|
Présidence de
Mme Anne-Marie Lizin
(La séance est ouverte à
15 h 15.)
|
Voorzitter: mevrouw Anne-Marie
Lizin
(De vergadering wordt geopend om
15.15 uur.)
|
|
Votes
|
Stemmingen
|
|
(Reprise des votes nominatifs
restés sans suite – Art. 46.3, alinéa 2,
du Règlement)
|
(Hervatting van de naamstemmingen
die onbeslist zijn gebleven – Art. 46.3, tweede lid,
van het Reglement)
|
|
(Les listes nominatives figurent
en annexe.)
|
(De naamlijsten worden in de
bijlage opgenomen.)
|
|
Projet
de loi relatif à la découverte et à la
protection d’épaves (Doc. 3-2037) (Procédure
d’évocation)
|
Wetsontwerp
betreffende de vondst en de bescherming van wrakken (Stuk 3-2037)
(Evocatieprocedure)
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 4 de
M. Hugo Vandenberghe.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 4 van de heer Hugo
Vandenberghe.
|
|
Vote nº 1
|
Stemming 1
|
|
Présents : 37 Pour :
0 Contre : 35 Abstentions : 2
|
Aanwezig: 37 Voor: 0 Tegen:
35 Onthoudingen: 2
|
|
– L’amendement n’est
pas adopté.
|
– Het amendement is niet
aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 5 de
M. Hugo Vandenberghe.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 5 van de heer Hugo
Vandenberghe.
|
|
Vote nº 2
|
Stemming 2
|
|
Présents : 45 Pour :
7 Contre : 35 Abstentions : 3
|
Aanwezig: 45 Voor: 7 Tegen:
35 Onthoudingen: 3
|
|
– L’amendement n’est
pas adopté.
|
– Het amendement is niet
aangenomen.
|
|
– Le même résultat
de vote est accepté pour les amendements nos 6
à 11 de M. Vandenberghe. Ces amendements ne sont donc
pas adoptés.
|
– Dezelfde stemuitslag
wordt aanvaard voor de amendementen 6 tot 11 van
de heer Vandenberghe. Deze amendementen zijn dus niet
aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons à présent sur l’ensemble
du projet de loi.
|
De voorzitter. – We
stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.
|
|
Vote nº 3
|
Stemming 3
|
|
Présents : 43 Pour :
37 Contre : 6 Abstentions : 0
|
Aanwezig: 43 Voor: 37 Tegen:
6 Onthoudingen: 0
|
|
– Le projet de loi est
adopté sans modification. Par conséquent, le Sénat
est censé avoir décidé de ne pas l’amender.
– Il sera transmis à
la Chambre des représentants en vue de la sanction royale.
|
– Het wetsontwerp is
ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te
hebben beslist het niet te amenderen.
– Het zal aan de Kamer van
volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de
bekrachtiging door de Koning.
|
|
Proposition
de loi modifiant diverses dispositions relatives aux accidents du
travail, aux maladies professionnelles et au fonds amiante, en ce
qui concerne les cohabitants légaux (de Mme Annemie
Van de Casteele et consorts, Doc. 3-91)
|
Wetsvoorstel
houdende wijziging van diverse bepalingen betreffende
arbeidsongevallen, beroepsziekten en het asbestfonds met
betrekking tot wettelijk samenwonenden (van mevrouw Annemie
Van de Casteele c.s., Stuk 3-916)
|
|
Vote nº 4
|
Stemming 4
|
|
Présents : 44 Pour :
44 Contre : 0 Abstentions : 0
|
Aanwezig: 44 Voor: 44 Tegen:
0 Onthoudingen: 0
|
|
– La proposition de loi est
adoptée.
– Le projet de loi sera
transmis à la Chambre des représentants.
|
– Het wetsvoorstel is
aangenomen.
– Het wetsontwerp zal aan
de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
|
|
Prise
en considération de propositions
|
Inoverwegingneming
van voorstellen
|
|
Mme la présidente.
– La liste des propositions à prendre en
considération a été distribuée.
Je prie les membres qui auraient des
observations à formuler de me les faire connaître
avant la fin de la séance.
Sauf suggestion divergente, je
considérerai ces propositions comme prises en
considération et renvoyées à la commission
indiquée par le Bureau. (Assentiment)
|
De voorzitter. – De
lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.
Leden die opmerkingen mochten
hebben, kunnen die vóór het einde van de
vergadering mededelen.
Tenzij er afwijkende suggesties
zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen
en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn
aangewezen. (Instemming)
|
|
(La liste des propositions prises
en considération figure en annexe.)
|
(De lijst van de in overweging
genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)
|
|
M. Francis Delpérée
(CDH). – Nous sommes saisis d’une proposition de
déclaration de révision de la Constitution
(Doc. 3-2105) qui a cet objet particulier de soumettre à
révision tous les articles de la Constitution, depuis
l’article 1er jusqu’à
l’article 138. C’est tout à fait
inconstitutionnel ! Les révisions totales de la
Constitution sont interdites. Je ne peux donc pas donner mon
accord à la prise en considération d’une
telle proposition qui est manifestement inconstitutionnelle.
|
De heer Francis
Delpérée (CDH). – Er werd een voorstel
van verklaring tot herziening van de Grondwet ingediend
(Stuk 3-2105) dat nogal bijzonder is, omdat het alle
grondwetsartikelen, van artikel 1 tot artikel 138, voor
herziening vatbaar verklaart. Dat is volkomen ongrondwettig!
Totale herzieningen van de Grondwet zijn verboden. Ik kan dus
niet instemmen met de inoverwegingneming van een dergelijk
voorstel, dat duidelijk ongrondwettig is.
|
|
Mme la présidente.
– Tout le monde peut-il partager ce point de vue ?
|
De voorzitter. – Is
iedereen het eens met dat standpunt?
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Je propose que nous votions
sur ce point ultérieurement cet après-midi, de
manière à ce que nous puissions examiner
l’objection de M. Delpérée.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Ik stel voor dat we daarover
later vanmiddag stemmen, zodat we nog de gelegenheid krijgen het
bezwaar van de heer Delpérée te
onderzoeken.
|
|
Mme la présidente.
– L’assemblée est-elle d’accord ?
(Assentiment)
|
De voorzitter. – Is de
vergadering het hiermee eens? (Instemming)
|
|
Questions
orales
|
Mondelinge
vragen
|
|
Question
orale de Mme Sabine de Bethune à la
vice-première ministre et ministre de la Justice sur
«l’application de la loi du 28 janvier 2003
visant à l’attribution du logement familial à
la victime d’actes de violence physique de son partenaire»
(nº 3-1440)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Sabine de Bethune aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie over «de
toepassing van de wet van 28 januari 2003 tot
toewijzing van de gezinswoning aan het slachtoffer van fysieke
gewelddaden vanwege zijn partner» (nr. 3-1440)
|
|
Mme Sabine
de Bethune (CD&V). – Différents cas
navrants d’actes de violence au sein du couple ont
récemment été relayés par les médias,
à tel point que, certainement en Flandre, le secteur de
l’assistance et plus particulièrement les refuges
pour femmes battues tirent la sonnette d’alarme. Ils
attirent l’attention sur le manque de moyens pour l’accueil
des victimes de violence intrafamiliale. En outre, les
intervenants sociaux et les organisations féminines
demandent expressément que ce ne soient pas les victimes,
mais bien les auteurs de violence intrafamiliale qui doivent
quitter le logement commun.
Cet
éloignement est déjà régi par la loi
du 28 janvier 2003 visant à l’attribution
du logement familial au conjoint ou au cohabitant légal
victime d’actes de violence physique de son partenaire et
complétant l’article 410 du Code pénal,
qui prévoyait la possibilité d’attribuer le
logement familial à la victime de violence intrafamiliale.
En outre, la ministre Onkelinx et le collège des
procureurs généraux ont finalement envoyé,
il y a tout juste un an, lors de la Journée de la femme
2006, une circulaire visant à assurer une lutte efficace
contre la violence intrafamiliale.
Quelles
initiatives sont-elles prises pour informer la magistrature et
les services d’assistance au sujet de la loi du
28 janvier 2003 et des possibilités
d’éloignement de l’auteur de violence
intrafamiliale ?
Dans combien
de cas l’éloignement dans le cadre de cette loi
a-t-il déjà été appliqué par
la magistrature ? Voici quelques années, la ministre
n’a pas pu répondre à une question similaire
de ma part. J’espère qu’elle pourra y répondre
aujourd’hui.
Quelles sont
les suites concrètes, un an exactement après
l’envoi de la circulaire de la ministre et du collège
des procureurs ?
|
Mevrouw Sabine de Bethune
(CD&V). – Recentelijk hebben verschillende
schrijnende gevallen van partnergeweld de media gehaald, in die
mate dat, zeker in Vlaanderen, ook de hulpverleningssector en
meer bepaald de vluchthuizen aan de alarmbel trekken. Ze vestigen
de aandacht op het tekort aan middelen voor opvang van
slachtoffers van huiselijk geweld. Bovendien vragen hulpverleners
en vrouwenorganisaties uitdrukkelijk dat niet de slachtoffers,
maar wel de daders van huiselijk geweld de gemeenschappelijke
woning zouden moeten verlaten.
Deze uithuisplaatsing wordt reeds
geregeld in de wet van 28 januari 2003 tot toewijzing
van de gezinswoning aan de echtgenoot of aan de wettelijk
samenwonende die het slachtoffer is van fysieke gewelddaden
vanwege zijn partner en tot aanvulling van artikel 410 van
het Strafwetboek, die de mogelijkheid creëerde om de
gezinswoning toe te wijzen aan het slachtoffer van huiselijk
geweld. Bovendien stuurden minister Onkelinx en het college van
procureurs-generaal precies een jaar geleden, op Vrouwendag van
2006, eindelijk een circulaire die voor een efficiëntere
strijd tegen huiselijk geweld moest zorgen.
In deze context kreeg ik graag
antwoord op volgende vragen.
Welke initiatieven zijn genomen om
de magistratuur en de hulpverlening te informeren over de wet van
28 januari 2003 en de mogelijkheid van uithuisplaatsing
van de dader van huiselijk geweld?
In hoeveel situaties werd de
uithuisplaatsing in het kader van deze wet reeds toegepast door
de magistratuur? Een paar jaar geleden kon de minister een
gelijkaardige vraag van mijnentwege niet beantwoorden. Ik hoop
dat ze dit nu wel kan.
Wat zijn de praktische gevolgen,
precies één jaar na de versturing van de
rondzendbrief van de minister en van het college van procureurs?
|
|
Mme Laurette Onkelinx,
vice-première ministre et ministre de la Justice. –
Comme vous le savez, nous n’avons eu de cesse de
travailler, avec vous-même et d’autres, contre la
violence faite aux femmes.
Sous l’ancienne législature,
vous étiez parmi celles à avoir suivi avec beaucoup
d’attention le lancement du premier plan national d’action
contre les violences dont sont victimes les femmes. Nous avons
effectivement adopté une nouvelle loi relative à
l’attribution du logement familial à l’époux
ou épouse victime de coups.
Sous la présente législature,
on a pris une circulaire commune avec les procureurs généraux,
prévoyant une tolérance zéro pour les
violences faites aux femmes.
Aujourd’hui sera adopté
à la Chambre un projet relatif aux mariages forcés,
accordant compétence au parquet, ce qui permet de contrer
également une autre violence faite aux femmes.
Cette question fut toujours une
obsession pour moi, mais vous avez raison de dire qu’il
convient maintenant d’examiner comment les choses se
passent sur le terrain. Le signal est donné, mais il est
indispensable que l’on dispose de statistiques précises.
Nous avons procédé à
une évaluation sommaire du recours à la loi du
28 janvier 2003, que nous avons réalisée
en partenariat entre mon département et l’Institut
pour l’égalité entre les hommes et les
femmes. Cette évaluation a révélé
différents problèmes d’application de la loi,
de telle sorte que nous estimons totalement prématuré
de s’en tenir à une simple information des
magistrats et des services d’aide quant à cette loi.
Une réunion s’est ainsi
tenue à l’Institut la semaine dernière, le
28 février, à laquelle a participé le
service de la politique criminelle pour examiner avec les centres
d’aide les différents problèmes relevés
et pour envisager des pistes de solution. Il sera fait part des
résultats de cette réunion et des propositions y
formulées lors de la prochaine conférence
interministérielle qui se tiendra ce 29 mars. Je
reviendrai ensuite devant vous pour vous informer.
Il est apparu lors de l’évaluation
de la loi qu’il n’était pas possible de
dégager une statistique fiable quant au nombre de recours
à l’alinéa 3 de l’article 223 du
Code civil, dans la mesure où nombre de magistrats
continuent à se référer à
l’article 223 dans sa globalité ou à son
premier alinéa, sans mentionner l’alinéa 3.
En effet, le premier alinéa permet déjà, de
façon générale, de prendre les mesures
urgentes et provisoires relatives à la personne et aux
biens des époux et des enfants.
Il convient d’ajouter que,
bien souvent, dans le cadre de mesures de probation prétorienne,
voire dans le cadre de la loi sur la détention préventive,
il peut être enjoint à l’auteur ou au suspect
de coups et blessures de quitter temporairement le domicile, ce
qui n’apparaîtra pas d’une éventuelle
statistique relative à l’article 223 du Code
civil.
Tel est le type de difficultés
que nous rencontrons dans les statistiques. Nous voulons prendre
en compte non seulement ces difficultés, mais aussi ce qui
nous revient des centres d’aide aux femmes dans le cadre de
l’application de la loi. Aussi vous ai-je dit que nous
tiendrions prochainement une réunion commune et ensuite
une conférence interministérielle. Je vous
présenterai ensuite un rapport des conclusions de ces
réunions. Je suis en tout cas cette question de très
près, puisqu’elle me tient particulièrement à
cœur.
Par ailleurs, sur le terrain concret
de l’application de la circulaire commune, c’est la
tolérance zéro qui s’applique clairement pour
ce qui concerne la violence conjugale. La formation des
magistrats auprès du Conseil supérieur de la
Justice sur cette notion de tolérance zéro pour les
violences faites aux femmes a très bien fonctionné.
Des formations ont également eu lieu à l’échelon
de la première ligne, notamment des services de police. La
conscientisation a été très poussée.
Pour ce qui concerne l’évaluation,
une première réunion s’est tenue au Collège
le 15 février. Le service de la Politique criminelle
a tiré depuis lors un premier bilan de la rédaction
des différents plans d’action par arrondissement. En
effet, j’avais demandé que tous les arrondissements
se basent sur ce que Anne Bourguignont, procureur du Roi, a fait
à Liège. Je vous rappelle que celle-ci avait établi
un véritable plan d’action « tolérance
zéro » qui permettait de parler non seulement
du suivi des plaintes, mais aussi du travail accompli avec tous
les acteurs concernés, sur le plan tant de la prévention
que de la récolte des preuves ou du suivi des auteurs de
coups et blessures.
On sait en effet qu’il faut
réagir très rapidement, d’autant plus que pas
mal de couples continuent leur petit bout de chemin et qu’il
faut dès lors mettre en place un travail d’accompagnement
médical pour que de tels faits ne se reproduisent pas.
Nous avons donc d’abord
effectué un premier bilan de la rédaction des plans
d’action par les différents arrondissements.
L’Institut pour l’égalité entre les
hommes et les femmes apportera également sa contribution
par le biais d’un expert extérieur avec lequel il y
aura un contrat spécifique. Une réunion est prévue
le 15 mars pour préparer ladite évaluation de
manière scientifique.
Nous essayons donc de procéder
à une évaluation très précise qui
nous amènera soit à nous féliciter du
travail réalisé, soit à revoir
éventuellement la circulaire et la loi pour aller plus
loin.
|
Mevrouw Laurette
Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. –
De strijd tegen het geweld tegen vrouwen blijft voor ons een
prioriteit. Mevrouw de Bethune heeft tijdens de vorige
regeerperiode de voorstelling van het eerste nationale actieplan
tegen het geweld op vrouwen van nabij gevolgd. Ook werd de wet
goedgekeurd tot toewijzing van de gezinswoning aan de echtgenoot
of aan de wettelijk samenwonende die het slachtoffer is van
fysieke gewelddaden.
Tijdens de
huidige regeerperiode heb ik een rondzendbrief gezonden naar de
procureurs-generaal met betrekking tot een nultolerantiebeleid
voor het geweld op vrouwen.
Vandaag zal de
Kamer een wetsontwerp goedkeuren betreffende de gedwongen
huwelijken, waarbij de parketten bevoegdheden krijgen. Ook
hierdoor kan het geweld tegen vrouwen worden tegengegaan.
Mevrouw de
Bethune stelt terecht dat het tijd is voor een analyse van de
toestand op het terrein. Het signaal is gegeven, maar we moeten
over de juiste statistieken beschikken.
Mijn
departement en het Instituut voor de gelijkheid tussen mannen en
vrouwen zijn kort nagegaan hoeveel maal de wet van
28 januari 2003 werd ingeroepen. Uit de evaluatie bleek
dat er heel wat problemen zijn met de toepassing van de wet. Het
leek ons dan ook voorbarig om ons te beperken tot een louter
informeren van de magistraten en de hulpdiensten over de wet.
Op 28 februari
jongstleden werd in het Instituut een vergadering georganiseerd,
waaraan de Dienst strafrechtelijk beleid deelnam. We wilden samen
met de hulpcentra nagaan wat de belangrijkste problemen zijn en
wat de mogelijke oplossingen zijn. De resultaten en de
voorstellen van die vergadering zullen op de volgende
internministeriële conferentie van 29 maart worden
voorgesteld.
Tijdens de
evaluatie bleek dat het onmogelijk was betrouwbare gegevens te
verkrijgen over het aantal keren dat een beroep werd gedaan op
artikel 223, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Veel
magistraten verwijzen naar het hele artikel 223 of naar het
eerste lid, en vermelden het derde lid niet. Krachtens het eerste
lid kunnen dringende en voorlopige maatregelen worden genomen
betreffende de persoon en de goederen van de echtgenoten en de
kinderen.
Bovendien kan
in het kader van probatiemaatregelen of in het kader van de wet
op de voorlopige hechtenis een persoon die zich schuldig heeft
gemaakt aan slagen en verwondingen of die ervan wordt verdacht,
ertoe worden verplicht de gezinswoning tijdelijk te verlaten. Dat
blijkt dan niet uit de statistieken met betrekking tot
artikel 223 van het Burgerlijk Wetboek.
We willen niet
alleen met die statistische problemen rekening houden, maar ook
met de opmerkingen van de hulpcentra. Ik heb al gezegd dat
binnenkort een gemeenschappelijke vergadering en een
interministeriële conferentie worden georganiseerd. Ik zal
de resultaten van die vergaderingen meedelen. Ik volg de
problematiek op de voet want ze ligt me na aan het hart.
Op het terrein
geldt de nultolerantie voor partnergeweld. De opleiding van de
magistraten met betrekking tot die nultolerantie, die de Hoge
Raad voor de Justitie heeft georganiseerd, heeft vruchten
afgeworpen. Ook de politiediensten hebben opleidingen
georganiseerd. De bewustmaking is groot.
Het College
heeft op 15 februari een eerste evaluatievergadering
gehouden. De Dienst strafrechtelijk beleid heeft sindsdien een
eerste balans opgemaakt van de opstelling van de actieplannen in
de verschillende arrondissementen. Ik had gevraagd dat alle
arrondissementen het actieplan ‘nultolerantie’ van de
procureur des Konings van Luik, Anne Bourguignont, als voorbeeld
nemen. Met dat plan kunnen niet alleen de klachten worden
opgevolgd, ook kan worden nagegaan wat alle betrokkenen hebben
gerealiseerd, zowel op het vlak van preventie als voor de
inzameling van bewijzen of de begeleiding van de daders van
slagen en verwondingen.
We weten dat
snel moet worden opgetreden, temeer daar heel wat koppels blijven
aanmodderen en dat bijgevolg een medisch begeleidingsplan moet
worden opgesteld opdat dergelijke feiten zich niet zouden
herhalen.
We hebben een
eerste balans van de actieplannen in de arrondissementen
opgemaakt. Het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen
zal een specifiek contract sluiten met een extern expert. Op
15 maart zal over de wetenschappelijke voorbereiding van die
evaluatie worden vergaderd.
We proberen
een zo nauwkeurig mogelijke evaluatie op te stellen zodat we
ofwel tevreden kunnen zijn met het geleverde werk, ofwel de
circulaire en de wet kunnen bijschaven.
|
|
Mme Sabine
de Bethune (CD&V). – La loi de 2003 constitue
effectivement un progrès, en tout cas sur le plan des
intentions. La ministre constate, tout comme le secteur de
l’assistance, que des problèmes se posent quant à
l’application de la loi.
La ministre
explique bien les problèmes soulevés par la
collecte de données statistiques. En outre, les personnes
faisant appel à la procédure d’éloignement
rencontrent également des difficultés. Celle-ci est
compliquée, parce que l’éloignement doit être
demandé dans le cadre de mesures urgentes.
En 2003, j’ai
plaidé pour une autre procédure, à savoir
une procédure en référé devant le
juge de paix. Les Pays-Bas et l’Autriche veulent donner la
compétence d’éloignement au commissaire de
police. Le CD&V n’y était pas favorable en 2003
parce que nous voulions des garanties suffisantes pour les
personnes éloignées. Les différents exemples
de l’étranger doivent être examinés,
mais la procédure doit en tout cas être revue. On
peut profiter de cette occasion pour introduire la possibilité
de recourir également à cette procédure à
titre préventif, en cas de menace de violence, comme cela
existe dans certains autres pays. Je voulais également
introduire cette possibilité avec ma proposition de loi de
2003.
Je suis
curieuse de voir les résultats de l’évaluation
approfondie des directives des procureurs généraux,
attendus pour la fin du mois.
|
Mevrouw Sabine de Bethune
(CD&V). – Ik dank de minister voor haar
interessante antwoord. De wet van 2003 is inderdaad een
verbetering, in ieder geval wat de intentie betreft. De minister
stelt, net zoals de hulpverleningssector, vast dat er problemen
rijzen bij de toepassing van de wet.
De minister legt goed uit welke
problemen er rijzen bij de verzameling van statistische gegevens.
Daarnaast rijzen er ook problemen voor de personen die zich
beroepen op de procedure van de uithuisplaatsing. De procedure is
omslachtig, omdat de uithuisplaatsing moet worden aangevraagd als
onderdeel van dringende maatregelen.
In 2003 heb ik gepleit voor een
andere procedure, namelijk een procedure in kort geding voor de
vrederechter. Nederland en Oostenrijk willen de bevoegdheid voor
de uithuisplaatsing aan de politiecommissaris geven. CD&V was
daar in 2003 geen voorstander van, omdat we voldoende garanties
wilden voor mensen die uit huis worden geplaatst. De
verschillende voorbeelden uit het buitenland moeten worden
bestudeerd, maar in ieder geval moet de procedure worden herzien.
Van die gelegenheid kan worden gebruik gemaakt om de mogelijkheid
in te voeren die procedure ook preventief, bij dreigend geweld in
te roepen, zoals dat ook in sommige andere landen geldt. Met mijn
wetsvoorstel van 2003 wilde ik dat ook invoeren.
Ik kijk uit naar de resultaten van
de grondige evaluatie van de richtlijnen van de
procureurs-generaal, die vóór het einde van de
maand wordt verwacht.
|
|
Projet
de loi modifiant diverses dispositions relatives à
l’absence et à la déclaration judiciaire de
décès (Doc. 3-1792) (Procédure
d’évocation)
|
Wetsontwerp
tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de afwezigheid
en de gerechtelijke verklaring van overlijden (Stuk 3-1792)
(Evocatieprocedure)
|
|
Projet
de loi modifiant certaines dispositions du Code judiciaire
relatives à l’absence et à la déclaration
judiciaire de décès (Doc. 3-1793)
|
Wetsontwerp
tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek
betreffende de afwezigheid en de gerechtelijke verklaring van
overlijden (Stuk 3-1793)
|
|
Discussion
générale
|
Algemene
bespreking
|
|
Mme la présidente.
– Je vous propose de joindre la discussion de ces projets
de loi. (Assentiment)
|
De voorzitter. – Ik
stel voor deze wetsontwerpen samen te bespreken. (Instemming)
|
|
M. Mahoux se réfère
à son rapport écrit.
|
De heer Mahoux verwijst
naar zijn schriftelijk verslag.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Ces projets de loi visent à
moderniser les anciennes dispositions du Code civil relatives à
l’absence et au décès. L’initiative est
noble mais la qualité juridique du texte transmis par la
Chambre laissait à désirer. Notre commission de la
Justice a pu remédier au problème en demandant
l’avis du Conseil d’État et en comblant
d’importantes lacunes par voie d’amendements.
Ainsi, en
vertu de l’article 4 initial, une personne qui cessait
de paraître à son domicile pendant un certain temps
risquait d’être présumée absente, sans
condition de délai, et de voir ses biens gérés
par un administrateur judiciaire. Cette disposition a
heureusement été corrigée par amendement.
De même
les effets de la déclaration d’absence posaient
problème en cas de réapparition de l’absent.
La personne déclarée absente est censée être
décédée. Le mariage et la communauté
matrimoniale sont dès lors dissous et le conjoint peut
contracter un nouveau mariage. Lorsqu’il réapparaît,
l’absent est cependant en droit d’exiger ses biens.
Comme
l’indique le rapport, il subsiste certainement encore
quelques imperfections juridiques mais l’ensemble du texte
a été suffisamment amélioré pour que
nous puissions l’adopter.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Deze wetsontwerpen, die op
initiatief van de Kamer zijn genomen, pogen de oude regeling uit
het Burgerlijk Wetboek omtrent de afwezigheid en het overlijden
te moderniseren. Het is een nobel initiatief, maar de juridische
kwaliteit van tekst van de Kamer liet toch wel wat te wensen
over. Wij hebben dit in de commissie voor de Justitie opgelost
door het advies van de Raad van State te vragen en door
belangrijke lacunes via amendementen aan te vullen.
Ik geef een voorbeeld. Artikel 4
van het voorstel bepaalde initieel dat de rechtbank van eerste
aanleg onmiddellijk nadat iemand niet langer thuis verscheen, op
verzoek van de procureur des Konings of van ieder belanghebbende,
het gewone vermoeden van afwezigheid – dat verschillend is
van de bijzondere regeling bij rampen en levensbedreigende
situaties – kon vaststellen. Dit heeft dan als gevolg dat
een bewindvoerder wordt aangesteld over de goederen van de
vermoede afwezige en dat de termijn voor de echte verklaring van
afwezigheid begint te lopen. Die regeling bepaalde geen enkele
wachttermijn. Wie enige tijd niet meer thuis kwam, liep dus het
risico vermoed te worden afwezig te zijn. Gelukkig hebben we via
amendementen deze bepaling kunnen verbeteren.
Er was ook een probleem in verband
met de gevolgen van de verklaring van afwezigheid wanneer de
betrokkene die afwezig is verklaard uiteindelijk na jaren weer
opduikt. Als de betrokkene afwezig wordt verklaard, wordt hij
geacht overleden te zijn, wordt het huwelijksvermogen ontbonden,
is het huwelijk ontbonden en kan de echtgenote of echtgenoot een
tweede huwelijk hebben aangegaan. Als de afwezige dan weer
opduikt zal hij de verklaring van afwezigheid opheffen. De vraag
rees op welke wijze de vermogensrechtelijke problemen die aldus
ontstonden, moesten worden opgelost. De afwezige die weer
opduikt, is uiteraard gerechtigd zijn eigendommen terug te
vorderen.
Zoals blijkt uit het verslag, kunnen
ongetwijfeld nog juridisch-technische onvolkomenheden worden
weggewerkt. Het geheel van de tekst werd in elk geval voldoende
grondig verbeterd zodat we hem kunnen goedkeuren.
|
|
Mme Laurette
Onkelinx, vice-première ministre et ministre de la
Justice. – Le Sénat a bien travaillé. Je suis
tout à fait satisfaite.
|
Mevrouw Laurette Onkelinx,
vice-eersteminister en minister van Justitie. – De Senaat
heeft goed werk geleverd. Ik ben zeer tevreden.
|
|
– La discussion générale
est close.
|
– De algemene bespreking is
gesloten.
|
|
Discussion
des articles Projet de loi modifiant diverses dispositions
relatives à l’absence et à la déclaration
judiciaire de décès (Doc. 3-1792) (Procédure
d’évocation)
|
Artikelsgewijze
bespreking van het Wetsontwerp tot wijziging van diverse
bepalingen betreffende de afwezigheid en de gerechtelijke
verklaring van overlijden (Stuk 3-1792) (Evocatieprocedure)
|
|
(Pour le texte amendé par
la commission de la Justice, voir document 3-1792/6.)
|
(Voor de tekst geamendeerd door
de commissie voor de Justitie, zie stuk 3-1792/6.)
|
|
– Il sera procédé
ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de
loi.
|
– De stemming over het
wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.
|
|
Discussion
des articles du projet de loi modifiant certaines dispositions du
Code judiciaire relatives à l’absence et à la
déclaration judiciaire de décès
(Doc. 3-1793)
|
Artikelsgewijze
bespreking van het wetsontwerp tot wijziging van sommige
bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de
afwezigheid en de gerechtelijke verklaring van overlijden
(Stuk 3-1793)
|
|
(Pour le texte amendé par
la commission de la Justice, voir document 3-1793/4.)
|
(Voor de tekst geamendeerd door
de commissie voor de Justitie, zie stuk 3-1793/4.)
|
|
– Les articles 1er
à 4 sont adoptés sans observation.
– Il sera procédé
ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de
loi.
|
– De artikelen 1 tot 4
worden zonder opmerking aangenomen.
– Over het wetsontwerp in
zijn geheel wordt later gestemd.
|
|
Questions
orales
|
Mondelinge
vragen
|
|
Question
orale de M. François Roelants du Vivier au
ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur
«les cliniques du sein» (nº 3-1436)
|
Mondelinge
vraag van de heer François Roelants du Vivier
aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over
«borstklinieken» (nr. 3-1436)
|
|
Mme la présidente.
– M. Peter Vanvelthoven, ministre de l’Emploi,
répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk,
antwoordt.
|
|
M. François
Roelants du Vivier (MR). – En septembre 2005,
j’ai déposé une proposition de loi visant à
établir des normes de qualité pour les cliniques du
sein. Elle est encore à l’examen en commission des
Affaires sociales.
Comme je l’ai souligné,
la Belgique figure toujours parmi les pays les plus touchés
par le cancer du sein qui constitue la première cause de
mortalité chez les femmes âgées de 35 à
55 ans. Le dépistage permet de réduire cette
mortalité de 30%, pour autant qu’il soit réalisé
selon des critères de qualité. Il est donc urgent
de légiférer sur les normes de qualité pour
la prise en charge du dépistage. De plus, la transparence
sur la qualité des centres de traitement fait partie
intégrante du droit des patients.
À plusieurs reprises, le
ministre Demotte a annoncé être occupé à
rédiger un projet d’arrêté royal
réglementant les cliniques du sein selon les normes
européennes. Cet arrêté royal, priorité
absolue dans la lutte contre le cancer du sein, devait voir le
jour au cours de l’été 2006. Cet engagement a
été applaudi et encouragé, notamment par le
groupe interparlementaire du cancer du sein qui rassemble
plusieurs dizaines de sénateurs et de députés.
Nous sommes maintenant en fin de législature et au
printemps de l’année 2007 et nous ne voyons rien
venir.
Par conséquent, j’aimerais
savoir où en est la rédaction de cet arrêté
royal ? Le ministre Demotte envisage-t-il toujours d’établir
des normes de qualité axées sur l’organisation
pluridisciplinaire, sur le contrôle de la qualité
des soins et inspirées des recommandations européennes ?
|
De heer François
Roelants du Vivier (MR). – In september 2005
diende ik een wetsvoorstel in om kwaliteitsnormen voor
borstklinieken op te leggen. Het wordt nog besproken in de
commissie voor de Sociale Aangelegenheden.
België
behoort nog altijd tot de landen waar borstkanker het meest
voorkomt. Het is de voornaamste doodsoorzaak bij vrouwen tussen
35 en 55 jaar. Opsporing, voorzover die gebeurt volgens
kwaliteitscriteria, kan die mortaliteit met 30% doen dalen. Er
moet dus dringend wetgeving komen over de kwaliteitsnormen voor
opsporing. Transparantie inzake de kwaliteit van de
behandelingscentra is bovendien een patiëntenrecht.
Minister
Demotte kondigde meermaals een koninklijk besluit aan dat de
borstklinieken reglementeert volgens Europese normen. Dat
besluit, dat absoluut prioritair is in de strijd tegen
borstkanker, moest in de zomer van 2006 het licht zien. Dat
engagement werd verwelkomd en aangemoedigd, met name door de
interparlementaire werkgroep inzake borstkanker waarvan
tientallen volksvertegenwoordigers en senatoren deel uitmaken. We
staan nu voor het einde van de regeerperiode en de lente van 2007
en zien nog steeds niets komen.
Hoe ver staat
het met het besluit? Wil minister Demotte nog altijd
kwaliteitsnormen opstellen, gericht op een multidisciplinaire
organisatie en controle van de zorgverlening en geïnspireerd
door de Europese aanbevelingen?
|
|
M. Peter Vanvelthoven,
ministre de l’Emploi. – Le ministre Demotte confirme
son point de vue selon lequel l’instauration de normes de
qualité pour le traitement du cancer du sein est
nécessaire. L’année dernière, ses
services ont préparé un projet de texte à
cette fin. Il suit la procédure. Un avis a déjà
été émis par la commission de la protection
de la vie privée. Le ministre Demotte attend l’avis
du Conseil d’État dans deux semaines. Il soumettra
donc un projet définitif au chef de l’État
avant la fin de cette législature.
|
De heer Peter
Vanvelthoven, minister van Werk. – Minister Demotte
bevestigt zijn visie dat de invoering van kwaliteitsnormen voor
de behandeling van borstkanker nodig is. Vorig jaar stelden zijn
diensten daarvoor een ontwerp op. Het volgt de normale procedure.
Er werd al een advies uitgebracht door de commissie voor de
bescherming van de privélevenssfeer. Minister Demotte
verwacht binnen twee weken het advies van de Raad van State. Hij
zal dus een definitieve tekst aan het Staatshoofd voorleggen vóór
het einde van de regeerperiode.
|
|
M. François
Roelants du Vivier (MR). – Je remercie le
ministre Demotte pour ses engagements précis. Je compte
bien que ceux-ci soient tenus avant la fin de la législature.
|
De heer François
Roelants du Vivier (MR). – Ik dank minister
Demotte voor zijn duidelijke beloften. Ik reken erop dat hij die
voor het einde van de regeerperiode zal nakomen.
|
|
Question
orale de M. Francis Delpérée au ministre des
Affaires sociales et de la Santé publique sur «les
déclarations du Président du SPF Sécurité
sociale sur le Conseil d’État» (nº 3-1439)
|
Mondelinge
vraag van de heer Francis Delpérée aan de
minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de
verklaringen van de Voorzitter van de FOD Sociale Zekerheid
betreffende de Raad van State» (nr. 3-1439)
|
|
Question
orale de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires
sociales et de la Santé publique sur «les
déclarations inacceptables du Président du
SPF Sécurité sociale concernant le Conseil
d’État» (nº 3-1445)
|
Mondelinge
vraag van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van
Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de onaanvaardbare
verklaringen van de Voorzitter van de FOD Sociale Zekerheid
over de Raad van State» (nr. 3-1445)
|
|
Mme la présidente.
– Je vous propose de joindre ces questions orales.
(Assentiment)
M. Peter Vanvelthoven, ministre
de l’Emploi, répondra.
|
De voorzitter. – Ik
stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)
De heer Peter
Vanvelthoven, minister van Werk, antwoordt.
|
|
M. Francis Delpérée
(CDH). – Dans une carte blanche publiée dans
Le Soir des 3 et 4 mars et dans un article
publié dans De Standaard du 5 mars, le
président du SPF Sécurité sociale se livre à
une attaque en règle contre le Conseil d’État
et les magistrats qui le composent.
Le titre de l’article du Soir
est éloquent : « Le Conseil d’État
est-il un ennemi de l’État ? ». Le
titre du Standaard n’est même pas accompagné
d’un point d’interrogation : « De
Raad van State is staatsgevaarlijk ».
Je me bornerai à citer un
passage de l’article : « Imaginez :
une organisation terroriste malicieuse parviendrait à
faire exploser une bombe lors d’une réunion de hauts
fonctionnaires fédéraux et ferait des dizaines de
victimes. Les journaux titreraient : “L’État
décapité”. Avec son arsenal de munitions
juridiques, le Conseil d’État parvient actuellement
à provoquer les mêmes dégâts. Il est
donc grand temps que le nouveau chef de la Sûreté de
l’État ajoute ces juristes déconnectés
de la réalité à sa liste d’organisations
ennemies de l’État ».
Il n’y a pas lieu de contester
la liberté d’expression des fonctionnaires. L’arrêté
royal du 22 décembre 2000, plus communément
appelé ARPG, précise que « les agents
jouissent de la liberté d’expression dans l’exercice
de leurs fonctions ». Et je me permets d’ajouter :
« Plus encore en dehors de l’exercice de leurs
fonctions ».
Le droit qui leur est ainsi reconnu
se comprend néanmoins sous deux réserves que la
doctrine et la jurisprudence administratives mettent en évidence.
D’une part, il y a lieu de
tenir compte de la forme de l’expression. Les opinions
émises doivent se concilier avec un devoir de réserve
qui pèse sur les fonctionnaires dans l’expression de
leurs opinions. La forme, ici, importe autant que le fond. Comme
disait Beaumarchais, « On a vingt-quatre heures au
palais pour maudire ses juges. » Cela ne justifie pas
une campagne de presse faite d’expressions grossières,
insultantes et outrageantes.
D’autre part, il faut
s’interroger sur les conséquences qui s’attachent
à l’expression des opinions surtout si elles émanent
d’un haut fonctionnaire. La liberté de critique et
d’opinion ne peut avoir pour effet de compromettre la
confiance que les citoyens doivent avoir en l’État
et ses institutions publiques. Elle ne saurait ébranler le
crédit de l’État, de son administration et
des institutions de justice.
Je voudrais vous demander, monsieur
le ministre, si vous avez été informé,
au préalable, de la publication de ces articles ?
Vous admettez qu’un haut
fonctionnaire fasse état dans une publication de sa
qualité d’ancien chef de cabinet d’un ministre
SP.A ou considérez-vous qu’il y a là une
atteinte à la règle de neutralité des
services publics ?
Vous comptez prendre des mesures
pour réprimer des déclarations qui ne tiennent pas
compte du devoir de réserve qui s’impose aux
fonctionnaires dans l’expression de leurs opinions.
Vous comptez également
prendre des mesures pour restaurer la confiance que les citoyens
doivent avoir vis-à-vis des fonctionnaires qui
appartiennent au SPF Sécurité sociale et dans les
institutions de justice, en particulier le Conseil d’État.
|
De heer Francis
Delpérée (CDH). – In een opiniestuk in
Le Soir van 3 en 4 maart en in een artikel in
De Standaard van 5 maart doet de Voorzitter van de FOD
Sociale Zekerheid een regelrechte aanval op de Raad van State en
zijn magistraten.
De titel van
het artikel in Le Soir spreekt boekdelen: ‘Is de Raad
van State een vijand van de Staat?’ In de titel van
De Standaard staat zelfs geen vraagteken: ‘De Raad van
State is staatsgevaarlijk’.
Ik citeer een
stukje: ‘Beeld u in: een terroristische organisatie zou
erin slagen een bom te doen ontploffen tijdens een vergadering
van federale hoge ambtenaren en zou tientallen slachtoffers
maken. De kranten zouden koppen: “De Staat onthoofd”.
Met zijn juridisch arsenaal slaagt de Raad van State er nu in
dezelfde schade aan te richten. Het is dus hoog tijd dat de
nieuwe chef van de Veiligheid van de Staat die wereldvreemde
juristen toevoegt aan zijn lijst van staatsgevaarlijke
organisaties.’
Het gaat er
niet om de vrijheid van meningsuiting van ambtenaren te
betwisten. Het koninklijk besluit van 22 december 2000
(APKB) bepaalt dat ‘de ambtenaren het recht op vrijheid van
meningsuiting hebben in de uitoefening van hun ambt’. Ik
voeg daaraan toe: ‘Nog meer buiten de uitoefening van hun
ambt’.
Er bestaan
echter twee beperkingen op dat recht waarop de rechtsleer en de
rechtspraak de aandacht vestigen.
Enerzijds moet
rekening worden gehouden met de vorm van de uitspraak. De
uitspraak moet verzoenbaar zijn met de plicht van ambtenaren tot
terughoudendheid wanneer ze hun mening uiten. De vorm is hier
even belangrijk als de inhoud. We mogen kritiek hebben op
rechters, maar dat rechtvaardigt echter geen perscampagne met
grove, beledigende en smadelijke uitlatingen.
Anderzijds
moet worden gekeken naar de gevolgen van de uitspraken, vooral
als die komen van een hoge ambtenaar. De vrijheid van kritiek en
mening mag het vertrouwen van de burgers in de Staat en zijn
instellingen niet aantasten. Ze mag het aanzien van de Staat,
zijn administratie en zijn justitie niet aan het wankelen
brengen.
Was u vooraf
ingelicht over de publicatie van die artikels?
Vindt u het
goed dat een hoge ambtenaar in een publicatie melding maakt van
het feit dat hij een oud-kabinetschef van een SP.A-minister is,
of meent u dat dit een aanslag is op de regel van de neutraliteit
van de overheidsdiensten?
Zal u
maatregelen nemen om die verklaringen, die geen rekening houden
met de plicht tot terughoudendheid voor ambtenaren wanneer zij
hun mening verkondigen, te bestraffen?
Zal u
maatregelen nemen om het vertrouwen van de burgers in de
ambtenaren van de FOD Sociale Zekerheid en van justitie, in het
bijzonder de Raad van State, te herstellen?
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Lorsqu’un dossier est
délicat pour la majorité, elle envoie un
remplaçant. Le ministre chargé de lire la réponse
peut ainsi affirmer qu’il ne peut rien dire de plus que ce
qui figure dans la réponse qui lui a été
fournie. C’est ce que la majorité violette entend
par un débat.
Rien ne peut
plus nous étonner. C’est dès lors sans
étonnement que j’ai pris connaissance de la
mentalité violette qui s’est exprimée au
travers des déclarations de M. Van Massenhove,
président du SPF Sécurité sociale, qui a
fortement critiqué le Conseil d’État. En ce
sens, il est fidèle au ministre. Ces dernières
années, le gouvernement n’a régulièrement
pas tenu compte des avis du Conseil d’État. Si les
ministres donnent le mauvais exemple, les subalternes disent ce
que les ministres affirment en fait à demi-mot.
La colère
de M. Van Massenhove est la conséquence de
l’annulation de sa nomination. On aurait indubitablement pu
résoudre les problèmes posés par les
irrégularités dans la nomination des fonctionnaires
fédéraux si le gouvernement avait appliqué
la loi à temps.
M. Van Massenhove
reçoit le premier prix du concours de recours à des
mots durs au cours des quatre dernières années.
Aucun membre de l’opposition ne s’est ici exprimé
au sujet de la majorité dans les termes utilisés
par le chef du SPF Sécurité sociale pour qualifier
les conseillers d’État. Comme l’a indiqué
M. Delpérée, M. Van Massenhove
compare les décisions du Conseil d’État à
la Terreur. Si je comprends bien, ce dernier est le domicile de
Robespierre. Il est une guillotine. La Terreur y règne. On
n’y rend pas des arrêts, on y fait rouler des têtes.
M. Van Massenhove
estime que la Sûreté de l’État doit
placer sur la liste des éléments dangereux pour
l’État ou des ennemis de l’État les
juristes qui sont complètement déconnectés
de la réalité. Je dirais : bravo ! En
effet, celui qui est placé par les membres de l’actuelle
majorité sur la liste des individus dangereux pour l’État
bénéficie d’un grand honneur. J’espère
que je figure sur cette liste. J’en serais fier. Celui qui
élève le ton est immédiatement considéré
comme dangereux pour l’État par la majorité
violette.
Les
déclarations de M. Van Massenhove sont
particulièrement déplacées. Elles témoignent
d’un état d’esprit très dangereux et
d’un manque total de sens de l’État de droit.
Ce respect doit justement être primordial chez les hauts
fonctionnaires.
Le ministre
approuve-t-il ces déclarations ? Par quels
sentiments les déclarations de M. Van Massenhove
sont-elles inspirées ? Quelles mesures effectives le
ministre prendra-t-il pour faire respecter la Constitution ainsi
que le statut des fonctionnaires, qui a manifestement été
ignoré par l’intéressé ?
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Wanneer een dossier delicaat
is voor de meerderheid, stuurt ze haar kat. Dan kan de minister
die belast is met het voorlezen van het antwoord, zeggen dat hij
niets meer kan zeggen dan wat in het antwoord staat dat hem werd
bezorgd. Dat is wat paars verstaat onder een debat.
Niets kan ons nog verwonderen. Het
is dan ook zonder verwondering dat ik kennis heb genomen van de
paarse mentaliteit die tot uitdrukking komt in de verklaring van
de heer Van Massenhove, voorzitter van de FOD
Sociale Zekerheid, die zeer zwaar heeft uitgehaald naar de Raad
van State. In die zin is hij de minister trouw. De regering heeft
de afgelopen jaren het advies van de Raad van State immers steeds
naast zich neergelegd. Als de ministers het slechte voorbeeld
geven, zeggen de ondergeschikten wat de ministers eigenlijk
tussen de lijnen bedoelen.
De woede van de heer Van Massenhove
is het gevolg van de vernietiging van zijn benoeming.
Ongetwijfeld had men de problemen met de onregelmatigheden in de
benoeming van federale ambtenaren kunnen oplossen, indien de
regering zich tijdig aan de wet had gehouden.
In de wedstrijd inzake het gebruik
van harde woorden gedurende de jongste vier jaar krijgt
de heer Van Massenhove de eerste prijs. Niemand
van de oppositie heeft hier over de meerderheid gesproken in de
bewoordingen waarin het hoofd van de FOD Sociale Zekerheid
spreekt over de raadsheren van de Raad van State. Zoals collega
Delpérée zei, vergelijkt de heer Van Massenhove
de beslissingen van de Raad van State met terreur. Als ik het
goed begrijp, is De Raad van State het domicilie van Robespierre.
De Raad van State is een guillotine. Daar heerst de terreur. Men
spreekt er geen arresten uit, maar doet er koppen rollen.
De heer Van Massenhove
vindt dat de Veiligheid van de Staat de juristen, die geen enkele
band meer hebben met de realiteit, op de lijst van
staatsgevaarlijke elementen of staatsvijanden moet plaatsen. Ik
zou zeggen: proficiat. Wie immers door de leden van deze
meerderheid op de lijst van staatsgevaarlijke individuen wordt
geplaatst, valt een grote eer te beurt. Ik hoop dat ik ook op die
lijst sta. Ik zou daar trots op zijn. Wie de stem verheft, is
immers staatsgevaarlijk voor paars.
Deze uitspraken zijn zeer
misplaatst. Ze getuigen van een zeer gevaarlijke
geestesgesteldheid en van een volslagen gebrek aan gevoel voor de
rechtsstaat. Dat respect moet juist primordiaal aanwezig zijn bij
hogere ambtenaren.
Is de minister het eens met deze
verklaringen? Is hij dezelfde opvatting genegen? Door welke
gevoelens worden die verklaringen van de heer Van Massenhove
geïnspireerd? Welke effectieve maatregelen zal de minister
nemen om de Grondwet te doen respecteren, alsook het statuut van
de ambtenaren, dat kennelijk werd miskend door de verklaringen
van de betrokkene.
|
|
M. Peter Vanvelthoven,
ministre de l’Emploi. – Je vous lis la réponse
du ministre Demotte.
Je tiens à souligner en tant
que ministre des Affaires sociales et de la Santé publique
que j’ai une confiance absolue dans le Conseil d’État.
Il est dangereux de mettre en cause la légitimité
de la plus haute instance juridique du pays.
|
De heer Peter
Vanvelthoven, minister van Werk. – Ik lees het antwoord
van minister Demotte.
Ik heb als
minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid het grootste
vertrouwen in de Raad van State. Het is gevaarlijk om de
legitimiteit van de hoogste gerechtelijke instantie van het land
in twijfel te trekken.
|
|
Je n’ai
jamais été associé à l’initiative
de M. Van Massenhove, ni même informé de
celle-ci. Celui-ci ne s’exprimait certainement pas au nom
du SPF Sécurité Sociale. Je regrette qu’il
ait, de façon totalement irréfléchie, osé
comparer le Conseil d’État à une organisation
terroriste.
|
Ik werd nooit betrokken bij, noch
ingelicht over het initiatief van de heer Van Massenhove.
Hij heeft zich in geen geval uitgesproken namens de FOD Sociale
Zekerheid. Natuurlijk betreur ik de onvoorstelbare roekeloosheid
om een vergelijking te maken tussen de Raad van State en een
terroristische organisatie.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Le ministre regrette
l’incident mais quand le gouvernement traduira-t-il son
indignation dans des actes ? Peut-on simplement comparer le
Conseil d’État à des terroristes posant des
bombes ?
Ici, au
parlement, nous sommes soumis à une servitude exubérante
par la majorité. On nous empêche, par toutes sortes
de procédures, d’exercer nos droits constitutionnels
fondamentaux mais les fonctionnaires peuvent dire n’importe
quoi au sujet des instances du pouvoir judiciaire, sans que le
gouvernement n’intervienne.
La réponse
du ministre est très décevante. Le gouvernement se
contente de dire qu’il regrette ces déclarations.
C’est insuffisant et ne correspond pas au respect que l’on
peut attendre du pouvoir exécutif vis-à-vis des
instances judiciaires.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – De minister betreurt het
voorval, maar wanneer zal de regering haar verontwaardiging
omzetten in daden? Kan men zomaar de Raad van State vergelijken
met bommengooiende terroristen?
Hier in het parlement worden we door
de meerderheid onderworpen aan exuberante dienstbaarheden. Door
allerlei procedures worden we verhinderd onze fundamentele
grondwettelijke rechten uit te oefenen, maar de ambtenaren mogen
om het even wat zeggen over instanties van de rechterlijke macht,
zonder dat de regering optreedt.
Het antwoord van de minister is zeer
ontgoochelend. De regering krijgt het nog net over haar lippen om
te zeggen dat ze die uitspraak betreurt. Dat is onvoldoende en
stemt niet overeen met het respect dat men mag verwachten van de
uitvoerende macht voor de rechterlijke instanties.
|
|
M. Francis Delpérée
(CDH). – Je suis sidéré ! Je
m’attendais à ce que le ministre Demotte nous dise
qu’il avait convoqué le plus haut fonctionnaire du
service public fédéral, qu’il lui avait tiré
les oreilles et l’avait sermonné. Or, on nous dit
simplement que le dossier est clos.
Je ne peux que m’insurger et
regretter cette forme de démission de l’État,
à son sommet.
Le discours du ministre incite tous
les autres fonctionnaires à faire encore plus fort, si
c’est possible. Et ce ne seront pas les hauts
fonctionnaires, mais les petits de la base qui diront que leur
chef est un crétin, qu’il n’a rien compris,
qu’il est lui aussi un Robespierre. On peut encore essayer
de trouver mieux dans le registre des injures.
Je poserai de nouveau ma question à
M. Demotte quand il voudra bien venir au Sénat :
quand l’action disciplinaire sera-t-elle lancée ?
Quand compte-t-il agir ?
« Confiance dans le
Conseil d’État » sont de belles paroles.
Mais il ne manquerait plus que cela !
Le sens de l’État est
réellement ébranlé par les propos aussi
insignifiants que ceux tenus aujourd’hui par le
gouvernement.
|
De heer Francis
Delpérée (CDH). – Ik sta perplex! Ik had
verwacht dat minister Demotte ons zou zeggen dat hij de hoogste
ambtenaar van de FOD bij zich had geroepen en hem had
gekapitteld. Nu wordt eenvoudig gezegd dat het dossier gesloten
is.
Ik kan mij
daar slechts tegen verzetten en betreuren dat de hoogste leiding
van de Staat zich op een dergelijke manier bij de zaak neerlegt.
Het antwoord
van de minister zet er alle andere ambtenaren toe aan om nog
sterker voor de dag te komen. Het zullen niet de hoogste
ambtenaren zijn, maar de kleintjes die hun chef zullen betitelen
als een idioot, dat hij er niets van heeft begrepen, dat ook hij
een Robespierre is, of nog erger.
Ik zal opnieuw
aan minister Demotte, wanneer hij zo goed wil zijn naar de Senaat
te komen, vragen wanneer een tuchtonderzoek zal worden opgestart
en wanneer hij zal optreden.
‘Vertrouwen
in de Raad van State’ zijn mooie woorden. Dat onbrak er nog
maar aan!
Het vertrouwen
in de Staat wordt aan het wankelen gebracht door de inhoudloze
woorden van de regering.
|
|
Question
orale de Mme Mia De Schamphelaere au ministre de
l’Emploi sur «l’accès sécurisé
à l’internet pour les enfants par la carte
d’identité électronique» (nº 3-1441)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister
van Werk over «de veilige internettoegang voor kinderen
door middel van de elektronische identiteitskaart»
(nr. 3-1441)
|
|
Mme Mia
De Schamphelaere (CD&V). – Aujourd’hui,
j’ai la chance que le ministre compétent réponde
en personne à ma question.
L’émission
Panorama du dimanche 4 mars consacrée aux méthodes
utilisées par les pédophiles pour trouver leurs
victimes via des « chat box » sur internet
a suscité de l’inquiétude chez de nombreux
parents.
En réalité,
cette crainte ne devrait plus exister puisque, dès
septembre 2005, le ministre déclarait déjà
que les sites de « chat » allaient être
sécurisés grâce à la carte d’identité
électronique et au code PIN qui allaient permettre
d’éviter que des adultes puissent accéder aux
sites des teen-agers.
Il s’avère
cependant que le groupe des 12-15 ans reçoit uniquement la
carte d’identité électronique et pas le code
PIN.
1. Le
gouvernement a-t-il l’intention de donner un code PIN aux
mineurs ?
2. Dans
l’affirmative, pourquoi cette intention ne s’est-elle
pas encore concrétisée ? Le ministre a-t-il
déjà été mis au courant de cette
situation et quelle a été sa réaction à
ce sujet ?
3. Si
l’objectif n’est pas de donner un code PIN aux
mineurs, pourquoi le « SaferChat », qui
insiste fortement sur l’importance du code PIN, avait-il
été annoncé dans les médias et
quelles alternatives le ministre préconise-t-il pour
aboutir malgré tout à un environnement internet
sécurisé pour les enfants ?
|
Mevrouw Mia De Schamphelaere
(CD&V). – Ik heb vandaag het geluk dat de bevoegde
minister zelf zal antwoorden op mijn vraag.
De Panorama-uitzending van zondag
4 maart betreffende de methodes van pedofielen om via
chatboxen op internet slachtoffers te zoeken werd door vele
ouders met argusogen en schrik voor de eigen kinderen gevolgd.
Die schrik zou in feite niet meer
mogen bestaan omdat de minister al in september van 2005
verklaarde dat chatsites veilig zouden worden door het gebruik
van de elektronische identiteitskaart in combinatie met de
pincode, zodat volwassenen kunnen worden geweerd van sites voor
tieners.
In de praktijk blijkt nu dat de
leeftijdsgroep van 12 tot 15 jaar, waarvoor de toepassing werd
ontwikkeld, geen pincode krijgt maar enkel de elektronische
identiteitskaart zelf. Dat zet uiteraard de hele regeling op
losse schroeven.
1. Is het de bedoeling van de
regering minderjarigen een pincode te geven?
2. Zo ja, waarom gebeurt dat dan
niet in de praktijk? Werd de minister in dat geval al van de
afwijkende handelwijze op de hoogte gebracht en hoe heeft hij
hierop gereageerd?
3. Indien het niet de bedoeling is
minderjarigen een pincode te geven, waarom werd SaferChat, dat
een sterke nadruk legt op het belang van de pincode, dan zo
omstandig aangekondigd in de media en welke alternatieve methodes
schuift de minister dan naar voren om toch werk te maken van een
veilige internetomgeving voor kinderen?
|
|
M. Peter
Vanvelthoven, ministre de l’Emploi. – La puce de
la carte d’identité électronique contient
deux certificats : un certificat d’authentification et
un certificat de signature. Les jeunes de 12 à 18 ans
reçoivent bien un code PIN, mais uniquement pour le
certificat d’authentification. Les mineurs étant
incapables en vertu de la loi, cela n’a aucun sens
d’activer pour eux le certificat de signature. Les mineurs
peuvent refuser les fonctions d’authentification lors de
l’enregistrement à la commune. Ce n’est le cas
que d’une petite majorité des jeunes, environ 1%.
Lorsque des
jeunes de 12 à 18 ans se rendent sur un site de « chat »
sécurisé, ils introduisent leur code PIN. Sur la
base du numéro de registre national, on vérifie
s’ils sont dans la bonne catégorie d’âge
et s’ils ont le bon sexe pour accéder à la
« chat box ».
Pendant la
période 2003-2004, lorsque les premiers milliers de cartes
ont été délivrées, il était
techniquement impossible d’avoir une authentification sans
la signature. Durant cette période, lors de
l’enregistrement, les communes permettaient aux parents de
mineurs de choisir d’assortir ou non d’un code PIN
les fonctions d’authentification et de signature.
Fin 2005, une
correction a été apportée après le
lancement du projet « SaferChat ». Depuis
lors, tous les mineurs peuvent utiliser un code PIN pour se faire
identifier sur un site de « chat »
sécurisé.
|
De heer Peter
Vanvelthoven, minister van Werk. – Op de chip van de
elektronische identiteitskaart staan twee certificaten: een
authenticatiecertificaat om zich elektronisch te kunnen
identificeren, en een handtekeningcertificaat. Jongeren van 12
tot 18 jaar krijgen wel degelijk een pincode, maar alleen voor
het authenticatiecertificaat. Omdat minderjarigen volgens de wet
handelingsonbekwaam zijn, heeft het geen zin voor hen het
handtekeningcertificaat te activeren. Minderjarigen kunnen de
authenticatiefuncties bij de registratie in de gemeente wel
weigeren. Dat doet slechts een kleine minderheid, ongeveer 1% van
de jongerenpopulatie.
Wanneer jongeren van 12 tot 18 jaar
een beveiligde chatsite bezoeken, geven zij hun pincode in. Op
basis van het rijksregisternummer wordt dan nagegaan of zij in de
juiste leeftijdscategorie vallen en het juiste geslacht hebben om
toegang te krijgen tot de chatbox.
In de jaren 2003-2004 toen de eerste
tienduizenden kaarten werden uitgereikt, was het technisch
onmogelijk een authenticatie te hebben zonder handtekening. In
die periode lieten de gemeenten bij de registratie in de gemeente
de ouders van de minderjarigen de keuze tussen een pincode voor
de authenticatiefuncties en de handtekening, of helemaal geen
pincode.
Eind 2005 bij de aanvang van het
SaferChatproject werd een correctie aangebracht. Sindsdien is het
voor alle minderjarigen mogelijk een pincode te gebruiken om zich
op een SaferChatsite te laten identificeren.
|
|
Mme Mia
De Schamphelaere (CD&V). – La théorie
est belle, mais la réalité est tout autre. Dans mon
entourage et après enquête dans différentes
administrations communales, je constate que l’on ne donne
pas de code PIN aux mineurs. La plupart des services Population
de ma région ne connaissent pas la différence entre
les deux certificats. La mise en pratique de votre politique pose
donc problème.
|
Mevrouw Mia De Schamphelaere
(CD&V). – De theorie is mooi, maar de praktijk
anders. In mijn directe omgeving en na navraag bij verschillende
gemeentebesturen, stel ik vast dat helemaal geen pincode aan
minderjarigen wordt gegeven. De theorie is blijkbaar nog niet
doorgedrongen tot de gemeentelijke administraties. De meeste
bevolkingsdiensten in mijn streek kennen ook het verschil niet
tussen de twee certificaten. Er schort dus iets aan de uitvoering
van het beleid.
|
|
M. Peter
Vanvelthoven, ministre de l’Emploi. – S’il
est vrai que certaines administrations communales n’appliquent
pas les directives du gouvernement fédéral,
j’aimerais savoir de quelles communes il s’agit afin
que nous puissions leur demander de remédier à
cette situation.
|
De heer Peter
Vanvelthoven, minister van Werk. – Als het juist is dat
sommige gemeentebesturen de richtlijnen van de federale overheid
niet volgt, zou ik graag vernemen over welke besturen het gaat
zodat wij ze kunnen vragen een en ander bij te sturen.
|
|
Question
orale de M. Karim Van Overmeire au premier ministre et
au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique
sur «les problèmes communautaires au sein de la
Croix-Rouge» (nº 3-1442)
|
Mondelinge
vraag van de heer Karim Van Overmeire aan de
eerste minister en aan de minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid over «de communautaire problemen binnen het
Rode Kruis» (nr. 3-1442)
|
|
Mme la présidente.
– M. Peter Vanvelthoven, ministre de l’Emploi,
répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk,
antwoordt.
|
|
M. Karim
Van Overmeire (VL. BELANG). – Ma question
s’adresse au premier ministre et au ministre Demotte, dont
le cabinet est directement impliqué dans les négociations.
Malheureusement, nous constatons une nouvelle fois que le
gouvernement a confié la lecture de la réponse à
un autre ministre.
On sait depuis
longtemps qu’en matière d’organisation, un
abîme sépare les ailes flamande et francophone de la
Croix-Rouge, la plus grande organisation bénévole
du pays. J’avais d’ailleurs, l’année
dernière, consacré une question écrite à
l’imminence d’une crise financière, les
francophones s’étant opposés à toute
proposition visant à réduire la solidarité
témoignée par la section flamande à l’égard
de son pendant wallon. En 2005, il est du reste apparu que l’aile
francophone s’était permis quelques écarts en
matière de rapport financier et aurait contracté
d’importantes dettes. À cet égard, la
Croix-Rouge de Belgique reflète parfaitement la situation
telle qu’elle existe dans notre pays.
Le
gouvernement n’est pas resté indifférent face
à cette querelle intestine. Sous les auspices du premier
ministre, le ministre de la Santé publique a, lors d’un
entretien avec les présidents des deux sections, et en
présence de la princesse Astrid, exprimé son
inquiétude concernant la stabilité de la
Croix-Rouge et plus précisément l’approvisionnement
en sang et en plasma dans notre pays.
Le conseil des
ministres a d’ailleurs demandé un audit financier. À
ma connaissance, seul le service du sang de la Croix-Rouge et le
Département central de fractionnement ont été
passés au crible. Il n’a plus, ensuite, été
question d’un audit général, la Croix-Rouge
bénéficiant soi-disant d’un statut
indépendant et la répartition des compétences
entre l’échelon fédéral et les
communautés rendant un tel audit compliqué.
La semaine
dernière, la section flamande a décidé de
mettre fin à sa collaboration avec l’assistante
personnelle de la princesse Astrid, dont le rôle était
de rapprocher les deux ailes. Cette décision a remis
l’accent sur le malaise qui règne au sein de la
Croix-Rouge. Cette fois, la crise ne serait pas due à
l’argent, mais à l’opposition croissante de
l’aile flamande à l’attitude de la princesse
et de son entourage francophone, qui déjoue tous les
projets visant à augmenter l’autonomie de la
Croix-Rouge flamande. Le premier ministre a déjà
fait savoir que la princesse Astrid était entraînée
dans un conflit qui projette un éclairage négatif
sur la Croix-Rouge. On peut évidemment se demander si la
princesse n’est pas elle-même, en raison de son
attitude, à la base du conflit. Elle renverrait par
exemple des lettres de la section flamande sans les avoir
ouvertes.
En quelle
qualité le premier ministre s’immisce-t-il dans
cette discussion et en quelle qualité et à la
demande de qui le ministre Demotte intervient-il dans la
négociation entre les deux sections ? Le gouvernement
avait pourtant, lors de la crise précédente,
souligné le statut indépendant de la Croix-Rouge.
Quel est, ici, le but du ministre et quelle position adopte-t-il
dans ce dossier à connotation communautaire ?
Des
négociations sont en cours depuis un certain temps.
Combien de réunions y ont-elles déjà été
consacrées et quels en sont les résultats ?
Quelles sont les dernières nouvelles ?
Quels sont les
résultats de l’audit réalisé et quels
en furent les conséquences dans les services en question ?
Pourquoi
a-t-on renoncé à un audit général,
pourtant proposé par le gouvernement ? Le ministre
Demotte s’est référé à la
neutralité et à l’indépendance de
l’organisation et à la complexité du système
de répartition des compétences. Ces arguments ne me
semblent pas déterminants pour refuser un audit. Le
ministre peut-il donner des explications détaillées ?
|
De heer Karim
Van Overmeire (VL. BELANG). – Mijn vraag is
gericht aan de eerste minister en aan minister Demotte, wiens
kabinet rechtstreeks bij de onderhandelingen is betrokken. Jammer
genoeg stellen we eens te meer vast dat de regering een andere
minister een antwoord laat aflezen.
Het is al langer bekend dat er op
organisatorisch vlak een kloof gaapt tussen de Vlaamse en
Franstalige afdeling van het Rode Kruis, de grootste
vrijwilligersorganisatie van het land. Vorig jaar wees ik in een
schriftelijke vraag trouwens op een dreigende financiële
crisis, toen aan Franstalige kant verzet rees tegen elk voorstel
om de Vlaamse solidariteit ten voordele van zijn Waalse
tegenhanger te reduceren. In 2005 kwam trouwens aan het licht dat
de Franstalige vleugel het niet al te nauw nam met de financiële
verslaggeving en op de koop toe een grote schuldenberg zou hebben
opgebouwd. Wat dat betreft is het Belgische Rode Kruis een
perfecte afspiegeling van de situatie in ons land.
De broedertwist liet toen ook de
regering niet onbetuigd, want onder auspiciën van de eerste
minister uitte de minister van Volksgezondheid tijdens een
onderhoud met de voorzitters van beide afdelingen, en in het
bijzijn van prinses Astrid, zijn bezorgdheid over de stabiliteit
van het Rode Kruis, meer in het bijzonder inzake de verzekering
van bloed en plasma in ons land.
De ministerraad vroeg trouwens een
financiële audit. Naar verluidt zou enkel de dienst Bloed
van het Rode Kruis en van de Centrale Afdeling voor Fractionering
zijn doorgelicht. Van een algemene audit was kort nadien al lang
geen sprake meer, omdat het Rode Kruis een onafhankelijk statuut
zou genieten en omdat de bevoegdheidsverdeling tussen het
federale niveau en de gemeenschappen een dergelijke audit
bemoeilijkte.
Vorige week besliste de Vlaamse
afdeling om de samenwerking met de persoonlijke assistente van
prinses Astrid, die nota bene was benoemd om beide vleugels
dichter bij mekaar te brengen, stop te zetten. Hierdoor kwam de
hele malaise binnen het Rode Kruis opnieuw in de volle aandacht.
Dit maal zou niet geld aan de basis van de nieuwe crisis liggen,
wel het toenemende verzet van de Vlaamse koepel tegen de houding
van de prinses en haar overwegend francofone entourage omdat zij
alle plannen zou dwarsbomen die het Vlaamse Rode Kruis meer
autonomie zouden moeten geven. Premier Verhofstadt liet al weten
dat prinses Astrid ‘wordt meegesleurd in een conflict dat
het Rode Kruis in een negatief daglicht brengt’. Het is
natuurlijk de vraag of de prinses zelf door haar houding niet aan
de basis ligt van het conflict. Zij zou bijvoorbeeld brieven van
de Vlaamse afdeling ongeopend terugsturen.
In welke hoedanigheid mengt de
eerste minister zich in deze discussie en in welke hoedanigheid
en op wiens verzoek treedt minister Demotte op in het overleg
tussen de twee afdelingen? Het was immers de regering die tijdens
de vorige crisis op het onafhankelijke statuut van het Rode Kruis
wees. Wat is hiermee de betrachting van de minister en welk
standpunt neemt hij in deze toch wel communautair getinte
aangelegenheid in?
Sinds geruime tijd is overleg aan de
gang. Hoeveel keer werd hierover reeds vergaderd en wat zijn de
resultaten? Wat zijn de meest recente verwikkelingen?
Wat zijn de resultaten van de
uitgevoerde audit en waartoe hebben die resultaten in de
desbetreffende diensten geleid?
Waarom werd een algemene audit, die
nochtans door de regering was voorgesteld, nadien afgeblazen?
Minister Demotte verwees naar de neutraliteit en de
onafhankelijkheid van de organisatie en de complexe
bevoegdheidsverdeling. Mij lijken dat echter geen doorslaggevende
argumenten te zijn om een audit te weigeren. Kan de minister dit
nader toelichten?
|
|
M. Peter
Vanvelthoven, ministre de l’Emploi. – Le
gouvernement regrette qu’une organisation aussi importante
que la Croix-Rouge apparaisse sous un jour négatif et que
la princesse Astrid soit entraînée dans le conflit.
Il en appelle au bon sens de tous les intéressés,
qu’il invite à ne pas aggraver la situation.
Le ministre
Demotte s’entretient depuis quelque temps avec les trois
ailes de la Croix-Rouge. Vendredi dernier, au cabinet du
ministre, des accords ont été conclus dans un
esprit constructif ; ils seront finalisés ces
prochaines semaines.
Le premier
ministre est convaincu que toutes les parties trouveront une
solution satisfaisante. Ils le doivent en effet aux nombreux
bénévoles et à la communauté qui
soutiennent les activités de la Croix-Rouge et qui doivent
pouvoir compter sur une gestion experte. En tant que sponsor
principal de la Croix-Rouge, le pouvoir fédéral a
d’ailleurs encore accentué ses efforts financiers
ces dernières années.
Le premier
ministre souligne enfin le soutien dont la Croix-Rouge a
bénéficié au cours des ans de la part de la
Maison royale. Par le passé, le Roi Albert a joué
un rôle de premier plan, dans le respect total de
l’autonomie de chaque section ; sa fille, la princesse
Astrid, a repris ce rôle dans le même esprit.
|
De heer Peter
Vanvelthoven, minister van Werk. – De regering betreurt
het dat een zo belangrijke organisatie als het Rode Kruis in een
negatief daglicht komt te staan en dat Prinses Astrid hierin
wordt meegesleurd. Ze roept alle betrokkenen op hun gezond
verstand te gebruiken en het gerezen conflict niet op de spits te
drijven.
Minister Demotte voert reeds enige
tijd gesprekken met de drie vleugels van het Rode Kruis. Vrijdag
nog werden op het kabinet van de minister in een constructieve
sfeer afspraken gemaakt die de volgende weken verder zullen
worden uitgewerkt.
De eerste Minister is ervan
overtuigd dat alle partijen een bevredigende oplossing zullen
vinden. Zij zijn het immers verplicht aan de talrijke
vrijwilligers en aan de gemeenschap die de werkzaamheden van het
Rode Kruis ondersteunen en op een deskundig beheer moeten kunnen
rekenen. De federale overheid heeft als belangrijkste sponsor van
het Rode Kruis haar financiële inspanningen de jongste jaren
trouwens nog opgedreven.
Ten slotte wijst de Eerste Minister
op de ondersteuning die het Rode Kruis door de jaren heen heeft
genoten vanwege het Koningshuis. Met volledig respect voor de
autonomie van elk van de afdelingen, heeft Koning Albert II in
het verleden een prominente rol gespeeld, die in dezelfde geest
door zijn dochter Prinses Astrid werd overgenomen.
|
|
M. Karim
Van Overmeire (VL. BELANG). – Je m’attendais
à ce que le ministre lise une réponse, mais pas à
ce que celle-ci soit aussi creuse. Le ministre répète
seulement le communiqué de presse que j’ai déjà
pu lire dans le journal la semaine dernière, mais ne
répond à aucune question spécifique. Il
n’explique pas, par exemple, pourquoi la princesse Astrid
renvoie des lettres sans les ouvrir. Je continue dès lors
à me demander si elle n’est pas elle-même à
la base du conflit. De toute façon, tout débat est
impossible lorsqu’un ministre se contente de lire la
réponse de son collègue interpellé.
|
De heer Karim
Van Overmeire (VL. BELANG). – Ik had verwacht
dat de minister een antwoord zou voorlezen, maar dat het zo
nietszeggend zou zijn, verbaast me. De minister herhaalt alleen
het perscommuniqué dat ik vorige week al in de krant heb
kunnen lezen en beantwoordt geen enkele specifieke vraag, zoals
deze waarom Prinses Astrid brieven ongeopend terugstuurt. Ik
blijf me dan ook afvragen of ze zelf niet aan de basis ligt van
het conflict. Als een minister gewoon voorlezing doet van het
antwoord van zijn geïnterpelleerde collega is elk debat
trouwens onmogelijk.
|
|
Question
orale de Mme Isabelle Durant au ministre des Affaires
sociales et de la Santé publique sur «le statut des
accueillantes à domicile» (nº 3-1443)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Isabelle Durant aan de minister van
Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het statuut van de
thuisopvangers» (nr. 3-1443)
|
|
Mme la présidente.
– M. Peter Vanvelthoven, ministre de l’Emploi,
répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk,
antwoordt.
|
|
Mme Isabelle Durant (ECOLO).
– C’est aujourd’hui la journée des
femmes. Nous allons sans doute voter et examiner, en commission,
des résolutions touchant à l’égalité
salariale et à une série de discriminations
persistantes à l’égard des femmes.
Permettez-moi, par cette question, d’insister sur un de ces
aspects, à savoir l’accueil des jeunes enfants.
Je vous ai déjà
interpellé à plusieurs reprises sur le problème
des accueillantes à domicile qui réclament, depuis
très longtemps, un véritable statut. Le Conseil
national du travail vous a donné un avis à ce
sujet.
Lors de la dernière question
que je vous ai posée sur le sujet, vous m’aviez
expliqué être en attente d’une estimation
chiffrée du coût de la mise en œuvre du statut
des accueillantes à domicile. Cette estimation devait vous
parvenir du Cabinet de la ministre Fonck. Or, ce même a
informé la fédération des services maternels
et infantiles, qui coordonne les services d’accueil de
l’enfant, qu’il attendait des informations en
provenance de votre propre cabinet.
J’ose espérer que la
partie de ping-pong entre vos deux cabinets est bel et bien
terminée et qu’une ligne budgétaire sera
trouvée à l’occasion du prochain contrôle
budgétaire pour entamer les premières phases de la
mise en œuvre du statut des accueillantes à domicile
dont le travail permet à d’autres femmes de
poursuivre leurs activités professionnelles.
J’espère que vous
pourrez me rassurer et me dire que le gouvernement compte enfin
réserver une ligne budgétaire pour entamer les
premières étapes de la mise en œuvre du
statut des accueillantes à domicile.
|
Mevrouw Isabelle
Durant (ECOLO). – Vandaag is het vrouwendag. In de
commissie zullen we zeker resoluties goedkeuren over gelijke
verloning en over een aantal blijvende discriminaties tegenover
vrouwen. Ik wil de aandacht vestigen op één van die
aspecten, de opvang van jonge kinderen.
Ik heb u al
meermaals ondervraagd over het probleem van de thuisopvangers die
al lang een echt statuut vragen. De NAR heeft u daarover een
advies verstrekt.
Op mijn
laatste vraag daarover antwoordde u dat u wachtte op een
kostenraming van het statuut. Dat moest komen van het kabinet van
minister Fonck. Die heeft de federatie van diensten voor
kinderopvang, die de diensten voor kinderopvang coördineert,
laten weten dat hij wachtte op informatie van uw kabinet.
Ik hoop dat
dit partijtje pingpong tussen de beide kabinetten nu ten einde is
en dat er bij de volgende budgetcontrole geld zal worden gevonden
om de eerste fasen van de inwerkingtreding van het statuut van
thuisopvangers op te starten. Die maken het immers mogelijk dat
andere vrouwen hun beroepsactiviteiten kunnen voortzetten. Ik
hoop dat u me gerust kunt stellen en me kan meedelen dat het geld
er is.
|
|
M. Peter Vanvelthoven,
ministre de l’Emploi. – Je vous lis la réponse
du ministre.
J’attends toujours les
informations demandées aux ministres compétentes de
la Communauté française, d’une part, et de la
Communauté flamande, d’autre part.
Le 4 décembre 2006,
mon collaborateur a rencontré des membres du cabinet de la
ministre Fonck et, le 19 janvier 2007, des
représentants de la ministre de la Communauté
flamande.
Lors de ces entretiens, nous avons
pu obtenir des informations en ce qui concerne :
1. le nombre d’accueillantes à
domicile avec indication de la capacité d’accueil
théorique, d’une part, et effective, d’autre
part ;
2. les montants effectivement payés
aux accueillantes à domicile pour les années 2005
et 2006 ou une période couvrant quatre trimestres
consécutifs ;
3. les montants effectivement pris
en charge par les Communautés à titre de
cotisations de sécurité sociale pour les
accueillantes à domicile ;
4. l’avis de la Communauté
concernée sur les propositions du Conseil national du
travail.
Lors de sa rencontre avec les
représentants de la ministre Fonck, mon collaborateur a
également attiré l’attention sur la
non-utilisation, par la Communauté, d’enveloppes
destinées à financer la création d’emplois.
Les rappels adressés aux
collaborateurs de la ministre Fonck en janvier et février
derniers sont restés sans suite.
Ainsi que vous l’aurez
certainement appris, le contrôle budgétaire n’a
pas encore eu lieu. Il ne m’est donc pas encore possible de
répondre aux questions concrètes que vous me posez.
|
De heer Peter
Vanvelthoven, minister van Werk. – Ik lees het antwoord
van de minister.
Ik wacht nog
steeds op de informatie die aan de bevoegde ministers van de
Franse en van de Vlaamse Gemeenschap werd gevraagd.
Op
4 december 2006 heeft mijn medewerker leden van het
kabinet van minister Fonck ontmoet en op 19 januari 2007
de vertegenwoordigers van de minister van de Vlaamse Gemeenschap.
Tijdens die
ontmoetingen kon informatie worden verkregen over het aantal
thuisopvangers en hun theoretische en effectieve
opvangcapaciteit, de bedragen die werkelijk werden betaald aan de
thuisopvangers in 2005 en 2006 of tijdens een periode van vier
opeenvolgende kwartalen, de bedragen die door de gemeenschappen
ten laste worden genomen als sociale zekerheidsbijdragen en het
advies van de betrokken gemeenschap over de voorstellen van de
NAR.
Tijdens zijn
ontmoeting met de vertegenwoordigers van minister Fonck heeft
mijn medewerker er de aandacht op gevestigd dat de gemeenschap
geen gebruik maakt van kredieten die dienen om banen te creëren.
De
herinneringen aan de medewerkers van minister Fonck in januari en
februari bleven zonder gevolg.
Zoals u zeker
weet, is er nog geen budgetcontrole geweest. Ik kan dus niet
antwoorden op uw concrete vragen.
|
|
Mme Isabelle Durant (ECOLO).
– Je ne suis évidemment pas du tout rassurée.
Je constate que la partie de ping-pong se poursuit. Il serait
terriblement dommageable, en fin de législature, que l’on
n’arrive pas à entamer une première phase.
J’espère que vous
obtiendrez ces informations avant le contrôle budgétaire
et, surtout, qu’un signal clair pourra être donné
aux accueillantes à domicile, leur disant que vous prenez
en charge la confection progressive de ce statut indispensable si
l’on veut augmenter le nombre de places d’accueil. Il
n’est pas très encourageant, pour les accueillantes,
de constater que l’on continue encore, après des
mois, à se renvoyer la balle.
|
Mevrouw Isabelle
Durant (ECOLO). – Ik ben uiteraard helemaal niet
gerustgesteld. Ik stel vast dat het pingpongspelletje voortgaat.
Het zou erg spijtig zijn dat op het einde van de regeerperiode
geen begin kan worden gemaakt met de eerste fase.
Ik hoop dat u
de informatie nog voor de budgetcontrole krijgt en dat vooral een
duidelijk signaal kan worden gegeven aan de thuisopvangers door
hun te garanderen dat hun statuut er geleidelijk zal komen. Dat
is onontbeerlijk om het aantal plaatsen te verhogen. Het is niet
erg bemoedigend voor de opvangers dat men mekaar na maanden nog
steeds de bal toespeelt.
|
|
Projet
de loi portant assentiment à l’Accord de
Stabilisation et d’Association entre les Communautés
européennes et leurs États membres, d’une
part, et la République d’Albanie, d’autre
part, et à l’Acte final, faits à Luxembourg
le 12 juin 2006 (Doc. 3-2026)
|
Wetsontwerp
houdende instemming met de Stabilisatie- en
Associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun
Lidstaten, enerzijds, en de Republiek Albanië, anderzijds,
en met de Slotakte, gedaan te Luxemburg op 12 juni 2006
(Stuk 3-2026)
|
|
Discussion
générale
|
Algemene
bespreking
|
|
Mme la présidente.
– M. Wille se réfère à son
rapport écrit.
|
De voorzitter. –
De heer Wille verwijst naar zijn schriftelijk verslag.
|
|
– La discussion générale
est close.
|
– De algemene bespreking is
gesloten.
|
|
Discussion
des articles
|
Artikelsgewijze
bespreking
|
|
(Le texte adopté par la
commission des Relations extérieures et de la Défense
est identique au texte du projet de loi. Voir document 3-2026/1.)
|
(De tekst aangenomen door de
commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de
Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp.
Zie stuk 3-2026/1.)
|
|
– Les articles 1er
et 2 sont adoptés sans observation.
– Il sera procédé
ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de
loi.
|
– De artikelen 1 en 2
worden zonder opmerking aangenomen.
– Over het wetsontwerp in
zijn geheel wordt later gestemd.
|
|
Projet
de loi portant assentiment au Protocole portant amendement à
la Convention européenne pour la répression du
terrorisme, fait à Strasbourg le 15 mai 2003
(Doc. 3-2033)
|
Wetsontwerp
houdende instemming met het Protocol tot wijziging van het
Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme, gedaan te
Straatsburg op 15 mei 2003 (Stuk 3-2033)
|
|
Discussion
générale
|
Algemene
bespreking
|
|
Mme Olga Zrihen (PS),
rapporteuse. – Je me réfère à mon
rapport écrit.
|
Mevrouw Olga Zrihen (PS),
rapporteur. – Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.
|
|
– La discussion générale
est close.
|
– De algemene bespreking is
gesloten.
|
|
Discussion
des articles
|
Artikelsgewijze
bespreking
|
|
(Le texte adopté par la
commission des Relations extérieures et de la Défense
est identique au texte du projet de loi. Voir document 3-2033/1.)
|
(De tekst aangenomen door de
commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de
Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp.
Zie stuk 3-2033/1.)
|
|
– Les articles 1er
à 3 sont adoptés sans observation.
– Il sera procédé
ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de
loi.
|
– De artikelen 1 tot 3
worden zonder opmerking aangenomen.
– Over het wetsontwerp in
zijn geheel wordt later gestemd.
|
|
Projet
de loi portant assentiment aux Actes internationaux suivants : 1º
Accord modifiant l’Accord de partenariat entre les membres
du Groupe des États d’Afrique, des Caraïbes et
du Pacifique, d’une part, et la Communauté
européenne et ses États membres, d’autre
part, signé à Cotonou le 23 juin 2000, et
à l’Acte final, faits à Luxembourg le
25 juin 2005 ; 2º Accord interne entre les
représentants des gouvernements des États membres,
réunis au sein du Conseil, modifiant l’Accord
interne du 18 septembre 2000 relatif aux mesures à
prendre et aux procédures à suivre pour la mise en
œuvre de l’Accord de partenariat ACP-CE, fait à
Luxembourg le 10 avril 2006 ; 3º Accord
interne entre les représentants des gouvernements des
États membres, réunis au sein du Conseil, relatif
au financement des aides de la Communauté au titre du
cadre financier pluriannuel pour la période 2008–2013
conformément à l’Accord de partenariat ACP-CE
et à l’affectation des aides financières
destinées aux pays et territoires d’outre-mer
auxquels s’appliquent les dispositions de la quatrième
partie du Traité CE, fait à Bruxelles le
17 juillet 2006 (Doc. 3-2034)
|
Wetsontwerp
houdende instemming met volgende Internationale Akten: 1º
Overeenkomst tot wijziging van de Partnerschapsovereenkomst
tussen de leden van de Groep van Afrika, het Caribisch gebied en
de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar
Lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000,
en met de Slotakte, gedaan te Luxemburg op 25 juni 2005; 2º
Intern Akkoord tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van
de Lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, houdende wijziging
van het Intern Akkoord van 18 september 2000 inzake
maatregelen en procedures voor de uitvoering van de
ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst, gedaan te Luxemburg op
10 april 2006; 3º Intern Akkoord tussen de
vertegenwoordigers van de regeringen van de Lidstaten, in het
kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de
steun van de Gemeenschap binnen het meerjarig financieel kader
voor 2008–2013 voor de ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst en
de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de
landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van
het EG-Verdrag van toepassing zijn, gedaan te Brussel op
17 juli 2006 (Stuk 3-2034)
|
|
Discussion
générale
|
Algemene
bespreking
|
|
M. Pierre Galand (PS),
rapporteur. – Le document législatif déposé
au Sénat est un projet de loi portant assentiment à
trois Actes internationaux relatifs au partenariat existant entre
les États membres de l’Union européenne et le
Groupe des États d’Afrique, des Caraïbes et du
Pacifique (ACP).
Comme vous le savez, le
23 juin 2000, l’Union européenne et les 77
pays ACP ont signé l’Accord de Cotonou marquant une
nouvelle étape dans les relations politiques et
économiques qui les lient depuis près de 40 ans.
L’Accord de Cotonou qui fait
suite à la Convention de Lomé, elle-même
consécutive à l’Accord de Yaoundé,
porte sur quatre axes :
Premièrement, le renforcement
de la dimension politique de la coopération – le
dialogue politique – notamment l’engagement des deux
parties – Union européenne et ACP – à
promouvoir un environnement politique stable et démocratique
en matière de droits de l’homme, de bonne
gouvernance, d’état de droit, etc.
Deuxièmement, l’amélioration
de la participation des acteurs étatiques et non
étatiques, c’est-à-dire l’approche
participative.
Troisièmement, l’amélioration
du système d’aide.
Quatrièmement,
l’établissement d’un régime commercial
compatible avec les règles de l’OMC à travers
la négociation d’accords de partenariat économiques,
APE. C’est certainement sur le plan commercial que l’Accord
de Cotonou introduit le changement le plus radical dans les
relations Union européenne-ACP. J’y reviendrai dans
un instant.
Entré en vigueur le
1er avril 2003, l’Accord de Cotonou a
été conclu pour une période de vingt ans et
est révisable tous les cinq ans. La première
révision quinquennale a pris fin récemment et a
donné lieu à la signature, le 25 juin 2005,
à Luxembourg, d’un « Accord modifiant
l’Accord de Cotonou signé en juin 2000 ».
Cet « Accord de Cotonou
révisé » constitue le premier des trois
documents inclus dans le projet de loi qui est soumis aujourd’hui
à l’assentiment du Sénat.
Comme le souligne le document
législatif, cette révision ne remet pas en question
l’acquis du partenariat ACP-Union européenne. Elle
vise « à rencontrer des nouveaux besoins
politiques et sécuritaires et à renouveler les
instruments de coopération financière ».
Autrement dit, les principales
modifications introduites par cet « Accord de Cotonou
révisé », par rapport à
l’original signé en 2000, ne concernent que trois
des quatre axes principaux de l’Accord de Cotonou que j’ai
cités précédemment, à savoir la
coopération politique, la participation des acteurs
étatiques et non étatiques et le volet aide au
développement. Aucune modification ne porte sur le volet
commercial.
Permettez-moi de citer les
principales modifications apportées par cet accord révisé,
et qui incluent notamment : la nouvelle procédure
pour le dialogue politique, le nouveau rôle attribué
aux parlements, les références aux Objectifs du
Millénaire pour le Développement, à la Cour
pénale internationale et à la lutte contre le
terrorisme, ainsi que l’adoption d’une clause de
non-prolifération des armes de destruction massive.
Un point positif concerne tout
particulièrement la référence à la
Cour pénale internationale, CPI. En effet, après
des négociations difficiles, les pays ACP ont finalement
accepté d’affirmer leur soutien à la CPI et
cela, malgré le fait que les États-Unis aient
menacé de représailles les États qui
souscriraient au Statut de Rome.
Deux autres documents sont inclus
dans ce projet de loi :
Tout d’abord, l’ « Accord
interne relatif aux procédures à suivre pour la
mise en œuvre de l’Accord modifiant l’Accord de
Cotonou ». Cet Accord concerne les mesures
transitoires couvrant la période allant de la date de
signature à la date d’entrée en vigueur de
l’accord révisé.
Enfin, le dernier document concerne
l’Accord relatif au dixième FED, c’est-à-dire
au financement des aides de l’Union européenne
vis-à-vis des ACP pour la période 2008-2013.
Cet Accord, signé à
Bruxelles le 17 juillet 2006, institue un dixième
FED, doté de 22.682 millions d’euros, dont 21.966
millions sont alloués au groupe ACP. La Belgique y
contribue à concurrence de 3,5%.
Cet accord interne financier comble
ainsi une lacune de l’ « Accord de Cotonou
révisé », signé un an plus tôt,
et qui ne fixe aucun montant pour le cadre financier pluriannuel.
Je voudrais à présent
évoquer les accords de partenariat économiques,
APE.
Je souhaiterais attirer votre
attention sur un certain nombre de points qui, à mon sens,
demeurent problématiques en ce qui concerne le volet
« Aide et Commerce de l’Accord de Cotonou ».
Tout d’abord, en ce qui
concerne le financement du développement, s’il
convient d’appuyer la ratification du 10ème
FED – c’est-à-dire l’enveloppe
financière qui sera accordée aux pays ACP pour la
période 2008-2013 –, le processus à
travers lequel les secteurs de concentration de l’aide sont
définis est fortement critiquable. En effet, la Commission
est parvenue à plusieurs reprises, contre l’avis de
leurs partenaires ACP, à imposer ses propres secteurs de
priorité pour l’allocation de l’aide, à
savoir la bonne gouvernance et la compétitivité, au
détriment d’autres secteurs comme la santé,
l’éducation et le développement rural. Or, la
Commission entend par « bonne gouvernance »
non seulement la promotion des droits de l’homme et de la
démocratie mais également la mise en place de
mesures visant à réguler l’immigration, à
lutter contre le terrorisme ou l’application de politiques
de libéralisation économique. Des pays comme
le Cameroun et la Jamaïque se sont plaints très
clairement de cette situation. En outre, 25% des aides, que la
Commission appelle « tranche incitative »,
sont directement conditionnées au respect du principe de
« bonne gouvernance ».
En ce qui concerne le volet
commerce, il est inquiétant de constater que l’Accord
révisé ne comporte aucune modification relative aux
Accords de Partenariat Économique qui sont pourtant le
volet le plus important de l’Accord de Cotonou. Ces Accords
de partenariat constituent un virage radical par rapport au
système de Lomé dans la mesure où
ils introduisent le principe de réciprocité dans
les relations commerciales entre l’Union européenne
et les États ACP. Ils ont pour objectif la mise en place,
à partir du premier janvier 2008, de programmes de
réduction des tarifs douaniers qui doivent mener
progressivement à la création d’une zone de
libre-échange entre l’Union et les pays ACP. Si
l’Europe considérait auparavant que le développement
autocentré des pays ACP devait leur permettre d’intégrer
à terme l’économie mondiale, elle fait
aujourd’hui le pari que c’est au contraire en
exposant rapidement ces pays à la concurrence
internationale qu’ils atteindront leur développement
économique et social.
Je ne vous cache pas, chers
collègues, qu’il s’agit selon moi d’un
pari fort risqué compte tenu de la différence de
développement entre les deux régions. Les pays ACP
sont d’ailleurs les premiers à exprimer leur crainte
quant à une libéralisation prématurée
de leurs économies. Depuis 2002, date à laquelle
ont débuté les négociations des Accords de
Partenariat Économique, ces pays ont demandé à
plusieurs reprises une extension au-delà de 2008 du délai
fixé pour la signature des APE. Malgré cela, la
Commission européenne s’entête et exerce
actuellement des pressions sur les régions ACP pour
conclure les négociations avant la fin 2007.
Si elle tient réellement à
promouvoir le développement économique et social
des pays ACP, la Belgique devra utiliser tous ses leviers
diplomatiques pour convaincre ses partenaires européens de
demander à l’OMC un prolongement de la dérogation
accordée par l’organisation internationale en 2001
qui autorise le maintien provisoire du régime préférentiel
de Lomé.
|
De heer Pierre
Galand (PS), rapporteur. – Deze in de Senaat ingediende
tekst betreft een wetsontwerp houdende instemming met drie
internationale akten betreffende het bestaande partnerschap
tussen de lidstaten van de Europese Unie en landen van Afrika,
het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS).
Op
23 juni 2000 hebben de Europese Unie en de 77
ACS-landen de Overeenkomst van Cotonou ondertekend. De
overeenkomst luidde een nieuwe fase in voor de politieke en
economische betrekkingen die zij al 40 jaar onderhouden.
De
Overeenkomst van Cotonou, die volgt op de Overeenkomst van Lomé
die op haar beurt de Overeenkomst van Yaoundé opvolgde,
rust op vier pijlers:
Allereerst de
versterking van de politieke dimensie van de samenwerking, de
politieke dialoog. De twee partijen, de Europese Unie en de ACS,
hebben zich verbonden tot de bevordering van een politiek
stabiele en democratische omgeving wat betreft de mensenrechten,
behoorlijk bestuur, de rechtsstaat en zo meer.
Ten tweede,
een sterkere betrokkenheid van de overheid en van de civiele
samenleving, met andere woorden de participatieve benadering.
Ten derde, de
verbetering van de hulpverlening.
Ten vierde,
een handelsregime dat overeenstemt met de WTO-regels en dat
gebruik maakt van economische partnerschapsovereenkomsten (EPA).
Zeker op handelsvlak brengt de Overeenkomst van Cotonou een
radicale verandering teweeg in de betrekkingen EU-ACS.
De
Overeenkomst van Cotonou, die op 1 april 2003 in
werking trad, werd gesloten voor twintig jaar met de mogelijkheid
van een vijfjaarlijkse herziening. De eerste herziening, namelijk
de Overeenkomst tot wijziging van de Overeenkomst van Cotonou van
juni 2000, werd onlangs afgerond en werd op 25 juni 2005
in Luxemburg ondertekend.
De herziene
Overeenkomst van Cotonou is de eerste van de drie teksten van het
wetsontwerp dat vandaag aan de Senaat ter goedkeuring wordt
voorgelegd.
De herziening
stelt het acquis van het partnerschap ACS-EG niet ter discussie.
Zij is gericht op ‘het afbakenen van nieuwe noden op het
gebied van politiek en veiligheid en het vernieuwen van de
instrumenten voor financiële samenwerking’.
Met andere
woorden, de belangrijkste wijzigingen die deze herziening
aanbrengt in de oorspronkelijke overeenkomst van 2000, hebben
slechts betrekking op drie van vier eerder genoemde pijlers van
de overeenkomst, namelijk de politieke samenwerking, de
betrokkenheid van de overheid en van de civiele samenleving en de
ontwikkelingshulp. Het handelsgedeelte wordt niet gewijzigd.
De
belangrijkste wijzigingen die door het herziene akkoord worden
aangebracht, zijn de nieuwe procedure voor de politieke dialoog,
de nieuwe rol die aan de parlementen wordt toebedeeld, de
verwijzing naar de millenniumdoelstellingen, het internationaal
strafhof en de strijd tegen het terrorisme, de goedkeuring van
een non-proliferatieclausule voor massavernietigingswapens.
Positief is
vooral de verwijzing naar het Internationaal strafhof. Na
moeilijke onderhandelingen hebben de ACS-landen uiteindelijk het
Internationaal strafhof aanvaard, ondanks de represailles waarmee
de Verenigde Staten hadden gedreigd tegen de staten die het
statuut van Rome zouden ondertekenen.
Het
wetsontwerp omvat nog twee andere teksten:
Allereerst het
Intern Akkoord betreffende de procedures voor de
tenuitvoerlegging van de Overeenkomst tot wijziging van de
Overeenkomst van Cotonou. Het Akkoord heeft betrekking op de
overgangsmaatregelen die van toepassing zijn tussen de datum van
ondertekening en de datum van inwerkingtreding van de herziene
overeenkomst.
De derde tekst
heeft betrekking op het Akkoord betreffende de financiering van
de steun van de Europese Unie ten behoeve van de ACS voor de
periode 2008-2013. Dankzij dit Akkoord, dat op 17 juli 2006
in Brussel werd ondertekend, komt er een 10de EOF met
22.682 miljoen euro, waarvan 21.966 euro bestemd is voor de
ACS-landen. De Belgische bijdrage beloopt 3,5%.
Het intern
financieel akkoord vult een hiaat op in de herziene Overeenkomst
van Cotonou die één jaar eerder werd ondertekend en
waarin geen bedrag werd vastgelegd voor het meerjarig financieel
samenwerkingskader.
De economische
partnerschapsovereenkomsten, meer bepaald het gedeelte
ontwikkelingshulp en handel van de Overeenkomst van Cotonou, doet
bij mij enkele vragen rijzen.
Hoewel wij
instemmen met de goedkeuring van het 10de EOF –
het bedrag dat van 2008 tot 2013 aan de ACS-landen zal worden
toegekend –, is de procedure die zal worden gevolgd om
te bepalen op welke de sectoren de hulp zich zal concentreren,
voor veel kritiek vatbaar. De Commissie is erin geslaagd om,
tegen het advies van haar ACS-partners in, haar eigen prioritaire
sectoren voor ontwikkelingshulp op te leggen, namelijk goed
bestuur en concurrentievermogen, ten koste van andere sectoren
zoals gezondheid, onderwijs en plattelandsontwikkeling. Onder
goed bestuur verstaat de Commissie niet alleen de bevordering van
de rechten van de mens en van de democratie, maar ook maatregelen
om de immigratie te regelen, het terrorisme te bestrijden en een
beleid van economische liberalisering. Kameroen en Jamaica hebben
dat uitdrukkelijk aan de kaak gesteld. Bovendien is 25% van de
hulp die de Commissie de incitatieve tranche noemt, rechtstreeks
gebonden aan de naleving van het principe van goed bestuur.
Wat het
handelsgedeelte betreft, vind ik het verontrustend dat de
herziene Overeenkomst geen enkele wijziging inhoudt van de
Economische Partnerschapsovereenkomsten die nochtans het
belangrijkste element zijn van de Overeenkomst van Cotonou. De
Partnerschapsovereenkomsten betekenen een radicale ommekeer
vergeleken met Lomé, omdat zij het wederkerigheidsbeginsel
invoeren in de handelsrelaties tussen de Europese Unie en de
ACS-landen. Het is de bedoeling om vanaf 1 januari 2008
een geleidelijke vermindering van de douanetarieven door te
voeren om uiteindelijk tot een vrijhandelszone tussen de Unie en
de ACS-landen te komen. Meende Europa vroeger dat de ACS-landen
zich eerst zelf moesten ontwikkelen alvorens zij aan de
wereldeconomie konden deelnemen, dan gaat het er nu van uit dat
de economische en sociale ontwikkeling van die landen gebaat is
bij een snelle blootstelling aan de internationale concurrentie.
Ik vind dit
een bijzonder gewaagde gok, rekening houdend met het verschil in
ontwikkeling tussen de beide regio’s. De ACS-landen hebben
overigens als eerste hun vrees uitgedrukt voor een voorbarige
liberalisering van hun economieën. Sinds het begin van de
onderhandelingen over de Economische Partnerschapsovereenkomsten
in 2002 hebben zij meermaals gevraagd de ondertekening van de
EPA’s tot na 2008 uit te stellen. De Europese Commissie
heeft desondanks het been stijf gehouden en zet nu de ACS-landen
onder druk om de onderhandelingen voor eind 2007 af te ronden.
Als België
de economische en sociale ontwikkeling van de ACS-landen
daadwerkelijk wil ondersteunen, zal het alle diplomatieke
hefbomen moeten gebruiken om zijn Europese partners ervan te
overtuigen een verlenging te vragen van de afwijking die de WTO
in 2001 toekende om het preferentiële stelsel van Lomé
voorlopig te behouden.
|
|
Mme la présidente.
– Les ratifications donnent le plus souvent lieu à
des interventions convenues mais l’enthousiasme de
M. Galand à l’égard de ce traité
est contagieux. Je le remercie pour son brillant exposé.
|
De
voorzitter. – Ratificaties geven meestal aanleiding tot
een gewone toelichting. Het enthousiasme van de heer Galand
in verband met dit ontwerp is echter aanstekelijk. Ik dank hem
voor zijn briljante uiteenzetting.
|
|
– La discussion générale
est close.
|
– De algemene bespreking is
gesloten.
|
|
Discussion
des articles
|
Artikelsgewijze
bespreking
|
|
(Le texte adopté par la
commission des Relations extérieures et de la Défense
est identique au texte du projet de loi. Voir document 3-2034/1.)
|
(De tekst aangenomen door de
commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de
Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp.
Zie stuk 3-2034/1.)
|
|
– Les articles 1er
à 4 sont adoptés sans observation.
– Il sera procédé
ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de
loi.
|
– De artikelen 1 tot 4
worden zonder opmerking aangenomen.
– Over het wetsontwerp in
zijn geheel wordt later gestemd.
|
|
Projet
de loi portant assentiment aux Actes internationaux suivants : 1º
le Septième Protocole additionnel à la Constitution
de l’Union postale universelle ; 2º le
Règlement général de l’Union postale
universelle ; 3º la Convention postale universelle
et le Protocole final, et 4º l’Arrangement
concernant les services de paiement de la poste, faits à
Bucarest le 5 octobre 2004 (Doc. 3-2078)
|
Wetsontwerp
houdende instemming met de volgende Internationale Akten: 1º
het Zevende Protocol ter aanvulling van de Stichtingsakte van de
Wereldpostvereniging; 2º het Algemeen Reglement van de
Wereldpostvereniging; 3º de Wereldpostconventie en het
Slotprotocol, en 4º de Overeenkomst betreffende de
uitbetalingsdiensten van de post, gedaan te Boekarest op
5 oktober 2004 (Stuk 3-2078)
|
|
Discussion
générale
|
Algemene
bespreking
|
|
Mme Olga Zrihen (PS),
rapporteuse. – Je me réfère à mon
rapport écrit.
|
Mevrouw Olga
Zrihen (PS), rapporteur. – Ik verwijs naar mijn
schriftelijk verslag.
|
|
M. Jurgen
Ceder (VL. BELANG). – Nous nous abstiendrons lors
du vote de ce projet. Le Conseil d’État indique en
effet que l’article 15 de la Convention postale
universelle est contraire à l’article 25 de la
Constitution quant à l’interdiction de la censure
préventive. Le Conseil d’État se réfère
explicitement à un arrêt qui ne nous est pas
inconnu : l’arrêt Frank Vanhecke contre La Poste
et l’État belge.
Nous nous
opposons à ce que l’on porte atteinte de quelque
manière que ce soit à cette jurisprudence.
|
De heer Jurgen Ceder
(VL. BELANG). – We zullen ons bij de stemming over
dit ontwerp onthouden. De Raad van State zegt namelijk dat
artikel 15 van de Wereldpostconventie in strijd is met
artikel 25 van de Grondwet over het verbod op preventieve
censuur. De Raad van State verwijst daarbij expliciet naar een
arrest dat onze partij niet onbekend is; het arrest Frank
Vanhecke tegen De Post en de Belgische Staat.
Wij verzetten ons ertegen dat deze
rechtspraak op enige manier wordt aangetast.
|
|
– La discussion générale
est close.
|
– De algemene bespreking is
gesloten.
|
|
Discussion
des articles
|
Artikelsgewijze
bespreking
|
|
(Le texte adopté par la
commission des Relations extérieures et de la Défense
est identique au texte du projet de loi. Voir document 3-2078/1.)
|
(De tekst aangenomen door de
commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de
Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp.
Zie stuk 3-2078/1.)
|
|
– Les articles 1er
et 2 sont adoptés sans observation.
– Il sera procédé
ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de
loi.
|
– De artikelen 1 en 2
worden zonder opmerking aangenomen.
– Over het wetsontwerp in
zijn geheel wordt later gestemd.
|
|
Questions
orales
|
Mondelinge
vragen
|
|
Question
orale de M. Jean Cornil au vice-premier ministre et ministre
de l’Intérieur sur «la situation des
ressortissants d’Afghanistan en Belgique» (nº 3-1438)
|
Mondelinge
vraag van de heer Jean Cornil aan de
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de
situatie van de Afghaanse staatsburgers in België»
(nr. 3-1438)
|
|
M. Jean Cornil (PS). –
En 2003, votre administration a pris, en accord avec le
gouvernement, une circulaire visant à résoudre le
problème des Afghans. Selon cette circulaire, qui n’a
pas été publiée au Moniteur belge,
mais que j’ai retrouvée, tous les Afghans arrivés
avant le 1er janvier 2003 reçoivent
des droits de séjour temporaire renouvelable de six mois
en six mois et sont régularisés quand leur séjour
en Belgique atteint trois ou quatre années. Une autre
circulaire, prise par le ministre de l’Emploi, leur donne
également le droit de travailler.
Depuis, votre administration a
repris la même circulaire tous les six mois et ce, jusqu’à
ce jour.
Pourquoi cette mesure ne
concerne-t-elle que les Afghans arrivés avant le
1er janvier 2003, alors qu’elle est
prise sur la base d’une évaluation de la sécurité
en Afghanistan ?
La situation de danger en cas de
retour est-elle différente selon que le ressortissant
afghan est arrivé en Belgique avant ou après le
1er janvier 2003 ?
Selon le rapport du Conseil de
sécurité des Nations unies du 11 septembre 2006,
la situation en Afghanistan n’a pas cessé d’empirer
ces dernières années, mais la fin 2006 marque un
tournant, la situation n’ayant jamais été
aussi inquiétante. Hier, le journal français
Libération titrait : « L’Afghanistan
tremble ». Je suppose que vous êtes parfaitement
informé de la situation, puisque des troupes belges se
trouvent sur place.
Pourquoi n’appliquez-vous pas
la même mesure aux ressortissants afghans, qu’ils
soient arrivés avant ou après 2003 ? Pourquoi
la nouvelle loi – que je salue encore une fois –
relative à la protection subsidiaire ne s’applique-t-elle
pas à ces personnes ? J’imagine que le
gouvernement n’a pas l’intention de renvoyer
celles-ci en Afghanistan.
Par ailleurs, avez-vous déjà
réalisé une première évaluation de
cette loi relative à la protection subsidiaire ?
|
De heer Jean
Cornil (PS). – In 2003 heeft Binnenlandse Zaken met
instemming van de regering een rondzendbrief opgesteld om het
probleem van de Afghanen op te lossen. Afghanen die voor
1 januari 2003 in België zijn binnengekomen
krijgen een tijdelijke verblijfsvergunning die om de zes maanden
kan worden verlengd. Wanneer ze drie of vier jaar in België
verblijven worden ze geregulariseerd. Een rondzendbrief van de
minister van Werk kent hun ook het recht toe om te werken.
Binnenlandse
Zaken heeft die rondzendbrief tot op heden om de zes maanden
hernieuwd.
Waarom geldt
die maatregel alleen voor de Afghanen die voor 1 januari 2003
zijn binnengekomen, hoewel hij werd genomen op basis van een
evaluatie van de veiligheidssituatie in Afghanistan?
Is die
veiligheidssituatie in geval van terugkeer verschillend voor
Afghaanse staatsburgers die voor of na 1 januari 2003
in België zijn aangekomen?
Volgens het
rapport van de VN-Veiligheidsraad van 11 september 2006
is de toestand in Afghanistan de afgelopen jaren enkel maar
verslechterd. Ik neem aan dat de minister weet hoe slecht de
toestand is aangezien er ook Belgische militairen ter plaatse
zijn.
Waarom geldt
de maatregel niet voor alle Afghaanse staatsburgers, ongeacht het
tijdstip waarop ze zijn aangekomen? Waarom geldt de nieuwe wet
betreffende de subsidiaire bescherming, die ik ten volle steun,
niet voor die mensen? Ik neem aan dat de regering niet de
bedoeling heeft hen naar Afghanistan terug te sturen.
Werd er al een
eerste evaluatie van de wet betreffende de subsidiaire
bescherming uitgevoerd?
|
|
M. Patrick Dewael,
vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur. –
Compte tenu de la situation d’insécurité qui
prévalait en Afghanistan en 2003, j’ai de fait, à
l’époque, décidé d’accorder une
protection de type subsidiaire aux demandeurs d’asile
afghans qui n’avaient pas été reconnus comme
réfugiés. Ensuite, j’ai fait évaluer
la situation sur le terrain tous les six mois. Sur la base des
informations qui me sont parvenues, j’ai prolongé le
séjour de ces personnes. Par la loi du 15 septembre 2006
modifiant la loi sur les étrangers, le statut de
protection temporaire a été inscrit dans la loi. Ce
statut est accordé par le Commissaire général
aux réfugiés depuis le 10 octobre 2006.
Il ne m’appartient plus, dès lors, d’accorder
ce type de protection.
Les ressortissants afghans arrivés
en Belgique avant le 1er janvier 2003 y
résident entre-temps depuis plus de quatre ans de façon
légale. J’ai donc régularisé leur
situation de séjour. Les personnes arrivées après
le 1er janvier 2003 peuvent encore obtenir
sans problème une décision de la part du
commissaire général dans des délais
raisonnables ou peuvent invoquer les mesures transitoires prévues
par la loi.
Il me semble prématuré
d’évaluer les dispositions légales en matière
de protection subsidiaire. Cette évaluation ne me paraît
pas utile avant un an.
|
De heer Patrick
Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse
Zaken. – In 2003 was de situatie in Afghanistan zo onveilig
dat ik heb beslist een soort van subsidiaire bescherming toe te
kennen aan Afghaanse asielzoekers die niet als vluchteling waren
erkend. Sindsdien laat ik de toestand om de zes maanden
evalueren. Op basis van de mij verstrekte informatie heb ik het
verblijf van de betrokken asielzoekers verlengd. Bij de wet van
15 september 2006 tot wijziging van de vreemdelingenwet
werd het statuut van tijdelijke bescherming in de wet
ingeschreven. Dat statuut wordt sinds 10 oktober 2006
door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen toegekend, en
dus niet langer door mij.
De Afghaanse
staatsburgers die voor 1 januari 2003 in België
zijn aangekomen, verblijven inmiddels al meer dan vier jaar
wettelijk in ons land. Ik heb hun verblijf dus geregulariseerd.
De mensen die na 1 januari 2003 zijn aangekomen, kunnen
nog binnen een redelijke termijn een beslissing van de
commissaris-generaal ontvangen of de overgangsmaatregelen
inroepen waarin de wet voorziet.
Het lijkt me
voorbarig de regeling inzake de subsidiaire bescherming nu al te
evalueren.
|
|
M. Jean Cornil (PS). –
Comme vous le savez, monsieur le ministre, un mouvement se
manifeste actuellement dans la société civile, en
raison d’une grève de la faim menée par des
ressortissants afghans à l’Église des Minimes
de Bruxelles. Ces personnes affirment ne pouvoir bénéficier
ni du statut prévu par la circulaire ni du statut de
protection subsidiaire. Or, selon votre réponse, les
ressortissants afghans pourraient en faire la demande et
éventuellement l’obtenir. Je vais donc leur
communiquer vos propos.
|
De heer Jean
Cornil (PS). – Zoals de minister weet, houden Afghaanse
staatsburgers een hongerstaking in de Miniemenkerk te Brussel.
Die mensen zeggen dat ze noch voor het statuut van de
rondzendbrief, noch voor de subsidiaire bescherming in aanmerking
komen. Volgens de minister kunnen ze toch met succes een aanvraag
indienen. Ik zal hun dat meedelen.
|
|
M. Patrick Dewael,
vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur. –
Je souligne tout de même que ma réponse est d’ordre
général. La séance plénière du
Sénat n’est pas l’endroit approprié
pour répondre aux cas individuels que vous évoquez,
mais mon administration est à la disposition de chacun
pour examiner les dossiers concrètement.
|
De heer Patrick
Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse
Zaken. – Ik benadruk dat ik een algemeen antwoord heb
gegeven. Ik geef in de plenaire vergadering van de Senaat geen
commentaar over individuele gevallen. Voor informatie over
concrete dossiers kan men zich tot mijn administratie wenden.
|
|
Question
orale de Mme Christine Defraigne au vice-premier ministre et
ministre de l’Intérieur sur «le droit de vote
des Belges résidant à l’étranger»
(nº 3-1446)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Christine Defraigne aan de
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «het
stemrecht van de Belgen die in het buitenland verblijven»
(nr. 3-1446)
|
|
Mme Christine Defraigne
(MR). – En début de semaine, la presse s’est
fait l’écho des déclarations de Mme Lizin
s’exprimant en qualité d’élue du parti
socialiste et de future tête liste du même parti aux
prochaines élections sénatoriales. L’élue
et candidate socialiste critiquait la mise en œuvre du
droit de vote des Belges de l’étranger qui aurait,
voici quatre ans, généré une injustice.
Il est ainsi relaté que
« furent affectées à l’arrondissement
de Huy-Waremme toutes les voix des Belges votant de l’étranger ».
J’ignore si la presse a mal résumé ces
propos, mais l’apport de ces électeurs à la
province de Liège – électeurs votant
majoritairement MR – aurait, selon Mme Lizin,
complètement tronqué les résultats des
élections et coûté un siège au PS. Je
suppose qu’il s’agit d’un siège à
la Chambre des représentants.
Monsieur le ministre, y a-t-il eu
une injustice ? Dans l’affirmative, y a-t-on remédié ?
J’ai cru percevoir, dans les propos de l’intéressée,
des reproches à peine voilés à l’égard
du précédent ministre de l’Intérieur.
Pour ma part, j’ai des
difficultés à croire que tout le poids électoral
des Belges résidant à l’étranger ait
réellement reposé sur la province de Liège,
et plus particulièrement sur cet arrondissement de
Huy-Waremme que tout le monde nous envie. Les Belges de
l’étranger ont-ils choisi de s’inscrire dans
la province de Liège ?
En 2003, 114.000 Belges de
l’étranger s’étaient inscrits au vote.
Où en est-on actuellement, dans la perspective des
prochaines élections de 2007 ?
|
Mevrouw Christine
Defraigne (MR). – Begin deze week maakte de pers
melding van verklaringen van mevrouw Lizin als gekozene van
de socialistische partij en lijsttrekker van die partij voor de
Senaatsverkiezingen. Zij had kritiek op de uitoefening van het
stemrecht van de Belgen in het buitenland, die vier jaar geleden
een onbillijk gevolg zou hebben gehad.
Zij zou hebben
gezegd dat alle stemmen van Belgen in het buitenland, werden
toegekend aan het arrondissement Hoei-Borgworm. Ik weet niet of
de pers haar woorden verkeerd heeft weergegeven, maar de stemmen
van deze kiezers – die hoofdzakelijk voor de MR stemmen –,
zouden volgens mevrouw Lizin de verkiezingsuitslagen in de
provincie Luik volledig hebben vervormd en de PS een zetel hebben
gekost. Ik neem aan dat het om een Kamerzetel gaat.
Mijnheer de
minister, was hier sprake van een onrecht? Zo ja, werd dat
rechtgezet? Ik meen in de woorden van betrokkene een nauwelijks
verheeld verwijt te zien aan het adres van de vorige minister van
Binnenlandse Zaken.
Zelf kan ik
moeilijk geloven dat de Belgen in het buitenland zo’n
electoraal gewicht hebben gehad in de provincie Luik en meer
bepaald in het arrondissement Hoei-Borgworm. Hebben alle Belgen
in het buitenland er misschien voor gekozen zich in de provincie
Luik in te schrijven?
In 2003 hebben
114.000 Belgen in het buitenland zich voor de verkiezingen
ingeschreven. Wat is de toestand nu, in het vooruitzicht van de
verkiezingen van 2007?
|
|
M. Patrick Dewael,
vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur. –
J’invite tout d’abord tous les parlementaires à
consulter le site internet de mon département, responsable
de l’organisation des élections, et en particulier
le tableau reprenant par commune les inscriptions comme électeurs
des Belges résidant à l’étranger lors
des élections législatives fédérales
du 18 mai 2003. Un tableau équivalent pour les
élections du 10 juin est en outre accessible sur le
même site.
Il ressort de ce tableau que
283 Belges résidant à l’étranger
ont choisi, en 2003, la commune de Huy comme commune de
rattachement, sur un total de 13.238 électeurs belges
à l’étranger pour les communes de l’ensemble
de la province de Liège.
L’injustice dont l’article
de La Dernière Heure s’est fait
l’écho s’explique vraisemblablement par le
fait que, si l’on consulte les résultats des
élections, on constate que c’est dans le canton de
Huy qu’ont été dépouillés les
bulletins des Belges à l’étranger qui avaient
choisi de voter par correspondance en tant qu’électeur
inscrit dans une commune de la province de Liège.
L’article 180 du Code
électoral dispose en effet que les votes par
correspondance pour chaque circonscription sont dépouillés
par les bureaux de dépouillement du canton dont fait
partie la commune chef-lieu de la circonscription.
Cependant, si ce canton est
entièrement automatisé, comme c’est le cas en
l’occurrence du canton de Liège ou du canton
d’Anvers, le président du bureau principal de
circonscription pour l’élection de la Chambre et de
la province pour l’élection du Sénat désigne
un autre canton non automatisé pour procéder au
dépouillement de ces bulletins.
Ainsi, notamment, les 6.338 votes
par correspondance déposés pour la circonscription
de Liège ont-ils été dépouillés
par les bureaux de dépouillement du canton de Huy. Ces
résultats cantonaux ont ensuite été repris
dans le total des 650.000 votes émis pour la
circonscription de Liège en vue de la répartition
des sièges.
Un procédé identique
est mis en œuvre dans chaque circonscription. Cette
modalité est prévue dans la loi elle-même.
L’affirmation selon laquelle mon prédécesseur
aurait pris un arrêté ministériel en ce sens
est donc inexacte. Dans la circonscription d’Anvers, par
exemple, c’est le canton de Lierre qui a procédé
au dépouillement des 7.378 votes par correspondance
déposés pour cette circonscription.
Les votes des électeurs qui
expriment leur suffrage par correspondance sont donc
comptabilisés au niveau de l’ensemble de la
circonscription.
|
De heer Patrick
Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse
Zaken. – Ik nodig de parlementsleden uit de website te
raadplegen van mijn departement, dat verantwoordelijk is voor de
organisatie van de verkiezingen, en meer bepaald de tabel die per
gemeente het aantal Belgen in het buitenland weergeeft die zich
als kiezer voor de federale wetgevende verkiezingen van
18 mei 2003 hebben ingeschreven. Zij vinden er ook een
tabel voor de verkiezingen van 10 juni.
Uit de tabel
blijkt dat 283 Belgen in het buitenland zich in 2003 in de
gemeente Hoei hebben ingeschreven op een totaal van 13.238 voor
de provincie Luik.
De
onbillijkheid waarover La Dernière Heure
het heeft, kan waarschijnlijk worden verklaard door het feit dat
uit de verkiezingsresultaten blijkt dat in het kanton Hoei de
stembiljetten werden opgenomen van de Belgen in het buitenland
die per briefwisseling stemden en ingeschreven waren in een
gemeente van de provincie Luik.
Artikel 180
van het Kieswetboek bepaalt dat de stemmen die per briefwisseling
zijn uitgebracht, voor elk kiesdistrict geteld worden door de
stemopnemingsbureaus van het kanton waarvan de
hoofdplaatsgemeente van de kieskring deel uitmaakt.
Als dat kanton
echter volledig geautomatiseerd is, zoals bijvoorbeeld het geval
is in het kanton Luik of het kanton Antwerpen, wijst de
voorzitter van het kieskringhoofdbureau voor de verkiezingen van
de Kamer en van het provinciebureau voor de verkiezingen van de
Senaat, een ander, niet geautomatiseerd kanton aan om die
stembiljetten op te nemen.
Zo werden
6.338 stemmen per briefwisseling die bestemd waren voor de
kieskring Luik, door de stemopnemingsbureaus van het kanton Hoei
geteld. De kantonale resultaten werden vervolgens bij de 650.000
stemmen geteld die waren uitgebracht voor de kieskring Luik met
het oog op de zetelverdeling.
Deze
procedure, die is opgenomen in de wet, geldt voor elke kieskring.
De bewering dat mijn voorganger een ministerieel besluit in die
zin zou hebben uitgevaardigd, is dus niet juist. In de kieskring
Antwerpen, bijvoorbeeld, heeft het kanton Lier de 7.378 stemmen
geteld die per briefwisseling in de kieskring waren uitgebracht,.
De per
briefwisseling uitgebrachte stemmen worden dus toebedeeld aan de
gehele kieskring.
|
|
Mme Christine Defraigne
(MR). – Cela ne change donc rien du tout. Le ministre
nous a donné un éclaircissement. La localisation
géographique du dépouillement n’a aucune
incidence sur le nombre de suffrages émis et sur la
comptabilisation des votes. Il n’y a donc pas d’injustice
et le procès d’intention fait au prédécesseur
du ministre est infondé. Il est bon de lui rendre justice.
|
Mevrouw Christine
Defraigne (MR). – Er verandert dus helemaal niets. De
minister heeft duidelijkheid verschaft. De plaats waar de
stemopneming gebeurt, heeft geen enkele invloed op het aantal
uitgebrachte stemmen en op de verrekening van die stemmen. Er is
dus geen sprake van onbillijkheid en de beschuldigingen aan het
adres van de vorige minister van Binnenlandse Zaken zijn dus
ongegrond. Dat misverstand is hiermee rechtgezet.
|
|
Question
orale de M. Lionel Vandenberghe au ministre des Affaires
étrangères sur «la situation au Kurdistan
turc» (nº 3-1444)
|
Mondelinge
vraag van de heer Lionel Vandenberghe aan de minister
van Buitenlandse Zaken over «de situatie in Turks
Koerdistan» (nr. 3-1444)
|
|
Mme la présidente.
– M. Bruno Tuybens, secrétaire d’État
aux Entreprises publiques, adjoint à la ministre du Budget
et de la Protection de la consommation, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor
Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en
Consumentenzaken, antwoordt.
|
|
M. Lionel
Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – J’ai déjà
interrogé précédemment le ministre des
Affaires étrangères sur la situation au Kurdistan
turc.
Aujourd’hui,
les tensions ont repris. Non seulement une discussion a surgi à
propos de la santé du leader du PKK Abdullah Öcalan,
mais plusieurs cadres et bourgmestres du DTP pro-kurde, le parti
kurde pour une société démocratique, ont été
arrêtés à l’occasion du Newroz, la fête
kurde du printemps.
Les avocats
d’Öcalan ont fait savoir, lors d’une conférence
de presse donnée à Rome le 1er mars 2007,
que leur client souffrait vraisemblablement d’un
empoisonnement chronique. Les avocats ont confié des
cheveux d’Öcalan à un laboratoire français
et le docteur Kintz y a découvert des concentrations
anormalement élevées de chrome et de strontium, ce
qui indique un empoisonnement chronique. Nous nous souvenons
également du diplomate russe empoisonné à
Londres. Le docteur Kintz estime qu’il faut de toute
urgence vérifier cette conclusion par un examen général
et par une analyse biologique du sang et des cheveux. Les
conclusions du laboratoire français ont été
confirmées par des laboratoires en Suède et à
Rome.
Entre-temps,
le gouvernement turc a déjà chargé une
délégation médicale d’examiner et de
stabiliser l’état physique d’Öcalan.
D’après ces médecins, il est à présent
en bonne santé.
Le ministre
estime-t-il comme moi qu’Öcalan doit être soumis
à un examen médical complet réalisé
par une délégation médicale indépendante
afin de connaître son véritable état de
santé ?
Insistera-t-il
auprès du Comité européen pour la prévention
de la torture (CPT) pour qu’une équipe médicale
indépendante soit envoyée sur place ?
Plusieurs
cadres et bourgmestres du DTP au Kurdistan turc sont poursuivis.
Abdullah Demirbaş, le
bourgmestre du district Sûr, Diyarbakır, ainsi que le
chef du DTP de la province de Van et Hilmi Aydoğdu, un
leader du DTP, ont été arrêtés, le
dernier pour avoir déclaré que l’attaque
militaire de Kirkouk visait Diyarbakır. Le ministre turc de
l’Intérieur a même suggéré que
la Cour suprême turque démette Abdullah Demirbaş
de ses fonctions pour qu’il puisse être incarcéré.
Les autorités turques essaient probablement de perturber
les festivités du Newroz et de décourager les
participants.
Le ministre
abordera-t-il ce sujet avec les autorités turques ?
L’Union
européenne évoquera-t-elle cette question dans le
cadre des négociations d’adhésion ?
|
De heer Lionel
Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Ik heb de minister van
Buitenlandse Zaken al eerder vragen gesteld over de situatie in
Turks Koerdistan.
Vandaag lopen de spanningen er
opnieuw op. Niet alleen is er een discussie gerezen over de
gezondheid van PKK-leider Abdullah Öcalan, maar ook werden
met de Newrozvieringen – het grote Koerdische lentefeest –
in het vooruitzicht verschillende kaderleden en burgemeesters van
de pro-Koerdische DTP – de Partij voor een Democratische
Samenleving – aangehouden.
Op 1 maart 2007 deelden de
advocaten van Öcalan op een persconferentie in Rome mee dat
hun cliënt blijkbaar chronisch vergiftigd wordt. De
advocaten hebben haartjes van Öcalan aan een Frans
laboratorium bezorgd. Uit het onderzoek van dokter Kintz blijkt
dat die haartjes abnormaal hoge concentraties chromium en
strontium bevatten, wat wijst op chronische vergiftiging. We
herinneren ons ook het geval van de Russische diplomaat in
Londen. Volgens dokter Kintz moet deze vaststelling dringend
worden nagetrokken, zowel met een algemeen onderzoek als met een
biologisch onderzoek van het bloed en het haar. De vaststellingen
van het Franse laboratorium werden door laboratoria in Zweden en
in Rome bevestigd.
Ondertussen heeft de Turkse regering
al een Turkse medische delegatie aangesteld om de fysieke
toestand van Öcalan te onderzoeken en te stabiliseren.
Volgens deze artsen verkeert Öcalan nu in goede gezondheid.
Is de minister het met mij eens dat
Öcalan door een onafhankelijke medische delegatie volledig
moet worden onderzocht om zo zijn ware gezondheidstoestand te
kennen?
Zal hij er bij het Committee for
the Prevention of Torture (CPT) van de Raad van Europa op
aandringen dat een onafhankelijk doktersteam wordt gestuurd?
Verschillende kaderleden en
burgemeesters van de DTP in Turks Koerdistan worden vervolgd.
Abdullah Demirbaş, de
burgemeester van het district Sûr, Diyarbakır, alsook
de DTP-leider van de provincie Van en de DTP-leider Hilmi Aydoğdu
van de afdeling Diyarbakır werden aangehouden. De laatste
omdat hij zei dat de Turkse militaire aanval op Kirkoek een
aanval op Diyarbakır
was. De Turkse minister van Binnenlandse Zaken suggereerde het
Turkse Hooggerechtshof zelfs om Abdullah Demirbaş uit zijn
functie te ontzetten, zodat hij kan gevangen genomen worden.
Vermoedelijk probeert de Turkse overheid zo de organisatie van de
Newrozfestiviteiten te bemoeilijken en deelname aan de
Newrozvieringen te ontmoedigen.
Zal de minister de Turkse overheid
hierover aanspreken?
Spreekt de Europese Unie Turkije
hierover aan in het kader van de toetredingsgesprekken?
|
|
M. Pierre Galand (PS). –
Je tiens à appuyer cette question parce qu’elle est
extrêmement importante. Il y va de la survie d’une
série de gens au Kurdistan. Nous avons le moyen
d’intervenir et notre ministre doit à tout prix être
alerté.
|
De heer Pierre
Galand (PS). – Ik steun deze vraag, want ze is
bijzonder belangrijk. Een aantal mensen in Koerdistan worden
immers in hun bestaan bedreigd. We hebben de mogelijkheid om
tussenbeide te komen en onze minister moet absoluut op de hoogte
worden gebracht.
|
|
M. Bruno
Tuybens, secrétaire d’État aux
Entreprises publiques, adjoint à la ministre du Budget et
de la Protection de la consommation. – Je vous lis la
réponse du ministre des Affaires étrangères.
Nous n’avons
aucune raison de mettre en doute l’indépendance et
l’intégrité des médecins turcs. À
la suite de la plainte des avocats d’Öcalan, les
autorités turques ont lancé une enquête et
chargé quatre experts toxicologues légistes
d’examiner Öcalan. Les autorités turques
démentent qu’Öcalan aurait été
empoisonné et soulignent qu’il bénéficie
de la même protection et des mêmes droits que les
autres détenus, notamment des check-up médicaux
réguliers. À ce jour, Öcalan a toujours obtenu
une medical clearance.
Nous suivons
de près la situation dans le sud-est de la Turquie et
sommes au courant des arrestations de certains membres du DTP. La
Commission européenne suit attentivement, comme les États
membres, l’évolution des droits de l’homme en
Turquie dans le cadre des négociations d’adhésion.
Nous espérons que la présidence allemande mettra
cette question à l’ordre du jour.
|
De heer Bruno Tuybens,
staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de
minister van Begroting en Consumentenzaken. – Ik lees het
antwoord van de minister van Buitenlandse Zaken.
Wij hebben geen reden om de
onafhankelijkheid en integriteit van de Turkse dokters in twijfel
te trekken. Naar aanleiding van de klacht van de advocaten van
Öcalan hebben de Turkse autoriteiten een onderzoek ter zake
opgestart en vier forensische experts-toxicologen de opdracht
gegeven Öcalan te onderzoeken. De Turkse autoriteiten
ontkennen dat Öcalan vergiftigd is en benadrukken dat hij
over dezelfde bescherming en rechten beschikt als andere
gevangenen, zoals regelmatige medische check-ups. Tot nu toe
heeft Öcalan steeds een medical clearance gekregen.
Wij volgen nauwgezet de toestand in
het zuidoosten van Turkije en wij zijn op de hoogte van de
aanhoudingen van sommige leden van de DTP. De Europese Commissie
volgt, net als de lidstaten, met aandacht de evolutie van de
mensenrechten in Turkije in het kader van de
toetredingsgesprekken. Wij verwachten dat het Duitse
voorzitterschap deze kwestie op de agenda zal plaatsen.
|
|
M. Lionel
Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – La réponse du
ministre est purement diplomatique et pas du tout crédible.
Des experts neutres de laboratoires européens ont
également fait une enquête et arrivent à
d’autres conclusions. Bien entendu, on peut difficilement
attendre autre chose qu’un démenti de la part des
autorités turques.
Je réitère
ma mise en garde. Ce qui est arrivé au diplomate russe à
Londres doit être pour nous une leçon.
Le ministre
refile l’affaire à la présidente allemande de
l’UE mais le ministre belge peut aussi insister auprès
de ses collègues pour qu’ils se montrent plus
vigilants. Voici quelques années, des membres de la
commission des Relations extérieures et de la Défense
ont été profondément choqués, lors
d’une visite à Ankara, des réponses aux
questions qu’ils posaient au sujet du Kurdistan. En théorie
la langue est autorisée mais elle est interdite sur le
territoire kurde même.
J’espère
que le secrétaire d’État fera part de notre
grande préoccupation au sujet de la situation en Turquie
au ministre des Affaires étrangères.
|
De heer Lionel
Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Het antwoord van de
minister is puur diplomatisch en totaal ongeloofwaardig. Neutrale
toxicologen van Europese laboratoria hebben eveneens onderzoek
gedaan en komen tot andere conclusies. Natuurlijk kan men van de
Turkse overheid bezwaarlijk iets anders verwachten dan dat ze
alle kritiek ontkent.
Ik herhaal mijn waarschuwing. Wat
gebeurd is met de Russische diplomaat in Londen moet ons een les
zijn.
De minister schuift de zaak door
naar het Duitse EU-voorzitterschap, maar ook de Belgische
minister kan bij zijn collega’s aandringen op meer
waakzaamheid. Enkele leden van de commissie voor de Buitenlandse
Betrekkingen en voor de Landsverdediging zijn een paar jaar
geleden tijdens een bezoek aan Ankara hevig geschrokken van de
antwoorden die ze kregen op vragen over Koerdistan. De taal wordt
in theorie wel toegelaten, maar op het Koerdische grondgebied
zelf is ze verboden.
Ik hoop dat de staatssecretaris de
minister van Buitenlandse Zaken meedeelt dat wij ons echt heel
veel zorgen maken over de toestand in Turkije.
|
|
Question
orale de M. Luc Willems au secrétaire d’État
aux Entreprises publiques sur «le projet pilote “parking
gratuit pour les déplacements domicile-lieu de travail”
sur les parkings de la SNCB» (nº 3-1437)
|
Mondelinge
vraag van de heer Luc Willems aan de staatssecretaris
voor Overheidsbedrijven over «het proefproject gratis
woon-werkverkeer op de NMBS-parkings» (nr. 3-1437)
|
|
M. Luc
Willems (VLD). – Ce n’est pas la première
fois que je pose une question sur le projet pilote de « parking
gratuit pour les déplacements domicile-lieu de travail »
qui est en cours depuis le 16 août 2005 dans
douze gares. Celui qui a un billet de train peut, grâce à
ce projet, obtenir gratuitement une place de stationnement dans
les gares sélectionnées. Comme il a déjà
été dit, ce système conduit à un
immense chaos du fait de la suroccupation et du parking sauvage.
Le parking navetteurs de la gare SNCB d’Alost en est un
triste exemple.
Répondant
à une question parlementaire, le secrétaire d’État
a reconnu que le projet pilote avaient engendré des effets
pervers non souhaités, comme l’augmentation de
l’usage de l’automobile pour de courtes distances et
la diminution de l’utilisation des autobus ainsi que du
nombre de navetteurs qui se rendent à la gare à
pied. Le secrétaire d’État admettait aussi
que cela suscitait en effet bien du mécontentement dans
certaines stations pilotes. Il annonça une tarification
différenciée dont le revenu devrait couvrir les
coûts opérationnels.
Jusqu’à
présent la situation à la gare d’Alost est
restée inchangée et cela malgré les
problèmes aigus. Ce qui s’y déroule peut
difficilement encore être considéré comme le
signe d’une gestion sérieuse de la SNCB. Le
mécontentement reste particulièrement élevé.
Combien de
plaintes concernant les problèmes de parking navetteurs
ont-elles été déposées auprès
de la SNCB ou du secrétaire d’État ?
Combien de ces plaintes concernent-elles le parc de stationnement
de la gare d’Alost ?
Quand le
secrétaire d’État mettra-t-il en application
sa politique de stationnement telle qu’il l’avait
annoncée et tiendra-t-il sa promesse d’une
tarification différenciée ?
|
De heer Luc Willems
(VLD). – Het is niet de eerste maal dat ik een vraag
stel over het proefproject ‘gratis woon-werkverkeer’
dat sinds 16 augustus 2005 in twaalf stations loopt.
Wie over een treinkaart beschikt, kan dankzij dat project op het
parkeerterrein van de geselecteerde stations een gratis
parkeerplaats krijgen. Zoals reeds eerder aangegeven leidt dat
systeem tot een onoverzichtelijke chaos wegens overbezetting en
wildparkeren. De pendelparkeerplaats van het NMBS-station in
Aalst is daar een triest voorbeeld van.
In antwoord op een vorige
parlementaire vraag erkende de staatssecretaris dat het
proefproject een aantal niet gewenste neveneffecten heeft, zoals
toename van het autogebruik op korte afstand en vermindering van
het busgebruik en het aantal pendelaars die lopend naar het
station gaan. De staatssecretaris erkende tevens dat in sommige
proefstations inderdaad heel wat ongenoegen heerst. Hij kondigde
dan ook een gedifferentieerde tarifering aan. De opbrengsten
daarvan zouden de operationele kosten dekken.
Tot op heden blijft de situatie aan
het station in Aalst ongewijzigd, en dit ondanks de schrijnende
problemen. Wat daar gebeurt kan moeilijk nog een teken van
degelijk bestuur van de NMBS worden genoemd. Het ongenoegen
blijft er dan ook bijzonder groot.
Hoeveel klachten over problemen op
een pendelparkeerplaats werden bij de NMBS of bij de
staatssecretaris ingediend? Hoeveel van deze klachten handelen
over de problemen op de pendelparkeerplaats te Aalst?
Wanneer zal de staatssecretaris zijn
vroeger aangekondigde parkeerbeleid invoeren en overgaan tot de
beloofde gedifferentieerde tarifering?
|
|
M. Bruno
Tuybens, secrétaire d’État aux
Entreprises publiques, adjoint à la ministre du Budget et
de la Protection de la consommation. – M. Willems n’a
cité qu’une partie de la réponse que je lui
avais donnée à la fin de l’année
dernière. J’avais aussi dit à l’époque
que le projet pilote avait eu un grand succès, ce qui
avait aggravé certains problèmes de mobilité,
surtout dans la région d’Alost.
Au début
de 2007, le nombre de plaintes liées au projet « parking
gratuit pour les déplacements domicile-travail »
était légèrement supérieur à
deux cents, dont une trentaine concernent Alost.
Toutes les
plaintes envoyées à mon cabinet ont été
transmises au groupe SNCB.
Pour améliorer
la situation, la holding SNCB a résilié le contrat
de location d’une auto-école qui occupait une partie
du parking. Dès lors, depuis janvier, une quarantaine de
places supplémentaires sont disponibles. Cette mesure a
assurément eu un effet positif mais tous les problèmes
ne peuvent évidemment pas être résolus de
cette manière.
La nouvelle
politique de stationnement qui a été conçue
sur la base de l’évaluation de l’expérience
pilote sera mise en pratique dans les prochains mois. La
politique de stationnement continuera à réserver
des places prioritaires pour les clients réguliers de la
SNCB. Toutefois, la tarification sera adaptée aux
capacités disponibles et sera harmonisée avec la
politique de stationnement menée par la commune dans les
environs immédiats. Ce sera du travail sur mesure dont la
holding SNCB discutera les règles dans le détail
avec les administrations communales, notamment celle d’Alost.
|
De heer Bruno Tuybens,
staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de
minister van Begroting en Consumentenzaken. –
De heer Willems citeerde een deel van het antwoord dat
ik eind vorig jaar op een vraag van hem gaf. Ik heb toen ook
gezegd dat het proefproject een groot succes heeft gekend
waardoor bepaalde mobiliteitsproblemen werden versterkt, niet in
het minst in de regio van Aalst.
Begin 2007 bedroeg het aantal
klachten in verband met het project ‘gratis parkeren in het
woon-werkverkeer’ iets meer dan 200. Daarvan hadden een
dertigtal klachten betrekking op Aalst.
Alle klachten die naar mijn kabinet
worden gestuurd, worden overgemaakt aan de NMBS-Groep.
Om de situatie te verbeteren heeft
de NMBS-Holding het huurcontract opgezegd met een autorijschool
die een deel van de parkeergelegenheid bezette. Sinds januari
zijn daardoor een veertigtal extra parkeerplaatsen beschikbaar.
Deze ingreep heeft zeker een positief effect gehad, maar
uiteraard kunnen niet alle problemen op die manier worden
opgelost.
Het nieuwe parkeerbeleid dat
ingevolge de evaluaties van de proefprojecten werd uitgewerkt,
zal in de komende maanden in de praktijk worden gebracht. Het
parkeerbeleid zal er nog steeds op gericht zijn om plaatsen
prioritair voor te behouden voor regelmatige klanten van de NMBS.
De tarifering zal evenwel worden aangepast aan de beschikbare
capaciteit en in overeenstemming worden gebracht met het
parkeerbeleid dat de gemeente in de onmiddellijke omgeving voert.
Het zal dus maatwerk zijn, waarvoor de NMBS-Holding met het
gemeentebestuur van onder meer Aalst de nadere regels zal
bespreken.
|
|
M. Luc
Willems (VLD). – Le secrétaire d’État
nous ressert la même réponse qu’il y a
quelques mois. Je ne continuerai pas à poser la même
question. Il est navrant de constater que ce problème
traîne depuis deux ans. Dès le début cela a
tourné mal. Plusieurs questions ont été
posées. Le service de médiation d’Alost à
lui seul a reçu nonante plaintes. Le nombre de trente
plaintes ne peut donc être exact. J’espère que
le secrétaire d’État prendra rapidement ce
problème à bras le corps car l’approche
actuelle n’est pas un signe de bonne gestion.
|
De heer Luc Willems
(VLD). – De staatssecretaris geeft hetzelfde antwoord
als enkele maanden geleden. Ik ga dezelfde vraag niet blijven
stellen. Het is schrijnend dat de problemen al twee jaar
aanslepen. Vanaf het begin van het project liep het mis. Er
werden verschillende vragen over gesteld. Alleen al bij de
ombudsdienst van Aalst werden 90 klachten ingediend. Het cijfer
van 30 klachten kan dus niet juist zijn. Ik hoop dat de
staatssecretaris de problemen snel aanpakt want de huidige aanpak
is geen teken van goed bestuur.
|
|
Question
orale de M. Stefaan Noreilde au secrétaire d’État
aux Entreprises publiques sur «le réseau ferroviaire
autour de la banlieue de Gand» (nº 3-1447)
|
Mondelinge
vraag van de heer Stefaan Noreilde aan de
staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over «het treinnet
rond de voorstad van Gent» (nr. 3-1447)
|
|
M. Stefaan
Noreilde (VLD). – En Flandre orientale, la semaine
dernière, les communes ont été interrogées
à l’occasion des états généraux
de la mobilité. À la SNCB il a été
demandé de créer un réseau de train de
banlieue. Lors des états généraux il est
apparu que la SNCB était disposée à en
discuter, mais dans un cadre réaliste. La pose de
nouvelles voies n’appartient clairement pas à un
cadre réaliste, mais bien la remise en service de quelques
gares et de trains supplémentaires. Entre-temps on a
rouvert la gare d’Evergem. C’est un premier pas dans
la bonne direction.
L’étape
suivante peut être d’ajouter un train omnibus entre
Gand et Anvers, ce qui permettrait de désenclaver
Lochristi et les communes alentour grâce à un arrêt
à Beervelde. Les arguments de l’administration
communale de Lochristi sont solides. Ainsi le nombre d’habitants
y est-il en croissance. Les habitants des nouveaux lotissements
sont en outre souvent de jeunes ménages dont de nombreuses
personnes travaillent à Anvers, Bruxelles ou Gand.
L’emploi a crû grâce aux nouvelles zones
d’entreprises. Un meilleur accès au domaine
provincial de Puyenbroeck aurait également des effets
positifs. En outre l’infrastructure existe.
Le secrétaire
d’État est-il disposé à reprendre la
ligne Gand-Anvers, avec entre autres un point d’arrêt
à Beervelde, dans le prochain contrat de gestion ?
Dans l’affirmative, avec quel calendrier et quel est l’avis
du secrétaire d’État sur d’autres
points d’arrêts possibles sur cette ligne ?
Pourquoi ne serait-ce éventuellement pas possible ?
|
De heer Stefaan
Noreilde (VLD). – In Oost-Vlaanderen werden vorige week
de stadsbesturen bevraagd naar aanleiding van de Staten-Generaal
inzake mobiliteit. Aan de NMBS wordt gevraagd een
‘voorstadstreinnet’ uit te bouwen. Tijdens de
Staten-Generaal bleek de NMBS bereid daarover te praten, zij het
binnen een realistisch kader. De aanleg van nieuwe sporen behoort
duidelijk niet tot een realistisch kader, maar extra treinen en
de heropening van enkele stations wel. Het station te Evergem is
intussen heropend. Dat is een eerste goede stap.
Een volgende stap kan het inleggen
zijn van een stoptrein tussen Gent en Antwerpen waarbij onder
andere Lochristi en de omliggende gemeenten via een stopplaats in
Beervelde kunnen worden ontsloten. De argumenten van het
gemeentebestuur van Lochristi houden steek. Zo steeg het
inwonersaantal. De inwoners in de nieuwe verkavelingen zijn
bovendien vaak jonge gezinnen waarvan heel wat mensen in Gent,
Antwerpen en Brussel werken. De werkgelegenheid kende een groei
door nieuwe bedrijvenzones. Een veel betere ontsluiting van het
provinciaal domein Puyenbroeck zou ook een positief gevolg zijn.
Bovendien is de infrastructuur aanwezig.
Is de staatssecretaris bereid de
lijn Gent-Antwerpen, met onder andere een stopplaats in
Beervelde, op te nemen in een volgende beheersovereenkomst?
Zo ja, wat is de timing ter zake en
wat is de mening van de staatssecretaris over andere mogelijke
stopplaatsen op deze lijn? Waarom is dit eventueel niet mogelijk?
|
|
M. Bruno
Tuybens, secrétaire d’État aux
Entreprises publiques, adjoint à la ministre du Budget et
de la Protection de la consommation. – J’esquisserai
d’abord la procédure de réouverture d’un
arrêt. La SNCB réalise en premier lieu une analyse
coût-bénéfice. Si celle-ci est positive et
que la SNCB décide de la réouverture de l’arrêt,
elle demandera à Infrabel de créer un arrêt.
Infrabel peut alors élaborer un calendrier pour
l’aménagement d’un arrêt. Cette
procédure sera donc également suivie pour décider
d’une éventuelle remise en service de l’arrêt
à Beervelde. Le contrat de gestion ne doit pas contenir la
liste exhaustive de toutes les gares et arrêts du réseau
ferroviaire. Il n’est pas nécessaire de modifier le
contrat de gestion pour ajouter un arrêt à la liste.
Puisque je ne
dispose pas encore d’une analyse coût-bénéfice
de la SNCB, je ne puis faire de déclarations sur la
possibilité de réouverture de cet arrêt.
|
De heer Bruno Tuybens,
staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de
minister van Begroting en Consumentenzaken. – Ik zal eerst
de procedure voor de heropening van een stopplaats schetsen. De
NMBS voert in de eerste plaats een kosten-batenanalyse uit.
Indien die positief is en de NMBS tot de heropening van de
stopplaats beslist, zal de NMBS aan Infrabel vragen een
stopplaats aan te leggen. Infrabel kan dan een planning voor de
aanleg van een stopplaats opmaken. Deze procedure zal dus ook
worden gevolgd bij de besluitvorming over de eventuele heropening
van de stopplaats in Beervelde. De beheersovereenkomst hoeft niet
de exhaustieve lijst van alle stations en stopplaatsen van het
spoornet te bevatten. Het is niet nodig om een
beheersovereenkomst te wijzigen indien er een halte aan de lijst
kan worden toegevoegd.
Aangezien ik voor Beervelde nog niet
over een kosten-batenanalyse van de NMBS beschik, kan ik nog geen
uitspraken doen over de mogelijke heropening van die stopplaats.
|
|
M. Stefaan
Noreilde (VLD). – Je conclus donc qu’il
appartient à présent à la SNCB de réaliser
cette analyse coût-bénéfice et d’entamer
une concertation avec les responsables politiques.
|
De heer Stefaan
Noreilde (VLD). – Ik besluit dat het nu aan de NMBS is
om de kosten-batenanalyse te maken en daarna in overleg te treden
met de politiek verantwoordelijken.
|
|
Votes
|
Stemmingen
|
|
(Les listes nominatives figurent
en annexe.)
|
(De naamlijsten worden in de
bijlage opgenomen.)
|
|
Prise
en considération d’une proposition
|
Inoverwegingneming
van een voorstel
|
|
Mme la présidente.
– Comme convenu tout à l’heure, nous passons
maintenant à la discussion de la prise en considération
de la proposition de déclaration de révision de la
Constitution, déposée par M. Van Hauthem
(Doc. 3-2105).
|
De voorzitter. – Zoals
daarstraks werd overeengekomen, zullen we nu de
inoverwegingneming bespreken van het voorstel van verklaring tot
herziening van de Grondwet, dat door de heer Van Hauthem
werd ingediend (Stuk 3-2105).
|
|
M. Francis Delpérée
(CDH). – Il me semble essentiel de rappeler un principe
fondamental de notre ordre constitutionnel, à savoir
qu’une révision de la Constitution Belge ne peut
jamais être que partielle. Notre droit ne connaît pas
les révisions globales de la Constitution.
Il y a à cela des arguments
de texte qui sortent de l’article 195 de la
Constitution, lequel prévoit la procédure de
révision de la Constitution.
L’alinéa 1er
de cette disposition dit que le pouvoir législatif peut
déclarer qu’il y a lieu à révision de
« telle disposition constitutionnelle qu’il
désigne ». Par conséquent, cela ne
concerne pas des titres ou des chapitres ni un ensemble de
dispositions.
L’alinéa 4 du même
article 195 dit que les chambres doivent statuer sur les
points soumis à révision. Il ne peut donc y avoir
que des révisions ponctuelles et non globales.
J’ajoute que ce sont aussi des
arguments de bon sens : quand je vais porter ma voiture au
garage un matin pour la soumettre à révision,
j’attends, au moment où je vais la chercher, que
l’on ait éventuellement serré les boulons,
vérifié le niveau d’huile, mais je ne
m’attends pas à ce qu’on ait changé le
châssis, modifié la couleur et remplacé le
moteur.
J’ajoute un élément
de droit comparé. D’autres pays connaissent
différents types de révision : les révisions
totales et les révisions partielles. La Suisse, dans sa
nouvelle constitution de l’an 2000, prévoit ces deux
procédures mais il faut ajouter que les procédures
sont différentes selon qu’il s’agit des
révisions partielles ou globales.
Tout cela m’amène à
dire que, à tort ou à raison, l’article 195
de la Constitution ne permet que des révisions partielles.
Il faut donner du temps au temps : on ne peut pas tout
changer d’un même mouvement et dans une même
procédure.
On me dira sans doute que ce que
l’on peut faire globalement, on peut aussi le faire en
détail. Il suffirait, dans la déclaration de
révision, d’énumérer les uns après
les autres les articles 1er à 198 de notre
Constitution – car je parle encore de « notre »
Constitution – mais ce serait de l’hypocrisie car
cela reviendrait à une révision globale.
Il suffit de lire les développements
de la proposition. Je cite : « Afin de ne
soulever aucune objection constitutionnelle au cas où la
dissolution inéluctable et nécessaire de la
Belgique serait décidée au cours de la prochaine
législature, l’ensemble de la Constitution belge
doit être déclaré sujet à révision. »
Chers collègues, je ne puis
donc que demander au Sénat de ne pas prendre en
considération la proposition en question.
|
De heer Francis
Delpérée (CDH). – Het lijkt mij
noodzakelijk te wijzen op een fundamenteel beginsel van onze
grondwettelijke orde, namelijk dat een herziening van de
Belgische Grondwet slechts gedeeltelijk kan zijn. Ons recht kent
geen volledige herziening van de Grondwet.
Daarvoor
bestaan argumenten die voortvloeien uit artikel 195 van de
Grondwet over de herzieningsprocedure van de Grondwet.
De eerste
alinea van dat artikel bepaalt dat de wetgevende macht kan
verklaren dat er redenen zijn tot herziening van ‘zodanige
grondwettelijke bepaling als zij aanwijst’. Derhalve gaat
het niet om titels of hoofdstukken, noch om een geheel van
bepalingen.
Alinea 4 van
hetzelfde artikel 195 luidt dat de Kamers moeten beslissen
over de punten die aan herziening zijn onderworpen. Er kunnen dus
enkel gerichte en geen alomvattende herzieningen zijn.
Ik voeg eraan
toe dat dit ook argumenten zijn die te maken hebben met gezond
verstand. Als ik ’s morgens mijn auto naar de garage
breng voor onderhoud, verwacht ik dat, als ik hem ga terughalen,
de bouten zijn aangehaald en het olieniveau is gecontroleerd,
maar ik verwacht niet dat het chassis of de kleur is veranderd of
dat de motor werd vervangen.
Ik wijs nog op
een rechtsvergelijkend element. Andere landen kennen
verschillende soorten herzieningen: volledige en gedeeltelijke
herzieningen. In zijn nieuwe grondwet van 2000 voorziet
Zwitserland in die twee procedures, maar die verschillen al
naargelang het een volledige of een gedeeltelijke herziening
betreft.
Dat alles
brengt me ertoe te zeggen dat artikel 195 van de Grondwet
enkel gedeeltelijke herzieningen mogelijk maakt. Niet alles kan
in één keer worden veranderd.
Daarop zal men
ongetwijfeld antwoorden dat wat globaal kan, ook in detail kan.
Zo zou het volstaan in de verklaring tot herziening alle
artikelen van nummer één tot 198 van onze Grondwet
op te sommen – ik spreek nog van ‘onze’
Grondwet – maar dat zou hypocriet zijn aangezien dat
neerkomt op een volledige herziening.
Het volstaat
de overwegingen van het voorstel te lezen. Ik citeer: ‘Opdat
er geen enkel grondwettelijk bezwaar zou rijzen, ingeval in de
volgende zittingsperiode tot de onvermijdelijke en noodzakelijke
ontbinding van de Belgische Staat zou worden besloten, dient de
volledige Belgische Grondwet voor herziening vatbaar te worden
verklaard.’
Ik kan de
Senaat dan ook enkel vragen dit voorstel niet in overweging te
nemen.
|
|
M. Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – M. Delpérée
vient de s’exprimer en tant que spécialiste de la
Constitution sur une proposition de déclaration de
révision de la Constitution.
À cet
égard, il s’est référé à
l’article 195 de la Constitution, ainsi rédigé :
« Le pouvoir législatif fédéral a
le droit de déclarer qu’il y a lieu à la
révision de telle disposition constitutionnelle qu’il
désigne. »
Il se livre
clairement à un jeu politique. En tant que juriste, ce que
je ne suis pas, il doit quand même savoir que l’article 195
ne dit pas qu’un seul, deux, trois ou un autre nombre
d’articles peut être déclaré ouvert à
révision. Si le Constituant stipule que tous les articles
sont susceptibles d’être déclarés
ouverts à révision, ce qui ne signifie pas encore
qu’ils seront tous révisés ou abrogés,
les Chambres fédérales peuvent effectivement le
décider aussi.
|
De heer Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – De heer Delpérée
komt hier als grondwetsspecialist een paar dingen vertellen over
een voorstel van verklaring tot herziening van de Grondwet.
De heer Delpérée
verwijst daarbij naar artikel 195 van de Grondwet dat luidt:
‘De federale wetgevende macht heeft het recht te verklaren
dat er redenen zijn tot herziening van zodanige grondwettelijke
bepaling als zij aanwijst.’
Hij speelt het duidelijk politiek.
Als jurist – wat ik niet ben – moet hij toch weten
dat artikel 195 niet zegt dat er maar één,
twee, drie of een ander aantal artikelen voor herziening vatbaar
mogen worden verklaard. Als de grondwetgever zegt dat alle
artikelen voor herziening vatbaar mogen worden verklaard, wat nog
niet betekent dat ze allemaal worden herzien of opgeheven, dan
kunnen de federale kamers dat ook daadwerkelijk beslissen.
|
|
M. Francis Delpérée
(CDH). – Des points !
|
De heer Francis
Delpérée (CDH). – Alleen afzonderlijke
punten!
|
|
M. Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – Par le passé,
des propositions de révision de la Constitution ont déjà
été votées, après quoi les articles
visés ont été traités en commission
des Affaires institutionnelles.
Selon
M. Delpérée, on ne peut ouvrir des titres à
révision. Pourtant, précédemment, la Chambre
et le Sénat ont déjà voté des
propositions de révision de la Constitution dans
lesquelles des titres entiers ont été déclarés
ouverts à révision. D’ailleurs, dans notre
proposition, nous ne demandons pas la révision d’un
ou de plusieurs titres. Notre proposition est ainsi rédigée :
les Chambres déclarent qu’il y a lieu à
révision de l’article 1er de la
Constitution, de l’article 2, de l’article 3,
jusques et y compris de l’article 198 de la
Constitution. Nous demandons donc une révision point par
point et non une révision d’un titre.
Par ailleurs,
M. Delpérée sait également que la
motivation d’une proposition de déclaration de
révision ne lie pas les futures Chambres constituantes en
ce qui concerne la modification proprement dite. On en a
également débattu en commission des Réformes
institutionnelles. Autrement dit, la motivation de l’actuel
Sénat pour déclarer, par exemple, l’article 23
ouvert à révision, ne lie aucunement le futur Sénat
s’il voulait modifier cet article.
La comparaison
faite par M. Delpérée avec une voiture que
l’on conduirait au garage pour quelques réparations
est intéressante mais ne vise pas une perte totale. La
voiture en question ne peut plus être réparée
en remplaçant une pièce ci et là.
M. Delpérée
se trompe clairement. Aucune disposition constitutionnelle
n’empêche la Chambre et le Sénat de déclarer
tous les articles de la Constitution ouverts à révision.
Notre motivation pour une révision totale, à
laquelle M. Delpérée fait aussi référence,
ne joue aucun rôle à cet égard, même si
elle très claire. Nous voulons en effet démanteler
la Belgique. Nous voulons que la Belgique disparaisse. Nous
n’avons aucun agenda caché. Cela ne peut justifier
que l’on nous refuse le droit de déclarer tous les
articles de la Constitution ouverts à révision. Si
je prolongeais le raisonnement de M. Delpérée,
il devrait déclarer l’État belge
inconstitutionnel, car celui-ci s’est créé en
dehors du cadre constitutionnel régissant ce qui
constituait alors le Royaume-Uni des Pays-Bas. Ou bien
M. Delpérée légitimerait-il le
séparatisme qui prévalait alors ?
Ce
raisonnement est indigne d’un spécialiste de la
Constitution. Quant à nous, nous sommes d’honnêtes
citoyens car nous voulons travailler dans le cadre
constitutionnel. M. Delpérée qui se déclare
belge, voire « belgiciste » – il en a
parfaitement le droit en bonne démocratie – oublie
vraisemblablement que la Belgique est née de la violation
de la Constitution qui était en vigueur à l’époque.
Le plaidoyer
du spécialiste de la Constitution qu’est M. Delpérée
contre la prise en considération de notre proposition
montre clairement que du côté francophone, on est
très effrayé. Cependant, il ne peut nous enlever
notre droit démocratique de faire prendre en considération
notre proposition de déclaration de révision, afin
qu’elle puisse au moins faire l’objet d’un
débat au Parlement.
|
De heer Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – In het verleden
zijn er al voorstellen van verklaring tot herziening van de
Grondwet goedgekeurd waarna de desbetreffende artikelen in de
commissie voor de Institutionele Aangelegenheden werden
behandeld.
Volgens de heer Delpérée
kunnen titels niet voor herziening vatbaar worden verklaard.
Nochtans hebben Kamer en Senaat in het verleden al voorstellen
van verklaring tot herziening van de Grondwet goedgekeurd, waarin
hele titels voor herziening vatbaar werden verklaard. Met ons
voorstel vragen we overigens niet de herziening van een of
meerdere titels. Ons voorstel luidt: ‘De Kamers verklaren
dat er redenen zijn tot herziening van artikel 1 van de
Grondwet, van artikel 2 van de Grondwet, van artikel 3
van de Grondwet tot en met van artikel 198 van de Grondwet’.
We vragen dus een herziening punt per punt en niet van welke
titel dan ook.
Anderzijds weet de heer Delpérée
dat de motivatie van een voorstel tot voor herziening
vatbaarverklaring de volgende grondwetgevende kamers niet bindt
wat de wijziging zelf betreft. Dat is overigens ook aan bod
gekomen in de commissie voor de Institutionele Hervormingen.
Anders gezegd de motivatie van de huidige Senaat om bijvoorbeeld
artikel 23 voor herziening vatbaar te verklaren, bindt
geenszins de volgende Senaat als hij dat artikel zou willen
wijzigen.
De vergelijking die de heer Delpérée
maakte met een auto die voor herstel van een paar zaken naar de
garage wordt gebracht, is interessant, maar gaat niet op als het
om een ‘perte totale’ gaat. Die auto kan niet meer
worden hersteld door hier een daar een onderdeel te vervangen.
De heer Delpérée
vergist zich duidelijk. Geen enkele grondwettelijke bepaling
verhindert Kamer en Senaat alle grondwetsartikelen voor
herziening vatbaar te verklaren. Onze motivatie voor een totale
herziening, waar de heer Delpérée ook
naar verwijst, speelt in deze overigens geen rol, hoe duidelijk
ze ook mag zijn. Wij willen België inderdaad ontmantelen.
Wij willen inderdaad dat België verdwijnt. Wij hebben geen
verborgen agenda. Dat mag echter geen reden zijn om ons het recht
te ontzeggen alle grondwetsartikelen voor herziening vatbaar te
verklaren. Als ik de redenering van de heer Delpérée
zou doortrekken dan moet hij de Belgische Staat ongrondwettelijk
verklaren, want die is tot stand gekomen buiten het
grondwettelijke kader dat destijds gold voor het Verenigd
Koninkrijk der Nederlanden. Of legitimeert de heer Delpérée
het separatisme van toen?
Dit is een redenering een
grondwetsspecialist onwaardig. Daartegenover zijn wij brave
jongens want wij willen binnen het grondwettelijke kader werken.
De heer Delpérée, die zich Belg en zelfs
Belgicist noemt – en dat is zijn goed democratisch recht –,
vergeet blijkbaar dat België tot stand is gekomen door de
destijds vigerende grondwet te overtreden.
Het pleidooi van de
grondwetsspecialist Delpérée tegen de
inoverwegingneming van ons voorstel maakt het alleszins duidelijk
dat de schrik er aan Franstalige kant goed in zit. Ons
democratisch recht om ons voorstel tot voor herziening
vatbaarverklaring in overweging te laten nemen, kan hij ons
echter niet ontnemen zodat op zijn minst in het parlement het
democratische debat over ons voorstel kan worden gevoerd.
|
|
M. Francis Delpérée
(CDH). – La démocratie, c’est d’abord
le respect de la Constitution !
|
De heer Francis
Delpérée (CDH). – Democratie betekent
vóór alles de Grondwet respecteren!
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Certains juristes, dont les
professeurs Rimanque et Delpérée, estiment que
l’article 195 de la Constitution interdit une révision
générale de la Constitution et que certains
articles seulement ou des éléments de ces articles
peuvent être soumis à révision. L’article 195
dispose que : « Le pouvoir législatif
fédéral a le droit de déclarer qu’il y
a lieu à la révision de telle disposition
constitutionnelle qu’il désigne ». Selon
ces juristes, en vertu de cette disposition, un titre général
et un chapitre entier ou la totalité d’une section
ne pourraient pas davantage être soumis à révision,
sauf lorsqu’il s’agit d’ajouter de nouveaux
titres, chapitres ou sections.
Selon une
autre doctrine, le texte entier de la Constitution peut être
soumis à révision si on reprend chaque disposition
de la Constitution dans la déclaration de révision.
Comme par le
passé, nous pensons que, lors du vote sur la recevabilité,
nous ne nous prononçons pas sur le bien-fondé d’une
position. En principe nous estimons que, sauf circonstances
exceptionnelles, les propositions des sénateurs doivent
être déclarées recevables et que la
recevabilité ne doit pas être confondue avec le
débat de fond. Nous avons également tenu ce
raisonnement pour diverses propositions sur l’amnistie ou
pour des mesures comparables qui n’ont à tort pas
été prises en considération. Enfin, nous
estimons que la liberté d’opinion a un caractère
absolu au parlement et qu’il est indigne pour une
démocratie parlementaire de refuser a priori le débat
avec la partie adverse. Par conséquent, notre groupe se
prononcera en faveur de la recevabilité.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Sommige juristen, onder meer
professor Rimanque en professor Delpérée, menen dat
volgens artikel 195 van de Grondwet een algemene herziening
van de Grondwet niet toegelaten is en dat alleen bepaalde
artikelen of onderdelen ervan voor herziening vatbaar kunnen
worden gesteld. Artikel 195 stipuleert: ‘De federale
wetgevende macht heeft het recht te verklaren dat er redenen zijn
tot herziening van zondanige grondwettelijke bepaling als zij
aanwijst.’ Een titel in het algemeen en een heel hoofdstuk
of hele afdeling zouden krachtens die bepaling volgens die
juristen ook niet voor herziening vatbaar kunnen worden gesteld,
tenzij met het oog op het toevoegen van nieuwe titels,
hoofdstukken of afdelingen.
Een andere rechtsleer doet die
interpretatie als formeel af en oordeelt dat de hele tekst van de
Grondwet voor herziening vatbaar kan wordt verklaard door elke
bepaling van de Grondwet in de herzieningsverklaring op te nemen.
Zoals in het verleden vinden wij dat
bij de stemming over de ontvankelijkheid niet over de gegrondheid
van een standpunt wordt gestemd. In beginsel vinden wij, tenzij
uitzonderlijke omstandigheden, dat voorstellen van de senatoren
ontvankelijk moeten worden verklaard en dat de ontvankelijkheid
niet moet worden verward met het debat ten gronde. We hebben ook
zo geredeneerd bij de diverse voorstellen over amnestie of
vergelijkbare maatregelen die ten onrechte niet in overweging
werden genomen. Ten slotte zijn wij van oordeel dat de vrijheid
van mening in het Parlement een absoluut karakter heeft en dat
het een parlementaire democratie onwaardig is a priori het debat
met de tegenstrever te weigeren. Derhalve zal onze fractie voor
de ontvankelijkheid stemmen.
|
|
M. Paul
Wille (VLD). – Nous demandons une brève
suspension.
|
De heer Paul Wille
(VLD). – Wij vragen een korte schorsing.
|
|
Mme la présidente.
– La séance est suspendue pendant cinq minutes.
|
De voorzitter. – De
vergadering wordt 5 minuten geschorst.
|
|
(La séance, suspendue à
17 h 20, est reprise à 17 h 25.)
|
(De vergadering wordt geschorst
om 17.20 uur. Ze wordt hervat om 17.25 uur.)
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons à présent sur la prise en
considération de la proposition de déclaration de
révision de la Constitution (de M. Joris Van Hauthem
et consorts ; Doc. 3-2105).
|
De voorzitter. – We
stemmen nu over de inoverwegingneming van het voorstel van
verklaring tot herziening van de Grondwet (van de heer Joris
Van Hauthem c.s.; Stuk 3-2105).
|
|
Vote nº 5
|
Stemming 5
|
|
Présents : 55 Pour :
16 Contre : 38 Abstentions : 1
|
Aanwezig: 55 Voor: 16 Tegen:
38 Onthoudingen: 1
|
|
– La proposition n’est
pas prise en considération.
|
– Het voorstel is niet in
overweging genomen.
|
|
M. Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – J’ai
attendu le vote et je me suis abstenu, non pas parce que je
m’opposerais à ma propre proposition de révision
de la Constitution, au contraire.
Je constate
que le VLD capitule et que le SP.A capitule. Je ne les ai pas
entendus contredire les arguments futiles de M. Delpérée.
Puisque c’est ainsi, Madame le président, je vous
garantis que demain matin vous trouverez sur votre bureau 198
propositions de révision de la Constitution.
|
De heer Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – Ik heb de
stemming afgewacht en ik heb mij onthouden, niet omdat ik tegen
mijn eigen voorstel tot herziening van de Grondwet zou zijn,
integendeel.
Ik stel vast dat de VLD is gezwicht
en dat de SP.A is gezwicht. Ik heb hen niets horen inbrengen
tegen de futiele argumenten van de heer Delpérée.
Als het daarop aankomt, mevrouw de voorzitter, dan garandeer
ik u dat u morgen 198 voorstellen tot herziening van de Grondwet
op uw bureau zult vinden.
|
|
M. Jean-Marie
Dedecker (Indépendant). – Ce qui se passe ici
est une honte pour la démocratie. En tant que
parlementaire, je suis honteux qu’on n’ose même
pas prendre en considération des propositions de loi
déposées par des élus du peuple, quels
qu’ils soient.
Ce parti
flamand qui porte en son nom le mot « liberté »,
libertas, ferait mieux de l’en supprimer.
|
De heer Jean-Marie
Dedecker (Onafhankelijke). – Ik vind wat hier gebeurt
een aanfluiting van de democratie. Als parlementslid ben ik
beschaamd dat men wetsvoorstellen van verkozenen des volks, wie
ze ook mogen zijn, zelfs niet in overweging durft te nemen.
Die Vlaamse partij die het woord
vrijheid, libertas, in haar naam draagt, zou dat woord er
beter uit schrappen.
|
|
(Exclamations)
|
(Uitroepen)
|
|
Mme la présidente.
– La décision a été prise au terme
d’un vote démocratique.
|
De voorzitter. – De
beslissing is genomen na een democratische stemming.
|
|
Projet
de loi portant assentiment à l’Accord de
Stabilisation et d’Association entre les Communautés
européennes et leurs États membres, d’une
part, et la République d’Albanie, d’autre
part, et à l’Acte final, faits à Luxembourg
le 12 juin 2006 (Doc. 3-2026)
|
Wetsontwerp
houdende instemming met de Stabilisatie- en
Associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun
Lidstaten, enerzijds, en de Republiek Albanië, anderzijds,
en met de Slotakte, gedaan te Luxemburg op 12 juni 2006
(Stuk 3-2026)
|
|
Vote nº 6
|
Stemming 6
|
|
Présents : 57 Pour :
47 Contre : 0 Abstentions : 10
|
Aanwezig: 57 Voor: 47 Tegen:
0 Onthoudingen: 10
|
|
– Le projet de loi est
adopté.
– Il sera transmis à
la Chambre des représentants.
|
– Het wetsontwerp is
aangenomen.
– Het zal aan de Kamer van
volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
|
|
Projet
de loi portant assentiment au Protocole portant amendement à
la Convention européenne pour la répression du
terrorisme, fait à Strasbourg le 15 mai 2003
(Doc. 3-2033)
|
Wetsontwerp
houdende instemming met het Protocol tot wijziging van het
Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme, gedaan te
Straatsburg op 15 mei 2003 (Stuk 3-2033)
|
|
Vote nº 7
|
Stemming 7
|
|
Présents : 57 Pour :
56 Contre : 1 Abstentions : 0
|
Aanwezig: 57 Voor: 56 Tegen:
1 Onthoudingen: 0
|
|
– Le projet de loi est
adopté.
– Il sera transmis à
la Chambre des représentants.
|
– Het wetsontwerp is
aangenomen.
– Het zal aan de Kamer van
volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
|
|
Projet
de loi portant assentiment aux Actes internationaux suivants : 1º
Accord modifiant l’Accord de partenariat entre les membres
du Groupe des États d’Afrique, des Caraïbes et
du Pacifique, d’une part, et la Communauté
européenne et ses États membres, d’autre
part, signé à Cotonou le 23 juin 2000, et
à l’Acte final, faits à Luxembourg le
25 juin 2005 ; 2º Accord interne entre les
représentants des gouvernements des États membres,
réunis au sein du Conseil, modifiant l’Accord
interne du 18 septembre 2000 relatif aux mesures à
prendre et aux procédures à suivre pour la mise en
œuvre de l’Accord de partenariat ACP-CE, fait à
Luxembourg le 10 avril 2006 ; 3º Accord
interne entre les représentants des gouvernements des
États membres, réunis au sein du Conseil, relatif
au financement des aides de la Communauté au titre du
cadre financier pluriannuel pour la période 2008–2013
conformément à l’Accord de partenariat ACP-CE
et à l’affectation des aides financières
destinées aux pays et territoires d’outre-mer
auxquels s’appliquent les dispositions de la quatrième
partie du Traité CE, fait à Bruxelles le
17 juillet 2006. (Doc. 3-2034)
|
Wetsontwerp
houdende instemming met volgende Internationale Akten: 1º
Overeenkomst tot wijziging van de Partnerschapsovereenkomst
tussen de leden van de Groep van Afrika, het Caribisch gebied en
de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar
Lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000,
en met de Slotakte, gedaan te Luxemburg op 25 juni 2005; 2º
Intern Akkoord tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van
de Lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, houdende wijziging
van het Intern Akkoord van 18 september 2000 inzake
maatregelen en procedures voor de uitvoering van de
ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst, gedaan te Luxemburg op
10 april 2006; 3º Intern Akkoord tussen de
vertegenwoordigers van de regeringen van de Lidstaten, in het
kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de
steun van de Gemeenschap binnen het meerjarig financieel kader
voor 2008–2013 voor de ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst en
de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de
landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van
het EG-Verdrag van toepassing zijn, gedaan te Brussel op
17 juli 2006. (Stuk 3-2034)
|
|
Vote nº 8
|
Stemming 8
|
|
Présents : 59 Pour :
59 Contre : 0 Abstentions : 0
|
Aanwezig: 59 Voor: 59 Tegen:
0 Onthoudingen: 0
|
|
– Le projet de loi est
adopté.
– Il sera transmis à
la Chambre des représentants.
|
– Het wetsontwerp is
aangenomen.
– Het zal aan de Kamer van
volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
|
|
Projet
de loi portant assentiment aux Actes internationaux suivants : 1º
le Septième Protocole additionnel à la Constitution
de l’Union postale universelle ; 2º le
Règlement général de l’Union postale
universelle ; 3º la Convention postale universelle
et le Protocole final, et 4º l’Arrangement
concernant les services de paiement de la poste, faits à
Bucarest le 5 octobre 2004 (Doc. 3-2078)
|
Wetsontwerp
houdende instemming met de volgende Internationale Akten: 1º
het Zevende Protocol ter aanvulling van de Stichtingsakte van de
Wereldpostvereniging; 2º het Algemeen Reglement van de
Wereldpostvereniging; 3º de Wereldpostconventie en het
Slotprotocol, en 4º de Overeenkomst betreffende de
uitbetalingsdiensten van de post, gedaan te Boekarest op
5 oktober 2004 (Stuk 3-2078)
|
|
(Le vote nº 9 a été
annulé.)
|
(Stemming 9 werd
geannuleerd.)
|
|
Vote nº 10
|
Stemming 10
|
|
Présents : 59 Pour :
49 Contre : 0 Abstentions : 10
|
Aanwezig: 59 Voor: 49 Tegen:
0 Onthoudingen: 10
|
|
– Le projet de loi est
adopté.
– Il sera transmis à
la Chambre des représentants.
|
– Het wetsontwerp is
aangenomen.
– Het zal aan de Kamer van
volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
|
|
Projet
de loi modifiant diverses dispositions relatives à
l’absence et à la déclaration judiciaire de
décès (Doc. 3-1792) (Procédure
d’évocation)
|
Wetsontwerp
tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de afwezigheid
en de gerechtelijke verklaring van overlijden (Stuk 3-1792)
(Evocatieprocedure)
|
|
Vote nº 11
|
Stemming 11
|
|
Présents : 59 Pour :
59 Contre : 0 Abstentions : 0
|
Aanwezig: 59 Voor: 59 Tegen:
0 Onthoudingen: 0
|
|
– Le projet de loi est
adopté.
– Il a été
amendé et sera transmis à la Chambre des
représentants.
|
– Het wetsontwerp is
aangenomen.
– Het werd geamendeerd en
zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
|
|
Projet
de loi modifiant certaines dispositions du Code judiciaire
relatives à l’absence et à la déclaration
judiciaire de décès (Doc. 3-1793)
|
Wetsontwerp
tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek
betreffende de afwezigheid en de gerechtelijke verklaring van
overlijden (Stuk 3-1793)
|
|
Vote nº 12
|
Stemming 12
|
|
Présents : 58 Pour :
58 Contre : 0 Abstentions : 0
|
Aanwezig: 58 Voor: 58 Tegen:
0 Onthoudingen: 0
|
|
– Le projet de loi est
adopté.
– Il a été
amendé et sera transmis à la Chambre des
représentants.
|
– Het wetsontwerp is
aangenomen.
– Het werd geamendeerd en
zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
|
|
Ordre
des travaux
|
Regeling
van de werkzaamheden
|
|
Mme la présidente.
– Le Bureau propose l’ordre du jour suivant pour la
semaine prochaine :
|
De voorzitter. – Het
Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:
|
|
Jeudi 15 mars 2007
|
Donderdag 15 maart 2007
|
|
le matin à 10 heures 30
|
’s ochtends om 10.30
uur
|
|
Procédure
d’évocation Projet de loi relatif aux
offres publiques d’acquisition ; Doc. 3-2071/1 et
2.
|
Evocatieprocedure Wetsontwerp
op de openbare overnamebiedingen; Stuk 3-2071/1 en 2.
|
|
Projet de loi modifiant
l’article 220 de la loi du 4 décembre 1990
relative aux opérations financières et aux marchés
financiers, l’article 121, §1er, de la
loi du 2 août 2002 relative à la
surveillance du secteur financier et aux services financiers,
ainsi que l’article 584 du Code judiciaire, et
insérant l’article 41 dans la loi du …
relative aux offres publiques d’acquisition ;
Doc. 3-2072/1 et 2.
|
Wetsontwerp tot wijziging van
artikel 220 van de wet van 4 december 1990 op de
financiële transacties en de financiële markten, van
artikel 121, §1, van de wet van 2 augustus 2002
betreffende het toezicht op de financiële sector en de
financiële diensten en van artikel 584 van het
Gerechtelijk Wetboek en tot invoeging van artikel 41 in de
wet van … op openbare overnamebiedingen; Stuk 3-2072/1
en 2.
|
|
Procédure
d’évocation Projet de loi modifiant, en
ce qui concerne le droit successoral à l’égard
du cohabitant légal survivant, le Code civil et la loi du
29 août 1988 relative au régime
successoral des exploitations agricoles en vue d’en
promouvoir la continuité ; Doc. 3-2015/1 à
3.
|
Evocatieprocedure Wetsontwerp
tot wijziging, wat de regeling van het erfrecht van de
langstlevende wettelijk samenwonende betreft, van het Burgerlijk
Wetboek en van de wet van 29 augustus 1988 op de
erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het
bevorderen van de continuïteit; Stuk 3-2015/1 tot 3.
|
|
Projet de loi relative à la
mise à la disposition du tribunal de l’application
des peines ; Doc. 3-2054/1 à 4. (Pour mémoire)
|
Wetsontwerp betreffende de
terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank;
Stuk 3-2054/1 tot 4. (Pro memorie)
|
|
Art. 81, alinéa 3,
et art. 78, alinéa premier, de la Constitution Projet
de loi modifiant l’article 40 des lois sur l’emploi
des langues en matière administrative, coordonnées
le 18 juillet 1966 ; Doc. 3-1495/8 et 9.
|
Art. 81, derde lid, en
art. 78, eerste lid, van de Grondwet Wetsontwerp
tot wijziging van artikel 40 van de wetten op het gebruik
van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op
18 juli 1966; Stuk 3-1495/8 en 9.
|
|
Projet de loi réglant la
publication en langue allemande des lois et arrêtés
royaux et ministériels d’origine fédérale
et modifiant la loi du 31 mai 1961 relative à
l’emploi des langues en matière législative,
à la présentation, à la publication et à
l’entrée en vigueur des textes légaux et
réglementaires, les lois sur l’emploi des langues en
matière administrative, coordonnées le
18 juillet 1966, ainsi que la loi du 31 décembre 1983
de réformes institutionnelles pour la Communauté
germanophone ; Doc. 3-1496/7 et 8.
|
Wetsontwerp tot regeling van de
bekendmaking in het Duits van de wetten en de koninklijke en
ministeriële besluiten afkomstig van de federale overheid en
tot wijziging van de wet van 31 maart 1961 betreffende
het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken,
bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen, van
de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken,
gecoördineerd op 18 juli 1966, alsook van de wet
van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen
voor de Duitstalige Gemeenschap; Stuk 3-1496/7 en 8.
|
|
Proposition de loi modifiant les
lois coordonnées sur le Conseil d’État, en
vue d’accorder aux associations le droit d’introduire
une action d’intérêt collectif (de Mme Fauzaya
Talhaoui et consorts) ; Doc. 3-1953/1 à 6.
|
Wetsvoorstel tot wijziging van de
gecoördineerde wetten op de Raad van State, teneinde
verenigingen een vorderingsrecht toe te kennen ter verdediging
van collectieve belangen (van mevrouw Fauzaya Talhaoui
c.s.); Stuk 3-1953/1 tot 6.
|
|
l’après-midi à
15 heures
|
’s namiddags om 15 uur
|
|
Prise en considération de
propositions.
|
Inoverwegingneming van voorstellen.
|
|
Débat d’actualité
et questions orales.
|
Actualiteitendebat en mondelinge
vragen.
|
|
Projet de loi modifiant les lois
coordonnées du 12 janvier 1973 sur le Conseil
d’État ; Doc. 3-2070/1 et 2.
|
Wetsontwerp tot wijziging van de
gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de
Raad van State; Stuk 3-2070/1 en 2.
|
|
Art. 81, alinéa 3,
et art. 78, alinéa premier, de la Constitution Projet
de loi désignant les représentants des infirmiers à
domicile à la commission de conventions
infirmiers-organismes assureurs (de Mme Annemie
Van de Casteele et consorts) ; Doc. 3-336/7
et 8.
|
Art. 81, derde lid, en
art. 78, eerste lid, van de Grondwet Wetsontwerp
tot aanwijzing van de vertegenwoordigers van de
thuisverpleegkundigen in de overeenkomstencommissie
verpleegkundigen-verzekeringsinstellingen (van mevrouw Annemie
Van de Casteele c.s.); Stuk 3-336/7 en 8.
|
|
À partir de 17 heures :
Votes nominatifs sur l’ensemble des points à
l’ordre du jour dont la discussion est terminée.
|
Vanaf 17 uur:
Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun
geheel.
|
|
Demandes d’explications :
|
Vragen om uitleg:
|
|
– de M. Christian
Brotcorne au vice-premier ministre et ministre des Finances sur
« les négociations en vue d’une révision
de la convention franco-belge préventive de double
imposition » (nº 3-2187) ;
|
– van de heer Christian
Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Financiën
over “de onderhandelingen in het kader van de herziening
van de Belgisch-Franse overeenkomst tot het vermijden van dubbele
belasting” (nr. 3-2187);
|
|
– de M. Christian
Brotcorne au vice-premier ministre et ministre des Finances sur
« l’instauration d’un incitant fiscal en
vue de favoriser le mécénat d’entreprise »
(nº 3-2188) ;
|
– van de heer Christian
Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Financiën
over “de invoering van een fiscale incentive ter
bevordering van het bedrijfsmecenaat” (nr. 3-2188);
|
|
– de Mme Jacinta De Roeck
à la vice-première ministre et ministre du Budget
et de la Protection de la consommation sur « le champ
d’application de la réglementation élaborée
pour les travailleurs qui dénoncent des irrégularités »
(nº 3-2184) ;
|
– van mevrouw Jacinta
De Roeck aan de vice-eersteminister en minister van
Begroting en Consumentenzaken over “het toepassingsgebied
van de regeling voor klokkenluiders” (nr. 3-2184);
|
|
– de Mme Jacinta De Roeck
à la vice-première ministre et ministre du Budget
et de la Protection de la consommation sur « la vente
couplée dans le secteur des télécommunications »
(nº 3-2185) ;
|
– van mevrouw Jacinta
De Roeck aan de vice-eersteminister en minister van
Begroting en Consumentenzaken over “koppelverkoop in de
telecommunicatiesector” (nr. 3-2185);
|
|
– de M. Christian
Brotcorne au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur
sur « l’octroi du statut de protection
temporaire aux victimes de la guerre civile en Irak »
(nº 3-2192) ;
|
– van de heer Christian
Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse
Zaken over “het verlenen van tijdelijke bescherming aan de
slachtoffers van de burgeroorlog in Irak” (nr. 3-2192);
|
|
– de Mme Jacinta De Roeck
au ministre des Affaires étrangères sur « la
proposition d’autonomie du Sahara occidental »
(nº 3-2189) ;
|
– van mevrouw Jacinta
De Roeck aan de minister van Buitenlandse Zaken over “het
voorstel tot autonomie van de Westelijke Sahara”
(nr. 3-2189);
|
|
– de Mme Margriet Hermans
au ministre des Affaires étrangères sur « la
Convention du Conseil de l’Europe sur la lutte contre la
traite des êtres humains » (nº 3-2190) ;
|
– van mevrouw Margriet
Hermans aan de minister van Buitenlandse Zaken over “het
Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van
mensenhandel” (nr. 3-2190);
|
|
– de Mme Annemie
Van de Casteele au ministre des Affaires sociales et de
la Santé publique sur « le travail de bénévolat
effectué par des indépendants en incapacité
de travail » (nº 3-2194) ;
|
– van mevrouw Annemie
Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid over “vrijwilligerswerk door
arbeidsongeschikte zelfstandigen” (nr. 3-2194);
|
|
– de M. Hugo Vandenberghe
au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique
sur « les grandes quantités de benzène
dans les boissons rafraîchissantes »
(nº 3-2195) ;
|
– van de heer Hugo
Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
over “de grote hoeveelheden benzeen in frisdranken”
(nr. 3-2195);
|
|
– de M. Hugo Vandenberghe
au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique
sur « les conditions de travail des médecins
généralistes en formation »
(nº 3-2196) ;
|
– van de heer Hugo
Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
over “arbeidsvoorwaarden van de huisartsen in opleiding”
(nr. 3-2196);
|
|
– de Mme Jacinta De Roeck
au ministre de la Coopération au Développement sur
« le fonds des garanties » (nº 3-2170) ;
|
– van mevrouw Jacinta
De Roeck aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over
“het garantiefonds” (nr. 3-2170);
|
|
– de Mme Christel Geerts
au ministre de la Fonction publique, de l’Intégration
sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité
des chances et au ministre de l’Emploi sur « la
politique relative aux holebis » (nº 3-2186) ;
|
– van mevrouw Christel
Geerts aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke
Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen en aan de
minister van Werk over “het holebibeleid”
(nr. 3-2186);
|
|
– de M. Berni Collas au
ministre de la Mobilité sur « la réforme
de la formation à la conduite pour le permis de conduire
de la catégorie G » (nº 3-2191).
|
– van de heer Berni
Collas aan de minister van Mobiliteit over “de hervorming
van de rijopleiding voor het rijbewijs categorie G”
(nr. 3-2191).
|
|
– Le Sénat est
d’accord sur cet ordre des travaux.
|
– De Senaat is het eens met
deze regeling van de werkzaamheden.
|
|
Demande
d’explications de M. Luc Willems à la
vice-première ministre et ministre de la Justice et au
vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur
«les crimes d’honneur» (nº 3-2171)
|
Vraag
om uitleg van de heer Luc Willems aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de
eer- en bloedwraak» (nr. 3-2171)
|
|
Mme la présidente.
– M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire
d’État à la Simplification administrative,
adjoint au premier ministre, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris
voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste
minister, antwoordt.
|
|
M. Luc
Willems (VLD). – Comme indiqué dans une
précédente demande d’explications
(nº 3-1077), le problème des crimes d’honneur
se pose également en Belgique. Il ne s’agit pas
seulement de la défense de l’honneur sexuel mais
souvent aussi de conflits relatifs aux affaires et d’insultes.
Des hommes en sont souvent les victimes et l’issue est
parfois fatale.
Aux Pays-Bas,
on enseigne aux agents la manière dont ils peuvent
signaler les crimes d’honneur. Ce phénomène
ayant été repris comme module obligatoire dans la
formation de base des policiers, les agents sur le terrain sont
sensibles à cette problématique.
Au début
de 2006, la ministre de la Justice a rédigé une
circulaire et l’a adressée aux parquets. La ministre
y demandait aux procureurs généraux d’élaborer
un plan d’action contre la violence intrafamiliale. Elle
estimait que les parquets devaient également être
attentifs aux constats de crimes d’honneur. Après
une enquête, les parquets peuvent qualifier certains faits
de crime d’honneur.
Les parquets
sont-ils aujourd’hui attentifs aux constats de crimes
d’honneur, surtout dans les cas de violence
intrafamiliale ?
Existe-t-il,
pour les crimes d’honneur, un code spécial
permettant d’introduire de tels dossiers dans les bases de
données des parquets ? Dans l’affirmative, la
ministre dispose-t-elle de chiffres fiables relatifs au nombre de
crimes d’honneur en Belgique en 2006 ?
Où en
est le plan d’action contre la violence intrafamiliale que
la ministre demandait d’élaborer au début de
2006 ?
Le phénomène
des crimes d’honneur constitue-t-il un module obligatoire
de la formation de base des policiers ? Si ce n’est
pas le cas, quelles sont les mesures nécessaires pour le
permettre ? Dans quel délai ce module obligatoire
peut-il être instauré ?
|
De heer Luc Willems
(VLD). – Zoals aangehaald in een eerdere vraag om
uitleg (nr. 3-1077), bestaat ook in België het probleem
van de eer- en bloedwraak. Het gaat niet alleen om de verdediging
van seksuele eer, maar vaak ook om zakelijke conflicten en
uitgesproken beledigingen. Ook mannen zijn vaak het slachtoffer,
soms met dodelijke afloop.
In Nederland wordt aan agenten
onderwezen hoe zij eerwraak eerder kunnen signaleren. Door het
verschijnsel eerwraak als verplichte module in de basisopleiding
van politiemensen op te nemen, worden de mensen op het terrein
gevoelig voor deze problematiek.
De minister van Justitie schreef
begin 2006 een rondzendbrief aan de parketten waarin zij de
procureurs-generaal vroeg een actieplan tegen huiselijk geweld
uit te werken. Zij vond dat de parketten ook aandacht moesten
besteden aan de vaststellingen van eerwraak. Na een onderzoek
kunnen de parketten bepaalde feiten dan als eerwraak
kwalificeren.
Hebben de parketten nu aandacht voor
de vaststellingen van eerwraak, net als bij huiselijk geweld?
Bestaat er inzake eer- en bloedwraak
een speciale code om dergelijke dossiers in de databanken van de
parketten in te voeren? Zo ja, beschikt de minister over
betrouwbare cijfers over het aantal gevallen van eerwraak in
België voor het jaar 2006?
Hoe ver staat het met het actieplan
tegen huiselijk geweld dat de minister begin 2006 vroeg uit te
werken?
Is het fenomeen van de eerwraak een
verplichte module in de basisopleiding van politiemensen? Indien
dat niet het geval is, welke maatregelen zijn nodig om dat
mogelijk te maken en op welke termijn kan dat als een verplichte
module worden ingevoerd?
|
|
M. Vincent
Van Quickenborne, secrétaire d’État
à la Simplification administrative, adjoint au premier
ministre. – Je vous lis la réponse de la ministre de
la Justice.
Je tiens à
vous confirmer que les constats de crimes d’honneur dans le
cadre de la politique criminelle relative à la violence
intrafamiliale et conjugale concernent effectivement les
parquets.
En outre,
grâce à l’encodage informatisé uniforme
du phénomène de la violence intrafamiliale, des
statistiques fiables seront disponibles. Il n’existe
toutefois pas d’encodage spécifique pour les crimes
d’honneur. Selon des informations de la police fédérale,
il y aurait eu, ces six dernières années, quelques
crimes d’honneur.
La
concrétisation du plan d’action s’est traduite
par des directives communes de la ministre de la justice et du
collège des procureurs généraux (COL 3/2006
sur la définition de la violence intrafamiliale et 4/2006
sur la politique criminelle en matière de violence
intrafamiliale). Des magistrats de référence ont
été désignés dans tous les parquets
et des plans d’action ont été développés
en vue de lutter contre la violence intrafamiliale dans chaque
arrondissement.
Aujourd’hui,
une évaluation de cette circulaire est effectuée
par le service de politique criminelle. Il ressort d’une
première analyse que la politique proposée est bel
et bien appliquée sur le terrain. Après analyse
complète, le service de politique criminelle rédigera
un rapport présentant les meilleures pratiques pour qu’il
soit diffusé dans tous les arrondissements.
Le phénomène
des crimes d’honneur n’est pas un module obligatoire
dans la formation de base des agents de police. Toutefois, ils
reçoivent, dans le cadre de l’apprentissage des
techniques policières, des informations sur les
différences culturelles. Cette problématique vient
plus tard dans la formation de base, notamment quand on parle des
infractions contre les personnes et dans le cadre de la violence
intrafamiliale, qui est explicitement comprise comme sujet dans
la formation de base.
|
De heer Vincent
Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve
Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik
lees het antwoord van de minister van Justitie.
Ik bevestig dat het parket inderdaad
aandacht heeft voor vaststellingen van eerwraak in het kader van
het strafrechtelijk beleid inzake huiselijk geweld en
partnergeweld.
Bovendien zullen er dankzij de
eenvormige geïnformatiseerde codering van het fenomeen
huiselijk geweld betrouwbare statistieken bestaan. Er bestaat
geen specifieke codering voor bloed- en eerwraak. Volgens de
federale politie zouden de voorbije zes jaar een paar eremoorden
zijn gepleegd.
Op basis van de gemeenschappelijke
richtlijnen van de minister van Justitie en het college van
procureurs-generaal (COL 3/2006 over de definitie van
intrafamiliaal geweld en 4/2006 over het strafrechtelijk beleid
in verband met intrafamiliaal geweld) kreeg het actieplan vorm.
In alle parketten werden referentiemagistraten aangesteld en
actieplannen uitgewerkt met het oog op de bestrijding van het
huiselijk geweld in ieder arrondissement.
Momenteel wordt de rondzendbrief
geëvalueerd door de dienst Strafrechtelijk Beleid. Uit een
eerste analyse blijkt dat het voorgestelde beleid inderdaad op
het terrein wordt toegepast. De dienst Strafrechtelijk Beleid zal
na de volledige analyse de best practices opstellen zodat
deze kunnen worden verspreid in alle arrondissementen.
Het fenomeen van de eerwraak is geen
verplichte module in de basisopleiding van politiemensen. In de
opleiding politietechnieken krijgen ze echter wel informatie over
cultuurverschillen. Deze problematiek komt voorts aan bod in de
basisopleiding, met name waar het gaat om misdrijven tegen
personen en in het kader van het thema huiselijk geweld, dat wel
expliciet in de basisopleiding is vervat.
|
|
Demande
d’explications de Mme Clotilde Nyssens à la
vice-première ministre et ministre de la Justice sur «le
projet Phénix» (nº 3-2179)
|
Vraag
om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie over «het
Phenixproject» (nr. 3-2179)
|
|
Mme la présidente.
– M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire
d’État à la Simplification administrative,
adjoint au premier ministre, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris
voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste
minister, antwoordt.
|
|
Mme Clotilde Nyssens (CDH).
– Je me réjouis d’avoir introduit cette
demande d’explications il y a huit jours puisque ce matin
la ministre a fait des déclarations à propos du
projet Phénix dans la presse. Il était donc temps
d’interroger la ministre.
Lors du super-conseil des ministres
des 30 et 31 mars 2004, le premier ministre avait
déclaré qu’avant la fin de la législature,
le projet Phénix devait garantir une informatisation
complète de la Justice. En 2004 et 2005, tous les
tribunaux de police et du travail seraient informatisés.
Puis, ce serait le tour des autres tribunaux pour terminer en
2007, par la Cour de cassation et les tribunaux de commerce.
Avant la fin de la législature, l’ensemble des cours
et tribunaux seraient reliés entre eux par un intranet
sécurisé et une plate-forme compatible avec tous
les systèmes d’information. Des dossiers
électroniques verraient le jour.
Il semble qu’en
septembre 2005, le test du système au parquet de
police de Turnhout, qui devait être opérationnel en
2004, s’est soldé par un échec.
Le fournisseur, Unisys, n’aurait
pas respecté les dispositions contractuelles et le plan
d’exécution n’aurait pas été
suivi. Aujourd’hui il semble que les problèmes
restent entiers. Le système ne peut être testé.
Cela a notamment eu des conséquences
pour les justices de paix, qui ont été contraintes
d’acheter de coûteuses machines de seconde main.
Mes questions à Mme la
ministre sont les suivantes. Combien le projet Phénix
a-t-il coûté jusqu’à présent ?
Quels sont les engagements financiers ? Où en est la
situation avec le fournisseur du système ? Est-il
vrai que la situation est bloquée ? Le gouvernement
est-il condamné – comme on le laisse souvent
entendre – à continuer à travailler avec le
même fournisseur de services sous peine de payer de
considérables indemnités de dédit ?
Comment la ministre envisage-t-elle de débloquer la
situation ?
J’ai appris ce matin qu’un
conseil des ministres restreint a confirmé la rupture du
contrat avec la firme Unisys vu le retard accumulé par
cette firme et le manque manifeste de qualité des
prestations fournies. La ministre a ajouté qu’elle a
reçu le soutien de l’Ordre judiciaire et de
l’administration Fedict chargée de l’informatisation
des services de l’État, ainsi que l’accord de
l’inspection des Finances.
Pour sa part, Unisys évoque
des manquements graves du département de la Justice qui
serait dans l’incapacité de déployer le cadre
indispensable à la réussite du projet et déplore
que ses nombreuses propositions constructives soient restées
sans suite.
Selon le communiqué de la
ministre de ce matin, le gouvernement prendra toutes les mesures
utiles afin d’obtenir le dédommagement de
l’important préjudice subi par l’État.
Peut-on déjà estimer ce préjudice lié
à un marché qui semble atteindre 22 millions
d’euros ? Cependant Unisys a décidé
aussi de demander des dommages en justice à cause du choix
de la ministre et de la communication qu’elle a faite sur
le sujet. Les suites de cette affaire sont donc incertaines et ne
connaîtront pas de sitôt un aboutissement en justice.
Déjà en 2003, le
gouvernement parlait de dénoncer ce contrat. Pourquoi un
tel retard dans la prise de décision si les manquements
évoqués étaient déjà connus et
avérés ? Quels efforts ont-ils été
entrepris par la ministre dès le début pour que ce
projet aboutisse ? Qu’en est-il désormais de
l’informatisation de la Justice ? Il semble que ce
projet soit remis à 2008, c’est-à-dire durant
la prochaine législature. La ministre a parlé dans
la presse de créer un groupe d’experts pour
débroussailler le terrain et proposer un nouveau
calendrier des travaux. La ministre peut-elle nous donner de plus
amples informations à ce sujet ?
Voilà les questions que
j’aurais voulu poser à Mme Onkelinx. C’eût
été plus facile si elle avait été
présente plutôt que de demander des explications
complètes au secrétaire d’État.
|
Mevrouw Clotilde
Nyssens (CDH). – Ik ben blij dat ik deze vraag om
uitleg een week geleden heb ingediend, want vanochtend heeft de
minister in de pers verklaringen afgelegd over het Phenixproject.
Het was dus tijd om daarover een vraag te stellen.
Op de
superministerraad van 30 en 31 maart 2004 verklaarde de
eerste minister dat vóór het einde van de
regeerperiode het Phenixproject moest zorgen voor een volledige
informatisering van Justitie. In 2004 en 2005 zouden alle
politie- en arbeidsrechtbanken geautomatiseerd worden. Daarna
zouden de andere rechtbanken volgen en in 2007 zou het project
worden afgerond met het Hof van Cassatie en de rechtbanken van
koophandel. Vóór het einde van de regeerperiode
zouden de hoven en rechtbanken met elkaar verbonden zijn via een
beveiligd intranet en een programma dat compatibel is met alle
informaticasystemen. Er zouden elektronische dossiers worden
aangemaakt.
In
september 2005 is de test van het systeem bij het
politieparket van Turnhout, dat in 2004 operationeel moest zijn,
op een mislukking uitgelopen.
De
leverancier, Unisys, zou de contractuele bepalingen niet zijn
nagekomen en het uitvoeringsplan niet hebben gevolgd. Nu blijkt
dat de problemen blijven bestaan. Het systeem kan niet worden
getest.
Dat had vooral
gevolgen voor de vredegerechten, die dure tweedehands toestellen
moesten kopen.
Hoeveel heeft
het Phenixproject al gekost? Wat zijn de financiële
verbintenissen? Wat is de relatie met de leverancier van het
systeem? Is de situatie echt geblokkeerd? Is de regering gedoemd
voort te werken met dezelfde leverancier omdat ze anders
belangrijke afkoopsommen moet betalen? Hoe denkt de minister de
situatie te deblokkeren?
Ik heb
vanochtend vernomen dat een beperkte ministerraad de verbreking
van het contract met Unisys heeft bevestigd, gelet op de
vertraging die deze firma heeft opgelopen en op het duidelijk
kwaliteitsgebrek van de geleverde diensten. De minister zei ook
dat ze de steun heeft gekregen van de Rechterlijke Orde en van
Fedict, de administratie die belast is met de informatisering van
de Staatsdiensten, alsook het akkoord van de Inspectie van
Financiën.
Unisys wijst
op ernstige tekortkomingen van het departement Justitie, dat niet
in staat zou zijn voor de nodige begeleiding te zorgen om het
project te doen slagen en betreurt dat tal van constructieve
voorstellen zonder gevolg zijn gebleven.
Volgens de
mededeling van de minister van vanochtend zal de regering alle
nodige maatregelen nemen om een vergoeding te krijgen voor de
aanzienlijke schade die de Staat heeft geleden. Kan deze schade
die betrekking heeft op een opdracht die blijkbaar 22 miljoen
euro kost, al worden geraamd? Unisys heeft ook aangekondigd voor
het gerecht een schadevergoeding te vragen als gevolg van de
beslissing van de minister en haar mededeling over deze
aangelegenheid. De afloop van deze zaak is dus onzeker.
In 2003 zei de
regering al dat ze het contract zou opzeggen. Waarom is de
beslissing zo laat genomen als de vermelde tekortkomingen al
bekend en bewezen waren? Welke inspanningen heeft de minister
vanaf de aanvang gedaan om het project te doen slagen? Hoe staat
het nu met de informatisering van Justitie? Ik heb de indruk dat
het project werd uitgesteld tot 2008, dus tot de volgende
regeerperiode. De minister zei in de pers dat een team van
experts zou worden samengesteld om het terrein te effenen en een
nieuw werkschema voor te stellen. Kan de minister ons daarover
meer informatie geven?
Die vragen wou
ik mevrouw Onkelinx stellen. Het zou veel eenvoudiger
geweest zijn indien ze aanwezig was, want nu zal de
staatssecretaris antwoorden.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Depuis 2001, le CD&V a
exprimé à plusieurs reprises en commission de la
Justice son inquiétude au sujet du projet Phénix.
Les mesures de simplification de l’informatique au sein de
la Justice ont manifestement un effet inverse. Pourquoi ce projet
« grandiose » ne parvient-il pas à
démarrer ?
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – CD&V heeft sinds 2001 in
de commissie voor de Justitie meermaals zijn bezorgdheid over het
Phenixproject geuit. Blijkbaar hebben de maatregelen om de
informatica binnen Justitie te vereenvoudigen een omgekeerd
effect. Kafka neemt enkel maar toe. Waarom raakt dit ‘grootse’
project niet van grond?
|
|
M. Vincent Van Quickenborne,
secrétaire d’État à la Simplification
administrative, adjoint au premier ministre. – Je vous lis
la réponse de Mme Onkelinx.
Comme vous l’avez sans doute
appris, j’ai rompu hier, avec l’accord du
gouvernement, le contrat conclu avec la société
Unisys, laquelle était chargée de développer
l’application informatique Phénix.
Cette décision était
inévitable vu les retards accumulés par la firme et
le manque manifeste de qualité des prestations fournies.
J’ai reçu le soutien de l’Ordre judiciaire et
de Fedict. L’inspection des Finances a également
marqué son accord sur cette décision.
Pour rappel, les principes du projet
Phénix avaient été adoptés en 2000.
Ce projet visait à uniformiser les outils informatiques
mis à la disposition de l’Ordre judiciaire, à
instaurer le dossier judiciaire électronique, à
accélérer et à simplifier ainsi le travail
du personnel judiciaire, et également à faciliter
les échanges entre l’Ordre judiciaire et les
auxiliaires de la Justice – les avocats, huissiers,
notaires, experts judiciaires – de même qu’avec
le justiciable.
En décembre 2001, le
gouvernement a accordé le marché Phénix à
la firme Unisys suite à un appel d’offres général.
Après une première
phase d’analyse fonctionnelle, Unisys a entamé la
phase clé « développement »
au milieu de l’année 2003.
Tout au long des quatre années
écoulées, le projet a fait l’objet d’un
suivi attentif, tant par Fedict que par un comité de
pilotage composé du président de la Cour de
cassation, du président du comité de direction du
SPF Justice et du chef de cabinet de la ministre de la Justice.
Lors de la première
concrétisation tangible de Phénix, c’est-à-dire
le lancement d’un site pilote au parquet de police de
Turnhout en avril 2005, des défauts de qualité
importants sont apparus.
Ce premier échec à
Turnhout a été pris très au sérieux
par la firme Unisys elle-même : la maison mère
américaine est intervenue et, en juin 2005, Unisys a
présenté un plan de remédiation. Ce dernier
a été validé par Fedict et a débouché
sur la conclusion d’un avenant au contrat en octobre 2005,
avec un planning adapté et des garanties supplémentaires
pour l’État.
Les équipes Unisys ont été
renforcées en conséquence et le travail s’est
poursuivi, certes avec des retards mais ceux-ci n’ont pas
été jugés anormaux, vu l’ampleur et la
complexité du projet.
En outre, plus aucune facture n’a
été payée par l’État depuis
décembre 2004.
À l’automne 2006, la
situation est redevenue préoccupante. Rien de ce qui
devait être délivré ne l’était à
temps et le seul délivrable disponible – application
limitée au règlement collectif de dettes –
était loin de répondre aux attentes des
utilisateurs de l’Ordre judiciaire appelés à
le tester. En outre, les équipes d’Unisys avaient
été réduites.
Compte tenu de ces nouveaux signaux
alarmants, Unisys a été formellement mise en
demeure de respecter ses engagements contractuels, en ce compris
le calendrier.
Des pourparlers ont eu lieu pour
essayer de sortir de l’impasse, mais en vain.
Au terme d’une analyse
méthodique, Fedict a en effet estimé que les
réponses apportées par Unisys étaient très
insuffisantes et que les chances de succès étaient
très minces.
Cet avis était partagé
par le pouvoir judiciaire.
La décision de mettre un
terme au contrat m’est donc apparue comme étant la
seule responsable pour préserver au mieux les intérêts
de l’État.
Le projet d’informatisation de
la Justice n’est pas pour autant abandonné. Le
gouvernement réaffirme sa volonté d’aller de
l’avant.
À court terme, il a été
décidé de poursuivre, avec d’autres
fournisseurs, la modernisation des applications informatiques
existantes au sein des justices de paix, tribunaux et parquets de
police, ainsi qu’en ce qui concerne le règlement
collectif de dettes. Ces applications seront centralisées
sur un serveur unique, et un module d’impression
centralisée des plis judiciaires pour ces trois entités
devrait être opérationnel dans les prochains mois.
Le prochain ministre de la Justice
sera amené à prendre les décisions qui
s’imposent pour relancer la procédure judiciaire
électronique. Il devra pouvoir le faire en connaissance de
cause. Pour l’aider dans cette tâche, un groupe
d’experts composé d’informaticiens, de
juristes et de représentants de l’Ordre judiciaire
sera chargé de faire des propositions concrètes
pour la mise en œuvre de la réorientation de ce
projet.
Par ailleurs, le matériel
informatique acquis dans le cadre du projet Phénix sera
bien rentabilisé tant pour le portail de l’Ordre
judiciaire que pour la modernisation et la centralisation des
applications existantes.
Grâce au projet JustScan –
scanning des dossiers judiciaires – qui vient d’être
lancé et à la banque de jurisprudence en ligne –
Juridat-bis – qui sera prochainement opérationnelle,
des progrès importants ont été réalisés
en matière d’informatisation de l’Ordre
judiciaire.
Une somme de 8.967.087 euros a été
payée à Unisys avant l’avenant
d’octobre 2005, soit environ 6.700.000 euros au cours
de la précédente législature et 2.260.000
euros au début de l’actuelle législature.
Cette somme fera l’objet d’une demande de dommages et
intérêts à charge d’Unisys par voie
judiciaire si nécessaire.
Par ailleurs, une somme d’environ
11.000.000 d’euros doit être considérée
comme ayant été consacrée à des
investissements totalement ou en très grande partie
récupérables. Il s’agit essentiellement de
l’achat du hardware, en l’espèce les serveurs
Bull – 10.945.923 euros – et du marché relatif
à l’impression centralisée – 432.000
euros.
Le coût des mesures à
prendre à très court terme pour assurer la
pérennité de l’outil informatique des
juridictions qui en ont le plus besoin est actuellement en cours
d’évaluation et sera mis à charge des crédits
2007 initialement prévus pour les paiements de la firme
Unisys. Cela concerne les justices de paix, les parquets et
tribunaux de police et les tribunaux du travail pour le
traitement du contentieux du règlement collectif de
dettes. Je pourrai vous en dire plus à l’issue du
contrôle budgétaire.
Pour les deux premières, il
s’agit de moderniser les applications existantes et de les
centraliser sur les serveurs Bull. Pour les juridictions du
travail, il s’agit de développer une application
standard pour le règlement collectif de dettes.
En tout état de cause, tout
est actuellement mis en œuvre pour que l’ambitieux
projet d’informatisation de la Justice puisse se poursuivre
sur des bases saines.
|
De heer Vincent
Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve
Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik
lees het antwoord van mevrouw Onkelinx.
Zoals u
wellicht al hebt vernomen heb ik gisteren, met instemming van de
regering, het contract verbroken met Unisys, de firma die belast
was met de uitwerking van de informaticatoepassing Phenix.
Die beslissing
was onvermijdelijk, gelet op de door de firma opgelopen
vertraging en het duidelijke kwaliteitsgebrek van de geleverde
diensten. Ik heb de steun gekregen van de Rechterlijke Orde en
van Fedict. Ook de Inspectie van Financiën gaf haar akkoord
voor deze beslissing.
De principes
van het Phenixproject werden in 2000 aangenomen. Het project had
tot doel de informaticasystemen van de Rechterlijke Orde
gelijkvormig te maken, het elektronisch gerechtelijk dossier in
te voeren, het werk van het gerechtelijk personeel te versnellen
en te vereenvoudigen en ook de informatie-uitwisseling te
vergemakkelijken tussen de Rechterlijke Orde en de diverse
personen die bij de procesvoering betrokken zijn, zoals
advocaten, notarissen, gerechtsdeurwaarders en
gerechtsdeskundigen, alsook met de rechtsonderhorigen.
In
december 2001 heeft de regering, na een openbare
aanbesteding, de Phenixopdracht toegekend aan de firma Unisys.
Na een eerste
functionele analyse ving Unisys medio 2003 de ontwikkelingsfase
aan.
De afgelopen
vier jaar werd het project nauwlettend gevolgd, zowel door Fedict
als door een begeleidingscomité, samengesteld uit de
voorzitter van het Hof van Cassatie, de voorzitter van het
directiecomité van de FOD Justitie en de kabinetschef van
de minister van Justitie.
Op het
ogenblik van de eerste tastbare concretisering van Phenix,
namelijk de lancering van een pilootsite bij het politieparket
van Turnhout in april 2005, kwamen belangrijke
kwaliteitsgebreken aan het licht.
Die eerste
mislukking in Turnhout werd door de firma Unisys zeer ernstig
genomen: het Amerikaanse moederbedrijf kwam tussenbeide en in
juni 2005 stelde Unisys een herstelplan voor. Dat plan kreeg
groen licht van Fedict en leidde tot het sluiten van een bijakte
bij het contract, in oktober 2005, met een aangepaste
planning en bijkomende garanties voor de Staat.
Het werk werd
voortgezet met een versterkt Unisysteam. Er doken vertragingen
op, maar die werden niet ernstig bevonden, gelet op de omvang en
de complexiteit van het project. Sinds december 2004 heeft
de Staat overigens geen enkele factuur meer betaald.
In de herfst
van 2006 werd de situatie opnieuw zorgwekkend. Niets van wat
moest worden afgeleverd, was op tijd beschikbaar en het enige
tastbare resultaat – een beperkte toepassing voor de
collectieve schuldenregeling – beantwoordde lang niet aan
de verwachtingen van de gebruikers van de Rechterlijke Orde die
het moesten testen. Bovendien werd het team van Unisys beperkt.
Gezien de
nieuwe alarmerende signalen werd Unisys formeel in gebreke
gesteld om al haar contractuele verplichtingen na te komen, met
inbegrip van het tijdschema.
Er werden
tevergeefs besprekingen gevoerd om een uitweg te vinden uit de
impasse.
Na het
uitvoeren van een methodologische analyse was Fedict van mening
dat de antwoorden van Unisys onvoldoende waren en dat de
slaagkans zeer beperkt was.
Dat was ook
het advies van de rechterlijke macht.
De beslissing
om het contract te beëindigen leek mij dan ook de enige
verantwoorde beslissing om de belangen van de Staat veilig te
stellen.
Het
informatiseringsproject van Justitie wordt echter niet opgegeven.
De regering bevestigt haar wil om hiermee voort te gaan.
Er werd
beslist op korte termijn, met andere leveranciers, voort te
werken aan de modernisering van de bestaande
informaticatoepassingen in de vredegerechten, politierechtbanken
en -parketten, evenals aan de collectieve schuldenregeling. Deze
toepassingen zullen worden gecentraliseerd op één
server. De komende maanden zou een module voor het
gecentraliseerd afdrukken van gerechtsbrieven voor deze drie
eenheden operationeel moeten zijn.
De volgende
minister van Justitie zal de nodige beslissingen moeten nemen om
het project van de elektronische gerechtelijke procedure weer op
te starten. Hij moet dat met kennis van zaken kunnen doen. Daarom
werd een groep van experts opgericht, samengesteld uit
informatici, juristen en vertegenwoordigers van de Rechterlijke
Orde, met als opdracht concrete voorstellen te doen voor de
heroriëntering van dit project.
Het materiaal
dat werd verworven in het kader van Phenix wordt bovendien
rendabel gemaakt, zowel voor de portaalsite van de Rechterlijke
Orde als voor de modernisering en de centralisering van de
bestaande toepassingen.
Dankzij het
project JustScan – het scannen van gerechtsdossiers –
dat onlangs werd gelanceerd en de online databank –
Juridat-bis – die binnenkort operationeel wordt,
werd een belangrijke vooruitgang geboekt voor de automatisering
van de Rechterlijke Orde.
Vóór
de bijakte van oktober 2005 werd een bedrag van 8.967.087
euro betaald aan Unisys, ongeveer 6.700.000 euro tijdens de
vorige regeerperiode en 2.260.000 euro bij de aanvang van de
huidige regeerperiode. Voor dat bedrag zal aan Unisys een
schadevergoeding worden gevraagd, zo nodig via gerechtelijke weg.
Een bedrag van
ongeveer 11.000.000 euro moet overigens worden beschouwd als een
investering die totaal of voor een groot gedeelte kan worden
terugverdiend. Dat bedrag heeft hoofdzakelijk betrekking op de
aankoop van de hardware, Bullservers, voor 10.945.923 euro, en de
opdracht voor het gecentraliseerd afdrukken, een bedrag van
432.000 euro.
De kostprijs
van de maatregelen die op zeer korte termijn moeten worden
genomen om het voortbestaan te garanderen van de
informatica-apparatuur van de rechtbanken die zulks het meest
nodig hebben, wordt thans geraamd en zal ten laste komen van de
kredieten 2007 die oorspronkelijk werden uitgetrokken voor de
betalingen aan de firma Unisys. Het gaat om de vredegerechten, de
politierechtbanken en de arbeidsrechtbanken voor de behandeling
van de geschillen inzake de collectieve schuldenregeling. Na de
begrotingscontrole kan ik u daarover meer zeggen.
Voor de twee
eerste rechtbanken moeten de bestaande toepassingen worden
gemoderniseerd en gecentraliseerd op de Bullservers. Voor de
arbeidsrechtbanken moet een standaardtoepassing worden ontwikkeld
voor de collectieve schuldenregeling.
In ieder geval
wordt alles in het werk gesteld opdat het ambitieuze
automatiseringsproject van Justitie op een gezonde basis kan
worden voortgezet.
|
|
Mme Clotilde Nyssens (CDH).
– Je suis catastrophée à l’idée
que ce projet Phénix se termine de cette manière,
même si les éléments positifs mis en avant
tentent de minimaliser.
Je ne sais pas qui est en faute. La
firme Unisys dit que Mme Onkelinx minimalise ses propres
fautes. De toute façon, la collaboration n’a pas
marché. Unisys est indignée par la réaction
du gouvernement et de Mme Onkelinx en disant qu’aucune
suite n’a été donnée à de
nombreuses propositions constructives de la firme. Je n’en
sais rien. Je ne connais rien en informatique et encore moins
dans le suivi de Phénix pratiquement.
Ce qui me désole, c’est
que l’on attend depuis longtemps l’informatisation de
la justice. C’est ce qui fait la lenteur de la justice.
Nous avions fait confiance. On parlait du projet Phénix
comme étant le projet que l’on attendait.
Aujourd’hui, nous en sommes là : à des
actions en justice pour récupérer des dommages et
intérêts et couper le contrat.
Je trouve cela désolant, en
fin de législature. La qualité de la justice passe
par l’informatisation. Les projets boulimiques que
Mme Onkelinx nous a fait voter contiennent sans doute
beaucoup de choses positives, mais l’informatisation est un
préalable. Je suis très inquiète pour
l’avenir de la Justice et je suivrai attentivement ce
dossier.
|
Mevrouw Clotilde
Nyssens (CDH). – Ik ben ontsteld dat het Phenixproject
op deze wijze eindigt, ook al probeert men de mislukking te
minimaliseren door de positieve punten te vermelden.
Ik weet niet
wie schuld treft. De firma Unisys zegt dat mevrouw Onkelinx
haar eigen tekortkomingen minimaliseert. In ieder geval is de
samenwerking mislukt. Unisys is verontwaardigd door de reactie
van de regering en van mevrouw Onkelinx en zegt dat geen
enkel gevolg werd gegeven aan de constructieve voorstellen van de
firma. Ik weet het niet. Ik ken niets van informatica en nog
minder van de praktische opvolging van het Phenixproject.
Ik vind het
jammer omdat we al lang wachten op de informatisering van
justitie. Het ontbreken daarvan ligt aan de basis van de
traagheid van het gerecht. We hadden vertrouwen. Er werd over
Phenix gesproken als over het verwachte project. Vandaag worden
bij het gerecht stappen gedaan om schadevergoeding te krijgen en
het contract te verbreken.
Dat is jammer,
op het einde van de regeerperiode. De kwaliteit van het gerecht
hangt af van de informatisering. De geldverslindende projecten
die mevrouw Onkelinx ons heeft doen goedkeuren, bevatten
wellicht vele positieve dingen, maar de informatisering is de
allereerste voorwaarde. Ik ben zeer ongerust over de toekomst van
Justitie en ik zal dit dossier met belangstelling volgen.
|
|
Demande
d’explications de M. Hugo Vandenberghe à la
vice-première ministre et ministre de la Justice sur «la
rémunération des avocats pour des prestations dans
le cadre de l’assistance juridique» (nº 3-2180)
|
Vraag
om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie over «de
vergoeding van advocaten voor prestaties geleverd in het kader
van de rechtsbijstand» (nr. 3-2180)
|
|
Mme la présidente.
– M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire
d’État à la Simplification administrative,
adjoint au premier ministre, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris
voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste
minister, antwoordt.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Le 1er janvier 2004
sont entrés en vigueur les deux arrêtés
royaux et l’arrêté ministériel du
18 décembre 2003 déterminant les
conditions de la gratuité totale ou partielle du bénéfice
de l’aide juridique de deuxième ligne et de
l’assistance judiciaire, de même que les conditions
d’octroi, de barème et de mode de paiement de la
rémunération des avocats qui en sont chargés.
L’objectif de ces arrêtés est un meilleur
accès à la justice. Dans cette optique, le budget
devait être augmenté, ce qui s’est aussi
traduit dans le budget de 2004. En 2003, l’enveloppe avait
déjà augmenté de 10%. Ces augmentations
mettraient fin à la diminution constante de la valeur des
points de la rémunération des avocats qui n’a
pas pu être freinée ces dernières années.
Ces arrêtés
permettraient également de mieux tenir compte des frais de
fonctionnement des commissions d’assistance juridique. Le
montant que les barreaux peuvent consacrer au paiement des frais
concernés a été porté de 2% à
4,5%.
Enfin, le
plafond de revenus donnant droit à l’aide juridique
de deuxième ligne a été augmenté sur
la base du revenu d’intégration mensuel moyen.
La ministre
dispose-t-elle déjà de chiffres provisoires
concernant le nombre de désignations accordées
durant les périodes du 1er janvier au
31 décembre 2005 et du 1er janvier
au 31 décembre 2006 ? Que représentent
ces chiffres par rapport au nombre de désignations
accordées durant la même période des années
2001 à 2004 inclusivement ?
La ministre
peut-elle indiquer la valeur d’un point pour 2006 ?
Quel impact la
ministre attend-elle de ses mesures sur la valeur des points pour
2007 et 2008 ?
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Op 1 januari 2004
zijn de twee koninklijke besluiten en het ministerieel besluit
van 18 december 2003 in werking getreden die betrekking
hebben op de voorwaarden van de volledige of gedeeltelijke
kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en
rechtsbijstand, alsook op de voorwaarden voor de toekenning, het
tarief en de wijze van uitbetaling van de vergoeding van de
advocaten die hiermee belast zijn. Deze besluiten hebben een
betere toegankelijkheid van het gerecht tot doel. Met het oog
hierop diende het budget te worden opgetrokken, wat ook in de
begroting voor 2004 tot uiting kwam. In 2003 werd de enveloppe
reeds met 10% verhoogd. Deze verhogingen zouden een einde maken
aan de aanhoudende waardevermindering van de punten van de
advocatenvergoeding, die de voorbije jaren niet kon worden
tegengehouden.
De besluiten zouden het tevens
mogelijk maken om beter rekening te houden met de werkingskosten
van de commissies voor juridische bijstand. Het bedrag dat de
balies kunnen aanwenden voor de betaling van de betrokken kosten
werd opgetrokken van 2% tot 4,5%.
Tenslotte werd het inkomensplafond
dat recht geeft op de juridische tweedelijnsbijstand verhoogd op
basis van het gemiddelde maandelijkse leefloon.
Beschikt de minister reeds over
voorlopige cijfers betreffende het aantal aanstellingen dat werd
toegekend in de periode van 1 januari 2005 tot
31 december 2005 en de periode 1 januari 2006
tot 31 december 2006? Hoe verhouden deze cijfers zich
tot het aantal aanstellingen dat werd toegekend in dezelfde
periode in 2001 tot en met 2004?
Kan de minister de waarde van een
punt meedelen voor 2006?
Welke impact verwacht de minister
van haar maatregelen op de waarde van de punten voor 2007 en
2008?
|
|
M. Vincent
Van Quickenborne, secrétaire d’État
à la Simplification administrative, adjoint au premier
ministre. – Je vous lis la réponse de la ministre
Onkelinx.
Le nombre de
désignations pour l’année civile 2006 est de
155.866 pour 155.117 en 2005. Ce nombre a augmenté de
manière substantielle ces trois dernières années,
soit de plus ou moins 25%. Il était de 124.806 en 2003 et
de 143.743 en 2004. Mon administration ne dispose cependant pas
de chiffres pour les années antérieures à
2003.
Les ordres
communautaires m’ont adressé le 9 février 2007
un courrier m’indiquant que la valeur du point pour l’année
judiciaire 2005-2006 serait fixée à 22,79 euros.
Dans le cadre du contrôle budgétaire qui s’annonce,
j’ai cependant sollicité une augmentation de
l’enveloppe de l’aide juridique, de manière à
maintenir la valeur du point à 24,22 euros, c’est-à-dire
à celle de l’année précédente.
L’augmentation
du nombre de bénéficiaires de l’aide
juridique, qui démontre l’efficacité de la
politique menée en matière d’accès à
la Justice, peut avoir pour conséquence une diminution de
la valeur du point si l’enveloppe de l’aide juridique
n’est pas majorée.
Depuis mon
arrivée au département, toutes les mesures que vous
avez évoquées, prises en vue d’améliorer
l’accès à la justice des plus défavorisés,
et bien d’autres que j’ai également prises en
la matière, ont été graduellement
accompagnées de majorations substantielles du budget de
l’aide juridique. Au total, il s’agit d’une
augmentation de plus de 80%, soit de 25.000.000 d’euros en
2003 à près de 46.000.000 d’euros en 2006.
J’ai la
conviction qu’il faudra passer à court terme à
un système d’enveloppe ouverte et à la
fixation d’une valeur minimum du point à 25 euros.
C’est la seule manière d’assurer au
justiciable un service de qualité, tout en garantissant
une rémunération adéquate et stable,
indépendante de toute opération de rattrapage
budgétaire, aux avocats qui travaillent dans le cadre de
l’aide juridique de deuxième ligne.
|
De heer Vincent
Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve
Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik
lees het antwoord van minister Onkelinx.
Het aantal aanwijzingen voor het
kalenderjaar 2006 bedraagt 155.866, tegenover 155.117 in 2005.
Dat aantal is de voorbije drie jaar met ongeveer 25% toegenomen.
In 2003 waren er 124.806 en in 2004 zelfs 143.743. Mijn
administratie beschikt echter niet over cijfers voor de jaren
vóór 2003.
De communautaire orden hebben mij op
9 februari 2007 een brief gestuurd, waarin mij werd
meegedeeld dat de waarde van het punt voor het gerechtelijk jaar
2006-2007 zou worden vastgelegd op 22,79 euro. In het raam van de
komende begrotingscontrole heb ik echter een verhoging gevraagd
van de enveloppe voor rechtsbijstand, zodat de waarde van het
punt behouden kan blijven op 24,22 euro, de waarde van het punt
van vorig jaar.
De toename van het aantal genieters
van rechtsbijstand kan een vermindering van de waarde van het
punt tot gevolg hebben als de enveloppe voor rechtsbijstand niet
wordt verhoogd. Dit toont de efficiëntie aan van het beleid
betreffende de toegang tot het gerecht.
Sedert ik bij dit departement kwam,
heb ik alle maatregelen die werden aangehaald genomen om de
toegang tot het gerecht te verbeteren voor de minst bedeelden,
alsmede talrijke andere maatregelen ter zake. Die gingen gradueel
gepaard met substantiële verhogingen van het budget voor
juridische bijstand. In totaal gaat het om een verhoging met meer
dan 80%, namelijk van 25 miljoen euro in 2003 naar 46 miljoen
euro in 2006.
Ik ben ervan overtuigd dat men op
korte termijn tot een systeem van open enveloppe moet komen en
tot het vastleggen van de waarde van het punt op 25 euro. Dit is
de enige manier om de rechtsonderhorige een kwalitatieve
dienstverlening te garanderen terwijl men tegelijk aan de
advocaten in het raam van de juridische tweedelijnsbijstand een
adequate en stabiele honorering kan garanderen, onafhankelijk van
alle operaties inzake budgettaire aanpassingen.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – L’assistance juridique
ne doit pas être financée par les avocats mais avec
des moyens publics. Des mesures ont été prises
mais, vu l’augmentation, un effort complémentaire
doit être fait pour fixer définitivement la valeur
du point.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – De rechtsbijstand moet niet
worden gefinancierd door de advocaten maar met algemene middelen.
Er werden maatregelen genomen, maar gelet op de toename, moet een
bijkomende inspanning worden gedaan om de waarde van het punt
definitief vast te leggen.
|
|
Demande
d’explications de M. Hugo Vandenberghe à la
vice-première ministre et ministre de la Justice sur «la
garantie à payer en cas de dépôt de plainte
avec constitution de partie civile» (nº 3-2181)
|
Vraag
om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie over «de te
betalen waarborg bij het indienen van een klacht met
burgerlijkepartijstelling» (nr. 3-2181)
|
|
Mme la présidente.
– M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire
d’État à la Simplification administrative,
adjoint au premier ministre, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris
voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste
minister, antwoordt.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Lorsqu’un particulier
ou une entreprise souhaite déposer dans les mains d’un
juge d’instruction une plainte avec constitution de partie
civile, il doit payer une garantie.
Manifestement,
les montants de cette garantie diffèrent fortement en
fonction, d’une part, de l’identité du
plaignant – particulier ou personne morale – et,
d’autre part, de l’arrondissement où la
plainte est déposée.
Combien un
particulier qui souhaite déposer une plainte au pénal
avec constitution de partie civile doit-il payer comme garantie
dans les différents arrondissements judiciaires ?
Combien une
personne morale qui souhaite déposer une plainte au pénal
avec constitution de partie civile doit-elle payer comme garantie
dans les différents arrondissements judiciaires ?
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Wanneer een particulier of
een onderneming een klacht met burgerlijkepartijstelling wenst in
te dienen in handen van een onderzoeksrechter, dient hiervoor een
waarborg te worden betaald.
Blijkbaar lopen de bedragen van deze
waarborgen sterk uiteen, afhankelijk enerzijds van de vraag of de
klager een particulier, dan wel een rechtspersoon is en
anderzijds van het arrondissement waar de klacht wordt ingediend.
Hoeveel moet een particulier die een
strafklacht met burgerlijkepartijstelling wenst in te dienen, aan
waarborg betalen in de verschillende gerechtelijke
arrondissementen?
Hoeveel moet een rechtspersoon die
een strafklacht met burgerlijke partijstelling wenst in te
dienen, aan waarborg betalen in de verschillende gerechtelijke
arrondissementen?
|
|
M. Vincent
Van Quickenborne, secrétaire d’État
à la Simplification administrative, adjoint au premier
ministre. – Je vous lis la réponse de la ministre
Onkelinx.
Le principe de
la provision est prévu par l’article 108 de
l’arrêté royal du 28 décembre 1950
portant règlement général sur les frais de
justice en matière répressive. Il précise
que si une partie civile fait démarrer l’action ou
procède à la citation directe, elle doit déposer
au greffe la somme supposée nécessaire aux frais de
la procédure. Une nouvelle somme doit être déposée
si la première est devenue insuffisante.
Le montant de
cette provision diffère en effet en fonction des
arrondissements. L’appréciation du montant de la
provision est une décision de fait et souveraine du juge
d’instruction, et ce en fonction des frais à
attendre de la procédure.
Vous
comprendrez que, puisque ces données ne sont pas
systématiquement tenues à jour, je devrais, pour
pouvoir répondre à votre question, interroger tous
les juges d’instruction des différents
arrondissements judiciaires par le biais des canaux habilités
à cet effet, ce qui est impossible dans le peu de temps
qui m’est imparti pour répondre à cette
question.
|
De heer Vincent
Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve
Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik
lees het antwoord van minister Onkelinx.
Het principe van de provisie is
vastgelegd in artikel 108 van het koninklijk besluit van
28 december 1950 houdende algemeen reglement op de
gerechtskosten in strafzaken. Dit artikel bepaalt dat wanneer een
burgerlijke partij de strafvordering op gang brengt of overgaat
tot rechtstreekse dagvaarding, ze de som die vermoedelijk nodig
is voor de kosten van de rechtspleging, ter griffie dient neer te
leggen. Een nieuwe som moet worden betaald, indien de eerste
ontoereikend is geworden.
Deze provisie is inderdaad niet in
alle arrondissementen even groot. Het is de onderzoeksrechter die
hierover feitelijk en soeverein beslist op basis van de te
verwachten kosten van de rechtspleging.
Aangezien deze gegevens niet
systematisch worden bijgehouden, moet ik, om op de vraag te
kunnen antwoorden, via de geëigende kanalen inlichtingen
inwinnen bij alle onderzoeksrechters van de verschillende
gerechtelijke arrondissementen. U begrijpt dat dit in het korte
tijdsbestek waarin deze vraag beantwoord moet worden, onmogelijk
is.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Je reposerai cette question,
mais par écrit.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Ik zal de vraag opnieuw
stellen, maar dan schriftelijk.
|
|
Demande
d’explications de M. Hugo Vandenberghe à la
vice-première ministre et ministre de la Justice et au
vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur
«le centre fermé de Vottem» (nº 3-2182)
|
Vraag
om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «het
gesloten centrum van Vottem» (nr. 3-2182)
|
|
Mme la présidente.
– M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire
d’État à la Simplification administrative,
adjoint au premier ministre, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris
voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste
minister, antwoordt.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – En novembre, les médias
ont dénoncé des situations inhumaines dans le
centre fermé de Vottem. Les demandeurs d’asile
souffrant de troubles psychiatriques sont systématiquement
placés en cellule d’isolement sans le moindre
accompagnement psychiatrique. Ces témoignages confirment
un rapport sur les centres fermés dressé par cinq
organisations non gouvernementales.
Quatre mois
plus tard, la presse révèle que ces situations
déplorables n’ont pas disparu. Des infirmiers
dénoncent des violations massives du code de déontologie
médicale. Des personnes agitées recevraient ainsi
systématiquement une injection de calmant.
Si telle est
la réalité belge, nous pouvons difficilement parler
d’une politique d’asile humaine. Il s’agit même
d’une atteinte flagrante aux droits de l’homme.
Le ministre
a-t-il connaissance d’abus dans le centre fermé de
Vottem ?
Qu’a-t-il
fait ces derniers mois pour lutter contre cette violence ?
Des plaintes
similaires ont-elles été formulées à
l’encontre d’autres centres fermés ?
Quelle
décision le ministre prendra-t-il pour combattre et
empêcher de telles pratiques ?
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – In november werden in de
Belgische media de mensonterende toestanden in het gesloten
centrum van Vottem aangeklaagd. Asielzoekers met psychische
problemen worden er systematisch in isoleercellen gestopt. Ze
blijven daar vaak wekenlang zonder psychiatrische begeleiding en
in erbarmelijke omstandigheden. De toenmalige getuigenissen
sloten aan bij een rapport over de gesloten centra dat werd
opgesteld door vijf niet-gouvernementele organisaties.
Nu, vier maanden later, lezen we
opnieuw in de krant dat de schrijnende toestanden nog steeds
bestaan. Verpleegkundigen klagen de massale inbreuken op de
medische deontologische code aan. Mensen die te onrustig of te
lastig zijn, krijgen systematisch een spuitje om te kalmeren.
Deze praktijk zou in het weekend veelvuldig worden gebruikt zodat
de bewakers geen problemen hebben met de daar verblijvende
mensen.
Dat we dit niet kunnen tolereren,
hoeft natuurlijk geen verdere uitleg. Het lijken trouwens
verhalen van oude tijden, toen respect voor de mens ver weg was.
Als dit de Belgische realiteit is, kunnen we moeilijk spreken van
een humaan asielbeleid. Erger nog, dit is een flagrante
aantasting van de rechten van de mens.
Heeft de minister weet van de
misbruiken in het gesloten centrum van Vottem?
Wat heeft de minister de voorbije
maanden gedaan om dit geweld tegen te gaan?
Zijn gelijkaardige klachten over
andere gesloten centra bekend?
Welke beleidsbeslissing zal de
minister nemen om deze praktijken tegen te gaan en in de toekomst
te voorkomen?
|
|
M. Vincent
Van Quickenborne, secrétaire d’État
à la Simplification administrative, adjoint au premier
ministre. – Je vous lis la réponse du ministre.
C’est
par la presse que j’ai appris les prétendus abus
commis au centre fermé de Vottem. Je déplore que
certains privilégient cette voie pour dénoncer des
problèmes plutôt que de suivre les procédures
prévues à cette fin.
J’ai
toujours demandé que les faits dénoncés
soient vérifiés. Les prétendus abus n’ont
pas été confirmés.
Il est inexact
que les demandeurs d’asile ne bénéficient
d’aucun suivi médical valable.
Il est vrai
que le centre emploie des infirmières intérimaires.
Trois infirmières sont en effet absentes pour une longue
période. Le manque de personnel infirmier n’est pas
propre au centre fermé. Deux infirmières ont depuis
lors accepté un emploi à temps plein à
Vottem.
Les
affirmations de l’article de presse ont été
démenties par les médecins actifs au centre fermé
de Vottem. Leur rapport est disponible sur le site internet de
l’Office des étrangers. Les injections de
neuroleptiques sont très rares et ne sont administrées
que sur prescription médicale. De plus, lorsque la
direction s’assure que l’ordre du médecin a
été exécuté, elle ne viole nullement
le secret médical.
Je n’ai
connaissance d’aucune plainte fondée quant au suivi
médical offert aux résidants des autres centres
fermés.
Enfin, je
demanderai que les plaintes soient déposées auprès
des instances de contrôle existantes : le service
général d’inspection de l’Office des
étrangers ou le service de contrôle interne créé
par la présidente du SPF Intérieur. Les résidants
des centres fermés peuvent aussi déposer plainte
auprès de la commission indépendante instaurée
voici quelques années. Les parlementaires, les
organisations internationales et certaines ONG ont en outre libre
accès aux centres fermés. Ils peuvent s’assurer
de la situation et me faire part de leurs constatations.
|
De heer Vincent
Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve
Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik
lees het antwoord van de minister.
Zoals al gezegd, heb ik de vermeende
misbruiken in het gesloten centrum van Vottem via de pers
vernomen. Ik betreur ten zeerste dat bepaalde personen deze weg
verkiezen om een aantal zaken aan te klagen in plaats van een
beroep te doen op de procedures die hiervoor bestaan.
Ik heb steeds de aangeklaagde feiten
laten nagaan. De vermeende misbruiken werden niet bevestigd. Net
zoals eerder in de Kamer, kan ik het volgende meedelen.
Het klopt niet dat er geen degelijke
medische begeleiding zou zijn. Een medisch team ziet wel degelijk
toe op de medische begeleiding volgens de regels van de
deontologische code van de bewoners van het gesloten centrum te
Vottem.
Dat er gewerkt wordt met
interimverpleegsters is juist. Om verschillende redenen zijn drie
verpleegsters voor een lange periode afwezig. Het gaat om twee
zwangere vrouwen en een derde verpleegster die geregeld afwezig
is. Het tekort aan verplegend personeel is een algemeen probleem
dat niet eigen is aan het gesloten centrum. Ik kan wel bevestigen
dat twee verpleegsters onlangs een voltijds arbeidscontract in
Vottem hebben aanvaard.
De aantijgingen aangehaald in het
persartikel werden punt voor punt weerlegd door de artsen die
actief zijn in het gesloten centrum van Vottem. Hun verslag is
terug te vinden op de website van de Dienst Vreemdelingenzaken.
Injecties met neuroleptica worden zelden toegediend en slechts op
voorschrift van de geneesheer. Bovendien schendt de directie op
geen enkele wijze het medische geheim wanneer ze aan een
verpleegster vraagt na te gaan of de opdracht van de geneesheer
effectief werd uitgevoerd.
Er zijn mij geen gefundeerde
klachten bekend in verband met de medische begeleiding van de
bewoners in de andere gesloten centra.
Ik kan ten slotte alleen vragen dat
klachten worden ingediend bij de bestaande controle-instanties,
namelijk de algemene inspectiedienst bij de Dienst
Vreemdelingenzaken, die toeziet op de werking van de gesloten
centra, of de interne controledienst die de voorzitster van de
FOD Binnenlandse Zaken heeft opgericht. De bewoners van de
gesloten centra kunnen ook een klacht indienen bij de
onafhankelijke klachtencommissie die een aantal jaren geleden in
het leven werd geroepen. Parlementsleden, internationale
organisaties en bepaalde ngo’s hebben vrij toegang tot de
gesloten centra om zich te vergewissen van de toestand en mij van
hun vaststellingen op de hoogte stellen. Mijn diensten hebben
niets te verbergen.
|
|
Demande
d’explications de M. Hugo Vandenberghe au vice-premier
ministre et ministre des Finances sur «les problèmes
au SPF Finances» (nº 3-2151)
|
Vraag
om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de
vice-eersteminister en minister van Financiën over «de
problemen bij de FOD Financiën» (nr. 3-2151)
|
|
Mme la présidente.
– M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire
d’État à la Simplification administrative,
adjoint au premier ministre, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris
voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste
minister, antwoordt.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – La semaine dernière
les contrôleurs des impôts sont à nouveau
apparus sous un jour peu brillant. Lors du passage d’un
test de l’institut de formation de l’État, les
résultats furent tout sauf roses. Dans plusieurs
départements cruciaux les chiffres de réussite sont
très préoccupants. Parmi les fonctionnaires qui se
consacrent, dans des centres de contrôle spécialisés,
aux grandes entreprises, seuls 52% des néerlandophones et
49% des francophones ont réussi le test. Dans les services
de perception de la TVA, ces taux de réussite sont
respectivement de 46 et 44 pour cent.
Y a-t-il un
problème de compétence chez nos fonctionnaires
fédéraux ou est-ce un problème
d’organisation des tests ?
Comment se
fait-il que le ministre n’arrive pas à dissiper
l’aura négative des administrations fiscales ?
Quelles
conclusions le ministre tire-t-il de cet incident et quelles
mesures entend-il prendre ?
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Afgelopen week kwamen de
belastingscontroleurs opnieuw in een slecht daglicht te staan. Na
afloop van een test door het opleidingsinstituut van de overheid,
waren de cijfers alles behalve rooskleurig. In een aantal
cruciale departementen waren de slaagcijfers erg verontrustend.
Van de ambtenaren die zich in gespecialiseerde controlecentra
toeleggen op de grote ondernemingen, is slechts 52 procent van de
Nederlandstaligen en 49 procent van de Franstaligen geslaagd. Bij
de invorderingsdiensten van de BTW is dat respectievelijk 46 en
44 procent.
Is er een bekwaamheidsprobleem bij
onze federale ambtenaren of is er een probleem met de organisatie
van de tests?
Hoe komt het dat de minister er niet
in slaagt om de negatieve aura rond de belastingsdiensten te
doorbreken?
Welke conclusies en maatregelen
neemt de minister naar aanleiding van dit voorval?
|
|
M. Vincent
Van Quickenborne, secrétaire d’État
à la Simplification administrative, adjoint au premier
ministre. – Je vous lis la réponse du ministre.
Je tiens tout
d’abord à rappeler une fois de plus que, sur un
total de 9.300 participants, 82% des candidats ont réussi
le test concluant la formation certifiée.
Je me réjouis
de ce taux de réussite plus que satisfaisant et qui est
fort éloigné des résultats soi-disant
catastrophiques dont certains médias se sont fait l’écho.
Il est exact
que pour certaines formations certifiées, le taux de
réussite est inférieur.
Comme je l’ai
déjà expliqué à plusieurs reprises,
cette disparité n’est pas anormale. Lors de
l’élaboration des formations et tests, il a été
tenu compte des besoins propres à chaque organisation
(administration, division, …) et de la plus-value
attendue pour celle-ci. Chaque organisation a déterminé
des plus-values et des objectifs différents. Ils ont
constitué la base à la fois pour les formations et
pour les tests. Par conséquent, il est logique que le
degré de difficulté des formations ait varié
et qu’elles aient donné lieu à des résultats
divergents.
Cela étant,
je puis comprendre la déception des agents qui ont échoué.
Mais je tiens à préciser encore que les chiffres
cités ne reflètent pas la situation de l’ensemble
du département.
Ainsi, dans
l’exemple donné par M. le sénateur, il
s’agit d’un nombre restreint d’agents, environ
450 sur le total de 9.000 agents ayant suivi une formation
certifiée. De plus, les données ne concernent qu’un
certain nombre d’agents qui ont suivi cette formation, à
savoir ceux qui occupent le grade le moins élevé.
Le taux global de réussite pour cette formation est
supérieur à 60%.
Comme le
sénateur le constate, les conclusions doivent être
tirées de l’ensemble des résultats et on ne
peut se focaliser sur l’une ou l’autre formation.
Je précise
enfin que bien que cette possibilité ne soit pas prévue
par la réglementation actuelle, j’ai adressé
un courrier à mon collègue de la Fonction publique
en vue d’examiner la possibilité d’accorder
une seconde chance aux agents qui ont échoué.
|
De heer Vincent
Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve
Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik
lees het antwoord van de minister.
Ik wens er vooreerst nogmaals op te
wijzen dat na de gecertificeerde opleiding, op een totaal van
9.300 deelnemers, 82% van de kandidaten geslaagd was voor de
test.
Ik verheug me over dit
slaagpercentage. Het is meer dan bevredigend en staat ver van de
zogezegd rampzalige resultaten waarover bepaalde media geruchten
verspreiden.
Het klopt dat het slaagpercentage
voor bepaalde gecertificeerde opleidingen lager is.
Zoals ik al meermaals heb uitgelegd,
is dit verschil niet abnormaal. Bij de uitwerking van de
opleidingen en tests werd rekening gehouden met de behoeften
eigen aan elke administratie en met de hiervoor verwachte
meerwaarde. Elke organisatie heeft verschillende meerwaarden en
doelstellingen bepaald. Zij vormden de grondslag van zowel de
opleidingen als de tests. Het is dan ook logisch dat de
moeilijkheidsgraad van de opleidingen varieerde en dat ze tot
uiteenlopende resultaten hebben geleid.
Toch kan ik de ontgoocheling van de
niet-geslaagde ambtenaren begrijpen.
Ik wil echter nogmaals
verduidelijken dat de aangehaalde cijfers niet de toestand van
het hele departement weerspiegelen.
Zo gaat het in het voorbeeld van de
senator om een beperkt aantal ambtenaren, ongeveer 450 op een
totaal van 9.300, die een gecertificeerde opleiding hebben
gevolgd. Bovendien hebben de gegevens slechts betrekking op een
bepaald aantal ambtenaren die deze opleiding hebben gevolgd,
namelijk die met de laagste graad. Het globale slaagpercentage
voor deze opleiding ligt hoger dan 60%.
Zoals de senator vaststelt, moeten
de conclusies op basis van alle resultaten worden getrokken en
mag men zich niet op een of andere opleiding focussen.
Tot slot wijs ik erop dat, hoewel
deze mogelijkheid niet in de huidige reglementering is voorzien,
ik een brief tot mijn collega van Ambtenarenzaken heb gericht, om
na te gaan of het mogelijk is dat de niet-geslaagde ambtenaren
een herkansing krijgen.
|
|
Demande
d’explications de M. Hugo Vandenberghe au vice-premier
ministre et ministre des Finances sur «le contrôle du
précompte professionnel par l’administration
fiscale» (nº 3-2164)
|
Vraag
om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de
vice-eersteminister en minister van Financiën over «de
controle van de bedrijfsvoorheffing door de
belastingadministratie» (nr. 3-2164)
|
|
Mme la présidente.
– M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire
d’État à la Simplification administrative,
adjoint au premier ministre, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris
voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste
minister, antwoordt.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Cette demande d’explications
est complémentaire à ma demande d’explications
nº 3-1019 du 13 octobre 2005.
Dans un
rapport de 2005, la Cour des comptes constate que
l’administration fiscale ne contrôle pas suffisamment
le précompte professionnel déclaré par les
employeurs.
Le système
du précompte professionnel offre la possibilité de
percevoir de manière anticipée une grande partie de
l’impôt des personnes physiques. Dans la plupart des
cas, le précompte est prélevé sur le salaire
du contribuable par les employeurs et est ensuite soldé
avec l’impôt dû. L’enquête de la
Cour des comptes révèle que le fisc ne contrôle
pas suffisamment si les montants déclarés sont
corrects. La Cour a constaté que le précompte
diffère parfois fortement de l’impôt final. Le
montant retenu doit pourtant correspondre autant que possible à
l’impôt final afin d’éviter au
contribuable de devoir payer un supplément ou au Trésor
public de rembourser des montants élevés.
En réponse
à ma demande d’explications du 13 octobre 2005,
le ministre des Finances a déclaré ce qui suit :
« Un contrôle systématique des
déclarations mensuelles représenterait une tâche
énorme pour l’administration. Néanmoins, mon
administration et moi-même sommes d’avis qu’un
meilleur contrôle est possible. C’est pourquoi
j’appuie l’intention de mon administration d’élaborer
un plan de travail concret en vue d’améliorer le
contrôle du précompte professionnel par les
différents services compétents. »
Entre-temps,
un plan de travail a-t-il été élaboré
afin d’améliorer le contrôle du précompte
professionnel ?
A-t-il déjà
été évalué ? En d’autres
termes, a-t-on constaté une amélioration ?
Le ministre
des Finances juge-t-il souhaitable de prendre d’autres
mesures afin que le contrôle du précompte
professionnel soit réalisé de manière plus
adéquate ?
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Deze vraag om uitleg is een
vervolg op mijn vraag om uitleg nr. 3-1019 van
13 oktober 2005.
In een rapport van 2005 zegt het
Rekenhof dat de belastingadministratie de bedrijfsvoorheffing die
de werkgevers aangeven, niet genoeg controleert.
Het stelsel van de
bedrijfsvoorheffing maakt het mogelijk een groot deel van de
personenbelasting vervroegd te innen. De voorheffing wordt in de
meeste gevallen door de werkgevers afgehouden van het loon van de
belastingplichtige en wordt daarna verrekend met de verschuldigde
belasting.
Uit het onderzoek van het Rekenhof
blijkt dat de fiscus te weinig controle doet naar de correctheid
van de aangegeven bedragen. Het Rekenhof heeft vastgesteld dat de
voorheffing soms sterk afwijkt van de uiteindelijke belasting.
Nochtans moet het afgehouden bedrag zo goed mogelijk overeenkomen
met de uiteindelijk te betalen belasting, zodat kan worden
vermeden dat de belastingplichtige moet bijbetalen of dat de
Schatkist hoge bedragen moet terugbetalen.
Op mijn vraag om uitleg van
13 oktober 2005 antwoordde de minister van Financiën:
‘Een systematische controle van de maandelijkse aangiften
zou echter een immense opgave voor de administratie betekenen.
Niettemin zijn mijn administratie en ikzelf van mening dat een
betere controle mogelijk is. Daarom ga ik akkoord met het
voornemen van mijn administratie om de verschillende diensten die
voor deze materie bevoegd zijn, een concreet werkplan te laten
uitwerken met het oog op een betere controle van de
bedrijfsvoorheffing’.
Is intussen reeds een werkplan
opgesteld dat een betere controle op de bedrijfsvoorheffing
mogelijk maakt?
Werd dit werkplan reeds geëvalueerd?
Is met andere woorden een verbetering waar te nemen?
Acht de minister van Financiën
het wenselijk andere maatregelen te nemen om de controle op de
bedrijfsvoorheffing adequater te laten verlopen?
|
|
M. Vincent
Van Quickenborne, secrétaire d’État
à la Simplification administrative, adjoint au premier
ministre. – Je vous lis la réponse du ministre
Reynders.
Comme cela a
été mentionné en réponse à la
demande d’explications du 13 octobre 2005, aucun
contrôle systématique de la détermination
correcte du précompte professionnel n’est prévu
en l’état actuel des choses, mais cela n’empêche
pas les services compétents pour le contrôle de la
situation fiscale de l’employeur de pouvoir effectuer un
tel contrôle dans certaines circonstances.
Jusqu’à
présent, mon administration ne m’a soumis aucun plan
de travail, mais elle a signalé qu’il se trouve
toujours dans une phase d’élaboration. Elle espère
pouvoir encore réunir le groupe de travail avant la fin de
la présente législature.
|
De heer Vincent
Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve
Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik
lees het antwoord van minister Reynders.
Zoals reeds gezegd in het antwoord
op de vraag om uitleg van 13 oktober 2005, neemt het
feit dat in de huidige stand van zaken geen systematische
controle gebeurt, niet weg dat de belastingdiensten die bevoegd
zijn voor de belastingtoestand van de werkgever, in specifieke
gevallen wel een controle inzake de correcte berekening van de
bedrijfsvoorheffing kunnen verrichten.
Mijn administratie heeft mij tot nu
toe geen werkplan voorgelegd, maar ze meldt wel dat het nog
steeds in een opmaakfase verkeert. Ze hoopt die werkgroep nog in
de loop van deze legislatuur te kunnen laten vergaderen.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Le 13 octobre 2005,
le ministre des Finances, qui déclare aujourd’hui
dans un journal qu’il sera le prochain Premier ministre, a
annoncé qu’il lancerait un plan de travail en vue de
faire contrôler mensuellement le précompte
professionnel. Aujourd’hui, le 8 mars 2007, le
secrétaire d’État vient nous dire qu’il
n’existe toujours pas de plan de travail, que l’on
envisage de se réunir à ce sujet et que l’on
a l’ambition d’organiser cette réunion avant
la fin de la législature. Les mots parlent d’eux-mêmes.
L’électeur en jugera.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Op 13 oktober 2005
heeft de minister van Financiën, die vandaag in een krant
zegt dat hij de volgende eerste minister wordt, aangekondigd dat
hij een werkplan zou uitvaardigen om maandelijks de
bedrijfsvoorheffing te laten controleren. Vandaag, 8 maart 2007,
komt de staatssecretaris ons in alle nederigheid vertellen dat er
nog altijd geen werkplan bestaat, dat men van plan is daarover te
vergaderen en dat men de ambitie heeft nog voor het einde van de
legislatuur deze vergadering te beleggen. De woorden spreken voor
zich. De kiezer zal oordelen.
|
|
Demande
d’explications de M. Hugo Vandenberghe au vice-premier
ministre et ministre des Finances et au secrétaire d’État
à la Simplification administrative sur «les
problèmes pour introduire une requête auprès
du Conseil d’état suite à la suppression des
timbres fiscaux» (nº 3-2165)
|
Vraag
om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de
vice-eersteminister en minister van Financiën en aan de
staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging over «de
problemen om een verzoekschrift bij de Raad van State in te
stellen als gevolg van de afschaffing van de fiscale zegels»
(nr. 3-2165)
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – M. Van Hauthem a
déjà posé une question à ce sujet et
la presse écrite soulève également le
problème. J’ai moi-même déjà
posé une question orale à l’occasion des
déclarations de M. Massenhove qui a comparé le
Conseil d’État à des terroristes. Le problème
est donc très sérieux.
La suppression
des timbres fiscaux pose problème à ceux qui
veulent contester une décision administrative devant le
Conseil d’État. Il doivent en effet apposer des
timbres fiscaux pour un montant de 175 euros sur la requête.
Les alternatives aux timbres fiscaux – paiement
électronique ou paiement par virement – entraînent
toutefois des difficultés pour les avocats.
Le Conseil
d’État n’accepte pas le paiement électronique.
Le virement doit être effectué sur un numéro
de compte du sixième bureau de l’enregistrement de
Bruxelles, mais ce numéro est peu connu et le bureau ne
communique pas au Conseil d’État à quelle
affaire un paiement correspond.
Par
conséquent, la seule possibilité est d’effectuer
un versement préalable à La Poste, ce qui est tout
de même très complexe.
La suppression
des timbres fiscaux entraîne donc une confusion kafkaïenne
pour qui veut contester une décision administrative devant
le Conseil d’État.
Les ministres
compétents se renvoient la balle par lettres, ce qui
contribue aussi à l’insécurité
juridique.
De quelle
manière le gouvernement compte-t-il apporter une solution
rapide et efficace à ce problème ?
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Het is niet de eerste keer
dat over deze kwestie een vraag wordt gesteld. Ook collega
Van Hauthem heeft hier al een vraag over gesteld en de
kranten en de vakbladen brengen de zaak eveneens ter sprake. Ik
herinner eraan dat ikzelf al een mondelinge vraag heb gesteld
naar aanleiding van verklaringen van de heer Van Massenhove,
die stelde dat de Raad van State met terroristen moet worden
vergeleken. Het probleem is dus echt wel ernstig.
De afschaffing van de takszegel
creëert een probleem voor wie een administratieve beslissing
wil aanvechten bij de Raad van State. Hij wordt immers
verondersteld voor 175 euro takszegels op het verzoek te kleven.
De alternatieven voor de takszegels – elektronische
betaling of betaling via een overschrijving – zorgen echter
voor moeilijkheden voor advocaten.
De Raad van State aanvaardt geen
elektronische betaling. De overschrijving moet gebeuren op een
rekeningnummer van het zesde registratiekantoor van Brussel, maar
het rekeningnummer is niet zo bekend en het kantoor geeft aan de
Raad van State ook niet door voor welke zaken er betaald is.
Bijgevolg is de enige mogelijkheid
een voorafgaande storting bij De Post, wat toch wel zeer
omslachtig is.
Het afschaffen van de takszegel
zorgt dus voor een kafkaiaanse verwarring bij wie een
administratieve beslissing voor de Raad van State wil aanvechten.
De bevoegde ministers verwijzen in
brieven naar elkaar door voor een oplossing, wat de juridische
onzekerheid eveneens in de hand werkt.
Op welke wijze wil de regering een
afdoende en snelle oplossing bieden voor dit probleem?
|
|
(M. Staf Nimmegeers, premier
vice-président, prend place au fauteuil présidentiel.)
|
(Voorzitter: de heer Staf
Nimmegeers, eerste ondervoorzitter.)
|
|
M. Vincent
Van Quickenborne, secrétaire d’État
à la Simplification administrative, adjoint au premier
ministre. – L’utilisation de timbres fiscaux comme
moyen de paiement était un système désuet et
sujet à la fraude. Ce dernier entraînait en outre
beaucoup de soucis administratifs pour les citoyens,
l’administration et d’autres intéressés.
C’est pourquoi ces timbres fiscaux et le Code des droits de
timbre ont été supprimés après un
vote unanime au parlement.
Pendant les
discussions avec le Conseil d’État, il a été
décidé, en concertation avec ce Conseil, de
remplacer le timbre fiscal devant être apposé sur
les requêtes par une preuve du versement ou du virement à
joindre à la requête. Ce nouveau mode de paiement
est régi par l’arrêté d’exécution
du Code des droits et taxes divers du 21 décembre 2006.
Je suis disposé à moderniser le système de
paiement si le Conseil d’État adopte un système
de paiement électronique, ce qui n’est pas le cas
aujourd’hui.
Le sixième
bureau de l’enregistrement de Bruxelles reçoit les
paiements des droits pour les requêtes introduites au
Conseil d’État. Ce service a déjà reçu
plus de 350 paiements sur son compte postal. Pendant le mois de
février, 300 paiements pour des requêtes sont
arrivés sur le compte. Le numéro de compte n’est
donc certainement pas inconnu ni difficile à trouver. Des
informations spécifiques sur le nouveau mode de paiement
figurent d’ailleurs sur le site web du Conseil d’État
(www.raadvst-consetat.be). Le numéro de compte y est
mentionné.
Afin de
simplifier davantage le traitement des paiements, un numéro
spécifique de compte postal a été ouvert fin
février 2007 auprès de ce même bureau de
l’enregistrement, à la demande, entre autres, du
Conseil d’État. Toute information relative au
paiement peut ainsi être transmise plus facilement encore
au Conseil d’État.
Il va de soi
que les paiements sur le compte postal général du
sixième bureau de l’enregistrement sont encore
acceptés.
|
De heer Vincent
Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve
Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Het
gebruik van fiscale zegels als betaalmiddel was een verouderd en
fraudegevoelig systeem dat bovendien veel administratieve lasten
veroorzaakte voor de burgers, de administratie en andere
betrokkenen. Daarom werden deze fiscale zegels en het Wetboek der
Zegelrechten na een unanieme stemming in het Parlement
afgeschaft.
Tijdens de besprekingen met de Raad
van State werd in samenspraak met deze Raad beslist om het kleven
van een fiscale zegel op de verzoekschriften te vervangen door
een betalingsbewijs van de storting of de overschrijving aan het
verzoekschrift toe te voegen. Deze nieuwe betalingswijze is
wettelijk geregeld in het uitvoeringsbesluit van het Wetboek
diverse rechten en taksen van 21 december 2006. Ik ben
echter steeds bereid het betalingsverkeer verder te moderniseren
indien de Raad van State een elektronisch betalingssysteem wil
invoeren, wat tot op vandaag niet het geval is.
Het zesde registratiekantoor van
Brussel ontvangt de betalingen van de rechten op verzoekschriften
bij de Raad van State. Deze dienst ontving op haar postrekening
nu al meer dan 350 betalingen van diverse indieners. Tijdens de
maand februari werden 300 betalingen voor verzoekschriften op de
rekening ontvangen. Het rekeningnummer is dus zeker niet onbekend
of moeilijk te achterhalen. Op de Website van de Raad van State
(www.raadvst-consetat.be) staat trouwens specifieke informatie
over de nieuwe betalingswijze. Het rekeningnummer staat er
vermeld.
Om de verwerking van de betalingen
verder te vereenvoudigen is eind februari 2007 op vraag van
onder meer de Raad van State zelfs een specifiek
postrekeningnummer geopend bij datzelfde registratiekantoor.
Hierdoor kan alle betalingsinformatie nog eenvoudiger aan de Raad
van State worden doorgegeven.
Betalingen op het algemene
postrekeningnummer van het zesde registratiekantoor worden
uiteraard ook nog steeds aanvaard.
|
|
Demande
d’explications de Mme Anke Van dermeersch à
la vice-première ministre et ministre du Budget et de la
Protection de la consommation sur «l’éventuelle
saisie par les pouvoirs publics des assurances-vie dormantes»
(nº 3-2168)
|
Vraag
om uitleg van mevrouw Anke Van dermeersch aan de
vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken
over «de eventuele beslaglegging door de overheid op de
zogenaamde slapende levensverzekeringen» (nr. 3-2168)
|
|
M. le président.
– M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire
d’État à la Simplification administrative,
adjoint au premier ministre, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris
voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste
minister, antwoordt.
|
|
Mme Anke
Van dermeersch (VL. BELANG). – Les banques et
compagnies d’assurance gèrent un certain nombre
d’assurances-vie dormantes. Il s’agit
d’assurances-vie et d’assurances-groupe venues à
échéance mais dont les ayants droit n’ont pas
réclamé les avoirs. Le motif peut être que
les intéressés ont oublié qu’ils
pouvaient réclamer leurs avoirs à un certain moment
ou que l’ayant droit, un héritier par exemple,
ignore qu’il est le bénéficiaire d’une
assurance-vie.
Dans un État
de droit normal, il nous semble évident que, dans de tels
cas, les banques et compagnies d’assurances doivent tout
faire pour rechercher les ayants droit et leur remettre ce qui
leur revient de droit.
Les autorités
n’ont manifestement pas connaissance de ce problème.
C’est en tout cas ce que le ministre de l’Économie
a admis fin 2005 dans sa réponse à une question
parlementaire. Il n’existe pas de règlement
prévoyant ce qu’il faut faire dans ce cas, de sorte
que les banques et compagnies d’assurance profitent dans le
plus grand secret de ce vide juridique. Des mesures s’imposent.
Nous avons
appris par les médias que la ministre souhaitait saisir
ces avoirs à l’avenir. Cette mesure est présentée
comme un moyen de protection du consommateur, soi-disant pour
empêcher que les banques ne continuent à facturer
des frais de gestion pour des comptes inutilisés. En
réalité, il s’agit cependant, selon des
observateurs et en toute logique, d’une mesure visant à
alimenter facilement le Trésor public.
À
combien le montant des assurances-vie dormantes en Belgique
est-il évalué ?
Quelle est la
réglementation ou la pratique actuelle concernant de
telles assurances-vie dormantes ?
Quelle
réglementation la ministre souhaite-t-elle instaurer et
quand celle-ci entrera-t-elle en vigueur ? Cette
réglementation impose-t-elle aux banques et compagnies
d’assurance, le cas échéant avec l’aide
de l’autorité, de tout mettre en œuvre pour
remettre ces avoirs aux ayants droit ou à leurs proches
parents ?
|
Mevrouw Anke Van dermeersch
(VL. BELANG). – De banken en
verzekeringsmaatschappijen beheren een aantal zogenaamde slapende
levensverzekeringen. Dat zijn levens- en groepsverzekeringen die
op hun vervaldatum zijn gekomen, maar waarvan de rechthebbenden
de tegoeden niet komen opvragen. De reden daarvan kan zijn dat de
betrokkenen niet meer weten dat ze een tegoed hebben dat ze op
een bepaald moment kunnen opvragen, of dat de rechthebbende,
bijvoorbeeld een erfgenaam, er geen weet van heeft dat hij
begunstigde is van een levensverzekering.
In een normale rechtsstaat ligt het
in dergelijke gevallen volgens ons voor de hand dat de banken en
verzekeringsmaatschappijen er alles aan doen om uit te zoeken wie
de rechthebbenden zijn en hen over te maken wat hen rechtmatig
toekomt.
Blijkbaar kent de overheid deze
problematiek niet echt. Dat gaf de minister van Economie althans
nog eind 2005 toe in antwoord op een parlementaire vraag. Er
bestaat niet echt een regeling die bepaalt wat er in deze
gevallen moet gebeuren, zodat de banken en de
verzekeringsmaatschappijen in alle stilte van dit vacuüm op
wetgevend vlak profiteren. Dat er iets moet worden gedaan, is
duidelijk.
In de media vernamen we dat de
minister van zin is in de toekomst op deze tegoeden beslag te
leggen. Deze maatregel wordt verkocht als een middel ter
bescherming van de consument, zogezegd om te verhinderen dat
banken nog verder beheerskosten aanrekenen voor ongebruikte
rekeningen. In werkelijkheid is dit volgens waarnemers en volgens
de logica zelve echter een maatregel om de schatkist op een
gemakkelijke manier te spijzen.
Hoe groot is naar schatting het
bedrag aan slapende levensverzekeringen in België?
Wat is de actuele regeling of de
actuele praktijk voor dergelijke slapende levensverzekeringen?
Welke regeling wenst de minister in
te voeren en wanneer zal deze in werking treden? Is er in deze
regeling vastgelegd dat banken en verzekeringsmaatschappijen,
desgevallend met behulp van de overheid, er eerst alles moeten
aan doen om deze tegoeden aan de rechthebbenden of hun
nabestaanden te bezorgen?
|
|
M. Vincent
Van Quickenborne, secrétaire d’État
à la Simplification administrative, adjoint au premier
ministre. – Je vous lis la réponse de la ministre.
Le projet de
loi portant des dispositions diverses (IV) contient sous le titre
« Protection de la consommation » une
réglementation pour les comptes dormants.
Cette
modification de la législation était nécessaire
à une gestion plus transparente des comptes dormants par
les institutions de crédit.
Les principes
de la réglementation sont les suivants :
1. Nous
parlons d’un compte dormant lorsqu’une institution de
crédit n’a plus enregistré aucune opération
de la part du titulaire sur ce compte pendant une période
de cinq ans et n’a plus reçu aucun ordre actif du
titulaire et des ayants droit.
2. Les
institutions financières sont chargées de repérer
ces situations inhabituelles et d’écrire au
titulaire pour savoir s’il souhaite maintenir son compte.
3. Une liste
des comptes dormants est établie. Elle sera accessible aux
titulaires ou aux éventuels ayants droit.
4. S’il
n’y a aucune intervention, les avoirs d’un compte
dormant sont virés à la Caisse des dépôts
et consignations après un délai de cinq ans. Cela
signifie que les avoirs sont virés si aucune opération
n’a été réalisée ou s’il
n’y a eu aucun contact pendant dix ans.
Une procédure
particulière est prévue pour les comptes inutilisés
depuis plus de dix ans au moment de l’entrée en
vigueur de la loi.
5. Les avoirs
peuvent toujours être réclamés sans délai
à la Caisse de dépôts et de consignations par
les titulaires ou les ayants droit.
Contrairement
à ce que Mme Van dermeersch affirme, il ne s’agit
pas d’alimenter le Trésor public mais bien de faire
en sorte que l’argent revienne aux ayants droit ou à
leurs proches parents.
Cette
réglementation entrera en vigueur dix jours après
sa publication au Moniteur belge.
Outre les
avoirs dormants sur des comptes, il y a certainement aussi des
avoirs dormants relatifs à des assurances-vie. Il n’existe
actuellement aucune donnée fiable sur le montant des
telles assurances-vie dormantes.
Hormis les
dispositions générales de la loi sur les contrats
d’assurance terrestre et du Code civil, il n’existe
aucune règle spécifique concernant les
assurances-vie dormantes. La gestion des celles-ci doit donc
également être plus transparente et les assureurs
doivent activement rechercher les ayants droit.
Le secteur des
assurances discute actuellement du problème des
assurances-vie dormantes avec les associations de consommateurs
au sein de la Commission des assurances. J’attends leur
avis avant de prendre d’autres initiatives.
|
De heer Vincent
Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve
Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik
lees het antwoord van de minister.
Het wetsontwerp houdende diverse
bepalingen (IV) bevat onder de titel Consumentenzaken een
regeling voor de slapende rekeningen.
Die wetswijziging is vereist om het
beheer van slapende rekeningen door de kredietinstellingen
transparanter en duidelijker te maken.
De principes van de regeling zijn de
volgende:
1. We spreken van een slapende
rekening wanneer een kredietinstelling op deze rekening gedurende
een periode van vijf jaar geen enkele verrichting door de houder
meer geregistreerd heeft en geen enkel actief bericht heeft
ontvangen van de houder ervan of van de rechthebbenden.
2. De financiële instellingen
krijgen de taak om die ongewone situaties op te sporen en de
houder van de rekening formeel aan te schrijven over zijn
voornemen om de rekening voort te zetten.
3. Er wordt een lijst van slapende
rekeningen opgesteld. Die lijst zal toegankelijk zijn voor de
houders of mogelijke rechthebbenden.
4. Indien er geen enkele tussenkomst
gebeurt, worden na een termijn van vijf jaar de tegoeden op een
slapende rekening overgemaakt aan de Deposito- en consignatiekas.
Dat betekent dat de tegoeden worden overgemaakt indien gedurende
10 jaar geen enkele verrichting werd uitgevoerd of contact was.
Er is een bijzondere procedure met
betrekking tot de rekeningen die op het moment van de
inwerkingtreding van de wet al meer dan 10 jaar slapend zijn.
5. De tegoeden bij de Deposito- en
consignatiekas kunnen steeds en zonder termijn worden opgevraagd
door de houders of rechthebbenden.
In tegenstelling tot wat mevrouw Van
dermeersch beweert, betreft het geen gemakkelijke manier om de
schatkist te spijzen, maar wel een manier om ervoor te zorgen dat
het geld naar de rechthebbenden of hun nabestaanden terugkeert.
Deze regeling treedt in werking
10 dagen na publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad.
Er zijn naast de slapende tegoeden
op rekeningen ongetwijfeld ook slapende tegoeden van opeisbare
levensverzekeringen. Over het bedrag van dergelijke slapende
levensverzekeringen bestaan thans geen betrouwbare gegevens.
Behoudens de algemene bepalingen in
de wet op de landverzekeringsovereenkomst en het Burgerlijk
Wetboek bestaan er geen specifieke regels met betrekking tot de
slapende levensverzekeringen. Ook het beheer van de
levensverzekeringen moet dus transparanter worden en de
verzekeraars moeten actief op zoek gaan naar de rechthebbenden.
De verzekeringssector is het
probleem van de slapende levensverzekeringen met de
consumentenverenigingen in de Commissie voor de verzekeringen aan
het bespreken. Ik wacht hun advies af alvorens verdere
initiatieven te nemen.
|
|
Demande
d’explications de M. Berni Collas à la
vice-première ministre et ministre du Budget et de la
Protection de la consommation et au ministre des Affaires
sociales et de la Santé publique sur «la tremblante
du mouton» (nº 3-2176)
|
Vraag
om uitleg van de heer Berni Collas aan de
vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken
en aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de
draaiziekte van schapen» (nr. 3-2176)
|
|
M. le président.
– M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire
d’État à la Simplification administrative,
adjoint au premier ministre, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris
voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste
minister, antwoordt.
|
|
M. Berni Collas (MR). –
Depuis quelques années, notre pays est régulièrement
confronté à des maladies animales découlant
de l’affectation du système nerveux central et
touchant différentes catégories d’animaux.
Ces maladies sont, par exemple, l’encéphalopathie
spongiforme bovine – ESB ou maladie de la vache folle –
ou la tremblante du mouton, également appelée
scrapie.
Ces maladies appartiennent à
la catégorie des encéphalopathies spongiformes
transmissibles – EST – et leurs symptômes
apparaissent chez l’homme sous la forme de la maladie de
Creutzfeldt-Jakob.
La semaine dernière,
apparaissait un cas de tremblante du mouton dans une entreprise
agricole située sur le territoire de la commune de Waimes.
L’AFSCA, Agence fédérale pour la sécurité
de la chaîne alimentaire, a immédiatement décidé
la destruction quasi totale du troupeau de moutons de la ferme,
soit d’une centaine de moutons et de deux chèvres.
Il s’agissait du premier cas d’EST pour cette année,
mais je viens d’apprendre l’existence d’un
second cas, dans une exploitation agricole de Stembert.
Pouvez-vous me préciser le
nombre de cas d’EST apparus l’année dernière
ainsi que le nombre d’animaux dont la destruction a été
ordonnée à la suite de ce constat ? Quelle est
l’importance du dommage économique subi par les
agriculteurs concernés ? Où en est le paiement
des indemnités dues aux fermiers en question ?
Obtiennent-ils un dédommagement complet ? Dans quel
délai peuvent-ils compter sur une indemnité ?
Comment évaluez-vous les risques actuels pour les
consommateurs ?
|
De heer Berni
Collas (MR). – Sinds enkele jaren wordt ons land
geconfronteerd met dierenziekten die het centrale zenuwstelsel
van dieren aantasten, zoals BSE – boviene spongiforme
encefalopathie – of de gekkekoeienziekte en de draaiziekte
bij schapen, ook wel scrapie.
Die ziekten
behoren tot de overdraagbare spongiforme encefalopathieën,
de TSE’s. Bij de mens komen de symptomen voor in de vorm
van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob.
Vorige week
was er een geval van draaiziekte bij schapen in een
landbouwbedrijf in het Waalse Waimes. Het Federaal Agentschap
voor de Veiligheid van de Voedselketen, het FAVV, heeft
onmiddellijk beslist zowat de hele kudde schapen en twee geiten
te vernietigen. Het zou gaan om het eerste geval van TSE dit
jaar, maar ik heb vernomen dat op een landbouwbedrijf in Stembert
een tweede geval is vastgesteld.
Hoeveel
gevallen van TSE zijn er het afgelopen jaar geweest? Hoeveel
dieren moesten worden vernietigd? Wat was de economische schade
voor de betrokken landbouwers? Hoe staat het met de betaling van
schadevergoedingen aan de betrokken landbouwers? Wordt de schade
volledig vergoed? Binnen welke termijn kunnen ze een vergoeding
ontvangen? Wat zijn de risico’s voor de consumenten?
|
|
M. Vincent Van Quickenborne,
secrétaire d’État à la Simplification
administrative, adjoint au premier ministre. – Je vous lis
la réponse de la ministre Van den Bossche.
En 2006, on a enregistré en
Belgique deux cas d’ESB et trois cas de tremblante du
mouton. Au total, huit bovins et 173 ovins ont été
abattus.
La valeur de chaque animal, pour
lequel le détenteur a droit à une indemnisation,
est déterminée par un expert préalablement à
la destruction. Pour autant qu’il s’agisse d’animaux
vivants, l’estimation est effectuée selon la
procédure fixée à l’article 77 de
l’arrêté royal du 10 octobre 2005
relatif à la lutte contre la fièvre aphteuse.
De même, une indemnisation est
accordée au propriétaire de bovins ou de petits
ruminants déjà abattus avant la suspicion et dont
les carcasses ont été saisies après
l’enquête épidémiologique. Pour les
bovins, cette indemnité est établie sur la base du
classement de la carcasse décrit dans l’arrêté
royal du 10 juin 2001 relatif à l’indemnisation
des animaux positifs au test rapide agréé de l’ESB.
En 2006, pour les huit bovins
abattus dans les deux foyers d’ESB, les détenteurs
ont eu droit à une indemnisation de 10.678 euros. Pour les
ovins détruits dans les trois foyers de tremblante du
mouton, les détenteurs ont eu droit à une
indemnisation de 20.830 euros.
À ce jour, toutes les
indemnisations 2006 ont été versées aux
propriétaires. Un délai d’un à quatre
mois sépare la déclaration du foyer et le paiement
des indemnités.
Les mesures de gestion du risque se
situent à trois niveaux. Citons, tout d’abord,
l’interdiction des farines animales dans l’alimentation
des animaux destinés à la production d’aliments.
Deuxième mesure : estimation de la prévalence
des EST dans les populations bovine, ovine et caprine par les
programmes de surveillance passive et active. La troisième
mesure consiste en l’enlèvement des matériels
à risque spécifiés, c’est-à-dire
des tissus animaux susceptibles d’être infectés
par les prions, des carcasses bovines, ovines et caprines
destinées à la consommation humaine.
Le risque actuel pour le
consommateur est très limité, d’autant plus
qu’aucun cas de la nouvelle variante de Creutzfeldt-Jakob
n’a été décelé jusqu’à
présent en Belgique.
|
De heer Vincent
Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve
Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik
lees het antwoord van minister Van den Bossche.
In 2006 werden
in België twee gevallen van BSE en drie gevallen van
draaiziekte bij schapen vastgesteld. In totaal werden acht
runderen en 173 schapen vernietigd.
De waarde van
elk dier, waarvoor de houder recht heeft op een schadevergoeding,
wordt vóór de vernietiging door een expert bepaald.
Voor zover het om levende dieren gaat, gebeurt de schatting op
basis van artikel 77 van het koninklijk besluit van
10 oktober 2005 betreffende de bestrijding van mond- en
klauwzeer.
Ook eigenaars
van runderen en kleine herkauwers die al zijn geslacht vóór
er een vermoeden is en waarvan de karkassen na een
epidemiologisch onderzoek in beslag zijn genomen, krijgen een
schadevergoeding. Voor runderen wordt die vergoeding bepaald aan
de hand van de klassering van het karkas zoals beschreven in het
koninklijk besluit van 10 juni 2001 betreffende de
schadevergoeding voor dieren die positief zijn in een
goedgekeurde snelle BSE-test.
In 2006 kregen
de eigenaars van de acht afgemaakte runderen een vergoeding van
10.678 euro. Bij de drie haarden van draaiziekte bij schapen
hadden de eigenaars recht op een vergoeding van 20.830 euro.
Alle
schadevergoedingen werden aan de eigenaars uitgekeerd. Tussen de
vaststelling en de uitbetaling zit een termijn van vier maanden.
Er worden op
drie niveaus maatregelen genomen. Eerst en vooral is er een
verbod op dierenmeel in het voeder van dieren die voor de
productie van voedingsmiddelen worden gekweekt. Vervolgens wordt
via actieve en passieve controleprogramma’s de prevalentie
van TSE’s onder de runder-, schapen- en geitenpopulaties
geschat. Ten derde wordt risicomateriaal verwijderd, met name
dierlijk weefsel dat door prionen kan worden besmet, uit de
karkassen die voor menselijke consumptie bestemd zijn.
Het risico
voor de consument is zeer beperkt, te meer daar in België
tot op heden geen enkel geval van de nieuwe variant van
Creutzfeldt-Jakob is aangetroffen.
|
|
M. Berni Collas (MR). –
Je remercie M. le secrétaire d’État de
m’avoir lu cette réponse très précise.
|
De heer Berni
Collas (MR). – Ik dank de staatssecretaris voor dit
zeer precieze antwoord.
|
|
Demande
d’explications de M. Yves Buysse au vice-premier
ministre et ministre de l’Intérieur et au ministre
des Affaires étrangères sur «des compagnies
aériennes récalcitrantes aux rapatriements sous
escorte» (nº 3-2174)
|
Vraag
om uitleg van de heer Yves Buysse aan de
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de
minister van Buitenlandse Zaken over «luchtvaartmaatschappijen
die weigerachtig staan tegenover repatriëringen onder
escorte» (nr. 3-2174)
|
|
M. le président.
– M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire
d’État à la Simplification administrative,
adjoint au premier ministre, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris
voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste
minister, antwoordt.
|
|
M. Yves
Buysse (VL. BELANG). – Selon la presse, de plus en
plus de commandants de bord refusent de collaborer à
l’expulsion forcée sous escorte d’illégaux
ou de demandeurs d’asile déboutés.
De nombreux
demandeurs d’asile déboutés savent en effet
que s’ils font du tapage à bord de l’avion,
leur rapatriement risque fort d’être reporté.
Il semble que la compagnie Royal Air Maroc refuse
systématiquement les rapatriements sous escorte.
Le ministre
confirme-t-il que Royal Air Maroc est très récalcitrante
aux rapatriements sous escorte ? Combien de tentatives de
rapatriement vers le Maroc ont-elles été
entreprises, ces deux dernières années, avec la
compagnie Royal Air Maroc et combien d’entre elles
ont-elles été abandonnées ? Combien de
tentatives de rapatriement vers le Maroc ont-elles été
entreprises avec d’autres compagnies aériennes ces
deux dernières années et combien ont-elles été
abandonnées ?
Quelles
démarches le ministre a-t-il entreprises auprès des
autorités marocaines pour dénoncer ce manque de
coopération de la compagnie nationale marocaine ?
Quels moyens de pression diplomatiques et autres a-t-il
utilisés ?
Quelles autres
mesures le ministre envisage-t-il encore ?
|
De heer Yves Buysse
(VL. BELANG). – Eind vorig jaar meldden een aantal
kranten en tijdschriften dat steeds meer piloten of
boordcommandanten weigeren mee te werken aan gedwongen
uitwijzingen van illegalen of uitgeprocedeerde asielzoekers onder
escorte.
Vele uitgeprocedeerde vreemdelingen
weten immers dat, wanneer ze, eens aan boord van het vliegtuig,
veel tumult beginnen te maken, de uitwijzingspoging veel kans
maakt te worden afgeblazen. Naar verluidt zou de ene
vliegtuigmaatschappij echter sneller een uitwijzing afblazen dan
de andere en zou vooral Royal Air Maroc, de nationale
luchtvaartmaatschappij van Marokko, bijna systematisch
repatriëringen onder escorte weigeren.
Bevestigt de minister dat Royal Air
Maroc zeer weigerachtig staat tegenover repatriëringen onder
escorte? Hoeveel pogingen tot dergelijke repatriëringen naar
Marokko met Royal Air Maroc werden er de afgelopen twee jaar
ondernomen en hoeveel daarvan werden er afgeblazen? Hoeveel
pogingen tot dergelijke repatriëringen met andere
luchtvaartmaatschappijen werden er de afgelopen twee jaar naar
Marokko ondernomen en hoeveel hiervan werden er afgeblazen?
Welke stappen heeft de minister bij
de Marokkaanse autoriteiten gezet om dit gebrek aan medewerking
van de nationale Marokkaanse luchtvaartmaatschappij aan te
klagen, ten einde tot een betere samenwerking te komen? Welke
diplomatieke en andere pressiemiddelen heeft de minister daartoe
ingezet?
Wat overweegt de minister daartoe
nog te ondernemen?
|
|
M. Vincent
Van Quickenborne, secrétaire d’État
à la Simplification administrative, adjoint au premier
ministre. – Le vous lis la réponse du ministre de
l’Intérieur.
Depuis
septembre 2006, le rapatriement de ressortissants marocains
ne pose plus problème.
Aucune
distinction n’est faite entre les compagnies aériennes
dans les statistiques. Pour le rapatriement de Marocains, nous
faisons appel à Royal Air Maroc ou à SN Brussels
Airlines.
Concrètement,
273 rapatriements ont été planifiés en
2005. Sur 174 expulsions sans escorte, 99 ont été
couronnées de succès ; 61 des 99 expulsions
sous escorte ont réussi.
En 2006,
357 rapatriements vers le Maroc ont été
organisés ; 114 expulsions sans escorte et 92
expulsions sous escorte ont abouti.
Ces chiffres
appellent quelques commentaires. Une expulsion ne peut pas
toujours être menée à bien et ce pour de
multiples raisons. Ce ne sont pas toujours les pilotes ou les
étrangers qui sont responsables du report d’une
expulsion. De plus, des personnes dont le rapatriement n’a
pas été possible dans un premier temps peuvent à
nouveau être comptabilisées dans les statistiques
après un éloignement réussi.
En 2005 et
2006, différentes missions se sont rendues au Maroc pour
discuter de ce problème. Une concertation est en outre
régulièrement organisée entre l’Office
des étrangers, les autorités marocaines et la
compagnie Royal Air Maroc. Celle-ci offre d’ailleurs une
formation particulière à son personnel de bord.
L’Office
des étrangers cherche à assurer à ces
dossiers un suivi rapide et satisfaisant. Il entretient donc des
contacts réguliers avec les représentations
diplomatiques et consulaires des pays d’origine en
Belgique, privilégiant des accords pratiques sur la
réadmission des illégaux. Des efforts en vue de la
conclusion d’accords de réadmission sont en outre
consentis au niveau national et européen et au niveau du
Benelux.
|
De heer Vincent
Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve
Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik
lees het antwoord van de minister van Buitenlandse Zaken.
Sinds september 2006 doen zich
geen problemen meer voor bij de repatriëring van Marokkaanse
onderdanen. De bijzondere inspanningen die op dat vlak werden
geleverd, blijken dus succes te hebben.
In de statistieken wordt geen
onderscheid gemaakt tussen de betrokken vliegtuigmaatschappijen.
Voor de repatriëring van Marokkanen wordt een beroep gedaan
op Royal Air Maroc en op SN Brussels Airlines.
Concreet werden in 2005 273
repatriëringen gepland. Van de 174 verwijderingen zonder
escorte zijn er 99 geslaagd; van de 99 met escorte slaagden er
61.
In 2006 werden er 357 repatriëringen
naar Marokko gepland. Daarvan werden er 114 zonder escorte en 92
met escorte succesvol afgerond.
Bij deze cijfers moeten een aantal
kanttekeningen worden gemaakt. Om verschillende redenen kan een
uitwijzing niet steeds met succes worden afgerond. Het zijn niet
altijd de piloten of de vreemdelingen die verantwoordelijk zijn
voor het afbreken van de verwijdering. Ook bij slecht weer,
wanneer het vliegtuig defect is of wanneer de vreemdeling ziek
is, kan niet verder worden gegaan met de verwijdering. Personen
van wie de repatriëring in een eerste fase niet mogelijk
bleek, kunnen bovendien in de statistieken nogmaals zijn
meegeteld na een geslaagde verwijdering.
In 2005 en 2006 hadden verschillende
missies naar Marokko plaats om deze problematiek te bespreken.
Daarnaast werd ook geregeld overleg gepleegd tussen de Dienst
Vreemdelingenzaken, de Marokkaanse overheid en de
luchtvaartmaatschappij Royal Air Maroc. Deze maatschappij
voorziet in een bijzondere opleiding en bewustmaking van haar
boordpersoneel.
De Dienst Vreemdelingenzaken streeft
naar een snelle en degelijke follow-up van deze dossiers. Hij
onderhoudt daarom, samen met de FOD Buitenlandse Zaken,
regelmatige en grondige contacten met de diplomatieke en
consulaire vertegenwoordiging van de diverse herkomstlanden in
België. Er wordt geopteerd voor praktische werkafspraken
over de terugname van illegale vreemdelingen. Daarnaast worden
zowel op nationaal en Europees vlak als op dat van de Benelux,
inspanningen geleverd om tot terugnameakkoorden te komen.
|
|
M. Yves
Buysse (VL. BELANG). – Je regrette que les
statistiques ne soient pas ventilées par compagnie
aérienne.
Mes
affirmations ne tombent pas du ciel. Notre groupe s’est
rendu à Zaventem et les accusations à l’encontre
de Royal Air Maroc nous ont été confirmées
par les policiers qui assurent les escortes.
|
De heer Yves Buysse
(VL. BELANG). – Ik dank de staatssecretaris voor
het antwoord. Ik betreur het dat de cijfers niet werden
opgesplitst per vliegtuigmaatschappij.
Mijn beweringen zijn niet uit de
lucht gegrepen. Onze fractie heeft in januari een bezoek gebracht
aan Zaventem en aan de dienst van de federale politie die zich
met deze problematiek bezighoudt. We hebben die dag zelf kunnen
vaststellen dat de uitwijzing via Royal Air Maroc mislukt is,
terwijl de uitwijzingen via de andere luchtvaartmaatschappijen
wel geslaagd zijn. De mensen die instaan voor de escortes hebben
ons bevestigd dat dit een trend is. Daarom betreur ik het dat ik
geen concretere cijfers heb gekregen.
|
|
Demande
d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre des
Affaires sociales et de la Santé publique et au ministre
de l’Emploi sur «la validité d’une
clause d’écolage fixée par un règlement»
(nº 3-2166)
|
Vraag
om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister
van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Werk
over «de geldigheid van een scholingsbeding dat
reglementair geregeld is» (nr. 3-2166)
|
|
M. le président.
– M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire
d’État à la Simplification administrative,
adjoint au premier ministre, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris
voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste
minister, antwoordt.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Je me réfère à
ma question antérieure sur la clause d’écolage.
Après avoir examiné la réponse fournie par
le ministre le 15 février dernier, je dois
malheureusement constater qu’elle soulève davantage
de questions qu’elle n’offre de réponses.
Selon la loi
du 27 décembre 2006 portant des dispositions
diverses, certaines clauses d’écolage sont réputées
inexistantes, notamment lorsque la formation dispensée au
travailleur se situe dans le cadre légal ou réglementaire
requis pour l’exercice de la profession.
Dans la
réponse donnée le 15 février 2007,
le ministre indique qu’il est possible de conclure une
clause d’écolage valide pour une formation située
dans un cadre légal ou réglementaire si le
travailleur n’a pas été engagé
initialement pour cette « fonction »
déterminée.
On ne peut
déduire cette distinction du texte légal. En effet,
selon la loi, la clause d’écolage est réputée
inexistante « lorsque la formation dispensée au
travailleur se situe dans le cadre réglementaire ou légal
requis pour l’exercice de la profession pour laquelle le
travailleur a été engagé ».
Un pilote par
exemple est engagé pour exercer le métier de
pilote. Au cours de sa carrière, il exercera différentes
« fonctions », comme second pilote plutôt
que commandant de bord, ou pilote sur différents types
d’avion. Un tel changement de fonction nécessite un
écolage.
Le législateur
n’apporte pas la nuance précisée par le
ministre, à savoir que si on change de fonction à
l’intérieur de la même profession, une clause
d’écolage valide est nécessaire.
Selon moi, la
loi indique clairement que si on est engagé, par exemple,
comme pilote, aucune formation inscrite dans un cadre
réglementaire ne peut faire l’objet d’une
clause d’écolage, qu’il s’agisse d’une
formation de commandant de bord ou de second pilote, ou d’une
formation axée sur l’un ou l’autre type
d’avion. Toutes les formations réglementairement
définies existant dans le cadre d’une « profession »
déterminée, à savoir la profession de
pilote, sont en effet concernées.
Sur quelle
base doit-on opérer une distinction entre diverses
fonctions pouvant être exercées par une seule
catégorie professionnelle ? La loi n’opère
pas cette distinction.
Le ministre
peut-il, le cas échéant, indiquer le critère
sur la base duquel une distinction doit être établie,
dans la pratique juridique, entre une profession et une
fonction ?
Peut-être
ai-je mal compris la réponse du ministre. Aucune formation
réglementairement définie ne peut-elle faire
l’objet d’une clause d’écolage ? Le
ministre partage-t-il ce point de vue ?
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Ik verwijs naar mijn
voorgaande vraag inzake het scholingsbeding. Ik dien bij verder
onderzoek van het door de Minister op 15 februari 2007
gegeven antwoord spijtig genoeg vast te stellen dat dit antwoord
meer vragen oproept dan dat het antwoorden biedt.
De wet houdende diverse bepalingen
van 27 december 2006 bepaalt dat sommige
scholingsbedingen als onbestaande worden beschouwd, onder meer
wanneer aan de werknemer een vorming wordt gegeven die
voortvloeit uit een wettelijke of reglementaire bepaling om het
beroep te mogen uitoefenen.
In zijn antwoord van
15 februari 2007 stelt de minister dat het mogelijk is
een geldig scholingsbeding af te sluiten voor een wettelijk of
reglementair opgelegde opleiding, indien de werknemer initieel
niet voor die bepaalde ‘functie’ werd aangeworven.
Bij nalezing van de wetgeving kan
men dit onderscheid echter niet uit de wettekst afleiden. De wet
stelt immers zonder meer dat het scholingsbeding geacht wordt
onbestaande te zijn ‘wanneer de aan de werknemer gegeven
vorming voortvloeit uit een wettelijke of reglementaire bepaling
om het beroep waarvoor de werknemer werd aangeworven uit te
oefenen’.
Het beroep waarvoor bijvoorbeeld een
piloot wordt aangeworven is piloot. De piloot zal gedurende zijn
carrière verschillende ‘functies’ uitoefenen
zoals bijvoorbeeld tweede piloot dan wel gezagvoerder of piloot
op verschillende types vliegtuigen. Bij een dergelijke
functiewijziging behoort een scholing.
De wetgever maakt niet de nuancering
die de Minister blijkbaar maakt, namelijk dat als men binnen
hetzelfde beroep van functie verandert, men een geldig
scholingsbeding moet afsluiten.
De wet stelt mijns inziens duidelijk
dat indien men bijvoorbeeld wordt aangeworven als piloot, geen
enkele reglementair bepaalde opleiding het voorwerp kan uitmaken
van een scholingsbeding, of het nu een opleiding zou betreffen
van gezagvoerder of tweede piloot dan wel een opleiding op één
type vliegtuig dan wel het andere type vliegtuig. Het betreft
immers allemaal reglementair bepaalde opleidingen binnen een
bepaald ‘beroep’, namelijk het beroep van piloot.
Op welke basis dient men een
onderscheid te maken binnen verschillende functies die kunnen
worden uitgeoefend door één beroepsgroep? De wet
maakt immers dit onderscheid niet.
Kan de Minister in voorkomend geval
het criterium aangeven op grond waarvan in de rechtspraktijk een
onderscheid moet worden gemaakt tussen een beroep of een functie?
Begrijp ik het antwoord van de
Minister verkeerd en kan geen enkele reglementair bepaalde
opleiding het voorwerp uitmaken van een scholingsbeding? Gaat de
Minister akkoord met deze laatste zienswijze?
|
|
M. Vincent
Van Quickenborne, secrétaire d’État
à la Simplification administrative, adjoint au premier
ministre. – La loi du 27 décembre 2006
portant des dispositions diverses a réglé la clause
d’écolage. Ces dispositions ont été
insérées dans la loi du 3 juillet 1978
relative aux contrats de travail. Il s’agit d’une
donnée importante ; cela signifie en effet que les
dispositions relatives à la clause d’écolage
doivent être entendues dans le contexte de la loi relative
aux contrats de travail.
Le contrat de
travail est un contrat conclu entre l’employeur et le
travailleur, contrat dans lequel les deux parties conviennent
d’un certain nombre d’éléments, dont
l’objet de leur contrat. Parmi les éléments
auxquels les parties consacrent une grande attention dans la
pratique, il faut citer la description de la tâche, la
mission, l’ensemble des tâches, une définition
de la fonction, la profession. La terminologie utilisée
importe peu. Ce qui importe, c’est ce que les parties ont
convenu et la manière dont elles l’ont fait. C’est
dans ce contexte que les parties peuvent, le cas échéant,
conclure une clause d’écolage.
Le nouvel
article 22bis définit la clause d’écolage
comme étant une clause par laquelle le travailleur
bénéficiant, dans le cours de l’exécution
de son contrat, d’une formation aux frais de l’employeur
s’engage à rembourser à ce dernier une partie
des frais de formation en cas de départ de l’entreprise
avant l’expiration d’une période convenue.
Le paragraphe
4 du même article ajoute qu’une clause d’écolage
est réputée inexistante « lorsque la
formation dispensée au travailleur se situe dans le cadre
réglementaire ou légal requis pour l’exercice
de la profession pour laquelle le travailleur a été
engagé ». En l’occurrence, ce sont les
mots « la profession pour laquelle le travailleur a
été engagé » qui sont
importants ; ils renvoient à la définition
inscrite dans le contrat de travail par les parties elles-mêmes.
Ce que les
parties ont convenu sera important pour déterminer la
validité d’une clause d’écolage. Ainsi,
un employeur qui convient, avec son travailleur, d’une
tâche déterminée en sachant que ce dernier
n’a pas reçu la formation requise légalement,
ne pourra pas conclure de clause d’écolage valide
dans le cadre de cette formation, laquelle est nécessaire
pour exécuter le contrat de travail tel que convenu.
|
De heer Vincent
Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve
Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – De
wet houdende diverse bepalingen van 27 december 2006
heeft het scholingsbeding geregeld. Deze bepalingen werden
ingevoegd in de wet van 3 juli 1978 betreffende de
arbeidsovereenkomsten. Dit is een belangrijk gegeven, aangezien
dit betekent dat de bepalingen inzake het scholingsbeding moeten
begrepen worden in de context van de wet op de
arbeidsovereenkomsten.
De arbeidsovereenkomst is een
overeenkomst tussen werkgever en werknemer waarbij partijen een
aantal zaken overeenkomen waaronder het voorwerp van hun
overeenkomst. Tot de elementen waaraan partijen in de praktijk
doorgaans heel wat aandacht besteden behoren: de omschrijving van
de taak, de opdracht, het takenpakket, een functiebeschrijving,
het beroep. Het woordgebruik doet weinig ter zake. Wat van belang
is, is wat partijen zijn overeengekomen en hoe precies zij dit
hebben gedaan. Het is in die context dat partijen in voorkomend
geval een scholingsbeding kunnen sluiten.
Het nieuwe artikel 22bis
omschrijft het scholingsbeding als het beding waarbij de
werknemer, die gedurende de uitvoering van zijn
arbeidsovereenkomst een opleiding volgt op kosten van de
werkgever, zich ertoe verbindt om aan deze laatste een gedeelte
van de opleidingskosten terug te betalen ingeval hij de
onderneming verlaat voor het einde van de overeengekomen periode.
Paragraaf 4 van hetzelfde artikel
voegt hieraan toe dat een scholingsbeding onbestaande is ‘wanneer
de aan de werknemer gegeven opleiding voortvloeit uit een
wettelijke of reglementaire bepaling om het beroep waarvoor de
werknemer werd aangeworven uit te oefenen’. Van belang zijn
hier de woorden ‘het beroep waarvoor de werknemer werd
aangeworven’ waarmee wordt verwezen naar de invulling die
door partijen zelf in hun arbeidsovereenkomst is gegeven.
Wat partijen zijn overeengekomen zal
belangrijk zijn om na te gaan of er al dan niet geldig een
scholingsbeding kan zijn. Zo zal bijvoorbeeld een werkgever die
met zijn werknemer overeenkomt om een bepaalde taak uit te
oefenen wetende dat deze werknemer niet de wettelijk vereiste
opleiding heeft genoten, geen geldig scholingsbeding kunnen
sluiten naar aanleiding van het volgen van die opleiding, nodig
om de arbeidsovereenkomst uit te oefenen zoals overeengekomen.
|
|
Demande
d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre des
Affaires sociales et de la Santé publique et au ministre
de l’Emploi sur «l’entrée en vigueur des
dispositions concernant la clause d’écolage»
(nº 3-2167)
|
Vraag
om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister
van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Werk
over «de inwerkingtreding van de bepalingen inzake het
scholingsbeding» (nr. 3-2167)
|
|
M. le président.
– M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire
d’État à la Simplification administrative,
adjoint au premier ministre, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris
voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste
minister, antwoordt.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Je renvoie à ma
question précédente sur la clause d’écolage.
La réponse apportée par le ministre le
15 février 2007 ne me donne malheureusement pas
satisfaction.
Une fois de
plus, je dois donc constater que les lois portant des
dispositions diverses contiennent une foule d’articles
n’ayant pas fait l’objet d’un débat
parlementaire sérieux et qui donnent ensuite lieu à
une grande incertitude dans la pratique judiciaire.
Les
articles 179 et 180 de la loi du 27 décembre 2006
portant des dispositions diverses insèrent dans la loi du
3 juillet 1978, un article 22bis relatif à
la clause d’écolage.
Quant à
l’entrée en vigueur de cet article 22bis,
le ministre dit dans sa réponse que la loi exécute
une mesure du Pacte de solidarité entre les générations
visant à encourager la formation des travailleurs et par
conséquent, faciliter leur mise au travail.
Le ministre
dit aussi que l’article 22bis n’est pas
applicable aux contrats conclus avant l’entrée en
vigueur de l’article 22bis, sans donner à
cela la moindre explication.
L’article 22bis
étant une mesure qui touche à l’ordre public,
il est d’application directe sur les contrats existants. Je
peux renvoyer à ce sujet à des arrêts récents
de la Cour de cassation, tels que l’arrêt du
17 décembre 2004 et du 15 septembre 2005.
Le ministre
a-t-il tenu compte de cette jurisprudence de la Cour de cassation
en répondant à la question posée ?
Estime-t-il
que l’article 22bis, qui vise pourtant la
formation des travailleurs et par conséquent, leur
meilleure adaptabilité au marché du travail, ne
concerne pas l’ordre public ?
Ou bien y
a-t-il d’autres raisons qui amènent le ministre à
décider que l’article 22 |