture ou dans un centre de formation agricole. Toutefois, les candidats qui ne suivent pas la formation organisée par l’une de ces instances ne pourront s’exercer sur la voie publique ; ils pourront uniquement conduire sur un terrain privé et bénéficieront d’une dispense de permis de conduire pour passer l’examen pratique.

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Ik lees het antwoord van minister Landuyt.

De nieuwe regelgeving met betrekking tot het besturen van landbouwtrekkers komt tegemoet aan verschillende vereisten zoals de technologische ontwikkeling van landbouwvoertuigen, het feit dat die voertuigen zich steeds vaker op de openbare weg moeten begeven, het voortdurend streven naar meer veiligheid voor de gebruikers en de vereenvoudiging van de regelgeving inzake rijbewijzen die de bestuurders van landbouwtrekkers er in de meeste gevallen toe verplichtte een rijbewijs C of een rijbewijs C+E te behalen.

Om al die doelstellingen met elkaar te verzoenen werd een rijbewijs G ingevoerd. Het kan behaald worden na een opleiding en een specifiek theoretisch en praktisch examen. Hoewel de nieuwe regelgeving veel lastiger lijkt, laat ze jongeren vanaf 16 jaar toe om voertuigen van categorie G te besturen die niet zwaarder zijn dan 20 ton.

Bovendien is het voortaan mogelijk om met een rijbewijs C en C+E en C1 en C1+E evenals met een rijbewijs B en B+E uitgereikt vóór 15 september 2006 voertuigen van categorie G te besturen die niet zwaarder zijn dan voertuigen die mogen bestuurd worden met voornoemde rijbewijzen.

Om het probleem op te lossen waarop de heer Collas heeft gewezen, zal de regelgeving worden gewijzigd zodat rijbewijzen B en B+E die sinds 15 september 2006 zijn uitgereikt, ook gelden voor het besturen van voertuigen van categorie G met hetzelfde toegelaten gewicht als dat van voertuigen waarvoor die rijbewijzen gelden.

Om het verwerven van het rijbewijs G te vergemakkelijken zal worden voorgesteld om de verplichte voorbereidende opleiding voor het praktisch examen te schrappen. Kandidaten kunnen aan het examen deelnemen zonder opleiding in een erkende rijschool, een landbouwschool of in een landbouwopleidingscentrum. Kandidaten die de door die instanties georganiseerde opleiding niet volgen, mogen evenwel niet op de openbare weg rijden; ze mogen alleen op een privéterrein rijden en genieten van een vrijstelling van rijbewijs om te kunnen deelnemen aan het praktische rijexamen.

M. Berni Collas (MR). – Cette réponse me satisfait largement. Vous savez que j’habite une région très rurale. Les gens ne sont pas contents de devoir payer 750 euros en plus.

Les préoccupations concernant la conduite de véhicules lourds sont fondées. Beaucoup de personnes conduisent cependant encore des tracteurs de 20 CV ou de 35 CV. De nombreux jeunes s’en servent occasionnellement.

Vos réponses et les corrections de tir qui sont apportées résolvent déjà, dans une certaine mesure, les problèmes qui m’ont été soumis, ce dont je me réjouis.

De heer Berni Collas (MR). – Dat antwoord voldoet ruimschoots. U weet dat ik een landelijk gebied woon. De mensen zijn er ontevreden dat ze 750 euro meer moeten betalen.

Over het besturen van zware voertuigen is men terecht bezorgd. Veel mensen besturen echter nog trekkers van 20 of 35 pk. Talloze jongeren maken er af en toe gebruik van.

Uw antwoorden en correcties lossen de problemen die ik heb aangekaart al in zekere mate op en dat verheugt me.

Mme la présidente. – L’ordre du jour de la présente séance est ainsi épuisé.

La prochaine séance aura lieu le jeudi 22 mars 2007 à 10 h.

De voorzitter. – De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats op donderdag 22 maart 2007 om 10.00 uur.

(La séance est levée à 17 h 50.)

(De vergadering wordt gesloten om 17.50 uur.)

Excusés

Berichten van verhindering

Mme Van de Casteele et M. Van den Brande, à l’étranger, Mme Bousakla, pour raison de santé, MM. Destexhe et Wilmots, pour d’autres devoirs, demandent d’excuser leur absence à la présente séance.

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Van de Casteele en de heer Van den Brande, in het buitenland, mevrouw Bousakla, om gezondheidsredenen, de heren Destexhe en Wilmots, wegens andere plichten.

Pris pour information.

Voor kennisgeving aangenomen.

Annexe

Bijlage

Votes nominatifs

Naamstemmingen

Vote nº 1

Stemming 1

Présents : 56
Pour : 48
Contre : 0
Abstentions : 8

Aanwezig: 56
Voor: 48
Tegen: 0
Onthoudingen: 8

Pour

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Amina Derbaki Sbaï, Francis Detraux, Nathalie de T’ Serclaes, Pierre Galand, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Fauzaya Talhaoui, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Abstentions

Onthoudingen

Christian Brotcorne, Francis Delpérée, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Marc Van Peel.

Vote nº 2

Stemming 2

Présents : 58
Pour : 47
Contre : 0
Abstentions : 11

Aanwezig: 58
Voor: 47
Tegen: 0
Onthoudingen: 11

Pour

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Christian Brotcorne, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Nathalie de T’ Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Franco Seminara, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Marc Van Peel, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Abstentions

Onthoudingen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Michel Delacroix, Francis Detraux, Nele Jansegers, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.

Vote nº 3

Stemming 3

Présents : 59
Pour : 19
Contre : 39
Abstentions : 1

Aanwezig: 59
Voor: 19
Tegen: 39
Onthoudingen: 1

Pour

Voor

Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Francis Detraux, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Contre

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Nathalie de T’ Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Fauzaya Talhaoui, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Abstentions

Onthoudingen

Isabelle Durant.

Vote nº 4

Stemming 4

Présents : 62
Pour : 23
Contre : 39
Abstentions : 0

Aanwezig: 62
Voor: 23
Tegen: 39
Onthoudingen: 0

Pour

Voor

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Isabelle Durant, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Contre

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Nathalie de T’ Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Fauzaya Talhaoui, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Vote nº 5

Stemming 5

Présents : 62
Pour : 23
Contre : 38
Abstentions : 1

Aanwezig: 62
Voor: 23
Tegen: 38
Onthoudingen: 1

Pour

Voor

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Contre

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Nathalie de T’ Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Fauzaya Talhaoui, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Abstentions

Onthoudingen

Isabelle Durant.

Vote nº 6

Stemming 6

Présents : 62
Pour : 39
Contre : 11
Abstentions : 12

Aanwezig: 62
Voor: 39
Tegen: 11
Onthoudingen: 12

Pour

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Nathalie de T’ Serclaes, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Fauzaya Talhaoui, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Contre

Tegen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Michel Delacroix, Francis Detraux, Nele Jansegers, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.

Abstentions

Onthoudingen

Wouter Beke, Christian Brotcorne, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Marc Van Peel.

Vote nº 7

Stemming 7

Présents : 62
Pour : 62
Contre : 0
Abstentions : 0

Aanwezig: 62
Voor: 62
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Pour

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nathalie de T’ Serclaes, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Franco Seminara, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Vote nº 8

Stemming 8

Présents : 62
Pour : 62
Contre : 0
Abstentions : 0

Aanwezig: 62
Voor: 62
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Pour

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nathalie de T’ Serclaes, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Franco Seminara, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Vote nº 9

Stemming 9

Présents : 62
Pour : 62
Contre : 0
Abstentions : 0

Aanwezig: 62
Voor: 62
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Pour

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nathalie de T’ Serclaes, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Franco Seminara, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Vote nº 10

Stemming 10

Présents : 61
Pour : 41
Contre : 13
Abstentions : 7

Aanwezig: 61
Voor: 41
Tegen: 13
Onthoudingen: 7

Pour

Voor

Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Christian Brotcorne, Pierre Chevalier, Jean Cornil, Sabine de Bethune, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Franco Seminara, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Marc Van Peel, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Contre

Tegen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Francis Detraux, Nele Jansegers, Etienne Schouppe, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.

Abstentions

Onthoudingen

Jihane Annane, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Luc Paque, François Roelants du Vivier.

Vote nº 11

Stemming 11

Présents : 61
Pour : 52
Contre : 0
Abstentions : 9

Aanwezig: 61
Voor: 52
Tegen: 0
Onthoudingen: 9

Pour

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Francis Detraux, Nathalie de T’ Serclaes, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Fauzaya Talhaoui, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Abstentions

Onthoudingen

Wouter Beke, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Mia De Schamphelaere, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Marc Van Peel.

Vote nº 12

Stemming 12

Présents : 60
Pour : 37
Contre : 9
Abstentions : 14

Aanwezig: 60
Voor: 37
Tegen: 9
Onthoudingen: 14

Pour

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Nathalie de T’ Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Franco Seminara, Fauzaya Talhaoui, Lionel Vandenberghe, Dany Vandenbossche, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Contre

Tegen

Wouter Beke, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Isabelle Durant, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Marc Van Peel.

Abstentions

Onthoudingen

Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Francis Detraux, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.

Propositions prises en considération

In overweging genomen voorstellen

Propositions de loi

Wetsvoorstellen

Article 81 de la Constitution

Artikel 81 van de Grondwet

Proposition de loi modifiant le Code des sociétés en vue d’instaurer la participation à distance à l’assemblée générale (de Mme Stéphanie Anseeuw et M. Luc Willems ; Doc. 3-2111/1).

Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen met het oog op de invoering van de deelname op afstand aan de algemene vergadering (van mevrouw Stéphanie Anseeuw en de heer Luc Willems; Stuk 3-2111/1).

Envoi à la commission des Finances et des Affaires économiques.

Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Proposition de loi modifiant l’article 7 de la loi du 22 août 2002 relative aux droits du patient, en vue d’imposer la connaissance des langues aux professionnels des soins de santé (de MM. Yves Buysse et Joris Van Hauthem ; Doc. 3-2113/1).

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 7 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, teneinde de taalkennis van de beroepsbeoefenaars van de gezondheidszorgberoepen op te leggen (van de heren Yves Buysse en Joris Van Hauthem; Stuk 3-2113/1).

Envoi à la commission des Affaires sociales.

Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Proposition de loi visant à appliquer la séparation de l’État et des organisations et communautés religieuses et philosophiques non confessionnelles (de M. Pierre Galand ; Doc. 3-2115/1).

Wetsvoorstel houdende toepassing van de scheiding van de Staat en de religieuze of niet-confessionele levensbeschouwelijke organisaties of gemeenschappen (van de heer Pierre Galand; Stuk 3-2115/1).

Envoi à la commission des Affaires institutionnelles.

Verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

Proposition de déclaration de révision de la Constitution

Voorstel van verklaring tot herziening van de Grondwet

Proposition de déclaration de révision de l’article 1er de la Constitution, en vue d’y introduire la notion de laïcité politique (de Mme Amina Derbaki Sbaï ; Doc. 3-2112/1).

Voorstel van verklaring tot herziening van artikel 1 van de Grondwet, teneinde hierin het begrip scheiding van Kerk en Staat in te voeren (van mevrouw Amina Derbaki Sbaï; Stuk 3-2112/1).

Envoi à la commission des Affaires institutionnelles.

Verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

Demandes d’explications

Vragen om uitleg

Le Bureau a été saisi des demandes d’explications suivantes :

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

de Mme Annemie Van de Casteele au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « l’instauration du statut OMNIO et son application pour les travailleurs indépendants » (nº 3-2197)

van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “de invoering van het statuut OMNIO en de toepassing ervan voor zelfstandigen” (nr. 3-2197)

de Mme Annemie Van de Casteele à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au ministre de la Mobilité sur « le taux de la peine infligée aux conducteurs ayant provoqué un accident mortel » (nº 3-2198)

van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de minister van Mobiliteit over “de strafmaat voor bestuurders die dodelijke ongevallen veroorzaakten” (nr. 3-2198)

de M. Wim Verreycken au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur et au ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances sur « la circulaire relative au retour volontaire d’étrangers avec l’aide de l’Organisation internationale pour les migrations » (nº 3-2199)

van de heer Wim Verreycken aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over “de omzendbrief betreffende de vrijwillige terugkeer van vreemdelingen met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie” (nr. 3-2199)

de M. Luc Willems au secrétaire d’État aux Entreprises publiques sur « la remise en circulation de trains supprimés » (nº 3-2200)

van de heer Luc Willems aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over “het terug inlassen van afgeschafte treinen” (nr. 3-2200)

de M. Jan Steverlynck à la ministre des Classes moyennes et de l’Agriculture et au ministre de l’Environnement et ministre des Pensions sur « la fixation de la pension d’indépendant après une suspension de la pension pour cause de reprise d’une activité professionnelle » (nº 3-2201)

van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Middenstand en Landbouw en aan de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen over “de vaststelling van het pensioen als zelfstandige na een schorsing van het pensioen wegens hervatting van een beroepsbezigheid” (nr. 3-2201)

de Mme Sabine de Bethune à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur « la reconnaissance du mariage des réfugiés et des demandeurs d’asile en tenant compte d’autres éléments que les actes de mariage officiels » (nº 3-2202)

van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over “de erkenning van het huwelijk van vluchtelingen en asielzoekers op basis van andere elementen dan officiële huwelijksakten” (nr. 3-2202)

de Mme Stéphanie Anseeuw à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur « l’interdiction de la pornographie infantile virtuelle » (nº 3-2203)

van mevrouw Stéphanie Anseeuw aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over “het verbod op virtuele kinderporno” (nr. 3-2203)

de Mme Stéphanie Anseeuw au ministre de l’Économie, de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la Politique scientifique et au ministre de l’Environnement et ministre des Pensions sur « la prolongation de l’heure d’été dans le cadre du combat contre le réchauffement climatique » (nº 3-2204)

van mevrouw Stéphanie Anseeuw aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid en aan de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen over “de verlenging van de zomertijd in de strijd tegen klimaatopwarming” (nr. 3-2204)

de Mme Margriet Hermans au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « le manque de lits pour les toxicomanes mineurs » (nº 3-2205)

van mevrouw Margriet Hermans aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “het gebrek aan bedden voor drugsverslaafde minderjarigen” (nr. 3-2205)

de M. Joris Van Hauthem au ministre de l’Économie, de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la Politique scientifique sur « les mesures prises afin d’éliminer la répartition déséquilibrée des emplois entre les groupes linguistiques au sein des établissements scientifiques fédéraux » (nº 3-2206)

van de heer Joris Van Hauthem aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over “de maatregelen om de onevenwichtige verdeling van de betrekkingen over de taalgroepen in de federale wetenschappelijke instellingen weg te werken” (nr. 3-2206)

de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur « le manque d’un nouveau règlement sur les frais de justice » (nº 3-2207)

van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over “het ontbreken van een nieuw reglement betreffende gerechtskosten” (nr. 3-2207)

de M. Joris Van Hauthem à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur « le recours à de fausses adresses par des éditeurs responsables » (nº 3-2208)

van de heer Joris Van Hauthem aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over “het gebruik van valse adressen door verantwoordelijke uitgevers” (nr. 3-2208)

de M. Joris Van Hauthem au ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances sur « la campagne “Migrant du jour” organisée par le Centre pour l’égalité des chances et la lutte contre le racisme » (nº 3-2209)

van de heer Joris Van Hauthem aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over “de campagne ‘Migrant van de dag’ door het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding” (nr. 3-2209)

de M. Joris Van Hauthem à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur « les résultats de la concertation avec le Collège des procureurs-généraux concernant le contrôle des dispositions selon lesquelles le mariage civil doit précéder la bénédiction nuptiale » (nº 3-2210)

van de heer Joris Van Hauthem aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over “de resultaten van het overleg met het College van procureurs-generaal inzake de controle op het voorafgaan van het burgerlijk huwelijk aan de huwelijksinzegening” (nr. 3-2210)

de Mme Nele Lijnen à la ministre des Classes moyennes et de l’Agriculture sur « l’indemnité compensatoire en faveur des travailleurs indépendants en cas de travaux publics » (nº 3-2211)

van mevrouw Nele Lijnen aan de minister van Middenstand en Landbouw over “de inkomenscompensatie aan zelfstandigen bij openbare werken” (nr. 3-2211)

de Mme Nele Lijnen au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « le vaccin contre le cancer du col de l’utérus » (nº 3-2212)

van mevrouw Nele Lijnen aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “het vaccin tegen baarmoederhalskanker” (nr. 3-2212)

de Mme Nele Lijnen au secrétaire d’État à la Simplification administrative sur « Kafka » (nº 3-2213)

van mevrouw Nele Lijnen aan de staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging over “Kafka” (nr. 3-2213)

de M. Christian Brotcorne au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur « l’accès aux bureaux de vote lors des élections fédérales par les électeurs à mobilité réduite ou présentant des difficultés de compréhension » (nº 3-2214)

van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over “de toegang tot de stembureaus bij de federale parlementsverkiezingen voor kiezers met een beperkte mobiliteit of voor slechthorende kiezers” (nr. 3-2214)

de Mme Fauzaya Talhaoui à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur « le code de déontologie pendant et après les interventions des services de police » (nº 3-2215)

van mevrouw Fauzaya Talhaoui aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over “de gedragscode bij en na optredens van politiediensten” (nr. 3-2215)

de M. Christian Brotcorne au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur et au ministre des Affaires étrangères sur « l’octroi de visa aux étudiants congolais qui doivent passer une année complémentaire de type secondaire avant d’entrer à l’université » (nº 3-2216)

van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Buitenlandse Zaken over “de toekenning van een visum aan de Congolese studenten die een bijkomend jaar secundair onderwijs moeten volgen voor ze naar de universiteit kunnen” (nr. 3-2216)

de Mme Sabine de Bethune au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique et au ministre de l’Emploi sur « les allocations familiales pendant le stage d’attente » (nº 3-2217)

van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Werk over “de kinderbijslag tijdens de wachttijd” (nr. 3-2217)

de Mme Sabine de Bethune au ministre de l’Emploi sur « l’assimilation du volontariat à l’étranger au stage d’attente » (nº 3-2218)

van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Werk over “gelijkstelling van vrijwilligerswerk in het buitenland met de wachttijd” (nr. 3-2218)

de M. Christian Brotcorne au ministre des Affaires étrangères sur « les listes des Belges inscrits auprès des postes diplomatiques et consulaires » (nº 3-2219)

van de heer Christian Brotcorne aan de minister van Buitenlandse Zaken over “de lijsten van de Belgen die zijn ingeschreven bij een diplomatieke of consulaire post” (nr. 3-2219)

de Mme Stéphanie Anseeuw au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique et au ministre de l’Emploi sur « les cancers liés au travail » (nº 3-2220)

van mevrouw Stéphanie Anseeuw aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Werk over “werkgerelateerde kankers” (nr. 3-2220)

de M. Christian Brotcorne à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur « le blocage de la situation en matière d’exécution des peines de travail et des travaux d’intérêt général » (nº 3-2221)

van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over “de geblokkeerde situatie bij het uitvoeren van werkstraffen of activiteiten van algemeen nut” (nr. 3-2221)

de M. Stefaan Noreilde à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur « les poursuites des assesseurs » (nº 3-2222)

van de heer Stefaan Noreilde aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over “het vervolgen van bijzitters” (nr. 3-2222)

de M. Stefaan Noreilde au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur « le projet-pilote en ce qui concerne la déclaration électronique des petits délits » (nº 3-2223)

van de heer Stefaan Noreilde aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over “het proefproject inzake de elektronische aangifte van kleine misdrijven” (nr. 3-2223)

de M. Stefaan Noreilde au secrétaire d’État aux Entreprises publiques sur « les infractions au code de la route commises par le personnel de La Poste » (nº 3-2224)

van de heer Stefaan Noreilde aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over “verkeersovertredingen bij De Post” (nr. 3-2224)

de M. Stefaan Noreilde au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur « les appels d’urgence par GSM » (nº 3-2225)

van de heer Stefaan Noreilde aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over “noodoproepen per gsm” (nr. 3-2225)

de Mme Clotilde Nyssens à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur « le calcul des contributions alimentaires pour les enfants » (nº 3-2226)

van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over “de berekening van alimentatie voor kinderen” (nr. 3-2226)

de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur « le trafic de drogues dures » (nº 3-2227)

van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over “het smokkelen van harddrugs” (nr. 3-2227)

de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « l’augmentation des erreurs dans l’utilisation des médicaments génériques » (nº 3-2228)

van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “de toename van vergissingen met generieke geneesmiddelen” (nr. 3-2228)

Ces demandes sont envoyées à la séance plénière.

Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Non-évocation

Niet-evocatie

Par message du 13 mars 2007, le Sénat a retourné à la Chambre des représentants, en vue de la sanction royale, le projet de loi non évoqué qui suit :

Bij boodschap van 13 maart 2007 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de bekrachtiging door de Koning, het volgende niet geëvoceerde wetsontwerp:

Projet de loi instaurant la possibilité de procéder à la perception immédiate en cas d’infraction routière commise par un militaire (Doc. 3-2073/1).

Wetsontwerp tot invoering van de mogelijkheid tot onmiddellijke inning bij verkeersovertredingen begaan door militairen (Stuk 3-2073/1).

Pris pour notification.

Voor kennisgeving aangenomen.

Dépôt de projets de loi

Indiening van wetsontwerpen

Le Gouvernement a déposé les projets de loi ci-après :

De Regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend:

Projet de loi portant assentiment à l’accord de coopération du 9 février 2007 modifiant l’accord de coopération du 13 décembre 2002 entre l’État fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale relative à l’exécution et au financement de l’assainissement du sol des stations-service (du Gouvernement ; Doc. 3-2114/1).

Wetsontwerp houdende de instemming met het samenwerkingsakkoord van 9 februari 2007 tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 13 december 2002 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en de financiering van de bodemsanering van tankstations (van de Regering; Stuk 3-2114/1).

Le projet de loi a été envoyé à la commission des Finances et des Affaires économiques.

Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Projet de loi portant assentiment à la Convention nº 161 sur les services de santé au travail, adoptée à Genève le 26 juin 1985 par la Conférence générale de l’Organisation internationale du travail (du Gouvernement ; Doc. 3-2117/1).

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag nr. 161 betreffende de bedrijfsgezondheidsdiensten, aangenomen te Genève op 26 juni 1985 door de Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie (van de Regering; Stuk 3-2117/1).

Le projet de loi a été envoyé à la commission des Relations extérieures et de la Défense.

Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Projet de loi portant assentiment à la Convention nº 155 sur la sécurité et la santé des travailleurs, adoptée à Genève le 22 juin 1981 par la Conférence générale de l’Organisation internationale du travail (du Gouvernement ; Doc. 3-2118/1).

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag nr. 155 betreffende arbeidsveiligheid, gezondheid en het arbeidsmilieu, aangenomen te Genève op 22 juni 1981 door de Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie (van de Regering; Stuk 3-2118/1).

Le projet de loi a été envoyé à la commission des Relations extérieures et de la Défense.

Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Projet de loi portant assentiment à la Convention du Conseil de l’Europe sur la lutte contre la traite des êtres humains, faite à Varsovie le 16 mai 2005 (du Gouvernement ; Doc. 3-2119/1).

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag van de Raad van Europa ter bestrijding van mensenhandel, gedaan te Warschau op 16 mei 2005 (van de Regering; Stuk 3-2119/1).

Le projet de loi a été envoyé à la commission des Relations extérieures et de la Défense.

Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Projet de loi portant assentiment à la Résolution 997, adoptée par le Conseil de l’OIM dans sa 421e séance du 24 novembre 1998, apportant des amendements à la Constitution de l’Organisation internationale pour la migration (OIM) (du Gouvernement ; Doc. 3-2120/1).

Wetsontwerp houdende instemming met Resolutie 997, aangenomen door de Raad van de IOM tijdens zijn 421e vergadering op 24 november 1998, tot wijziging van het Statuut van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) (van de Regering; Stuk 3-2120/1).

Le projet de loi a été envoyé à la commission des Relations extérieures et de la Défense.

Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Cour d’arbitrage – Arrêts

Arbitragehof – Arresten

En application de l’article 113 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour d’arbitrage, le greffier de la Cour d’arbitrage notifie à la présidente du Sénat :

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

l’arrêt nº 33/2007, rendu le 7 mars 2007, en cause le recours en annulation de l’article 3 et de l’article 4 (partim) du décret de la Région flamande du 15 juillet 2005 modifiant le décret du 15 juillet 1997 contenant le Code flamand du Logement, en ce qui concerne le droit d’achat des locataires sociaux, introduit par l’ASBL « Vereniging van Vlaamse Huisvestingsmaatschappijen » et autres (numéro du rôle 3938) ;

het arrest nr. 33/2007, uitgesproken op 7 maart 2007, inzake het beroep tot vernietiging van artikel 3 en artikel 4 (partim) van het decreet van het Vlaamse Gewest van 15 juli 2005 tot wijziging van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode met betrekking tot het kooprecht van sociale huurders, ingesteld door de vzw Vereniging van Vlaamse Huisvestingsmaatschappijen en anderen (rolnummer 3938);

l’arrêt nº 34/2007, rendu le 7 mars 2007, en cause la question préjudicielle relative à l’article 198bis du décret de la Région flamande du 18 mai 1999 portant organisation de l’aménagement du territoire, tel qu’il a été inséré par l’article 11 du décret du 4 juin 2003, posée par la Cour d’appel d’Anvers (numéro du rôle 3947) ;

het arrest nr. 34/2007, uitgesproken op 7 maart 2007, inzake de prejudiciële vraag betreffende artikel 198bis van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals ingevoegd bij artikel 11 van het decreet van 4 juni 2003, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen (rolnummer 3947);

l’arrêt nº 35/2007, rendu le 7 mars 2007, en cause la question préjudicielle relative à l’article 319 du Code civil, posée par le Tribunal de première instance de Gand (numéro du rôle 3973) ;

het arrest nr. 35/2007, uitgesproken op 7 maart 2007, inzake de prejudiciële vraag betreffende artikel 319 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Gent (rolnummer 3973);

l’arrêt nº 36/2007, rendu le 7 mars 2007, en cause la question préjudicielle relative à l’article 8, alinéa 6, 3º, du Code des droits de succession, posée par le Tribunal de première instance de Liège (numéro du rôle 3979) ;

het arrest nr. 36/2007, uitgesproken op 7 maart 2007, inzake de prejudiciële vraag betreffende artikel 8, zesde lid, 3º, van het Wetboek der successierechten, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik (rolnummer 3979);

l’arrêt nº 37/2007, rendu le 7 mars 2007, en cause les questions préjudicielles relatives aux articles 80 et 82 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites, posées par le Tribunal de commerce de Namur et le Tribunal de commerce de Liège, (numéros du rôle 3987 et 4021, affaires jointes) ;

het arrest nr. 37/2007, uitgesproken op 7 maart 2007, inzake de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 80 en 82 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, gesteld door de Rechtbank van koophandel te Namen en de Rechtbank van koophandel te Luik (rolnummers 3987 en 4021, samengevoegde zaken);

l’arrêt nº 38/2007, rendu le 7 mars 2007, en cause la question préjudicielle relative aux articles 1382 et 1383 du Code civil, posée par la Cour d’appel de Liège (numéro du rôle 4009).

het arrest nr. 38/2007, uitgesproken op 7 maart 2007, inzake de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Luik (rolnummer 4009).

Pris pour notification.

Voor kennisgeving aangenomen.

Cour d’arbitrage – Questions préjudicielles

Arbitragehof – Prejudiciële vragen

En application de l’article 77 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour d’arbitrage, le greffier de la Cour d’arbitrage notifie à la présidente du Sénat :

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

la question préjudicielle concernant l’article 3bis, §3, de l’arrêté royal nº 22 du 24 octobre 1934 relatif à l’interdiction judiciaire faite à certains condamnés et aux faillis d’exercer certaines fonctions, professions ou activités, posée par le Tribunal de commerce de Nivelles (numéro du rôle 4142) ;

de prejudiciële vraag over artikel 3bis, §3, van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, gesteld door de Rechtbank van Koophandel te Nijvel (rolnummer 4142);

les questions préjudicielles relatives à l’article 1382 du Code civil, posées par le Tribunal de première instance de Charleroi et le Tribunal de police de Liège (numéro du rôle 4147 joint au 4078).

de prejudiciële vragen betreffende artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Charleroi en de Politierechtbank te Luik (rolnummer 4147 toegevoegd aan 4078).

Pris pour notification.

Voor kennisgeving aangenomen.

Cour d’arbitrage – Recours

Arbitragehof – Beroepen

En application de l’article 76 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour d’arbitrage, le greffier de la Cour d’arbitrage notifie à la présidente du Sénat :

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

le recours en annulation de l’article L1531-2, §6, du Code de la démocratie locale et de la décentralisation, contenu dans le livre V de la première partie dudit Code, tel que ce livre V a été modifié par le décret de la Région wallonne du 19 juillet 2006, introduit par Alain Gillis et autres (numéro du rôle 4149).

het beroep tot vernietiging van artikel L1531-2, §6, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, vervat in boek V van deel I van dat Wetboek, zoals dat boek V is gewijzigd bij het decreet van het Waalse Gewest van 19 juli 2006, ingesteld door Alain Gillis en anderen (rolnummer 4149).

Pris pour notification.

Voor kennisgeving aangenomen.

Auditorat du Travail

Arbeidsauditoraat

Par lettre du 9 mars 2007, l’auditeur du travail de Courtrai-Ypres-Furnes a transmis au Sénat, conformément à l’article 346 du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2006 de l’Auditorat du travail de Courtrai-Ypres-Furnes, approuvé lors de son assemblée de corps du 7 mars 2007.

Bij brief van 9 maart 2007 heeft de arbeidsauditeur te Kortrijk-Ieper-Veurne overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2006 van het Arbeidsauditoraat te Kortrijk-Ieper-Veurne, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 7 maart 2007.

Par lettre du 27 février 2007, l'auditeur du travail de Tongres a transmis au Sénat, conformément à l'article 346 du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2006 de l'Auditorat du travail de Tongres, approuvé lors de son assemblée de corps du 23 février 2007.

Bij brief van 27 februari 2007 heeft de arbeidsauditeur te Tongeren overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2006 van het Arbeidsauditoraat te Tongeren, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 23 februari 2007.

Envoi à la commission de la Justice.

Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Parquet

Parket

Par lettre du 9 mars 2007, le procureur du Roi de Marche-en-Famenne a transmis au Sénat, conformément à l’article 346 du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2006 du Parquet du Procureur du Roi de Marche-en-Famenne, approuvé lors de son assemblée de corps du 8 mars 2007.

Bij brief van 9 maart 2007 heeft de Procureur des Konings te Marche-en-Famenne overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2006 van het Parket van de Procureur des Konings te Marche-en-Famenne, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 8 maart 2007.

Envoi à la commission de la Justice.

Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Tribunaux de commerce

Rechtbanken van koophandel

Par lettre du 9 mars 2007, le président du Tribunal de commerce de Verviers-Eupen a transmis au Sénat, conformément à l’article 340 du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement pour 2006 du Tribunal de commerce de Verviers-Eupen.

Bij brief van 9 maart 2007 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Verviers-Eupen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2006 van de Rechtbank van koophandel te Verviers-Eupen.

Par lettre du 12 mars 2007, le président du Tribunal de commerce de Bruxelles a transmis au Sénat, conformément à l’article 340 du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement pour 2006 du Tribunal de commerce de Bruxelles, approuvé lors de son assemblée générale du 27 février 2007.

Bij brief van 12 maart 2007 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Brussel overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2006 van de Rechtbank van koophandel te Brussel, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 27 februari 2007.

Envoi à la commission de la Justice.

Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Tribunal du travail

Arbeidsrechtbank

Par lettre du 12 mars 2007, le président du Tribunal du travail de Audenarde a transmis au Sénat, conformément à l’article 340 du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2006 du Tribunal du travail de Audenarde, approuvé lors de son assemblée générale du 9 mars 2007.

Bij brief van 12 maart 2007 heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2006 van de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 9 maart 2007.

Envoi à la commission de la Justice.

Verzonden naar de commissie voor de Justitie.