3-206

Sénat de Belgique

Session ordinaire 2006-2007

Séances plénières

Jeudi 8 mars 2007

Séance de l’après-midi

3-206

Belgische Senaat

Gewone Zitting 2006-2007

Plenaire vergaderingen

Donderdag 8 maart 2007

Namiddagvergadering

Annales

Handelingen

 

Sommaire

Inhoudsopgave

Votes

Prise en considération de propositions

Questions orales

Projet de loi modifiant diverses dispositions relatives à l’absence et à la déclaration judiciaire de décès (Doc. 3-1792) (Procédure d’évocation)

Projet de loi modifiant certaines dispositions du Code judiciaire relatives à l’absence et à la déclaration judiciaire de décès (Doc. 3-1793)

Questions orales

Projet de loi portant assentiment à l’Accord de Stabilisation et d’Association entre les Communautés européennes et leurs États membres, d’une part, et la République d’Albanie, d’autre part, et à l’Acte final, faits à Luxembourg le 12 juin 2006 (Doc. 3-2026)

Projet de loi portant assentiment au Protocole portant amendement à la Convention européenne pour la répression du terrorisme, fait à Strasbourg le 15 mai 2003 (Doc. 3-2033)

Projet de loi portant assentiment aux Actes internationaux suivants :
1º Accord modifiant l’Accord de partenariat entre les membres du Groupe des États d’Afrique, des Caraïbes et du Pacifique, d’une part, et la Communauté européenne et ses États membres, d’autre part, signé à Cotonou le 23 juin 2000, et à l’Acte final, faits à Luxembourg le 25 juin 2005 ;
2º Accord interne entre les représentants des gouvernements des États membres, réunis au sein du Conseil, modifiant l’Accord interne du 18 septembre 2000 relatif aux mesures à prendre et aux procédures à suivre pour la mise en œuvre de l’Accord de partenariat ACP-CE, fait à Luxembourg le 10 avril 2006 ;
3º Accord interne entre les représentants des gouvernements des États membres, réunis au sein du Conseil, relatif au financement des aides de la Communauté au titre du cadre financier pluriannuel pour la période 2008–2013 conformément à l’Accord de partenariat ACP-CE et à l’affectation des aides financières destinées aux pays et territoires d’outre-mer auxquels s’appliquent les dispositions de la quatrième partie du Traité CE, fait à Bruxelles le 17 juillet 2006 (Doc. 3-2034)

Projet de loi portant assentiment aux Actes internationaux suivants :
1º le Septième Protocole additionnel à la Constitution de l’Union postale universelle ;
2º le Règlement général de l’Union postale universelle ;
3º la Convention postale universelle et le Protocole final, et
4º l’Arrangement concernant les services de paiement de la poste,
faits à Bucarest le 5 octobre 2004 (Doc. 3-2078)

Questions orales

Votes

Ordre des travaux

Demande d’explications de M. Luc Willems à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur «les crimes d’honneur» (nº 3-2171)

Demande d’explications de Mme Clotilde Nyssens à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «le projet Phénix» (nº 3-2179)

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «la rémunération des avocats pour des prestations dans le cadre de l’assistance juridique» (nº 3-2180)

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «la garantie à payer en cas de dépôt de plainte avec constitution de partie civile» (nº 3-2181)

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur «le centre fermé de Vottem» (nº 3-2182)

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au vice-premier ministre et ministre des Finances sur «les problèmes au SPF Finances» (nº 3-2151)

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au vice-premier ministre et ministre des Finances sur «le contrôle du précompte professionnel par l’administration fiscale» (nº 3-2164)

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au vice-premier ministre et ministre des Finances et au secrétaire d’État à la Simplification administrative sur «les problèmes pour introduire une requête auprès du Conseil d’état suite à la suppression des timbres fiscaux» (nº 3-2165)

Demande d’explications de Mme Anke Van dermeersch à la vice-première ministre et ministre du Budget et de la Protection de la consommation sur «l’éventuelle saisie par les pouvoirs publics des assurances-vie dormantes» (nº 3-2168)

Demande d’explications de M. Berni Collas à la vice-première ministre et ministre du Budget et de la Protection de la consommation et au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «la tremblante du mouton» (nº 3-2176)

Demande d’explications de M. Yves Buysse au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur et au ministre des Affaires étrangères sur «des compagnies aériennes récalcitrantes aux rapatriements sous escorte» (nº 3-2174)

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique et au ministre de l’Emploi sur «la validité d’une clause d’écolage fixée par un règlement» (nº 3-2166)

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique et au ministre de l’Emploi sur «l’entrée en vigueur des dispositions concernant la clause d’écolage» (nº 3-2167)

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre de la Mobilité sur «le port de la ceinture de sécurité» (nº 3-2183)

Demande d’explications de Mme Mia De Schamphelaere au ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances et au secrétaire d’État aux Entreprises publiques sur «la gestion des ressources humaines de la SNCB» (nº 3-2178)

Excusés

Annexe

Votes nominatifs

Propositions prises en considération

Demandes d’explications

Évocations

Non-évocations

Messages de la Chambre

Dépôt d’un projet de loi

Cour d’arbitrage – Questions préjudicielles

Cour d’arbitrage – Recours

Auditorats du Travail

Conseil central de l’économie

Parlement européen

Stemmingen

Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Wetsontwerp tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de afwezigheid en de gerechtelijke verklaring van overlijden (Stuk 3-1792) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de afwezigheid en de gerechtelijke verklaring van overlijden (Stuk 3-1793)

Mondelinge vragen

Wetsontwerp houdende instemming met de Stabilisatie- en Associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lidstaten, enerzijds, en de Republiek Albanië, anderzijds, en met de Slotakte, gedaan te Luxemburg op 12 juni 2006 (Stuk 3-2026)

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol tot wijziging van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme, gedaan te Straatsburg op 15 mei 2003 (Stuk 3-2033)

Wetsontwerp houdende instemming met volgende Internationale Akten:
1º Overeenkomst tot wijziging van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de Groep van Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000, en met de Slotakte, gedaan te Luxemburg op 25 juni 2005;
2º Intern Akkoord tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de Lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, houdende wijziging van het Intern Akkoord van 18 september 2000 inzake maatregelen en procedures voor de uitvoering van de ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst, gedaan te Luxemburg op 10 april 2006;
3º Intern Akkoord tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de Lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Gemeenschap binnen het meerjarig financieel kader voor 2008–2013 voor de ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het EG-Verdrag van toepassing zijn, gedaan te Brussel op 17 juli 2006 (Stuk 3-2034)

Wetsontwerp houdende instemming met de volgende Internationale Akten:
1º het Zevende Protocol ter aanvulling van de Stichtingsakte van de Wereldpostvereniging;
2º het Algemeen Reglement van de Wereldpostvereniging;
3º de Wereldpostconventie en het Slotprotocol, en
4º de Overeenkomst betreffende de uitbetalingsdiensten van de post,
gedaan te Boekarest op 5 oktober 2004 (Stuk 3-2078)

Mondelinge vragen

Stemmingen

Regeling van de werkzaamheden

Vraag om uitleg van de heer Luc Willems aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de eer- en bloedwraak» (nr. 3-2171)

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «het Phenixproject» (nr. 3-2179)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de vergoeding van advocaten voor prestaties geleverd in het kader van de rechtsbijstand» (nr. 3-2180)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de te betalen waarborg bij het indienen van een klacht met burgerlijkepartijstelling» (nr. 3-2181)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «het gesloten centrum van Vottem» (nr. 3-2182)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over «de problemen bij de FOD Financiën» (nr. 3-2151)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over «de controle van de bedrijfsvoorheffing door de belastingadministratie» (nr. 3-2164)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en aan de staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging over «de problemen om een verzoekschrift bij de Raad van State in te stellen als gevolg van de afschaffing van de fiscale zegels» (nr. 3-2165)

Vraag om uitleg van mevrouw Anke Van dermeersch aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken over «de eventuele beslaglegging door de overheid op de zogenaamde slapende levensverzekeringen» (nr. 3-2168)

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken en aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de draaiziekte van schapen» (nr. 3-2176)

Vraag om uitleg van de heer Yves Buysse aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Buitenlandse Zaken over «luchtvaartmaatschappijen die weigerachtig staan tegenover repatriëringen onder escorte» (nr. 3-2174)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Werk over «de geldigheid van een scholingsbeding dat reglementair geregeld is» (nr. 3-2166)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Werk over «de inwerkingtreding van de bepalingen inzake het scholingsbeding» (nr. 3-2167)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Mobiliteit over «het dragen van een veiligheidsgordel» (nr. 3-2183)

Vraag om uitleg van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen en aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over «het personeelsbeleid van de NMBS» (nr. 3-2178)

Berichten van verhindering

Bijlage

Naamstemmingen

In overweging genomen voorstellen

Vragen om uitleg

Evocaties

Niet-evocaties

Boodschappen van de Kamer

Indiening van een wetsontwerp

Arbitragehof – Prejudiciële vragen

Arbitragehof – Beroepen

Arbeidsauditoraten

Centrale Raad voor het Bedrijfsleven

Europees Parlement

 

Présidence de Mme Anne-Marie Lizin

(La séance est ouverte à 15 h 15.)

Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin

(De vergadering wordt geopend om 15.15 uur.)

Votes

Stemmingen

(Reprise des votes nominatifs restés sans suite – Art. 46.3, alinéa 2, du Règlement)

(Hervatting van de naamstemmingen die onbeslist zijn gebleven – Art. 46.3, tweede lid, van het Reglement)

(Les listes nominatives figurent en annexe.)

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Projet de loi relatif à la découverte et à la protection d’épaves (Doc. 3-2037) (Procédure d’évocation)

Wetsontwerp betreffende de vondst en de bescherming van wrakken (Stuk 3-2037) (Evocatieprocedure)

Mme la présidente. – Nous votons sur l’amendement nº 4 de M. Hugo Vandenberghe.

De voorzitter. – We stemmen over amendement 4 van de heer Hugo Vandenberghe.

Vote nº 1

Stemming 1

Présents : 37
Pour : 0
Contre : 35
Abstentions : 2

Aanwezig: 37
Voor: 0
Tegen: 35
Onthoudingen: 2

L’amendement n’est pas adopté.

Het amendement is niet aangenomen.

Mme la présidente. – Nous votons sur l’amendement nº 5 de M. Hugo Vandenberghe.

De voorzitter. – We stemmen over amendement 5 van de heer Hugo Vandenberghe.

Vote nº 2

Stemming 2

Présents : 45
Pour : 7
Contre : 35
Abstentions : 3

Aanwezig: 45
Voor: 7
Tegen: 35
Onthoudingen: 3

L’amendement n’est pas adopté.

Het amendement is niet aangenomen.

Le même résultat de vote est accepté pour les amendements nos 6 à 11 de M. Vandenberghe. Ces amendements ne sont donc pas adoptés.

Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de amendementen 6 tot 11 van de heer Vandenberghe. Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.

Mme la présidente. – Nous votons à présent sur l’ensemble du projet de loi.

De voorzitter. – We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

Vote nº 3

Stemming 3

Présents : 43
Pour : 37
Contre : 6
Abstentions : 0

Aanwezig: 43
Voor: 37
Tegen: 6
Onthoudingen: 0

Le projet de loi est adopté sans modification. Par conséquent, le Sénat est censé avoir décidé de ne pas l’amender.

Il sera transmis à la Chambre des représentants en vue de la sanction royale.

Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.

Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Proposition de loi modifiant diverses dispositions relatives aux accidents du travail, aux maladies professionnelles et au fonds amiante, en ce qui concerne les cohabitants légaux (de Mme Annemie Van de Casteele et consorts, Doc. 3-91)

Wetsvoorstel houdende wijziging van diverse bepalingen betreffende arbeidsongevallen, beroepsziekten en het asbestfonds met betrekking tot wettelijk samenwonenden (van mevrouw Annemie Van de Casteele c.s., Stuk 3-916)

Vote nº 4

Stemming 4

Présents : 44
Pour : 44
Contre : 0
Abstentions : 0

Aanwezig: 44
Voor: 44
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

La proposition de loi est adoptée.

Le projet de loi sera transmis à la Chambre des représentants.

Het wetsvoorstel is aangenomen.

Het wetsontwerp zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Prise en considération de propositions

Inoverwegingneming van voorstellen

Mme la présidente. – La liste des propositions à prendre en considération a été distribuée.

Je prie les membres qui auraient des observations à formuler de me les faire connaître avant la fin de la séance.

Sauf suggestion divergente, je considérerai ces propositions comme prises en considération et renvoyées à la commission indiquée par le Bureau. (Assentiment)

De voorzitter. – De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(La liste des propositions prises en considération figure en annexe.)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

M. Francis Delpérée (CDH). – Nous sommes saisis d’une proposition de déclaration de révision de la Constitution (Doc. 3-2105) qui a cet objet particulier de soumettre à révision tous les articles de la Constitution, depuis l’article 1er jusqu’à l’article 138. C’est tout à fait inconstitutionnel ! Les révisions totales de la Constitution sont interdites. Je ne peux donc pas donner mon accord à la prise en considération d’une telle proposition qui est manifestement inconstitutionnelle.

De heer Francis Delpérée (CDH). – Er werd een voorstel van verklaring tot herziening van de Grondwet ingediend (Stuk 3-2105) dat nogal bijzonder is, omdat het alle grondwetsartikelen, van artikel 1 tot artikel 138, voor herziening vatbaar verklaart. Dat is volkomen ongrondwettig! Totale herzieningen van de Grondwet zijn verboden. Ik kan dus niet instemmen met de inoverwegingneming van een dergelijk voorstel, dat duidelijk ongrondwettig is.

Mme la présidente. – Tout le monde peut-il partager ce point de vue ?

De voorzitter. – Is iedereen het eens met dat standpunt?

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Je propose que nous votions sur ce point ultérieurement cet après-midi, de manière à ce que nous puissions examiner l’objection de M. Delpérée.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Ik stel voor dat we daarover later vanmiddag stemmen, zodat we nog de gelegenheid krijgen het bezwaar van de heer Delpérée te onderzoeken.

Mme la présidente. – L’assemblée est-elle d’accord ? (Assentiment)

De voorzitter. – Is de vergadering het hiermee eens? (Instemming)

Questions orales

Mondelinge vragen

Question orale de Mme Sabine de Bethune à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «l’application de la loi du 28 janvier 2003 visant à l’attribution du logement familial à la victime d’actes de violence physique de son partenaire» (nº 3-1440)

Mondelinge vraag van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de toepassing van de wet van 28 januari 2003 tot toewijzing van de gezinswoning aan het slachtoffer van fysieke gewelddaden vanwege zijn partner» (nr. 3-1440)

Mme Sabine de Bethune (CD&V). – Différents cas navrants d’actes de violence au sein du couple ont récemment été relayés par les médias, à tel point que, certainement en Flandre, le secteur de l’assistance et plus particulièrement les refuges pour femmes battues tirent la sonnette d’alarme. Ils attirent l’attention sur le manque de moyens pour l’accueil des victimes de violence intrafamiliale. En outre, les intervenants sociaux et les organisations féminines demandent expressément que ce ne soient pas les victimes, mais bien les auteurs de violence intrafamiliale qui doivent quitter le logement commun.

Cet éloignement est déjà régi par la loi du 28 janvier 2003 visant à l’attribution du logement familial au conjoint ou au cohabitant légal victime d’actes de violence physique de son partenaire et complétant l’article 410 du Code pénal, qui prévoyait la possibilité d’attribuer le logement familial à la victime de violence intrafamiliale. En outre, la ministre Onkelinx et le collège des procureurs généraux ont finalement envoyé, il y a tout juste un an, lors de la Journée de la femme 2006, une circulaire visant à assurer une lutte efficace contre la violence intrafamiliale.

Quelles initiatives sont-elles prises pour informer la magistrature et les services d’assistance au sujet de la loi du 28 janvier 2003 et des possibilités d’éloignement de l’auteur de violence intrafamiliale ?

Dans combien de cas l’éloignement dans le cadre de cette loi a-t-il déjà été appliqué par la magistrature ? Voici quelques années, la ministre n’a pas pu répondre à une question similaire de ma part. J’espère qu’elle pourra y répondre aujourd’hui.

Quelles sont les suites concrètes, un an exactement après l’envoi de la circulaire de la ministre et du collège des procureurs ?

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). – Recentelijk hebben verschillende schrijnende gevallen van partnergeweld de media gehaald, in die mate dat, zeker in Vlaanderen, ook de hulpverleningssector en meer bepaald de vluchthuizen aan de alarmbel trekken. Ze vestigen de aandacht op het tekort aan middelen voor opvang van slachtoffers van huiselijk geweld. Bovendien vragen hulpverleners en vrouwenorganisaties uitdrukkelijk dat niet de slachtoffers, maar wel de daders van huiselijk geweld de gemeenschappelijke woning zouden moeten verlaten.

Deze uithuisplaatsing wordt reeds geregeld in de wet van 28 januari 2003 tot toewijzing van de gezinswoning aan de echtgenoot of aan de wettelijk samenwonende die het slachtoffer is van fysieke gewelddaden vanwege zijn partner en tot aanvulling van artikel 410 van het Strafwetboek, die de mogelijkheid creëerde om de gezinswoning toe te wijzen aan het slachtoffer van huiselijk geweld. Bovendien stuurden minister Onkelinx en het college van procureurs-generaal precies een jaar geleden, op Vrouwendag van 2006, eindelijk een circulaire die voor een efficiëntere strijd tegen huiselijk geweld moest zorgen.

In deze context kreeg ik graag antwoord op volgende vragen.

Welke initiatieven zijn genomen om de magistratuur en de hulpverlening te informeren over de wet van 28 januari 2003 en de mogelijkheid van uithuisplaatsing van de dader van huiselijk geweld?

In hoeveel situaties werd de uithuisplaatsing in het kader van deze wet reeds toegepast door de magistratuur? Een paar jaar geleden kon de minister een gelijkaardige vraag van mijnentwege niet beantwoorden. Ik hoop dat ze dit nu wel kan.

Wat zijn de praktische gevolgen, precies één jaar na de versturing van de rondzendbrief van de minister en van het college van procureurs?

Mme Laurette Onkelinx, vice-première ministre et ministre de la Justice. – Comme vous le savez, nous n’avons eu de cesse de travailler, avec vous-même et d’autres, contre la violence faite aux femmes.

Sous l’ancienne législature, vous étiez parmi celles à avoir suivi avec beaucoup d’attention le lancement du premier plan national d’action contre les violences dont sont victimes les femmes. Nous avons effectivement adopté une nouvelle loi relative à l’attribution du logement familial à l’époux ou épouse victime de coups.

Sous la présente législature, on a pris une circulaire commune avec les procureurs généraux, prévoyant une tolérance zéro pour les violences faites aux femmes.

Aujourd’hui sera adopté à la Chambre un projet relatif aux mariages forcés, accordant compétence au parquet, ce qui permet de contrer également une autre violence faite aux femmes.

Cette question fut toujours une obsession pour moi, mais vous avez raison de dire qu’il convient maintenant d’examiner comment les choses se passent sur le terrain. Le signal est donné, mais il est indispensable que l’on dispose de statistiques précises.

Nous avons procédé à une évaluation sommaire du recours à la loi du 28 janvier 2003, que nous avons réalisée en partenariat entre mon département et l’Institut pour l’égalité entre les hommes et les femmes. Cette évaluation a révélé différents problèmes d’application de la loi, de telle sorte que nous estimons totalement prématuré de s’en tenir à une simple information des magistrats et des services d’aide quant à cette loi.

Une réunion s’est ainsi tenue à l’Institut la semaine dernière, le 28 février, à laquelle a participé le service de la politique criminelle pour examiner avec les centres d’aide les différents problèmes relevés et pour envisager des pistes de solution. Il sera fait part des résultats de cette réunion et des propositions y formulées lors de la prochaine conférence interministérielle qui se tiendra ce 29 mars. Je reviendrai ensuite devant vous pour vous informer.

Il est apparu lors de l’évaluation de la loi qu’il n’était pas possible de dégager une statistique fiable quant au nombre de recours à l’alinéa 3 de l’article 223 du Code civil, dans la mesure où nombre de magistrats continuent à se référer à l’article 223 dans sa globalité ou à son premier alinéa, sans mentionner l’alinéa 3. En effet, le premier alinéa permet déjà, de façon générale, de prendre les mesures urgentes et provisoires relatives à la personne et aux biens des époux et des enfants.

Il convient d’ajouter que, bien souvent, dans le cadre de mesures de probation prétorienne, voire dans le cadre de la loi sur la détention préventive, il peut être enjoint à l’auteur ou au suspect de coups et blessures de quitter temporairement le domicile, ce qui n’apparaîtra pas d’une éventuelle statistique relative à l’article 223 du Code civil.

Tel est le type de difficultés que nous rencontrons dans les statistiques. Nous voulons prendre en compte non seulement ces difficultés, mais aussi ce qui nous revient des centres d’aide aux femmes dans le cadre de l’application de la loi. Aussi vous ai-je dit que nous tiendrions prochainement une réunion commune et ensuite une conférence interministérielle. Je vous présenterai ensuite un rapport des conclusions de ces réunions. Je suis en tout cas cette question de très près, puisqu’elle me tient particulièrement à cœur.

Par ailleurs, sur le terrain concret de l’application de la circulaire commune, c’est la tolérance zéro qui s’applique clairement pour ce qui concerne la violence conjugale. La formation des magistrats auprès du Conseil supérieur de la Justice sur cette notion de tolérance zéro pour les violences faites aux femmes a très bien fonctionné. Des formations ont également eu lieu à l’échelon de la première ligne, notamment des services de police. La conscientisation a été très poussée.

Pour ce qui concerne l’évaluation, une première réunion s’est tenue au Collège le 15 février. Le service de la Politique criminelle a tiré depuis lors un premier bilan de la rédaction des différents plans d’action par arrondissement. En effet, j’avais demandé que tous les arrondissements se basent sur ce que Anne Bourguignont, procureur du Roi, a fait à Liège. Je vous rappelle que celle-ci avait établi un véritable plan d’action « tolérance zéro » qui permettait de parler non seulement du suivi des plaintes, mais aussi du travail accompli avec tous les acteurs concernés, sur le plan tant de la prévention que de la récolte des preuves ou du suivi des auteurs de coups et blessures.

On sait en effet qu’il faut réagir très rapidement, d’autant plus que pas mal de couples continuent leur petit bout de chemin et qu’il faut dès lors mettre en place un travail d’accompagnement médical pour que de tels faits ne se reproduisent pas.

Nous avons donc d’abord effectué un premier bilan de la rédaction des plans d’action par les différents arrondissements. L’Institut pour l’égalité entre les hommes et les femmes apportera également sa contribution par le biais d’un expert extérieur avec lequel il y aura un contrat spécifique. Une réunion est prévue le 15 mars pour préparer ladite évaluation de manière scientifique.

Nous essayons donc de procéder à une évaluation très précise qui nous amènera soit à nous féliciter du travail réalisé, soit à revoir éventuellement la circulaire et la loi pour aller plus loin.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. – De strijd tegen het geweld tegen vrouwen blijft voor ons een prioriteit. Mevrouw de Bethune heeft tijdens de vorige regeerperiode de voorstelling van het eerste nationale actieplan tegen het geweld op vrouwen van nabij gevolgd. Ook werd de wet goedgekeurd tot toewijzing van de gezinswoning aan de echtgenoot of aan de wettelijk samenwonende die het slachtoffer is van fysieke gewelddaden.

Tijdens de huidige regeerperiode heb ik een rondzendbrief gezonden naar de procureurs-generaal met betrekking tot een nultolerantiebeleid voor het geweld op vrouwen.

Vandaag zal de Kamer een wetsontwerp goedkeuren betreffende de gedwongen huwelijken, waarbij de parketten bevoegdheden krijgen. Ook hierdoor kan het geweld tegen vrouwen worden tegengegaan.

Mevrouw de Bethune stelt terecht dat het tijd is voor een analyse van de toestand op het terrein. Het signaal is gegeven, maar we moeten over de juiste statistieken beschikken.

Mijn departement en het Instituut voor de gelijkheid tussen mannen en vrouwen zijn kort nagegaan hoeveel maal de wet van 28 januari 2003 werd ingeroepen. Uit de evaluatie bleek dat er heel wat problemen zijn met de toepassing van de wet. Het leek ons dan ook voorbarig om ons te beperken tot een louter informeren van de magistraten en de hulpdiensten over de wet.

Op 28 februari jongstleden werd in het Instituut een vergadering georganiseerd, waaraan de Dienst strafrechtelijk beleid deelnam. We wilden samen met de hulpcentra nagaan wat de belangrijkste problemen zijn en wat de mogelijke oplossingen zijn. De resultaten en de voorstellen van die vergadering zullen op de volgende internministeriële conferentie van 29 maart worden voorgesteld.

Tijdens de evaluatie bleek dat het onmogelijk was betrouwbare gegevens te verkrijgen over het aantal keren dat een beroep werd gedaan op artikel 223, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Veel magistraten verwijzen naar het hele artikel 223 of naar het eerste lid, en vermelden het derde lid niet. Krachtens het eerste lid kunnen dringende en voorlopige maatregelen worden genomen betreffende de persoon en de goederen van de echtgenoten en de kinderen.

Bovendien kan in het kader van probatiemaatregelen of in het kader van de wet op de voorlopige hechtenis een persoon die zich schuldig heeft gemaakt aan slagen en verwondingen of die ervan wordt verdacht, ertoe worden verplicht de gezinswoning tijdelijk te verlaten. Dat blijkt dan niet uit de statistieken met betrekking tot artikel 223 van het Burgerlijk Wetboek.

We willen niet alleen met die statistische problemen rekening houden, maar ook met de opmerkingen van de hulpcentra. Ik heb al gezegd dat binnenkort een gemeenschappelijke vergadering en een interministeriële conferentie worden georganiseerd. Ik zal de resultaten van die vergaderingen meedelen. Ik volg de problematiek op de voet want ze ligt me na aan het hart.

Op het terrein geldt de nultolerantie voor partnergeweld. De opleiding van de magistraten met betrekking tot die nultolerantie, die de Hoge Raad voor de Justitie heeft georganiseerd, heeft vruchten afgeworpen. Ook de politiediensten hebben opleidingen georganiseerd. De bewustmaking is groot.

Het College heeft op 15 februari een eerste evaluatievergadering gehouden. De Dienst strafrechtelijk beleid heeft sindsdien een eerste balans opgemaakt van de opstelling van de actieplannen in de verschillende arrondissementen. Ik had gevraagd dat alle arrondissementen het actieplan ‘nultolerantie’ van de procureur des Konings van Luik, Anne Bourguignont, als voorbeeld nemen. Met dat plan kunnen niet alleen de klachten worden opgevolgd, ook kan worden nagegaan wat alle betrokkenen hebben gerealiseerd, zowel op het vlak van preventie als voor de inzameling van bewijzen of de begeleiding van de daders van slagen en verwondingen.

We weten dat snel moet worden opgetreden, temeer daar heel wat koppels blijven aanmodderen en dat bijgevolg een medisch begeleidingsplan moet worden opgesteld opdat dergelijke feiten zich niet zouden herhalen.

We hebben een eerste balans van de actieplannen in de arrondissementen opgemaakt. Het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen zal een specifiek contract sluiten met een extern expert. Op 15 maart zal over de wetenschappelijke voorbereiding van die evaluatie worden vergaderd.

We proberen een zo nauwkeurig mogelijke evaluatie op te stellen zodat we ofwel tevreden kunnen zijn met het geleverde werk, ofwel de circulaire en de wet kunnen bijschaven.

Mme Sabine de Bethune (CD&V). – La loi de 2003 constitue effectivement un progrès, en tout cas sur le plan des intentions. La ministre constate, tout comme le secteur de l’assistance, que des problèmes se posent quant à l’application de la loi.

La ministre explique bien les problèmes soulevés par la collecte de données statistiques. En outre, les personnes faisant appel à la procédure d’éloignement rencontrent également des difficultés. Celle-ci est compliquée, parce que l’éloignement doit être demandé dans le cadre de mesures urgentes.

En 2003, j’ai plaidé pour une autre procédure, à savoir une procédure en référé devant le juge de paix. Les Pays-Bas et l’Autriche veulent donner la compétence d’éloignement au commissaire de police. Le CD&V n’y était pas favorable en 2003 parce que nous voulions des garanties suffisantes pour les personnes éloignées. Les différents exemples de l’étranger doivent être examinés, mais la procédure doit en tout cas être revue. On peut profiter de cette occasion pour introduire la possibilité de recourir également à cette procédure à titre préventif, en cas de menace de violence, comme cela existe dans certains autres pays. Je voulais également introduire cette possibilité avec ma proposition de loi de 2003.

Je suis curieuse de voir les résultats de l’évaluation approfondie des directives des procureurs généraux, attendus pour la fin du mois.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). – Ik dank de minister voor haar interessante antwoord. De wet van 2003 is inderdaad een verbetering, in ieder geval wat de intentie betreft. De minister stelt, net zoals de hulpverleningssector, vast dat er problemen rijzen bij de toepassing van de wet.

De minister legt goed uit welke problemen er rijzen bij de verzameling van statistische gegevens. Daarnaast rijzen er ook problemen voor de personen die zich beroepen op de procedure van de uithuisplaatsing. De procedure is omslachtig, omdat de uithuisplaatsing moet worden aangevraagd als onderdeel van dringende maatregelen.

In 2003 heb ik gepleit voor een andere procedure, namelijk een procedure in kort geding voor de vrederechter. Nederland en Oostenrijk willen de bevoegdheid voor de uithuisplaatsing aan de politiecommissaris geven. CD&V was daar in 2003 geen voorstander van, omdat we voldoende garanties wilden voor mensen die uit huis worden geplaatst. De verschillende voorbeelden uit het buitenland moeten worden bestudeerd, maar in ieder geval moet de procedure worden herzien. Van die gelegenheid kan worden gebruik gemaakt om de mogelijkheid in te voeren die procedure ook preventief, bij dreigend geweld in te roepen, zoals dat ook in sommige andere landen geldt. Met mijn wetsvoorstel van 2003 wilde ik dat ook invoeren.

Ik kijk uit naar de resultaten van de grondige evaluatie van de richtlijnen van de procureurs-generaal, die vóór het einde van de maand wordt verwacht.

Projet de loi modifiant diverses dispositions relatives à l’absence et à la déclaration judiciaire de décès (Doc. 3-1792) (Procédure d’évocation)

Wetsontwerp tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de afwezigheid en de gerechtelijke verklaring van overlijden (Stuk 3-1792) (Evocatieprocedure)

Projet de loi modifiant certaines dispositions du Code judiciaire relatives à l’absence et à la déclaration judiciaire de décès (Doc. 3-1793)

Wetsontwerp tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de afwezigheid en de gerechtelijke verklaring van overlijden (Stuk 3-1793)

Discussion générale

Algemene bespreking

Mme la présidente. – Je vous propose de joindre la discussion de ces projets de loi. (Assentiment)

De voorzitter. – Ik stel voor deze wetsontwerpen samen te bespreken. (Instemming)

M. Mahoux se réfère à son rapport écrit.

De heer Mahoux verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Ces projets de loi visent à moderniser les anciennes dispositions du Code civil relatives à l’absence et au décès. L’initiative est noble mais la qualité juridique du texte transmis par la Chambre laissait à désirer. Notre commission de la Justice a pu remédier au problème en demandant l’avis du Conseil d’État et en comblant d’importantes lacunes par voie d’amendements.

Ainsi, en vertu de l’article 4 initial, une personne qui cessait de paraître à son domicile pendant un certain temps risquait d’être présumée absente, sans condition de délai, et de voir ses biens gérés par un administrateur judiciaire. Cette disposition a heureusement été corrigée par amendement.

De même les effets de la déclaration d’absence posaient problème en cas de réapparition de l’absent. La personne déclarée absente est censée être décédée. Le mariage et la communauté matrimoniale sont dès lors dissous et le conjoint peut contracter un nouveau mariage. Lorsqu’il réapparaît, l’absent est cependant en droit d’exiger ses biens.

Comme l’indique le rapport, il subsiste certainement encore quelques imperfections juridiques mais l’ensemble du texte a été suffisamment amélioré pour que nous puissions l’adopter.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Deze wetsontwerpen, die op initiatief van de Kamer zijn genomen, pogen de oude regeling uit het Burgerlijk Wetboek omtrent de afwezigheid en het overlijden te moderniseren. Het is een nobel initiatief, maar de juridische kwaliteit van tekst van de Kamer liet toch wel wat te wensen over. Wij hebben dit in de commissie voor de Justitie opgelost door het advies van de Raad van State te vragen en door belangrijke lacunes via amendementen aan te vullen.

Ik geef een voorbeeld. Artikel 4 van het voorstel bepaalde initieel dat de rechtbank van eerste aanleg onmiddellijk nadat iemand niet langer thuis verscheen, op verzoek van de procureur des Konings of van ieder belanghebbende, het gewone vermoeden van afwezigheid – dat verschillend is van de bijzondere regeling bij rampen en levensbedreigende situaties – kon vaststellen. Dit heeft dan als gevolg dat een bewindvoerder wordt aangesteld over de goederen van de vermoede afwezige en dat de termijn voor de echte verklaring van afwezigheid begint te lopen. Die regeling bepaalde geen enkele wachttermijn. Wie enige tijd niet meer thuis kwam, liep dus het risico vermoed te worden afwezig te zijn. Gelukkig hebben we via amendementen deze bepaling kunnen verbeteren.

Er was ook een probleem in verband met de gevolgen van de verklaring van afwezigheid wanneer de betrokkene die afwezig is verklaard uiteindelijk na jaren weer opduikt. Als de betrokkene afwezig wordt verklaard, wordt hij geacht overleden te zijn, wordt het huwelijksvermogen ontbonden, is het huwelijk ontbonden en kan de echtgenote of echtgenoot een tweede huwelijk hebben aangegaan. Als de afwezige dan weer opduikt zal hij de verklaring van afwezigheid opheffen. De vraag rees op welke wijze de vermogensrechtelijke problemen die aldus ontstonden, moesten worden opgelost. De afwezige die weer opduikt, is uiteraard gerechtigd zijn eigendommen terug te vorderen.

Zoals blijkt uit het verslag, kunnen ongetwijfeld nog juridisch-technische onvolkomenheden worden weggewerkt. Het geheel van de tekst werd in elk geval voldoende grondig verbeterd zodat we hem kunnen goedkeuren.

Mme Laurette Onkelinx, vice-première ministre et ministre de la Justice. – Le Sénat a bien travaillé. Je suis tout à fait satisfaite.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. – De Senaat heeft goed werk geleverd. Ik ben zeer tevreden.

La discussion générale est close.

De algemene bespreking is gesloten.

Discussion des articles Projet de loi modifiant diverses dispositions relatives à l’absence et à la déclaration judiciaire de décès (Doc. 3-1792) (Procédure d’évocation)

Artikelsgewijze bespreking van het Wetsontwerp tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de afwezigheid en de gerechtelijke verklaring van overlijden (Stuk 3-1792) (Evocatieprocedure)

(Pour le texte amendé par la commission de la Justice, voir document 3-1792/6.)

(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Justitie, zie stuk 3-1792/6.)

Il sera procédé ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de loi.

De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Discussion des articles du projet de loi modifiant certaines dispositions du Code judiciaire relatives à l’absence et à la déclaration judiciaire de décès (Doc. 3-1793)

Artikelsgewijze bespreking van het wetsontwerp tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de afwezigheid en de gerechtelijke verklaring van overlijden (Stuk 3-1793)

(Pour le texte amendé par la commission de la Justice, voir document 3-1793/4.)

(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Justitie, zie stuk 3-1793/4.)

Les articles 1er à 4 sont adoptés sans observation.

Il sera procédé ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de loi.

De artikelen 1 tot 4 worden zonder opmerking aangenomen.

Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Questions orales

Mondelinge vragen

Question orale de M. François Roelants du Vivier au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «les cliniques du sein» (nº 3-1436)

Mondelinge vraag van de heer François Roelants du Vivier aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «borstklinieken» (nr. 3-1436)

Mme la présidente. – M. Peter Vanvelthoven, ministre de l’Emploi, répondra.

De voorzitter. – De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk, antwoordt.

M. François Roelants du Vivier (MR). – En septembre 2005, j’ai déposé une proposition de loi visant à établir des normes de qualité pour les cliniques du sein. Elle est encore à l’examen en commission des Affaires sociales.

Comme je l’ai souligné, la Belgique figure toujours parmi les pays les plus touchés par le cancer du sein qui constitue la première cause de mortalité chez les femmes âgées de 35 à 55 ans. Le dépistage permet de réduire cette mortalité de 30%, pour autant qu’il soit réalisé selon des critères de qualité. Il est donc urgent de légiférer sur les normes de qualité pour la prise en charge du dépistage. De plus, la transparence sur la qualité des centres de traitement fait partie intégrante du droit des patients.

À plusieurs reprises, le ministre Demotte a annoncé être occupé à rédiger un projet d’arrêté royal réglementant les cliniques du sein selon les normes européennes. Cet arrêté royal, priorité absolue dans la lutte contre le cancer du sein, devait voir le jour au cours de l’été 2006. Cet engagement a été applaudi et encouragé, notamment par le groupe interparlementaire du cancer du sein qui rassemble plusieurs dizaines de sénateurs et de députés. Nous sommes maintenant en fin de législature et au printemps de l’année 2007 et nous ne voyons rien venir.

Par conséquent, j’aimerais savoir où en est la rédaction de cet arrêté royal ? Le ministre Demotte envisage-t-il toujours d’établir des normes de qualité axées sur l’organisation pluridisciplinaire, sur le contrôle de la qualité des soins et inspirées des recommandations européennes ?

De heer François Roelants du Vivier (MR). – In september 2005 diende ik een wetsvoorstel in om kwaliteitsnormen voor borstklinieken op te leggen. Het wordt nog besproken in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

België behoort nog altijd tot de landen waar borstkanker het meest voorkomt. Het is de voornaamste doodsoorzaak bij vrouwen tussen 35 en 55 jaar. Opsporing, voorzover die gebeurt volgens kwaliteitscriteria, kan die mortaliteit met 30% doen dalen. Er moet dus dringend wetgeving komen over de kwaliteitsnormen voor opsporing. Transparantie inzake de kwaliteit van de behandelingscentra is bovendien een patiëntenrecht.

Minister Demotte kondigde meermaals een koninklijk besluit aan dat de borstklinieken reglementeert volgens Europese normen. Dat besluit, dat absoluut prioritair is in de strijd tegen borstkanker, moest in de zomer van 2006 het licht zien. Dat engagement werd verwelkomd en aangemoedigd, met name door de interparlementaire werkgroep inzake borstkanker waarvan tientallen volksvertegenwoordigers en senatoren deel uitmaken. We staan nu voor het einde van de regeerperiode en de lente van 2007 en zien nog steeds niets komen.

Hoe ver staat het met het besluit? Wil minister Demotte nog altijd kwaliteitsnormen opstellen, gericht op een multidisciplinaire organisatie en controle van de zorgverlening en geïnspireerd door de Europese aanbevelingen?

M. Peter Vanvelthoven, ministre de l’Emploi. – Le ministre Demotte confirme son point de vue selon lequel l’instauration de normes de qualité pour le traitement du cancer du sein est nécessaire. L’année dernière, ses services ont préparé un projet de texte à cette fin. Il suit la procédure. Un avis a déjà été émis par la commission de la protection de la vie privée. Le ministre Demotte attend l’avis du Conseil d’État dans deux semaines. Il soumettra donc un projet définitif au chef de l’État avant la fin de cette législature.

De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk. – Minister Demotte bevestigt zijn visie dat de invoering van kwaliteitsnormen voor de behandeling van borstkanker nodig is. Vorig jaar stelden zijn diensten daarvoor een ontwerp op. Het volgt de normale procedure. Er werd al een advies uitgebracht door de commissie voor de bescherming van de privélevenssfeer. Minister Demotte verwacht binnen twee weken het advies van de Raad van State. Hij zal dus een definitieve tekst aan het Staatshoofd voorleggen vóór het einde van de regeerperiode.

M. François Roelants du Vivier (MR). – Je remercie le ministre Demotte pour ses engagements précis. Je compte bien que ceux-ci soient tenus avant la fin de la législature.

De heer François Roelants du Vivier (MR). – Ik dank minister Demotte voor zijn duidelijke beloften. Ik reken erop dat hij die voor het einde van de regeerperiode zal nakomen.

Question orale de M. Francis Delpérée au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «les déclarations du Président du SPF Sécurité sociale sur le Conseil d’État» (nº 3-1439)

Mondelinge vraag van de heer Francis Delpérée aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de verklaringen van de Voorzitter van de FOD Sociale Zekerheid betreffende de Raad van State» (nr. 3-1439)

Question orale de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «les déclarations inacceptables du Président du SPF Sécurité sociale concernant le Conseil d’État» (nº 3-1445)

Mondelinge vraag van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de onaanvaardbare verklaringen van de Voorzitter van de FOD Sociale Zekerheid over de Raad van State» (nr. 3-1445)

Mme la présidente. – Je vous propose de joindre ces questions orales. (Assentiment)

M. Peter Vanvelthoven, ministre de l’Emploi, répondra.

De voorzitter. – Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk, antwoordt.

M. Francis Delpérée (CDH). – Dans une carte blanche publiée dans Le Soir des 3 et 4 mars et dans un article publié dans De Standaard du 5 mars, le président du SPF Sécurité sociale se livre à une attaque en règle contre le Conseil d’État et les magistrats qui le composent.

Le titre de l’article du Soir est éloquent : « Le Conseil d’État est-il un ennemi de l’État ? ». Le titre du Standaard n’est même pas accompagné d’un point d’interrogation : « De Raad van State is staatsgevaarlijk ».

Je me bornerai à citer un passage de l’article : « Imaginez : une organisation terroriste malicieuse parviendrait à faire exploser une bombe lors d’une réunion de hauts fonctionnaires fédéraux et ferait des dizaines de victimes. Les journaux titreraient : “L’État décapité”. Avec son arsenal de munitions juridiques, le Conseil d’État parvient actuellement à provoquer les mêmes dégâts. Il est donc grand temps que le nouveau chef de la Sûreté de l’État ajoute ces juristes déconnectés de la réalité à sa liste d’organisations ennemies de l’État ».

Il n’y a pas lieu de contester la liberté d’expression des fonctionnaires. L’arrêté royal du 22 décembre 2000, plus communément appelé ARPG, précise que « les agents jouissent de la liberté d’expression dans l’exercice de leurs fonctions ». Et je me permets d’ajouter : « Plus encore en dehors de l’exercice de leurs fonctions ».

Le droit qui leur est ainsi reconnu se comprend néanmoins sous deux réserves que la doctrine et la jurisprudence administratives mettent en évidence.

D’une part, il y a lieu de tenir compte de la forme de l’expression. Les opinions émises doivent se concilier avec un devoir de réserve qui pèse sur les fonctionnaires dans l’expression de leurs opinions. La forme, ici, importe autant que le fond. Comme disait Beaumarchais, « On a vingt-quatre heures au palais pour maudire ses juges. » Cela ne justifie pas une campagne de presse faite d’expressions grossières, insultantes et outrageantes.

D’autre part, il faut s’interroger sur les conséquences qui s’attachent à l’expression des opinions surtout si elles émanent d’un haut fonctionnaire. La liberté de critique et d’opinion ne peut avoir pour effet de compromettre la confiance que les citoyens doivent avoir en l’État et ses institutions publiques. Elle ne saurait ébranler le crédit de l’État, de son administration et des institutions de justice.

Je voudrais vous demander, monsieur le ministre, si vous avez été informé, au préalable, de la publication de ces articles ?

Vous admettez qu’un haut fonctionnaire fasse état dans une publication de sa qualité d’ancien chef de cabinet d’un ministre SP.A ou considérez-vous qu’il y a là une atteinte à la règle de neutralité des services publics ?

Vous comptez prendre des mesures pour réprimer des déclarations qui ne tiennent pas compte du devoir de réserve qui s’impose aux fonctionnaires dans l’expression de leurs opinions.

Vous comptez également prendre des mesures pour restaurer la confiance que les citoyens doivent avoir vis-à-vis des fonctionnaires qui appartiennent au SPF Sécurité sociale et dans les institutions de justice, en particulier le Conseil d’État.

De heer Francis Delpérée (CDH). – In een opiniestuk in Le Soir van 3 en 4 maart en in een artikel in De Standaard van 5 maart doet de Voorzitter van de FOD Sociale Zekerheid een regelrechte aanval op de Raad van State en zijn magistraten.

De titel van het artikel in Le Soir spreekt boekdelen: ‘Is de Raad van State een vijand van de Staat?’ In de titel van De Standaard staat zelfs geen vraagteken: ‘De Raad van State is staatsgevaarlijk’.

Ik citeer een stukje: ‘Beeld u in: een terroristische organisatie zou erin slagen een bom te doen ontploffen tijdens een vergadering van federale hoge ambtenaren en zou tientallen slachtoffers maken. De kranten zouden koppen: “De Staat onthoofd”. Met zijn juridisch arsenaal slaagt de Raad van State er nu in dezelfde schade aan te richten. Het is dus hoog tijd dat de nieuwe chef van de Veiligheid van de Staat die wereldvreemde juristen toevoegt aan zijn lijst van staatsgevaarlijke organisaties.’

Het gaat er niet om de vrijheid van meningsuiting van ambtenaren te betwisten. Het koninklijk besluit van 22 december 2000 (APKB) bepaalt dat ‘de ambtenaren het recht op vrijheid van meningsuiting hebben in de uitoefening van hun ambt’. Ik voeg daaraan toe: ‘Nog meer buiten de uitoefening van hun ambt’.

Er bestaan echter twee beperkingen op dat recht waarop de rechtsleer en de rechtspraak de aandacht vestigen.

Enerzijds moet rekening worden gehouden met de vorm van de uitspraak. De uitspraak moet verzoenbaar zijn met de plicht van ambtenaren tot terughoudendheid wanneer ze hun mening uiten. De vorm is hier even belangrijk als de inhoud. We mogen kritiek hebben op rechters, maar dat rechtvaardigt echter geen perscampagne met grove, beledigende en smadelijke uitlatingen.

Anderzijds moet worden gekeken naar de gevolgen van de uitspraken, vooral als die komen van een hoge ambtenaar. De vrijheid van kritiek en mening mag het vertrouwen van de burgers in de Staat en zijn instellingen niet aantasten. Ze mag het aanzien van de Staat, zijn administratie en zijn justitie niet aan het wankelen brengen.

Was u vooraf ingelicht over de publicatie van die artikels?

Vindt u het goed dat een hoge ambtenaar in een publicatie melding maakt van het feit dat hij een oud-kabinetschef van een SP.A-minister is, of meent u dat dit een aanslag is op de regel van de neutraliteit van de overheidsdiensten?

Zal u maatregelen nemen om die verklaringen, die geen rekening houden met de plicht tot terughoudendheid voor ambtenaren wanneer zij hun mening verkondigen, te bestraffen?

Zal u maatregelen nemen om het vertrouwen van de burgers in de ambtenaren van de FOD Sociale Zekerheid en van justitie, in het bijzonder de Raad van State, te herstellen?

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Lorsqu’un dossier est délicat pour la majorité, elle envoie un remplaçant. Le ministre chargé de lire la réponse peut ainsi affirmer qu’il ne peut rien dire de plus que ce qui figure dans la réponse qui lui a été fournie. C’est ce que la majorité violette entend par un débat.

Rien ne peut plus nous étonner. C’est dès lors sans étonnement que j’ai pris connaissance de la mentalité violette qui s’est exprimée au travers des déclarations de M. Van Massenhove, président du SPF Sécurité sociale, qui a fortement critiqué le Conseil d’État. En ce sens, il est fidèle au ministre. Ces dernières années, le gouvernement n’a régulièrement pas tenu compte des avis du Conseil d’État. Si les ministres donnent le mauvais exemple, les subalternes disent ce que les ministres affirment en fait à demi-mot.

La colère de M. Van Massenhove est la conséquence de l’annulation de sa nomination. On aurait indubitablement pu résoudre les problèmes posés par les irrégularités dans la nomination des fonctionnaires fédéraux si le gouvernement avait appliqué la loi à temps.

M. Van Massenhove reçoit le premier prix du concours de recours à des mots durs au cours des quatre dernières années. Aucun membre de l’opposition ne s’est ici exprimé au sujet de la majorité dans les termes utilisés par le chef du SPF Sécurité sociale pour qualifier les conseillers d’État. Comme l’a indiqué M. Delpérée, M. Van Massenhove compare les décisions du Conseil d’État à la Terreur. Si je comprends bien, ce dernier est le domicile de Robespierre. Il est une guillotine. La Terreur y règne. On n’y rend pas des arrêts, on y fait rouler des têtes.

M. Van Massenhove estime que la Sûreté de l’État doit placer sur la liste des éléments dangereux pour l’État ou des ennemis de l’État les juristes qui sont complètement déconnectés de la réalité. Je dirais : bravo ! En effet, celui qui est placé par les membres de l’actuelle majorité sur la liste des individus dangereux pour l’État bénéficie d’un grand honneur. J’espère que je figure sur cette liste. J’en serais fier. Celui qui élève le ton est immédiatement considéré comme dangereux pour l’État par la majorité violette.

Les déclarations de M. Van Massenhove sont particulièrement déplacées. Elles témoignent d’un état d’esprit très dangereux et d’un manque total de sens de l’État de droit. Ce respect doit justement être primordial chez les hauts fonctionnaires.

Le ministre approuve-t-il ces déclarations ? Par quels sentiments les déclarations de M. Van Massenhove sont-elles inspirées ? Quelles mesures effectives le ministre prendra-t-il pour faire respecter la Constitution ainsi que le statut des fonctionnaires, qui a manifestement été ignoré par l’intéressé ?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Wanneer een dossier delicaat is voor de meerderheid, stuurt ze haar kat. Dan kan de minister die belast is met het voorlezen van het antwoord, zeggen dat hij niets meer kan zeggen dan wat in het antwoord staat dat hem werd bezorgd. Dat is wat paars verstaat onder een debat.

Niets kan ons nog verwonderen. Het is dan ook zonder verwondering dat ik kennis heb genomen van de paarse mentaliteit die tot uitdrukking komt in de verklaring van de heer Van Massenhove, voorzitter van de FOD Sociale Zekerheid, die zeer zwaar heeft uitgehaald naar de Raad van State. In die zin is hij de minister trouw. De regering heeft de afgelopen jaren het advies van de Raad van State immers steeds naast zich neergelegd. Als de ministers het slechte voorbeeld geven, zeggen de ondergeschikten wat de ministers eigenlijk tussen de lijnen bedoelen.

De woede van de heer Van Massenhove is het gevolg van de vernietiging van zijn benoeming. Ongetwijfeld had men de problemen met de onregelmatigheden in de benoeming van federale ambtenaren kunnen oplossen, indien de regering zich tijdig aan de wet had gehouden.

In de wedstrijd inzake het gebruik van harde woorden gedurende de jongste vier jaar krijgt de heer Van Massenhove de eerste prijs. Niemand van de oppositie heeft hier over de meerderheid gesproken in de bewoordingen waarin het hoofd van de FOD Sociale Zekerheid spreekt over de raadsheren van de Raad van State. Zoals collega Delpérée zei, vergelijkt de heer Van Massenhove de beslissingen van de Raad van State met terreur. Als ik het goed begrijp, is De Raad van State het domicilie van Robespierre. De Raad van State is een guillotine. Daar heerst de terreur. Men spreekt er geen arresten uit, maar doet er koppen rollen.

De heer Van Massenhove vindt dat de Veiligheid van de Staat de juristen, die geen enkele band meer hebben met de realiteit, op de lijst van staatsgevaarlijke elementen of staatsvijanden moet plaatsen. Ik zou zeggen: proficiat. Wie immers door de leden van deze meerderheid op de lijst van staatsgevaarlijke individuen wordt geplaatst, valt een grote eer te beurt. Ik hoop dat ik ook op die lijst sta. Ik zou daar trots op zijn. Wie de stem verheft, is immers staatsgevaarlijk voor paars.

Deze uitspraken zijn zeer misplaatst. Ze getuigen van een zeer gevaarlijke geestesgesteldheid en van een volslagen gebrek aan gevoel voor de rechtsstaat. Dat respect moet juist primordiaal aanwezig zijn bij hogere ambtenaren.

Is de minister het eens met deze verklaringen? Is hij dezelfde opvatting genegen? Door welke gevoelens worden die verklaringen van de heer Van Massenhove geïnspireerd? Welke effectieve maatregelen zal de minister nemen om de Grondwet te doen respecteren, alsook het statuut van de ambtenaren, dat kennelijk werd miskend door de verklaringen van de betrokkene.

M. Peter Vanvelthoven, ministre de l’Emploi. – Je vous lis la réponse du ministre Demotte.

Je tiens à souligner en tant que ministre des Affaires sociales et de la Santé publique que j’ai une confiance absolue dans le Conseil d’État. Il est dangereux de mettre en cause la légitimité de la plus haute instance juridique du pays.

De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk. – Ik lees het antwoord van minister Demotte.

Ik heb als minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid het grootste vertrouwen in de Raad van State. Het is gevaarlijk om de legitimiteit van de hoogste gerechtelijke instantie van het land in twijfel te trekken.

Je n’ai jamais été associé à l’initiative de M. Van Massenhove, ni même informé de celle-ci. Celui-ci ne s’exprimait certainement pas au nom du SPF Sécurité Sociale. Je regrette qu’il ait, de façon totalement irréfléchie, osé comparer le Conseil d’État à une organisation terroriste.

Ik werd nooit betrokken bij, noch ingelicht over het initiatief van de heer Van Massenhove. Hij heeft zich in geen geval uitgesproken namens de FOD Sociale Zekerheid. Natuurlijk betreur ik de onvoorstelbare roekeloosheid om een vergelijking te maken tussen de Raad van State en een terroristische organisatie.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Le ministre regrette l’incident mais quand le gouvernement traduira-t-il son indignation dans des actes ? Peut-on simplement comparer le Conseil d’État à des terroristes posant des bombes ?

Ici, au parlement, nous sommes soumis à une servitude exubérante par la majorité. On nous empêche, par toutes sortes de procédures, d’exercer nos droits constitutionnels fondamentaux mais les fonctionnaires peuvent dire n’importe quoi au sujet des instances du pouvoir judiciaire, sans que le gouvernement n’intervienne.

La réponse du ministre est très décevante. Le gouvernement se contente de dire qu’il regrette ces déclarations. C’est insuffisant et ne correspond pas au respect que l’on peut attendre du pouvoir exécutif vis-à-vis des instances judiciaires.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – De minister betreurt het voorval, maar wanneer zal de regering haar verontwaardiging omzetten in daden? Kan men zomaar de Raad van State vergelijken met bommengooiende terroristen?

Hier in het parlement worden we door de meerderheid onderworpen aan exuberante dienstbaarheden. Door allerlei procedures worden we verhinderd onze fundamentele grondwettelijke rechten uit te oefenen, maar de ambtenaren mogen om het even wat zeggen over instanties van de rechterlijke macht, zonder dat de regering optreedt.

Het antwoord van de minister is zeer ontgoochelend. De regering krijgt het nog net over haar lippen om te zeggen dat ze die uitspraak betreurt. Dat is onvoldoende en stemt niet overeen met het respect dat men mag verwachten van de uitvoerende macht voor de rechterlijke instanties.

M. Francis Delpérée (CDH). – Je suis sidéré ! Je m’attendais à ce que le ministre Demotte nous dise qu’il avait convoqué le plus haut fonctionnaire du service public fédéral, qu’il lui avait tiré les oreilles et l’avait sermonné. Or, on nous dit simplement que le dossier est clos.

Je ne peux que m’insurger et regretter cette forme de démission de l’État, à son sommet.

Le discours du ministre incite tous les autres fonctionnaires à faire encore plus fort, si c’est possible. Et ce ne seront pas les hauts fonctionnaires, mais les petits de la base qui diront que leur chef est un crétin, qu’il n’a rien compris, qu’il est lui aussi un Robespierre. On peut encore essayer de trouver mieux dans le registre des injures.

Je poserai de nouveau ma question à M. Demotte quand il voudra bien venir au Sénat : quand l’action disciplinaire sera-t-elle lancée ? Quand compte-t-il agir ?

« Confiance dans le Conseil d’État » sont de belles paroles. Mais il ne manquerait plus que cela !

Le sens de l’État est réellement ébranlé par les propos aussi insignifiants que ceux tenus aujourd’hui par le gouvernement.

De heer Francis Delpérée (CDH). – Ik sta perplex! Ik had verwacht dat minister Demotte ons zou zeggen dat hij de hoogste ambtenaar van de FOD bij zich had geroepen en hem had gekapitteld. Nu wordt eenvoudig gezegd dat het dossier gesloten is.

Ik kan mij daar slechts tegen verzetten en betreuren dat de hoogste leiding van de Staat zich op een dergelijke manier bij de zaak neerlegt.

Het antwoord van de minister zet er alle andere ambtenaren toe aan om nog sterker voor de dag te komen. Het zullen niet de hoogste ambtenaren zijn, maar de kleintjes die hun chef zullen betitelen als een idioot, dat hij er niets van heeft begrepen, dat ook hij een Robespierre is, of nog erger.

Ik zal opnieuw aan minister Demotte, wanneer hij zo goed wil zijn naar de Senaat te komen, vragen wanneer een tuchtonderzoek zal worden opgestart en wanneer hij zal optreden.

Vertrouwen in de Raad van State’ zijn mooie woorden. Dat onbrak er nog maar aan!

Het vertrouwen in de Staat wordt aan het wankelen gebracht door de inhoudloze woorden van de regering.

Question orale de Mme Mia De Schamphelaere au ministre de l’Emploi sur «l’accès sécurisé à l’internet pour les enfants par la carte d’identité électronique» (nº 3-1441)

Mondelinge vraag van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister van Werk over «de veilige internettoegang voor kinderen door middel van de elektronische identiteitskaart» (nr. 3-1441)

Mme Mia De Schamphelaere (CD&V). – Aujourd’hui, j’ai la chance que le ministre compétent réponde en personne à ma question.

L’émission Panorama du dimanche 4 mars consacrée aux méthodes utilisées par les pédophiles pour trouver leurs victimes via des « chat box » sur internet a suscité de l’inquiétude chez de nombreux parents.

En réalité, cette crainte ne devrait plus exister puisque, dès septembre 2005, le ministre déclarait déjà que les sites de « chat » allaient être sécurisés grâce à la carte d’identité électronique et au code PIN qui allaient permettre d’éviter que des adultes puissent accéder aux sites des teen-agers.

Il s’avère cependant que le groupe des 12-15 ans reçoit uniquement la carte d’identité électronique et pas le code PIN.

1. Le gouvernement a-t-il l’intention de donner un code PIN aux mineurs ?

2. Dans l’affirmative, pourquoi cette intention ne s’est-elle pas encore concrétisée ? Le ministre a-t-il déjà été mis au courant de cette situation et quelle a été sa réaction à ce sujet ?

3. Si l’objectif n’est pas de donner un code PIN aux mineurs, pourquoi le « SaferChat », qui insiste fortement sur l’importance du code PIN, avait-il été annoncé dans les médias et quelles alternatives le ministre préconise-t-il pour aboutir malgré tout à un environnement internet sécurisé pour les enfants ?

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). – Ik heb vandaag het geluk dat de bevoegde minister zelf zal antwoorden op mijn vraag.

De Panorama-uitzending van zondag 4 maart betreffende de methodes van pedofielen om via chatboxen op internet slachtoffers te zoeken werd door vele ouders met argusogen en schrik voor de eigen kinderen gevolgd.

Die schrik zou in feite niet meer mogen bestaan omdat de minister al in september van 2005 verklaarde dat chatsites veilig zouden worden door het gebruik van de elektronische identiteitskaart in combinatie met de pincode, zodat volwassenen kunnen worden geweerd van sites voor tieners.

In de praktijk blijkt nu dat de leeftijdsgroep van 12 tot 15 jaar, waarvoor de toepassing werd ontwikkeld, geen pincode krijgt maar enkel de elektronische identiteitskaart zelf. Dat zet uiteraard de hele regeling op losse schroeven.

1. Is het de bedoeling van de regering minderjarigen een pincode te geven?

2. Zo ja, waarom gebeurt dat dan niet in de praktijk? Werd de minister in dat geval al van de afwijkende handelwijze op de hoogte gebracht en hoe heeft hij hierop gereageerd?

3. Indien het niet de bedoeling is minderjarigen een pincode te geven, waarom werd SaferChat, dat een sterke nadruk legt op het belang van de pincode, dan zo omstandig aangekondigd in de media en welke alternatieve methodes schuift de minister dan naar voren om toch werk te maken van een veilige internetomgeving voor kinderen?

M. Peter Vanvelthoven, ministre de l’Emploi. – La puce de la carte d’identité électronique contient deux certificats : un certificat d’authentification et un certificat de signature. Les jeunes de 12 à 18 ans reçoivent bien un code PIN, mais uniquement pour le certificat d’authentification. Les mineurs étant incapables en vertu de la loi, cela n’a aucun sens d’activer pour eux le certificat de signature. Les mineurs peuvent refuser les fonctions d’authentification lors de l’enregistrement à la commune. Ce n’est le cas que d’une petite majorité des jeunes, environ 1%.

Lorsque des jeunes de 12 à 18 ans se rendent sur un site de « chat » sécurisé, ils introduisent leur code PIN. Sur la base du numéro de registre national, on vérifie s’ils sont dans la bonne catégorie d’âge et s’ils ont le bon sexe pour accéder à la « chat box ».

Pendant la période 2003-2004, lorsque les premiers milliers de cartes ont été délivrées, il était techniquement impossible d’avoir une authentification sans la signature. Durant cette période, lors de l’enregistrement, les communes permettaient aux parents de mineurs de choisir d’assortir ou non d’un code PIN les fonctions d’authentification et de signature.

Fin 2005, une correction a été apportée après le lancement du projet « SaferChat ». Depuis lors, tous les mineurs peuvent utiliser un code PIN pour se faire identifier sur un site de « chat » sécurisé.

De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk. – Op de chip van de elektronische identiteitskaart staan twee certificaten: een authenticatiecertificaat om zich elektronisch te kunnen identificeren, en een handtekeningcertificaat. Jongeren van 12 tot 18 jaar krijgen wel degelijk een pincode, maar alleen voor het authenticatiecertificaat. Omdat minderjarigen volgens de wet handelingsonbekwaam zijn, heeft het geen zin voor hen het handtekeningcertificaat te activeren. Minderjarigen kunnen de authenticatiefuncties bij de registratie in de gemeente wel weigeren. Dat doet slechts een kleine minderheid, ongeveer 1% van de jongerenpopulatie.

Wanneer jongeren van 12 tot 18 jaar een beveiligde chatsite bezoeken, geven zij hun pincode in. Op basis van het rijksregisternummer wordt dan nagegaan of zij in de juiste leeftijdscategorie vallen en het juiste geslacht hebben om toegang te krijgen tot de chatbox.

In de jaren 2003-2004 toen de eerste tienduizenden kaarten werden uitgereikt, was het technisch onmogelijk een authenticatie te hebben zonder handtekening. In die periode lieten de gemeenten bij de registratie in de gemeente de ouders van de minderjarigen de keuze tussen een pincode voor de authenticatiefuncties en de handtekening, of helemaal geen pincode.

Eind 2005 bij de aanvang van het SaferChatproject werd een correctie aangebracht. Sindsdien is het voor alle minderjarigen mogelijk een pincode te gebruiken om zich op een SaferChatsite te laten identificeren.

Mme Mia De Schamphelaere (CD&V). – La théorie est belle, mais la réalité est tout autre. Dans mon entourage et après enquête dans différentes administrations communales, je constate que l’on ne donne pas de code PIN aux mineurs. La plupart des services Population de ma région ne connaissent pas la différence entre les deux certificats. La mise en pratique de votre politique pose donc problème.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). – De theorie is mooi, maar de praktijk anders. In mijn directe omgeving en na navraag bij verschillende gemeentebesturen, stel ik vast dat helemaal geen pincode aan minderjarigen wordt gegeven. De theorie is blijkbaar nog niet doorgedrongen tot de gemeentelijke administraties. De meeste bevolkingsdiensten in mijn streek kennen ook het verschil niet tussen de twee certificaten. Er schort dus iets aan de uitvoering van het beleid.

M. Peter Vanvelthoven, ministre de l’Emploi. – S’il est vrai que certaines administrations communales n’appliquent pas les directives du gouvernement fédéral, j’aimerais savoir de quelles communes il s’agit afin que nous puissions leur demander de remédier à cette situation.

De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk. – Als het juist is dat sommige gemeentebesturen de richtlijnen van de federale overheid niet volgt, zou ik graag vernemen over welke besturen het gaat zodat wij ze kunnen vragen een en ander bij te sturen.

Question orale de M. Karim Van Overmeire au premier ministre et au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «les problèmes communautaires au sein de la Croix-Rouge» (nº 3-1442)

Mondelinge vraag van de heer Karim Van Overmeire aan de eerste minister en aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de communautaire problemen binnen het Rode Kruis» (nr. 3-1442)

Mme la présidente. – M. Peter Vanvelthoven, ministre de l’Emploi, répondra.

De voorzitter. – De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk, antwoordt.

M. Karim Van Overmeire (VL. BELANG). – Ma question s’adresse au premier ministre et au ministre Demotte, dont le cabinet est directement impliqué dans les négociations. Malheureusement, nous constatons une nouvelle fois que le gouvernement a confié la lecture de la réponse à un autre ministre.

On sait depuis longtemps qu’en matière d’organisation, un abîme sépare les ailes flamande et francophone de la Croix-Rouge, la plus grande organisation bénévole du pays. J’avais d’ailleurs, l’année dernière, consacré une question écrite à l’imminence d’une crise financière, les francophones s’étant opposés à toute proposition visant à réduire la solidarité témoignée par la section flamande à l’égard de son pendant wallon. En 2005, il est du reste apparu que l’aile francophone s’était permis quelques écarts en matière de rapport financier et aurait contracté d’importantes dettes. À cet égard, la Croix-Rouge de Belgique reflète parfaitement la situation telle qu’elle existe dans notre pays.

Le gouvernement n’est pas resté indifférent face à cette querelle intestine. Sous les auspices du premier ministre, le ministre de la Santé publique a, lors d’un entretien avec les présidents des deux sections, et en présence de la princesse Astrid, exprimé son inquiétude concernant la stabilité de la Croix-Rouge et plus précisément l’approvisionnement en sang et en plasma dans notre pays.

Le conseil des ministres a d’ailleurs demandé un audit financier. À ma connaissance, seul le service du sang de la Croix-Rouge et le Département central de fractionnement ont été passés au crible. Il n’a plus, ensuite, été question d’un audit général, la Croix-Rouge bénéficiant soi-disant d’un statut indépendant et la répartition des compétences entre l’échelon fédéral et les communautés rendant un tel audit compliqué.

La semaine dernière, la section flamande a décidé de mettre fin à sa collaboration avec l’assistante personnelle de la princesse Astrid, dont le rôle était de rapprocher les deux ailes. Cette décision a remis l’accent sur le malaise qui règne au sein de la Croix-Rouge. Cette fois, la crise ne serait pas due à l’argent, mais à l’opposition croissante de l’aile flamande à l’attitude de la princesse et de son entourage francophone, qui déjoue tous les projets visant à augmenter l’autonomie de la Croix-Rouge flamande. Le premier ministre a déjà fait savoir que la princesse Astrid était entraînée dans un conflit qui projette un éclairage négatif sur la Croix-Rouge. On peut évidemment se demander si la princesse n’est pas elle-même, en raison de son attitude, à la base du conflit. Elle renverrait par exemple des lettres de la section flamande sans les avoir ouvertes.

En quelle qualité le premier ministre s’immisce-t-il dans cette discussion et en quelle qualité et à la demande de qui le ministre Demotte intervient-il dans la négociation entre les deux sections ? Le gouvernement avait pourtant, lors de la crise précédente, souligné le statut indépendant de la Croix-Rouge. Quel est, ici, le but du ministre et quelle position adopte-t-il dans ce dossier à connotation communautaire ?

Des négociations sont en cours depuis un certain temps. Combien de réunions y ont-elles déjà été consacrées et quels en sont les résultats ? Quelles sont les dernières nouvelles ?

Quels sont les résultats de l’audit réalisé et quels en furent les conséquences dans les services en question ?

Pourquoi a-t-on renoncé à un audit général, pourtant proposé par le gouvernement ? Le ministre Demotte s’est référé à la neutralité et à l’indépendance de l’organisation et à la complexité du système de répartition des compétences. Ces arguments ne me semblent pas déterminants pour refuser un audit. Le ministre peut-il donner des explications détaillées ?

De heer Karim Van Overmeire (VL. BELANG). – Mijn vraag is gericht aan de eerste minister en aan minister Demotte, wiens kabinet rechtstreeks bij de onderhandelingen is betrokken. Jammer genoeg stellen we eens te meer vast dat de regering een andere minister een antwoord laat aflezen.

Het is al langer bekend dat er op organisatorisch vlak een kloof gaapt tussen de Vlaamse en Franstalige afdeling van het Rode Kruis, de grootste vrijwilligersorganisatie van het land. Vorig jaar wees ik in een schriftelijke vraag trouwens op een dreigende financiële crisis, toen aan Franstalige kant verzet rees tegen elk voorstel om de Vlaamse solidariteit ten voordele van zijn Waalse tegenhanger te reduceren. In 2005 kwam trouwens aan het licht dat de Franstalige vleugel het niet al te nauw nam met de financiële verslaggeving en op de koop toe een grote schuldenberg zou hebben opgebouwd. Wat dat betreft is het Belgische Rode Kruis een perfecte afspiegeling van de situatie in ons land.

De broedertwist liet toen ook de regering niet onbetuigd, want onder auspiciën van de eerste minister uitte de minister van Volksgezondheid tijdens een onderhoud met de voorzitters van beide afdelingen, en in het bijzijn van prinses Astrid, zijn bezorgdheid over de stabiliteit van het Rode Kruis, meer in het bijzonder inzake de verzekering van bloed en plasma in ons land.

De ministerraad vroeg trouwens een financiële audit. Naar verluidt zou enkel de dienst Bloed van het Rode Kruis en van de Centrale Afdeling voor Fractionering zijn doorgelicht. Van een algemene audit was kort nadien al lang geen sprake meer, omdat het Rode Kruis een onafhankelijk statuut zou genieten en omdat de bevoegdheidsverdeling tussen het federale niveau en de gemeenschappen een dergelijke audit bemoeilijkte.

Vorige week besliste de Vlaamse afdeling om de samenwerking met de persoonlijke assistente van prinses Astrid, die nota bene was benoemd om beide vleugels dichter bij mekaar te brengen, stop te zetten. Hierdoor kwam de hele malaise binnen het Rode Kruis opnieuw in de volle aandacht. Dit maal zou niet geld aan de basis van de nieuwe crisis liggen, wel het toenemende verzet van de Vlaamse koepel tegen de houding van de prinses en haar overwegend francofone entourage omdat zij alle plannen zou dwarsbomen die het Vlaamse Rode Kruis meer autonomie zouden moeten geven. Premier Verhofstadt liet al weten dat prinses Astrid ‘wordt meegesleurd in een conflict dat het Rode Kruis in een negatief daglicht brengt’. Het is natuurlijk de vraag of de prinses zelf door haar houding niet aan de basis ligt van het conflict. Zij zou bijvoorbeeld brieven van de Vlaamse afdeling ongeopend terugsturen.

In welke hoedanigheid mengt de eerste minister zich in deze discussie en in welke hoedanigheid en op wiens verzoek treedt minister Demotte op in het overleg tussen de twee afdelingen? Het was immers de regering die tijdens de vorige crisis op het onafhankelijke statuut van het Rode Kruis wees. Wat is hiermee de betrachting van de minister en welk standpunt neemt hij in deze toch wel communautair getinte aangelegenheid in?

Sinds geruime tijd is overleg aan de gang. Hoeveel keer werd hierover reeds vergaderd en wat zijn de resultaten? Wat zijn de meest recente verwikkelingen?

Wat zijn de resultaten van de uitgevoerde audit en waartoe hebben die resultaten in de desbetreffende diensten geleid?

Waarom werd een algemene audit, die nochtans door de regering was voorgesteld, nadien afgeblazen? Minister Demotte verwees naar de neutraliteit en de onafhankelijkheid van de organisatie en de complexe bevoegdheidsverdeling. Mij lijken dat echter geen doorslaggevende argumenten te zijn om een audit te weigeren. Kan de minister dit nader toelichten?

M. Peter Vanvelthoven, ministre de l’Emploi. – Le gouvernement regrette qu’une organisation aussi importante que la Croix-Rouge apparaisse sous un jour négatif et que la princesse Astrid soit entraînée dans le conflit. Il en appelle au bon sens de tous les intéressés, qu’il invite à ne pas aggraver la situation.

Le ministre Demotte s’entretient depuis quelque temps avec les trois ailes de la Croix-Rouge. Vendredi dernier, au cabinet du ministre, des accords ont été conclus dans un esprit constructif ; ils seront finalisés ces prochaines semaines.

Le premier ministre est convaincu que toutes les parties trouveront une solution satisfaisante. Ils le doivent en effet aux nombreux bénévoles et à la communauté qui soutiennent les activités de la Croix-Rouge et qui doivent pouvoir compter sur une gestion experte. En tant que sponsor principal de la Croix-Rouge, le pouvoir fédéral a d’ailleurs encore accentué ses efforts financiers ces dernières années.

Le premier ministre souligne enfin le soutien dont la Croix-Rouge a bénéficié au cours des ans de la part de la Maison royale. Par le passé, le Roi Albert a joué un rôle de premier plan, dans le respect total de l’autonomie de chaque section ; sa fille, la princesse Astrid, a repris ce rôle dans le même esprit.

De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk. – De regering betreurt het dat een zo belangrijke organisatie als het Rode Kruis in een negatief daglicht komt te staan en dat Prinses Astrid hierin wordt meegesleurd. Ze roept alle betrokkenen op hun gezond verstand te gebruiken en het gerezen conflict niet op de spits te drijven.

Minister Demotte voert reeds enige tijd gesprekken met de drie vleugels van het Rode Kruis. Vrijdag nog werden op het kabinet van de minister in een constructieve sfeer afspraken gemaakt die de volgende weken verder zullen worden uitgewerkt.

De eerste Minister is ervan overtuigd dat alle partijen een bevredigende oplossing zullen vinden. Zij zijn het immers verplicht aan de talrijke vrijwilligers en aan de gemeenschap die de werkzaamheden van het Rode Kruis ondersteunen en op een deskundig beheer moeten kunnen rekenen. De federale overheid heeft als belangrijkste sponsor van het Rode Kruis haar financiële inspanningen de jongste jaren trouwens nog opgedreven.

Ten slotte wijst de Eerste Minister op de ondersteuning die het Rode Kruis door de jaren heen heeft genoten vanwege het Koningshuis. Met volledig respect voor de autonomie van elk van de afdelingen, heeft Koning Albert II in het verleden een prominente rol gespeeld, die in dezelfde geest door zijn dochter Prinses Astrid werd overgenomen.

M. Karim Van Overmeire (VL. BELANG). – Je m’attendais à ce que le ministre lise une réponse, mais pas à ce que celle-ci soit aussi creuse. Le ministre répète seulement le communiqué de presse que j’ai déjà pu lire dans le journal la semaine dernière, mais ne répond à aucune question spécifique. Il n’explique pas, par exemple, pourquoi la princesse Astrid renvoie des lettres sans les ouvrir. Je continue dès lors à me demander si elle n’est pas elle-même à la base du conflit. De toute façon, tout débat est impossible lorsqu’un ministre se contente de lire la réponse de son collègue interpellé.

De heer Karim Van Overmeire (VL. BELANG). – Ik had verwacht dat de minister een antwoord zou voorlezen, maar dat het zo nietszeggend zou zijn, verbaast me. De minister herhaalt alleen het perscommuniqué dat ik vorige week al in de krant heb kunnen lezen en beantwoordt geen enkele specifieke vraag, zoals deze waarom Prinses Astrid brieven ongeopend terugstuurt. Ik blijf me dan ook afvragen of ze zelf niet aan de basis ligt van het conflict. Als een minister gewoon voorlezing doet van het antwoord van zijn geïnterpelleerde collega is elk debat trouwens onmogelijk.

Question orale de Mme Isabelle Durant au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «le statut des accueillantes à domicile» (nº 3-1443)

Mondelinge vraag van mevrouw Isabelle Durant aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het statuut van de thuisopvangers» (nr. 3-1443)

Mme la présidente. – M. Peter Vanvelthoven, ministre de l’Emploi, répondra.

De voorzitter. – De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk, antwoordt.

Mme Isabelle Durant (ECOLO). – C’est aujourd’hui la journée des femmes. Nous allons sans doute voter et examiner, en commission, des résolutions touchant à l’égalité salariale et à une série de discriminations persistantes à l’égard des femmes. Permettez-moi, par cette question, d’insister sur un de ces aspects, à savoir l’accueil des jeunes enfants.

Je vous ai déjà interpellé à plusieurs reprises sur le problème des accueillantes à domicile qui réclament, depuis très longtemps, un véritable statut. Le Conseil national du travail vous a donné un avis à ce sujet.

Lors de la dernière question que je vous ai posée sur le sujet, vous m’aviez expliqué être en attente d’une estimation chiffrée du coût de la mise en œuvre du statut des accueillantes à domicile. Cette estimation devait vous parvenir du Cabinet de la ministre Fonck. Or, ce même a informé la fédération des services maternels et infantiles, qui coordonne les services d’accueil de l’enfant, qu’il attendait des informations en provenance de votre propre cabinet.

J’ose espérer que la partie de ping-pong entre vos deux cabinets est bel et bien terminée et qu’une ligne budgétaire sera trouvée à l’occasion du prochain contrôle budgétaire pour entamer les premières phases de la mise en œuvre du statut des accueillantes à domicile dont le travail permet à d’autres femmes de poursuivre leurs activités professionnelles.

J’espère que vous pourrez me rassurer et me dire que le gouvernement compte enfin réserver une ligne budgétaire pour entamer les premières étapes de la mise en œuvre du statut des accueillantes à domicile.

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). – Vandaag is het vrouwendag. In de commissie zullen we zeker resoluties goedkeuren over gelijke verloning en over een aantal blijvende discriminaties tegenover vrouwen. Ik wil de aandacht vestigen op één van die aspecten, de opvang van jonge kinderen.

Ik heb u al meermaals ondervraagd over het probleem van de thuisopvangers die al lang een echt statuut vragen. De NAR heeft u daarover een advies verstrekt.

Op mijn laatste vraag daarover antwoordde u dat u wachtte op een kostenraming van het statuut. Dat moest komen van het kabinet van minister Fonck. Die heeft de federatie van diensten voor kinderopvang, die de diensten voor kinderopvang coördineert, laten weten dat hij wachtte op informatie van uw kabinet.

Ik hoop dat dit partijtje pingpong tussen de beide kabinetten nu ten einde is en dat er bij de volgende budgetcontrole geld zal worden gevonden om de eerste fasen van de inwerkingtreding van het statuut van thuisopvangers op te starten. Die maken het immers mogelijk dat andere vrouwen hun beroepsactiviteiten kunnen voortzetten. Ik hoop dat u me gerust kunt stellen en me kan meedelen dat het geld er is.

M. Peter Vanvelthoven, ministre de l’Emploi. – Je vous lis la réponse du ministre.

J’attends toujours les informations demandées aux ministres compétentes de la Communauté française, d’une part, et de la Communauté flamande, d’autre part.

Le 4 décembre 2006, mon collaborateur a rencontré des membres du cabinet de la ministre Fonck et, le 19 janvier 2007, des représentants de la ministre de la Communauté flamande.

Lors de ces entretiens, nous avons pu obtenir des informations en ce qui concerne :

1. le nombre d’accueillantes à domicile avec indication de la capacité d’accueil théorique, d’une part, et effective, d’autre part ;

2. les montants effectivement payés aux accueillantes à domicile pour les années 2005 et 2006 ou une période couvrant quatre trimestres consécutifs ;

3. les montants effectivement pris en charge par les Communautés à titre de cotisations de sécurité sociale pour les accueillantes à domicile ;

4. l’avis de la Communauté concernée sur les propositions du Conseil national du travail.

Lors de sa rencontre avec les représentants de la ministre Fonck, mon collaborateur a également attiré l’attention sur la non-utilisation, par la Communauté, d’enveloppes destinées à financer la création d’emplois.

Les rappels adressés aux collaborateurs de la ministre Fonck en janvier et février derniers sont restés sans suite.

Ainsi que vous l’aurez certainement appris, le contrôle budgétaire n’a pas encore eu lieu. Il ne m’est donc pas encore possible de répondre aux questions concrètes que vous me posez.

De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk. – Ik lees het antwoord van de minister.

Ik wacht nog steeds op de informatie die aan de bevoegde ministers van de Franse en van de Vlaamse Gemeenschap werd gevraagd.

Op 4 december 2006 heeft mijn medewerker leden van het kabinet van minister Fonck ontmoet en op 19 januari 2007 de vertegenwoordigers van de minister van de Vlaamse Gemeenschap.

Tijdens die ontmoetingen kon informatie worden verkregen over het aantal thuisopvangers en hun theoretische en effectieve opvangcapaciteit, de bedragen die werkelijk werden betaald aan de thuisopvangers in 2005 en 2006 of tijdens een periode van vier opeenvolgende kwartalen, de bedragen die door de gemeenschappen ten laste worden genomen als sociale zekerheidsbijdragen en het advies van de betrokken gemeenschap over de voorstellen van de NAR.

Tijdens zijn ontmoeting met de vertegenwoordigers van minister Fonck heeft mijn medewerker er de aandacht op gevestigd dat de gemeenschap geen gebruik maakt van kredieten die dienen om banen te creëren.

De herinneringen aan de medewerkers van minister Fonck in januari en februari bleven zonder gevolg.

Zoals u zeker weet, is er nog geen budgetcontrole geweest. Ik kan dus niet antwoorden op uw concrete vragen.

Mme Isabelle Durant (ECOLO). – Je ne suis évidemment pas du tout rassurée. Je constate que la partie de ping-pong se poursuit. Il serait terriblement dommageable, en fin de législature, que l’on n’arrive pas à entamer une première phase.

J’espère que vous obtiendrez ces informations avant le contrôle budgétaire et, surtout, qu’un signal clair pourra être donné aux accueillantes à domicile, leur disant que vous prenez en charge la confection progressive de ce statut indispensable si l’on veut augmenter le nombre de places d’accueil. Il n’est pas très encourageant, pour les accueillantes, de constater que l’on continue encore, après des mois, à se renvoyer la balle.

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). – Ik ben uiteraard helemaal niet gerustgesteld. Ik stel vast dat het pingpongspelletje voortgaat. Het zou erg spijtig zijn dat op het einde van de regeerperiode geen begin kan worden gemaakt met de eerste fase.

Ik hoop dat u de informatie nog voor de budgetcontrole krijgt en dat vooral een duidelijk signaal kan worden gegeven aan de thuisopvangers door hun te garanderen dat hun statuut er geleidelijk zal komen. Dat is onontbeerlijk om het aantal plaatsen te verhogen. Het is niet erg bemoedigend voor de opvangers dat men mekaar na maanden nog steeds de bal toespeelt.

Projet de loi portant assentiment à l’Accord de Stabilisation et d’Association entre les Communautés européennes et leurs États membres, d’une part, et la République d’Albanie, d’autre part, et à l’Acte final, faits à Luxembourg le 12 juin 2006 (Doc. 3-2026)

Wetsontwerp houdende instemming met de Stabilisatie- en Associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lidstaten, enerzijds, en de Republiek Albanië, anderzijds, en met de Slotakte, gedaan te Luxemburg op 12 juni 2006 (Stuk 3-2026)

Discussion générale

Algemene bespreking

Mme la présidente. – M. Wille se réfère à son rapport écrit.

De voorzitter. – De heer Wille verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

La discussion générale est close.

De algemene bespreking is gesloten.

Discussion des articles

Artikelsgewijze bespreking

(Le texte adopté par la commission des Relations extérieures et de la Défense est identique au texte du projet de loi. Voir document 3-2026/1.)

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-2026/1.)

Les articles 1er et 2 sont adoptés sans observation.

Il sera procédé ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de loi.

De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Projet de loi portant assentiment au Protocole portant amendement à la Convention européenne pour la répression du terrorisme, fait à Strasbourg le 15 mai 2003 (Doc. 3-2033)

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol tot wijziging van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme, gedaan te Straatsburg op 15 mei 2003 (Stuk 3-2033)

Discussion générale

Algemene bespreking

Mme Olga Zrihen (PS), rapporteuse. – Je me réfère à mon rapport écrit.

Mevrouw Olga Zrihen (PS), rapporteur. – Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

La discussion générale est close.

De algemene bespreking is gesloten.

Discussion des articles

Artikelsgewijze bespreking

(Le texte adopté par la commission des Relations extérieures et de la Défense est identique au texte du projet de loi. Voir document 3-2033/1.)

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-2033/1.)

Les articles 1er à 3 sont adoptés sans observation.

Il sera procédé ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de loi.

De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.

Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Projet de loi portant assentiment aux Actes internationaux suivants :
1º Accord modifiant l’Accord de partenariat entre les membres du Groupe des États d’Afrique, des Caraïbes et du Pacifique, d’une part, et la Communauté européenne et ses États membres, d’autre part, signé à Cotonou le 23 juin 2000, et à l’Acte final, faits à Luxembourg le 25 juin 2005 ;
2º Accord interne entre les représentants des gouvernements des États membres, réunis au sein du Conseil, modifiant l’Accord interne du 18 septembre 2000 relatif aux mesures à prendre et aux procédures à suivre pour la mise en œuvre de l’Accord de partenariat ACP-CE, fait à Luxembourg le 10 avril 2006 ;
3º Accord interne entre les représentants des gouvernements des États membres, réunis au sein du Conseil, relatif au financement des aides de la Communauté au titre du cadre financier pluriannuel pour la période 2008–2013 conformément à l’Accord de partenariat ACP-CE et à l’affectation des aides financières destinées aux pays et territoires d’outre-mer auxquels s’appliquent les dispositions de la quatrième partie du Traité CE, fait à Bruxelles le 17 juillet 2006 (Doc. 3-2034)

Wetsontwerp houdende instemming met volgende Internationale Akten:
1º Overeenkomst tot wijziging van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de Groep van Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000, en met de Slotakte, gedaan te Luxemburg op 25 juni 2005;
2º Intern Akkoord tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de Lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, houdende wijziging van het Intern Akkoord van 18 september 2000 inzake maatregelen en procedures voor de uitvoering van de ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst, gedaan te Luxemburg op 10 april 2006;
3º Intern Akkoord tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de Lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Gemeenschap binnen het meerjarig financieel kader voor 2008–2013 voor de ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het EG-Verdrag van toepassing zijn, gedaan te Brussel op 17 juli 2006 (Stuk 3-2034)

Discussion générale

Algemene bespreking

M. Pierre Galand (PS), rapporteur. – Le document législatif déposé au Sénat est un projet de loi portant assentiment à trois Actes internationaux relatifs au partenariat existant entre les États membres de l’Union européenne et le Groupe des États d’Afrique, des Caraïbes et du Pacifique (ACP).

Comme vous le savez, le 23 juin 2000, l’Union européenne et les 77 pays ACP ont signé l’Accord de Cotonou marquant une nouvelle étape dans les relations politiques et économiques qui les lient depuis près de 40 ans.

L’Accord de Cotonou qui fait suite à la Convention de Lomé, elle-même consécutive à l’Accord de Yaoundé, porte sur quatre axes :

Premièrement, le renforcement de la dimension politique de la coopération – le dialogue politique – notamment l’engagement des deux parties – Union européenne et ACP – à promouvoir un environnement politique stable et démocratique en matière de droits de l’homme, de bonne gouvernance, d’état de droit, etc.

Deuxièmement, l’amélioration de la participation des acteurs étatiques et non étatiques, c’est-à-dire l’approche participative.

Troisièmement, l’amélioration du système d’aide.

Quatrièmement, l’établissement d’un régime commercial compatible avec les règles de l’OMC à travers la négociation d’accords de partenariat économiques, APE. C’est certainement sur le plan commercial que l’Accord de Cotonou introduit le changement le plus radical dans les relations Union européenne-ACP. J’y reviendrai dans un instant.

Entré en vigueur le 1er avril 2003, l’Accord de Cotonou a été conclu pour une période de vingt ans et est révisable tous les cinq ans. La première révision quinquennale a pris fin récemment et a donné lieu à la signature, le 25 juin 2005, à Luxembourg, d’un « Accord modifiant l’Accord de Cotonou signé en juin 2000 ».

Cet « Accord de Cotonou révisé » constitue le premier des trois documents inclus dans le projet de loi qui est soumis aujourd’hui à l’assentiment du Sénat.

Comme le souligne le document législatif, cette révision ne remet pas en question l’acquis du partenariat ACP-Union européenne. Elle vise « à rencontrer des nouveaux besoins politiques et sécuritaires et à renouveler les instruments de coopération financière ».

Autrement dit, les principales modifications introduites par cet « Accord de Cotonou révisé », par rapport à l’original signé en 2000, ne concernent que trois des quatre axes principaux de l’Accord de Cotonou que j’ai cités précédemment, à savoir la coopération politique, la participation des acteurs étatiques et non étatiques et le volet aide au développement. Aucune modification ne porte sur le volet commercial.

Permettez-moi de citer les principales modifications apportées par cet accord révisé, et qui incluent notamment : la nouvelle procédure pour le dialogue politique, le nouveau rôle attribué aux parlements, les références aux Objectifs du Millénaire pour le Développement, à la Cour pénale internationale et à la lutte contre le terrorisme, ainsi que l’adoption d’une clause de non-prolifération des armes de destruction massive.

Un point positif concerne tout particulièrement la référence à la Cour pénale internationale, CPI. En effet, après des négociations difficiles, les pays ACP ont finalement accepté d’affirmer leur soutien à la CPI et cela, malgré le fait que les États-Unis aient menacé de représailles les États qui souscriraient au Statut de Rome.

Deux autres documents sont inclus dans ce projet de loi :

Tout d’abord, l’ « Accord interne relatif aux procédures à suivre pour la mise en œuvre de l’Accord modifiant l’Accord de Cotonou ». Cet Accord concerne les mesures transitoires couvrant la période allant de la date de signature à la date d’entrée en vigueur de l’accord révisé.

Enfin, le dernier document concerne l’Accord relatif au dixième FED, c’est-à-dire au financement des aides de l’Union européenne vis-à-vis des ACP pour la période 2008-2013.

Cet Accord, signé à Bruxelles le 17 juillet 2006, institue un dixième FED, doté de 22.682 millions d’euros, dont 21.966 millions sont alloués au groupe ACP. La Belgique y contribue à concurrence de 3,5%.

Cet accord interne financier comble ainsi une lacune de l’ « Accord de Cotonou révisé », signé un an plus tôt, et qui ne fixe aucun montant pour le cadre financier pluriannuel.

Je voudrais à présent évoquer les accords de partenariat économiques, APE.

Je souhaiterais attirer votre attention sur un certain nombre de points qui, à mon sens, demeurent problématiques en ce qui concerne le volet « Aide et Commerce de l’Accord de Cotonou ».

Tout d’abord, en ce qui concerne le financement du développement, s’il convient d’appuyer la ratification du 10ème FED – c’est-à-dire l’enveloppe financière qui sera accordée aux pays ACP pour la période 2008-2013 –, le processus à travers lequel les secteurs de concentration de l’aide sont définis est fortement critiquable. En effet, la Commission est parvenue à plusieurs reprises, contre l’avis de leurs partenaires ACP, à imposer ses propres secteurs de priorité pour l’allocation de l’aide, à savoir la bonne gouvernance et la compétitivité, au détriment d’autres secteurs comme la santé, l’éducation et le développement rural. Or, la Commission entend par « bonne gouvernance » non seulement la promotion des droits de l’homme et de la démocratie mais également la mise en place de mesures visant à réguler l’immigration, à lutter contre le terrorisme ou l’application de politiques de libéralisation économique. Des pays comme le Cameroun et la Jamaïque se sont plaints très clairement de cette situation. En outre, 25% des aides, que la Commission appelle « tranche incitative », sont directement conditionnées au respect du principe de « bonne gouvernance ».

En ce qui concerne le volet commerce, il est inquiétant de constater que l’Accord révisé ne comporte aucune modification relative aux Accords de Partenariat Économique qui sont pourtant le volet le plus important de l’Accord de Cotonou. Ces Accords de partenariat constituent un virage radical par rapport au système de Lomé dans la mesure où ils introduisent le principe de réciprocité dans les relations commerciales entre l’Union européenne et les États ACP. Ils ont pour objectif la mise en place, à partir du premier janvier 2008, de programmes de réduction des tarifs douaniers qui doivent mener progressivement à la création d’une zone de libre-échange entre l’Union et les pays ACP. Si l’Europe considérait auparavant que le développement autocentré des pays ACP devait leur permettre d’intégrer à terme l’économie mondiale, elle fait aujourd’hui le pari que c’est au contraire en exposant rapidement ces pays à la concurrence internationale qu’ils atteindront leur développement économique et social.

Je ne vous cache pas, chers collègues, qu’il s’agit selon moi d’un pari fort risqué compte tenu de la différence de développement entre les deux régions. Les pays ACP sont d’ailleurs les premiers à exprimer leur crainte quant à une libéralisation prématurée de leurs économies. Depuis 2002, date à laquelle ont débuté les négociations des Accords de Partenariat Économique, ces pays ont demandé à plusieurs reprises une extension au-delà de 2008 du délai fixé pour la signature des APE. Malgré cela, la Commission européenne s’entête et exerce actuellement des pressions sur les régions ACP pour conclure les négociations avant la fin 2007.

Si elle tient réellement à promouvoir le développement économique et social des pays ACP, la Belgique devra utiliser tous ses leviers diplomatiques pour convaincre ses partenaires européens de demander à l’OMC un prolongement de la dérogation accordée par l’organisation internationale en 2001 qui autorise le maintien provisoire du régime préférentiel de Lomé.

De heer Pierre Galand (PS), rapporteur. – Deze in de Senaat ingediende tekst betreft een wetsontwerp houdende instemming met drie internationale akten betreffende het bestaande partnerschap tussen de lidstaten van de Europese Unie en landen van Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS).

Op 23 juni 2000 hebben de Europese Unie en de 77 ACS-landen de Overeenkomst van Cotonou ondertekend. De overeenkomst luidde een nieuwe fase in voor de politieke en economische betrekkingen die zij al 40 jaar onderhouden.

De Overeenkomst van Cotonou, die volgt op de Overeenkomst van Lomé die op haar beurt de Overeenkomst van Yaoundé opvolgde, rust op vier pijlers:

Allereerst de versterking van de politieke dimensie van de samenwerking, de politieke dialoog. De twee partijen, de Europese Unie en de ACS, hebben zich verbonden tot de bevordering van een politiek stabiele en democratische omgeving wat betreft de mensenrechten, behoorlijk bestuur, de rechtsstaat en zo meer.

Ten tweede, een sterkere betrokkenheid van de overheid en van de civiele samenleving, met andere woorden de participatieve benadering.

Ten derde, de verbetering van de hulpverlening.

Ten vierde, een handelsregime dat overeenstemt met de WTO-regels en dat gebruik maakt van economische partnerschapsovereenkomsten (EPA). Zeker op handelsvlak brengt de Overeenkomst van Cotonou een radicale verandering teweeg in de betrekkingen EU-ACS.

De Overeenkomst van Cotonou, die op 1 april 2003 in werking trad, werd gesloten voor twintig jaar met de mogelijkheid van een vijfjaarlijkse herziening. De eerste herziening, namelijk de Overeenkomst tot wijziging van de Overeenkomst van Cotonou van juni 2000, werd onlangs afgerond en werd op 25 juni 2005 in Luxemburg ondertekend.

De herziene Overeenkomst van Cotonou is de eerste van de drie teksten van het wetsontwerp dat vandaag aan de Senaat ter goedkeuring wordt voorgelegd.

De herziening stelt het acquis van het partnerschap ACS-EG niet ter discussie. Zij is gericht op ‘het afbakenen van nieuwe noden op het gebied van politiek en veiligheid en het vernieuwen van de instrumenten voor financiële samenwerking’.

Met andere woorden, de belangrijkste wijzigingen die deze herziening aanbrengt in de oorspronkelijke overeenkomst van 2000, hebben slechts betrekking op drie van vier eerder genoemde pijlers van de overeenkomst, namelijk de politieke samenwerking, de betrokkenheid van de overheid en van de civiele samenleving en de ontwikkelingshulp. Het handelsgedeelte wordt niet gewijzigd.

De belangrijkste wijzigingen die door het herziene akkoord worden aangebracht, zijn de nieuwe procedure voor de politieke dialoog, de nieuwe rol die aan de parlementen wordt toebedeeld, de verwijzing naar de millenniumdoelstellingen, het internationaal strafhof en de strijd tegen het terrorisme, de goedkeuring van een non-proliferatieclausule voor massavernietigingswapens.

Positief is vooral de verwijzing naar het Internationaal strafhof. Na moeilijke onderhandelingen hebben de ACS-landen uiteindelijk het Internationaal strafhof aanvaard, ondanks de represailles waarmee de Verenigde Staten hadden gedreigd tegen de staten die het statuut van Rome zouden ondertekenen.

Het wetsontwerp omvat nog twee andere teksten:

Allereerst het Intern Akkoord betreffende de procedures voor de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst tot wijziging van de Overeenkomst van Cotonou. Het Akkoord heeft betrekking op de overgangsmaatregelen die van toepassing zijn tussen de datum van ondertekening en de datum van inwerkingtreding van de herziene overeenkomst.

De derde tekst heeft betrekking op het Akkoord betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie ten behoeve van de ACS voor de periode 2008-2013. Dankzij dit Akkoord, dat op 17 juli 2006 in Brussel werd ondertekend, komt er een 10de EOF met 22.682 miljoen euro, waarvan 21.966 euro bestemd is voor de ACS-landen. De Belgische bijdrage beloopt 3,5%.

Het intern financieel akkoord vult een hiaat op in de herziene Overeenkomst van Cotonou die één jaar eerder werd ondertekend en waarin geen bedrag werd vastgelegd voor het meerjarig financieel samenwerkingskader.

De economische partnerschapsovereenkomsten, meer bepaald het gedeelte ontwikkelingshulp en handel van de Overeenkomst van Cotonou, doet bij mij enkele vragen rijzen.

Hoewel wij instemmen met de goedkeuring van het 10de EOF – het bedrag dat van 2008 tot 2013 aan de ACS-landen zal worden toegekend –, is de procedure die zal worden gevolgd om te bepalen op welke de sectoren de hulp zich zal concentreren, voor veel kritiek vatbaar. De Commissie is erin geslaagd om, tegen het advies van haar ACS-partners in, haar eigen prioritaire sectoren voor ontwikkelingshulp op te leggen, namelijk goed bestuur en concurrentievermogen, ten koste van andere sectoren zoals gezondheid, onderwijs en plattelandsontwikkeling. Onder goed bestuur verstaat de Commissie niet alleen de bevordering van de rechten van de mens en van de democratie, maar ook maatregelen om de immigratie te regelen, het terrorisme te bestrijden en een beleid van economische liberalisering. Kameroen en Jamaica hebben dat uitdrukkelijk aan de kaak gesteld. Bovendien is 25% van de hulp die de Commissie de incitatieve tranche noemt, rechtstreeks gebonden aan de naleving van het principe van goed bestuur.

Wat het handelsgedeelte betreft, vind ik het verontrustend dat de herziene Overeenkomst geen enkele wijziging inhoudt van de Economische Partnerschapsovereenkomsten die nochtans het belangrijkste element zijn van de Overeenkomst van Cotonou. De Partnerschapsovereenkomsten betekenen een radicale ommekeer vergeleken met Lomé, omdat zij het wederkerigheidsbeginsel invoeren in de handelsrelaties tussen de Europese Unie en de ACS-landen. Het is de bedoeling om vanaf 1 januari 2008 een geleidelijke vermindering van de douanetarieven door te voeren om uiteindelijk tot een vrijhandelszone tussen de Unie en de ACS-landen te komen. Meende Europa vroeger dat de ACS-landen zich eerst zelf moesten ontwikkelen alvorens zij aan de wereldeconomie konden deelnemen, dan gaat het er nu van uit dat de economische en sociale ontwikkeling van die landen gebaat is bij een snelle blootstelling aan de internationale concurrentie.

Ik vind dit een bijzonder gewaagde gok, rekening houdend met het verschil in ontwikkeling tussen de beide regio’s. De ACS-landen hebben overigens als eerste hun vrees uitgedrukt voor een voorbarige liberalisering van hun economieën. Sinds het begin van de onderhandelingen over de Economische Partnerschapsovereenkomsten in 2002 hebben zij meermaals gevraagd de ondertekening van de EPA’s tot na 2008 uit te stellen. De Europese Commissie heeft desondanks het been stijf gehouden en zet nu de ACS-landen onder druk om de onderhandelingen voor eind 2007 af te ronden.

Als België de economische en sociale ontwikkeling van de ACS-landen daadwerkelijk wil ondersteunen, zal het alle diplomatieke hefbomen moeten gebruiken om zijn Europese partners ervan te overtuigen een verlenging te vragen van de afwijking die de WTO in 2001 toekende om het preferentiële stelsel van Lomé voorlopig te behouden.

Mme la présidente. – Les ratifications donnent le plus souvent lieu à des interventions convenues mais l’enthousiasme de M. Galand à l’égard de ce traité est contagieux. Je le remercie pour son brillant exposé.

De voorzitter. – Ratificaties geven meestal aanleiding tot een gewone toelichting. Het enthousiasme van de heer Galand in verband met dit ontwerp is echter aanstekelijk. Ik dank hem voor zijn briljante uiteenzetting.

La discussion générale est close.

De algemene bespreking is gesloten.

Discussion des articles

Artikelsgewijze bespreking

(Le texte adopté par la commission des Relations extérieures et de la Défense est identique au texte du projet de loi. Voir document 3-2034/1.)

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-2034/1.)

Les articles 1er à 4 sont adoptés sans observation.

Il sera procédé ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de loi.

De artikelen 1 tot 4 worden zonder opmerking aangenomen.

Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Projet de loi portant assentiment aux Actes internationaux suivants :
1º le Septième Protocole additionnel à la Constitution de l’Union postale universelle ;
2º le Règlement général de l’Union postale universelle ;
3º la Convention postale universelle et le Protocole final, et
4º l’Arrangement concernant les services de paiement de la poste,
faits à Bucarest le 5 octobre 2004 (Doc. 3-2078)

Wetsontwerp houdende instemming met de volgende Internationale Akten:
1º het Zevende Protocol ter aanvulling van de Stichtingsakte van de Wereldpostvereniging;
2º het Algemeen Reglement van de Wereldpostvereniging;
3º de Wereldpostconventie en het Slotprotocol, en
4º de Overeenkomst betreffende de uitbetalingsdiensten van de post,
gedaan te Boekarest op 5 oktober 2004 (Stuk 3-2078)

Discussion générale

Algemene bespreking

Mme Olga Zrihen (PS), rapporteuse. – Je me réfère à mon rapport écrit.

Mevrouw Olga Zrihen (PS), rapporteur. – Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

M. Jurgen Ceder (VL. BELANG). – Nous nous abstiendrons lors du vote de ce projet. Le Conseil d’État indique en effet que l’article 15 de la Convention postale universelle est contraire à l’article 25 de la Constitution quant à l’interdiction de la censure préventive. Le Conseil d’État se réfère explicitement à un arrêt qui ne nous est pas inconnu : l’arrêt Frank Vanhecke contre La Poste et l’État belge.

Nous nous opposons à ce que l’on porte atteinte de quelque manière que ce soit à cette jurisprudence.

De heer Jurgen Ceder (VL. BELANG). – We zullen ons bij de stemming over dit ontwerp onthouden. De Raad van State zegt namelijk dat artikel 15 van de Wereldpostconventie in strijd is met artikel 25 van de Grondwet over het verbod op preventieve censuur. De Raad van State verwijst daarbij expliciet naar een arrest dat onze partij niet onbekend is; het arrest Frank Vanhecke tegen De Post en de Belgische Staat.

Wij verzetten ons ertegen dat deze rechtspraak op enige manier wordt aangetast.

La discussion générale est close.

De algemene bespreking is gesloten.

Discussion des articles

Artikelsgewijze bespreking

(Le texte adopté par la commission des Relations extérieures et de la Défense est identique au texte du projet de loi. Voir document 3-2078/1.)

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-2078/1.)

Les articles 1er et 2 sont adoptés sans observation.

Il sera procédé ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de loi.

De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Questions orales

Mondelinge vragen

Question orale de M. Jean Cornil au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur «la situation des ressortissants d’Afghanistan en Belgique» (nº 3-1438)

Mondelinge vraag van de heer Jean Cornil aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de situatie van de Afghaanse staatsburgers in België» (nr. 3-1438)

M. Jean Cornil (PS). – En 2003, votre administration a pris, en accord avec le gouvernement, une circulaire visant à résoudre le problème des Afghans. Selon cette circulaire, qui n’a pas été publiée au Moniteur belge, mais que j’ai retrouvée, tous les Afghans arrivés avant le 1er janvier 2003 reçoivent des droits de séjour temporaire renouvelable de six mois en six mois et sont régularisés quand leur séjour en Belgique atteint trois ou quatre années. Une autre circulaire, prise par le ministre de l’Emploi, leur donne également le droit de travailler.

Depuis, votre administration a repris la même circulaire tous les six mois et ce, jusqu’à ce jour.

Pourquoi cette mesure ne concerne-t-elle que les Afghans arrivés avant le 1er janvier 2003, alors qu’elle est prise sur la base d’une évaluation de la sécurité en Afghanistan ?

La situation de danger en cas de retour est-elle différente selon que le ressortissant afghan est arrivé en Belgique avant ou après le 1er janvier 2003 ?

Selon le rapport du Conseil de sécurité des Nations unies du 11 septembre 2006, la situation en Afghanistan n’a pas cessé d’empirer ces dernières années, mais la fin 2006 marque un tournant, la situation n’ayant jamais été aussi inquiétante. Hier, le journal français Libération titrait : « L’Afghanistan tremble ». Je suppose que vous êtes parfaitement informé de la situation, puisque des troupes belges se trouvent sur place.

Pourquoi n’appliquez-vous pas la même mesure aux ressortissants afghans, qu’ils soient arrivés avant ou après 2003 ? Pourquoi la nouvelle loi – que je salue encore une fois – relative à la protection subsidiaire ne s’applique-t-elle pas à ces personnes ? J’imagine que le gouvernement n’a pas l’intention de renvoyer celles-ci en Afghanistan.

Par ailleurs, avez-vous déjà réalisé une première évaluation de cette loi relative à la protection subsidiaire ?

De heer Jean Cornil (PS). – In 2003 heeft Binnenlandse Zaken met instemming van de regering een rondzendbrief opgesteld om het probleem van de Afghanen op te lossen. Afghanen die voor 1 januari 2003 in België zijn binnengekomen krijgen een tijdelijke verblijfsvergunning die om de zes maanden kan worden verlengd. Wanneer ze drie of vier jaar in België verblijven worden ze geregulariseerd. Een rondzendbrief van de minister van Werk kent hun ook het recht toe om te werken.

Binnenlandse Zaken heeft die rondzendbrief tot op heden om de zes maanden hernieuwd.

Waarom geldt die maatregel alleen voor de Afghanen die voor 1 januari 2003 zijn binnengekomen, hoewel hij werd genomen op basis van een evaluatie van de veiligheidssituatie in Afghanistan?

Is die veiligheidssituatie in geval van terugkeer verschillend voor Afghaanse staatsburgers die voor of na 1 januari 2003 in België zijn aangekomen?

Volgens het rapport van de VN-Veiligheidsraad van 11 september 2006 is de toestand in Afghanistan de afgelopen jaren enkel maar verslechterd. Ik neem aan dat de minister weet hoe slecht de toestand is aangezien er ook Belgische militairen ter plaatse zijn.

Waarom geldt de maatregel niet voor alle Afghaanse staatsburgers, ongeacht het tijdstip waarop ze zijn aangekomen? Waarom geldt de nieuwe wet betreffende de subsidiaire bescherming, die ik ten volle steun, niet voor die mensen? Ik neem aan dat de regering niet de bedoeling heeft hen naar Afghanistan terug te sturen.

Werd er al een eerste evaluatie van de wet betreffende de subsidiaire bescherming uitgevoerd?

M. Patrick Dewael, vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur. – Compte tenu de la situation d’insécurité qui prévalait en Afghanistan en 2003, j’ai de fait, à l’époque, décidé d’accorder une protection de type subsidiaire aux demandeurs d’asile afghans qui n’avaient pas été reconnus comme réfugiés. Ensuite, j’ai fait évaluer la situation sur le terrain tous les six mois. Sur la base des informations qui me sont parvenues, j’ai prolongé le séjour de ces personnes. Par la loi du 15 septembre 2006 modifiant la loi sur les étrangers, le statut de protection temporaire a été inscrit dans la loi. Ce statut est accordé par le Commissaire général aux réfugiés depuis le 10 octobre 2006. Il ne m’appartient plus, dès lors, d’accorder ce type de protection.

Les ressortissants afghans arrivés en Belgique avant le 1er janvier 2003 y résident entre-temps depuis plus de quatre ans de façon légale. J’ai donc régularisé leur situation de séjour. Les personnes arrivées après le 1er janvier 2003 peuvent encore obtenir sans problème une décision de la part du commissaire général dans des délais raisonnables ou peuvent invoquer les mesures transitoires prévues par la loi.

Il me semble prématuré d’évaluer les dispositions légales en matière de protection subsidiaire. Cette évaluation ne me paraît pas utile avant un an.

De heer Patrick Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. – In 2003 was de situatie in Afghanistan zo onveilig dat ik heb beslist een soort van subsidiaire bescherming toe te kennen aan Afghaanse asielzoekers die niet als vluchteling waren erkend. Sindsdien laat ik de toestand om de zes maanden evalueren. Op basis van de mij verstrekte informatie heb ik het verblijf van de betrokken asielzoekers verlengd. Bij de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de vreemdelingenwet werd het statuut van tijdelijke bescherming in de wet ingeschreven. Dat statuut wordt sinds 10 oktober 2006 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen toegekend, en dus niet langer door mij.

De Afghaanse staatsburgers die voor 1 januari 2003 in België zijn aangekomen, verblijven inmiddels al meer dan vier jaar wettelijk in ons land. Ik heb hun verblijf dus geregulariseerd. De mensen die na 1 januari 2003 zijn aangekomen, kunnen nog binnen een redelijke termijn een beslissing van de commissaris-generaal ontvangen of de overgangsmaatregelen inroepen waarin de wet voorziet.

Het lijkt me voorbarig de regeling inzake de subsidiaire bescherming nu al te evalueren.

M. Jean Cornil (PS). – Comme vous le savez, monsieur le ministre, un mouvement se manifeste actuellement dans la société civile, en raison d’une grève de la faim menée par des ressortissants afghans à l’Église des Minimes de Bruxelles. Ces personnes affirment ne pouvoir bénéficier ni du statut prévu par la circulaire ni du statut de protection subsidiaire. Or, selon votre réponse, les ressortissants afghans pourraient en faire la demande et éventuellement l’obtenir. Je vais donc leur communiquer vos propos.

De heer Jean Cornil (PS). – Zoals de minister weet, houden Afghaanse staatsburgers een hongerstaking in de Miniemenkerk te Brussel. Die mensen zeggen dat ze noch voor het statuut van de rondzendbrief, noch voor de subsidiaire bescherming in aanmerking komen. Volgens de minister kunnen ze toch met succes een aanvraag indienen. Ik zal hun dat meedelen.

M. Patrick Dewael, vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur. – Je souligne tout de même que ma réponse est d’ordre général. La séance plénière du Sénat n’est pas l’endroit approprié pour répondre aux cas individuels que vous évoquez, mais mon administration est à la disposition de chacun pour examiner les dossiers concrètement.

De heer Patrick Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. – Ik benadruk dat ik een algemeen antwoord heb gegeven. Ik geef in de plenaire vergadering van de Senaat geen commentaar over individuele gevallen. Voor informatie over concrete dossiers kan men zich tot mijn administratie wenden.

Question orale de Mme Christine Defraigne au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur «le droit de vote des Belges résidant à l’étranger» (nº 3-1446)

Mondelinge vraag van mevrouw Christine Defraigne aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «het stemrecht van de Belgen die in het buitenland verblijven» (nr. 3-1446)

Mme Christine Defraigne (MR). – En début de semaine, la presse s’est fait l’écho des déclarations de Mme Lizin s’exprimant en qualité d’élue du parti socialiste et de future tête liste du même parti aux prochaines élections sénatoriales. L’élue et candidate socialiste critiquait la mise en œuvre du droit de vote des Belges de l’étranger qui aurait, voici quatre ans, généré une injustice.

Il est ainsi relaté que « furent affectées à l’arrondissement de Huy-Waremme toutes les voix des Belges votant de l’étranger ». J’ignore si la presse a mal résumé ces propos, mais l’apport de ces électeurs à la province de Liège – électeurs votant majoritairement MR – aurait, selon Mme Lizin, complètement tronqué les résultats des élections et coûté un siège au PS. Je suppose qu’il s’agit d’un siège à la Chambre des représentants.

Monsieur le ministre, y a-t-il eu une injustice ? Dans l’affirmative, y a-t-on remédié ? J’ai cru percevoir, dans les propos de l’intéressée, des reproches à peine voilés à l’égard du précédent ministre de l’Intérieur.

Pour ma part, j’ai des difficultés à croire que tout le poids électoral des Belges résidant à l’étranger ait réellement reposé sur la province de Liège, et plus particulièrement sur cet arrondissement de Huy-Waremme que tout le monde nous envie. Les Belges de l’étranger ont-ils choisi de s’inscrire dans la province de Liège ?

En 2003, 114.000 Belges de l’étranger s’étaient inscrits au vote. Où en est-on actuellement, dans la perspective des prochaines élections de 2007 ?

Mevrouw Christine Defraigne (MR). – Begin deze week maakte de pers melding van verklaringen van mevrouw Lizin als gekozene van de socialistische partij en lijsttrekker van die partij voor de Senaatsverkiezingen. Zij had kritiek op de uitoefening van het stemrecht van de Belgen in het buitenland, die vier jaar geleden een onbillijk gevolg zou hebben gehad.

Zij zou hebben gezegd dat alle stemmen van Belgen in het buitenland, werden toegekend aan het arrondissement Hoei-Borgworm. Ik weet niet of de pers haar woorden verkeerd heeft weergegeven, maar de stemmen van deze kiezers – die hoofdzakelijk voor de MR stemmen –, zouden volgens mevrouw Lizin de verkiezingsuitslagen in de provincie Luik volledig hebben vervormd en de PS een zetel hebben gekost. Ik neem aan dat het om een Kamerzetel gaat.

Mijnheer de minister, was hier sprake van een onrecht? Zo ja, werd dat rechtgezet? Ik meen in de woorden van betrokkene een nauwelijks verheeld verwijt te zien aan het adres van de vorige minister van Binnenlandse Zaken.

Zelf kan ik moeilijk geloven dat de Belgen in het buitenland zo’n electoraal gewicht hebben gehad in de provincie Luik en meer bepaald in het arrondissement Hoei-Borgworm. Hebben alle Belgen in het buitenland er misschien voor gekozen zich in de provincie Luik in te schrijven?

In 2003 hebben 114.000 Belgen in het buitenland zich voor de verkiezingen ingeschreven. Wat is de toestand nu, in het vooruitzicht van de verkiezingen van 2007?

M. Patrick Dewael, vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur. – J’invite tout d’abord tous les parlementaires à consulter le site internet de mon département, responsable de l’organisation des élections, et en particulier le tableau reprenant par commune les inscriptions comme électeurs des Belges résidant à l’étranger lors des élections législatives fédérales du 18 mai 2003. Un tableau équivalent pour les élections du 10 juin est en outre accessible sur le même site.

Il ressort de ce tableau que 283 Belges résidant à l’étranger ont choisi, en 2003, la commune de Huy comme commune de rattachement, sur un total de 13.238 électeurs belges à l’étranger pour les communes de l’ensemble de la province de Liège.

L’injustice dont l’article de La Dernière Heure s’est fait l’écho s’explique vraisemblablement par le fait que, si l’on consulte les résultats des élections, on constate que c’est dans le canton de Huy qu’ont été dépouillés les bulletins des Belges à l’étranger qui avaient choisi de voter par correspondance en tant qu’électeur inscrit dans une commune de la province de Liège.

L’article 180 du Code électoral dispose en effet que les votes par correspondance pour chaque circonscription sont dépouillés par les bureaux de dépouillement du canton dont fait partie la commune chef-lieu de la circonscription.

Cependant, si ce canton est entièrement automatisé, comme c’est le cas en l’occurrence du canton de Liège ou du canton d’Anvers, le président du bureau principal de circonscription pour l’élection de la Chambre et de la province pour l’élection du Sénat désigne un autre canton non automatisé pour procéder au dépouillement de ces bulletins.

Ainsi, notamment, les 6.338 votes par correspondance déposés pour la circonscription de Liège ont-ils été dépouillés par les bureaux de dépouillement du canton de Huy. Ces résultats cantonaux ont ensuite été repris dans le total des 650.000 votes émis pour la circonscription de Liège en vue de la répartition des sièges.

Un procédé identique est mis en œuvre dans chaque circonscription. Cette modalité est prévue dans la loi elle-même. L’affirmation selon laquelle mon prédécesseur aurait pris un arrêté ministériel en ce sens est donc inexacte. Dans la circonscription d’Anvers, par exemple, c’est le canton de Lierre qui a procédé au dépouillement des 7.378 votes par correspondance déposés pour cette circonscription.

Les votes des électeurs qui expriment leur suffrage par correspondance sont donc comptabilisés au niveau de l’ensemble de la circonscription.

De heer Patrick Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. – Ik nodig de parlementsleden uit de website te raadplegen van mijn departement, dat verantwoordelijk is voor de organisatie van de verkiezingen, en meer bepaald de tabel die per gemeente het aantal Belgen in het buitenland weergeeft die zich als kiezer voor de federale wetgevende verkiezingen van 18 mei 2003 hebben ingeschreven. Zij vinden er ook een tabel voor de verkiezingen van 10 juni.

Uit de tabel blijkt dat 283 Belgen in het buitenland zich in 2003 in de gemeente Hoei hebben ingeschreven op een totaal van 13.238 voor de provincie Luik.

De onbillijkheid waarover La Dernière Heure het heeft, kan waarschijnlijk worden verklaard door het feit dat uit de verkiezingsresultaten blijkt dat in het kanton Hoei de stembiljetten werden opgenomen van de Belgen in het buitenland die per briefwisseling stemden en ingeschreven waren in een gemeente van de provincie Luik.

Artikel 180 van het Kieswetboek bepaalt dat de stemmen die per briefwisseling zijn uitgebracht, voor elk kiesdistrict geteld worden door de stemopnemingsbureaus van het kanton waarvan de hoofdplaatsgemeente van de kieskring deel uitmaakt.

Als dat kanton echter volledig geautomatiseerd is, zoals bijvoorbeeld het geval is in het kanton Luik of het kanton Antwerpen, wijst de voorzitter van het kieskringhoofdbureau voor de verkiezingen van de Kamer en van het provinciebureau voor de verkiezingen van de Senaat, een ander, niet geautomatiseerd kanton aan om die stembiljetten op te nemen.

Zo werden 6.338 stemmen per briefwisseling die bestemd waren voor de kieskring Luik, door de stemopnemingsbureaus van het kanton Hoei geteld. De kantonale resultaten werden vervolgens bij de 650.000 stemmen geteld die waren uitgebracht voor de kieskring Luik met het oog op de zetelverdeling.

Deze procedure, die is opgenomen in de wet, geldt voor elke kieskring. De bewering dat mijn voorganger een ministerieel besluit in die zin zou hebben uitgevaardigd, is dus niet juist. In de kieskring Antwerpen, bijvoorbeeld, heeft het kanton Lier de 7.378 stemmen geteld die per briefwisseling in de kieskring waren uitgebracht,.

De per briefwisseling uitgebrachte stemmen worden dus toebedeeld aan de gehele kieskring.

Mme Christine Defraigne (MR). – Cela ne change donc rien du tout. Le ministre nous a donné un éclaircissement. La localisation géographique du dépouillement n’a aucune incidence sur le nombre de suffrages émis et sur la comptabilisation des votes. Il n’y a donc pas d’injustice et le procès d’intention fait au prédécesseur du ministre est infondé. Il est bon de lui rendre justice.

Mevrouw Christine Defraigne (MR). – Er verandert dus helemaal niets. De minister heeft duidelijkheid verschaft. De plaats waar de stemopneming gebeurt, heeft geen enkele invloed op het aantal uitgebrachte stemmen en op de verrekening van die stemmen. Er is dus geen sprake van onbillijkheid en de beschuldigingen aan het adres van de vorige minister van Binnenlandse Zaken zijn dus ongegrond. Dat misverstand is hiermee rechtgezet.

Question orale de M. Lionel Vandenberghe au ministre des Affaires étrangères sur «la situation au Kurdistan turc» (nº 3-1444)

Mondelinge vraag van de heer Lionel Vandenberghe aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de situatie in Turks Koerdistan» (nr. 3-1444)

Mme la présidente. – M. Bruno Tuybens, secrétaire d’État aux Entreprises publiques, adjoint à la ministre du Budget et de la Protection de la consommation, répondra.

De voorzitter. – De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.

M. Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – J’ai déjà interrogé précédemment le ministre des Affaires étrangères sur la situation au Kurdistan turc.

Aujourd’hui, les tensions ont repris. Non seulement une discussion a surgi à propos de la santé du leader du PKK Abdullah Öcalan, mais plusieurs cadres et bourgmestres du DTP pro-kurde, le parti kurde pour une société démocratique, ont été arrêtés à l’occasion du Newroz, la fête kurde du printemps.

Les avocats d’Öcalan ont fait savoir, lors d’une conférence de presse donnée à Rome le 1er mars 2007, que leur client souffrait vraisemblablement d’un empoisonnement chronique. Les avocats ont confié des cheveux d’Öcalan à un laboratoire français et le docteur Kintz y a découvert des concentrations anormalement élevées de chrome et de strontium, ce qui indique un empoisonnement chronique. Nous nous souvenons également du diplomate russe empoisonné à Londres. Le docteur Kintz estime qu’il faut de toute urgence vérifier cette conclusion par un examen général et par une analyse biologique du sang et des cheveux. Les conclusions du laboratoire français ont été confirmées par des laboratoires en Suède et à Rome.

Entre-temps, le gouvernement turc a déjà chargé une délégation médicale d’examiner et de stabiliser l’état physique d’Öcalan. D’après ces médecins, il est à présent en bonne santé.

Le ministre estime-t-il comme moi qu’Öcalan doit être soumis à un examen médical complet réalisé par une délégation médicale indépendante afin de connaître son véritable état de santé ?

Insistera-t-il auprès du Comité européen pour la prévention de la torture (CPT) pour qu’une équipe médicale indépendante soit envoyée sur place ?

Plusieurs cadres et bourgmestres du DTP au Kurdistan turc sont poursuivis. Abdullah Demirbaş, le bourgmestre du district Sûr, Diyarbakır, ainsi que le chef du DTP de la province de Van et Hilmi Aydoğdu, un leader du DTP, ont été arrêtés, le dernier pour avoir déclaré que l’attaque militaire de Kirkouk visait Diyarbakır. Le ministre turc de l’Intérieur a même suggéré que la Cour suprême turque démette Abdullah Demirbaş de ses fonctions pour qu’il puisse être incarcéré. Les autorités turques essaient probablement de perturber les festivités du Newroz et de décourager les participants.

Le ministre abordera-t-il ce sujet avec les autorités turques ?

L’Union européenne évoquera-t-elle cette question dans le cadre des négociations d’adhésion ?

De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Ik heb de minister van Buitenlandse Zaken al eerder vragen gesteld over de situatie in Turks Koerdistan.

Vandaag lopen de spanningen er opnieuw op. Niet alleen is er een discussie gerezen over de gezondheid van PKK-leider Abdullah Öcalan, maar ook werden met de Newrozvieringen – het grote Koerdische lentefeest – in het vooruitzicht verschillende kaderleden en burgemeesters van de pro-Koerdische DTP – de Partij voor een Democratische Samenleving – aangehouden.

Op 1 maart 2007 deelden de advocaten van Öcalan op een persconferentie in Rome mee dat hun cliënt blijkbaar chronisch vergiftigd wordt. De advocaten hebben haartjes van Öcalan aan een Frans laboratorium bezorgd. Uit het onderzoek van dokter Kintz blijkt dat die haartjes abnormaal hoge concentraties chromium en strontium bevatten, wat wijst op chronische vergiftiging. We herinneren ons ook het geval van de Russische diplomaat in Londen. Volgens dokter Kintz moet deze vaststelling dringend worden nagetrokken, zowel met een algemeen onderzoek als met een biologisch onderzoek van het bloed en het haar. De vaststellingen van het Franse laboratorium werden door laboratoria in Zweden en in Rome bevestigd.

Ondertussen heeft de Turkse regering al een Turkse medische delegatie aangesteld om de fysieke toestand van Öcalan te onderzoeken en te stabiliseren. Volgens deze artsen verkeert Öcalan nu in goede gezondheid.

Is de minister het met mij eens dat Öcalan door een onafhankelijke medische delegatie volledig moet worden onderzocht om zo zijn ware gezondheidstoestand te kennen?

Zal hij er bij het Committee for the Prevention of Torture (CPT) van de Raad van Europa op aandringen dat een onafhankelijk doktersteam wordt gestuurd?

Verschillende kaderleden en burgemeesters van de DTP in Turks Koerdistan worden vervolgd. Abdullah Demirbaş, de burgemeester van het district Sûr, Diyarbakır, alsook de DTP-leider van de provincie Van en de DTP-leider Hilmi Aydoğdu van de afdeling Diyarbakır werden aangehouden. De laatste omdat hij zei dat de Turkse militaire aanval op Kirkoek een aanval op Diyarbakır was. De Turkse minister van Binnenlandse Zaken suggereerde het Turkse Hooggerechtshof zelfs om Abdullah Demirbaş uit zijn functie te ontzetten, zodat hij kan gevangen genomen worden. Vermoedelijk probeert de Turkse overheid zo de organisatie van de Newrozfestiviteiten te bemoeilijken en deelname aan de Newrozvieringen te ontmoedigen.

Zal de minister de Turkse overheid hierover aanspreken?

Spreekt de Europese Unie Turkije hierover aan in het kader van de toetredingsgesprekken?

M. Pierre Galand (PS). – Je tiens à appuyer cette question parce qu’elle est extrêmement importante. Il y va de la survie d’une série de gens au Kurdistan. Nous avons le moyen d’intervenir et notre ministre doit à tout prix être alerté.

De heer Pierre Galand (PS). – Ik steun deze vraag, want ze is bijzonder belangrijk. Een aantal mensen in Koerdistan worden immers in hun bestaan bedreigd. We hebben de mogelijkheid om tussenbeide te komen en onze minister moet absoluut op de hoogte worden gebracht.

M. Bruno Tuybens, secrétaire d’État aux Entreprises publiques, adjoint à la ministre du Budget et de la Protection de la consommation. – Je vous lis la réponse du ministre des Affaires étrangères.

Nous n’avons aucune raison de mettre en doute l’indépendance et l’intégrité des médecins turcs. À la suite de la plainte des avocats d’Öcalan, les autorités turques ont lancé une enquête et chargé quatre experts toxicologues légistes d’examiner Öcalan. Les autorités turques démentent qu’Öcalan aurait été empoisonné et soulignent qu’il bénéficie de la même protection et des mêmes droits que les autres détenus, notamment des check-up médicaux réguliers. À ce jour, Öcalan a toujours obtenu une medical clearance.

Nous suivons de près la situation dans le sud-est de la Turquie et sommes au courant des arrestations de certains membres du DTP. La Commission européenne suit attentivement, comme les États membres, l’évolution des droits de l’homme en Turquie dans le cadre des négociations d’adhésion. Nous espérons que la présidence allemande mettra cette question à l’ordre du jour.

De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. – Ik lees het antwoord van de minister van Buitenlandse Zaken.

Wij hebben geen reden om de onafhankelijkheid en integriteit van de Turkse dokters in twijfel te trekken. Naar aanleiding van de klacht van de advocaten van Öcalan hebben de Turkse autoriteiten een onderzoek ter zake opgestart en vier forensische experts-toxicologen de opdracht gegeven Öcalan te onderzoeken. De Turkse autoriteiten ontkennen dat Öcalan vergiftigd is en benadrukken dat hij over dezelfde bescherming en rechten beschikt als andere gevangenen, zoals regelmatige medische check-ups. Tot nu toe heeft Öcalan steeds een medical clearance gekregen.

Wij volgen nauwgezet de toestand in het zuidoosten van Turkije en wij zijn op de hoogte van de aanhoudingen van sommige leden van de DTP. De Europese Commissie volgt, net als de lidstaten, met aandacht de evolutie van de mensenrechten in Turkije in het kader van de toetredingsgesprekken. Wij verwachten dat het Duitse voorzitterschap deze kwestie op de agenda zal plaatsen.

M. Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – La réponse du ministre est purement diplomatique et pas du tout crédible. Des experts neutres de laboratoires européens ont également fait une enquête et arrivent à d’autres conclusions. Bien entendu, on peut difficilement attendre autre chose qu’un démenti de la part des autorités turques.

Je réitère ma mise en garde. Ce qui est arrivé au diplomate russe à Londres doit être pour nous une leçon.

Le ministre refile l’affaire à la présidente allemande de l’UE mais le ministre belge peut aussi insister auprès de ses collègues pour qu’ils se montrent plus vigilants. Voici quelques années, des membres de la commission des Relations extérieures et de la Défense ont été profondément choqués, lors d’une visite à Ankara, des réponses aux questions qu’ils posaient au sujet du Kurdistan. En théorie la langue est autorisée mais elle est interdite sur le territoire kurde même.

J’espère que le secrétaire d’État fera part de notre grande préoccupation au sujet de la situation en Turquie au ministre des Affaires étrangères.

De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Het antwoord van de minister is puur diplomatisch en totaal ongeloofwaardig. Neutrale toxicologen van Europese laboratoria hebben eveneens onderzoek gedaan en komen tot andere conclusies. Natuurlijk kan men van de Turkse overheid bezwaarlijk iets anders verwachten dan dat ze alle kritiek ontkent.

Ik herhaal mijn waarschuwing. Wat gebeurd is met de Russische diplomaat in Londen moet ons een les zijn.

De minister schuift de zaak door naar het Duitse EU-voorzitterschap, maar ook de Belgische minister kan bij zijn collega’s aandringen op meer waakzaamheid. Enkele leden van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging zijn een paar jaar geleden tijdens een bezoek aan Ankara hevig geschrokken van de antwoorden die ze kregen op vragen over Koerdistan. De taal wordt in theorie wel toegelaten, maar op het Koerdische grondgebied zelf is ze verboden.

Ik hoop dat de staatssecretaris de minister van Buitenlandse Zaken meedeelt dat wij ons echt heel veel zorgen maken over de toestand in Turkije.

Question orale de M. Luc Willems au secrétaire d’État aux Entreprises publiques sur «le projet pilote “parking gratuit pour les déplacements domicile-lieu de travail” sur les parkings de la SNCB» (nº 3-1437)

Mondelinge vraag van de heer Luc Willems aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over «het proefproject gratis woon-werkverkeer op de NMBS-parkings» (nr. 3-1437)

M. Luc Willems (VLD). – Ce n’est pas la première fois que je pose une question sur le projet pilote de « parking gratuit pour les déplacements domicile-lieu de travail » qui est en cours depuis le 16 août 2005 dans douze gares. Celui qui a un billet de train peut, grâce à ce projet, obtenir gratuitement une place de stationnement dans les gares sélectionnées. Comme il a déjà été dit, ce système conduit à un immense chaos du fait de la suroccupation et du parking sauvage. Le parking navetteurs de la gare SNCB d’Alost en est un triste exemple.

Répondant à une question parlementaire, le secrétaire d’État a reconnu que le projet pilote avaient engendré des effets pervers non souhaités, comme l’augmentation de l’usage de l’automobile pour de courtes distances et la diminution de l’utilisation des autobus ainsi que du nombre de navetteurs qui se rendent à la gare à pied. Le secrétaire d’État admettait aussi que cela suscitait en effet bien du mécontentement dans certaines stations pilotes. Il annonça une tarification différenciée dont le revenu devrait couvrir les coûts opérationnels.

Jusqu’à présent la situation à la gare d’Alost est restée inchangée et cela malgré les problèmes aigus. Ce qui s’y déroule peut difficilement encore être considéré comme le signe d’une gestion sérieuse de la SNCB. Le mécontentement reste particulièrement élevé.

Combien de plaintes concernant les problèmes de parking navetteurs ont-elles été déposées auprès de la SNCB ou du secrétaire d’État ? Combien de ces plaintes concernent-elles le parc de stationnement de la gare d’Alost ?

Quand le secrétaire d’État mettra-t-il en application sa politique de stationnement telle qu’il l’avait annoncée et tiendra-t-il sa promesse d’une tarification différenciée ?

De heer Luc Willems (VLD). – Het is niet de eerste maal dat ik een vraag stel over het proefproject ‘gratis woon-werkverkeer’ dat sinds 16 augustus 2005 in twaalf stations loopt. Wie over een treinkaart beschikt, kan dankzij dat project op het parkeerterrein van de geselecteerde stations een gratis parkeerplaats krijgen. Zoals reeds eerder aangegeven leidt dat systeem tot een onoverzichtelijke chaos wegens overbezetting en wildparkeren. De pendelparkeerplaats van het NMBS-station in Aalst is daar een triest voorbeeld van.

In antwoord op een vorige parlementaire vraag erkende de staatssecretaris dat het proefproject een aantal niet gewenste neveneffecten heeft, zoals toename van het autogebruik op korte afstand en vermindering van het busgebruik en het aantal pendelaars die lopend naar het station gaan. De staatssecretaris erkende tevens dat in sommige proefstations inderdaad heel wat ongenoegen heerst. Hij kondigde dan ook een gedifferentieerde tarifering aan. De opbrengsten daarvan zouden de operationele kosten dekken.

Tot op heden blijft de situatie aan het station in Aalst ongewijzigd, en dit ondanks de schrijnende problemen. Wat daar gebeurt kan moeilijk nog een teken van degelijk bestuur van de NMBS worden genoemd. Het ongenoegen blijft er dan ook bijzonder groot.

Hoeveel klachten over problemen op een pendelparkeerplaats werden bij de NMBS of bij de staatssecretaris ingediend? Hoeveel van deze klachten handelen over de problemen op de pendelparkeerplaats te Aalst?

Wanneer zal de staatssecretaris zijn vroeger aangekondigde parkeerbeleid invoeren en overgaan tot de beloofde gedifferentieerde tarifering?

M. Bruno Tuybens, secrétaire d’État aux Entreprises publiques, adjoint à la ministre du Budget et de la Protection de la consommation. – M. Willems n’a cité qu’une partie de la réponse que je lui avais donnée à la fin de l’année dernière. J’avais aussi dit à l’époque que le projet pilote avait eu un grand succès, ce qui avait aggravé certains problèmes de mobilité, surtout dans la région d’Alost.

Au début de 2007, le nombre de plaintes liées au projet « parking gratuit pour les déplacements domicile-travail » était légèrement supérieur à deux cents, dont une trentaine concernent Alost.

Toutes les plaintes envoyées à mon cabinet ont été transmises au groupe SNCB.

Pour améliorer la situation, la holding SNCB a résilié le contrat de location d’une auto-école qui occupait une partie du parking. Dès lors, depuis janvier, une quarantaine de places supplémentaires sont disponibles. Cette mesure a assurément eu un effet positif mais tous les problèmes ne peuvent évidemment pas être résolus de cette manière.

La nouvelle politique de stationnement qui a été conçue sur la base de l’évaluation de l’expérience pilote sera mise en pratique dans les prochains mois. La politique de stationnement continuera à réserver des places prioritaires pour les clients réguliers de la SNCB. Toutefois, la tarification sera adaptée aux capacités disponibles et sera harmonisée avec la politique de stationnement menée par la commune dans les environs immédiats. Ce sera du travail sur mesure dont la holding SNCB discutera les règles dans le détail avec les administrations communales, notamment celle d’Alost.

De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. – De heer Willems citeerde een deel van het antwoord dat ik eind vorig jaar op een vraag van hem gaf. Ik heb toen ook gezegd dat het proefproject een groot succes heeft gekend waardoor bepaalde mobiliteitsproblemen werden versterkt, niet in het minst in de regio van Aalst.

Begin 2007 bedroeg het aantal klachten in verband met het project ‘gratis parkeren in het woon-werkverkeer’ iets meer dan 200. Daarvan hadden een dertigtal klachten betrekking op Aalst.

Alle klachten die naar mijn kabinet worden gestuurd, worden overgemaakt aan de NMBS-Groep.

Om de situatie te verbeteren heeft de NMBS-Holding het huurcontract opgezegd met een autorijschool die een deel van de parkeergelegenheid bezette. Sinds januari zijn daardoor een veertigtal extra parkeerplaatsen beschikbaar. Deze ingreep heeft zeker een positief effect gehad, maar uiteraard kunnen niet alle problemen op die manier worden opgelost.

Het nieuwe parkeerbeleid dat ingevolge de evaluaties van de proefprojecten werd uitgewerkt, zal in de komende maanden in de praktijk worden gebracht. Het parkeerbeleid zal er nog steeds op gericht zijn om plaatsen prioritair voor te behouden voor regelmatige klanten van de NMBS. De tarifering zal evenwel worden aangepast aan de beschikbare capaciteit en in overeenstemming worden gebracht met het parkeerbeleid dat de gemeente in de onmiddellijke omgeving voert. Het zal dus maatwerk zijn, waarvoor de NMBS-Holding met het gemeentebestuur van onder meer Aalst de nadere regels zal bespreken.

M. Luc Willems (VLD). – Le secrétaire d’État nous ressert la même réponse qu’il y a quelques mois. Je ne continuerai pas à poser la même question. Il est navrant de constater que ce problème traîne depuis deux ans. Dès le début cela a tourné mal. Plusieurs questions ont été posées. Le service de médiation d’Alost à lui seul a reçu nonante plaintes. Le nombre de trente plaintes ne peut donc être exact. J’espère que le secrétaire d’État prendra rapidement ce problème à bras le corps car l’approche actuelle n’est pas un signe de bonne gestion.

De heer Luc Willems (VLD). – De staatssecretaris geeft hetzelfde antwoord als enkele maanden geleden. Ik ga dezelfde vraag niet blijven stellen. Het is schrijnend dat de problemen al twee jaar aanslepen. Vanaf het begin van het project liep het mis. Er werden verschillende vragen over gesteld. Alleen al bij de ombudsdienst van Aalst werden 90 klachten ingediend. Het cijfer van 30 klachten kan dus niet juist zijn. Ik hoop dat de staatssecretaris de problemen snel aanpakt want de huidige aanpak is geen teken van goed bestuur.

Question orale de M. Stefaan Noreilde au secrétaire d’État aux Entreprises publiques sur «le réseau ferroviaire autour de la banlieue de Gand» (nº 3-1447)

Mondelinge vraag van de heer Stefaan Noreilde aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over «het treinnet rond de voorstad van Gent» (nr. 3-1447)

M. Stefaan Noreilde (VLD). – En Flandre orientale, la semaine dernière, les communes ont été interrogées à l’occasion des états généraux de la mobilité. À la SNCB il a été demandé de créer un réseau de train de banlieue. Lors des états généraux il est apparu que la SNCB était disposée à en discuter, mais dans un cadre réaliste. La pose de nouvelles voies n’appartient clairement pas à un cadre réaliste, mais bien la remise en service de quelques gares et de trains supplémentaires. Entre-temps on a rouvert la gare d’Evergem. C’est un premier pas dans la bonne direction.

L’étape suivante peut être d’ajouter un train omnibus entre Gand et Anvers, ce qui permettrait de désenclaver Lochristi et les communes alentour grâce à un arrêt à Beervelde. Les arguments de l’administration communale de Lochristi sont solides. Ainsi le nombre d’habitants y est-il en croissance. Les habitants des nouveaux lotissements sont en outre souvent de jeunes ménages dont de nombreuses personnes travaillent à Anvers, Bruxelles ou Gand. L’emploi a crû grâce aux nouvelles zones d’entreprises. Un meilleur accès au domaine provincial de Puyenbroeck aurait également des effets positifs. En outre l’infrastructure existe.

Le secrétaire d’État est-il disposé à reprendre la ligne Gand-Anvers, avec entre autres un point d’arrêt à Beervelde, dans le prochain contrat de gestion ? Dans l’affirmative, avec quel calendrier et quel est l’avis du secrétaire d’État sur d’autres points d’arrêts possibles sur cette ligne ? Pourquoi ne serait-ce éventuellement pas possible ?

De heer Stefaan Noreilde (VLD). – In Oost-Vlaanderen werden vorige week de stadsbesturen bevraagd naar aanleiding van de Staten-Generaal inzake mobiliteit. Aan de NMBS wordt gevraagd een ‘voorstadstreinnet’ uit te bouwen. Tijdens de Staten-Generaal bleek de NMBS bereid daarover te praten, zij het binnen een realistisch kader. De aanleg van nieuwe sporen behoort duidelijk niet tot een realistisch kader, maar extra treinen en de heropening van enkele stations wel. Het station te Evergem is intussen heropend. Dat is een eerste goede stap.

Een volgende stap kan het inleggen zijn van een stoptrein tussen Gent en Antwerpen waarbij onder andere Lochristi en de omliggende gemeenten via een stopplaats in Beervelde kunnen worden ontsloten. De argumenten van het gemeentebestuur van Lochristi houden steek. Zo steeg het inwonersaantal. De inwoners in de nieuwe verkavelingen zijn bovendien vaak jonge gezinnen waarvan heel wat mensen in Gent, Antwerpen en Brussel werken. De werkgelegenheid kende een groei door nieuwe bedrijvenzones. Een veel betere ontsluiting van het provinciaal domein Puyenbroeck zou ook een positief gevolg zijn. Bovendien is de infrastructuur aanwezig.

Is de staatssecretaris bereid de lijn Gent-Antwerpen, met onder andere een stopplaats in Beervelde, op te nemen in een volgende beheersovereenkomst?

Zo ja, wat is de timing ter zake en wat is de mening van de staatssecretaris over andere mogelijke stopplaatsen op deze lijn? Waarom is dit eventueel niet mogelijk?

M. Bruno Tuybens, secrétaire d’État aux Entreprises publiques, adjoint à la ministre du Budget et de la Protection de la consommation. – J’esquisserai d’abord la procédure de réouverture d’un arrêt. La SNCB réalise en premier lieu une analyse coût-bénéfice. Si celle-ci est positive et que la SNCB décide de la réouverture de l’arrêt, elle demandera à Infrabel de créer un arrêt. Infrabel peut alors élaborer un calendrier pour l’aménagement d’un arrêt. Cette procédure sera donc également suivie pour décider d’une éventuelle remise en service de l’arrêt à Beervelde. Le contrat de gestion ne doit pas contenir la liste exhaustive de toutes les gares et arrêts du réseau ferroviaire. Il n’est pas nécessaire de modifier le contrat de gestion pour ajouter un arrêt à la liste.

Puisque je ne dispose pas encore d’une analyse coût-bénéfice de la SNCB, je ne puis faire de déclarations sur la possibilité de réouverture de cet arrêt.

De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. – Ik zal eerst de procedure voor de heropening van een stopplaats schetsen. De NMBS voert in de eerste plaats een kosten-batenanalyse uit. Indien die positief is en de NMBS tot de heropening van de stopplaats beslist, zal de NMBS aan Infrabel vragen een stopplaats aan te leggen. Infrabel kan dan een planning voor de aanleg van een stopplaats opmaken. Deze procedure zal dus ook worden gevolgd bij de besluitvorming over de eventuele heropening van de stopplaats in Beervelde. De beheersovereenkomst hoeft niet de exhaustieve lijst van alle stations en stopplaatsen van het spoornet te bevatten. Het is niet nodig om een beheersovereenkomst te wijzigen indien er een halte aan de lijst kan worden toegevoegd.

Aangezien ik voor Beervelde nog niet over een kosten-batenanalyse van de NMBS beschik, kan ik nog geen uitspraken doen over de mogelijke heropening van die stopplaats.

M. Stefaan Noreilde (VLD). – Je conclus donc qu’il appartient à présent à la SNCB de réaliser cette analyse coût-bénéfice et d’entamer une concertation avec les responsables politiques.

De heer Stefaan Noreilde (VLD). – Ik besluit dat het nu aan de NMBS is om de kosten-batenanalyse te maken en daarna in overleg te treden met de politiek verantwoordelijken.

Votes

Stemmingen

(Les listes nominatives figurent en annexe.)

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Prise en considération d’une proposition

Inoverwegingneming van een voorstel

Mme la présidente. – Comme convenu tout à l’heure, nous passons maintenant à la discussion de la prise en considération de la proposition de déclaration de révision de la Constitution, déposée par M. Van Hauthem (Doc. 3-2105).

De voorzitter. – Zoals daarstraks werd overeengekomen, zullen we nu de inoverwegingneming bespreken van het voorstel van verklaring tot herziening van de Grondwet, dat door de heer Van Hauthem werd ingediend (Stuk 3-2105).

M. Francis Delpérée (CDH). – Il me semble essentiel de rappeler un principe fondamental de notre ordre constitutionnel, à savoir qu’une révision de la Constitution Belge ne peut jamais être que partielle. Notre droit ne connaît pas les révisions globales de la Constitution.

Il y a à cela des arguments de texte qui sortent de l’article 195 de la Constitution, lequel prévoit la procédure de révision de la Constitution.

L’alinéa 1er de cette disposition dit que le pouvoir législatif peut déclarer qu’il y a lieu à révision de « telle disposition constitutionnelle qu’il désigne ». Par conséquent, cela ne concerne pas des titres ou des chapitres ni un ensemble de dispositions.

L’alinéa 4 du même article 195 dit que les chambres doivent statuer sur les points soumis à révision. Il ne peut donc y avoir que des révisions ponctuelles et non globales.

J’ajoute que ce sont aussi des arguments de bon sens : quand je vais porter ma voiture au garage un matin pour la soumettre à révision, j’attends, au moment où je vais la chercher, que l’on ait éventuellement serré les boulons, vérifié le niveau d’huile, mais je ne m’attends pas à ce qu’on ait changé le châssis, modifié la couleur et remplacé le moteur.

J’ajoute un élément de droit comparé. D’autres pays connaissent différents types de révision : les révisions totales et les révisions partielles. La Suisse, dans sa nouvelle constitution de l’an 2000, prévoit ces deux procédures mais il faut ajouter que les procédures sont différentes selon qu’il s’agit des révisions partielles ou globales.

Tout cela m’amène à dire que, à tort ou à raison, l’article 195 de la Constitution ne permet que des révisions partielles. Il faut donner du temps au temps : on ne peut pas tout changer d’un même mouvement et dans une même procédure.

On me dira sans doute que ce que l’on peut faire globalement, on peut aussi le faire en détail. Il suffirait, dans la déclaration de révision, d’énumérer les uns après les autres les articles 1er à 198 de notre Constitution – car je parle encore de « notre » Constitution – mais ce serait de l’hypocrisie car cela reviendrait à une révision globale.

Il suffit de lire les développements de la proposition. Je cite : « Afin de ne soulever aucune objection constitutionnelle au cas où la dissolution inéluctable et nécessaire de la Belgique serait décidée au cours de la prochaine législature, l’ensemble de la Constitution belge doit être déclaré sujet à révision. »

Chers collègues, je ne puis donc que demander au Sénat de ne pas prendre en considération la proposition en question.

De heer Francis Delpérée (CDH). – Het lijkt mij noodzakelijk te wijzen op een fundamenteel beginsel van onze grondwettelijke orde, namelijk dat een herziening van de Belgische Grondwet slechts gedeeltelijk kan zijn. Ons recht kent geen volledige herziening van de Grondwet.

Daarvoor bestaan argumenten die voortvloeien uit artikel 195 van de Grondwet over de herzieningsprocedure van de Grondwet.

De eerste alinea van dat artikel bepaalt dat de wetgevende macht kan verklaren dat er redenen zijn tot herziening van ‘zodanige grondwettelijke bepaling als zij aanwijst’. Derhalve gaat het niet om titels of hoofdstukken, noch om een geheel van bepalingen.

Alinea 4 van hetzelfde artikel 195 luidt dat de Kamers moeten beslissen over de punten die aan herziening zijn onderworpen. Er kunnen dus enkel gerichte en geen alomvattende herzieningen zijn.

Ik voeg eraan toe dat dit ook argumenten zijn die te maken hebben met gezond verstand. Als ik ’s morgens mijn auto naar de garage breng voor onderhoud, verwacht ik dat, als ik hem ga terughalen, de bouten zijn aangehaald en het olieniveau is gecontroleerd, maar ik verwacht niet dat het chassis of de kleur is veranderd of dat de motor werd vervangen.

Ik wijs nog op een rechtsvergelijkend element. Andere landen kennen verschillende soorten herzieningen: volledige en gedeeltelijke herzieningen. In zijn nieuwe grondwet van 2000 voorziet Zwitserland in die twee procedures, maar die verschillen al naargelang het een volledige of een gedeeltelijke herziening betreft.

Dat alles brengt me ertoe te zeggen dat artikel 195 van de Grondwet enkel gedeeltelijke herzieningen mogelijk maakt. Niet alles kan in één keer worden veranderd.

Daarop zal men ongetwijfeld antwoorden dat wat globaal kan, ook in detail kan. Zo zou het volstaan in de verklaring tot herziening alle artikelen van nummer één tot 198 van onze Grondwet op te sommen – ik spreek nog van ‘onze’ Grondwet – maar dat zou hypocriet zijn aangezien dat neerkomt op een volledige herziening.

Het volstaat de overwegingen van het voorstel te lezen. Ik citeer: ‘Opdat er geen enkel grondwettelijk bezwaar zou rijzen, ingeval in de volgende zittingsperiode tot de onvermijdelijke en noodzakelijke ontbinding van de Belgische Staat zou worden besloten, dient de volledige Belgische Grondwet voor herziening vatbaar te worden verklaard.’

Ik kan de Senaat dan ook enkel vragen dit voorstel niet in overweging te nemen.

M. Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – M. Delpérée vient de s’exprimer en tant que spécialiste de la Constitution sur une proposition de déclaration de révision de la Constitution.

À cet égard, il s’est référé à l’article 195 de la Constitution, ainsi rédigé : « Le pouvoir législatif fédéral a le droit de déclarer qu’il y a lieu à la révision de telle disposition constitutionnelle qu’il désigne. »

Il se livre clairement à un jeu politique. En tant que juriste, ce que je ne suis pas, il doit quand même savoir que l’article 195 ne dit pas qu’un seul, deux, trois ou un autre nombre d’articles peut être déclaré ouvert à révision. Si le Constituant stipule que tous les articles sont susceptibles d’être déclarés ouverts à révision, ce qui ne signifie pas encore qu’ils seront tous révisés ou abrogés, les Chambres fédérales peuvent effectivement le décider aussi.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – De heer Delpérée komt hier als grondwetsspecialist een paar dingen vertellen over een voorstel van verklaring tot herziening van de Grondwet.

De heer Delpérée verwijst daarbij naar artikel 195 van de Grondwet dat luidt: ‘De federale wetgevende macht heeft het recht te verklaren dat er redenen zijn tot herziening van zodanige grondwettelijke bepaling als zij aanwijst.’

Hij speelt het duidelijk politiek. Als jurist – wat ik niet ben – moet hij toch weten dat artikel 195 niet zegt dat er maar één, twee, drie of een ander aantal artikelen voor herziening vatbaar mogen worden verklaard. Als de grondwetgever zegt dat alle artikelen voor herziening vatbaar mogen worden verklaard, wat nog niet betekent dat ze allemaal worden herzien of opgeheven, dan kunnen de federale kamers dat ook daadwerkelijk beslissen.

M. Francis Delpérée (CDH). – Des points !

De heer Francis Delpérée (CDH). – Alleen afzonderlijke punten!

M. Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – Par le passé, des propositions de révision de la Constitution ont déjà été votées, après quoi les articles visés ont été traités en commission des Affaires institutionnelles.

Selon M. Delpérée, on ne peut ouvrir des titres à révision. Pourtant, précédemment, la Chambre et le Sénat ont déjà voté des propositions de révision de la Constitution dans lesquelles des titres entiers ont été déclarés ouverts à révision. D’ailleurs, dans notre proposition, nous ne demandons pas la révision d’un ou de plusieurs titres. Notre proposition est ainsi rédigée : les Chambres déclarent qu’il y a lieu à révision de l’article 1er de la Constitution, de l’article 2, de l’article 3, jusques et y compris de l’article 198 de la Constitution. Nous demandons donc une révision point par point et non une révision d’un titre.

Par ailleurs, M. Delpérée sait également que la motivation d’une proposition de déclaration de révision ne lie pas les futures Chambres constituantes en ce qui concerne la modification proprement dite. On en a également débattu en commission des Réformes institutionnelles. Autrement dit, la motivation de l’actuel Sénat pour déclarer, par exemple, l’article 23 ouvert à révision, ne lie aucunement le futur Sénat s’il voulait modifier cet article.

La comparaison faite par M. Delpérée avec une voiture que l’on conduirait au garage pour quelques réparations est intéressante mais ne vise pas une perte totale. La voiture en question ne peut plus être réparée en remplaçant une pièce ci et là.

M. Delpérée se trompe clairement. Aucune disposition constitutionnelle n’empêche la Chambre et le Sénat de déclarer tous les articles de la Constitution ouverts à révision. Notre motivation pour une révision totale, à laquelle M. Delpérée fait aussi référence, ne joue aucun rôle à cet égard, même si elle très claire. Nous voulons en effet démanteler la Belgique. Nous voulons que la Belgique disparaisse. Nous n’avons aucun agenda caché. Cela ne peut justifier que l’on nous refuse le droit de déclarer tous les articles de la Constitution ouverts à révision. Si je prolongeais le raisonnement de M. Delpérée, il devrait déclarer l’État belge inconstitutionnel, car celui-ci s’est créé en dehors du cadre constitutionnel régissant ce qui constituait alors le Royaume-Uni des Pays-Bas. Ou bien M. Delpérée légitimerait-il le séparatisme qui prévalait alors ?

Ce raisonnement est indigne d’un spécialiste de la Constitution. Quant à nous, nous sommes d’honnêtes citoyens car nous voulons travailler dans le cadre constitutionnel. M. Delpérée qui se déclare belge, voire « belgiciste » – il en a parfaitement le droit en bonne démocratie – oublie vraisemblablement que la Belgique est née de la violation de la Constitution qui était en vigueur à l’époque.

Le plaidoyer du spécialiste de la Constitution qu’est M. Delpérée contre la prise en considération de notre proposition montre clairement que du côté francophone, on est très effrayé. Cependant, il ne peut nous enlever notre droit démocratique de faire prendre en considération notre proposition de déclaration de révision, afin qu’elle puisse au moins faire l’objet d’un débat au Parlement.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – In het verleden zijn er al voorstellen van verklaring tot herziening van de Grondwet goedgekeurd waarna de desbetreffende artikelen in de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden werden behandeld.

Volgens de heer Delpérée kunnen titels niet voor herziening vatbaar worden verklaard. Nochtans hebben Kamer en Senaat in het verleden al voorstellen van verklaring tot herziening van de Grondwet goedgekeurd, waarin hele titels voor herziening vatbaar werden verklaard. Met ons voorstel vragen we overigens niet de herziening van een of meerdere titels. Ons voorstel luidt: ‘De Kamers verklaren dat er redenen zijn tot herziening van artikel 1 van de Grondwet, van artikel 2 van de Grondwet, van artikel 3 van de Grondwet tot en met van artikel 198 van de Grondwet’. We vragen dus een herziening punt per punt en niet van welke titel dan ook.

Anderzijds weet de heer Delpérée dat de motivatie van een voorstel tot voor herziening vatbaarverklaring de volgende grondwetgevende kamers niet bindt wat de wijziging zelf betreft. Dat is overigens ook aan bod gekomen in de commissie voor de Institutionele Hervormingen. Anders gezegd de motivatie van de huidige Senaat om bijvoorbeeld artikel 23 voor herziening vatbaar te verklaren, bindt geenszins de volgende Senaat als hij dat artikel zou willen wijzigen.

De vergelijking die de heer Delpérée maakte met een auto die voor herstel van een paar zaken naar de garage wordt gebracht, is interessant, maar gaat niet op als het om een ‘perte totale’ gaat. Die auto kan niet meer worden hersteld door hier een daar een onderdeel te vervangen.

De heer Delpérée vergist zich duidelijk. Geen enkele grondwettelijke bepaling verhindert Kamer en Senaat alle grondwetsartikelen voor herziening vatbaar te verklaren. Onze motivatie voor een totale herziening, waar de heer Delpérée ook naar verwijst, speelt in deze overigens geen rol, hoe duidelijk ze ook mag zijn. Wij willen België inderdaad ontmantelen. Wij willen inderdaad dat België verdwijnt. Wij hebben geen verborgen agenda. Dat mag echter geen reden zijn om ons het recht te ontzeggen alle grondwetsartikelen voor herziening vatbaar te verklaren. Als ik de redenering van de heer Delpérée zou doortrekken dan moet hij de Belgische Staat ongrondwettelijk verklaren, want die is tot stand gekomen buiten het grondwettelijke kader dat destijds gold voor het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Of legitimeert de heer Delpérée het separatisme van toen?

Dit is een redenering een grondwetsspecialist onwaardig. Daartegenover zijn wij brave jongens want wij willen binnen het grondwettelijke kader werken. De heer Delpérée, die zich Belg en zelfs Belgicist noemt – en dat is zijn goed democratisch recht –, vergeet blijkbaar dat België tot stand is gekomen door de destijds vigerende grondwet te overtreden.

Het pleidooi van de grondwetsspecialist Delpérée tegen de inoverwegingneming van ons voorstel maakt het alleszins duidelijk dat de schrik er aan Franstalige kant goed in zit. Ons democratisch recht om ons voorstel tot voor herziening vatbaarverklaring in overweging te laten nemen, kan hij ons echter niet ontnemen zodat op zijn minst in het parlement het democratische debat over ons voorstel kan worden gevoerd.

M. Francis Delpérée (CDH). – La démocratie, c’est d’abord le respect de la Constitution !

De heer Francis Delpérée (CDH). – Democratie betekent vóór alles de Grondwet respecteren!

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Certains juristes, dont les professeurs Rimanque et Delpérée, estiment que l’article 195 de la Constitution interdit une révision générale de la Constitution et que certains articles seulement ou des éléments de ces articles peuvent être soumis à révision. L’article 195 dispose que : « Le pouvoir législatif fédéral a le droit de déclarer qu’il y a lieu à la révision de telle disposition constitutionnelle qu’il désigne ». Selon ces juristes, en vertu de cette disposition, un titre général et un chapitre entier ou la totalité d’une section ne pourraient pas davantage être soumis à révision, sauf lorsqu’il s’agit d’ajouter de nouveaux titres, chapitres ou sections.

Selon une autre doctrine, le texte entier de la Constitution peut être soumis à révision si on reprend chaque disposition de la Constitution dans la déclaration de révision.

Comme par le passé, nous pensons que, lors du vote sur la recevabilité, nous ne nous prononçons pas sur le bien-fondé d’une position. En principe nous estimons que, sauf circonstances exceptionnelles, les propositions des sénateurs doivent être déclarées recevables et que la recevabilité ne doit pas être confondue avec le débat de fond. Nous avons également tenu ce raisonnement pour diverses propositions sur l’amnistie ou pour des mesures comparables qui n’ont à tort pas été prises en considération. Enfin, nous estimons que la liberté d’opinion a un caractère absolu au parlement et qu’il est indigne pour une démocratie parlementaire de refuser a priori le débat avec la partie adverse. Par conséquent, notre groupe se prononcera en faveur de la recevabilité.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Sommige juristen, onder meer professor Rimanque en professor Delpérée, menen dat volgens artikel 195 van de Grondwet een algemene herziening van de Grondwet niet toegelaten is en dat alleen bepaalde artikelen of onderdelen ervan voor herziening vatbaar kunnen worden gesteld. Artikel 195 stipuleert: ‘De federale wetgevende macht heeft het recht te verklaren dat er redenen zijn tot herziening van zondanige grondwettelijke bepaling als zij aanwijst.’ Een titel in het algemeen en een heel hoofdstuk of hele afdeling zouden krachtens die bepaling volgens die juristen ook niet voor herziening vatbaar kunnen worden gesteld, tenzij met het oog op het toevoegen van nieuwe titels, hoofdstukken of afdelingen.

Een andere rechtsleer doet die interpretatie als formeel af en oordeelt dat de hele tekst van de Grondwet voor herziening vatbaar kan wordt verklaard door elke bepaling van de Grondwet in de herzieningsverklaring op te nemen.

Zoals in het verleden vinden wij dat bij de stemming over de ontvankelijkheid niet over de gegrondheid van een standpunt wordt gestemd. In beginsel vinden wij, tenzij uitzonderlijke omstandigheden, dat voorstellen van de senatoren ontvankelijk moeten worden verklaard en dat de ontvankelijkheid niet moet worden verward met het debat ten gronde. We hebben ook zo geredeneerd bij de diverse voorstellen over amnestie of vergelijkbare maatregelen die ten onrechte niet in overweging werden genomen. Ten slotte zijn wij van oordeel dat de vrijheid van mening in het Parlement een absoluut karakter heeft en dat het een parlementaire democratie onwaardig is a priori het debat met de tegenstrever te weigeren. Derhalve zal onze fractie voor de ontvankelijkheid stemmen.

M. Paul Wille (VLD). – Nous demandons une brève suspension.

De heer Paul Wille (VLD). – Wij vragen een korte schorsing.

Mme la présidente. – La séance est suspendue pendant cinq minutes.

De voorzitter. – De vergadering wordt 5 minuten geschorst.

(La séance, suspendue à 17 h 20, est reprise à 17 h 25.)

(De vergadering wordt geschorst om 17.20 uur. Ze wordt hervat om 17.25 uur.)

Mme la présidente. – Nous votons à présent sur la prise en considération de la proposition de déclaration de révision de la Constitution (de M. Joris Van Hauthem et consorts ; Doc. 3-2105).

De voorzitter. – We stemmen nu over de inoverwegingneming van het voorstel van verklaring tot herziening van de Grondwet (van de heer Joris Van Hauthem c.s.; Stuk 3-2105).

Vote nº 5

Stemming 5

Présents : 55
Pour : 16
Contre : 38
Abstentions : 1

Aanwezig: 55
Voor: 16
Tegen: 38
Onthoudingen: 1

La proposition n’est pas prise en considération.

Het voorstel is niet in overweging genomen.

M. Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – J’ai attendu le vote et je me suis abstenu, non pas parce que je m’opposerais à ma propre proposition de révision de la Constitution, au contraire.

Je constate que le VLD capitule et que le SP.A capitule. Je ne les ai pas entendus contredire les arguments futiles de M. Delpérée. Puisque c’est ainsi, Madame le président, je vous garantis que demain matin vous trouverez sur votre bureau 198 propositions de révision de la Constitution.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – Ik heb de stemming afgewacht en ik heb mij onthouden, niet omdat ik tegen mijn eigen voorstel tot herziening van de Grondwet zou zijn, integendeel.

Ik stel vast dat de VLD is gezwicht en dat de SP.A is gezwicht. Ik heb hen niets horen inbrengen tegen de futiele argumenten van de heer Delpérée. Als het daarop aankomt, mevrouw de voorzitter, dan garandeer ik u dat u morgen 198 voorstellen tot herziening van de Grondwet op uw bureau zult vinden.

M. Jean-Marie Dedecker (Indépendant). – Ce qui se passe ici est une honte pour la démocratie. En tant que parlementaire, je suis honteux qu’on n’ose même pas prendre en considération des propositions de loi déposées par des élus du peuple, quels qu’ils soient.

Ce parti flamand qui porte en son nom le mot « liberté », libertas, ferait mieux de l’en supprimer.

De heer Jean-Marie Dedecker (Onafhankelijke). – Ik vind wat hier gebeurt een aanfluiting van de democratie. Als parlementslid ben ik beschaamd dat men wetsvoorstellen van verkozenen des volks, wie ze ook mogen zijn, zelfs niet in overweging durft te nemen.

Die Vlaamse partij die het woord vrijheid, libertas, in haar naam draagt, zou dat woord er beter uit schrappen.

(Exclamations)

(Uitroepen)

Mme la présidente. – La décision a été prise au terme d’un vote démocratique.

De voorzitter. – De beslissing is genomen na een democratische stemming.

Projet de loi portant assentiment à l’Accord de Stabilisation et d’Association entre les Communautés européennes et leurs États membres, d’une part, et la République d’Albanie, d’autre part, et à l’Acte final, faits à Luxembourg le 12 juin 2006 (Doc. 3-2026)

Wetsontwerp houdende instemming met de Stabilisatie- en Associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lidstaten, enerzijds, en de Republiek Albanië, anderzijds, en met de Slotakte, gedaan te Luxemburg op 12 juni 2006 (Stuk 3-2026)

Vote nº 6

Stemming 6

Présents : 57
Pour : 47
Contre : 0
Abstentions : 10

Aanwezig: 57
Voor: 47
Tegen: 0
Onthoudingen: 10

Le projet de loi est adopté.

Il sera transmis à la Chambre des représentants.

Het wetsontwerp is aangenomen.

Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Projet de loi portant assentiment au Protocole portant amendement à la Convention européenne pour la répression du terrorisme, fait à Strasbourg le 15 mai 2003 (Doc. 3-2033)

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol tot wijziging van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme, gedaan te Straatsburg op 15 mei 2003 (Stuk 3-2033)

Vote nº 7

Stemming 7

Présents : 57
Pour : 56
Contre : 1
Abstentions : 0

Aanwezig: 57
Voor: 56
Tegen: 1
Onthoudingen: 0

Le projet de loi est adopté.

Il sera transmis à la Chambre des représentants.

Het wetsontwerp is aangenomen.

Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Projet de loi portant assentiment aux Actes internationaux suivants :
1º Accord modifiant l’Accord de partenariat entre les membres du Groupe des États d’Afrique, des Caraïbes et du Pacifique, d’une part, et la Communauté européenne et ses États membres, d’autre part, signé à Cotonou le 23 juin 2000, et à l’Acte final, faits à Luxembourg le 25 juin 2005 ;
2º Accord interne entre les représentants des gouvernements des États membres, réunis au sein du Conseil, modifiant l’Accord interne du 18 septembre 2000 relatif aux mesures à prendre et aux procédures à suivre pour la mise en œuvre de l’Accord de partenariat ACP-CE, fait à Luxembourg le 10 avril 2006 ;
3º Accord interne entre les représentants des gouvernements des États membres, réunis au sein du Conseil, relatif au financement des aides de la Communauté au titre du cadre financier pluriannuel pour la période 2008–2013 conformément à l’Accord de partenariat ACP-CE et à l’affectation des aides financières destinées aux pays et territoires d’outre-mer auxquels s’appliquent les dispositions de la quatrième partie du Traité CE, fait à Bruxelles le 17 juillet 2006. (Doc. 3-2034)

Wetsontwerp houdende instemming met volgende Internationale Akten:
1º Overeenkomst tot wijziging van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de Groep van Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000, en met de Slotakte, gedaan te Luxemburg op 25 juni 2005;
2º Intern Akkoord tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de Lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, houdende wijziging van het Intern Akkoord van 18 september 2000 inzake maatregelen en procedures voor de uitvoering van de ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst, gedaan te Luxemburg op 10 april 2006;
3º Intern Akkoord tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de Lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Gemeenschap binnen het meerjarig financieel kader voor 2008–2013 voor de ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het EG-Verdrag van toepassing zijn, gedaan te Brussel op 17 juli 2006. (Stuk 3-2034)

Vote nº 8

Stemming 8

Présents : 59
Pour : 59
Contre : 0
Abstentions : 0

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Le projet de loi est adopté.

Il sera transmis à la Chambre des représentants.

Het wetsontwerp is aangenomen.

Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Projet de loi portant assentiment aux Actes internationaux suivants :
1º le Septième Protocole additionnel à la Constitution de l’Union postale universelle ;
2º le Règlement général de l’Union postale universelle ;
3º la Convention postale universelle et le Protocole final, et
4º l’Arrangement concernant les services de paiement de la poste,
faits à Bucarest le 5 octobre 2004 (Doc. 3-2078)

Wetsontwerp houdende instemming met de volgende Internationale Akten:
1º het Zevende Protocol ter aanvulling van de Stichtingsakte van de Wereldpostvereniging;
2º het Algemeen Reglement van de Wereldpostvereniging;
3º de Wereldpostconventie en het Slotprotocol, en
4º de Overeenkomst betreffende de uitbetalingsdiensten van de post,
gedaan te Boekarest op 5 oktober 2004 (Stuk 3-2078)

(Le vote nº 9 a été annulé.)

(Stemming 9 werd geannuleerd.)

Vote nº 10

Stemming 10

Présents : 59
Pour : 49
Contre : 0
Abstentions : 10

Aanwezig: 59
Voor: 49
Tegen: 0
Onthoudingen: 10

Le projet de loi est adopté.

Il sera transmis à la Chambre des représentants.

Het wetsontwerp is aangenomen.

Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Projet de loi modifiant diverses dispositions relatives à l’absence et à la déclaration judiciaire de décès (Doc. 3-1792) (Procédure d’évocation)

Wetsontwerp tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de afwezigheid en de gerechtelijke verklaring van overlijden (Stuk 3-1792) (Evocatieprocedure)

Vote nº 11

Stemming 11

Présents : 59
Pour : 59
Contre : 0
Abstentions : 0

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Le projet de loi est adopté.

Il a été amendé et sera transmis à la Chambre des représentants.

Het wetsontwerp is aangenomen.

Het werd geamendeerd en zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Projet de loi modifiant certaines dispositions du Code judiciaire relatives à l’absence et à la déclaration judiciaire de décès (Doc. 3-1793)

Wetsontwerp tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de afwezigheid en de gerechtelijke verklaring van overlijden (Stuk 3-1793)

Vote nº 12

Stemming 12

Présents : 58
Pour : 58
Contre : 0
Abstentions : 0

Aanwezig: 58
Voor: 58
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Le projet de loi est adopté.

Il a été amendé et sera transmis à la Chambre des représentants.

Het wetsontwerp is aangenomen.

Het werd geamendeerd en zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Ordre des travaux

Regeling van de werkzaamheden

Mme la présidente. – Le Bureau propose l’ordre du jour suivant pour la semaine prochaine :

De voorzitter. – Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Jeudi 15 mars 2007

Donderdag 15 maart 2007

le matin à 10 heures 30

s ochtends om 10.30 uur

Procédure d’évocation
Projet de loi relatif aux offres publiques d’acquisition ; Doc. 3-2071/1 et 2.

Evocatieprocedure
Wetsontwerp op de openbare overnamebiedingen; Stuk 3-2071/1 en 2.

Projet de loi modifiant l’article 220 de la loi du 4 décembre 1990 relative aux opérations financières et aux marchés financiers, l’article 121, §1er, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, ainsi que l’article 584 du Code judiciaire, et insérant l’article 41 dans la loi du … relative aux offres publiques d’acquisition ; Doc. 3-2072/1 et 2.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 220 van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten, van artikel 121, §1, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en van artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek en tot invoeging van artikel 41 in de wet van … op openbare overnamebiedingen; Stuk 3-2072/1 en 2.

Procédure d’évocation
Projet de loi modifiant, en ce qui concerne le droit successoral à l’égard du cohabitant légal survivant, le Code civil et la loi du 29 août 1988 relative au régime successoral des exploitations agricoles en vue d’en promouvoir la continuité ; Doc. 3-2015/1 à 3.

Evocatieprocedure
Wetsontwerp tot wijziging, wat de regeling van het erfrecht van de langstlevende wettelijk samenwonende betreft, van het Burgerlijk Wetboek en van de wet van 29 augustus 1988 op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit; Stuk 3-2015/1 tot 3.

Projet de loi relative à la mise à la disposition du tribunal de l’application des peines ; Doc. 3-2054/1 à 4. (Pour mémoire)

Wetsontwerp betreffende de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank; Stuk 3-2054/1 tot 4. (Pro memorie)

Art. 81, alinéa 3, et art. 78, alinéa premier, de la Constitution
Projet de loi modifiant l’article 40 des lois sur l’emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966 ; Doc. 3-1495/8 et 9.

Art. 81, derde lid, en art. 78, eerste lid, van de Grondwet
Wetsontwerp tot wijziging van artikel 40 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966; Stuk 3-1495/8 en 9.

Projet de loi réglant la publication en langue allemande des lois et arrêtés royaux et ministériels d’origine fédérale et modifiant la loi du 31 mai 1961 relative à l’emploi des langues en matière législative, à la présentation, à la publication et à l’entrée en vigueur des textes légaux et réglementaires, les lois sur l’emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966, ainsi que la loi du 31 décembre 1983 de réformes institutionnelles pour la Communauté germanophone ; Doc. 3-1496/7 et 8.

Wetsontwerp tot regeling van de bekendmaking in het Duits van de wetten en de koninklijke en ministeriële besluiten afkomstig van de federale overheid en tot wijziging van de wet van 31 maart 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, alsook van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap; Stuk 3-1496/7 en 8.

Proposition de loi modifiant les lois coordonnées sur le Conseil d’État, en vue d’accorder aux associations le droit d’introduire une action d’intérêt collectif (de Mme Fauzaya Talhaoui et consorts) ; Doc. 3-1953/1 à 6.

Wetsvoorstel tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, teneinde verenigingen een vorderingsrecht toe te kennen ter verdediging van collectieve belangen (van mevrouw Fauzaya Talhaoui c.s.); Stuk 3-1953/1 tot 6.

l’après-midi à 15 heures

s namiddags om 15 uur

Prise en considération de propositions.

Inoverwegingneming van voorstellen.

Débat d’actualité et questions orales.

Actualiteitendebat en mondelinge vragen.

Projet de loi modifiant les lois coordonnées du 12 janvier 1973 sur le Conseil d’État ; Doc. 3-2070/1 et 2.

Wetsontwerp tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State; Stuk 3-2070/1 en 2.

Art. 81, alinéa 3, et art. 78, alinéa premier, de la Constitution
Projet de loi désignant les représentants des infirmiers à domicile à la commission de conventions infirmiers-organismes assureurs (de Mme Annemie Van de Casteele et consorts) ; Doc. 3-336/7 et 8.

Art. 81, derde lid, en art. 78, eerste lid, van de Grondwet
Wetsontwerp tot aanwijzing van de vertegenwoordigers van de thuisverpleegkundigen in de overeenkomstencommissie verpleegkundigen-verzekeringsinstellingen (van mevrouw Annemie Van de Casteele c.s.); Stuk 3-336/7 en 8.

À partir de 17 heures : Votes nominatifs sur l’ensemble des points à l’ordre du jour dont la discussion est terminée.

Vanaf 17 uur: Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

Demandes d’explications :

Vragen om uitleg:

de M. Christian Brotcorne au vice-premier ministre et ministre des Finances sur « les négociations en vue d’une révision de la convention franco-belge préventive de double imposition » (nº 3-2187) ;

van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over “de onderhandelingen in het kader van de herziening van de Belgisch-Franse overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting” (nr. 3-2187);

de M. Christian Brotcorne au vice-premier ministre et ministre des Finances sur « l’instauration d’un incitant fiscal en vue de favoriser le mécénat d’entreprise » (nº 3-2188) ;

van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over “de invoering van een fiscale incentive ter bevordering van het bedrijfsmecenaat” (nr. 3-2188);

de Mme Jacinta De Roeck à la vice-première ministre et ministre du Budget et de la Protection de la consommation sur « le champ d’application de la réglementation élaborée pour les travailleurs qui dénoncent des irrégularités » (nº 3-2184) ;

van mevrouw Jacinta De Roeck aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken over “het toepassingsgebied van de regeling voor klokkenluiders” (nr. 3-2184);

de Mme Jacinta De Roeck à la vice-première ministre et ministre du Budget et de la Protection de la consommation sur « la vente couplée dans le secteur des télécommunications » (nº 3-2185) ;

van mevrouw Jacinta De Roeck aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken over “koppelverkoop in de telecommunicatiesector” (nr. 3-2185);

de M. Christian Brotcorne au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur « l’octroi du statut de protection temporaire aux victimes de la guerre civile en Irak » (nº 3-2192) ;

van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over “het verlenen van tijdelijke bescherming aan de slachtoffers van de burgeroorlog in Irak” (nr. 3-2192);

de Mme Jacinta De Roeck au ministre des Affaires étrangères sur « la proposition d’autonomie du Sahara occidental » (nº 3-2189) ;

van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Buitenlandse Zaken over “het voorstel tot autonomie van de Westelijke Sahara” (nr. 3-2189);

de Mme Margriet Hermans au ministre des Affaires étrangères sur « la Convention du Conseil de l’Europe sur la lutte contre la traite des êtres humains » (nº 3-2190) ;

van mevrouw Margriet Hermans aan de minister van Buitenlandse Zaken over “het Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel” (nr. 3-2190);

de Mme Annemie Van de Casteele au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « le travail de bénévolat effectué par des indépendants en incapacité de travail » (nº 3-2194) ;

van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “vrijwilligerswerk door arbeidsongeschikte zelfstandigen” (nr. 3-2194);

de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « les grandes quantités de benzène dans les boissons rafraîchissantes » (nº 3-2195) ;

van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “de grote hoeveelheden benzeen in frisdranken” (nr. 3-2195);

de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « les conditions de travail des médecins généralistes en formation » (nº 3-2196) ;

van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “arbeidsvoorwaarden van de huisartsen in opleiding” (nr. 3-2196);

de Mme Jacinta De Roeck au ministre de la Coopération au Développement sur « le fonds des garanties » (nº 3-2170) ;

van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over “het garantiefonds” (nr. 3-2170);

de Mme Christel Geerts au ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances et au ministre de l’Emploi sur « la politique relative aux holebis » (nº 3-2186) ;

van mevrouw Christel Geerts aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen en aan de minister van Werk over “het holebibeleid” (nr. 3-2186);

de M. Berni Collas au ministre de la Mobilité sur « la réforme de la formation à la conduite pour le permis de conduire de la catégorie G » (nº 3-2191).

van de heer Berni Collas aan de minister van Mobiliteit over “de hervorming van de rijopleiding voor het rijbewijs categorie G” (nr. 3-2191).

Le Sénat est d’accord sur cet ordre des travaux.

De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Demande d’explications de M. Luc Willems à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur «les crimes d’honneur» (nº 3-2171)

Vraag om uitleg van de heer Luc Willems aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de eer- en bloedwraak» (nr. 3-2171)

Mme la présidente. – M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre, répondra.

De voorzitter. – De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

M. Luc Willems (VLD). – Comme indiqué dans une précédente demande d’explications (nº 3-1077), le problème des crimes d’honneur se pose également en Belgique. Il ne s’agit pas seulement de la défense de l’honneur sexuel mais souvent aussi de conflits relatifs aux affaires et d’insultes. Des hommes en sont souvent les victimes et l’issue est parfois fatale.

Aux Pays-Bas, on enseigne aux agents la manière dont ils peuvent signaler les crimes d’honneur. Ce phénomène ayant été repris comme module obligatoire dans la formation de base des policiers, les agents sur le terrain sont sensibles à cette problématique.

Au début de 2006, la ministre de la Justice a rédigé une circulaire et l’a adressée aux parquets. La ministre y demandait aux procureurs généraux d’élaborer un plan d’action contre la violence intrafamiliale. Elle estimait que les parquets devaient également être attentifs aux constats de crimes d’honneur. Après une enquête, les parquets peuvent qualifier certains faits de crime d’honneur.

Les parquets sont-ils aujourd’hui attentifs aux constats de crimes d’honneur, surtout dans les cas de violence intrafamiliale ?

Existe-t-il, pour les crimes d’honneur, un code spécial permettant d’introduire de tels dossiers dans les bases de données des parquets ? Dans l’affirmative, la ministre dispose-t-elle de chiffres fiables relatifs au nombre de crimes d’honneur en Belgique en 2006 ?

Où en est le plan d’action contre la violence intrafamiliale que la ministre demandait d’élaborer au début de 2006 ?

Le phénomène des crimes d’honneur constitue-t-il un module obligatoire de la formation de base des policiers ? Si ce n’est pas le cas, quelles sont les mesures nécessaires pour le permettre ? Dans quel délai ce module obligatoire peut-il être instauré ?

De heer Luc Willems (VLD). – Zoals aangehaald in een eerdere vraag om uitleg (nr. 3-1077), bestaat ook in België het probleem van de eer- en bloedwraak. Het gaat niet alleen om de verdediging van seksuele eer, maar vaak ook om zakelijke conflicten en uitgesproken beledigingen. Ook mannen zijn vaak het slachtoffer, soms met dodelijke afloop.

In Nederland wordt aan agenten onderwezen hoe zij eerwraak eerder kunnen signaleren. Door het verschijnsel eerwraak als verplichte module in de basisopleiding van politiemensen op te nemen, worden de mensen op het terrein gevoelig voor deze problematiek.

De minister van Justitie schreef begin 2006 een rondzendbrief aan de parketten waarin zij de procureurs-generaal vroeg een actieplan tegen huiselijk geweld uit te werken. Zij vond dat de parketten ook aandacht moesten besteden aan de vaststellingen van eerwraak. Na een onderzoek kunnen de parketten bepaalde feiten dan als eerwraak kwalificeren.

Hebben de parketten nu aandacht voor de vaststellingen van eerwraak, net als bij huiselijk geweld?

Bestaat er inzake eer- en bloedwraak een speciale code om dergelijke dossiers in de databanken van de parketten in te voeren? Zo ja, beschikt de minister over betrouwbare cijfers over het aantal gevallen van eerwraak in België voor het jaar 2006?

Hoe ver staat het met het actieplan tegen huiselijk geweld dat de minister begin 2006 vroeg uit te werken?

Is het fenomeen van de eerwraak een verplichte module in de basisopleiding van politiemensen? Indien dat niet het geval is, welke maatregelen zijn nodig om dat mogelijk te maken en op welke termijn kan dat als een verplichte module worden ingevoerd?

M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre. – Je vous lis la réponse de la ministre de la Justice.

Je tiens à vous confirmer que les constats de crimes d’honneur dans le cadre de la politique criminelle relative à la violence intrafamiliale et conjugale concernent effectivement les parquets.

En outre, grâce à l’encodage informatisé uniforme du phénomène de la violence intrafamiliale, des statistiques fiables seront disponibles. Il n’existe toutefois pas d’encodage spécifique pour les crimes d’honneur. Selon des informations de la police fédérale, il y aurait eu, ces six dernières années, quelques crimes d’honneur.

La concrétisation du plan d’action s’est traduite par des directives communes de la ministre de la justice et du collège des procureurs généraux (COL 3/2006 sur la définition de la violence intrafamiliale et 4/2006 sur la politique criminelle en matière de violence intrafamiliale). Des magistrats de référence ont été désignés dans tous les parquets et des plans d’action ont été développés en vue de lutter contre la violence intrafamiliale dans chaque arrondissement.

Aujourd’hui, une évaluation de cette circulaire est effectuée par le service de politique criminelle. Il ressort d’une première analyse que la politique proposée est bel et bien appliquée sur le terrain. Après analyse complète, le service de politique criminelle rédigera un rapport présentant les meilleures pratiques pour qu’il soit diffusé dans tous les arrondissements.

Le phénomène des crimes d’honneur n’est pas un module obligatoire dans la formation de base des agents de police. Toutefois, ils reçoivent, dans le cadre de l’apprentissage des techniques policières, des informations sur les différences culturelles. Cette problématique vient plus tard dans la formation de base, notamment quand on parle des infractions contre les personnes et dans le cadre de la violence intrafamiliale, qui est explicitement comprise comme sujet dans la formation de base.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik lees het antwoord van de minister van Justitie.

Ik bevestig dat het parket inderdaad aandacht heeft voor vaststellingen van eerwraak in het kader van het strafrechtelijk beleid inzake huiselijk geweld en partnergeweld.

Bovendien zullen er dankzij de eenvormige geïnformatiseerde codering van het fenomeen huiselijk geweld betrouwbare statistieken bestaan. Er bestaat geen specifieke codering voor bloed- en eerwraak. Volgens de federale politie zouden de voorbije zes jaar een paar eremoorden zijn gepleegd.

Op basis van de gemeenschappelijke richtlijnen van de minister van Justitie en het college van procureurs-generaal (COL 3/2006 over de definitie van intrafamiliaal geweld en 4/2006 over het strafrechtelijk beleid in verband met intrafamiliaal geweld) kreeg het actieplan vorm. In alle parketten werden referentiemagistraten aangesteld en actieplannen uitgewerkt met het oog op de bestrijding van het huiselijk geweld in ieder arrondissement.

Momenteel wordt de rondzendbrief geëvalueerd door de dienst Strafrechtelijk Beleid. Uit een eerste analyse blijkt dat het voorgestelde beleid inderdaad op het terrein wordt toegepast. De dienst Strafrechtelijk Beleid zal na de volledige analyse de best practices opstellen zodat deze kunnen worden verspreid in alle arrondissementen.

Het fenomeen van de eerwraak is geen verplichte module in de basisopleiding van politiemensen. In de opleiding politietechnieken krijgen ze echter wel informatie over cultuurverschillen. Deze problematiek komt voorts aan bod in de basisopleiding, met name waar het gaat om misdrijven tegen personen en in het kader van het thema huiselijk geweld, dat wel expliciet in de basisopleiding is vervat.

Demande d’explications de Mme Clotilde Nyssens à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «le projet Phénix» (nº 3-2179)

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «het Phenixproject» (nr. 3-2179)

Mme la présidente. – M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre, répondra.

De voorzitter. – De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

Mme Clotilde Nyssens (CDH). – Je me réjouis d’avoir introduit cette demande d’explications il y a huit jours puisque ce matin la ministre a fait des déclarations à propos du projet Phénix dans la presse. Il était donc temps d’interroger la ministre.

Lors du super-conseil des ministres des 30 et 31 mars 2004, le premier ministre avait déclaré qu’avant la fin de la législature, le projet Phénix devait garantir une informatisation complète de la Justice. En 2004 et 2005, tous les tribunaux de police et du travail seraient informatisés. Puis, ce serait le tour des autres tribunaux pour terminer en 2007, par la Cour de cassation et les tribunaux de commerce. Avant la fin de la législature, l’ensemble des cours et tribunaux seraient reliés entre eux par un intranet sécurisé et une plate-forme compatible avec tous les systèmes d’information. Des dossiers électroniques verraient le jour.

Il semble qu’en septembre 2005, le test du système au parquet de police de Turnhout, qui devait être opérationnel en 2004, s’est soldé par un échec.

Le fournisseur, Unisys, n’aurait pas respecté les dispositions contractuelles et le plan d’exécution n’aurait pas été suivi. Aujourd’hui il semble que les problèmes restent entiers. Le système ne peut être testé.

Cela a notamment eu des conséquences pour les justices de paix, qui ont été contraintes d’acheter de coûteuses machines de seconde main.

Mes questions à Mme la ministre sont les suivantes. Combien le projet Phénix a-t-il coûté jusqu’à présent ? Quels sont les engagements financiers ? Où en est la situation avec le fournisseur du système ? Est-il vrai que la situation est bloquée ? Le gouvernement est-il condamné – comme on le laisse souvent entendre – à continuer à travailler avec le même fournisseur de services sous peine de payer de considérables indemnités de dédit ? Comment la ministre envisage-t-elle de débloquer la situation ?

J’ai appris ce matin qu’un conseil des ministres restreint a confirmé la rupture du contrat avec la firme Unisys vu le retard accumulé par cette firme et le manque manifeste de qualité des prestations fournies. La ministre a ajouté qu’elle a reçu le soutien de l’Ordre judiciaire et de l’administration Fedict chargée de l’informatisation des services de l’État, ainsi que l’accord de l’inspection des Finances.

Pour sa part, Unisys évoque des manquements graves du département de la Justice qui serait dans l’incapacité de déployer le cadre indispensable à la réussite du projet et déplore que ses nombreuses propositions constructives soient restées sans suite.

Selon le communiqué de la ministre de ce matin, le gouvernement prendra toutes les mesures utiles afin d’obtenir le dédommagement de l’important préjudice subi par l’État. Peut-on déjà estimer ce préjudice lié à un marché qui semble atteindre 22 millions d’euros ? Cependant Unisys a décidé aussi de demander des dommages en justice à cause du choix de la ministre et de la communication qu’elle a faite sur le sujet. Les suites de cette affaire sont donc incertaines et ne connaîtront pas de sitôt un aboutissement en justice.

Déjà en 2003, le gouvernement parlait de dénoncer ce contrat. Pourquoi un tel retard dans la prise de décision si les manquements évoqués étaient déjà connus et avérés ? Quels efforts ont-ils été entrepris par la ministre dès le début pour que ce projet aboutisse ? Qu’en est-il désormais de l’informatisation de la Justice ? Il semble que ce projet soit remis à 2008, c’est-à-dire durant la prochaine législature. La ministre a parlé dans la presse de créer un groupe d’experts pour débroussailler le terrain et proposer un nouveau calendrier des travaux. La ministre peut-elle nous donner de plus amples informations à ce sujet ?

Voilà les questions que j’aurais voulu poser à Mme Onkelinx. C’eût été plus facile si elle avait été présente plutôt que de demander des explications complètes au secrétaire d’État.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). – Ik ben blij dat ik deze vraag om uitleg een week geleden heb ingediend, want vanochtend heeft de minister in de pers verklaringen afgelegd over het Phenixproject. Het was dus tijd om daarover een vraag te stellen.

Op de superministerraad van 30 en 31 maart 2004 verklaarde de eerste minister dat vóór het einde van de regeerperiode het Phenixproject moest zorgen voor een volledige informatisering van Justitie. In 2004 en 2005 zouden alle politie- en arbeidsrechtbanken geautomatiseerd worden. Daarna zouden de andere rechtbanken volgen en in 2007 zou het project worden afgerond met het Hof van Cassatie en de rechtbanken van koophandel. Vóór het einde van de regeerperiode zouden de hoven en rechtbanken met elkaar verbonden zijn via een beveiligd intranet en een programma dat compatibel is met alle informaticasystemen. Er zouden elektronische dossiers worden aangemaakt.

In september 2005 is de test van het systeem bij het politieparket van Turnhout, dat in 2004 operationeel moest zijn, op een mislukking uitgelopen.

De leverancier, Unisys, zou de contractuele bepalingen niet zijn nagekomen en het uitvoeringsplan niet hebben gevolgd. Nu blijkt dat de problemen blijven bestaan. Het systeem kan niet worden getest.

Dat had vooral gevolgen voor de vredegerechten, die dure tweedehands toestellen moesten kopen.

Hoeveel heeft het Phenixproject al gekost? Wat zijn de financiële verbintenissen? Wat is de relatie met de leverancier van het systeem? Is de situatie echt geblokkeerd? Is de regering gedoemd voort te werken met dezelfde leverancier omdat ze anders belangrijke afkoopsommen moet betalen? Hoe denkt de minister de situatie te deblokkeren?

Ik heb vanochtend vernomen dat een beperkte ministerraad de verbreking van het contract met Unisys heeft bevestigd, gelet op de vertraging die deze firma heeft opgelopen en op het duidelijk kwaliteitsgebrek van de geleverde diensten. De minister zei ook dat ze de steun heeft gekregen van de Rechterlijke Orde en van Fedict, de administratie die belast is met de informatisering van de Staatsdiensten, alsook het akkoord van de Inspectie van Financiën.

Unisys wijst op ernstige tekortkomingen van het departement Justitie, dat niet in staat zou zijn voor de nodige begeleiding te zorgen om het project te doen slagen en betreurt dat tal van constructieve voorstellen zonder gevolg zijn gebleven.

Volgens de mededeling van de minister van vanochtend zal de regering alle nodige maatregelen nemen om een vergoeding te krijgen voor de aanzienlijke schade die de Staat heeft geleden. Kan deze schade die betrekking heeft op een opdracht die blijkbaar 22 miljoen euro kost, al worden geraamd? Unisys heeft ook aangekondigd voor het gerecht een schadevergoeding te vragen als gevolg van de beslissing van de minister en haar mededeling over deze aangelegenheid. De afloop van deze zaak is dus onzeker.

In 2003 zei de regering al dat ze het contract zou opzeggen. Waarom is de beslissing zo laat genomen als de vermelde tekortkomingen al bekend en bewezen waren? Welke inspanningen heeft de minister vanaf de aanvang gedaan om het project te doen slagen? Hoe staat het nu met de informatisering van Justitie? Ik heb de indruk dat het project werd uitgesteld tot 2008, dus tot de volgende regeerperiode. De minister zei in de pers dat een team van experts zou worden samengesteld om het terrein te effenen en een nieuw werkschema voor te stellen. Kan de minister ons daarover meer informatie geven?

Die vragen wou ik mevrouw Onkelinx stellen. Het zou veel eenvoudiger geweest zijn indien ze aanwezig was, want nu zal de staatssecretaris antwoorden.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Depuis 2001, le CD&V a exprimé à plusieurs reprises en commission de la Justice son inquiétude au sujet du projet Phénix. Les mesures de simplification de l’informatique au sein de la Justice ont manifestement un effet inverse. Pourquoi ce projet « grandiose » ne parvient-il pas à démarrer ?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – CD&V heeft sinds 2001 in de commissie voor de Justitie meermaals zijn bezorgdheid over het Phenixproject geuit. Blijkbaar hebben de maatregelen om de informatica binnen Justitie te vereenvoudigen een omgekeerd effect. Kafka neemt enkel maar toe. Waarom raakt dit ‘grootse’ project niet van grond?

M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre. – Je vous lis la réponse de Mme Onkelinx.

Comme vous l’avez sans doute appris, j’ai rompu hier, avec l’accord du gouvernement, le contrat conclu avec la société Unisys, laquelle était chargée de développer l’application informatique Phénix.

Cette décision était inévitable vu les retards accumulés par la firme et le manque manifeste de qualité des prestations fournies. J’ai reçu le soutien de l’Ordre judiciaire et de Fedict. L’inspection des Finances a également marqué son accord sur cette décision.

Pour rappel, les principes du projet Phénix avaient été adoptés en 2000. Ce projet visait à uniformiser les outils informatiques mis à la disposition de l’Ordre judiciaire, à instaurer le dossier judiciaire électronique, à accélérer et à simplifier ainsi le travail du personnel judiciaire, et également à faciliter les échanges entre l’Ordre judiciaire et les auxiliaires de la Justice – les avocats, huissiers, notaires, experts judiciaires – de même qu’avec le justiciable.

En décembre 2001, le gouvernement a accordé le marché Phénix à la firme Unisys suite à un appel d’offres général.

Après une première phase d’analyse fonctionnelle, Unisys a entamé la phase clé « développement » au milieu de l’année 2003.

Tout au long des quatre années écoulées, le projet a fait l’objet d’un suivi attentif, tant par Fedict que par un comité de pilotage composé du président de la Cour de cassation, du président du comité de direction du SPF Justice et du chef de cabinet de la ministre de la Justice.

Lors de la première concrétisation tangible de Phénix, c’est-à-dire le lancement d’un site pilote au parquet de police de Turnhout en avril 2005, des défauts de qualité importants sont apparus.

Ce premier échec à Turnhout a été pris très au sérieux par la firme Unisys elle-même : la maison mère américaine est intervenue et, en juin 2005, Unisys a présenté un plan de remédiation. Ce dernier a été validé par Fedict et a débouché sur la conclusion d’un avenant au contrat en octobre 2005, avec un planning adapté et des garanties supplémentaires pour l’État.

Les équipes Unisys ont été renforcées en conséquence et le travail s’est poursuivi, certes avec des retards mais ceux-ci n’ont pas été jugés anormaux, vu l’ampleur et la complexité du projet.

En outre, plus aucune facture n’a été payée par l’État depuis décembre 2004.

À l’automne 2006, la situation est redevenue préoccupante. Rien de ce qui devait être délivré ne l’était à temps et le seul délivrable disponible – application limitée au règlement collectif de dettes – était loin de répondre aux attentes des utilisateurs de l’Ordre judiciaire appelés à le tester. En outre, les équipes d’Unisys avaient été réduites.

Compte tenu de ces nouveaux signaux alarmants, Unisys a été formellement mise en demeure de respecter ses engagements contractuels, en ce compris le calendrier.

Des pourparlers ont eu lieu pour essayer de sortir de l’impasse, mais en vain.

Au terme d’une analyse méthodique, Fedict a en effet estimé que les réponses apportées par Unisys étaient très insuffisantes et que les chances de succès étaient très minces.

Cet avis était partagé par le pouvoir judiciaire.

La décision de mettre un terme au contrat m’est donc apparue comme étant la seule responsable pour préserver au mieux les intérêts de l’État.

Le projet d’informatisation de la Justice n’est pas pour autant abandonné. Le gouvernement réaffirme sa volonté d’aller de l’avant.

À court terme, il a été décidé de poursuivre, avec d’autres fournisseurs, la modernisation des applications informatiques existantes au sein des justices de paix, tribunaux et parquets de police, ainsi qu’en ce qui concerne le règlement collectif de dettes. Ces applications seront centralisées sur un serveur unique, et un module d’impression centralisée des plis judiciaires pour ces trois entités devrait être opérationnel dans les prochains mois.

Le prochain ministre de la Justice sera amené à prendre les décisions qui s’imposent pour relancer la procédure judiciaire électronique. Il devra pouvoir le faire en connaissance de cause. Pour l’aider dans cette tâche, un groupe d’experts composé d’informaticiens, de juristes et de représentants de l’Ordre judiciaire sera chargé de faire des propositions concrètes pour la mise en œuvre de la réorientation de ce projet.

Par ailleurs, le matériel informatique acquis dans le cadre du projet Phénix sera bien rentabilisé tant pour le portail de l’Ordre judiciaire que pour la modernisation et la centralisation des applications existantes.

Grâce au projet JustScan – scanning des dossiers judiciaires – qui vient d’être lancé et à la banque de jurisprudence en ligne – Juridat-bis – qui sera prochainement opérationnelle, des progrès importants ont été réalisés en matière d’informatisation de l’Ordre judiciaire.

Une somme de 8.967.087 euros a été payée à Unisys avant l’avenant d’octobre 2005, soit environ 6.700.000 euros au cours de la précédente législature et 2.260.000 euros au début de l’actuelle législature. Cette somme fera l’objet d’une demande de dommages et intérêts à charge d’Unisys par voie judiciaire si nécessaire.

Par ailleurs, une somme d’environ 11.000.000 d’euros doit être considérée comme ayant été consacrée à des investissements totalement ou en très grande partie récupérables. Il s’agit essentiellement de l’achat du hardware, en l’espèce les serveurs Bull – 10.945.923 euros – et du marché relatif à l’impression centralisée – 432.000 euros.

Le coût des mesures à prendre à très court terme pour assurer la pérennité de l’outil informatique des juridictions qui en ont le plus besoin est actuellement en cours d’évaluation et sera mis à charge des crédits 2007 initialement prévus pour les paiements de la firme Unisys. Cela concerne les justices de paix, les parquets et tribunaux de police et les tribunaux du travail pour le traitement du contentieux du règlement collectif de dettes. Je pourrai vous en dire plus à l’issue du contrôle budgétaire.

Pour les deux premières, il s’agit de moderniser les applications existantes et de les centraliser sur les serveurs Bull. Pour les juridictions du travail, il s’agit de développer une application standard pour le règlement collectif de dettes.

En tout état de cause, tout est actuellement mis en œuvre pour que l’ambitieux projet d’informatisation de la Justice puisse se poursuivre sur des bases saines.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik lees het antwoord van mevrouw Onkelinx.

Zoals u wellicht al hebt vernomen heb ik gisteren, met instemming van de regering, het contract verbroken met Unisys, de firma die belast was met de uitwerking van de informaticatoepassing Phenix.

Die beslissing was onvermijdelijk, gelet op de door de firma opgelopen vertraging en het duidelijke kwaliteitsgebrek van de geleverde diensten. Ik heb de steun gekregen van de Rechterlijke Orde en van Fedict. Ook de Inspectie van Financiën gaf haar akkoord voor deze beslissing.

De principes van het Phenixproject werden in 2000 aangenomen. Het project had tot doel de informaticasystemen van de Rechterlijke Orde gelijkvormig te maken, het elektronisch gerechtelijk dossier in te voeren, het werk van het gerechtelijk personeel te versnellen en te vereenvoudigen en ook de informatie-uitwisseling te vergemakkelijken tussen de Rechterlijke Orde en de diverse personen die bij de procesvoering betrokken zijn, zoals advocaten, notarissen, gerechtsdeurwaarders en gerechtsdeskundigen, alsook met de rechtsonderhorigen.

In december 2001 heeft de regering, na een openbare aanbesteding, de Phenixopdracht toegekend aan de firma Unisys.

Na een eerste functionele analyse ving Unisys medio 2003 de ontwikkelingsfase aan.

De afgelopen vier jaar werd het project nauwlettend gevolgd, zowel door Fedict als door een begeleidingscomité, samengesteld uit de voorzitter van het Hof van Cassatie, de voorzitter van het directiecomité van de FOD Justitie en de kabinetschef van de minister van Justitie.

Op het ogenblik van de eerste tastbare concretisering van Phenix, namelijk de lancering van een pilootsite bij het politieparket van Turnhout in april 2005, kwamen belangrijke kwaliteitsgebreken aan het licht.

Die eerste mislukking in Turnhout werd door de firma Unisys zeer ernstig genomen: het Amerikaanse moederbedrijf kwam tussenbeide en in juni 2005 stelde Unisys een herstelplan voor. Dat plan kreeg groen licht van Fedict en leidde tot het sluiten van een bijakte bij het contract, in oktober 2005, met een aangepaste planning en bijkomende garanties voor de Staat.

Het werk werd voortgezet met een versterkt Unisysteam. Er doken vertragingen op, maar die werden niet ernstig bevonden, gelet op de omvang en de complexiteit van het project. Sinds december 2004 heeft de Staat overigens geen enkele factuur meer betaald.

In de herfst van 2006 werd de situatie opnieuw zorgwekkend. Niets van wat moest worden afgeleverd, was op tijd beschikbaar en het enige tastbare resultaat – een beperkte toepassing voor de collectieve schuldenregeling – beantwoordde lang niet aan de verwachtingen van de gebruikers van de Rechterlijke Orde die het moesten testen. Bovendien werd het team van Unisys beperkt.

Gezien de nieuwe alarmerende signalen werd Unisys formeel in gebreke gesteld om al haar contractuele verplichtingen na te komen, met inbegrip van het tijdschema.

Er werden tevergeefs besprekingen gevoerd om een uitweg te vinden uit de impasse.

Na het uitvoeren van een methodologische analyse was Fedict van mening dat de antwoorden van Unisys onvoldoende waren en dat de slaagkans zeer beperkt was.

Dat was ook het advies van de rechterlijke macht.

De beslissing om het contract te beëindigen leek mij dan ook de enige verantwoorde beslissing om de belangen van de Staat veilig te stellen.

Het informatiseringsproject van Justitie wordt echter niet opgegeven. De regering bevestigt haar wil om hiermee voort te gaan.

Er werd beslist op korte termijn, met andere leveranciers, voort te werken aan de modernisering van de bestaande informaticatoepassingen in de vredegerechten, politierechtbanken en -parketten, evenals aan de collectieve schuldenregeling. Deze toepassingen zullen worden gecentraliseerd op één server. De komende maanden zou een module voor het gecentraliseerd afdrukken van gerechtsbrieven voor deze drie eenheden operationeel moeten zijn.

De volgende minister van Justitie zal de nodige beslissingen moeten nemen om het project van de elektronische gerechtelijke procedure weer op te starten. Hij moet dat met kennis van zaken kunnen doen. Daarom werd een groep van experts opgericht, samengesteld uit informatici, juristen en vertegenwoordigers van de Rechterlijke Orde, met als opdracht concrete voorstellen te doen voor de heroriëntering van dit project.

Het materiaal dat werd verworven in het kader van Phenix wordt bovendien rendabel gemaakt, zowel voor de portaalsite van de Rechterlijke Orde als voor de modernisering en de centralisering van de bestaande toepassingen.

Dankzij het project JustScan – het scannen van gerechtsdossiers – dat onlangs werd gelanceerd en de online databank – Juridat-bis – die binnenkort operationeel wordt, werd een belangrijke vooruitgang geboekt voor de automatisering van de Rechterlijke Orde.

Vóór de bijakte van oktober 2005 werd een bedrag van 8.967.087 euro betaald aan Unisys, ongeveer 6.700.000 euro tijdens de vorige regeerperiode en 2.260.000 euro bij de aanvang van de huidige regeerperiode. Voor dat bedrag zal aan Unisys een schadevergoeding worden gevraagd, zo nodig via gerechtelijke weg.

Een bedrag van ongeveer 11.000.000 euro moet overigens worden beschouwd als een investering die totaal of voor een groot gedeelte kan worden terugverdiend. Dat bedrag heeft hoofdzakelijk betrekking op de aankoop van de hardware, Bullservers, voor 10.945.923 euro, en de opdracht voor het gecentraliseerd afdrukken, een bedrag van 432.000 euro.

De kostprijs van de maatregelen die op zeer korte termijn moeten worden genomen om het voortbestaan te garanderen van de informatica-apparatuur van de rechtbanken die zulks het meest nodig hebben, wordt thans geraamd en zal ten laste komen van de kredieten 2007 die oorspronkelijk werden uitgetrokken voor de betalingen aan de firma Unisys. Het gaat om de vredegerechten, de politierechtbanken en de arbeidsrechtbanken voor de behandeling van de geschillen inzake de collectieve schuldenregeling. Na de begrotingscontrole kan ik u daarover meer zeggen.

Voor de twee eerste rechtbanken moeten de bestaande toepassingen worden gemoderniseerd en gecentraliseerd op de Bullservers. Voor de arbeidsrechtbanken moet een standaardtoepassing worden ontwikkeld voor de collectieve schuldenregeling.

In ieder geval wordt alles in het werk gesteld opdat het ambitieuze automatiseringsproject van Justitie op een gezonde basis kan worden voortgezet.

Mme Clotilde Nyssens (CDH). – Je suis catastrophée à l’idée que ce projet Phénix se termine de cette manière, même si les éléments positifs mis en avant tentent de minimaliser.

Je ne sais pas qui est en faute. La firme Unisys dit que Mme Onkelinx minimalise ses propres fautes. De toute façon, la collaboration n’a pas marché. Unisys est indignée par la réaction du gouvernement et de Mme Onkelinx en disant qu’aucune suite n’a été donnée à de nombreuses propositions constructives de la firme. Je n’en sais rien. Je ne connais rien en informatique et encore moins dans le suivi de Phénix pratiquement.

Ce qui me désole, c’est que l’on attend depuis longtemps l’informatisation de la justice. C’est ce qui fait la lenteur de la justice. Nous avions fait confiance. On parlait du projet Phénix comme étant le projet que l’on attendait. Aujourd’hui, nous en sommes là : à des actions en justice pour récupérer des dommages et intérêts et couper le contrat.

Je trouve cela désolant, en fin de législature. La qualité de la justice passe par l’informatisation. Les projets boulimiques que Mme Onkelinx nous a fait voter contiennent sans doute beaucoup de choses positives, mais l’informatisation est un préalable. Je suis très inquiète pour l’avenir de la Justice et je suivrai attentivement ce dossier.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). – Ik ben ontsteld dat het Phenixproject op deze wijze eindigt, ook al probeert men de mislukking te minimaliseren door de positieve punten te vermelden.

Ik weet niet wie schuld treft. De firma Unisys zegt dat mevrouw Onkelinx haar eigen tekortkomingen minimaliseert. In ieder geval is de samenwerking mislukt. Unisys is verontwaardigd door de reactie van de regering en van mevrouw Onkelinx en zegt dat geen enkel gevolg werd gegeven aan de constructieve voorstellen van de firma. Ik weet het niet. Ik ken niets van informatica en nog minder van de praktische opvolging van het Phenixproject.

Ik vind het jammer omdat we al lang wachten op de informatisering van justitie. Het ontbreken daarvan ligt aan de basis van de traagheid van het gerecht. We hadden vertrouwen. Er werd over Phenix gesproken als over het verwachte project. Vandaag worden bij het gerecht stappen gedaan om schadevergoeding te krijgen en het contract te verbreken.

Dat is jammer, op het einde van de regeerperiode. De kwaliteit van het gerecht hangt af van de informatisering. De geldverslindende projecten die mevrouw Onkelinx ons heeft doen goedkeuren, bevatten wellicht vele positieve dingen, maar de informatisering is de allereerste voorwaarde. Ik ben zeer ongerust over de toekomst van Justitie en ik zal dit dossier met belangstelling volgen.

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «la rémunération des avocats pour des prestations dans le cadre de l’assistance juridique» (nº 3-2180)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de vergoeding van advocaten voor prestaties geleverd in het kader van de rechtsbijstand» (nr. 3-2180)

Mme la présidente. – M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre, répondra.

De voorzitter. – De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Le 1er janvier 2004 sont entrés en vigueur les deux arrêtés royaux et l’arrêté ministériel du 18 décembre 2003 déterminant les conditions de la gratuité totale ou partielle du bénéfice de l’aide juridique de deuxième ligne et de l’assistance judiciaire, de même que les conditions d’octroi, de barème et de mode de paiement de la rémunération des avocats qui en sont chargés. L’objectif de ces arrêtés est un meilleur accès à la justice. Dans cette optique, le budget devait être augmenté, ce qui s’est aussi traduit dans le budget de 2004. En 2003, l’enveloppe avait déjà augmenté de 10%. Ces augmentations mettraient fin à la diminution constante de la valeur des points de la rémunération des avocats qui n’a pas pu être freinée ces dernières années.

Ces arrêtés permettraient également de mieux tenir compte des frais de fonctionnement des commissions d’assistance juridique. Le montant que les barreaux peuvent consacrer au paiement des frais concernés a été porté de 2% à 4,5%.

Enfin, le plafond de revenus donnant droit à l’aide juridique de deuxième ligne a été augmenté sur la base du revenu d’intégration mensuel moyen.

La ministre dispose-t-elle déjà de chiffres provisoires concernant le nombre de désignations accordées durant les périodes du 1er janvier au 31 décembre 2005 et du 1er janvier au 31 décembre 2006 ? Que représentent ces chiffres par rapport au nombre de désignations accordées durant la même période des années 2001 à 2004 inclusivement ?

La ministre peut-elle indiquer la valeur d’un point pour 2006 ?

Quel impact la ministre attend-elle de ses mesures sur la valeur des points pour 2007 et 2008 ?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Op 1 januari 2004 zijn de twee koninklijke besluiten en het ministerieel besluit van 18 december 2003 in werking getreden die betrekking hebben op de voorwaarden van de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en rechtsbijstand, alsook op de voorwaarden voor de toekenning, het tarief en de wijze van uitbetaling van de vergoeding van de advocaten die hiermee belast zijn. Deze besluiten hebben een betere toegankelijkheid van het gerecht tot doel. Met het oog hierop diende het budget te worden opgetrokken, wat ook in de begroting voor 2004 tot uiting kwam. In 2003 werd de enveloppe reeds met 10% verhoogd. Deze verhogingen zouden een einde maken aan de aanhoudende waardevermindering van de punten van de advocatenvergoeding, die de voorbije jaren niet kon worden tegengehouden.

De besluiten zouden het tevens mogelijk maken om beter rekening te houden met de werkingskosten van de commissies voor juridische bijstand. Het bedrag dat de balies kunnen aanwenden voor de betaling van de betrokken kosten werd opgetrokken van 2% tot 4,5%.

Tenslotte werd het inkomensplafond dat recht geeft op de juridische tweedelijnsbijstand verhoogd op basis van het gemiddelde maandelijkse leefloon.

Beschikt de minister reeds over voorlopige cijfers betreffende het aantal aanstellingen dat werd toegekend in de periode van 1 januari 2005 tot 31 december 2005 en de periode 1 januari 2006 tot 31 december 2006? Hoe verhouden deze cijfers zich tot het aantal aanstellingen dat werd toegekend in dezelfde periode in 2001 tot en met 2004?

Kan de minister de waarde van een punt meedelen voor 2006?

Welke impact verwacht de minister van haar maatregelen op de waarde van de punten voor 2007 en 2008?

M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre. – Je vous lis la réponse de la ministre Onkelinx.

Le nombre de désignations pour l’année civile 2006 est de 155.866 pour 155.117 en 2005. Ce nombre a augmenté de manière substantielle ces trois dernières années, soit de plus ou moins 25%. Il était de 124.806 en 2003 et de 143.743 en 2004. Mon administration ne dispose cependant pas de chiffres pour les années antérieures à 2003.

Les ordres communautaires m’ont adressé le 9 février 2007 un courrier m’indiquant que la valeur du point pour l’année judiciaire 2005-2006 serait fixée à 22,79 euros. Dans le cadre du contrôle budgétaire qui s’annonce, j’ai cependant sollicité une augmentation de l’enveloppe de l’aide juridique, de manière à maintenir la valeur du point à 24,22 euros, c’est-à-dire à celle de l’année précédente.

L’augmentation du nombre de bénéficiaires de l’aide juridique, qui démontre l’efficacité de la politique menée en matière d’accès à la Justice, peut avoir pour conséquence une diminution de la valeur du point si l’enveloppe de l’aide juridique n’est pas majorée.

Depuis mon arrivée au département, toutes les mesures que vous avez évoquées, prises en vue d’améliorer l’accès à la justice des plus défavorisés, et bien d’autres que j’ai également prises en la matière, ont été graduellement accompagnées de majorations substantielles du budget de l’aide juridique. Au total, il s’agit d’une augmentation de plus de 80%, soit de 25.000.000 d’euros en 2003 à près de 46.000.000 d’euros en 2006.

J’ai la conviction qu’il faudra passer à court terme à un système d’enveloppe ouverte et à la fixation d’une valeur minimum du point à 25 euros. C’est la seule manière d’assurer au justiciable un service de qualité, tout en garantissant une rémunération adéquate et stable, indépendante de toute opération de rattrapage budgétaire, aux avocats qui travaillent dans le cadre de l’aide juridique de deuxième ligne.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

Het aantal aanwijzingen voor het kalenderjaar 2006 bedraagt 155.866, tegenover 155.117 in 2005. Dat aantal is de voorbije drie jaar met ongeveer 25% toegenomen. In 2003 waren er 124.806 en in 2004 zelfs 143.743. Mijn administratie beschikt echter niet over cijfers voor de jaren vóór 2003.

De communautaire orden hebben mij op 9 februari 2007 een brief gestuurd, waarin mij werd meegedeeld dat de waarde van het punt voor het gerechtelijk jaar 2006-2007 zou worden vastgelegd op 22,79 euro. In het raam van de komende begrotingscontrole heb ik echter een verhoging gevraagd van de enveloppe voor rechtsbijstand, zodat de waarde van het punt behouden kan blijven op 24,22 euro, de waarde van het punt van vorig jaar.

De toename van het aantal genieters van rechtsbijstand kan een vermindering van de waarde van het punt tot gevolg hebben als de enveloppe voor rechtsbijstand niet wordt verhoogd. Dit toont de efficiëntie aan van het beleid betreffende de toegang tot het gerecht.

Sedert ik bij dit departement kwam, heb ik alle maatregelen die werden aangehaald genomen om de toegang tot het gerecht te verbeteren voor de minst bedeelden, alsmede talrijke andere maatregelen ter zake. Die gingen gradueel gepaard met substantiële verhogingen van het budget voor juridische bijstand. In totaal gaat het om een verhoging met meer dan 80%, namelijk van 25 miljoen euro in 2003 naar 46 miljoen euro in 2006.

Ik ben ervan overtuigd dat men op korte termijn tot een systeem van open enveloppe moet komen en tot het vastleggen van de waarde van het punt op 25 euro. Dit is de enige manier om de rechtsonderhorige een kwalitatieve dienstverlening te garanderen terwijl men tegelijk aan de advocaten in het raam van de juridische tweedelijnsbijstand een adequate en stabiele honorering kan garanderen, onafhankelijk van alle operaties inzake budgettaire aanpassingen.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – L’assistance juridique ne doit pas être financée par les avocats mais avec des moyens publics. Des mesures ont été prises mais, vu l’augmentation, un effort complémentaire doit être fait pour fixer définitivement la valeur du point.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – De rechtsbijstand moet niet worden gefinancierd door de advocaten maar met algemene middelen. Er werden maatregelen genomen, maar gelet op de toename, moet een bijkomende inspanning worden gedaan om de waarde van het punt definitief vast te leggen.

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «la garantie à payer en cas de dépôt de plainte avec constitution de partie civile» (nº 3-2181)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de te betalen waarborg bij het indienen van een klacht met burgerlijkepartijstelling» (nr. 3-2181)

Mme la présidente. – M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre, répondra.

De voorzitter. – De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Lorsqu’un particulier ou une entreprise souhaite déposer dans les mains d’un juge d’instruction une plainte avec constitution de partie civile, il doit payer une garantie.

Manifestement, les montants de cette garantie diffèrent fortement en fonction, d’une part, de l’identité du plaignant – particulier ou personne morale – et, d’autre part, de l’arrondissement où la plainte est déposée.

Combien un particulier qui souhaite déposer une plainte au pénal avec constitution de partie civile doit-il payer comme garantie dans les différents arrondissements judiciaires ?

Combien une personne morale qui souhaite déposer une plainte au pénal avec constitution de partie civile doit-elle payer comme garantie dans les différents arrondissements judiciaires ?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Wanneer een particulier of een onderneming een klacht met burgerlijkepartijstelling wenst in te dienen in handen van een onderzoeksrechter, dient hiervoor een waarborg te worden betaald.

Blijkbaar lopen de bedragen van deze waarborgen sterk uiteen, afhankelijk enerzijds van de vraag of de klager een particulier, dan wel een rechtspersoon is en anderzijds van het arrondissement waar de klacht wordt ingediend.

Hoeveel moet een particulier die een strafklacht met burgerlijkepartijstelling wenst in te dienen, aan waarborg betalen in de verschillende gerechtelijke arrondissementen?

Hoeveel moet een rechtspersoon die een strafklacht met burgerlijke partijstelling wenst in te dienen, aan waarborg betalen in de verschillende gerechtelijke arrondissementen?

M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre. – Je vous lis la réponse de la ministre Onkelinx.

Le principe de la provision est prévu par l’article 108 de l’arrêté royal du 28 décembre 1950 portant règlement général sur les frais de justice en matière répressive. Il précise que si une partie civile fait démarrer l’action ou procède à la citation directe, elle doit déposer au greffe la somme supposée nécessaire aux frais de la procédure. Une nouvelle somme doit être déposée si la première est devenue insuffisante.

Le montant de cette provision diffère en effet en fonction des arrondissements. L’appréciation du montant de la provision est une décision de fait et souveraine du juge d’instruction, et ce en fonction des frais à attendre de la procédure.

Vous comprendrez que, puisque ces données ne sont pas systématiquement tenues à jour, je devrais, pour pouvoir répondre à votre question, interroger tous les juges d’instruction des différents arrondissements judiciaires par le biais des canaux habilités à cet effet, ce qui est impossible dans le peu de temps qui m’est imparti pour répondre à cette question.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

Het principe van de provisie is vastgelegd in artikel 108 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken. Dit artikel bepaalt dat wanneer een burgerlijke partij de strafvordering op gang brengt of overgaat tot rechtstreekse dagvaarding, ze de som die vermoedelijk nodig is voor de kosten van de rechtspleging, ter griffie dient neer te leggen. Een nieuwe som moet worden betaald, indien de eerste ontoereikend is geworden.

Deze provisie is inderdaad niet in alle arrondissementen even groot. Het is de onderzoeksrechter die hierover feitelijk en soeverein beslist op basis van de te verwachten kosten van de rechtspleging.

Aangezien deze gegevens niet systematisch worden bijgehouden, moet ik, om op de vraag te kunnen antwoorden, via de geëigende kanalen inlichtingen inwinnen bij alle onderzoeksrechters van de verschillende gerechtelijke arrondissementen. U begrijpt dat dit in het korte tijdsbestek waarin deze vraag beantwoord moet worden, onmogelijk is.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Je reposerai cette question, mais par écrit.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Ik zal de vraag opnieuw stellen, maar dan schriftelijk.

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur «le centre fermé de Vottem» (nº 3-2182)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «het gesloten centrum van Vottem» (nr. 3-2182)

Mme la présidente. – M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre, répondra.

De voorzitter. – De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – En novembre, les médias ont dénoncé des situations inhumaines dans le centre fermé de Vottem. Les demandeurs d’asile souffrant de troubles psychiatriques sont systématiquement placés en cellule d’isolement sans le moindre accompagnement psychiatrique. Ces témoignages confirment un rapport sur les centres fermés dressé par cinq organisations non gouvernementales.

Quatre mois plus tard, la presse révèle que ces situations déplorables n’ont pas disparu. Des infirmiers dénoncent des violations massives du code de déontologie médicale. Des personnes agitées recevraient ainsi systématiquement une injection de calmant.

Si telle est la réalité belge, nous pouvons difficilement parler d’une politique d’asile humaine. Il s’agit même d’une atteinte flagrante aux droits de l’homme.

Le ministre a-t-il connaissance d’abus dans le centre fermé de Vottem ?

Qu’a-t-il fait ces derniers mois pour lutter contre cette violence ?

Des plaintes similaires ont-elles été formulées à l’encontre d’autres centres fermés ?

Quelle décision le ministre prendra-t-il pour combattre et empêcher de telles pratiques ?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – In november werden in de Belgische media de mensonterende toestanden in het gesloten centrum van Vottem aangeklaagd. Asielzoekers met psychische problemen worden er systematisch in isoleercellen gestopt. Ze blijven daar vaak wekenlang zonder psychiatrische begeleiding en in erbarmelijke omstandigheden. De toenmalige getuigenissen sloten aan bij een rapport over de gesloten centra dat werd opgesteld door vijf niet-gouvernementele organisaties.

Nu, vier maanden later, lezen we opnieuw in de krant dat de schrijnende toestanden nog steeds bestaan. Verpleegkundigen klagen de massale inbreuken op de medische deontologische code aan. Mensen die te onrustig of te lastig zijn, krijgen systematisch een spuitje om te kalmeren. Deze praktijk zou in het weekend veelvuldig worden gebruikt zodat de bewakers geen problemen hebben met de daar verblijvende mensen.

Dat we dit niet kunnen tolereren, hoeft natuurlijk geen verdere uitleg. Het lijken trouwens verhalen van oude tijden, toen respect voor de mens ver weg was. Als dit de Belgische realiteit is, kunnen we moeilijk spreken van een humaan asielbeleid. Erger nog, dit is een flagrante aantasting van de rechten van de mens.

Heeft de minister weet van de misbruiken in het gesloten centrum van Vottem?

Wat heeft de minister de voorbije maanden gedaan om dit geweld tegen te gaan?

Zijn gelijkaardige klachten over andere gesloten centra bekend?

Welke beleidsbeslissing zal de minister nemen om deze praktijken tegen te gaan en in de toekomst te voorkomen?

M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre. – Je vous lis la réponse du ministre.

C’est par la presse que j’ai appris les prétendus abus commis au centre fermé de Vottem. Je déplore que certains privilégient cette voie pour dénoncer des problèmes plutôt que de suivre les procédures prévues à cette fin.

J’ai toujours demandé que les faits dénoncés soient vérifiés. Les prétendus abus n’ont pas été confirmés.

Il est inexact que les demandeurs d’asile ne bénéficient d’aucun suivi médical valable.

Il est vrai que le centre emploie des infirmières intérimaires. Trois infirmières sont en effet absentes pour une longue période. Le manque de personnel infirmier n’est pas propre au centre fermé. Deux infirmières ont depuis lors accepté un emploi à temps plein à Vottem.

Les affirmations de l’article de presse ont été démenties par les médecins actifs au centre fermé de Vottem. Leur rapport est disponible sur le site internet de l’Office des étrangers. Les injections de neuroleptiques sont très rares et ne sont administrées que sur prescription médicale. De plus, lorsque la direction s’assure que l’ordre du médecin a été exécuté, elle ne viole nullement le secret médical.

Je n’ai connaissance d’aucune plainte fondée quant au suivi médical offert aux résidants des autres centres fermés.

Enfin, je demanderai que les plaintes soient déposées auprès des instances de contrôle existantes : le service général d’inspection de l’Office des étrangers ou le service de contrôle interne créé par la présidente du SPF Intérieur. Les résidants des centres fermés peuvent aussi déposer plainte auprès de la commission indépendante instaurée voici quelques années. Les parlementaires, les organisations internationales et certaines ONG ont en outre libre accès aux centres fermés. Ils peuvent s’assurer de la situation et me faire part de leurs constatations.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik lees het antwoord van de minister.

Zoals al gezegd, heb ik de vermeende misbruiken in het gesloten centrum van Vottem via de pers vernomen. Ik betreur ten zeerste dat bepaalde personen deze weg verkiezen om een aantal zaken aan te klagen in plaats van een beroep te doen op de procedures die hiervoor bestaan.

Ik heb steeds de aangeklaagde feiten laten nagaan. De vermeende misbruiken werden niet bevestigd. Net zoals eerder in de Kamer, kan ik het volgende meedelen.

Het klopt niet dat er geen degelijke medische begeleiding zou zijn. Een medisch team ziet wel degelijk toe op de medische begeleiding volgens de regels van de deontologische code van de bewoners van het gesloten centrum te Vottem.

Dat er gewerkt wordt met interimverpleegsters is juist. Om verschillende redenen zijn drie verpleegsters voor een lange periode afwezig. Het gaat om twee zwangere vrouwen en een derde verpleegster die geregeld afwezig is. Het tekort aan verplegend personeel is een algemeen probleem dat niet eigen is aan het gesloten centrum. Ik kan wel bevestigen dat twee verpleegsters onlangs een voltijds arbeidscontract in Vottem hebben aanvaard.

De aantijgingen aangehaald in het persartikel werden punt voor punt weerlegd door de artsen die actief zijn in het gesloten centrum van Vottem. Hun verslag is terug te vinden op de website van de Dienst Vreemdelingenzaken. Injecties met neuroleptica worden zelden toegediend en slechts op voorschrift van de geneesheer. Bovendien schendt de directie op geen enkele wijze het medische geheim wanneer ze aan een verpleegster vraagt na te gaan of de opdracht van de geneesheer effectief werd uitgevoerd.

Er zijn mij geen gefundeerde klachten bekend in verband met de medische begeleiding van de bewoners in de andere gesloten centra.

Ik kan ten slotte alleen vragen dat klachten worden ingediend bij de bestaande controle-instanties, namelijk de algemene inspectiedienst bij de Dienst Vreemdelingenzaken, die toeziet op de werking van de gesloten centra, of de interne controledienst die de voorzitster van de FOD Binnenlandse Zaken heeft opgericht. De bewoners van de gesloten centra kunnen ook een klacht indienen bij de onafhankelijke klachtencommissie die een aantal jaren geleden in het leven werd geroepen. Parlementsleden, internationale organisaties en bepaalde ngo’s hebben vrij toegang tot de gesloten centra om zich te vergewissen van de toestand en mij van hun vaststellingen op de hoogte stellen. Mijn diensten hebben niets te verbergen.

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au vice-premier ministre et ministre des Finances sur «les problèmes au SPF Finances» (nº 3-2151)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over «de problemen bij de FOD Financiën» (nr. 3-2151)

Mme la présidente. – M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre, répondra.

De voorzitter. – De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – La semaine dernière les contrôleurs des impôts sont à nouveau apparus sous un jour peu brillant. Lors du passage d’un test de l’institut de formation de l’État, les résultats furent tout sauf roses. Dans plusieurs départements cruciaux les chiffres de réussite sont très préoccupants. Parmi les fonctionnaires qui se consacrent, dans des centres de contrôle spécialisés, aux grandes entreprises, seuls 52% des néerlandophones et 49% des francophones ont réussi le test. Dans les services de perception de la TVA, ces taux de réussite sont respectivement de 46 et 44 pour cent.

Y a-t-il un problème de compétence chez nos fonctionnaires fédéraux ou est-ce un problème d’organisation des tests ?

Comment se fait-il que le ministre n’arrive pas à dissiper l’aura négative des administrations fiscales ?

Quelles conclusions le ministre tire-t-il de cet incident et quelles mesures entend-il prendre ?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Afgelopen week kwamen de belastingscontroleurs opnieuw in een slecht daglicht te staan. Na afloop van een test door het opleidingsinstituut van de overheid, waren de cijfers alles behalve rooskleurig. In een aantal cruciale departementen waren de slaagcijfers erg verontrustend. Van de ambtenaren die zich in gespecialiseerde controlecentra toeleggen op de grote ondernemingen, is slechts 52 procent van de Nederlandstaligen en 49 procent van de Franstaligen geslaagd. Bij de invorderingsdiensten van de BTW is dat respectievelijk 46 en 44 procent.

Is er een bekwaamheidsprobleem bij onze federale ambtenaren of is er een probleem met de organisatie van de tests?

Hoe komt het dat de minister er niet in slaagt om de negatieve aura rond de belastingsdiensten te doorbreken?

Welke conclusies en maatregelen neemt de minister naar aanleiding van dit voorval?

M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre. – Je vous lis la réponse du ministre.

Je tiens tout d’abord à rappeler une fois de plus que, sur un total de 9.300 participants, 82% des candidats ont réussi le test concluant la formation certifiée.

Je me réjouis de ce taux de réussite plus que satisfaisant et qui est fort éloigné des résultats soi-disant catastrophiques dont certains médias se sont fait l’écho.

Il est exact que pour certaines formations certifiées, le taux de réussite est inférieur.

Comme je l’ai déjà expliqué à plusieurs reprises, cette disparité n’est pas anormale. Lors de l’élaboration des formations et tests, il a été tenu compte des besoins propres à chaque organisation (administration, division, …) et de la plus-value attendue pour celle-ci. Chaque organisation a déterminé des plus-values et des objectifs différents. Ils ont constitué la base à la fois pour les formations et pour les tests. Par conséquent, il est logique que le degré de difficulté des formations ait varié et qu’elles aient donné lieu à des résultats divergents.

Cela étant, je puis comprendre la déception des agents qui ont échoué. Mais je tiens à préciser encore que les chiffres cités ne reflètent pas la situation de l’ensemble du département.

Ainsi, dans l’exemple donné par M. le sénateur, il s’agit d’un nombre restreint d’agents, environ 450 sur le total de 9.000 agents ayant suivi une formation certifiée. De plus, les données ne concernent qu’un certain nombre d’agents qui ont suivi cette formation, à savoir ceux qui occupent le grade le moins élevé. Le taux global de réussite pour cette formation est supérieur à 60%.

Comme le sénateur le constate, les conclusions doivent être tirées de l’ensemble des résultats et on ne peut se focaliser sur l’une ou l’autre formation.

Je précise enfin que bien que cette possibilité ne soit pas prévue par la réglementation actuelle, j’ai adressé un courrier à mon collègue de la Fonction publique en vue d’examiner la possibilité d’accorder une seconde chance aux agents qui ont échoué.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik lees het antwoord van de minister.

Ik wens er vooreerst nogmaals op te wijzen dat na de gecertificeerde opleiding, op een totaal van 9.300 deelnemers, 82% van de kandidaten geslaagd was voor de test.

Ik verheug me over dit slaagpercentage. Het is meer dan bevredigend en staat ver van de zogezegd rampzalige resultaten waarover bepaalde media geruchten verspreiden.

Het klopt dat het slaagpercentage voor bepaalde gecertificeerde opleidingen lager is.

Zoals ik al meermaals heb uitgelegd, is dit verschil niet abnormaal. Bij de uitwerking van de opleidingen en tests werd rekening gehouden met de behoeften eigen aan elke administratie en met de hiervoor verwachte meerwaarde. Elke organisatie heeft verschillende meerwaarden en doelstellingen bepaald. Zij vormden de grondslag van zowel de opleidingen als de tests. Het is dan ook logisch dat de moeilijkheidsgraad van de opleidingen varieerde en dat ze tot uiteenlopende resultaten hebben geleid.

Toch kan ik de ontgoocheling van de niet-geslaagde ambtenaren begrijpen.

Ik wil echter nogmaals verduidelijken dat de aangehaalde cijfers niet de toestand van het hele departement weerspiegelen.

Zo gaat het in het voorbeeld van de senator om een beperkt aantal ambtenaren, ongeveer 450 op een totaal van 9.300, die een gecertificeerde opleiding hebben gevolgd. Bovendien hebben de gegevens slechts betrekking op een bepaald aantal ambtenaren die deze opleiding hebben gevolgd, namelijk die met de laagste graad. Het globale slaagpercentage voor deze opleiding ligt hoger dan 60%.

Zoals de senator vaststelt, moeten de conclusies op basis van alle resultaten worden getrokken en mag men zich niet op een of andere opleiding focussen.

Tot slot wijs ik erop dat, hoewel deze mogelijkheid niet in de huidige reglementering is voorzien, ik een brief tot mijn collega van Ambtenarenzaken heb gericht, om na te gaan of het mogelijk is dat de niet-geslaagde ambtenaren een herkansing krijgen.

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au vice-premier ministre et ministre des Finances sur «le contrôle du précompte professionnel par l’administration fiscale» (nº 3-2164)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over «de controle van de bedrijfsvoorheffing door de belastingadministratie» (nr. 3-2164)

Mme la présidente. – M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre, répondra.

De voorzitter. – De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Cette demande d’explications est complémentaire à ma demande d’explications nº 3-1019 du 13 octobre 2005.

Dans un rapport de 2005, la Cour des comptes constate que l’administration fiscale ne contrôle pas suffisamment le précompte professionnel déclaré par les employeurs.

Le système du précompte professionnel offre la possibilité de percevoir de manière anticipée une grande partie de l’impôt des personnes physiques. Dans la plupart des cas, le précompte est prélevé sur le salaire du contribuable par les employeurs et est ensuite soldé avec l’impôt dû. L’enquête de la Cour des comptes révèle que le fisc ne contrôle pas suffisamment si les montants déclarés sont corrects. La Cour a constaté que le précompte diffère parfois fortement de l’impôt final. Le montant retenu doit pourtant correspondre autant que possible à l’impôt final afin d’éviter au contribuable de devoir payer un supplément ou au Trésor public de rembourser des montants élevés.

En réponse à ma demande d’explications du 13 octobre 2005, le ministre des Finances a déclaré ce qui suit : « Un contrôle systématique des déclarations mensuelles représenterait une tâche énorme pour l’administration. Néanmoins, mon administration et moi-même sommes d’avis qu’un meilleur contrôle est possible. C’est pourquoi j’appuie l’intention de mon administration d’élaborer un plan de travail concret en vue d’améliorer le contrôle du précompte professionnel par les différents services compétents. »

Entre-temps, un plan de travail a-t-il été élaboré afin d’améliorer le contrôle du précompte professionnel ?

A-t-il déjà été évalué ? En d’autres termes, a-t-on constaté une amélioration ?

Le ministre des Finances juge-t-il souhaitable de prendre d’autres mesures afin que le contrôle du précompte professionnel soit réalisé de manière plus adéquate ?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Deze vraag om uitleg is een vervolg op mijn vraag om uitleg nr. 3-1019 van 13 oktober 2005.

In een rapport van 2005 zegt het Rekenhof dat de belastingadministratie de bedrijfsvoorheffing die de werkgevers aangeven, niet genoeg controleert.

Het stelsel van de bedrijfsvoorheffing maakt het mogelijk een groot deel van de personenbelasting vervroegd te innen. De voorheffing wordt in de meeste gevallen door de werkgevers afgehouden van het loon van de belastingplichtige en wordt daarna verrekend met de verschuldigde belasting.

Uit het onderzoek van het Rekenhof blijkt dat de fiscus te weinig controle doet naar de correctheid van de aangegeven bedragen. Het Rekenhof heeft vastgesteld dat de voorheffing soms sterk afwijkt van de uiteindelijke belasting. Nochtans moet het afgehouden bedrag zo goed mogelijk overeenkomen met de uiteindelijk te betalen belasting, zodat kan worden vermeden dat de belastingplichtige moet bijbetalen of dat de Schatkist hoge bedragen moet terugbetalen.

Op mijn vraag om uitleg van 13 oktober 2005 antwoordde de minister van Financiën: ‘Een systematische controle van de maandelijkse aangiften zou echter een immense opgave voor de administratie betekenen. Niettemin zijn mijn administratie en ikzelf van mening dat een betere controle mogelijk is. Daarom ga ik akkoord met het voornemen van mijn administratie om de verschillende diensten die voor deze materie bevoegd zijn, een concreet werkplan te laten uitwerken met het oog op een betere controle van de bedrijfsvoorheffing’.

Is intussen reeds een werkplan opgesteld dat een betere controle op de bedrijfsvoorheffing mogelijk maakt?

Werd dit werkplan reeds geëvalueerd? Is met andere woorden een verbetering waar te nemen?

Acht de minister van Financiën het wenselijk andere maatregelen te nemen om de controle op de bedrijfsvoorheffing adequater te laten verlopen?

M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre. – Je vous lis la réponse du ministre Reynders.

Comme cela a été mentionné en réponse à la demande d’explications du 13 octobre 2005, aucun contrôle systématique de la détermination correcte du précompte professionnel n’est prévu en l’état actuel des choses, mais cela n’empêche pas les services compétents pour le contrôle de la situation fiscale de l’employeur de pouvoir effectuer un tel contrôle dans certaines circonstances.

Jusqu’à présent, mon administration ne m’a soumis aucun plan de travail, mais elle a signalé qu’il se trouve toujours dans une phase d’élaboration. Elle espère pouvoir encore réunir le groupe de travail avant la fin de la présente législature.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik lees het antwoord van minister Reynders.

Zoals reeds gezegd in het antwoord op de vraag om uitleg van 13 oktober 2005, neemt het feit dat in de huidige stand van zaken geen systematische controle gebeurt, niet weg dat de belastingdiensten die bevoegd zijn voor de belastingtoestand van de werkgever, in specifieke gevallen wel een controle inzake de correcte berekening van de bedrijfsvoorheffing kunnen verrichten.

Mijn administratie heeft mij tot nu toe geen werkplan voorgelegd, maar ze meldt wel dat het nog steeds in een opmaakfase verkeert. Ze hoopt die werkgroep nog in de loop van deze legislatuur te kunnen laten vergaderen.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Le 13 octobre 2005, le ministre des Finances, qui déclare aujourd’hui dans un journal qu’il sera le prochain Premier ministre, a annoncé qu’il lancerait un plan de travail en vue de faire contrôler mensuellement le précompte professionnel. Aujourd’hui, le 8 mars 2007, le secrétaire d’État vient nous dire qu’il n’existe toujours pas de plan de travail, que l’on envisage de se réunir à ce sujet et que l’on a l’ambition d’organiser cette réunion avant la fin de la législature. Les mots parlent d’eux-mêmes. L’électeur en jugera.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Op 13 oktober 2005 heeft de minister van Financiën, die vandaag in een krant zegt dat hij de volgende eerste minister wordt, aangekondigd dat hij een werkplan zou uitvaardigen om maandelijks de bedrijfsvoorheffing te laten controleren. Vandaag, 8 maart 2007, komt de staatssecretaris ons in alle nederigheid vertellen dat er nog altijd geen werkplan bestaat, dat men van plan is daarover te vergaderen en dat men de ambitie heeft nog voor het einde van de legislatuur deze vergadering te beleggen. De woorden spreken voor zich. De kiezer zal oordelen.

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au vice-premier ministre et ministre des Finances et au secrétaire d’État à la Simplification administrative sur «les problèmes pour introduire une requête auprès du Conseil d’état suite à la suppression des timbres fiscaux» (nº 3-2165)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en aan de staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging over «de problemen om een verzoekschrift bij de Raad van State in te stellen als gevolg van de afschaffing van de fiscale zegels» (nr. 3-2165)

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – M. Van Hauthem a déjà posé une question à ce sujet et la presse écrite soulève également le problème. J’ai moi-même déjà posé une question orale à l’occasion des déclarations de M. Massenhove qui a comparé le Conseil d’État à des terroristes. Le problème est donc très sérieux.

La suppression des timbres fiscaux pose problème à ceux qui veulent contester une décision administrative devant le Conseil d’État. Il doivent en effet apposer des timbres fiscaux pour un montant de 175 euros sur la requête. Les alternatives aux timbres fiscaux – paiement électronique ou paiement par virement – entraînent toutefois des difficultés pour les avocats.

Le Conseil d’État n’accepte pas le paiement électronique. Le virement doit être effectué sur un numéro de compte du sixième bureau de l’enregistrement de Bruxelles, mais ce numéro est peu connu et le bureau ne communique pas au Conseil d’État à quelle affaire un paiement correspond.

Par conséquent, la seule possibilité est d’effectuer un versement préalable à La Poste, ce qui est tout de même très complexe.

La suppression des timbres fiscaux entraîne donc une confusion kafkaïenne pour qui veut contester une décision administrative devant le Conseil d’État.

Les ministres compétents se renvoient la balle par lettres, ce qui contribue aussi à l’insécurité juridique.

De quelle manière le gouvernement compte-t-il apporter une solution rapide et efficace à ce problème ?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Het is niet de eerste keer dat over deze kwestie een vraag wordt gesteld. Ook collega Van Hauthem heeft hier al een vraag over gesteld en de kranten en de vakbladen brengen de zaak eveneens ter sprake. Ik herinner eraan dat ikzelf al een mondelinge vraag heb gesteld naar aanleiding van verklaringen van de heer Van Massenhove, die stelde dat de Raad van State met terroristen moet worden vergeleken. Het probleem is dus echt wel ernstig.

De afschaffing van de takszegel creëert een probleem voor wie een administratieve beslissing wil aanvechten bij de Raad van State. Hij wordt immers verondersteld voor 175 euro takszegels op het verzoek te kleven. De alternatieven voor de takszegels – elektronische betaling of betaling via een overschrijving – zorgen echter voor moeilijkheden voor advocaten.

De Raad van State aanvaardt geen elektronische betaling. De overschrijving moet gebeuren op een rekeningnummer van het zesde registratiekantoor van Brussel, maar het rekeningnummer is niet zo bekend en het kantoor geeft aan de Raad van State ook niet door voor welke zaken er betaald is.

Bijgevolg is de enige mogelijkheid een voorafgaande storting bij De Post, wat toch wel zeer omslachtig is.

Het afschaffen van de takszegel zorgt dus voor een kafkaiaanse verwarring bij wie een administratieve beslissing voor de Raad van State wil aanvechten.

De bevoegde ministers verwijzen in brieven naar elkaar door voor een oplossing, wat de juridische onzekerheid eveneens in de hand werkt.

Op welke wijze wil de regering een afdoende en snelle oplossing bieden voor dit probleem?

(M. Staf Nimmegeers, premier vice-président, prend place au fauteuil présidentiel.)

(Voorzitter: de heer Staf Nimmegeers, eerste ondervoorzitter.)

M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre. – L’utilisation de timbres fiscaux comme moyen de paiement était un système désuet et sujet à la fraude. Ce dernier entraînait en outre beaucoup de soucis administratifs pour les citoyens, l’administration et d’autres intéressés. C’est pourquoi ces timbres fiscaux et le Code des droits de timbre ont été supprimés après un vote unanime au parlement.

Pendant les discussions avec le Conseil d’État, il a été décidé, en concertation avec ce Conseil, de remplacer le timbre fiscal devant être apposé sur les requêtes par une preuve du versement ou du virement à joindre à la requête. Ce nouveau mode de paiement est régi par l’arrêté d’exécution du Code des droits et taxes divers du 21 décembre 2006. Je suis disposé à moderniser le système de paiement si le Conseil d’État adopte un système de paiement électronique, ce qui n’est pas le cas aujourd’hui.

Le sixième bureau de l’enregistrement de Bruxelles reçoit les paiements des droits pour les requêtes introduites au Conseil d’État. Ce service a déjà reçu plus de 350 paiements sur son compte postal. Pendant le mois de février, 300 paiements pour des requêtes sont arrivés sur le compte. Le numéro de compte n’est donc certainement pas inconnu ni difficile à trouver. Des informations spécifiques sur le nouveau mode de paiement figurent d’ailleurs sur le site web du Conseil d’État (www.raadvst-consetat.be). Le numéro de compte y est mentionné.

Afin de simplifier davantage le traitement des paiements, un numéro spécifique de compte postal a été ouvert fin février 2007 auprès de ce même bureau de l’enregistrement, à la demande, entre autres, du Conseil d’État. Toute information relative au paiement peut ainsi être transmise plus facilement encore au Conseil d’État.

Il va de soi que les paiements sur le compte postal général du sixième bureau de l’enregistrement sont encore acceptés.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Het gebruik van fiscale zegels als betaalmiddel was een verouderd en fraudegevoelig systeem dat bovendien veel administratieve lasten veroorzaakte voor de burgers, de administratie en andere betrokkenen. Daarom werden deze fiscale zegels en het Wetboek der Zegelrechten na een unanieme stemming in het Parlement afgeschaft.

Tijdens de besprekingen met de Raad van State werd in samenspraak met deze Raad beslist om het kleven van een fiscale zegel op de verzoekschriften te vervangen door een betalingsbewijs van de storting of de overschrijving aan het verzoekschrift toe te voegen. Deze nieuwe betalingswijze is wettelijk geregeld in het uitvoeringsbesluit van het Wetboek diverse rechten en taksen van 21 december 2006. Ik ben echter steeds bereid het betalingsverkeer verder te moderniseren indien de Raad van State een elektronisch betalingssysteem wil invoeren, wat tot op vandaag niet het geval is.

Het zesde registratiekantoor van Brussel ontvangt de betalingen van de rechten op verzoekschriften bij de Raad van State. Deze dienst ontving op haar postrekening nu al meer dan 350 betalingen van diverse indieners. Tijdens de maand februari werden 300 betalingen voor verzoekschriften op de rekening ontvangen. Het rekeningnummer is dus zeker niet onbekend of moeilijk te achterhalen. Op de Website van de Raad van State (www.raadvst-consetat.be) staat trouwens specifieke informatie over de nieuwe betalingswijze. Het rekeningnummer staat er vermeld.

Om de verwerking van de betalingen verder te vereenvoudigen is eind februari 2007 op vraag van onder meer de Raad van State zelfs een specifiek postrekeningnummer geopend bij datzelfde registratiekantoor. Hierdoor kan alle betalingsinformatie nog eenvoudiger aan de Raad van State worden doorgegeven.

Betalingen op het algemene postrekeningnummer van het zesde registratiekantoor worden uiteraard ook nog steeds aanvaard.

Demande d’explications de Mme Anke Van dermeersch à la vice-première ministre et ministre du Budget et de la Protection de la consommation sur «l’éventuelle saisie par les pouvoirs publics des assurances-vie dormantes» (nº 3-2168)

Vraag om uitleg van mevrouw Anke Van dermeersch aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken over «de eventuele beslaglegging door de overheid op de zogenaamde slapende levensverzekeringen» (nr. 3-2168)

M. le président. – M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre, répondra.

De voorzitter. – De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

Mme Anke Van dermeersch (VL. BELANG). – Les banques et compagnies d’assurance gèrent un certain nombre d’assurances-vie dormantes. Il s’agit d’assurances-vie et d’assurances-groupe venues à échéance mais dont les ayants droit n’ont pas réclamé les avoirs. Le motif peut être que les intéressés ont oublié qu’ils pouvaient réclamer leurs avoirs à un certain moment ou que l’ayant droit, un héritier par exemple, ignore qu’il est le bénéficiaire d’une assurance-vie.

Dans un État de droit normal, il nous semble évident que, dans de tels cas, les banques et compagnies d’assurances doivent tout faire pour rechercher les ayants droit et leur remettre ce qui leur revient de droit.

Les autorités n’ont manifestement pas connaissance de ce problème. C’est en tout cas ce que le ministre de l’Économie a admis fin 2005 dans sa réponse à une question parlementaire. Il n’existe pas de règlement prévoyant ce qu’il faut faire dans ce cas, de sorte que les banques et compagnies d’assurance profitent dans le plus grand secret de ce vide juridique. Des mesures s’imposent.

Nous avons appris par les médias que la ministre souhaitait saisir ces avoirs à l’avenir. Cette mesure est présentée comme un moyen de protection du consommateur, soi-disant pour empêcher que les banques ne continuent à facturer des frais de gestion pour des comptes inutilisés. En réalité, il s’agit cependant, selon des observateurs et en toute logique, d’une mesure visant à alimenter facilement le Trésor public.

À combien le montant des assurances-vie dormantes en Belgique est-il évalué ?

Quelle est la réglementation ou la pratique actuelle concernant de telles assurances-vie dormantes ?

Quelle réglementation la ministre souhaite-t-elle instaurer et quand celle-ci entrera-t-elle en vigueur ? Cette réglementation impose-t-elle aux banques et compagnies d’assurance, le cas échéant avec l’aide de l’autorité, de tout mettre en œuvre pour remettre ces avoirs aux ayants droit ou à leurs proches parents ?

Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BELANG). – De banken en verzekeringsmaatschappijen beheren een aantal zogenaamde slapende levensverzekeringen. Dat zijn levens- en groepsverzekeringen die op hun vervaldatum zijn gekomen, maar waarvan de rechthebbenden de tegoeden niet komen opvragen. De reden daarvan kan zijn dat de betrokkenen niet meer weten dat ze een tegoed hebben dat ze op een bepaald moment kunnen opvragen, of dat de rechthebbende, bijvoorbeeld een erfgenaam, er geen weet van heeft dat hij begunstigde is van een levensverzekering.

In een normale rechtsstaat ligt het in dergelijke gevallen volgens ons voor de hand dat de banken en verzekeringsmaatschappijen er alles aan doen om uit te zoeken wie de rechthebbenden zijn en hen over te maken wat hen rechtmatig toekomt.

Blijkbaar kent de overheid deze problematiek niet echt. Dat gaf de minister van Economie althans nog eind 2005 toe in antwoord op een parlementaire vraag. Er bestaat niet echt een regeling die bepaalt wat er in deze gevallen moet gebeuren, zodat de banken en de verzekeringsmaatschappijen in alle stilte van dit vacuüm op wetgevend vlak profiteren. Dat er iets moet worden gedaan, is duidelijk.

In de media vernamen we dat de minister van zin is in de toekomst op deze tegoeden beslag te leggen. Deze maatregel wordt verkocht als een middel ter bescherming van de consument, zogezegd om te verhinderen dat banken nog verder beheerskosten aanrekenen voor ongebruikte rekeningen. In werkelijkheid is dit volgens waarnemers en volgens de logica zelve echter een maatregel om de schatkist op een gemakkelijke manier te spijzen.

Hoe groot is naar schatting het bedrag aan slapende levensverzekeringen in België?

Wat is de actuele regeling of de actuele praktijk voor dergelijke slapende levensverzekeringen?

Welke regeling wenst de minister in te voeren en wanneer zal deze in werking treden? Is er in deze regeling vastgelegd dat banken en verzekeringsmaatschappijen, desgevallend met behulp van de overheid, er eerst alles moeten aan doen om deze tegoeden aan de rechthebbenden of hun nabestaanden te bezorgen?

M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre. – Je vous lis la réponse de la ministre.

Le projet de loi portant des dispositions diverses (IV) contient sous le titre « Protection de la consommation » une réglementation pour les comptes dormants.

Cette modification de la législation était nécessaire à une gestion plus transparente des comptes dormants par les institutions de crédit.

Les principes de la réglementation sont les suivants :

1. Nous parlons d’un compte dormant lorsqu’une institution de crédit n’a plus enregistré aucune opération de la part du titulaire sur ce compte pendant une période de cinq ans et n’a plus reçu aucun ordre actif du titulaire et des ayants droit.

2. Les institutions financières sont chargées de repérer ces situations inhabituelles et d’écrire au titulaire pour savoir s’il souhaite maintenir son compte.

3. Une liste des comptes dormants est établie. Elle sera accessible aux titulaires ou aux éventuels ayants droit.

4. S’il n’y a aucune intervention, les avoirs d’un compte dormant sont virés à la Caisse des dépôts et consignations après un délai de cinq ans. Cela signifie que les avoirs sont virés si aucune opération n’a été réalisée ou s’il n’y a eu aucun contact pendant dix ans.

Une procédure particulière est prévue pour les comptes inutilisés depuis plus de dix ans au moment de l’entrée en vigueur de la loi.

5. Les avoirs peuvent toujours être réclamés sans délai à la Caisse de dépôts et de consignations par les titulaires ou les ayants droit.

Contrairement à ce que Mme Van dermeersch affirme, il ne s’agit pas d’alimenter le Trésor public mais bien de faire en sorte que l’argent revienne aux ayants droit ou à leurs proches parents.

Cette réglementation entrera en vigueur dix jours après sa publication au Moniteur belge.

Outre les avoirs dormants sur des comptes, il y a certainement aussi des avoirs dormants relatifs à des assurances-vie. Il n’existe actuellement aucune donnée fiable sur le montant des telles assurances-vie dormantes.

Hormis les dispositions générales de la loi sur les contrats d’assurance terrestre et du Code civil, il n’existe aucune règle spécifique concernant les assurances-vie dormantes. La gestion des celles-ci doit donc également être plus transparente et les assureurs doivent activement rechercher les ayants droit.

Le secteur des assurances discute actuellement du problème des assurances-vie dormantes avec les associations de consommateurs au sein de la Commission des assurances. J’attends leur avis avant de prendre d’autres initiatives.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik lees het antwoord van de minister.

Het wetsontwerp houdende diverse bepalingen (IV) bevat onder de titel Consumentenzaken een regeling voor de slapende rekeningen.

Die wetswijziging is vereist om het beheer van slapende rekeningen door de kredietinstellingen transparanter en duidelijker te maken.

De principes van de regeling zijn de volgende:

1. We spreken van een slapende rekening wanneer een kredietinstelling op deze rekening gedurende een periode van vijf jaar geen enkele verrichting door de houder meer geregistreerd heeft en geen enkel actief bericht heeft ontvangen van de houder ervan of van de rechthebbenden.

2. De financiële instellingen krijgen de taak om die ongewone situaties op te sporen en de houder van de rekening formeel aan te schrijven over zijn voornemen om de rekening voort te zetten.

3. Er wordt een lijst van slapende rekeningen opgesteld. Die lijst zal toegankelijk zijn voor de houders of mogelijke rechthebbenden.

4. Indien er geen enkele tussenkomst gebeurt, worden na een termijn van vijf jaar de tegoeden op een slapende rekening overgemaakt aan de Deposito- en consignatiekas. Dat betekent dat de tegoeden worden overgemaakt indien gedurende 10 jaar geen enkele verrichting werd uitgevoerd of contact was.

Er is een bijzondere procedure met betrekking tot de rekeningen die op het moment van de inwerkingtreding van de wet al meer dan 10 jaar slapend zijn.

5. De tegoeden bij de Deposito- en consignatiekas kunnen steeds en zonder termijn worden opgevraagd door de houders of rechthebbenden.

In tegenstelling tot wat mevrouw Van dermeersch beweert, betreft het geen gemakkelijke manier om de schatkist te spijzen, maar wel een manier om ervoor te zorgen dat het geld naar de rechthebbenden of hun nabestaanden terugkeert.

Deze regeling treedt in werking 10 dagen na publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad.

Er zijn naast de slapende tegoeden op rekeningen ongetwijfeld ook slapende tegoeden van opeisbare levensverzekeringen. Over het bedrag van dergelijke slapende levensverzekeringen bestaan thans geen betrouwbare gegevens.

Behoudens de algemene bepalingen in de wet op de landverzekeringsovereenkomst en het Burgerlijk Wetboek bestaan er geen specifieke regels met betrekking tot de slapende levensverzekeringen. Ook het beheer van de levensverzekeringen moet dus transparanter worden en de verzekeraars moeten actief op zoek gaan naar de rechthebbenden.

De verzekeringssector is het probleem van de slapende levensverzekeringen met de consumentenverenigingen in de Commissie voor de verzekeringen aan het bespreken. Ik wacht hun advies af alvorens verdere initiatieven te nemen.

Demande d’explications de M. Berni Collas à la vice-première ministre et ministre du Budget et de la Protection de la consommation et au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «la tremblante du mouton» (nº 3-2176)

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken en aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de draaiziekte van schapen» (nr. 3-2176)

M. le président. – M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre, répondra.

De voorzitter. – De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

M. Berni Collas (MR). – Depuis quelques années, notre pays est régulièrement confronté à des maladies animales découlant de l’affectation du système nerveux central et touchant différentes catégories d’animaux. Ces maladies sont, par exemple, l’encéphalopathie spongiforme bovine – ESB ou maladie de la vache folle – ou la tremblante du mouton, également appelée scrapie.

Ces maladies appartiennent à la catégorie des encéphalopathies spongiformes transmissibles – EST – et leurs symptômes apparaissent chez l’homme sous la forme de la maladie de Creutzfeldt-Jakob.

La semaine dernière, apparaissait un cas de tremblante du mouton dans une entreprise agricole située sur le territoire de la commune de Waimes. L’AFSCA, Agence fédérale pour la sécurité de la chaîne alimentaire, a immédiatement décidé la destruction quasi totale du troupeau de moutons de la ferme, soit d’une centaine de moutons et de deux chèvres. Il s’agissait du premier cas d’EST pour cette année, mais je viens d’apprendre l’existence d’un second cas, dans une exploitation agricole de Stembert.

Pouvez-vous me préciser le nombre de cas d’EST apparus l’année dernière ainsi que le nombre d’animaux dont la destruction a été ordonnée à la suite de ce constat ? Quelle est l’importance du dommage économique subi par les agriculteurs concernés ? Où en est le paiement des indemnités dues aux fermiers en question ? Obtiennent-ils un dédommagement complet ? Dans quel délai peuvent-ils compter sur une indemnité ? Comment évaluez-vous les risques actuels pour les consommateurs ?

De heer Berni Collas (MR). – Sinds enkele jaren wordt ons land geconfronteerd met dierenziekten die het centrale zenuwstelsel van dieren aantasten, zoals BSE – boviene spongiforme encefalopathie – of de gekkekoeienziekte en de draaiziekte bij schapen, ook wel scrapie.

Die ziekten behoren tot de overdraagbare spongiforme encefalopathieën, de TSE’s. Bij de mens komen de symptomen voor in de vorm van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob.

Vorige week was er een geval van draaiziekte bij schapen in een landbouwbedrijf in het Waalse Waimes. Het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, het FAVV, heeft onmiddellijk beslist zowat de hele kudde schapen en twee geiten te vernietigen. Het zou gaan om het eerste geval van TSE dit jaar, maar ik heb vernomen dat op een landbouwbedrijf in Stembert een tweede geval is vastgesteld.

Hoeveel gevallen van TSE zijn er het afgelopen jaar geweest? Hoeveel dieren moesten worden vernietigd? Wat was de economische schade voor de betrokken landbouwers? Hoe staat het met de betaling van schadevergoedingen aan de betrokken landbouwers? Wordt de schade volledig vergoed? Binnen welke termijn kunnen ze een vergoeding ontvangen? Wat zijn de risico’s voor de consumenten?

M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre. – Je vous lis la réponse de la ministre Van den Bossche.

En 2006, on a enregistré en Belgique deux cas d’ESB et trois cas de tremblante du mouton. Au total, huit bovins et 173 ovins ont été abattus.

La valeur de chaque animal, pour lequel le détenteur a droit à une indemnisation, est déterminée par un expert préalablement à la destruction. Pour autant qu’il s’agisse d’animaux vivants, l’estimation est effectuée selon la procédure fixée à l’article 77 de l’arrêté royal du 10 octobre 2005 relatif à la lutte contre la fièvre aphteuse.

De même, une indemnisation est accordée au propriétaire de bovins ou de petits ruminants déjà abattus avant la suspicion et dont les carcasses ont été saisies après l’enquête épidémiologique. Pour les bovins, cette indemnité est établie sur la base du classement de la carcasse décrit dans l’arrêté royal du 10 juin 2001 relatif à l’indemnisation des animaux positifs au test rapide agréé de l’ESB.

En 2006, pour les huit bovins abattus dans les deux foyers d’ESB, les détenteurs ont eu droit à une indemnisation de 10.678 euros. Pour les ovins détruits dans les trois foyers de tremblante du mouton, les détenteurs ont eu droit à une indemnisation de 20.830 euros.

À ce jour, toutes les indemnisations 2006 ont été versées aux propriétaires. Un délai d’un à quatre mois sépare la déclaration du foyer et le paiement des indemnités.

Les mesures de gestion du risque se situent à trois niveaux. Citons, tout d’abord, l’interdiction des farines animales dans l’alimentation des animaux destinés à la production d’aliments. Deuxième mesure : estimation de la prévalence des EST dans les populations bovine, ovine et caprine par les programmes de surveillance passive et active. La troisième mesure consiste en l’enlèvement des matériels à risque spécifiés, c’est-à-dire des tissus animaux susceptibles d’être infectés par les prions, des carcasses bovines, ovines et caprines destinées à la consommation humaine.

Le risque actuel pour le consommateur est très limité, d’autant plus qu’aucun cas de la nouvelle variante de Creutzfeldt-Jakob n’a été décelé jusqu’à présent en Belgique.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik lees het antwoord van minister Van den Bossche.

In 2006 werden in België twee gevallen van BSE en drie gevallen van draaiziekte bij schapen vastgesteld. In totaal werden acht runderen en 173 schapen vernietigd.

De waarde van elk dier, waarvoor de houder recht heeft op een schadevergoeding, wordt vóór de vernietiging door een expert bepaald. Voor zover het om levende dieren gaat, gebeurt de schatting op basis van artikel 77 van het koninklijk besluit van 10 oktober 2005 betreffende de bestrijding van mond- en klauwzeer.

Ook eigenaars van runderen en kleine herkauwers die al zijn geslacht vóór er een vermoeden is en waarvan de karkassen na een epidemiologisch onderzoek in beslag zijn genomen, krijgen een schadevergoeding. Voor runderen wordt die vergoeding bepaald aan de hand van de klassering van het karkas zoals beschreven in het koninklijk besluit van 10 juni 2001 betreffende de schadevergoeding voor dieren die positief zijn in een goedgekeurde snelle BSE-test.

In 2006 kregen de eigenaars van de acht afgemaakte runderen een vergoeding van 10.678 euro. Bij de drie haarden van draaiziekte bij schapen hadden de eigenaars recht op een vergoeding van 20.830 euro.

Alle schadevergoedingen werden aan de eigenaars uitgekeerd. Tussen de vaststelling en de uitbetaling zit een termijn van vier maanden.

Er worden op drie niveaus maatregelen genomen. Eerst en vooral is er een verbod op dierenmeel in het voeder van dieren die voor de productie van voedingsmiddelen worden gekweekt. Vervolgens wordt via actieve en passieve controleprogramma’s de prevalentie van TSE’s onder de runder-, schapen- en geitenpopulaties geschat. Ten derde wordt risicomateriaal verwijderd, met name dierlijk weefsel dat door prionen kan worden besmet, uit de karkassen die voor menselijke consumptie bestemd zijn.

Het risico voor de consument is zeer beperkt, te meer daar in België tot op heden geen enkel geval van de nieuwe variant van Creutzfeldt-Jakob is aangetroffen.

M. Berni Collas (MR). – Je remercie M. le secrétaire d’État de m’avoir lu cette réponse très précise.

De heer Berni Collas (MR). – Ik dank de staatssecretaris voor dit zeer precieze antwoord.

Demande d’explications de M. Yves Buysse au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur et au ministre des Affaires étrangères sur «des compagnies aériennes récalcitrantes aux rapatriements sous escorte» (nº 3-2174)

Vraag om uitleg van de heer Yves Buysse aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Buitenlandse Zaken over «luchtvaartmaatschappijen die weigerachtig staan tegenover repatriëringen onder escorte» (nr. 3-2174)

M. le président. – M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre, répondra.

De voorzitter. – De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

M. Yves Buysse (VL. BELANG). – Selon la presse, de plus en plus de commandants de bord refusent de collaborer à l’expulsion forcée sous escorte d’illégaux ou de demandeurs d’asile déboutés.

De nombreux demandeurs d’asile déboutés savent en effet que s’ils font du tapage à bord de l’avion, leur rapatriement risque fort d’être reporté. Il semble que la compagnie Royal Air Maroc refuse systématiquement les rapatriements sous escorte.

Le ministre confirme-t-il que Royal Air Maroc est très récalcitrante aux rapatriements sous escorte ? Combien de tentatives de rapatriement vers le Maroc ont-elles été entreprises, ces deux dernières années, avec la compagnie Royal Air Maroc et combien d’entre elles ont-elles été abandonnées ? Combien de tentatives de rapatriement vers le Maroc ont-elles été entreprises avec d’autres compagnies aériennes ces deux dernières années et combien ont-elles été abandonnées ?

Quelles démarches le ministre a-t-il entreprises auprès des autorités marocaines pour dénoncer ce manque de coopération de la compagnie nationale marocaine ? Quels moyens de pression diplomatiques et autres a-t-il utilisés ?

Quelles autres mesures le ministre envisage-t-il encore ?

De heer Yves Buysse (VL. BELANG). – Eind vorig jaar meldden een aantal kranten en tijdschriften dat steeds meer piloten of boordcommandanten weigeren mee te werken aan gedwongen uitwijzingen van illegalen of uitgeprocedeerde asielzoekers onder escorte.

Vele uitgeprocedeerde vreemdelingen weten immers dat, wanneer ze, eens aan boord van het vliegtuig, veel tumult beginnen te maken, de uitwijzingspoging veel kans maakt te worden afgeblazen. Naar verluidt zou de ene vliegtuigmaatschappij echter sneller een uitwijzing afblazen dan de andere en zou vooral Royal Air Maroc, de nationale luchtvaartmaatschappij van Marokko, bijna systematisch repatriëringen onder escorte weigeren.

Bevestigt de minister dat Royal Air Maroc zeer weigerachtig staat tegenover repatriëringen onder escorte? Hoeveel pogingen tot dergelijke repatriëringen naar Marokko met Royal Air Maroc werden er de afgelopen twee jaar ondernomen en hoeveel daarvan werden er afgeblazen? Hoeveel pogingen tot dergelijke repatriëringen met andere luchtvaartmaatschappijen werden er de afgelopen twee jaar naar Marokko ondernomen en hoeveel hiervan werden er afgeblazen?

Welke stappen heeft de minister bij de Marokkaanse autoriteiten gezet om dit gebrek aan medewerking van de nationale Marokkaanse luchtvaartmaatschappij aan te klagen, ten einde tot een betere samenwerking te komen? Welke diplomatieke en andere pressiemiddelen heeft de minister daartoe ingezet?

Wat overweegt de minister daartoe nog te ondernemen?

M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre. – Le vous lis la réponse du ministre de l’Intérieur.

Depuis septembre 2006, le rapatriement de ressortissants marocains ne pose plus problème.

Aucune distinction n’est faite entre les compagnies aériennes dans les statistiques. Pour le rapatriement de Marocains, nous faisons appel à Royal Air Maroc ou à SN Brussels Airlines.

Concrètement, 273 rapatriements ont été planifiés en 2005. Sur 174 expulsions sans escorte, 99 ont été couronnées de succès ; 61 des 99 expulsions sous escorte ont réussi.

En 2006, 357 rapatriements vers le Maroc ont été organisés ; 114 expulsions sans escorte et 92 expulsions sous escorte ont abouti.

Ces chiffres appellent quelques commentaires. Une expulsion ne peut pas toujours être menée à bien et ce pour de multiples raisons. Ce ne sont pas toujours les pilotes ou les étrangers qui sont responsables du report d’une expulsion. De plus, des personnes dont le rapatriement n’a pas été possible dans un premier temps peuvent à nouveau être comptabilisées dans les statistiques après un éloignement réussi.

En 2005 et 2006, différentes missions se sont rendues au Maroc pour discuter de ce problème. Une concertation est en outre régulièrement organisée entre l’Office des étrangers, les autorités marocaines et la compagnie Royal Air Maroc. Celle-ci offre d’ailleurs une formation particulière à son personnel de bord.

L’Office des étrangers cherche à assurer à ces dossiers un suivi rapide et satisfaisant. Il entretient donc des contacts réguliers avec les représentations diplomatiques et consulaires des pays d’origine en Belgique, privilégiant des accords pratiques sur la réadmission des illégaux. Des efforts en vue de la conclusion d’accords de réadmission sont en outre consentis au niveau national et européen et au niveau du Benelux.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik lees het antwoord van de minister van Buitenlandse Zaken.

Sinds september 2006 doen zich geen problemen meer voor bij de repatriëring van Marokkaanse onderdanen. De bijzondere inspanningen die op dat vlak werden geleverd, blijken dus succes te hebben.

In de statistieken wordt geen onderscheid gemaakt tussen de betrokken vliegtuigmaatschappijen. Voor de repatriëring van Marokkanen wordt een beroep gedaan op Royal Air Maroc en op SN Brussels Airlines.

Concreet werden in 2005 273 repatriëringen gepland. Van de 174 verwijderingen zonder escorte zijn er 99 geslaagd; van de 99 met escorte slaagden er 61.

In 2006 werden er 357 repatriëringen naar Marokko gepland. Daarvan werden er 114 zonder escorte en 92 met escorte succesvol afgerond.

Bij deze cijfers moeten een aantal kanttekeningen worden gemaakt. Om verschillende redenen kan een uitwijzing niet steeds met succes worden afgerond. Het zijn niet altijd de piloten of de vreemdelingen die verantwoordelijk zijn voor het afbreken van de verwijdering. Ook bij slecht weer, wanneer het vliegtuig defect is of wanneer de vreemdeling ziek is, kan niet verder worden gegaan met de verwijdering. Personen van wie de repatriëring in een eerste fase niet mogelijk bleek, kunnen bovendien in de statistieken nogmaals zijn meegeteld na een geslaagde verwijdering.

In 2005 en 2006 hadden verschillende missies naar Marokko plaats om deze problematiek te bespreken. Daarnaast werd ook geregeld overleg gepleegd tussen de Dienst Vreemdelingenzaken, de Marokkaanse overheid en de luchtvaartmaatschappij Royal Air Maroc. Deze maatschappij voorziet in een bijzondere opleiding en bewustmaking van haar boordpersoneel.

De Dienst Vreemdelingenzaken streeft naar een snelle en degelijke follow-up van deze dossiers. Hij onderhoudt daarom, samen met de FOD Buitenlandse Zaken, regelmatige en grondige contacten met de diplomatieke en consulaire vertegenwoordiging van de diverse herkomstlanden in België. Er wordt geopteerd voor praktische werkafspraken over de terugname van illegale vreemdelingen. Daarnaast worden zowel op nationaal en Europees vlak als op dat van de Benelux, inspanningen geleverd om tot terugnameakkoorden te komen.

M. Yves Buysse (VL. BELANG). – Je regrette que les statistiques ne soient pas ventilées par compagnie aérienne.

Mes affirmations ne tombent pas du ciel. Notre groupe s’est rendu à Zaventem et les accusations à l’encontre de Royal Air Maroc nous ont été confirmées par les policiers qui assurent les escortes.

De heer Yves Buysse (VL. BELANG). – Ik dank de staatssecretaris voor het antwoord. Ik betreur het dat de cijfers niet werden opgesplitst per vliegtuigmaatschappij.

Mijn beweringen zijn niet uit de lucht gegrepen. Onze fractie heeft in januari een bezoek gebracht aan Zaventem en aan de dienst van de federale politie die zich met deze problematiek bezighoudt. We hebben die dag zelf kunnen vaststellen dat de uitwijzing via Royal Air Maroc mislukt is, terwijl de uitwijzingen via de andere luchtvaartmaatschappijen wel geslaagd zijn. De mensen die instaan voor de escortes hebben ons bevestigd dat dit een trend is. Daarom betreur ik het dat ik geen concretere cijfers heb gekregen.

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique et au ministre de l’Emploi sur «la validité d’une clause d’écolage fixée par un règlement» (nº 3-2166)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Werk over «de geldigheid van een scholingsbeding dat reglementair geregeld is» (nr. 3-2166)

M. le président. – M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre, répondra.

De voorzitter. – De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Je me réfère à ma question antérieure sur la clause d’écolage. Après avoir examiné la réponse fournie par le ministre le 15 février dernier, je dois malheureusement constater qu’elle soulève davantage de questions qu’elle n’offre de réponses.

Selon la loi du 27 décembre 2006 portant des dispositions diverses, certaines clauses d’écolage sont réputées inexistantes, notamment lorsque la formation dispensée au travailleur se situe dans le cadre légal ou réglementaire requis pour l’exercice de la profession.

Dans la réponse donnée le 15 février 2007, le ministre indique qu’il est possible de conclure une clause d’écolage valide pour une formation située dans un cadre légal ou réglementaire si le travailleur n’a pas été engagé initialement pour cette « fonction » déterminée.

On ne peut déduire cette distinction du texte légal. En effet, selon la loi, la clause d’écolage est réputée inexistante « lorsque la formation dispensée au travailleur se situe dans le cadre réglementaire ou légal requis pour l’exercice de la profession pour laquelle le travailleur a été engagé ».

Un pilote par exemple est engagé pour exercer le métier de pilote. Au cours de sa carrière, il exercera différentes « fonctions », comme second pilote plutôt que commandant de bord, ou pilote sur différents types d’avion. Un tel changement de fonction nécessite un écolage.

Le législateur n’apporte pas la nuance précisée par le ministre, à savoir que si on change de fonction à l’intérieur de la même profession, une clause d’écolage valide est nécessaire.

Selon moi, la loi indique clairement que si on est engagé, par exemple, comme pilote, aucune formation inscrite dans un cadre réglementaire ne peut faire l’objet d’une clause d’écolage, qu’il s’agisse d’une formation de commandant de bord ou de second pilote, ou d’une formation axée sur l’un ou l’autre type d’avion. Toutes les formations réglementairement définies existant dans le cadre d’une « profession » déterminée, à savoir la profession de pilote, sont en effet concernées.

Sur quelle base doit-on opérer une distinction entre diverses fonctions pouvant être exercées par une seule catégorie professionnelle ? La loi n’opère pas cette distinction.

Le ministre peut-il, le cas échéant, indiquer le critère sur la base duquel une distinction doit être établie, dans la pratique juridique, entre une profession et une fonction ?

Peut-être ai-je mal compris la réponse du ministre. Aucune formation réglementairement définie ne peut-elle faire l’objet d’une clause d’écolage ? Le ministre partage-t-il ce point de vue ?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Ik verwijs naar mijn voorgaande vraag inzake het scholingsbeding. Ik dien bij verder onderzoek van het door de Minister op 15 februari 2007 gegeven antwoord spijtig genoeg vast te stellen dat dit antwoord meer vragen oproept dan dat het antwoorden biedt.

De wet houdende diverse bepalingen van 27 december 2006 bepaalt dat sommige scholingsbedingen als onbestaande worden beschouwd, onder meer wanneer aan de werknemer een vorming wordt gegeven die voortvloeit uit een wettelijke of reglementaire bepaling om het beroep te mogen uitoefenen.

In zijn antwoord van 15 februari 2007 stelt de minister dat het mogelijk is een geldig scholingsbeding af te sluiten voor een wettelijk of reglementair opgelegde opleiding, indien de werknemer initieel niet voor die bepaalde ‘functie’ werd aangeworven.

Bij nalezing van de wetgeving kan men dit onderscheid echter niet uit de wettekst afleiden. De wet stelt immers zonder meer dat het scholingsbeding geacht wordt onbestaande te zijn ‘wanneer de aan de werknemer gegeven vorming voortvloeit uit een wettelijke of reglementaire bepaling om het beroep waarvoor de werknemer werd aangeworven uit te oefenen’.

Het beroep waarvoor bijvoorbeeld een piloot wordt aangeworven is piloot. De piloot zal gedurende zijn carrière verschillende ‘functies’ uitoefenen zoals bijvoorbeeld tweede piloot dan wel gezagvoerder of piloot op verschillende types vliegtuigen. Bij een dergelijke functiewijziging behoort een scholing.

De wetgever maakt niet de nuancering die de Minister blijkbaar maakt, namelijk dat als men binnen hetzelfde beroep van functie verandert, men een geldig scholingsbeding moet afsluiten.

De wet stelt mijns inziens duidelijk dat indien men bijvoorbeeld wordt aangeworven als piloot, geen enkele reglementair bepaalde opleiding het voorwerp kan uitmaken van een scholingsbeding, of het nu een opleiding zou betreffen van gezagvoerder of tweede piloot dan wel een opleiding op één type vliegtuig dan wel het andere type vliegtuig. Het betreft immers allemaal reglementair bepaalde opleidingen binnen een bepaald ‘beroep’, namelijk het beroep van piloot.

Op welke basis dient men een onderscheid te maken binnen verschillende functies die kunnen worden uitgeoefend door één beroepsgroep? De wet maakt immers dit onderscheid niet.

Kan de Minister in voorkomend geval het criterium aangeven op grond waarvan in de rechtspraktijk een onderscheid moet worden gemaakt tussen een beroep of een functie?

Begrijp ik het antwoord van de Minister verkeerd en kan geen enkele reglementair bepaalde opleiding het voorwerp uitmaken van een scholingsbeding? Gaat de Minister akkoord met deze laatste zienswijze?

M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre. – La loi du 27 décembre 2006 portant des dispositions diverses a réglé la clause d’écolage. Ces dispositions ont été insérées dans la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail. Il s’agit d’une donnée importante ; cela signifie en effet que les dispositions relatives à la clause d’écolage doivent être entendues dans le contexte de la loi relative aux contrats de travail.

Le contrat de travail est un contrat conclu entre l’employeur et le travailleur, contrat dans lequel les deux parties conviennent d’un certain nombre d’éléments, dont l’objet de leur contrat. Parmi les éléments auxquels les parties consacrent une grande attention dans la pratique, il faut citer la description de la tâche, la mission, l’ensemble des tâches, une définition de la fonction, la profession. La terminologie utilisée importe peu. Ce qui importe, c’est ce que les parties ont convenu et la manière dont elles l’ont fait. C’est dans ce contexte que les parties peuvent, le cas échéant, conclure une clause d’écolage.

Le nouvel article 22bis définit la clause d’écolage comme étant une clause par laquelle le travailleur bénéficiant, dans le cours de l’exécution de son contrat, d’une formation aux frais de l’employeur s’engage à rembourser à ce dernier une partie des frais de formation en cas de départ de l’entreprise avant l’expiration d’une période convenue.

Le paragraphe 4 du même article ajoute qu’une clause d’écolage est réputée inexistante « lorsque la formation dispensée au travailleur se situe dans le cadre réglementaire ou légal requis pour l’exercice de la profession pour laquelle le travailleur a été engagé ». En l’occurrence, ce sont les mots « la profession pour laquelle le travailleur a été engagé » qui sont importants ; ils renvoient à la définition inscrite dans le contrat de travail par les parties elles-mêmes.

Ce que les parties ont convenu sera important pour déterminer la validité d’une clause d’écolage. Ainsi, un employeur qui convient, avec son travailleur, d’une tâche déterminée en sachant que ce dernier n’a pas reçu la formation requise légalement, ne pourra pas conclure de clause d’écolage valide dans le cadre de cette formation, laquelle est nécessaire pour exécuter le contrat de travail tel que convenu.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – De wet houdende diverse bepalingen van 27 december 2006 heeft het scholingsbeding geregeld. Deze bepalingen werden ingevoegd in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Dit is een belangrijk gegeven, aangezien dit betekent dat de bepalingen inzake het scholingsbeding moeten begrepen worden in de context van de wet op de arbeidsovereenkomsten.

De arbeidsovereenkomst is een overeenkomst tussen werkgever en werknemer waarbij partijen een aantal zaken overeenkomen waaronder het voorwerp van hun overeenkomst. Tot de elementen waaraan partijen in de praktijk doorgaans heel wat aandacht besteden behoren: de omschrijving van de taak, de opdracht, het takenpakket, een functiebeschrijving, het beroep. Het woordgebruik doet weinig ter zake. Wat van belang is, is wat partijen zijn overeengekomen en hoe precies zij dit hebben gedaan. Het is in die context dat partijen in voorkomend geval een scholingsbeding kunnen sluiten.

Het nieuwe artikel 22bis omschrijft het scholingsbeding als het beding waarbij de werknemer, die gedurende de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst een opleiding volgt op kosten van de werkgever, zich ertoe verbindt om aan deze laatste een gedeelte van de opleidingskosten terug te betalen ingeval hij de onderneming verlaat voor het einde van de overeengekomen periode.

Paragraaf 4 van hetzelfde artikel voegt hieraan toe dat een scholingsbeding onbestaande is ‘wanneer de aan de werknemer gegeven opleiding voortvloeit uit een wettelijke of reglementaire bepaling om het beroep waarvoor de werknemer werd aangeworven uit te oefenen’. Van belang zijn hier de woorden ‘het beroep waarvoor de werknemer werd aangeworven’ waarmee wordt verwezen naar de invulling die door partijen zelf in hun arbeidsovereenkomst is gegeven.

Wat partijen zijn overeengekomen zal belangrijk zijn om na te gaan of er al dan niet geldig een scholingsbeding kan zijn. Zo zal bijvoorbeeld een werkgever die met zijn werknemer overeenkomt om een bepaalde taak uit te oefenen wetende dat deze werknemer niet de wettelijk vereiste opleiding heeft genoten, geen geldig scholingsbeding kunnen sluiten naar aanleiding van het volgen van die opleiding, nodig om de arbeidsovereenkomst uit te oefenen zoals overeengekomen.

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique et au ministre de l’Emploi sur «l’entrée en vigueur des dispositions concernant la clause d’écolage» (nº 3-2167)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Werk over «de inwerkingtreding van de bepalingen inzake het scholingsbeding» (nr. 3-2167)

M. le président. – M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre, répondra.

De voorzitter. – De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Je renvoie à ma question précédente sur la clause d’écolage. La réponse apportée par le ministre le 15 février 2007 ne me donne malheureusement pas satisfaction.

Une fois de plus, je dois donc constater que les lois portant des dispositions diverses contiennent une foule d’articles n’ayant pas fait l’objet d’un débat parlementaire sérieux et qui donnent ensuite lieu à une grande incertitude dans la pratique judiciaire.

Les articles 179 et 180 de la loi du 27 décembre 2006 portant des dispositions diverses insèrent dans la loi du 3 juillet 1978, un article 22bis relatif à la clause d’écolage.

Quant à l’entrée en vigueur de cet article 22bis, le ministre dit dans sa réponse que la loi exécute une mesure du Pacte de solidarité entre les générations visant à encourager la formation des travailleurs et par conséquent, faciliter leur mise au travail.

Le ministre dit aussi que l’article 22bis n’est pas applicable aux contrats conclus avant l’entrée en vigueur de l’article 22bis, sans donner à cela la moindre explication.

L’article 22bis étant une mesure qui touche à l’ordre public, il est d’application directe sur les contrats existants. Je peux renvoyer à ce sujet à des arrêts récents de la Cour de cassation, tels que l’arrêt du 17 décembre 2004 et du 15 septembre 2005.

Le ministre a-t-il tenu compte de cette jurisprudence de la Cour de cassation en répondant à la question posée ?

Estime-t-il que l’article 22bis, qui vise pourtant la formation des travailleurs et par conséquent, leur meilleure adaptabilité au marché du travail, ne concerne pas l’ordre public ?

Ou bien y a-t-il d’autres raisons qui amènent le ministre à décider que l’article 22