|
Présidence de
Mme Anne-Marie Lizin
(La séance est ouverte à
15 h 05.)
|
Voorzitter: mevrouw Anne-Marie
Lizin
(De vergadering wordt geopend om
15.05 uur.)
|
|
Désignation
d’experts par le Sénat pour les prochaines élections
|
Aanwijzing
van deskundigen door de Senaat voor de aanstaande verkiezingen
|
|
Mme la présidente.
– L’article 5bis de la loi du
11 avril 1994 organisant le vote automatisé,
règle la désignation des experts chargés de
contrôler l’utilisation et le fonctionnement des
systèmes de vote et de dépouillement automatisés
lors des élections législatives des conseils de
région et de communauté, du Parlement européen,
ainsi que des conseils provinciaux, communaux, de district et de
l’aide sociale.
|
De voorzitter. –
Artikel 5bis van de wet van 11 april 1994
tot organisatie van de geautomatiseerde stemming, regelt de
aanwijzing van de deskundigen belast met de controle op het
gebruik en de werking van de geautomatiseerde stemmings- en
stemopnemingssystemen bij de parlementsverkiezingen, de
verkiezingen voor de gewest- en gemeenschapsraden, en voor het
Europees Parlement, alsook bij de verkiezingen voor de
provincie-, gemeente-, districts- en OCMW-raden.
|
|
La Chambre des représentants,
le Sénat et le Parlement de la Région
Bruxelles-Capitale peuvent désigner chacun deux experts
effectifs et deux suppléants.
|
De Kamer van
volksvertegenwoordigers, de Senaat en het Brussels Hoofdstedelijk
Parlement kunnen elk twee effectieve deskundigen en twee
plaatsvervangers aanwijzen.
|
|
Par lettre du 12 février 2007,
le ministre de l’Intérieur a demandé au Sénat
de désigner des experts dans la perspective des prochaines
élections des Chambres législatives fédérales.
|
De minister van Binnenlandse Zaken
heeft bij brief van 12 februari 2007 de Senaat verzocht
deskundigen aan te wijzen in het vooruitzicht van de volgende
verkiezingen voor de Federale Wetgevende Kamers.
|
|
Le Bureau propose de désigner
les fonctionnaires suivants comme experts effectifs :
|
Het Bureau stelt voor dat de Senaat
de volgende ambtenaren als effectieve deskundigen aanwijst:
|
|
– M. Wim Verhaest,
premier conseiller de direction ;
|
– De heer Wim
Verhaest, eerste directieraad;
|
|
– M. Emmanuel Willems,
premier conseiller de direction. (Assentiment)
|
– De heer Emmanuel
Willems, eerste directieraad. (Instemming)
|
|
Prise
en considération de propositions
|
Inoverwegingneming
van voorstellen
|
|
Mme la présidente.
– La liste des propositions à prendre en
considération a été distribuée.
Je prie les membres qui auraient des
observations à formuler de me les faire connaître
avant la fin de la séance.
Sauf suggestion divergente, je
considérerai ces propositions comme prises en
considération et renvoyées à la commission
indiquée par le Bureau. (Assentiment)
|
De voorzitter. – De
lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.
Leden die opmerkingen mochten
hebben, kunnen die vóór het einde van de
vergadering mededelen.
Tenzij er afwijkende suggesties
zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen
en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn
aangewezen. (Instemming)
|
|
(La liste des propositions prises
en considération figure en annexe.)
|
(De lijst van de in overweging
genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)
|
|
Projet
de loi modifiant le Code judiciaire, notamment les dispositions
relatives au personnel judiciaire de niveau A, aux greffiers
et aux secrétaires ainsi que les dispositions relatives à
l’organisation judiciaire (Doc. 3-2009)
|
Wetsontwerp
tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met
betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het
niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de
rechterlijke organisatie (Stuk 3-2009)
|
|
Proposition
de renvoi
|
Voorstel
tot terugzending
|
|
M. Luc
Willems (VLD). – Étant donné que le
gouvernement a encore déposé des amendements à
ce projet, il nous semble indiqué de renvoyer le projet à
la commission qui peut éventuellement encore être
convoquée cette après-midi. Peut-être que le
président de la commission qui vient juste d’arriver
pourra nous en dire plus à ce sujet.
|
De heer Luc Willems
(VLD). – Aangezien de regering nog amendementen op dit
ontwerp heeft ingediend, lijkt het ons aan te bevelen het ontwerp
terug te zenden naar de commissie die eventueel vanmiddag nog kan
worden bijeengeroepen. Misschien kan de voorzitter van de
commissie, die zojuist aankomt, daarover meer uitsluitsel geven.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Je suis favorable à
une réunion de la commission cette après-midi.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Ik vind het een goed idee om
de commissie daarvoor vanmiddag bijeen te roepen.
|
|
– Le renvoi est ordonné.
|
– Tot terugzending wordt
besloten.
|
|
Motion
d’ordre
|
Motie
van orde
|
|
M. Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – Je constate que
la commission de l’Intérieur a été
convoquée pour cette après-midi et aussi que
l’ordre du jour a été envoyé à
temps. Cela m’étonne car je pensais que les
commissions n’étaient pas censées se réunir
lorsqu’il y avait séance plénière,
sauf en cas d’urgence, par exemple lorsque des
modifications techniques doivent encore être apportées
rapidement. À l’ordre du jour de la commission
convoquée figure une proposition qui n’est pas
vraiment insignifiante et j’estime dès lors qu’elle
ne doit pas se dérouler en même temps que la séance
plénière. Le Sénat est maître de ses
travaux et il peut donc décider que cette réunion
de commission ne doit pas avoir lieu.
|
De heer Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – Ik stel vast dat
de commissie voor de Binnenlandse Zaken voor vanmiddag is
bijeengeroepen en ook dat de agenda op tijd is verstuurd. Toch
verwondert die bijeenroeping me, want ik dacht dat het de regel
is dat commissies niet vergaderen als er plenaire vergadering is,
tenzij het om een spoedbehandeling gaat, bijvoorbeeld als er vlug
nog technische aanpassingen moeten gebeuren. Op de agenda van de
bijeengeroepen commissie staat een voorstel dat echt niet
onbelangrijk is en ik vind het dan ook niet wenselijk die
commissievergadering te laten samenvallen met de plenaire
vergadering. De Senaat is meester over zijn eigen werkzaamheden
en kan dus beslissen die commissievergadering niet te laten
doorgaan.
|
|
Mme la présidente.
– Je poserai la question au président de la
commission de l’Intérieur.
|
De voorzitter. – Ik zal
de vraag stellen aan de voorzitter van de commissie voor de
Binnenlandse Zaken.
|
|
Questions
orales
|
Mondelinge
vragen
|
|
Question
orale de M. François Roelants du Vivier à
la vice-première ministre et ministre de la Justice et au
vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur
«la conférence que vient
donner ce jeudi 15 février à Bruxelles Yusuf
Halaçoğlu» (nº 3-1410)
|
Mondelinge
vraag van de heer François Roelants du Vivier
aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de
conferentie die Yusuf Halaçoğlu op deze donderdag
15 februari komt geven in Brussel» (nr. 3-1410)
|
|
Question
orale de M. Josy Dubié à la vice-première
ministre et ministre de la Justice sur «l’organisation
à Bruxelles d’un meeting négationniste du
génocide arménien» (nº 3-1414)
|
Mondelinge
vraag van de heer Josy Dubié aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie over «de
organisatie van een negationistische meeting betreffende de
Armeense genocide in Brussel» (nr. 3-1414)
|
|
Mme la présidente.
– Je vous propose de joindre ces questions orales.
(Assentiment)
|
De voorzitter. – Ik
stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)
|
|
M. Marc Verwilghen, ministre de
l’Économie, de l’Énergie, du Commerce
extérieur et de la Politique scientifique, répondra.
|
De heer Marc Verwilghen,
minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en
Wetenschapsbeleid, antwoordt.
|
|
M. François
Roelants du Vivier (MR). – Mme Onkelinx
a certainement vu, sur les vitrines d’un certain nombre de
commerces de sa commune, Schaerbeek, et de Saint-Josse, une
affiche annonçant que le professeur Halaçoğlu,
président de la Société turque d’Histoire,
connu pour des faits avérés de négationnisme
du génocide des Arméniens, donnerait
aujourd’hui en Belgique une conférence intitulée :
« Regard sur le prétendu génocide
arménien ». Cette conférence est
organisée par et dans les locaux de la Diyanet, une
fondation religieuse bien connue pour être le paravent par
lequel l’État turc contrôle sa diaspora. J’ai
appris avec stupéfaction que l’organisation à
l’origine de cette conférence, « l’association
pour la pensée d’Atatürk »,
bénéficie des subsides de l’ORBEM, sous
tutelle du ministre de l’Emploi Benoît Cerexhe,
subsides grâce auxquels elle finance ses activités.
Je me permets de rappeler que notre
assemblée a publiquement reconnu le génocide des
Arméniens commis par l’Empire ottoman en 1915.
Je demande solennellement à
la ministre de la Justice de prendre les mesures nécessaires,
en concertation avec son collègue de l’Intérieur,
afin d’interdire cette manifestation publique qui ne peut
que créer des troubles entre les communautés vivant
dans notre pays et inciter à la haine.
Je désire également
savoir où en sont les réflexions de la ministre sur
le projet de pénalisation des négationnismes
avérés, à savoir à côté
de la Shoah, le génocide des Arméniens et celui des
Tutsis et des Hutus modérés. La ministre ne
pense-t-elle pas que, face au cas de figure que nous connaissons
aujourd’hui, une plus grande rapidité dans la
modification de la loi lui aurait donné des instruments
juridiques clairs pour éviter ce genre de discours sur
notre sol ?
|
De heer François
Roelants du Vivier (MR). – Mevrouw Onkelinx
heeft zeker de affiches gezien op de ramen van een aantal
handelszaken van haar gemeente Schaarbeek en van
Sint-Joost-ten-Node met de aankondiging dat professor Halaçoğlu,
voorzitter van de Turkse Geschiedkundige vereniging en bekend
voor zijn negationistische uitspraken over de Armeense genocide,
vandaag in België een voordracht geeft met als titel: ‘Blik
op de zogenaamde Armeense genocide.’ De voordracht is
georganiseerd door en vindt plaats in de lokalen van
Diyanet, een religieuze stichting die bekend staat als een
dekmantel waarmee de Turkse Staat zijn diaspora controleert. Ik
heb met verbazing kennis genomen van het feit dat de organisatie
die aan de oorsprong van de voordracht ligt, de Vereniging voor
het gedachtegoed van Atatürk, subsidies krijgt van de BGDA,
die onder toezicht staat van minister van Werk Benoît
Cerexhe. Met die subsidies financiert zij haar activiteiten.
Ik herinner
eraan dat onze assemblee de genocide op de Armeniërs door
het Ottomaanse rijk in 1915 heeft erkend.
Ik vraag de
minister van Justitie om, in overleg met haar collega van
Binnenlandse Zaken, de nodige maatregelen te nemen om deze
manifestatie te verbieden, omdat ze enkel voor problemen kan
zorgen tussen de gemeenschappen die in ons land wonen, en
aanspoort tot haat.
Wat denkt de
minister over het ontwerp om negationisme te bestraffen, dus
naast de Shoah ook de genocide op de Armeniërs en op de
Tutsi’s en gematigde Hutu’s? Meent ze niet dat een
snellere wijziging van de wet haar duidelijke juridische
instrumenten in handen had gegeven om een dergelijke voordracht
op ons grondgebied te voorkomen?
|
|
M. Josy Dubié
(ECOLO). – Je souscris entièrement à
l’intervention de M. Roelants du Vivier.
Cette conférence qui se tient
ce soir est totalement inacceptable et constitue une provocation.
Le tract qui appelle au meeting est intitulé, assez
sinistrement : « Regard sur le soi-disant
génocide arménien ».
Monsieur le ministre, il s’agit
d’une insulte à la mémoire de plus d’un
million de victimes qui ont perdu la vie dans ce génocide
aujourd’hui non discutable sur le plan historique. Comme
l’a rappelé mon collègue, non seulement le
Sénat l’a reconnu mais également l’Union
européenne et les Nations unies.
Je souhaiterais que la ministre de
la Justice nous dise si le gouvernement considère qu’il
y a effectivement eu un génocide arménien et, le
cas échéant, qu’il s’engage à
prendre toutes les mesures nécessaires pour éviter
de souiller une fois de plus la mémoire des victimes de
cet atroce massacre, victimes dont de nombreux descendants vivent
en Belgique. Je rappelle qu’en 1939, Hitler avait dit en
envisageant déjà le génocide du peuple juif
et des tziganes : « Qui se souvient encore
aujourd’hui du génocide arménien ? »
J’espère que nous nous en souviendrons et que nous
ferons en sorte d’empêcher ce type de négationnisme
dans notre pays.
|
De heer Josy
Dubié (ECOLO). – Ik sluit me aan bij
de heer Roelants du Vivier.
De voordracht
die vanavond plaatsvindt, is volledig onaanvaardbaar en is een
provocatie. Het pamflet dat oproept tot de meeting, heeft de
nogal sinistere titel: ‘Blik op de zogenaamde Armeense
genocide.’
Het gaat om
een belediging van de nagedachtenis van meer dan een miljoen
slachtoffers die het leven lieten in die genocide die vandaag
niet meer ter discussie wordt gesteld. Niet alleen de Senaat
heeft die erkend, ook de EU en de VN.
Kan de
minister van Justitie ons zeggen of de regering meent dat er
inderdaad een Armeense genocide heeft plaatsgevonden en zo ja, of
zij alle nodige maatregelen zal nemen om te voorkomen dat eens te
meer de nagedachtenis van de slachtoffers van die afgrijselijke
slachting wordt besmeurd, slachtoffers waarvan vele nakomelingen
in België wonen. Ik herinner eraan dat Hitler al in 1939,
met het oog op de komende genocide op het Joodse volk en de
zigeuners, zei: ‘Wie herinnert zich vandaag nog de Armeense
genocide?’ Ik hoop dat wij ons die zullen blijven
herinneren en dat wij dergelijk negationisme in België
zullen verhinderen.
|
|
M. Marc Verwilghen,
ministre de l’Économie, de l’Énergie,
du Commerce extérieur et de la Politique scientifique. –
Je vous lis la réponse de la ministre.
Je n’ai pas vu les affiches
dont il est question. Cependant, j’ai été
informée par mes services que cette conférence
devait avoir lieu aujourd’hui à
Saint-Josse-ten-Noode.
Selon les renseignements qui m’ont
été communiqués par la direction de la
police locale, il apparaît que la conférence se
tiendra dans une salle privée et non sur la voie publique.
Par conséquent, elle ne peut être interdite d’office
par l’autorité locale en l’absence de troubles
de l’ordre public. Je tiens à préciser que si
les propos racistes et xénophobes sont effectivement
interdits et punissables légalement, une manifestation ne
peut être interdite que lorsqu’elle crée des
troubles de l’ordre sur la voie publique. Il n’appartient
pas au ministre de l’Intérieur de se substituer à
l’autorité locale en la matière et en absence
de troubles publics.
En ce qui concerne la question du
génocide en tant que tel et de sa pénalisation, ma
position n’a pas changé d’une virgule depuis
que nous en avons discuté ici même en mai 2005.
À l’époque, je disais ce qui suit :
« Pour être totalement claire par rapport à
un débat qui s’est essentiellement déroulé
dans la presse ces derniers temps, je tiens à préciser
au sujet des massacres et des déportations qui se sont
déroulés en Turquie ottomane en 1915 qu’à
titre personnel et en temps que femme politique, je souscris
totalement à la résolution adoptée par le
Sénat en 1997 à l’initiative du sénateur
socialiste Mahoux. Ces faits correspondent bien, selon moi, aux
critères énoncés en 1948 par la Convention
des Nations unies pour la prévention et la répression
du crime de génocide, pour définir le crime de
génocide. Mais, au nom de la séparation des
pouvoirs, je me refuse de voir initier des poursuites sur la base
de l’opinion d’un homme ou d’une femme
politique ou sur la base d’une décision ou une
résolution prise par un organe politique ».
Je ne pouvais donc me rallier aux
amendements déposés par le groupe ECOLO et par
certains sénateurs du MR en la matière. En effet,
ces amendements prévoyaient la possibilité
d’engager des poursuites pour négationnisme sur la
base de résolutions ou d’autres décisions
adoptées par des parlements. J’y voyais – et
j’y vois toujours – « une double violation
du principe de séparation des pouvoirs : non
seulement, parce que ce serait une décision du pouvoir
législatif qui permettrait l’enclenchement du
processus répressif, mais surtout parce que le pouvoir
législatif s’approprierait la capacité de
qualifier des faits en infractions internationales et que cette
qualification servirait, comme je viens de le dire, de base à
des poursuites répressives ».
Comme je l’ai déjà
dit en réponse à la question écrite nº 4.738
de M. Roelants du Vivier, le groupe de travail
législation de la Commission interministérielle de
droit international humanitaire s’est penché sur la
problématique de la sanction du négationnisme en
droit belge. Il a débuté ses travaux par
l’identification de toutes les questions techniques qu’il
convient d’aborder pour rendre au gouvernement un avis
circonstancié et présenter des propositions
législatives utiles. Le groupe de travail a ensuite entamé
un examen de droit comparé par le biais de nos postes
diplomatiques dans les 45 autres États membres du Conseil
de l’Europe. Il a ensuite identifié les
représentants de la société civile qu’il
convenait d’auditionner avant d’entendre les panels
d’experts que le Sénat avait souhaité que
l’on consulte.
Le groupe a ensuite établi
une liste d’experts et de spécialistes pouvant
participer aux panels d’experts demandés par le
Sénat. Un mois minimum a été accordé
aux experts pour leur permettre de se préparer et de
fournir éventuellement une analyse écrite au groupe
de travail. Les panels ont été entendus durant le
mois de mai, mais étant donné leurs divergences de
vues, la consultation s’est poursuivie en juin, au-delà
de la date prévue pour la réunion trimestrielle de
la commission plénière, et ce en raison de l’agenda
des experts consultés.
Ainsi, depuis le début du
mois de mai, le groupe de travail a entendu un juriste
internationaliste, un spécialiste du droit des médias
et de la communication, quatre historiens, deux spécialistes
des droits de l’homme, deux diplomates, un sociologue, un
psychologue et un philosophe. Il a également reçu
la contribution écrite d’un autre juriste
internationaliste et d’une pénaliste qui n’avaient
pu être entendus. Un expert a formulé le souhait de
transmettre une contribution détaillée dans les
semaines à venir.
La Commission interministérielle
de droit humanitaire n’a donc pu obtenir, lors de sa séance
plénière du mois de juin, qu’un rapport
intermédiaire oral faisant le point sur l’avancement
des travaux du groupe de travail.
Le groupe de travail a également
commencé, sur la base des informations recueillies par les
postes diplomatiques, à examiner les législations
ou tentatives de législation menées dans d’autres
pays européens sur le même thème.
Lors de la réunion plénière
de la Commission du 12 décembre 2006, le groupe
de travail, soucieux de poursuivre ses travaux, a présenté
un rapport oral succinct et proposé, afin de progresser
sur le fond du dossier, d’entamer l’examen de pistes
législatives éventuelles visant à adapter le
droit belge en la matière, sans attendre la rédaction
des procès-verbaux précités.
Le rapport écrit global
contiendra donc à la fois les documents de travail de la
Commission et ses conclusions.
J’informerai bien évidemment
le Sénat de l’avancée des travaux de la
Commission.
|
De heer Marc
Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse
Handel en Wetenschapsbeleid. – Ik lees het antwoord van de
minister.
Ik heb de
affiches waarvan sprake niet gezien. Ik ben er door mijn diensten
wel over ingelicht dat deze voordracht vanavond plaatsvindt in
Sint-Joost-ten-Node.
Volgens de
informatie die mij door de lokale politie werd verstrekt, zal de
bijeenkomst in een privézaal plaatsvinden en niet op de
openbare weg. Ze kan dan ook niet van rechtswege door de lokale
overheid worden verboden wanneer er geen verstoring van de
openbare orde is. Racistische en xenofobe uitlatingen zijn
strafbaar, maar een bijeenkomst kan slechts worden verboden
wanneer ze de orde verstoort op de openbare weg. De minister van
Binnenlandse Zaken is niet bevoegd zich in de plaats te stellen
van de lokale overheid wanneer er geen ordeverstoring is.
Wat de
genocide en haar bestraffing betreft, is mijn houding niet
veranderd sinds wij hier daarover in mei 2005
discussieerden. Toen zei ik het volgende: ‘Om duidelijk te
zijn in een debat dat de laatste tijd vooral in de pers is
gevoerd, wil ik preciseren dat ik zelf, als politica, de
resolutie over de slachtpartijen en deportaties in Ottomaans
Turkije in 1915, die de Senaat in 1997 goedkeurde op voorstel van
senator Mahoux, volledig onderschrijf. Die feiten beantwoorden
volgens mij aan de criteria die zijn opgesomd in de VN-Conventie
van 1948 voor de voorkoming en bestraffing van de misdaad van
genocide om dit als een genocide te omschrijven. Conform het
beginsel van de scheiding der machten weiger ik echter
vervolgingen te doen instellen op grond van de mening van een man
of vrouw of op grond van een beslissing of resolutie van een
politiek orgaan.’
Ik kon dus
niet akkoord gaan met de door Ecolo en sommige senatoren van de
MR ingediende amendementen. Die amendementen hielden de
mogelijkheid in om vervolgingen in te stellen voor negationisme
op basis van resoluties of andere beslissingen van parlementen.
Ik zag en zie er een dubbele overtreding van het beginsel van de
scheiding der machten in. Niet alleen zou een besluit van de
wetgevende macht daardoor een proces van bestraffing op gang
kunnen brengen, maar de wetgevende macht zou zich daarmee vooral
de bevoegdheid toe-eigenen om de feiten te kwalificeren als
internationale misdrijven en deze kwalificatie zou de basis
kunnen vormen voor strafvervolgingen.
Zoals ik
antwoordde op schriftelijke vraag nr. 4738 van
de heer Roelants du Vivier heeft de werkgroep wetgeving
van de Interministeriële commissie voor internationaal
humanitair recht zich gebogen over de bestraffing van
negationisme in België. Die is begonnen met een inventaris
van alle technische problemen die moeten worden aangepakt voordat
een omstandig advies aan de regering kan worden gegeven en
bruikbare wetsvoorstellen kunnen worden voorgesteld. De werkgroep
heeft vervolgens een rechtsvergelijkend onderzoek opgestart via
onze diplomatieke posten in de 45 andere lidstaten van de Raad
van Europa. Hij heeft nadien een lijst gemaakt van
vertegenwoordigers van de civiele maatschappij die konden worden
gehoord alvorens experts te horen die de Senaat wenste te
raadplegen.
Daarna heeft
de werkgroep een lijst van deskundigen opgesteld die zitting
konden hebben in de panels van experts waar de Senaat om vroeg.
Aan de experts werd minimaal een maand de tijd gegeven om zich
voor te bereiden en eventueel een schriftelijke analyse aan de
werkgroep te bezorgen. De panels werden tijdens de maand mei
gehoord, maar wegens hun uiteenlopende visies werd de raadpleging
in juni voortgezet, later dan de vooropgestelde datum voor de
driemaandelijkse bijeenkomst van de plenaire commissie, en dat
wegens de agenda van de geraadpleegde experts.
Sinds begin
mei heeft de werkgroep een specialist internationaal recht, een
specialist mediarecht, vier historici, twee
mensenrechtenspecialisten, twee diplomaten, een socioloog, een
psycholoog en een filosoof gehoord. Hij heeft ook de
schriftelijke bijdrage ontvangen van een andere specialist
internationaal recht en van een specialist strafrecht die niet
konden worden gehoord. Eén expert wenst in de komende
weken een gedetailleerde bijdrage te bezorgen.
De
Interministeriële commissie voor humanitair recht heeft dus
tijdens zijn plenaire vergadering van juni slechts een mondeling,
tussentijds rapport gekregen over de voortgang van de
werkzaamheden van de werkgroep.
De werkgroep
is ook begonnen, op basis van de door de diplomatieke posten
verzamelde informatie, de wetgeving of pogingen tot wetgeving
over dit onderwerp in andere Europese landen te onderzoeken.
Tijdens de
plenaire vergadering van de commissie van 12 december 2006
heeft de werkgroep een beknopt mondeling rapport voorgesteld en
de idee geopperd, om het dossier te doen vooruitgaan, te beginnen
met het onderzoek naar mogelijke wetgevende oplossingen om het
Belgische recht ter zake aan te passen zonder te wachten op de
opstelling van de vermelde processen-verbaal.
Het volledige
schriftelijke rapport zal dus tegelijk de werkdocumenten van de
commissie en de conclusies bevatten.
Ik zal de
Senaat uiteraard op de hoogte houden van de voortgang van de
werkzaamheden van de commissie.
|
|
M. François
Roelants du Vivier (MR). – Tout d’abord,
je me réjouis que les élections communales étant
terminées, Mme la ministre de la Justice considère
la résolution du Sénat comme pertinente.
Ma deuxième question
concernait précisément l’arrivée à
Bruxelles de la personne qui tiendra une conférence cet
après-midi. Je rappelle que cette personne est poursuivie,
en Suisse, pour incitation à la haine raciale. En tant que
ministre des Cultes, que compte faire la ministre de la Justice
au sujet d’associations religieuses qui sortent de leur
domaine ?
Par ailleurs, je n’ai pas reçu
de réponse à ma question concernant le fait que
face à ce cas de figure, une modification de la loi aurait
fourni au gouvernement des instruments juridiques permettant
d’éviter ce genre de discours.
Enfin, j’apprends que la
Commission interministérielle de droit humanitaire
poursuit ses travaux en présentant des rapports oraux.
J’espère disposer, un jour, d’un rapport
écrit ! J’espère aussi que la ministre
de la Justice aura à cœur, comme elle l’a
promis, de transmettre régulièrement des
informations au Sénat.
|
De heer François
Roelants du Vivier (MR). – Ik verheug me
erover dat, nu de gemeenteraadsverkiezingen achter de rug zijn,
de minister van Justitie de resolutie van de Senaat relevant
vindt.
Mijn tweede
vraag ging over de aankomst in Brussel van de man die vanmiddag
een voordracht zal geven. Ik herinner eraan dat die man in
Zwitserland wordt vervolgd voor aanzetting tot rassenhaat. Wat
denkt de minister van Justitie, als minister van de erediensten,
te doen aan religieuze verenigingen die buiten hun domein actief
zijn?
Ik kreeg geen
antwoord op mijn vraag of in dergelijke gevallen een
wetswijziging de regering de nodige juridische instrumenten zou
hebben gegeven om zulke redevoeringen te voorkomen.
Ik verneem ten
slotte dat de Interministeriële commissie voor humanitair
recht haar werkzaamheden voortzet met de voorstelling van twee
mondelinge rapporten. Ik hoop ooit over een schriftelijk rapport
te kunnen beschikken. Ik hoop ook dat de minister van Justitie,
zoals beloofd, geregeld informatie aan de Senaat zal bezorgen.
|
|
M. Josy Dubié
(ECOLO). – Pour ma part, je suis satisfait de la
première partie de la réponse. Au nom du
gouvernement, la ministre réaffirme, et je m’en
félicite, que la position adoptée par le Sénat
belge – reconnaître le génocide arménien
– est bel et bien celle du gouvernement.
Toutefois, comme mon collègue
M. Roelants du Vivier, je suis quelque peu inquiet de la
lenteur des travaux en cours visant à doter l’ensemble
des institutions des instruments juridiques nécessaires.
Je pense notamment aux bourgmestres, car à partir du
moment où ceux-ci sont interpellés, ils doivent
disposer des moyens d’action ad hoc.
Tous les pouvoirs belges doivent
disposer de ces instruments juridiques pour pouvoir s’opposer
à ce genre de pratiques négationnistes qui
constituent une véritable insulte, je le rappelle, aux
milliers de Belges d’origine arménienne vivant dans
notre pays et, en particulier, à Saint-Josse.
|
De heer Josy
Dubié (ECOLO). – Ik ben tevreden over het eerste
deel van het antwoord. Namens de regering bevestigt de minister
nogmaals dat de door de Senaat aangenomen houding, de erkenning
van de Armeense genocide, ook die van de regering is.
Toch ben ik,
zoals collega Roelants du Vivier, een beetje ongerust over de
traagheid van de werkzaamheden die onze instellingen de nodige
juridische instrumenten moeten bezorgen. Ik denk met name aan de
burgemeesters. Zodra zij worden aangesproken, moeten zij over
passende instrumenten beschikken.
Alle Belgische
overheden moeten over die juridische instrumenten beschikken om
zich te kunnen weren tegen dat soort negationistische praktijken,
die een echte belediging betekenen voor de duizenden Belgen van
Armeense origine in België en in het bijzonder in
Sint-Joost-ten-Node.
|
|
Question
orale de M. Stefaan Noreilde au secrétaire d’État
aux Entreprises publiques sur «les canaux de distribution
des produits ferroviaires» (nº 3-1413)
|
Mondelinge
vraag van de heer Stefaan Noreilde aan de
staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over «de
distributiekanalen voor spoorproducten» (nr. 3-1413)
|
|
M. Stefaan
Noreilde (VLD). – Dans une interview accordée en
début de semaine, le grand patron de la SNCB, Leo Pardon,
évoquait la vente de produits ferroviaires par d’autres
canaux que les guichets de gare. Il indiquait notamment que les
chaînes de grands magasins demandent régulièrement
à pouvoir offrir de tels produits, mais que, conformément
au contrat de gestion, les guichets de gare doivent avoir la
priorité. L’objectif serait aussi une disparition
progressive des contrats existant entre la SNCB et les vendeurs
de journaux.
L’article 20
du contrat de gestion précise en effet que les gares sont
les points de vente privilégiés des titres de
transport. Cependant, il y est aussi indiqué que la SNCB
étudie l’utilité et la faisabilité
d’une extension de la distribution externe de ses produits
de base habituels, à titre complémentaire par
rapport à la vente en gare, mais que la diffusion
géographique doit être importante et que les points
de vente doivent être d’accès facile.
À
La Poste, on n’est absolument pas opposé aux
canaux de vente externes. Après avoir mené avec
succès un projet pilote, l’entreprise offre de plus
en plus de produits postaux dans les points poste situés
dans les grandes surfaces, les banques, etc.
1. Les
résultats de l’étude concernant l’utilité
et la faisabilité d’une extension de la distribution
externe des produits de base habituels sont-ils déjà
connus ? Dans l’affirmative, de quels canaux de vente
complémentaires s’agit-il et quand seront-ils
opérationnels ? Dans la négative, dans quel
délai le secrétaire d’État
recevra-t-il les résultats de cette étude ?
2. Que pense
le secrétaire d’État de la vente de produits
ferroviaires dans les stations-service, les grandes surfaces, les
banques et les magasins ?
|
De heer Stefaan
Noreilde (VLD). – In een interview begin deze week
heeft NMBS-topman Leo Pardon het over de verkoop van
spoorproducten via andere kanalen dan de stationsloketten. Zo
wijst de heer Pardon erop dat warenhuisketens geregeld
vragen NMBS-producten te mogen aanbieden, maar dat de
beheersovereenkomst voorschrijft dat de voorkeur moet gaan naar
de stationsloketten. Het zou ook de bedoeling zijn de bestaande
overeenkomsten tussen de NMBS en dagbladhandelaars stilaan te
laten uitdoven.
In artikel 20 van de
beheersoverkomst staat inderdaad dat de stations de bevoorrechte
punten voor de verkoop van vervoersbewijzen zijn. Er staat echter
ook in dat de NMBS het nut en de haalbaarheid bestudeert van een
uitbreiding van de externe distributie voor haar gewone
basisproducten, als aanvulling op de verkoop in de stations, maar
dat die distributie geografisch sterk gespreid moet zijn en de
verkooppunten gemakkelijk toegankelijk moeten zijn.
Bij De Post staat men helemaal
niet afkerig tegenover externe verkoopkanalen. Na een succesvol
proefproject biedt het bedrijf steeds meer postproducten aan via
de zogenaamde Postpunten in grootwarenhuizen, banken enzovoort.
1. Zijn de resultaten van de studie
over het nut en de haalbaarheid van een uitbreiding van de
externe distributie voor gewone basisproducten al bekend? Zo ja,
over welke extra verkoopkanalen gaat het en tegen wanneer zullen
die operationeel zijn? Zo neen, wanneer verwacht de
staatssecretaris de resultaten van die studie?
2. Wat denkt de staatssecretaris
over de verkoop van spoorproducten in tankstations,
grootwarenhuizen, banken, winkels?
|
|
M. Bruno
Tuybens, secrétaire d’État aux
Entreprises publiques, adjoint à la ministre du Budget et
de la Protection de la consommation. – L’article 20
du contrat de gestion stipule en effet que les gares sont les
points de vente privilégiés des titres de
transport. Je ne dispose pas encore des résultats de
l’étude et la SNCB n’a pas fixé de date
butoir à cet égard.
Comme le
prévoit le contrat de gestion, l’extension du réseau
de distribution à d’autres canaux que les guichets
doit être étudiée en fonction de l’intérêt
pour le client.
La comparaison
avec les bureaux de poste et les points poste n’est pas
tout à fait valable. Dans le cas du train, le lien
physique est évident. La gare jouxte la voie ferrée
et constitue une porte d’entrée par laquelle le
voyageur accède aux voies et au train. Il en va autrement
des produits postaux. Si on se place sous le seul angle de
l’activité de vente, il n’y a aucun lien entre
l’endroit où le client, par exemple, achète
un timbre et celui où il poste sa lettre.
Actuellement,
les Key Cards, les Go Pass et les
Rail Pass sont en vente auprès de certains
marchands de journaux et bureaux de poste.
|
De heer Bruno Tuybens,
staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de
minister van Begroting en Consumentenzaken. – Artikel 20
van het beheerscontract stipuleert inderdaad dat de stations de
bevoorrechte verkooppunten zijn voor de vervoersbewijzen. Ik
beschik op het ogenblik nog niet over de resultaten van de
studie. Evenmin werd vanuit de NMBS een datum in het vooruitzicht
gesteld wanneer de studie afgerond zal zijn.
De uitbreiding van het
distributienetwerk via andere kanalen dan de loketten dient te
worden onderzocht met het belang van de klant voor ogen, zoals
bepaald in het beheerscontract.
Ik denk dat de vergelijking met de
postkantoren en de postpunten niet helemaal opgaat. De fysieke
link in het geval van de trein is overduidelijk. Een station ligt
nu eenmaal dichtbij het spoor en fungeert als toegangspoort voor
de reiziger naar de sporen en de trein. Voor de postproducten
ligt dat anders. Puur uit het oogpunt van de verkoopactiviteit is
er geen link tussen de plaats waar de klant bijvoorbeeld een
postzegel koopt en waar hij uiteindelijk een brief op de bus
doet.
Momenteel worden Key Cards,
Go Passen en Rail Passen verkocht in een aantal
dagbladhandels en postkantoren.
|
|
Question
orale de M. Lionel Vandenberghe au vice-premier ministre et
ministre des Finances et au ministre de l’Économie,
de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la
Politique scientifique sur «l’exportation
éventuellement illégale d’armes de la
Belgique à l’Érythrée»
(nº 3-1404)
|
Mondelinge
vraag van de heer Lionel Vandenberghe aan de
vice-eersteminister en minister van Financiën en aan de
minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en
Wetenschapsbeleid over «een mogelijke illegale wapenuitvoer
vanuit België naar Eritrea» (nr. 3-1404)
|
|
M. Lionel
Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Selon une information
publiée dans le mensuel MO*, environ nonante
conteneurs de pièces détachées pour chars et
quarante camions militaires auraient été
transportés du port d’Anvers en Érythrée,
via le port de Rotterdam. Il semblerait qu’en 1998, la
douane anversoise ait mis l’embargo sur ce transport parce
que la licence d’exportation pour l’Érythrée
n’était pas en règle. En décembre 2002,
dans le cadre d’un accord à l’amiable,
l’exportateur aurait reçu l’autorisation
d’expédier les marchandises à une entreprise
du port de Rotterdam, au lieu de quoi elles ont été
envoyées en Érythrée. M. Bot, ministre
néerlandais des Affaires étrangères, aurait
invité les autorités belges à faire revenir
ce navire mais la Belgique n’aurait pas réagi. Les
Nations unies interdisent l’exportation d’armes vers
certains pays impliqués dans des conflits, comme c’est
le cas de l’Érythrée. Si ces informations
sont correctes, la Belgique viole l’embargo des Nations
unies.
Le ministre
est-il au courant de cette exportation d’armes ?
Est-il ici
question d’une exportation illégale d’armes ?
Est-il exact
que le ministre néerlandais des Affaires étrangères
a pris contact avec la Belgique à ce sujet et dans
l’affirmative, quelle a été la réaction
du ministre ?
Quelles
procédures notre pays met-il en œuvre pour empêcher
et contrôler le transport illégal d’armes ?
Combien de
violations de l’embargo des Nations unies sur les armes les
services douaniers ont-ils enregistrées ces cinq dernières
années ?
Avec quelle
entreprise un accord à l’amiable a-t-il été
conclu ? Précise-t-il les modalités du
transport ? Un transport maritime est beaucoup plus
difficile à contrôler qu’un transport
terrestre.
L’entreprise
rotterdamoise EP Shipping figurait-elle dans l’accord
à l’amiable en tant que destination ? Dans
l’affirmative, la douane a-t-elle vérifié si
cette entreprise était au courant ?
Si EP Shipping
était mentionnée en tant que destination, les
autres parties n’ont-ils dès lors pas violé
l’accord à l’amiable conclu avec la douane
belge puisque les marchandises n’ont pas été
livrées à cette entreprise ? Dans la négative,
pourquoi ? Dans l’affirmative, la Belgique a-t-elle
engagé des poursuites contre les contrevenants ?
Si le contenu
de l’accord à l’amiable est confidentiel,
comme le laisse entendre une déclaration du ministre
néerlandais des Affaires étrangères, sur
quelle base légale cette confidentialité
repose-t-elle ? Comment le caractère confidentiel
peut-il être levé ?
|
De heer Lionel
Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Volgens een bericht in
het maandblad MO* zouden een negentigtal containers
met tankonderdelen en een veertigtal militaire vrachtwagens
vanuit de haven van Antwerpen via de haven van Rotterdam vervoerd
zijn naar Eritrea. Naar verluidt zou de Antwerpse douane in 1998
dit transport aan de ketting hebben gelegd omdat de
exportvergunning voor Eritrea niet in orde was. Blijkbaar kreeg
de exporteur later, in december 2002, in een minnelijke
schikking toestemming om de goederen naar een bedrijf in de haven
van Rotterdam te verschepen. Die goederen zijn niet in Rotterdam
aangekomen, maar naar Eritrea verscheept. De Nederlandse minister
van Buitenlandse Zaken, de heer Bot, zou de Belgische
autoriteiten verzocht hebben om dit schip terug te roepen, maar
België zou niet gereageerd hebben. De Verenigde Naties
verbieden de export van wapens naar een aantal landen die
verwikkeld zijn in conflicten, waaronder Eritrea. Mochten deze
gegevens kloppen, dan overtreedt België dit VN-embargo.
Heeft de minister weet van deze
wapenuitvoer?
Is hier sprake van illegale
wapenuitvoer?
Klopt het dat de Nederlandse
minister van Buitenlandse Zaken over deze zaak contact heeft
opgenomen met ons land en zo ja, hoe heeft de minister daarop
gereageerd?
Welke procedures en controles
hanteert ons land om illegale wapentransport te voorkomen en te
controleren?
Hoeveel overtredingen van het
VN-wapenembargo hebben de douanediensten de voorbije vijf jaar
geregistreerd?
Met welk bedrijf werd de minnelijke
schikking getroffen? Vermeldt de minnelijke schikking hoe het
vervoer moest plaatsvinden? Vervoer over land is gemakkelijk te
controleren, vervoer over zee daarentegen veel moeilijker, zoals
uit de feiten blijkt.
Stond het Rotterdamse bedrijf
EP Shipping – zoals de Nederlandse minister van
Buitenlandse Zaken Bot aangaf – in de minnelijke schikking
vermeld als bestemming? Zo ja, heeft de douane nagegaan of
EP Shipping hiervan op de hoogte was?
Indien EP Shipping als
bestemming was vermeld, hebben de andere partijen de minnelijke
schikking met de Belgische douane dan niet geschonden doordat ze
de goederen niet bij EP Shipping hebben afgeleverd? Zo neen,
waarom niet? Zo ja, heeft België dan vervolging ingesteld
tegen de overtreders?
Indien de inhoud van de minnelijke
schikking vertrouwelijk is, zoals blijkt uit een verklaring van
de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, op welke
wettelijke basis steunt die vertrouwelijkheid dan? Hoe kan het
vertrouwelijke karakter worden opgeheven?
|
|
M. Didier
Reynders, vice-premier ministre et ministre des Finances. –
Les 91 conteneurs de pièces détachées pour
chars et les 40 camions militaires sont arrivés à
Anvers en juillet 1998 en provenance de Winschoten. Le
matériel provenait vraisemblablement de l’ancienne
armée est-allemande. Les conteneurs de pièces
détachées pour chars ont été expédiés
des Pays-Bas en Belgique, en partie par la route et en partie par
chemin de fer, en tant que marchandises en libre pratique. À
leur arrivée à Anvers, la douane a constaté
le caractère militaire des marchandises. Craignant une
exportation hors d’Europe, la douane a entamé une
enquête qui a permis d’établir une tentative
d’infraction à la loi du 5 août 1991
sur les armes. Étant donné leur volume, les
marchandises ont été saisies sur place. Leur
propriétaire a contesté dès le départ
les constatations de la douane en ce qui concerne tant la
tentative d’infraction à la loi sur les armes que le
caractère militaire des marchandises. Le litige a ensuite
été porté devant le tribunal correctionnel
d’Anvers qui a donné droit à l’Administration
des douanes et accises.
En
décembre 2002, lors du traitement du dossier en
appel, le contrevenant a accepté un accord dont les
conditions étaient conformes aux dispositions de la loi du
5 août 1991 sur les armes. Il a notamment été
convenu que les marchandises retourneraient dans leur pays
d’origine, plus précisément à
Rotterdam. Pour garantir le contrôle du transport, celui-ci
devait être effectué par mer et à l’aide
d’un seul moyen de transport. La douane belge a informé
– dans les délais requis – les autorités
néerlandaises du transport en raison de la nature des
marchandises. L’infraction commise en Belgique était
ainsi réglée.
Aucun embargo
n’a été violé en Belgique. Les
marchandises étaient en libre pratique au moment où
les faits ont été constatés. L’accord
stipulait que les marchandises devaient être renvoyées
à l’État membre d’origine à
l’intérieur de l’Union européenne.
Comme les marchandises ont été expédiées
en libre pratique de la Belgique vers les Pays-Bas, la loi du
5 août 1991 sur les armes n’a pas été
enfreinte. Il n’y a donc pas eu exportation illégale
d’armes à partir de la Belgique.
À la
mi-janvier 2007, la Représentation permanente des
Pays-Bas auprès de l’Union européenne a
officieusement informé l’Administration des douanes
et accises d’un projet de réponse aux questions
posées au Parlement néerlandais à propos de
fournitures d’armes à l’Érythrée.
Ce texte faisait apparaître que l’exportation
illégale de ces armes au départ de Rotterdam était
due au fait que la douane belge avait tardé à
informer les autorités néerlandaises du départ
de l’envoi d’Anvers vers Rotterdam. L’Administration
des douanes et accises a réagi en proposant d’adapter
le texte en ce sens que la douane belge a informé les
autorités néerlandaises de l’arrivée
des marchandises à plusieurs reprises et dans les délais
requis. Cette proposition a été prise en compte
dans la réponse définitive, dont on ne pouvait plus
déduire que l’exportation illégale serait due
à une erreur de la douane belge.
La douane
vérifie les marchandises lors de leur déclaration
sous un régime douanier. Cette vérification doit
permettre de s’assurer, d’une part, que les envois
non accompagnés d’une licence sont bien dispensés
d’une telle licence et, d’autre part, que les
marchandises pour lesquelles une licence a été
produite correspondent bien aux données reprises sur le
document. Une vérification physique est effectuée
en cas de doute.
La douane
travaille en étroite collaboration avec les services ayant
quelque compétence en la matière. Ces services sont
notamment les SPF Affaires étrangères, Affaires
économiques, Justice, Intérieur, Défense et
les services régionaux de délivrance des licences.
La douane dispose en outre d’une permanence auprès
du service national des recherches. Des informations sont
également échangées entre les autorités
douanières européennes dans le cadre de
l’assistance réciproque telle que prévue dans
le règlement 515 de 1997. La douane a aussi conclu
différents accords avec des pays hors Union européenne
dans le cadre de l’échange d’informations.
C’est pourquoi la douane recourt également à
des avis d’alerte. Les fonctionnaires de contrôle
sont informés quasi immédiatement qu’un
mouvement suspect de marchandises est signalé. La mission
est alors d’intercepter les marchandises et, en fonction
des faits signalés, de procéder à tout le
moins à une vérification très fouillée.
Le Traité Benelux soumet à licence toutes les
entrées ou sorties d’armes. De nombreux embargos
sont ainsi contrôlés en Belgique sur la base de
cette législation sur les licences. Les infractions à
cette législation constatées par la douane ne
permettent pas de déduire s’il s’agit ou non
d’un embargo sur les armes.
Je ne puis
fournir de réponse détaillée aux questions
portant sur les décisions de l’Administration des
douanes et accises. L’article 320 de la loi générale
sur les douanes et accises stipule que cette administration et
ses fonctionnaires sont tenus de garder le secret le plus absolu
sur tout ce dont ils ont eu connaissance dans l’exercice de
leur mission. La conclusion d’une transaction entre
également dans ce cadre. Une seule exception peut être
faite pour la communication de données à d’autres
services publics fédéraux, par exemple les
administrations de l’État, les Communautés et
les Régions, ou aux instances judiciaires dans la mesure
où ces données sont nécessaires pour assurer
l’exécution de leurs missions légales ou
réglementaires. Les services auxquels les données
sont communiquées sont à leur tour tenus de garder
le secret le plus absolu.
Quant au
contenu de la transaction, je ne puis en dire davantage que je ne
l’ai fait en répondant aux questions précédentes.
Si
M. Vandenberghe souhaite des informations plus détaillées,
la commission des Finances et des Affaires économiques
peut toujours auditionner le directeur général de
la section Douane et Accises de mon département. Tous les
fonctionnaires sont toutefois tenus au secret professionnel.
|
De heer Didier
Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën.
– De 91 containers met tankonderdelen en 40 militaire
vrachtwagens kwamen in juli 1998 vanuit het Nederlandse
Winschoten in Antwerpen aan. Het materieel is vermoedelijk van
het vroegere Oost-Duitse leger afkomstig. De containers met
tankonderdelen werden deels over de weg en deels per spoor als
vrije goederen vanuit Nederland naar België verzonden. Bij
aankomst in Antwerpen stelde de Belgische douane bij een controle
vast dat het om militaire goederen ging. Omdat ze vreesde voor
uitvoer uit Europa, startte de douane een onderzoek. Dat
resulteerde in de vaststelling van een poging tot inbreuk op de
Belgische wapenwet van 5 augustus 1991. Gezien de
omvang van de goederen, werden ze ter plaatse in beslag genomen.
De eigenaar van de goederen betwistte vanaf het begin de
vaststellingen van de douane, zowel wat de poging tot overtreding
van de wapenwet als de militaire aard van de goederen betreft.
Het geschil werd vervolgens ingeleid bij de correctionele
rechtbank van Antwerpen, die de Administratie der Douane en
Accijnzen in het gelijk stelde.
Vier jaar later, in december 2002,
aanvaardde de overtreder in hoger beroep een schikking. De
voorwaarden hiervan waren conform met de bepalingen van de
wapenwet van 5 augustus 1991. Er werd onder meer
overeengekomen dat de goederen terug naar het land van herkomst
zouden gaan, meer bepaald naar Rotterdam. Om de controle van het
transport te garanderen, diende het transport over zee en met één
vervoermiddel te gebeuren. Gelet op de aard van de goederen
bracht de Belgische douane de Nederlandse autoriteiten tijdig van
het transport op de hoogte. Daarmee was de overtreding in België
afgehandeld.
Er werd door België geen
embargo geschonden. Op het ogenblik van de vaststelling van de
feiten waren de goederen in het vrije verkeer. In de schikking
werd bepaald dat de goederen binnen de Europese Gemeenschap terug
naar de lidstaat van herkomst dienden te worden gezonden.
Aangezien de goederen in het vrije verkeer van België naar
Nederland werden verzonden, werd de wapenwet van 5 augustus 1991
niet overtreden. Er heeft dus geen illegale wapenuitvoer vanuit
België plaatsgevonden.
Half januari 2007 werd de
administratie der douane en accijnzen informeel door de
Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging van de Europese Unie in
kennis gesteld van een ontwerp van antwoord op vragen over
wapenleveringen naar Eritrea die in het Nederlandse parlement
werden gesteld. Deze tekst liet uitschijnen dat de illegale
uitvoer van deze goederen vanuit Rotterdam mede te wijten was aan
het feit dat de Belgische douane de Nederlandse autoriteiten
laattijdig verwittigde dat de zending van Antwerpen naar
Rotterdam vertrok. De administratie der douane en accijnzen heeft
hierop gereageerd met het voorstel de tekst aan te passen in de
zin dat de Belgische douane de Nederlandse autoriteiten meermaals
en tijdig op de hoogte stelde van de komst van de zending. In het
definitieve antwoord werd met dit voorstel rekening gehouden
zodat daaruit niet meer kon worden afgeleid dat de illegale
uitvoer mede te wijten zou zijn aan een fout van de Belgische
douane.
De douane verifieert goederen
wanneer ze voor een douaneregeling worden aangegeven. Deze
verificatie moet het mogelijk maken enerzijds na te gaan of
zendingen zonder vergunning in wezen niet aan een vergunning zijn
onderworpen, en anderzijds of goederen waarvoor een vergunning
wordt overgelegd wel degelijk overeenstemmen met de gegevens van
de vergunning. Bij twijfel wordt overgegaan tot materiële
verificatie.
De douane werkt heel nauw samen met
de diensten die enige bevoegdheid hebben inzake de materie. Deze
diensten zijn onder meer de FOD Buitenlandse Zaken, Economische
Zaken, Justitie, Binnenlandse Zaken, Defensie en de regionale
diensten die vergunningen afgeven. Daarnaast beschikt de douane
over een permanentie bij de nationale opsporingsdienst. Tevens
wordt informatie tussen de Europese douaneautoriteiten
uitgewisseld in het kader van de wederzijdse bijstand, zoals
bepaald in verordening 515 van 1997. Ook heeft de douane
verschillende akkoorden voor informatie-uitwisseling met landen
van buiten de Europese Unie gesloten. Daarom maakt de douane ook
gebruik van alarmberichten. Zodra verdacht verkeer van goederen
wordt gesignaleerd, worden de controlerende ambtenaren daar bijna
onmiddellijk van op de hoogte gebracht. Er wordt opdracht gegeven
de goederen tegen te houden en, afhankelijk van de gesignaleerde
feiten, op zijn minst een zeer grondige verificatie uit te
voeren. Rekening houdend met het Beneluxverdrag zijn alle wapens
die België binnenkomen of buitengaan aan een vergunning
onderworpen. Op grond van deze vergunningswetgeving worden veel
embargo’s in België gecontroleerd. Uit de inbreuken
die de douane op deze wetgeving vaststelt, valt niet af te leiden
of de inbreuk al dan niet een wapenembargo betreft.
Op de vragen over een aantal van de
beslissingen van douane en accijnzen kan ik geen gedetailleerd
antwoord geven. Artikel 320 van de algemene wet inzake
douane en accijnzen verplicht de administratie der douane en
accijnzen en haar ambtenaren tot de meest volstrekte
geheimhouding aangaande alle zaken waarvan zij in de uitoefening
van hun taak kennis krijgen. Daartoe behoort ook het afsluiten
van een transactie. Er kan enkel een uitzondering worden gemaakt
voor de mededeling van gegevens aan andere overheidsdiensten,
bijvoorbeeld administraties van de Staat, de gemeenschappen en de
gewesten of aan gerechtelijke instanties voor zover zij die nodig
hebben om hun wettelijke of bestuursrechtelijke taken te kunnen
uitoefenen. De diensten waaraan de gegevens worden verstrekt zijn
op hun beurt tot de meeste volstrekte geheimhouding gehouden.
Ik kan niet meer van de inhoud van
de transactie onthullen dan ik al deed in antwoord op vorige
vragen.
Mocht de senator meer
detailinformatie wensen, dan kan de Senaatscommissie voor de
Financiën en de Economische Aangelegenheden altijd de
directeur-generaal van de afdeling Douane en Accijnzen van mijn
departement horen. Alle ambtenaren moeten echter de
geheimhoudingsplicht nakomen.
|
|
M. Lionel
Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Je remercie le ministre
de sa réponse détaillée.
Ma question
est surtout tournée vers l’avenir.
Dans la
réponse de votre collègue néerlandais, les
reproches fusent de part et d’autre. Les documents
témoignent d’une attitude assez cohérente de
la part de la douane belge.
À
l’avenir il faudra se montrer très prudents
vis-à-vis de tels transports. Le fait qu’un
capitaine puisse modifier les lettres de connaissement en cours
de route m’inspire quelques réflexions.
Je comprends
fort bien qu’en l’occurrence, de nombreux pays sont
concernés : l’Allemagne, l’Angleterre, le
Danemark, même l’Égypte. Il convient donc
d’établir des accords internationaux de grande
qualité.
|
De heer Lionel
Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Ik dank de minister voor
zijn uitvoerige uitleg.
Mijn vraag is vooral
toekomstgericht.
In het antwoord van uw Nederlandse
collega worden verwijten over en weer gestuurd. Uit de documenten
blijkt dat de Belgische douane vrij consequent is opgetreden.
Met dergelijke transporten moeten we
in het vervolg wel zeer omzichtig omspringen. Dat een kapitein
onderweg vrachtbrieven kan veranderen, roept bij mij toch een
aantal bedenkingen op.
Ik besef zeer goed dat hierbij een
groot aantal landen zijn betrokken: Duitsland, Engeland,
Denemarken, en zelfs Egypte. Er moeten dus ook zeer degelijke
internationale afspraken worden gemaakt.
|
|
M. Didier
Reynders, vice-premier ministre et ministre des Finances. –
Cette approche vaut pour tous les pays, pas seulement pour les
membres de l’Union européenne. Nous pouvons toujours
tenter de faire mieux à l’avenir.
|
De heer Didier
Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën.
– Dezelfde aanpak geldt voor alle landen, niet alleen voor
de EU-lidstaten. In de toekomst kunnen we het altijd beter
proberen te doen.
|
|
Question
orale de M. Christian Brotcorne au vice-premier ministre et
ministre des Finances sur «l’avenir du Palais de
Justice de Tournai» (nº 3-1415)
|
Mondelinge
vraag van de heer Christian Brotcorne aan de
vice-eersteminister en minister van Financiën over «de
toekomst van het Justitiepaleis van Doornik» (nr. 3-1415)
|
|
M. Christian Brotcorne
(CDH). – Ce n’est pas la première fois que
le sort du Palais de justice de Tournai nous occupe. On se
souviendra de l’apposition de scellés au niveau des
archives qui menaçaient de s’écrouler,
mettant en danger le personnel. À l’époque,
vous nous aviez indiqué qu’un projet de rénovation
et d’extension du bâtiment figurerait dans le plan
pluriannuel 2005-2008 de la Justice et que des crédits
seraient programmés à partir de 2007 pour la
réalisation des travaux.
Il est vrai que quand on a évoqué
le palais de justice de Tournai, on a tour à tour
mentionné la construction d’un nouveau bâtiment
et l’extension du bâtiment existant.
Aujourd’hui – et c’est
la raison de mon intervention – le président du
tribunal de première instance de Tournai a fait publier
dans la presse une nouvelle option, à savoir le maintien
du site actuel, mais avec rénovation et aménagement
d’un autre lieu à l’extérieur de
l’enceinte du Palais de justice. Il s’agirait d’une
ancienne coopérative appelée L’Avenir.
Le personnel des greffes et même
du parquet affecté à l’ensemble des audiences
correctionnelles pourrait se tenir dans ce nouveau bâtiment.
Le reste des activités resterait au Palais de justice
actuel que rejoindrait également le greffe du tribunal de
commerce, actuellement dans un autre lieu de la Cité des
cinq clochers. Cette option, dont le président du tribunal
lui-même a dévoilé la teneur, est-elle
effectivement d’actualité et a-t-elle reçu
l’agrément de la Régie des bâtiments ?
Si c’est le cas, les surfaces que l’on envisage de
dégager seront-elles suffisantes pour répondre aux
besoins du monde judiciaire de l’arrondissement de
Tournai ?
A-t-on une idée du coût
de la rénovation du Palais de justice actuel, du rachat ou
de la location du bâtiment de la coopérative et du
montant actuel de la location du bâtiment utilisé
par le tribunal de commerce ?
Par ailleurs, si cette option est
effectivement celle qui est retenue et qui a votre faveur, a-t-on
apprécié les éléments liés à
la mobilité et à la sécurité puisque
cette implantation se ferait dans un lieu où cohabitent
plusieurs écoles et une clinique importante et qui
affectera environ une centaine de personnes ? A-t-on, à
cet égard, étudié l’aspect mobilité
et l’aspect sécurité routière de ce
projet ?
D’une manière plus
générale, je voudrais savoir quels sont les
différents intervenants consultés. J’imagine,
par exemple, que l’avis du SPF Justice a été
demandé, ce qui laisse supposer que celui-ci accepte la
dispersion des activités judiciaires sur la place de
Tournai. La Régie a-t-elle également consulté
le barreau de Tournai, ainsi que la ville de Tournai quant aux
problèmes de mobilité et de sécurité ?
Je voudrais enfin connaître les délais prévus
pour cette opération, si celle-ci est finalisée.
|
De heer Christian
Brotcorne (CDH). – Het is niet de eerste keer dat het
Justitiepaleis van Doornik ons zorgen baart. We herinneren ons de
verzegeling van de archiefruimte, die dreigde in te storten, met
gevaar voor het personeel. Toen zei de minister dat het gebouw in
het kader van het meerjarenplan van Justitie 2005-2008 zou worden
gerenoveerd en uitgebreid en dat vanaf 2007 financiële
middelen voor de werkzaamheden zouden worden uitgetrokken.
Wanneer het
justitiepaleis van Doornik te sprake kwam werd de ene keer
meegedeeld dat er een nieuw gebouw zou worden opgetrokken en de
andere keer dat het bestaande gebouw zou worden uitgebreid.
Vandaag, en
dat is de aanleiding van mijn vraag, heeft de voorzitter van de
rechtbank van eerste aanleg van Doornik het in de pers over een
nieuwe optie. De huidige locatie zou behouden blijven, maar een
andere locatie buiten het gerechtsgebouw zou worden gerenoveerd
en opnieuw ingericht. Het zou gaan om een oude coöperatie,
L’Avenir genaamd.
Het personeel
van de griffies en zelfs van het parket van de correctionele
rechtbank kunnen in het nieuwe gebouw worden ondergebracht. De
overige activiteiten blijven in het huidige justitiepaleis, met
inbegrip van de griffie van de handelsrechtbank. Die is nu
ondergebracht op een andere locatie in de Cité des cinq
clochers. Is deze optie, die door de voorzitter van de
rechtbank zelf werd onthuld, aan de orde? Krijgt ze de
goedkeuring van de Regie der Gebouwen? Zo ja, voldoet de ruimte
die men op het oog heeft aan de noden van de gerechtelijke
instanties van het arrondissement Doornik?
Heeft men een
idee van de kostprijs van de renovatie van het justitiepaleis, de
aankoop of de huur van het gebouw van de coöperatie en de
huidige huurprijs voor het gebouw dat door de handelsrechtbank
wordt ingenomen?
Als die optie
werkelijk wordt gekozen, heeft men dan rekening gehouden met de
verkeersveiligheid en de mobiliteit? Op die plaats zijn immers
verschillende scholen en een groot ziekenhuis gevestigd.
Meer in het
algemeen wens ik te weten wie allemaal werden geraadpleegd. Ik
veronderstel dat bijvoorbeeld het advies van de FOD Justitie werd
gevraagd. Die keurt de spreiding van de gerechtelijke
activiteiten te Doornik vermoedelijk goed. Heeft de Regie ook de
balie van Doornik en de stad Doornik over de mobiliteits- en
veiligheidsproblemen geraadpleegd? Wanneer zal het werk voltooid
zijn?
|
|
M. Didier Reynders,
vice-premier ministre et ministre des Finances. – La Régie
des bâtiments tente de résoudre depuis de nombreuses
années la problématique difficile de l’hébergement
des services judiciaires tournaisiens qui manquent cruellement de
locaux, en particulier dans l’actuel palais de justice.
En effet, le déficit par
rapport au programme des besoins actualisés fin 2006
s’élève à 3.787 mètres
carrés de superficie nette, ce qui représente une
surface brute de l’ordre de 5.700 mètres
carrés. L’étude de la Régie traite
également de la problématique de l’hébergement
des services du SPF Finances dans la perspective de la réforme
Coperfin ; les besoins de ce SPF au terme de cette réforme
s’élèvent à 5.408 mètres
carrés nets, soit quelque 8.100 mètres carrés
bruts.
À cette fin, la Régie
des bâtiments réalise à ce jour une étude
de faisabilité quant aux possibilités d’héberger
sur un seul et même site les services susmentionnés
et ce, dans le respect des procédures, le tout en vue de
résoudre la problématique des besoins que je viens
d’évoquer.
Contrairement à ce qui est
avancé dans la presse, aucune conclusion ne peut encore
être tirée de cette étude. Au stade actuel,
la Régie n’est pas en mesure de répondre à
vos questions précises et les informations communiquées
à la presse sont prématurées.
Les options sont étudiées
en concertation avec les SPF concernés et avec la Ville de
Tournai. Aucun délai ne peut encore être avancé
aujourd’hui. Je ne manquerai pas d’attirer
l’attention sur l’intérêt d’une
consultation du barreau, si celle-ci n’a pas encore eu
lieu.
Quant à la rénovation
de l’ancien palais, la Régie confirme qu’un
budget de huit millions d’euros a été inscrit
au plan pluriannuel Justice 2006-2009 et que des études
par phases sont en cours au service Hainaut de la Régie.
Je vous communiquerai davantage de
détails quand l’étude sera terminée.
|
De heer Didier
Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën.
– De Regie der Gebouwen probeert al vele jaren het
ingewikkelde huisvestingprobleem van de gerechtelijke diensten
van Doornik op te lossen. Er is immers een schrijnend tekort aan
ruimte, vooral in het huidige justitiepaleis.
Volgens het
bijgewerkte behoefteprogramma van eind 2006 is er 3.787 m²
netto oppervlakte te kort, met andere woorden een bruto
oppervlakte van 5.700 m². De Regie onderzoekt ook de
problematiek van de diensten van de FOD Financiën in het
vooruitzicht van de Coperfinhervorming. Hiervoor heeft de FOD op
termijn 5.408 m² netto of ongeveer 8.100 m²
bruto nodig.
De Regie der
Gebouwen werkt momenteel aan een haalbaarheidsstudie. Ze gaat na
of het mogelijk is voornoemde diensten op één en
dezelfde locatie onder te brengen.
In
tegenstelling tot wat in de pers naar voren werd gebracht, kan
uit de studie nog geen enkele conclusie worden getrokken. In het
huidige stadium kan de Regie de specifieke vraag van
de heer Brotcorne nog niet beantwoorden. De
inlichtingen aan de pers zijn voorbarig.
De
mogelijkheden werden onderzocht in overleg met de betrokken
federale overheidsdiensten en met de stad Doornik. Momenteel kan
nog geen enkele termijn worden gegeven. Ik zal niet nalaten de
aandacht te vestigen op het belang van het raadplegen van de
balie, voorzover dat nog niet is gebeurd.
Wat de
renovatie van het oude justitiepaleis betreft, bevestigt de Regie
dat in het meerjarenplan Justitie 2006-2009 acht miljoen euro
werd vastgelegd en dat de dienst Henegouwen van de Regie studies
per fase uitvoert.
Wanneer het
onderzoek afgerond is, zal ik de heer Brotcorne de
details meedelen.
|
|
M. Christian Brotcorne
(CDH). – Je me doutais bien que le communiqué
était prématuré. L’option qui est
actuellement en discussion est-elle la seule encore envisagée ?
D’autres options, comme la construction ou l’extension
du palais de justice en vue d’un regroupement de l’ensemble
des activités, sont-elles toujours d’actualité ?
Peut-on imaginer obtenir plus rapidement la rénovation du
palais de justice actuel qu’une extension de ce bâtiment
sur place ou vers d’autres lieux ?
|
De heer Christian
Brotcorne (CDH). – Ik betwijfel niet dat de mededeling
voorbarig is. Is deze optie die momenteel wordt besproken de
enige die nog openstaat? Zijn de andere mogelijkheden zoals de
bouw of de uitbreiding van het justitiepaleis om alle
activiteiten te centraliseren nog altijd actueel? Kan een
renovatie van het huidige justitiepaleis sneller dan een
uitbreiding van dit gebouw ter plaatse of op een ander plaats?
|
|
M. Didier Reynders,
vice-premier ministre et ministre des Finances. – Tant que
l’étude est en cours, toutes les options restent
ouvertes. Les études sur la rénovation du palais de
justice progressent et les budgets sont déjà
inscrits dans le plan pluriannuel. La rénovation devrait
donc avancer plus rapidement que la création d’un
nouveau site, si un nouveau site était retenu.
|
De heer Didier
Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën.
– Zolang de studie duurt, blijven alle mogelijkheden open.
De studies over de renovatie van het justitiepaleis vorderen en
de middelen zijn al opgenomen in het meerjarenplan. De renovatie
moet dus sneller vooruitgaan dan de creatie van een nieuwe site.
|
|
Question
orale de M. Franco Seminara au vice-premier ministre et
ministre de l’Intérieur et au ministre de
l’Économie, de l’Énergie, du Commerce
extérieur et de la Politique scientifique sur «la
réalisation d’un cadastre précis du sous-sol
suite à la catastrophe de Ghislenghien» (nº 3-1408)
|
Mondelinge
vraag van de heer Franco Seminara aan de
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de
minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en
Wetenschapsbeleid over «het uitwerken van een gedetailleerd
kadaster van de ondergrond na de ramp in Gellingen»
(nr. 3-1408)
|
|
M. Franco Seminara (PS).
– Après la catastrophe industrielle survenue à
Ghislenghien en 2004, un constat avait été fait de
la non-existence d’un cadastre détaillé du
sous-sol de notre pays.
Il revenait alors aux divers
entrepreneurs souhaitant creuser le sol, d’anticiper et de
repérer les éventuels câbles ou conduites
enfouis dans les sous-sols.
Depuis lors, selon mes informations,
des travaux auraient été entamés afin de
réaliser une cartographie précise et détaillée
des sous-sols et ce, par le Système d’information
géographique GIS.
Le plan de travail aurait, en outre,
annoncé à l’époque que la tâche
serait achevée en 2014.
Disposez-vous, monsieur le ministre,
de données quant à l’état d’avancement
de cette étude ? Combien des 589 communes que compte
notre pays ont-elles déjà fait l’objet de
cette étude ?
Au bénéfice du citoyen
et de sa protection, je pense que la plus grande rigueur doit
être la règle permanente, de manière à
ce que nous ne revivions plus jamais le drame de Ghislenghien.
Je persiste à penser que
votre département est particulièrement attentif à
ce dossier et je souhaiterais savoir si, à ce jour, une
réglementation précise contraint, par exemple, les
poseurs de canalisations à déclarer leurs ouvrages
afin d’en assumer éventuellement par la suite les
responsabilités financières et juridiques.
|
De heer Franco
Seminara (PS). – Een van de conclusies na de ramp in
Gellingen was dat in ons land geen gedetailleerd kadaster van de
ondergrond bestaat.
De aannemers
die graafwerkzaamheden willen uitvoeren, moeten zelf maar
eventuele kabels en leidingen in de ondergrond opsporen.
Sindsdien zou
werk worden gemaakt van een precieze en gedetailleerde
cartografie van de ondergrond via het Geografisch
Informatiesysteem, het GIS.
Het werk zou
tegen 2014 voltooid zijn.
Wat is de
stand van zaken in deze studie? Hoeveel van de 589 gemeenten van
ons land werden al in kaart gebracht?
Met het oog op
de bescherming van de burger moet waakzaamheid steeds de regel
zijn, zodat een drama zoals in Gellingen zich nooit meer
voordoet.
Het
departement van de minister moet dit dossier van nabij volgen.
Bestaat er een duidelijke regeling die bijvoorbeeld bedrijven die
leidingen leggen, verplicht hun werkzaamheden aan te kondigen,
zodat ze eventueel de financiële en juridische gevolgen
kunnen dragen?
|
|
M. Marc Verwilghen,
ministre de l’Économie, de l’Énergie,
du Commerce extérieur et de la Politique scientifique. –
Après la catastrophe de Ghislenghien, les pouvoirs tant
régionaux que fédéraux ont pris des
initiatives pour que de telles situations ne se reproduisent
plus. L’autorité fédérale a créé
un Point de Contact fédéral Informations Câbles
et Conduites ou CICC/KLIM. Il s’agit d’une
application internet qui fait office de guichet central pour
toute personne souhaitant effectuer des travaux à
proximité de conduites d’électricité
ou de gaz.
Cette application internet permet à
un entrepreneur voulant, par exemple, effectuer des travaux de
terrassement de respecter son obligation d’information et
de localisation. Pour la bonne mise en œuvre du CICC/KLIM,
je n’ai pas manqué de faire adopter, le
18 janvier 2006, un arrêté royal portant
modification de l’arrêté royal du
21 septembre 1998 relatif aux prescriptions et
obligations de consultation et d’information à
respecter lors de l’exécution de travaux à
proximité d’installations de transport de produits
et autres par canalisations.
Pour le reste, dans le cas des
autorisations de transports de produits gazeux et autres par
canalisations, différents textes particuliers ayant pour
objectif l’amélioration et la garantie constante du
maintien de la sécurité ont été
adoptés. Il en va de même dans le domaine des lignes
électriques à haute tension. Un travail très
important a donc été accompli à cet égard.
À l’échelon
régional aussi, des mesures similaires ont été
prises.
Dans votre question, monsieur
Seminara, vous faites référence à un autre
instrument, à savoir la base de données de
référence à grande échelle. Il s’agit
toutefois d’une initiative du gouvernement flamand destinée
à constituer une banque de données centrale
reprenant toutes les conduites souterraines d’utilité
publique. Ce projet requiert le développement préalable
d’un fichier de référence à grande
échelle, c’est-à-dire une carte numérique
de base. Citons à cet égard le décret du
16 avril 2004 relatif au Grootschalig Referentie
Bestand, la base de données de référence
à grande échelle.
S’agissant plus spécifiquement
de l’état d’avancement de ce fichier de
référence et du nombre de communes qui y seront
connectées, je dois vous orienter vers mon collègue
du gouvernement flamand, M. Kris Peeters.
Je puis de toute façon vous
dire que des pourparlers ont eu lieu et que, sur les volets
électricité et gaz, le CICC connaîtra son
équivalent KLIP. C’est le même système,
mais c’est autre chose que l’élément
auquel vous faites allusion dans votre question.
|
De heer Marc
Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse
Handel en Wetenschapsbeleid. – Na de ramp in Gellingen
hebben de gewestelijke en federale overheden initiatieven genomen
om dergelijke rampen in de toekomst te vermijden. De federale
overheid heeft het Federaal Kabel- en LeidingInformatieMeldpunt
opgericht, het CICC/KLIM, een ‘centraal meldpunt voor wie
werken wil uitvoeren nabij transportinstallaties van gevaarlijke
producten via leidingen of bovengrondse en ondergrondse
hoogspanningslijnen’.
Aannemers die
bijvoorbeeld graafwerkzaamheden willen uitvoeren ‘kunnen de
geografische ligging en de aard van hun werken melden’. Om
de goede werking van het CICC/KLIM te verzekeren heb ik op
18 januari 2006 een koninklijk besluit uitgevaardigd
tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 september 1988
betreffende de voorschriften en de verplichtingen van raadpleging
en informatie bij het uitvoeren van werken in de nabijheid van
installaties van vervoer van gasachtige en andere producten door
middel van leidingen.
Met betrekking
tot de toelating voor het vervoer van gasachtige en andere
producten door middel van leidingen werden ook andere teksten
aangenomen die ertoe strekken de veiligheid te verbeteren en
permanent te bewaken. Ook inzake de hoogspanningslijnen is heel
wat werk verricht.
Ook de
gewesten hebben maatregelen genomen.
De algemene
gegevensbank waarnaar de heer Seminara verwees, is een
initiatief van de Vlaamse regering. Die wil een gegevensbank
oprichten met alle ondergrondse nutsleidingen. Ik verwijs in dit
verband naar het decreet van 16 april 2004 betreffende
het Grootschalig Referentie Bestand, een grootschalige
gegevensbank.
Vragen over
het aantal aangesloten gemeenten en de stand van zaken van dat
gegevensbestand moeten aan mijn Vlaamse collega Kris Peeters
worden gericht.
Momenteel
wordt onderhandeld en voor elektriciteit en gas zal het KLIM een
tegenhanger krijgen, het KLIP. Dat is hetzelfde systeem, maar
iets anders dan wat de heer Seminara in zijn vraag
vermeldt.
|
|
Question
orale de M. Luc Willems au vice-premier ministre et ministre
des Finances, au ministre de la Mobilité et au ministre de
l’Environnement et ministre des Pensions sur «la
possibilité d’utiliser du bioéthanol en
Belgique» (nº 3-1407)
|
Mondelinge
vraag van de heer Luc Willems aan de
vice-eersteminister en minister van Financiën, aan de
minister van Mobiliteit en aan de minister van Leefmilieu en
minister van Pensioenen over «de mogelijkheid om
bio-ethanol te gebruiken in België» (nr. 3-1407)
|
|
Mme la présidente.
– M. Bruno Tobback, ministre de l’Environnement
et ministre des Pensions, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Bruno Tobback, minister van Leefmilieu en
minister van Pensioenen, antwoordt.
|
|
M. Luc
Willems (VLD). – Les combustibles bio sont produits à
partir de matériel végétal ou animal ;
ils sont liquides ou gazeux et peuvent se substituer aux
carburants fossiles comme l’essence ou le gazole. Le
bioéthanol est l’un de ces biocarburants et le plus
utilisé dans le monde. Au Brésil par exemple,
trente pour cent des automobiles roulent à l’éthanol
provenant du sucre de canne. L’éthanol est un alcool
qui peut être mélangé à raison de 5 à
20 pour cent à de l’essence sans demander de
modification du véhicule. Plusieurs constructeurs dont
Ford, Volvo et Saab fabriquent des automobiles appelées
« FlexiFuel ». Ces véhicules de
transport de personnes spéciaux roulent à l’essence
ordinaire mais acceptent également des mélanges
contenant jusqu’à 85 pour cent d’éthanol.
Ces fabricants sont prêts à proposer ces modèles
au même prix que leurs modèles traditionnels.
En Belgique il
ne semble pas possible de rouler actuellement au bioéthanol
car les stations-service ne peuvent proposer que du diesel, les
deux variétés traditionnelles d’essence et du
LPG. Il n’existe pas de normes adaptées à ce
qu’on désigne par E85. Les rares utilisateurs
soucieux de l’environnement qui ont acheté un
véhicule adapté sont de facto obligés de
rouler à l’essence. Rendre ces nouveaux carburants
attrayants est cependant une bonne façon de faire baisser
les émissions de gaz à effet de serre.
Le ministre
partage-t-il mon avis que le bioéthanol devrait être
utilisé de manière prioritaire étant donné
son effet favorable à l’environnement ?
Quelles
mesures le ministre doit-il encore prendre pour qu’il soit
possible de prendre du bioéthanol à la pompe et
quand pourra-t-on en faire le plein à la pompe ?
|
De heer Luc Willems
(VLD). – Biobrandstoffen worden gewonnen uit
plantaardig of dierlijk materiaal, zijn vloeibaar of gasvormig en
kunnen fossiele brandstoffen zoals benzine of diesel vervangen.
Een voorbeeld hiervan is bio-ethanol, momenteel wereldwijd de
meest gebruikte biobrandstof. In Brazilië rijdt bijvoorbeeld
30 procent van de auto’s op ethanol uit suikerriet.
Ethanol is een alcohol die zonder aanpassingen aan de motor tot 5
à 20 procent met benzine kan worden vermengd.
Verschillende fabrikanten, waaronder Ford, Volvo en Saab,
produceren zogeheten FlexiFuel cars. Deze speciale personenwagens
kunnen op gewone benzine rijden, maar ook op mengsels met een
ethanolpercentage tot 85 procent. Die fabrikanten zijn bereid die
wagens tegen dezelfde prijs aan te bieden als hun traditionele
modellen.
In België blijkt het vandaag
niet mogelijk om op bio-ethanol te rijden, omdat de tankstations
in België enkel diesel, de twee traditionele soorten benzine
en LPG kunnen aanbieden. Er bestaat geen aangepaste norm voor de
zogeheten E85. De enkele milieubewuste gebruikers die een
aangepaste wagen kochten, zijn de facto verplicht op benzine te
rijden. De nieuwe brandstof aantrekkelijk maken is nochtans een
goede manier om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen.
Deelt de minister mijn mening dat
bio-ethanol, gezien zijn gunstige weerslag op het milieu,
prioritair zou moeten worden ingevoerd?
Welke maatregelen moet de minister
nog nemen alvorens het mogelijk wordt in België bio-ethanol
te tanken?
Wanneer zal het mogelijk zijn
bio-ethanol te tanken?
|
|
M. Bruno
Tobback, ministre de l’Environnement et ministre des
Pensions. – Il faut distinguer entre le bioéthanol
et l’E85 qui en est une variété particulière.
En vertu de la loi du 10 juin 2006 concernant les
biocarburants, on peut mettre sur le marché à
partir du 1er octobre de l’essence sans
plomb contenant au maximum 7% de bioéthanol. Par contre
l’E85, composé de 15% d’essence d’origine
fossile et de 85% de bioéthanol, ne peut être
utilisé que par des modèles particuliers de
véhicules, appelés FlexiFuel, que seuls trois
fabricants proposent actuellement sur le marché européen.
L’Allemagne a décidé qu’à
l’avenir seul le E85 sera exempt d’accises. Pour ce
carburant toutefois il n’y a aucune norme européenne :
chaque pays peut donc adopter ses propres normes pour ce
carburant sur son territoire.
Dans notre
pays, un arrêté royal publié le
22 novembre 2006 prévoit la possibilité
de proposer des biocarburants sans normes – comme le E85 –
mais uniquement aux points de distribution accessibles aux
utilisateurs qui sont explicitement concernés par un
projet spécifique. Cela signifie que pour les « flottes
captives » ou les flottes d’entreprises, l’E85
est désormais disponible. Pour les autres véhicules
la situation en Belgique n’est pas la même qu’en
Allemagne et en Suède. Les Suédois ont
explicitement décidé de produire ce carburant à
très grande échelle, avec des millions d’aide
publique grâce à l’exemption de droits
d’accises et dans le but explicite de produire aussi en
grande partie de l’éthanol chez eux à partir
de matières premières locales, à savoir le
bois. Dans ce contexte, on peut parfaitement comprendre leur
choix. En Belgique cependant il nous est déjà très
difficile d’obtenir ces 7% d’éthanol à
partir d’éthanol écologique et sans devoir
faire appel à l’huile de palme ou l’éthanol
brésilien qui n’est pas toujours d’origine
écologique et dont le transport vers notre pays n’est
pas très avantageux en termes de production de CO2.
J’ignore
donc si l’utilisation de l’E85 sera élargie en
Belgique à court ou à moyen terme. De nombreuses
conditions doivent encore être remplies avant que, outre
les flottes captives, d’autres véhicules puissent
faire usage de ce carburant. Nous continuons évidemment à
étudier la question car nous sommes partisans de
l’utilisation de ce biocarburant.
|
De heer Bruno Tobback,
minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen. – Er
moet een onderscheid worden gemaakt tussen bio-ethanol en E85,
een aparte soort van bio-ethanol. Ingevolge de wet van
10 juni 2006 betreffende de biobrandstoffen, mag vanaf
1 oktober 2007 de loodvrije benzine die in België
wordt aangeboden maximaal 7% bio-ethanol bevatten. E85, bestaande
uit 15% fossiele benzine en 85% bio-ethanol, kan alleen in
specifieke types van voertuigen worden gebruikt, de zogenaamde
FlexiFuels, waarvan op dit ogenblik maar drie merken worden
aangeboden op de Europese markt. Duitsland heeft ervoor gekozen
in de toekomst alleen nog E85 vrij te stellen van accijnzen. Voor
die brandstof geldt echter geen Europese norm; elk land mag dus
op zijn grondgebied normen opstellen voor die brandstof.
In ons land is op 22 november 2006
een koninklijk besluit gepubliceerd dat in de mogelijkheid
voorziet om niet-genormeerde biobrandstoffen – zoals E85 –
aan te bieden, maar alleen aan distributiepunten die toegankelijk
zijn voor eindgebruikers die expliciet betrokken zijn bij een
specifiek project. Dat betekent dat voor de captive fleets
of bedrijfsvloten nu al E85 beschikbaar is. Voor de andere
voertuigen is de situatie in België anders dan in Duitsland
en Zweden. Zweden heeft er uitdrukkelijk voor gekozen die
brandstof op zeer grote schaal te ontwikkelen, met miljoenen
overheidssteun door accijnsvrijstelling en met de expliciete
doelstelling die ethanol ook in grote mate intern te produceren
op basis van binnenlandse grondstoffen, met name hout. In die
context kunnen we hun keuze perfect begrijpen. In België
echter moeten we al heel wat moeite doen om die 7% ethanol te
kunnen betrekken uit milieuvriendelijke ethanol en geen beroep te
hoeven doen op palmolie of Braziliaanse ethanol die niet altijd
van milieuvriendelijke oorsprong is en door het transport naar
België qua CO2-balans niet zo voordelig is.
Ik weet dus niet of op korte of
middellange termijn in België het gebruik van E85 zal worden
verruimd. Er moeten in ieder geval nog heel wat voorwaarden
worden vervuld voordat naast de captive fleets ook andere
voertuigen die brandstof mogen gebruiken. We blijven deze zaak
uiteraard onderzoeken, want we zijn voorstander van het gebruik
van deze biobrandstof.
|
|
M. Luc
Willems (VLD). – Je remercie le ministre pour cette
réponse claire. On n’a donc pas encore trouvé
la solution. J’en conclus qu’il faut libérer
encore bien des budgets en faveur de l’innovation pour
rendre possible l’utilisation de ce carburant.
|
De heer Luc Willems
(VLD). – Ik dank de minister voor dit duidelijke
antwoord. Er is dus nog geen oplossing gevonden. Ik leid daaruit
af dat op het vlak van innovatie nog heel wat budgetten moeten
worden vrijgemaakt om het gebruik van deze brandstof mogelijk te
maken.
|
|
Question
orale de Mme Nele Jansegers au ministre de la Mobilité
sur «la solution éventuelle pour les chars de
carnaval» (nº 3-1418)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Nele Jansegers aan de minister van
Mobiliteit over «de mogelijke oplossing voor de
praalwagens» (nr. 3-1418)
|
|
Mme Nele
Jansegers (VL. BELANG). – En décembre 2006,
à Alost, un char de carnaval a été confisqué
parce que son propriétaire ne pouvait présenter un
certain nombre de documents. Plusieurs associations
carnavalesques s’en inquiètent car il est impossible
de faire répondre un char de carnaval à toutes les
exigences légales. Dans de nombreux cas, ces chars ne
remplissent pas les conditions d’homologation et n’ont
donc pas d’attestation de conformité et la plupart
du temps ils ne satisfont pas davantage aux exigences strictes
quant aux matériaux, à la construction et à
la finition. Les organisateurs et les participants au carnaval
d’Alost s’arrachent les cheveux.
Avant-hier,
nous avons pu lire dans Het Laatste Nieuws et Het
Belang van Limburg que le ministre a préparé un
arrêté royal qui résout le problème
des chars. Grâce à cette modification, les chars
carnavalesques pourraient rouler de manière réglementaire
sur la voie publique. Hier, Het Laatste Nieuws titrait
encore : « Une modification de l’arrêté
royal résout les problèmes des chars de carnaval »,
mais selon l’article, les chars pourront « bientôt »
rouler sur la voie publique, le ministre demande à la
police d’agir « provisoirement » en
tenant compte de la future législation et le nouvel arrêté
royal n’entrera « peut-être »
en vigueur que dans quatre mois.
L’adaptation
de l’arrêté royal n’est donc à
l’heure actuelle qu’une promesse, ce qui n’est
évidemment pas inhabituel en période électorale.
Où en
est l’élaboration de cet arrêté royal ?
Est-il prêt ? Sinon, y travaille-t-on ? Quand
entrera-t-il en vigueur ?
Quelle en est
la teneur ?
Cette
modification règle-t-elle également la question de
la responsabilité civile en cas d’accident ?
|
Mevrouw Nele Jansegers
(VL. BELANG). – In december 2006 werd in
Aalst een carnavalswagen in beslag genomen omdat de eigenaar
ervan een aantal documenten niet kon voorleggen. Dit voorval
zorgde bij diverse carnavalsverenigingen voor beroering omdat het
onhaalbaar is om een carnavalswagen aan alle wettelijke vereisten
te laten voldoen. Niet alleen voldoen deze wagens in vele
gevallen niet aan de goedkeuringsvoorwaarden en ontbreekt
daardoor het gelijkvormigheidsattest, maar ze voldoen meestal
evenmin aan de strenge eisen inzake materialen, constructie en
afwerking. De organisatoren en deelnemers van Aalst Carnaval
zaten dus met de handen in het haar.
Eergisteren konden wij zowel in Het
Laatste Nieuws als in Het Belang van Limburg lezen dat
de minister een koninklijk besluit klaar heeft dat het probleem
van de praalwagens oplost. Door de wijziging zouden de
carnavalswagens zich toch reglementair kunnen verplaatsen op de
openbare weg. Gisteren titelde Het Laatste Nieuws nog
steeds: ‘Wijziging koninklijk besluit lost problemen voor
carnavalswagens op’, maar volgens het artikel zullen
praalwagens ‘binnenkort’ op de openbare weg mogen
rijden, vraagt de minister de politie om ‘voorlopig’
op te treden in het licht van de toekomstige wetgeving en zal het
nieuwe koninklijk besluit ‘wellicht’ pas over vier
maanden van kracht zijn.
De aanpassing van het koninklijk
besluit is op dit ogenblik blijkbaar enkel een belofte en die
zijn in verkiezingsperiodes natuurlijk niet ongewoon.
Hoever staat het met het koninklijk
besluit? Is het klaar of niet? Indien niet, is men eraan bezig en
wanneer wordt het besluit van kracht?
Wat is de inhoud ervan?
Wordt met deze aanpassing ook de
burgerlijke aansprakelijkheid in geval van een ongeval geregeld?
|
|
M. Renaat
Landuyt, ministre de la Mobilité. – Conformément
à la procédure d’association, l’arrêté
royal est soumis aux Régions. Les termes repris dans la
presse tiennent compte du fait que normalement le gouvernement
flamand donnera son accord à la modification dans les
trois mois. L’arrêté royal pourra alors être
publié.
Nous partons
de l’idée que la police en tiendra compte et agira
lors des contrôles dans tout le pays en appliquant
raisonnablement la loi.
La
réglementation modifiée dispose que les chars
carnavalesques seront dispensés du contrôle
technique, de l’attestation de conformité et de
l’immatriculation du véhicule ainsi que de certaines
dispositions du code de la route. Par exemple, il suffira d’avoir
un permis B ou G pour conduire le char pourvu qu’il ne
dépasse pas la vitesse de 25 km/h.
Quant à
la responsabilité civile, les règles normales de la
responsabilité et de l’assurance sont d’application.
Cela signifie qu’on doit s’assurer, comme tout
conducteur d’un véhicule.
|
De heer Renaat Landuyt,
minister van Mobiliteit. – Het koninklijk besluit is
conform de betrokkenheidsprocedure overgezonden aan de gewesten.
De termijnen vermeld in de pers houden rekening met het feit dat
de Vlaamse overheid zich normaal na drie maanden met de wijziging
akkoord zal verklaren. Dan kan het koninklijk besluit
gepubliceerd worden.
We gaan ervan uit dat de politie
daarmee rekening zal houden en bij controles over heel het land
de lege ferenda zal optreden.
De gewijzigde reglementering houdt
in dat praalwagens vrijgesteld worden van technische keuring,
gelijkvormigheidsattest en inschrijving van het voertuig evenals
van sommige bepalingen van de wegcode. Zo volstaat bijvoorbeeld
een rijbewijs B of G om de praalwagen te besturen op
voorwaarde dat niet sneller wordt gereden dan 25 km/u.
Met betrekking tot de burgerlijke
aansprakelijkheid zijn de normale regels van burgerlijke
aansprakelijkheid en verzekering van toepassing. Dat houdt in dat
men, zoals ieder die een voertuig bestuurt, verzekerd moet zijn.
|
|
Mme Nele
Jansegers (VL. BELANG). – Si un char carnavalesque
qui n’est techniquement pas en ordre est autorisé
par une ville ou une autre autorité à circuler sur
la voie publique, la question de la responsabilité en cas
d’accident reste entière. Je suis certes partisane
d’une telle réglementation, mais pour garantir la
sécurité juridique, j’estime qu’il faut
éviter que des membres d’associations
carnavalesques, qui sont actuellement responsables
personnellement, ne soient ruinés en cas d’accident.
|
Mevrouw Nele Jansegers
(VL. BELANG). – Indien praalwagens die eigenlijk
technisch niet in orde zijn, door de stad of een andere overheid
op de openbare weg worden toegelaten, blijft de vraag wie bij een
eventueel ongeval verantwoordelijk is. Ik ben weliswaar
voorstander van een dergelijke regeling, maar uit een oogpunt van
rechtszekerheid vind ik dat moet voorkomen worden dat de mensen
van de carnavalsverenigingen, die momenteel persoonlijk
aansprakelijk zijn, bij een eventueel ongeval geruïneerd
worden.
|
|
M. Renaat
Landuyt, ministre de la Mobilité. – Il importe
que chaque conducteur sache que les règles normales de la
responsabilité s’appliquent.
Ce qui change
est qu’on apporte des précisions sur qui peut
conduire et sur le fait que ces véhicules ne peuvent
circuler sur la voie publique que lors des activités
folkloriques pour lesquelles ils sont préparés.
Comme pour toutes les autres situations, le conducteur conserve
la responsabilité de sa conduite. Il est donc conseillé
de conduire prudemment.
|
De heer Renaat Landuyt,
minister van Mobiliteit. – Voor iedere bestuurder is het
van belang te weten dat de normale aansprakelijkheidsregeling
speelt.
Het enige wat verandert, is dat er
duidelijkheid wordt geschapen over wie mag rijden en over het
feit dat deze voertuigen enkel op de openbare weg mogen komen
voor de folkloristische activiteiten waarvoor ze bedoeld zijn.
Zoals in alle andere situaties blijft de bestuurder
verantwoordelijk voor zijn rijgedrag. Het is dus raadzaam om, net
zoals in alle andere situaties, voorzichtig te rijden.
|
|
Mme Nele
Jansegers (VL. BELANG). – Le problème est
que ces véhicules ne peuvent quasiment pas être
assurés puisqu’ils n’ont pas d’attestation
de conformité.
J’espère
que notre proposition sera mise à l’ordre du jour de
la commission et que nous pourrons dès lors y approfondir
cette discussion sur le problème de la responsabilité
civile.
|
Mevrouw Nele Jansegers
(VL. BELANG). – Het probleem is dat dergelijk
voertuigen nagenoeg niet verzekerd kunnen worden omdat ze geen
gelijkvormigheidsattest hebben.
Ik hoop dat ons voorstel ter zake op
de agenda van de commissie zal worden geplaatst en dat we het
probleem van de burgerlijke aansprakelijkheid daar verder kunnen
bespreken.
|
|
Question
orale de Mme Amina Derbaki Sbaï au ministre de
l’Emploi sur «les allocations d’attente pour
les jeunes au chômage» (nº 3-1409)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Amina Derbaki Sbaï aan de
minister van Werk over «de wachtuitkeringen voor jonge
werklozen» (nr. 3-1409)
|
|
Mme Amina Derbaki Sbaï
(Indépendante). – Selon les dernières
recommandations de l’OCDE qui s’est penchée
sur l’emploi et le chômage des jeunes Belges, le
niveau d’études a beaucoup progressé puisque
seuls 11% d’entre eux quittent l’école sans
décrocher un diplôme du secondaire supérieur.
Ce constat n’améliore
pas la situation des jeunes dans leur quête d’emploi
étant donné que l’on relève dans
l’étude précitée que le taux de
chômage a augmenté jusqu’à 20%, contre
13% en moyenne dans l’OCDE.
On y relève également
que « la Belgique a pris des mesures adéquates
et que le plan d’accompagnement a eu un effet significatif
sur les sorties du chômage au prix d’un nombre limité
d’exclusions ».
Par ailleurs, l’OCDE émet
d’autres pistes pour revoir en profondeur le système
d’octroi des allocations de chômage. Elle préconise
notamment de supprimer à terme l’allocation
d’attente que perçoit le jeune, sur la base de ses
études, après neuf mois d’attente.
Pour ma part, je continue à
penser que cette idée ferait immanquablement glisser la
situation des chômeurs de l’assurance à
l’assistance. Sans compter que la charge financière
se déplacerait alors du fédéral vers les
communes. Nous y sommes opposés.
Enfin, le plan d’accompagnement
reçoit une bonne note de l’OCDE et il intervient
déjà justement pour éviter que les jeunes ne
s’enlisent dans le chômage en les accompagnant après
six mois d’allocations.
En outre, le montant de l’allocation
d’attente n’est pas élevé, on s’y
cantonne rarement. Cette allocation est souvent destinée à
des jeunes moins diplômés qui devraient, si elle
était supprimée, compter uniquement sur leurs
parents ou se diriger vers les CPAS.
Quel est votre sentiment en la
matière ?
|
Mevrouw Amina
Derbaki Sbaï (Onafhankelijke). – Volgens de
meest recente aanbevelingen van de OESO, die zich over de
werkgelegenheid en de werkloosheid van jonge Belgen heeft
gebogen, is het studieniveau sterk verbeterd, want slecht 11% van
de jongeren verlaten de school zonder een diploma van het hoger
middelbaar onderwijs.
Daardoor
verbetert de situatie van de jongeren niet bij hun zoektocht naar
werk, want uit de genoemde studie blijkt dat de
werkloosheidsgraad gestegen is tot 20%, tegenover 13% gemiddeld
in de OESO.
In de studie
staat ook dat België gepaste maatregelen heeft genomen en
dat het begeleidingsplan een duidelijk effect heeft gehad, met
maar een beperkt aantal uitsluitingen.
De OESO
formuleert overigens andere mogelijkheden om de toekenning van
werkloosheidsuitkeringen grondig te herzien. Ze raadt
inzonderheid aan op termijn de wachtuitkering te schrappen die de
jongere op basis van zijn studie na negen maanden wachttijd
krijgt.
Ik denk dat de
werklozen daardoor onvermijdelijk van het systeem van verzekering
zullen afglijden naar de bijstandsregeling. De financiële
last wordt zo ook van de federale overheid verplaatst naar de
gemeenten. Wij zijn tegen die idee.
Het
begeleidingsplan krijgt een goede beoordeling van de OESO. Met
dat plan worden jongeren na zes maanden werkloosheid begeleid,
juist om te voorkomen dat ze zich in de werkloosheid zouden
nestelen.
Bovendien is
het bedrag van de wachtuitkering niet zo hoog, zodat weinigen in
dat systeem willen blijven. De uitkering gaat dikwijls naar
jongeren die minder hoge diploma’s hebben, en die anders
alleen op hun ouders kunnen rekenen op een beroep moeten doen op
het OCMW.
Wat is de
mening van de minister terzake?
|
|
M. Peter Vanvelthoven,
ministre de l’Emploi. – Ma position est très
claire en cette matière. Les jeunes qui viennent de
terminer leurs études et arrivent sur le marché du
travail ont droit à un soutien approprié lors de
leur recherche d’un emploi.
Si après un stage de
d’attente durant lequel ils ont activement recherché
un emploi, ils restent involontairement au chômage, ils ont
droit à une allocation en attendant de trouver un emploi.
Cela leur permet d’envisager de voler de leurs propres
ailes. On évite ainsi de voir surgir des problèmes
de société tels que ceux qui ont émaillé
les pays voisins. Ce droit n’est ni inconditionnel ni
illimité dans le temps étant donné que les
allocations d’attente sont supprimées dès
qu’ils refusent un emploi ou un accompagnement appropriés.
Les chiffres dont s’est servie
l’OCDE présentent la situation d’avant 2006.
Dans le rapport, on peut en effet lire qu’une série
de bonnes mesures ont déjà été prises
et qu’il est souhaitable de les évaluer. Depuis le
mois de mai 2006, le chômage des jeunes de moins de 25
ans est en constante diminution par rapport au même mois en
2005. Cette baisse se remarque dans toutes les régions du
pays.
Elle est le résultat d’un
accompagnement et d’un suivi plus intensifs ainsi que d’une
économie relancée. Nous sommes donc bel et bien sur
la bonne voie. Comme l’indique le rapport de l’OCDE,
le plan d’accompagnement et de suivi actifs des demandeurs
d’emploi et l’accord de coopération conclu à
cet égard avec les Régions et les Communautés
constitue une aide précieuse en la matière.
Les services régionaux
compétents assument pleinement leur rôle au niveau
de l’accompagnement et transmettent à l’ONEM
les données relatives aux jeunes qui déclinent
l’aide proposée. L’octroi des allocations est
supprimé si nécessaire.
Je voudrais, en conclusion et par
souci de clarté, souligner que je n’ai donc
nullement l’intention de remettre en question le régime
des allocations d’attente.
|
De heer Peter
Vanvelthoven, minister van Werk. – Mijn standpunt
terzake is zeer duidelijk. De jongeren die hun studie voltooien
en zich op de arbeidsmarkt melden, hebben recht op een gepaste
steun terwijl ze werk zoeken.
Indien ze na
een wachttijd gedurende dewelke ze actief werk hebben gezocht,
ongewild werkloos blijven, hebben ze recht op een uitkering tot
ze werk vinden. Zo kunnen ze op eigen benen staan. Daarmee worden
ook maatschappelijke problemen voorkomen, zoals we die in onze
buurlanden hebben gezien. Dat recht is onvoorwaardelijk en
onbeperkt in de tijd, met dien verstande dat de uitkeringen
worden geschrapt wanneer de jongeren een gepaste baan of
opleiding weigeren.
De cijfers die
de OESO gebruikt, hebben betrekking op de situatie van vóór
2006. In het verslag kunnen we inderdaad lezen dat al een reeks
goede maatregelen werden genomen en dat het wenselijk is dat die
worden geëvalueerd. Sedert mei 2006 daalt het aantal
werkloze jongeren van minder dan 25 jaar voortdurend ten opzicht
van de maand mei 2005. Die daling doet zich voor in alle
regio’s van het land. Ze is het resultaat van een
intensievere begeleiding en follow-up, alsook van de heroplevende
economie. We zijn dus wel degelijk op de goede weg. Zoals vermeld
in het OESO-rapport is het actieve begeleidings- en
opvolgingsplan voor werklozen en het samenwerkingsakkoord dat
daartoe met de gemeenschappen en de gewesten werd gesloten, in
dat opzicht een waardevol hulpmiddel.
De bevoegde
regionale diensten spelen ten volle hun rol bij de begeleiding en
sturen de RVA de gegevens door met betrekking tot de jongeren die
de voorgestelde hulp weigeren. De toekenning van de uitkeringen
wordt zo nodig geschrapt.
Ik ben
helemaal niet van plan het systeem van de wachtuitkeringen op de
helling te zetten.
|
|
Mme Amina Derbaki Sbaï
(Indépendante). – Je remercie le ministre de sa
réponse et surtout pour sa dernière phrase, plutôt
rassurante.
|
Mevrouw Amina
Derbaki Sbaï (Onafhankelijke). – Ik dank de
minister voor zijn antwoord en vooral voor zijn laatste,
geruststellende woorden.
|
|
Question
orale de Mme Christine Defraigne à la vice-première
ministre et ministre de la Justice sur «le plan drogue
liégeois» (nº 3-1411)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Christine Defraigne aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie over «het
drugsplan te Luik» (nr. 3-1411)
|
|
Question
orale de Mme Anke Van dermeersch à la
vice-première ministre et ministre de la Justice et au
ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur
«la distribution médicale d’héroïne
à Liège» (nº 3-1417)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Anke Van dermeersch aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de minister
van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de medische
verstrekking van heroïne in Luik» (nr. 3-1417)
|
|
Mme la présidente.
– Je vous propose de joindre ces questions orales.
(Assentiment)
M. Rudy Demotte, ministre des
Affaires sociales et de la Santé publique, répondra.
|
De voorzitter. – Ik
stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)
De heer Rudy Demotte,
minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.
|
|
Mme Christine Defraigne
(MR). – Ce 12 février, la ville de Liège
a présenté son projet pilote de délivrance
contrôlée d’héroïne. Il est fondé
sur un protocole universitaire et faisait l’objet, en 2002,
d’un consensus au sein du conseil communal. Depuis, de fil
en aiguille, le bourgmestre a parlé de salles d’injection.
Apparemment, ce volet du projet a été abandonné.
Aujourd’hui, on se « contente » de
salles de distribution. Bien entendu, le débat se
poursuivra au conseil communal pour en connaître la
localisation. C’est en effet le genre de chose qui ne va
pas sans mal.
Ma question porte sur les
incertitudes juridiques qui semblent subsister. La loi relative
aux stupéfiants devrait-elle être modifiée ?
En effet, le produit injecté, à savoir l’héroïne,
figure sur la liste des stupéfiants dont l’utilisation,
la détention et la consommation sont interdites.
S’il est nécessaire
d’adapter la législation, procédera-t-on par
circulaire, comme on l’a fait pour la détention de
cannabis, avec l’insécurité juridique que
cela suppose ? Ou déposerez-vous en urgence un projet
de loi avant la fin de la législature ?
Le cadre de cette expérience
prévoit qu’environ 200 personnes pourront être
traitées mais on estime le nombre des toxicomanes liégeois
à 3.000 environ. Seule une infime minorité d’entre
eux pourra bénéficier du projet. Les instigateurs
de ce dernier n’ont d’ailleurs pas caché qu’il
y aurait beaucoup d’appelés et peu d’élus.
Cette délivrance contrôlée d’héroïne
ne constitue pas, selon moi, la solution aux problèmes de
drogue en tant que tels. J’ai qualifié ce projet de
« soins palliatifs de la désespérance
humaine ». Il faut mener beaucoup d’autres
actions.
Ne créera-t-on pas deux
catégories de drogués : d’une part, les
happy few qui bénéficieront du projet pilote
et qui jouiront d’une impunité pénale, et,
d’autre part, l’immense majorité des
toxicomanes pour qui la détention et la consommation
d’héroïne sera pénalement
répréhensible ?
Ne va-t-on pas induire une
discrimination ?
Par ailleurs, ceux qui se seront
présentés pour bénéficier du
traitement expérimental et qui auront été
refusés par manque de place ou faute de moyens financiers,
ne pourraient-ils pas revendiquer à leur profit
l’existence d’une espèce de cause de
justification en cas de poursuite pénale à leur
encontre en justifiant de leur bonne foi et de leur volonté
réelle de se soigner, et de l’impossibilité
de le faire en raison du manque de disponibilité par
rapport au projet pilote ?
Telles sont, monsieur le ministre,
quelques interrogations d’ordre juridique suscitées
par le plan drogue liégeois. Je crains qu’à
défaut d’accompagnement légal de
l’expérimentation, on ne tombe rapidement dans des
difficultés.
Je vous remercie de me faire
connaître votre position sur ces différents points
et de nous informer des mesures que vous comptez prendre.
|
Mevrouw Christine
Defraigne (MR). – Op 12 februari heeft de stad
Luik haar proefproject voor de gecontroleerde verstrekking van
heroïne voorgesteld. Aan de basis ligt een universitair
protocol, waarover reeds in 2002 in de gemeenteraad een consensus
was bereikt. Sindsdien heeft de burgemeester het over
injectiezalen gehad, maar blijkbaar is men van dat project
afgestapt. Nu wordt gesproken over ‘verdelingszalen’.
In de gemeenteraad zal over de locatie van die zalen worden
gedebatteerd; dat zijn altijd gevoelige zaken.
Mijn vraag
gaat over de juridische onduidelijkheden. Moet de drugswet worden
aangepast? Heroïne staat immers op de lijst van verdovende
middelen waarvan het gebruik, het bezit en de consumptie verboden
zijn.
Als de
wetgeving moet worden aangepast, zal dat dan door middel van een
rondzendbrief gebeuren? Voor het bezit van cannabis heeft de
minister voor die werkwijze geopteerd, met alle rechtsonzekerheid
van dien. Of zal voor het einde van de regeerperiode een
wetsontwerp worden ingediend?
In het project
zullen ongeveer 200 mensen een behandeling krijgen, alhoewel het
aantal drugsverslaafden in Luik op ongeveer 3.000 wordt geschat.
Slechts een kleine minderheid zal dus bij het project worden
betrokken. Zelfs de initiatiefnemers verhullen niet dat er veel
kandidaten zullen zijn, maar weinig uitverkorenen. De
gecontroleerde verstrekking van heroïne zal de
drugsproblematiek niet oplossen. Het gaat volgens mij om
‘palliatieve zorg voor de menselijke wanhoop’. Er
moeten andere acties komen.
Bestaat het
gevaar niet dat twee categorieën van drugsgebruikers worden
gecreëerd: enerzijds de happy few die in het project
worden opgenomen en die bijgevolg straffeloosheid genieten, en
anderzijds de overgrote meerderheid van verslaafden, voor wie het
bezit en het gebruik van heroïne strafbaar blijft?
Wordt geen
discriminatie ingesteld?
Sommigen
zullen zich voor de experimentele behandeling aanbieden, maar
zullen wegens plaatsgebrek en bij gebrek aan financiële
middelen worden geweigerd. Zullen zij de weigering niet kunnen
inroepen als een rechtvaardigingsgrond in geval van een
gerechtelijke vervolging? Ze zouden kunnen stellen dat ze van
goede wil zijn en zich echt willen laten verzorgen, maar dat er
voor hen geen plaats was in het proefproject.
Dat zijn mijn
juridische vragen over het Luikse drugsproject. Ik vrees dat het
gebrek aan een wettelijke begeleiding van het experiment vrij
snel tot problemen zal leiden.
|
|
Mme Anke
Van dermeersch (VL. BELANG). – Un projet dans
lequel de l’héroïne est fournie, sous contrôle
médical, à des toxicomanes insensibles à
tout traitement ou chez qui le traitement à la méthadone
a échoué, démarrera fin de 2007.
Le sort en est
manifestement jeté. Du fait de l’obstination du
bourgmestre de Liège qui, selon ses propres dires, avait
l’intention, si besoin en était, de fournir de son
propre chef de l’héroïne à Liège,
et sous la pression du PS, le gouvernement fédéral
a cédé, au terme de dix années de doute et
d’étude. Le gouvernement devient un dealer ou tout
au moins un complice.
À la
base de la décision on trouve une étude, menée
comme par hasard par l’Université de Liège,
qui conclut que l’expérience est réalisable.
La santé physique et mentale des héroïnomanes
s’améliorerait, la criminalité diminuerait et
l’intégration sociale serait favorisée. C’est
pourquoi il a été décidé, en
concertation avec la Justice, de lancer l’expérience
à la fin de cette année.
De Sleutel,
un chaînon pourtant important du système d’aide
et de prévention dans le domaine des drogues en Flandre,
affirme qu’il y a beaucoup trop peu de preuves
scientifiques pour introduire, à côté de
l’offre actuelle d’aide, la distribution d’héroïne ;
de plus, les programmes recourant à la méthadone
n’ont pas été suffisamment évalués.
De Sleutel craint que certains toxicomanes resteront
toujours inaccessibles et que les résultats soient de
courte durée.
Le directeur
général de De Sleutel, Johan Maertens,
est très clair à ce sujet et précise que
crier sur tous les toits que Liège a besoin de
distributions d’héroïne pour résoudre
son problème est tout simplement ridicule. Il s’agit
pour lui d’une pure démagogie politique et d’une
obstination aveugle visant à corriger les fautes et les
responsabilités historiques. Le directeur fait notamment
référence à la politique pénale
laxiste vis-à-vis des drogues en souligne surtout la
différence d’approche selon les Communautés.
À ce sujet, il précise qu’alors qu’en
Flandre on se donne beaucoup de mal pour développer à
grands frais des communautés thérapeutiques, des
centres de crise, des centres de jour et des ateliers sociaux, la
Wallonie choisit la voie de la facilité : donner au
toxicomane ce dont il a besoin, l’envoyer chez un médecin
qui lui prescrit de la méthadone et le problème est
résolu ; ainsi on en est débarrassé et
même la criminalité disparaît.
Tout cela sans
parler des surcoûts faramineux. Les autorités
déboursent 3,3 millions d’euros pour, à ce
qu’on dit, 100 à 200 toxicomanes. Pourtant la note
de politique fédérale de 2001 relative aux drogues
précise que le gouvernement fédéral ne
lancera ou ne financera aucune expérience de distribution
contrôlée d’héroïne.
Pourquoi le
gouvernement financera-t-il à présent de telles
expériences, contrairement à ce que prévoit
la notre de politique fédérale de 2001 ?
Le
gouvernement a-t-il impliqué dans cette décision
des groupes de travail et des organisations d’aide de
toutes les Communautés ? Dans l’affirmative,
lesquels ? L’International Narcotics Control Board
(INCB) a-t-il été consulté ? Quelle
furent leur contribution et leurs avis ?
Que pense le
collège des procureurs généraux ? Sous
quelles conditions ont-ils donné leur approbation au
projet ? Que cela signifie-t-il concrètement
pour les poursuites judiciaires ?
Est-il exact
que le gouvernement exclut l’extension de l’expérience
à d’autres villes avant 2010 ?
|
Mevrouw Anke Van dermeersch
(VL. BELANG). – Eind 2007 gaat een project van
start waarbij onder medische controle heroïne wordt
verstrekt aan verslaafde individuen die onbereikbaar waren voor
behandeling, die ongevoelig zijn voor een behandeling of bij wie
een methadonbehandeling mislukte.
De kogel is blijkbaar door de kerk.
Door de hardnekkigheid van de Luikse burgemeester, die naar eigen
zeggen desnoods van plan was op eigen houtje gecontroleerd
heroïne te verstrekken in Luik, en onder druk van de PS is
de federale regering na tien jaar twijfel en studie gezwicht. De
regering wordt drugsdealer of op zijn minst medeplichtige!
Aan de basis van de beslissing ligt
een studie, niet toevallig uitgevoerd door de Universiteit van
Luik, die concludeert dat het experiment haalbaar is. De fysieke
en mentale gezondheid van de heroïneverslaafde zou
verbeteren, de criminaliteit dalen en de maatschappelijke
integratie worden bevorderd. In overleg met Justitie werd daarom
beslist om eind dit jaar het experiment van start te laten gaan.
De Sleutel, een toch niet
onbelangrijke schakel in de drugshulpverlening en -preventie in
Vlaanderen, zegt dat er veel te weinig wetenschappelijke
evidentie is om heroïneverstrekking naast het huidige
hulpverleningsaanbod in te voeren, en ook omdat de
methadonprogramma’s onvoldoende werden geëvalueerd.
De Sleutel vreest dat sommige verslaafden altijd
onbereikbaar zullen blijven en voor resultaten van korte duur.
Algemeen directeur van De Sleutel,
Johan Maertens, is hieromtrent duidelijk: ‘Van de daken
schreeuwen dat Luik heroïneverstrekking nodig heeft om zijn
probleem op te lossen is gewoon belachelijk, pure politieke
demagogie en een hardnekkige blindheid om de eigen historische
fouten en verantwoordelijkheid te zien en te willen corrigeren’.
De directeur verwijst onder meer naar het lakse strafrechtelijk
beleid tegenover drugs en haalt vooral uit naar de te
verschillende aanpak van de gemeenschappen. Hij zegt daarover het
volgende: ‘Terwijl wij ons in Vlaanderen uitsloofden om
therapeutische gemeenschappen, crisiscentra, dagcentra, en
sociale werkplaatsen uit te bouwen met hoge ontwikkelingskosten
(…), koos men in Wallonië al snel de gemakkelijkste
weg. Geef een verslaafde wat hij nodig heeft, stuur hem naar een
dokter, laat hem methadon voorschrijven (…) en het
probleem is opgelost. We zijn ervan af en zelfs de criminaliteit
verdwijnt’.
We hebben het dan nog niet over de
torenhoge meerkosten. De overheid trekt 3,3 miljoen euro uit voor
naar verluidt 100 tot 200 verstokte drugsverslaafden. Nochtans
zegt de federale beleidsnota Drugs van 2001 dat de federale
regering geen experimenten zou opzetten of betalen in het kader
van gecontroleerde heroïneverstrekking.
Waarom gaat de regering, in
tegenstelling tot wat in de federale beleidsnota van 2001 stond,
nu wel dergelijke experimenten financieren?
Heeft de regering over de
gemeenschapsgrenzen heen werkgroepen en
hulpverleningsorganisaties bij haar beslissing betrokken? Zo ja,
dewelke? Werd ook de International Narcotics Control Board
hierbij betrokken? Hoever ging de betrokkenheid en wat waren hun
adviezen?
Wat is de mening hierover van het
College van procureurs-generaal en onder welke voorwaarden gaven
zij hieraan hun goedkeuring? Wat betekent dat concreet voor de
strafrechtelijke vervolging?
Klopt het dat de regering uitsluit
dat het experiment vóór 2010 wordt uitgebreid naar
andere steden?
|
|
M. Rudy Demotte,
ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. –
Le projet de prescription de diacétylmorphine sous
contrôle médical se déroule dans un cadre
expérimental et, comme son nom l’indique, dans un
cadre médical. Je réponds déjà ainsi
à une question de Mme Van dermeersch sur la nature de
l’encadrement. Il n’est pas question que des médecins
délivrent des produits à titre individuel. Une
structure d’accompagnement psychosocial est prévue.
C’est dans le cadre de cette structure que la
diacétylmorphine est délivrée. Le groupe
cible est constitué des personnes qui n’ont pas
obtenu de résultats après avoir suivi des
traitements de substitution à la méthadone. Ainsi,
dans la province de Liège, 2.500 malades asservis à
l’héroïne sont actuellement suivis. Certains
d’entre eux n’arrivent pas à décrocher
avec les méthodes traditionnelles utilisées dans la
lutte contre les assuétudes. Ces personnes constituent le
groupe cible.
Ce projet ne s’appuie pas
uniquement sur notre propre expérience, de nombreux autres
pays s’interrogent également sur la nature des
produits à utiliser et leurs conditions d’utilisation
pour libérer les gens de cet esclavage qu’est
l’assuétude aux produits stupéfiants.
Les autorités judiciaires
liégeoises ont déterminé un consensus sur
les méthodes, l’identification des patients suivis,
la façon dont ils sont inscrits dans le projet et
l’accompagnement auquel j’ai fait référence.
Enfin, le diacétylmorphine est administré au
patient dans un local spécialement conçu à
cet effet.
Un cadre aussi précis et des
critères d’inclusion aussi stricts permettent
d’écarter la critique selon laquelle il pourrait
s’agir d’une prescription prohibée en vertu de
la loi de 1921 qui dispose – on ne parle pas de détention
mais d’administration de produits – qu’il doit
s’agir d’une prescription abusive et non nécessaire.
Nous sommes donc en dehors du cadre
de cette loi puisqu’il s’agit d’une application
médicale à destination d’un groupe cible et
avec un avis favorable du parquet sur la méthode utilisée.
Il faut par ailleurs prendre
conscience du profil des patients visés par l’expérience.
Ces derniers ne se bousculent pas au portillon tant les critères
d’inclusion sont stricts et les contraintes lourdes, alors
qu’ils sont eux-mêmes fortement déstructurés.
Le fait que ces expériences
soient menées à l’étranger augmente
les chances de voir un tel projet aboutir à des résultats
concluants. Mais évitons tout préjugé.
|
De heer Rudy
Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. –
Het project voor het voorschrijven van diacetylmorfine onder
medisch toezicht verloopt in een experimenteel en medisch kader.
Er is geen sprake van dat artsen individueel middelen
verstrekken. De diacetylmorfine zal binnen een structuur voor
psychosociale begeleiding worden verstrekt. De doelgroep bestaat
uit de mensen voor wie de substitutiebehandeling met methadon
geen resultaten heeft opgeleverd. In de provincie Luik worden
momenteel 2.500 heroïneverslaafden gevolgd. Sommigen onder
hen slagen er niet in met de traditionele methodes af te kicken;
zij vormen de doelgroep.
Het project
gaat niet alleen uit van onze eigen ervaringen. Ook in veel
andere landen vraagt men zich af welke producten moeten worden
gebruikt en onder welke voorwaarden dat moet gebeuren om mensen
van hun verslaving af te helpen.
De Luikse
gerechtelijke overheden hebben overeenstemming bereikt over de
methodes, de identificatie van de patiënten die worden
gevolgd, de manier waarop ze in het project worden opgenomen en
de begeleiding. De diacetylmorfine wordt aan de patiënt
verstrekt in een speciaal daartoe uitgerust lokaal.
Het kader is
zo precies omschreven en de criteria zijn zo strikt dat de
kritiek kan worden ontkracht dat het project een inbreuk vormt op
de wet van 1921 die bepaalt dat het moet gaan om een onrechtmatig
en niet noodzakelijk voorschrift.
Het gaat hier
om een medische toepassing voor een doelgroep, waarbij het parket
een gunstig advies heeft gegeven over de gebruikte methode.
We moeten ons
rekenschap geven van het profiel van de patiënten die in het
project worden opgenomen. Ze staan niet te dringen omdat de
criteria en de verplichtingen zeer strikt zijn, terwijl in hun
leven weinig structuur zit.
In het
buitenland werden al dergelijke projecten georganiseerd. Hierdoor
vergroot de kans op goede resultaten. Laten we vooroordelen
vermijden.
|
|
Le projet de
prescription de diacétylmorphine fait partie d’une
demande de subsidiation dans le cadre du Fonds de lutte contre
les assuétudes, créé en juillet 2006.
Il s’agit en d’autres termes d’une nouvelle
source de financement.
La Belgique
n’est pas pionnière en ce domaine. Les premiers
projets d’administration de diacétylmorphine ont été
lancés en 1994 en Suisse. Le protocole liégeois
date de 1998 et repose sur un consensus entre tous les acteurs
concernés. L’INCB, l’organisme international
qui s’occupe des assuétudes et de la politique
relative aux drogues, sera tenu informé de l’initiative
belge. L’utilisation de stupéfiants à des
fins médico-scientifiques est autorisée par cet
organisme.
Le parquet de
Liège a donné son assentiment au projet. Tous les
acteurs s’accordaient sur le cadre légal et médical
qui garantit que les patients bénéficiant du projet
ne se voient pas prescrire de la diacétylmorphine indûment
ou inutilement.
Nous devons
bien entendu attendre les résultats de l’évaluation
avant de prendre de nouvelles décisions.
|
Het project voor het voorschrift van
diacetylmorfine maakt deel uit van een subsidieaanvraag in het
kader van het fonds tot bestrijding van verslavingen, dat in
juli 2006 werd opgericht. Het gaat met andere woorden om een
nieuwe financieringsbron.
België is op dat vlak geen
pionier. De eerste projecten voor de toediening van
diacetylmorfine werden in 1994 in Zwitserland opgestart. Het
Luikse protocol dateert van 1998 en steunt op een consensus onder
alle betrokken actoren. Het INCB, de internationale instelling
die zich met verslavingen en drugsbeleid bezighoudt, zal op de
hoogte worden gehouden van het Belgische initiatief. Het gebruik
van verdovende middelen voor medisch-wetenschappelijke doeleinden
wordt door de organisatie toegestaan.
Het parket van Luik heeft met het
project ingestemd. Alle actoren waren het eens met het wettelijke
en medische kader, dat waarborgt dat de patiënten die in het
project zitten, niet onrechtmatig of onnodig diacetylmorfine
krijgen voorgeschreven.
Natuurlijk moeten we eerst de
resultaten van de evaluatie afwachten alvorens nieuwe
beslissingen te nemen.
|
|
Mme Christine Defraigne
(MR). – Je connais évidemment ce projet dont
nous avons eu l’occasion de débattre dans une autre
enceinte.
Vous me dites que cela ne tombe pas
dans le champ d’application de la loi de 1921, que ce n’est
pas pénalement répréhensible et donc, qu’il
n’est pas nécessaire de modifier la loi. Cela étant,
je n’ai toujours pas de réponse à ma question
concernant la discrimination entre ceux qui en bénéficient
et ceux qui n’en bénéficient pas –
l’immense majorité – et chez qui la détention
sera pénalement répréhensible. Ces derniers
ne peuvent-ils dire qu’ils sont victimes d’un
traitement discriminatoire puisque l’on a renoncé
aux poursuites pour les autres et que le parquet a signé
le protocole d’accord ?
Cela ne répond pas davantage
à ma question concernant la cause de justification dans le
cas de poursuites pénales. C’est un argument qu’un
héroïnomane pourrait soulever s’il se
retrouvait devant le tribunal correctionnel à Liège.
J’attire votre attention sur
ce point et, en particulier, celle de la ministre de la Justice.
|
Mevrouw Christine
Defraigne (MR). – Ik ken het project, waarover we
elders reeds hebben gedebatteerd.
De minister
antwoordt dat het project niet onder de wet van 1921 valt, dat
het niet strafbaar is en dat de wet bijgevolg niet moet worden
aangepast. Ik heb echter nog altijd geen antwoord gekregen op
mijn vraag over de discriminatie tussen de verslaafden die in het
project worden opgenomen en de overgrote meerderheid die niet
deelnemen en voor wie het bezit een strafbaar feit blijft. Kunnen
zij aanvoeren dat ze worden gediscrimineerd omdat de anderen niet
worden vervolgd en het parket het protocol heeft ondertekend?
Ook de vraag
over de rechtvaardigingsgrond in geval van een strafrechtelijke
vervolging is niet beantwoord. Een heroïneverslaafde zou dat
argument voor de Luikse correctionele rechtbank kunnen inroepen.
Ik wil vooral de aandacht van de minister van Justitie op dat
punt vestigen.
|
|
Mme Anke
Van dermeersch (VL. BELANG). – Je reste totalement
opposée à ce projet. Lorsque j’en ai entendu
parler pour la première fois, j’ai repensé à
l’afflux massif d’illégaux lors de la campagne
de régularisation. En Suisse également, le projet a
engendré un afflux massif de toxicomanes.
Le ministre a
parlé de « bons résultats ».
Je me demande ce que peuvent bien être ces bons résultats
et les objectifs du projet.
Je n’en
crois absolument pas mes oreilles lorsque j’entends
Mme Defraigne parler d’une éventuelle
discrimination entre les catégories de toxicomanes.
L’objectif doit quand même être que les gens
vivent en bonne santé dans notre pays. Ce projet va
totalement à l’encontre du point de vue flamand sur
l’aide et la prévention. Je ne comprends pas
davantage comment les procureurs généraux ont pu
donner leur accord. On a manifestement utilisé le prétexte
de l’expérience médicale. Je ne pense pas que
tout cela soit bon pour la population.
|
Mevrouw Anke Van dermeersch
(VL. BELANG). – Ik blijf het volledig oneens met
dit project. Toen ik er de eerste maal over hoorde spreken, moest
ik terugdenken aan de toestroom van illegalen naar aanleiding van
de regularisatiecampagne. Ook in Zwitserland heeft het project
geleid tot een toestroom van drugsverslaafden.
De minister had het over ‘goede
resultaten’. Ik vraag me af wat die goede resultaten en de
doelstellingen van het project dan wel mogen zijn.
Ik raakte helemaal boven mijn
theewater toen ik mevrouw Defraigne hoorde over een
mogelijke discriminatie tussen categorieën van verslaafden.
Het doel moet toch zijn dat mensen gezond leven in dit land. Dit
project gaat volledig in tegen de Vlaamse visie op hulpverlening
en preventie. Ik begrijp ook niet hoe de procureurs-generaal
hiermee konden instemmen. Blijkbaar heeft men de dekmantel van
het medische experiment gebruikt. Ik denk niet dat dit alles de
bevolking ten goede komt.
|
|
M. Rudy Demotte,
ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. –
Je ne peux pas me substituer, dans mes réponses, à
la ministre de la Justice, mais je pense pouvoir vous donner un
élément important en ce qui concerne la
discrimination.
Il ne s’agit pas d’une
discrimination dans la mesure où l’on ne parle pas,
ici, de détention du produit. L’héroïne
n’est pas détenue par la personne mais par le
service qui peut l’utiliser sur la base d’un profil
médical. Appliquant le même raisonnement, on peut
dire qu’une personne qui détiendrait de la morphine
à domicile pour son usage personnel, notamment dans le
cadre de soins palliatifs, ne serait pas poursuivie ; toute
personne, par contre, qui utiliserait cette substance créant
une assuétude à des fins autres que thérapeutiques,
ferait l’objet de poursuites de type judiciaire.
Dans la mesure où il s’agit
d’une structure encadrée, où les produits ne
sont pas détenus pas la personne et où un profil
clairement établi est repris dans le protocole, on ne
risque pas cette discrimination.
|
De heer Rudy
Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. –
Ik kan niet antwoorden namens de minister van Justitie, maar over
de discriminatie kan ik wel het volgende zeggen.
Het gaat niet
om een discriminatie omdat er in dit geval geen sprake is van
bezit van een verdovend middel. De heroïne is niet in het
bezit van de persoon, maar van de dienst die het op basis van een
medisch profiel mag gebruiken. Volgens dezelfde redenering kan
men zeggen dat een persoon die thuis morfine heeft voor
persoonlijk gebruik, bijvoorbeeld in het kader van palliatieve
zorg, niet wordt vervolgd; eenieder die het verslavende middel
gebruikt voor andere dan therapeutische doeleinden zal
daarentegen wel juridisch worden vervolgd.
Het gaat om
een begeleide structuur waarbij de middelen niet in het bezit van
de betrokkenen zijn en waarbij in het protocol een duidelijk
profiel is opgesteld. Er is dus geen gevaar voor discriminatie.
|
|
Mme Christine Defraigne
(MR). – Et la cause de justification ?
|
Mevrouw Christine
Defraigne (MR). – En de rechtvaardigingsgrond?
|
|
M. Rudy Demotte,
ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. –
La cause de justification réside dans le fait que cette
mesure s’adresse à un public cible qui a suivi à
plusieurs reprises et sans succès des traitements avec des
produits de substitution.
|
De heer Rudy
Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. –
De rechtvaardigingsgrond bestaat erin dat de maatregel gericht is
op een doelgroep van mensen die herhaalde keren en zonder succes
behandelingen met substitutiemiddelen hebben gevolgd.
|
|
On doit faire
une distinction entre la problématique éthique et
la consommation du produit. L’utilisation de morphine est
acceptable à des fins thérapeutiques mais pas pour
la consommation privée ou pour d’autres buts.
Ce projet
concerne un nombre limité de personnes qui ne veulent plus
consommer de drogue mais qui ne réagissent pas à la
méthadone. Pour ces personnes, on a recours à
d’autres méthodes.
La communauté
germanophone suisse est beaucoup moins stricte que les
francophones conservateurs qui soulèvent des raisons
éthiques. Nous voulons nous limiter à l’aspect
médical.
|
Men moet een onderscheid maken
tussen de ethische problematiek en het gebruik van het product.
Morfinegebruik is aanvaardbaar als therapie, maar is dat niet
voor privéconsumptie of andere doeleinden.
In dit project gaat het over een
beperkt aantal mensen, die geen drugs meer willen gebruiken maar
niet reageren op methadon. Voor die mensen moet gebruik worden
gemaakt van andere methoden.
De Duitstalige gemeenschap in
Zwitserland is veel minder streng dan de conservatieve
Franstalige, die daarvoor ethische redenen inroept. Wij willen
ons beperken tot het medische aspect.
|
|
Question
orale de Mme Mia De Schamphelaere au ministre des
Affaires sociales et de la Santé publique sur
«l’interdiction de fumer dans les restaurants»
(nº 3-1419)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister
van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het rookverbod
in restaurants» (nr. 3-1419)
|
|
Mme Mia
De Schamphelaere (CD&V). – Nous sommes
favorable à l’interdiction de fumer dans l’horeca
mais nous nous demandons s’il ne s’agit pas d’une
mesure discriminatoire.
La loi prévoit
une exception pour les débits de boissons et les friteries
quant à l’interdiction de fumer : si la
restauration représente moins de 30% des revenus,
l’interdiction ne s’applique pas.
De nombreux
restaurants voient leur chiffre diminuer et perdent des clients
au profit des débits de boissons où il est encore
possible de fumer. En outre il s’avère que beaucoup
de bistros étoffent leur carte.
Les
restaurateurs parlent par conséquent de discrimination et
de concurrence déloyale et souhaitent une interdiction de
fumer générale et immédiate dans l’horeca.
La deuxième
partie de ma question orale concerne les maisons de jeunes qui,
en raison de leur objectif social, reçoivent des subsides
des villes et communes. Les jeunes défavorisés qui
fréquentent les maisons des jeunes désertent de
plus en plus ces locaux et préfèrent se rendre dans
des cafés pour jeunes où il est encore permis de
fumer.
Le ministre
perçoit-il le caractère discriminatoire de
l’interdiction de fumer ? Est-il disposé à
évaluer la situation avant le délai d’un an
qui a été prévu et à instaurer plus
rapidement une interdiction générale de fumer ou,
pour le moins, une interdiction de fumer dans les établissements
qui proposent de la restauration et ce afin que les restaurants
ne soient plus discriminés ?
Je propose
également d’appliquer un même traitement aux
maisons de jeunes et aux cafés pour jeunes, par exemple en
leur permettant de réserver une moitié de l’espace
à une zone non fumeur.
|
Mevrouw Mia De Schamphelaere
(CD&V). – Wij zijn voorstander van het rookverbod
in de horeca, maar vragen ons af of het niet discriminerend is.
In de wetgeving wordt voor het
rookverbod een uitzondering gemaakt voor drankgelegenheden en
frietkramen. Het daarvoor gehanteerde criterium vormt het al dan
niet omzetten van 30% van de inkomsten uit gerechten.
Heel wat restaurants zien hun omzet
dalen en verliezen klanten aan drankgelegenheden waar nog wel mag
worden gerookt. Daarenboven blijken heel wat bistro’s hun
beperkte eetkaart uit te breiden.
De restauranthouders spreken dan ook
van discriminatie en oneerlijke concurrentie en willen een
onmiddellijk algemeen rookverbod in de horeca.
Het tweede deel van mijn mondelinge
vraag heeft betrekking op de jeugdhuizen, die wegens hun sociale
oogmerk door steden en gemeenten worden gesubsidieerd. Kansarme
jongeren komen er normaal gezien samen om rustig en creatief
bezig te zijn, maar de lokalen van de jeugdhuizen lopen steeds
meer leeg, omdat de jongeren nu de voorkeur geven aan jeugdcafés,
waar nog mag worden gerookt.
Heeft de minister oog voor het
discriminerende karakter van het rookverbod? Is hij bereid om de
situatie vroeger dan de vooropgestelde termijn van een jaar te
evalueren en sneller over te gaan tot de invoering van een
algemeen rookverbod of op zijn minst tot het invoeren van een
rookverbod in de gelegenheden waar voedsel wordt aangeboden,
zodat de restaurants niet meer worden gediscrimineerd?
Ik stel ook voor de gelijke
behandeling te overwegen van jeugdhuizen en jeugdcafés,
bijvoorbeeld door in beide een halve ruimte rookvrij te maken.
|
|
M. Rudy
Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé
publique. – Je rappelle que les règles applicables
au secteur horeca ont été décidées en
concertation avec le secteur, à savoir les représentants
des trois grandes fédérations, et avec l’accord
du gouvernement.
Une évaluation
est indispensable pour que nous puissions tirer les conclusions
qui s’imposent en la matière. Les chiffres seront
disponibles dans le courant du mois de juin. Parallèlement,
j’envisage de faire réaliser une enquête de
satisfaction auprès des consommateurs. Les résultats
en seront également disponibles en juin. Enfin, une
évaluation globale tenant compte de l’impact
économique sera faite six mois après l’entrée
en vigueur de la mesure.
J’ai
toujours dit qu’il faudrait tirer les conclusions qui
s’imposent si la mesure s’avérait inefficace.
Je doute cependant que nous retournions à la situation
antérieure, d’une part étant donné les
progrès déjà enregistrés en matière
de protection contre le tabagisme passif et, d’autre part,
étant donné le contexte international.
Jusqu’à
présent nous suivons donc la voie qui a été
tracée en collaboration avec le secteur et sur la base du
consensus dégagé au gouvernement. Après
l’évaluation, si la majorité des parties est
disposée à prendre une autre initiative en fonction
des résultats enregistrés durant les six premiers
mois, nous devrons évidemment tirer les conclusions qui
s’imposent. En tant que membre du gouvernement, je me dois
naturellement de défendre le consensus dégagé
au sein du gouvernement.
|
De heer Rudy Demotte,
minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Ik
herinner eraan dat de regels voor de horeca werden opgesteld in
samenspraak met de sector, namelijk met de vertegenwoordigers van
de drie grote federaties, en met de goedkeuring van de regering.
Er is een evaluatie nodig alvorens
we conclusies kunnen trekken in verband met het zogenaamde
Belgische systeem. In de loop van de maand juni zullen de
controlecijfers beschikbaar zijn. Parallel hiermee, ben ik van
plan een tevredenheidsenquête bij de consumenten te laten
uitvoeren. De resultaten daarvan worden eveneens in juni
verwacht. Tot slot moet er een globale evaluatie, die ook peilt
naar de economische impact, plaatsvinden zes maanden na het van
kracht worden van de maatregel.
Ik heb steeds gezegd dat als de
maatregel niet efficiënt blijkt te zijn, we daaraan
conclusies zullen moeten verbinden. Ik betwijfel echter dat we
naar de vroegere situatie zullen moeten terugkeren, gezien de
vooruitgang die al werd geboekt op het vlak van de bescherming
tegen passief roken en gezien de internationale context.
Tot nog toe volgen we dus de lijn
die werd uitgezet samen met de sector en op basis van een
consensus in de regering. Indien na de evaluatie een meerderheid
van de partijen bereid is op basis van de resultaten van de
eerste zes maanden een ander initiatief te nemen, dan moeten er
natuurlijk conclusies worden getrokken. Ikzelf, als lid van de
regering, moet uiteraard de regeringsconsensus verdedigen.
|
|
Mme Mia
De Schamphelaere (CD&V). – Je comprends bien
la manière dont le critère a été fixé
en concertation avec le secteur. Après bientôt deux
mois de pratique, il apparaît cependant très
clairement que le critère est difficilement applicable du
fait que le type de repas servis permet facilement de se déplacer
et que le chiffre d’affaires est difficilement contrôlable.
Ce sont surtout les restaurateurs qui se plaignent de subir une
discrimination.
Le ministre
n’a pas répondu à ma question sur les maisons
de jeunes qui se vident au profit des cafés pour jeunes.
|
Mevrouw Mia De Schamphelaere
(CD&V). – Ik heb wel begrip voor de manier waarop
het criterium in overleg met de sector tot stand is gekomen. Na
bijna twee maanden praktijk blijkt echter heel duidelijk dat het
criterium moeilijk hanteerbaar is, omdat met het soort maaltijden
dat geserveerd wordt, gemakkelijk kan worden geschoven en ook
omdat de omzet moeilijk controleerbaar is. Vooral de
restauranthouders klagen erover dat ze gediscrimineerd worden.
De minister gaf geen antwoord op
mijn vraag over het leeglopen van de jeugdhuizen ten gunste van
de jeugdcafés.
|
|
M. Rudy
Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé
publique. – Il était déjà interdit de
fumer dans les maisons de jeunes avant la récente
instauration de l’interdiction de fumer. La loi précédente
était mal interprétée. Par ailleurs, je ne
préconiserai jamais de supprimer l’interdiction de
fumer dans les maisons de jeunes.
|
De heer Rudy Demotte,
minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Roken was
in de jeugdhuizen al verboden nog voor het recente rookverbod
werd ingevoerd. De vorige wet werd gewoon verkeerd
geïnterpreteerd. Anderzijds zal ik nooit pleiten voor het
afschaffen van het rookverbod in jeugdhuizen.
|
|
Question
orale de Mme Sabine de Bethune au ministre des Affaires
sociales et de la Santé publique et à la secrétaire
d’État aux Familles et aux Personnes handicapées
sur «les allocations familiales majorées pour
enfants handicapés» (nº 3-1420)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van
Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de staatssecretaris voor
het Gezin en Personen met een handicap over «de verhoogde
kinderbijslag voor kinderen met een handicap» (nr. 3-1420)
|
|
Mme Sabine
de Bethune (CD&V). – Ma question prolonge
celles que j’ai récemment posées, à
savoir ma demande d’explications 3-2070 et ma question
orale 3-1190. Dans le régime des travailleurs salariés,
les enfants handicapés peuvent bénéficier
d’un supplément à leurs allocations
familiales jusqu’à l’âge de 21 ans.
Il existe
actuellement deux systèmes basés sur la date de
naissance de l’enfant. Les enfants nés avant le
2 janvier 1996 ont droit à un supplément
lorsqu’ils sont atteints d’un handicap de 66% au
moins. Le 1er mai 2003, un nouveau système
a été instauré pour les enfants nés
après le 2 janvier 1996. L’objectif était
d’élaborer un système plus honnête
permettant de ne plus dépendre uniquement de la règle
arbitraire des 66%. Depuis le 1er janvier de
cette année, les enfants nés après le
31 décembre 1992 devraient également
pouvoir bénéficier du nouveau système.
Dans sa
dernière réponse, le ministre disait que l’arrêté
royal en la matière serait publié prochainement.
Toutefois, cela n’a pas été fait. En outre la
mesure aurait un effet rétroactif jusqu’en mai 2003,
sans doute sur la base de l’avis du Conseil d’État.
Aujourd’hui,
les enfants âgés de 15 à 21 ans ne relèvent
toujours pas du nouveau système. En fait, une
discrimination est donc maintenue.
Pour faire
toute la clarté dans ce dossier, j’aimerais obtenir
une réponse aux questions suivantes.
Pourquoi
l’arrêté royal n’a-t-il pas encore été
publié ?
Pourquoi la
mesure a-t-elle un effet rétroactif ? Quels sont les
arguments juridiques du Conseil d’État à ce
sujet ?
Quel est
l’impact budgétaire de l’effet rétroactif
pour les enfants nés après le 31 décembre 1992 ?
Le
gouvernement a-t-il encore l’intention d’étendre
le nouveau système aux enfants âgés de 15 à
21 ans sous cette législature ? Cette mesure
aura-t-elle également un effet rétroactif ?
Quel est
l’impact budgétaire de l’élargissement
de la mesure aux enfants âgés de 15 à 21 ans,
compte tenu de l’éventuel effet rétroactif
jusqu’en mai 2003 ?
|
Mevrouw Sabine de Bethune
(CD&V). – Mijn vraag pikt opnieuw de draad op van
vragen die ik onlangs al stelde, namelijk mijn vraag om uitleg
3-2070 en mijn mondelinge vraag 3-1190.
Kinderen met een handicap kunnen in
de regeling voor werknemers tot 21 jaar een toeslag bij hun
kinderbijslag krijgen. Vandaag zijn er twee systemen, afhankelijk
van de geboortedatum van het kind. Kinderen geboren voor
2 januari 1996 hebben recht op een toeslag als ze ten
minste 66% gehandicapt zijn. Op 1 mei 2003 werd echter
een nieuw systeem ingevoerd, voor kinderen geboren na
2 januari 1996. Bedoeling was tot een eerlijker systeem
te komen waarbij men niet enkel afhankelijk is van de arbitraire
66%-regel. Sinds 1 januari van dit jaar zouden de
begunstigden van het nieuwe systeem uitgebreid moeten zijn naar
kinderen geboren na 31 december 1992.
De minister gaf aan in zijn vorig
antwoord aan dat het betreffende koninklijk besluit eerstdaags
zou worden gepubliceerd. Dat is echter nog niet gebeurd.
Daarnaast zou de maatregel terugwerkende kracht hebben tot
mei 2003, wellicht op basis van het advies van de Raad van
State.
Vandaag vallen de 15 tot 21 jarigen
nog altijd niet onder het nieuwe systeem. Eigenlijk wordt dus een
discriminatie in stand gehouden.
Om in dit dossier volledige
duidelijkheid te krijgen, kreeg ik graag een antwoord op volgende
aanvullende vragen.
Waarom is het koninklijk besluit nog
altijd niet gepubliceerd?
Waarom heeft de maatregel
terugwerkende kracht? Welke juridische argumenten heeft de Raad
van State hiervoor?
Wat is de budgettaire impact van de
terugwerkende kracht voor kinderen geboren na 31 december 1992?
Is de regering van plan nog in de
huidige legislatuur het nieuwe systeem uit te breiden naar de
kinderen tussen 15 en 21 jaar? Zal deze maatregel ook met
terugwerkende kracht gelden?
Wat is de budgettaire impact van de
uitbreiding van de maatregel naar 15 tot 21-jarigen, rekening
houdend met een eventueel terugwerkende kracht tot mei 2003?
|
|
M. Rudy
Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé
publique. – L’arrêté royal en question a
été signé par le Roi le 29 janvier 2007
et envoyé pour publication le 8 février. Il
devrait bientôt être publié dans le Moniteur
belge.
Toutes les
caisses d’allocations familiales ont reçu une
circulaire officielle explicative. Elles appliquent le nouveau
système depuis le 1er janvier 2007,
avec un effet rétroactif au 1er mai 2003,
comme je l’ai déjà communiqué dans ma
réponse à la demande d’explications 3-2070 du
25 janvier dernier.
Cette
rétroactivité est nécessaire pour que les
deux systèmes s’appliquent en même temps à
partir de la même date. Le Conseil d’État n’a
fait aucun commentaire étant donné la motivation de
cet effet rétroactif.
Les
estimations ont été réalisées par
l’ONAFTS. L’avis de l’Inspection des Finances
était positif et le budget a été approuvé.
Si Mme de Bethune souhaite obtenir davantage de données
chiffrées, je puis les lui transmettre par écrit.
Vu
l’augmentation des montants en mai 2006 et
l’élargissement de la catégorie d’âge
au 1er janvier de cette année, il n’y
a actuellement aucune autre possibilité budgétaire.
Une estimation de cet élargissement sera demandée
pour l’avenir.
|
De heer Rudy Demotte,
minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Het
desbetreffende koninklijk besluit op 29 januari 2007
door de Koning ondertekend en op 8 februari doorgestuurd
voor publicatie. Het zou weldra in het Belgisch Staatsblad
moeten worden gepubliceerd.
Alle kinderbijslagfondsen hebben een
officiële en verklarende rondzendbrief ontvangen. Het nieuwe
systeem wordt door de fondsen sedert 1 januari 2007
toegepast, met retroactieve werking tot 1 mei 2003,
zoals ik al meedeelde in antwoord op de vraag om uitleg 3-2070
van 25 januari jongstleden.
Deze terugwerkende kracht is nodig
opdat de twee systemen gelijktijdig bestaan op dezelfde datum. De
Raad van State gaf geen bijzondere commentaar, gezien de
motivering van deze terugwerkende kracht.
De ramingen werden uitgevoerd door
de RKW. Het advies van de Inspectie van Financiën was
positief en het budget werd goedgekeurd. Indien mevrouw de
Bethune meer cijfergegevens wenst, kan ik ze schriftelijk
bezorgen.
Gezien de stijging van de bedragen
in mei 2006 en de uitbreiding van de leeftijd op 1 januari
van dit jaar, bestaan er op het ogenblik geen andere budgettaire
mogelijkheden. Voor de toekomst zal een raming voor deze
uitbreiding worden gevraagd.
|
|
Mme Sabine
de Bethune (CD&V). – Le CD&V soutient
cette mesure. C’est une bonne chose qu’elle soit
élargie, mais je m’étonne néanmoins
que le ministre ne puisse donner aucun chiffre ni une estimation
totale du coût de l’introduction d’une mesure
déjà connue depuis des années.
|
Mevrouw Sabine de Bethune
(CD&V). – CD&V staat achter de inhoud van deze
maatregel. Het is positief dat deze maatregel wordt uitgebreid,
maar toch verrast het mij dat de minister geen cijfers of geen
totale raming kan geven van de kostprijs van de invoering van een
maatregel die toch al jaren bekend is.
|
|
Projet
de loi portant des dispositions diverses en vue de la réalisation
de l’intégration des petits risques dans l’assurance
obligatoire soins de santé pour les travailleurs
indépendants (Doc. 3-2025) (Procédure
d’évocation)
|
Wetsontwerp
houdende diverse bepalingen met het oog op de integratie van de
kleine risico’s in de verplichte verzekering voor
geneeskundige verzorging voor de zelfstandigen (Stuk 3-2025)
(Evocatieprocedure)
|
|
Discussion
générale
|
Algemene
bespreking
|
|
Mme Christel Geerts
(SP.A-SPIRIT), rapporteuse. – Je me réfère
à mon rapport écrit.
|
Mevrouw Christel Geerts
(SP.A-SPIRIT), rapporteur. – Ik verwijs naar mijn
schriftelijk verslag.
|
|
M. Jan
Steverlynck (CD&V). – Je n’ai pas pu assister
aux débats en commission mais j’ai quand même
un certain nombre de remarques à formuler.
Le CD&V
est totalement d’accord sur le principe de l’intégration
des petits risques dans l’assurance obligatoire des
travailleurs indépendants. Mes remarques portent
essentiellement sur les cotisations des pensionnés. À
partir de 2006, les GRAPA seront couverts pour tout le système
des petits risques sans devoir payer de cotisation. Alors qu’ils
touchent parfois de très petites pensions, les autres
pensionnés sont pourtant soumis à une cotisation.
L’argument
de la ministre me paraît assez curieux. Selon elle, il
n’est pas possible d’instaurer un régime dans
lequel les pensionnés ne payeraient rien du tout car ce
seraient alors les indépendants actifs qui devraient en
supporter entièrement le coût. Je cite un extrait du
rapport : « il y a un accord politique pour
réclamer aux indépendants pensionnés une
cotisation dégressive dans le temps. »
Je peux
comprendre que les syndicats d’indépendants soient
d’accord. Ils songent en effet aux cotisations que leurs
membres actifs devront payer. Mais si l’on interrogeait les
organisations de seniors ou d’indépendants
pensionnés, on verrait qu’ils n’apprécient
pas cette mesure.
À
partir de ce raisonnement, on risque à nouveau de créer
une discrimination par rapport aux seniors salariés. En
effet, contrairement aux seniors indépendants, ils ne
paient pas de cotisation distincte. Le problème est encore
plus aigu dans le cas de carrières mixtes. Certains
indépendants qui ont une carrière limitée en
tant qu’indépendants se voient offrir l’assurance
petits risques tandis que d’autres indépendants
doivent payer une cotisation d’environ trois pour cent sur
leurs revenus de pension. Cette cotisation rogne en tout cas
douloureusement le pouvoir d’achat des petits pensionnés.
Par conséquent, la mesure est, à mes yeux, une
occasion manquée.
Les seniors
doivent payer environ 24 millions d’euros. Cet argent
aurait pu être trouvé dans le Fonds pour le
bien-être des indépendants, lequel contient pour
l’instant environ 64 millions d’euros. Pour le CD&V,
c’est un point négatif d’une mesure que nous
trouvons du reste excellente.
Dans le
rapport, je lis quelque chose de très surprenant au sujet
des indemnités d’invalidité. À la
demande de quelques membres de la commission, la ministre
rappelle que le régime de sécurité sociale
des indépendants est le plus solidaire de tous. Les études
du professeur Cantillon l’ont démontré. Par
exemple, les indemnités d’invalidité sont
identiques, quel que soit le revenu des indépendants. Ce
n’est pas le cas dans le régime des salariés.
À ce
sujet, la ministre trouve qu’il ne s’agit pas d’un
problème en soi mais « qu’il faut que
cette indemnité soit suffisamment élevée.
Supprimer cette proportionnalité dans le régime des
travailleurs salariés pourrait permettre de franchir une
étape vers l’intégration complète des
régimes des salariés et des indépendants. »
Il s’agit sans doute d’un point de vue personnel de
la ministre car l’accord de gouvernement, qui lie
l’ensemble du gouvernement, prévoit que le
gouvernement renforcera le caractère assurantiel des
indépendants, précisément pour veiller à
ce que les indemnités d’invalidité soient
aussi liées au revenu dont ils ont bénéficié
avant.
Cela a
toujours été l’essence du système.
Lorsque l’assurance incapacité de travail a vu le
jour en 1971, on a déjà fait référence
au montant des pensions, qui étaient alors encore établies
sur une base forfaitaire. Depuis 1984, les pensions des
indépendants sont proportionnelles. L’accord de
gouvernement entendait appliquer une proportionnalité
identique pour les indemnités d’invalidité.
C’est
pourquoi je m’étonne d’entendre soudain la
ministre des Classes moyennes affirmer qu’elle ne voit pas
en quoi le fait qu’on n’envisage pas la
proportionnalité et que nous devrons peut-être même
supprimer cette proportionnalité chez les salariés
constitue un problème.
J’aurais
aimé entendre la réponse de la ministre et celle de
l’ensemble du gouvernement. Je considère qu’un
accord de gouvernement a plus de poids que le point de vue
personnel d’un ministre.
|
De heer Jan Steverlynck
(CD&V). – Ik kon niet aanwezig zijn tijdens de
commissiebesprekingen, maar ik heb toch een aantal opmerkingen.
De CD&V is het volledig eens met
het principe van de integratie van de kleine risico’s in de
verplichte verzekering voor zelfstandigen. Mijn opmerkingen
hebben vooral betrekking op de bijdragen voor de gepensioneerden.
Vanaf 2006 geldt voor de IGO’s het systeem van de volledige
kleine risico’s, in de toekomst zelfs zonder de
bijdragebetaling. De andere gepensioneerden moeten echter wel een
bijdrage betalen, ook al zijn hun pensioenen soms heel klein.
Het argument van de minister vind ik
nogal vreemd. Volgens haar kan er geen enkele regeling worden
getroffen waarbij de gepensioneerden helemaal niets moeten
betalen, want in dat geval zouden de actieve zelfstandigen
uiteindelijk deze kosten moeten betalen. Ik citeer uit het
verslag: ‘Het politiek akkoord om aan de gepensioneerde
zelfstandigen een bijdrage te vragen die degressief is in de
tijd.’
Ik kan begrijpen dat
zelfstandigenorganisaties het daarmee eens zijn. Als
belangenorganisatie van actieve zelfstandigen denken ze immers
aan de bijdragen die actieve zelfstandigen zullen moeten betalen.
Maar navraag bij organisaties van senioren of gepensioneerde
zelfstandigen zou duidelijk maken dat zij dat niet zien zitten.
Op basis van deze redenering
riskeert men nu opnieuw een discriminatie te creëren met
loontrekkende senioren. Zij betalen namelijk geen afzonderlijke
bijdrage, maar de zelfstandige senioren wel. Het probleem is nog
nijpender bij gemengde loopbanen. Sommige zelfstandigen met een
beperkte loopbaan als loontrekkende krijgen de verzekering voor
kleine risico’s gratis, terwijl andere zelfstandigen een
bijdrage van ongeveer drie procent op hun pensioeninkomsten
moeten betalen. De regering zegt wel dat dit kan worden
afgebouwd, maar mijns inziens is die stap overbodig. Bovendien is
die bijdrage voor de kleine pensioenen in ieder geval een
pijnlijke koopkrachtvermindering. De maatregel is in mijn ogen
dan ook echt een gemiste kans.
Naar schatting moeten de senioren
samen ongeveer 24 miljoen euro betalen. Dat had men ook kunnen
financieren vanuit het Fonds voor de welvaart der zelfstandigen,
waar op het ogenblik ongeveer 64 miljoen euro in zit. Dat vindt
de CD&V-fractie een minpunt van deze maatregel, die we op
zich overigens heel goed vinden.
In het verslag lees ik iets zeer
bevreemdend over de invaliditeitsuitkeringen. Op vraag van enkele
commissieleden antwoordt de minister dat het
socialezekerheidsstelsel der zelfstandigen vandaag het meest
solidaire stelsel is. Dat was al gebleken uit de studies van
professor Cantillon. Invaliditeitsuitkeringen zijn bijvoorbeeld
dezelfde voor iedereen, ongeacht het inkomen van de zelfstandige.
Dat is niet het geval in het stelsel van de werknemers.
De minister zegt daarover, aldus het
verslag, dat ze dat verschil op zich geen probleem vindt, maar
‘dat de uitkering voldoende hoog moet zijn. Mogelijk kan
een stap naar de volledige integratie van de stelsels van
zelfstandigen en werknemers worden gezet door deze
proportionaliteit op te heffen in het stelsel van de werknemers.’
Vermoedelijk is dit een individueel standpunt van de minister,
want het regeerakkoord, dat de hele regering bindt, bepaalt heel
duidelijk dat de regering voor de invaliditeitsuitkering van de
zelfstandigen het verzekeringskarakter zal versterken, precies om
ervoor te zorgen dat de invaliditeitsuitkeringen ook worden
gekoppeld aan het voorheen genoten inkomen.
Dat is altijd de bedoeling van het
systeem geweest. Toen de arbeidsongeschiktheidsverzekering in
1971 het licht zag, werd al gerefereerd aan het bedrag van de
pensioenen, die toen nog forfaitair werden vastgelegd. Sinds 1984
zijn de pensioenen der zelfstandigen proportioneel. Het
regeerakkoord had de bedoeling om op dezelfde wijze ook de
invaliditeitsuitkeringen proportioneel te maken.
Daarom verrast het me dat de
minister van Middenstand nu plots zegt dat ze het geen probleem
vindt dat de proportionaliteit niet in het vooruitzicht wordt
gesteld en dat we misschien zelfs de proportionaliteit bij de
werknemers moeten afschaffen.
Ik had graag het antwoord gekend van
de minister én van de hele regering. Ik neem aan dat het
regeerakkoord belangrijker is dan een individueel standpunt van
een minister.
|
|
M. Christian Brotcorne
(CDH). – Je me rallie aux propos de M. Steverlynck.
Toute amélioration du statut social des indépendants
est évidemment une bonne chose. Nous réclamions ce
progrès depuis longtemps.
Dans son rapport du mois
d’avril 2000, la commission Cantillon suggérait
de permettre la couverture des petits risques moyennant une
cotisation supplémentaire.
Sur le plan des allocations
familiales, elle plaidait en faveur de l’égalité
des premiers enfants, que leurs géniteurs soient salariés
ou indépendants, puisque l’allocation familiale est
un droit de l’enfant. Malheureusement, ce chantier n’est
pas encore ouvert.
Dans le domaine de l’incapacité
de travail, elle proposait d’aligner les indemnités
d’invalidité des indépendants sur celles des
salariés et d’augmenter les indemnités de
maladie de 20%. M. Steverlynck a rappelé à
juste titre que des avancées partielles ont été
enregistrées en matière.
En conclusion, même si nous
n’avons pu être présents en commission des
Affaires sociales, nous saluons le projet. Le CDH le votera sans
aucune difficulté.
|
De heer Christian
Brotcorne (CDH). – Ik sluit me aan bij
de heer Steverlynck. Elke verbetering van het sociaal
statuut van de zelfstandigen is uiteraard een goede zaak. We
vragen al lang om deze verbetering.
De
commissie-Cantillon heeft in haar rapport van april 2000
voorgesteld de mogelijkheid in te voeren kleine risico’s te
dekken door middel van een aanvullende bijdrage.
Op het vlak
van de kinderbijslag pleitte de commissie voor gelijke rechten
voor de eerste kinderen van zowel zelfstandigen als werknemers,
aangezien de kinderbijslag een recht van het kind is. Jammer
genoeg wordt daar nog niet aan gewerkt.
Op het vlak
van de arbeidsongeschiktheid stelt de commissie voor de
invaliditeitsuitkeringen voor de zelfstandigen in overeenstemming
te brengen met die van de werknemers en de ziekte-uitkeringen met
20% te verhogen. De heer Steverlynck heeft er terecht
op gewezen dat er op dat vlak een gedeeltelijke vooruitgang is
geboekt.
Hoewel we niet
aanwezig konden zijn in de commissie voor de Sociale
Aangelegenheden, waarderen we dit ontwerp. De CDH zal het graag
goedkeuren.
|
|
Mme Sabine
Laruelle, ministre des Classes moyennes et de l’Agriculture.
– Il y a un monde de différence entre un indépendant
pensionné et un salarié pensionné. Un
salarié paie des cotisations pour les petits risques tout
au long de sa carrière. Cette obligation n’existe
toujours pas pour les indépendants.
|
Mevrouw Sabine Laruelle,
minister van Middenstand en Landbouw. – Er is een groot
verschil tussen een gepensioneerde zelfstandige en een
gepensioneerde werknemer. Een werknemer betaalt gedurende zijn
hele loopbaan bijdragen voor kleine risico’s. Zelfstandigen
zijn daar nog altijd niet toe verplicht.
|
|
Au début de la législature,
le budget de l’INASTI. accusait un passif de 490 millions
d’euros. Aujourd’hui, il est en boni et ce de façon
quasi structurelle.
Les organisations représentatives
des classes moyennes approuvent les propositions qui sont sur la
table. L’intégration de la couverture des petits
risques dans le statut social permettra aux pensionnés qui
cotisent volontairement de payer beaucoup moins. En outre, nous
avons décidé d’aller vers la dégressivité
pour les pensionnés. Bien sûr, il est toujours
possible de revendiquer davantage mais il faut tenir compte des
réalités financières.
Sous cette législature, les
indemnités d’invalidité et d’incapacité
ont augmenté dans des proportions inédites. Les
indemnités d’invalidité ont augmenté
de 35% de sorte qu’elle atteignent à présent
le minimum des salariés. Quant aux indemnités
d’incapacité, elles ont augmenté de plus de
30%, de telle manière qu’il ne restera plus que
trois à quatre euros par jour pour rattraper les minima
des salariés.
En commission, je me suis exprimée
à titre personnel lors d’une discussion à
bâtons rompus en disant que mon objectif était de
rattraper les minima des salariés, tout en assainissant le
budget et en le finançant de façon structurelle.
Quand les petits risques seront intégrés, nous
verrons de quels moyens nous disposerons. Toutefois, je suis
personnellement opposée à l’idée
d’augmenter les cotisations sociales pour rendre les
indemnités d’invalidité proportionnelles.
L’accord de gouvernement
prévoyait de renforcer les indemnités d’invalidité.
Ce point est acquis.
Concernant les allocations
familiales, monsieur Brotcorne, les améliorations que ce
gouvernement apporte au statut social semblent susciter pas mal
d’envies, car de nombreuses formations en demandent
toujours plus.
C’est la première fois,
je vous le rappelle, que les allocations familiales accordées
pour le premier enfant augmenteront. Plus de la moitié du
« décrochage » sera ainsi rattrapée
en une seule fois.
Pour le reste, ce gouvernement n’a
jamais promis de raser gratis et ne souhaite pas le faire.
J’espère que ceux qui reprendront ces compétences
agiront dans le même sens car, on le sait, une telle
réforme est impayable.
|
Aan het begin
van de regeerperiode vertoonde de begroting van het RSVZ een
tekort van 490 miljoen euro. Vandaag vertoont ze een vrijwel
structureel overschot.
De
middenstandsorganisaties keuren de voorliggende voorstellen goed.
Door de integratie van de dekking van de kleine risico’s in
het sociaal stelsel zullen de gepensioneerden die vrijwillig
bijdragen, veel minder moeten betalen. Bovendien hebben we
beslist de degressie voor de gepensioneerden geleidelijk in te
voeren. Men kan natuurlijk altijd meer eisen, maar we moeten
rekening houden met de financiële realiteit.
Tijdens deze
regeerperiode zijn de invaliditeitsuitkeringen en de uitkeringen
voor arbeidsongeschiktheid zoals nooit tevoren gestegen. De
invaliditeitsuitkeringen zijn met 35% gestegen. Momenteel
bedragen ze even veel als het minimum voor werknemers. De
uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid zijn met meer dan 30%
gestegen. Nu bedragen ze per dag nog slechts drie of vier euro
minder dan de minima voor werknemers.
In de
commissie heb ik tijdens een debat uit mijn persoonlijke naam
gesproken toen ik zei dat mijn doelstelling erin bestond de
bedragen van de minima voor werknemers te bereiken en
tegelijkertijd de begroting te saneren en op een structurele
wijze te financieren. Als de kleine risico’s geïntegreerd
zullen zijn, zullen we zien over hoeveel middelen we beschikken.
Ik ben evenwel persoonlijk gekant tegen een verhoging van de
sociale bijdragen om de invaliditeitsuitkeringen proportioneel te
kunnen maken.
Het
regeerakkoord voorzag in een verhoging van de
invaliditeitsuitkeringen. Die is gerealiseerd.
Op het vlak
van de kinderbijslagen zetten de verbeteringen die de regering
aanbrengt, er blijkbaar velen toe aan almaar meer te vragen.
Het is de
eerste keer dat de kinderbijslagen voor het eerste kind zullen
stijgen. Daarmee wordt in één keer meer dan de
helft van het verschil weggewerkt.
Voor het
overige heeft deze regering nooit beloofd alles gratis te zullen
maken en wil ze dat ook niet doen. Ik hoop dat zij die deze
bevoegdheden zullen overnemen, in dezelfde zin zullen optreden.
Zulk een hervorming is immers onbetaalbaar.
|
|
M. Jan
Steverlynck (CD&V). – Beaucoup de pensionnés
indépendants ont volontairement payé durant leur
carrière des cotisations pour les petits risques.
L’argument avancé par le ministre pour défendre
cette nouvelle discrimination n’est donc pas pertinent.
On comprend
que les organisations d’indépendants approuvent la
nouvelle réglementation, car elles défendent les
indépendants actifs et ne souhaitent donc pas que ceux-ci
doivent payer des cotisations supplémentaires. Toutefois,
on introduit une nouvelle discrimination en faisant payer les
seniors indépendants et non les salariés. C’est
un choix politique.
Je trouve
singulier le point de vue du ministre sur la proportionnalité
dans le système d’assurance. L’accord de
gouvernement stipule expressément que le caractère
d’assurance des allocations d’incapacité de
travail sera renforcé. La ministre Laruelle signale
expressément qu’elle ne le fera pas. Quel est
le point de vue du ministre Demotte à ce propos ?
|
De heer Jan Steverlynck
(CD&V). – Heel wat gepensioneerde zelfstandigen
hebben gedurende hun loopbaan vrijwillig bijgedragen voor kleine
risico’s betaald. Het argument dat de minister aanvoert om
deze nieuwe discriminatie te verdedigen, gaat dus niet op.
De organisaties van zelfstandigen
gaan begrijpelijkerwijze akkoord met de nieuwe regeling, want zij
verdedigen de actieve zelfstandigen en wensen dus niet dat de
actieve zelfstandigen extra moeten betalen. Er wordt echter een
nieuwe discriminatie ingevoerd door zelfstandige senioren te
laten betalen en loontrekkende niet. Dat is een politieke keuze.
Het standpunt van de minister over
de proportionaliteit in het verzekeringssysteem vind ik vreemd.
In het regeerakkoord staat uitdrukkelijk dat het
verzekeringskarakter van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zal
worden versterkt. Minister Laruelle stelt uitdrukkelijk dat ze
dat niet zal doen. Wat is het standpunt van minister Demotte
daarover?
|
|
M. Rudy Demotte,
ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. –
Concernant le projet lui-même, les avancées
enregistrées en matière de couverture des petits
risques me semblent très positives.
Comme il s’agit d’un
sujet politique d’une importance majeure, je tiens à
répéter en séance plénière ce
que j’ai dit en commission.
Le principe consistant à
considérer que les indépendants bénéficient
de la couverture des gros risques sur la base du principe
philosophique selon lequel il faut couvrir les risques vitaux est
suranné. En effet, on a intégré dans le
concept de « petits risques » des éléments
qui couvrent des risques vitaux. Je pense notamment à la
politique relative aux médicaments.
Il était donc utile de
prendre des dispositions en vue de reconnaître cette
évolution progressive du concept de « gros
risques » vers celui de « petits risques ».
Quant au financement, le
gouvernement a toujours voulu assurer les voies et moyens
nécessaires pour remplir ses engagements. En d’autres
termes, il n’a jamais voulu mettre en œuvre des
politiques dont il ne parviendrait pas à assumer le coût
dans le futur. Il est toujours dans nos intentions – je me
réfère ici à la déclaration du
gouvernement – de faire en sorte d’introduire
davantage d’équité dans les modes de
financement.
Mme la ministre des Classes
moyennes a livré son point de vue personnel, qui n’altère
en rien l’axe gouvernemental que je défends. Jusqu’à
présent en effet, nous avons chaque fois libéré
les moyens nécessaires pour financer les avancées.
En matière de pension par exemple, nous avons pris des
dispositions particulières pour que les personnes dont la
pension est modeste – la GRAPA – puissent accéder
à la couverture des petits risques de manière
prioritaire. Pourquoi ? Parmi les pensionnés
indépendants, ceux qui bénéficiaient de la
pension minimale étaient particulièrement menacés
par l’absence de la couverture « petits
risques ».
Par ailleurs, nous avons laissé
la question du financement futur en suspens, précisément
pour permettre le débat – complexe – avec les
organisations représentatives des indépendants et
parce que le gouvernement ne voulait pas faire montre d’une
attitude autoritaire en imposant, uniquement sur la base de ses
propres choix, une voie à suivre en la matière.
Cette option reste donc ouverte.
À titre personnel, je suis
favorable à une augmentation de la solidarité entre
les différents niveaux de revenus des indépendants,
mais je n’ai pas encore déterminé – tel
est l’objet de la discussion – les modalités
de cette réforme.
Je me réjouis de l’équilibre
des régimes de salarié et d’indépendant
en sécurité sociale parce que c’est
l’équilibre budgétaire qui constitue la
garantie absolue du paiement des prestations sociales. Là,
nous avons fait œuvre commune en trouvant des moyens
budgétaires pour financer ces deux branches de la sécurité
sociale – régimes salarié et indépendant
– qui sont un des fleurons de notre société,
reconnu non seulement en Belgique mais aussi à l’étranger.
|
De heer Rudy
Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. –
Dit ontwerp is op het vlak van de dekking van de kleine risico’s
een grote vooruitgang.
Aangezien dit
een zeer belangrijk politiek onderwerp is, wil ik in de plenaire
vergadering herhalen wat ik in de commissie heb gezegd.
Het principe
dat zelfstandigen gedekt zijn voor de grote risico’s op
basis van het principe dat vitale risico’s moeten worden
gedekt, is achterhaald. We hebben in het concept ‘kleine
risico’s’ elementen geïntegreerd die vitale
risico’s dekken. Ik denk in het bijzonder aan het
geneesmiddelenbeleid.
Er moesten dus
maatregelen worden genomen om die geleidelijke evolutie van het
concept ‘grote risico’s’ naar dat van ‘kleine
risico’s’ te erkennen.
Wat de
financiering betreft, heeft de regering steeds willen zorgen voor
de nodige middelen om haar verbintenissen na te komen. Met andere
woorden, de regering wou nooit maatregelen invoeren waarvan ze de
kosten in de toekomst niet kon dragen. We streven er altijd naar
– ik verwijs op dit punt naar de regeringsverklaring –
de financieringswijzen rechtvaardiger te maken.
De minister
van Middenstand heeft haar persoonlijk standpunt gegeven, dat op
geen enkel punt de regeringslijn, die ik verdedig, geweld
aandoet. Tot nu toe hebben we immers telkens de nodige middelen
vrijgemaakt om de verbeteringen te financieren. Op het vlak van
de pensioenen bijvoorbeeld, hebben we bijzondere maatregelen
genomen opdat personen met een bescheiden pensioen – de IGO
– bij voorrang toegang krijgen tot de dekking van de kleine
risico’s. De gepensioneerden die een minimumpensioen
genoten, waren immers een bijzonder kwetsbare groep binnen de
zelfstandigen door het ontbreken van de dekking van de kleine
risico’s.
Overigens
hebben we het vraagstuk over de toekomstige financiering open
gelaten, precies om een – ingewikkeld – debat met de
organisaties van zelfstandigen mogelijk te maken en omdat de
regering geen blijk wou geven van een autoritaire houding door
uitsluitend op basis van haar eigen keuzes een weg op te dringen.
Die optie blijft dus open.
Persoonlijk
ben ik voorstander van een versterking van de solidariteit tussen
de verschillende inkomensniveaus van de zelfstandigen, maar over
de manier waarop dat moet gebeuren heb ik nog niet beslist. Dat
is het onderwerp van het debat.
Ik ben
tevreden met het evenwicht in de stelsels van de werknemers en de
zelfstandigen in de sociale zekerheid, want het budgettaire
evenwicht vormt de absolute waarborg voor de betaling van de
sociale uitkeringen. Op dat punt hebben we samengewerkt om
budgettaire middelen te vinden voor de financiering van de twee
takken van de sociale zekerheid – het stelsel van de
werknemers en dat van de zelfstandigen. Ze behoren tot de
belangrijkste verworvenheden van onze samenleving en krijgen
zowel in België als in het buitenland erkenning.
|
|
M. Jan
Steverlynck (CD&V). – Ce que dit la ministre est
exact. On choisit de payer un montant de 24 millions d’euros
avec les cotisations des seniors alors que 64 millions d’euros
sont disponibles dans le Fonds pour le bien-être des
indépendants. Le gouvernement aurait donc pu puiser dans
ce Fonds plutôt que d’instaurer une nouvelle
discrimination.
Ma question au
ministre Demotte portait cependant sur les indemnités
d’incapacité de travail. Dans l’accord de
gouvernement, on opte pour un renforcement du caractère
assurantiel. La ministre Laruelle se distance donc du point de
vue du gouvernement. Le ministre Demotte n’a pas répondu
à ma question à ce sujet. J’aurais espéré
qu’il traduirait le point de vue du gouvernement.
|
De heer Jan Steverlynck
(CD&V). – Wat de minister zegt is juist. Er wordt
gekozen om een bedrag van 24 miljoen euro met bijdragen van
senioren te betalen, terwijl er in het Fonds voor de welvaart der
zelfstandigen 64 miljoen euro voorhanden is. De regering had dus
kunnen beslissen het bedrag uit dat fonds te betalen en geen
nieuwe discriminatie in te voeren.
Mijn vraag aan minister Demotte ging
echter over de uikeringen voor arbeidsongeschiktheid. In het
regeerakkoord wordt gekozen voor een versterking van het
verzekeringskarakter. Minister Laruelle neemt blijkbaar een ander
standpunt dan dat van de regering in. Minister Demotte heeft niet
geantwoord op mijn vraag daarover. Ik had verwacht dat hij het
standpunt van de regering zou vertolken.
|
|
M. Rudy Demotte,
ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. –
Sur ce point, nous avons décidé une démarche
par étapes. Nous n’avons pas dit que le rattrapage
se ferait de manière absolue et à 100%. Nous sommes
actuellement à 35% d’augmentation. Nous avons donc
franchi un premier pas. Peut-être faudra-t-il poursuivre
sur cette voie. Quelle que soit la majorité future, nous
espérons que cet engagement sera tenu.
|
De heer Rudy
Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. –
Op dat punt hebben we beslist in fasen te werken. We hebben niet
gezegd dat de inhaalbeweging absoluut en volledig zou zijn. Op
dit moment zitten we aan een verhoging van 35%. We hebben dus een
eerste stap gezet. Misschien moeten we in die richting verder
gaan. We hopen dat die verbintenis zal worden nagekomen, wie ook
de toekomstige meerderheid zal vormen.
|
|
– La discussion générale
est close.
|
– De algemene bespreking is
gesloten.
|
|
Discussion
des articles
|
Artikelsgewijze
bespreking
|
|
(Le texte adopté par la
commission des Affaires sociales est identique au texte du projet
transmis par la Chambre des représentants. Voir le
document Chambre 51-2764/5.)
|
(De tekst aangenomen door de
commissie voor de Sociale Aangelegenheden is dezelfde als de
tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers
overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2764/5.)
|
|
– Il sera procédé
ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de
loi.
|
– De stemming over het
wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.
|
|
Projet
de loi modifiant le Code judiciaire, notamment les dispositions
relatives au personnel judiciaire de niveau A,
aux greffiers et aux secrétaires ainsi que les
dispositions relatives à l’organisation judiciaire
(Doc. 3-2009)
|
Wetsontwerp
tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met
betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het
niveau A,
de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke
organisatie (Stuk 3-2009)
|
|
Projet
de loi organisant les relations entre les autorités
publiques et les organisations syndicales des greffiers de
l’ordre judiciaire, les référendaires près
la Cour de cassation, les référendaires et les
juristes de parquet près les cours et tribunaux
(Doc. 3-2010)
|
Wetsontwerp
tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de
vakorganisaties van de griffiers van de rechterlijke orde, de
referendarissen bij het Hof van Cassatie en de referendarissen en
de parketjuristen bij de hoven en rechtbanken (Stuk 3-2010)
|
|
Mme la présidente.
– Je vous propose de joindre la discussion de ces projets
de loi. (Assentiment)
|
De voorzitter. – Ik
stel voor deze wetsontwerpen samen te bespreken. (Instemming)
|
|
Discussion
générale
|
Algemene
bespreking
|
|
M. Luc
Willems (VLD), rapporteur. – Je ferai rapport pour le
projet de loi modifiant le Code judiciaire. Pour l’autre
projet, je me réfère à mon rapport écrit.
Le projet de
loi modifiant le Code judiciaire tend à moderniser la
carrière du personnel judiciaire de niveau A, des
greffiers et des secrétaires. Il concerne l’adaptation
de la structure organisationnelle, au sein de laquelle le
magistrat chef de corps est compétent pour la direction
générale et l’organisation du tribunal. Des
services d’appui sont également créés,
et la mobilité du personnel est considérablement
élargie. Actuellement, un problème se pose du fait
qu’un grand nombre de membres du personnel de différents
niveaux ont des fonctions au contenu identique ou que des membres
du personnel d’un même niveau ont des fonctions dont
le contenu diffère quant à leur volume et à
leur complexité. L’expertise et les aptitudes des
intéressés ne sont pas suffisamment valorisées.
Ainsi le
contenu de la fonction de greffier et de secrétaire
correspond pratiquement à celui de la fonction de greffier
adjoint et de secrétaire adjoint. Ces deux derniers grades
sont dès lors supprimés.
Sur la base du
contenu des tâches, de la formation requise et des
responsabilités, les greffiers et les secrétaires
sont intégrés dans le niveau B. La ministre a
réagi à la critique selon laquelle les greffiers
seraient dégradés et a souligné que le
projet de loi ne modifiait pas la description des tâches du
greffier, telle que visée à l’article 171
du Code judiciaire.
Environ 10%
des membres actuels des greffes et secrétariats de parquet
ont bénéficié d’une formation
universitaire. La moitié d’entre eux sont juristes.
La plupart d’entre eux ont commencé au niveau D et
ont ensuite présenté l’examen de
candidat-greffier et de candidat-secrétaire. Cet examen ne
peut toutefois pas être comparé à l’examen
de niveau universitaire que les agents de l’État de
niveau A doivent présenter.
Le projet
permet l’arrivée de candidats externes titulaires
d’un diplôme approprié. Actuellement, les
grades de greffier et de secrétaire sont uniquement des
grades de promotion. On doit donc commencer sa carrière au
bas de l’échelle. À présent, le grade
devient un grade de recrutement. Je commenterai tout à
l’heure un amendement qui porte sur ce point.
La France suit
également la logique d’intégration des
greffiers dans le niveau B et la ministre a cité ce
pays en exemple. Intégrer la fonction dans un niveau
supérieur serait néfaste parce que cela conduirait
à une surreprésentation d’universitaires dans
les greffes. La mobilité future de et vers la fonction
publique pourrait non seulement s’en trouver extrêmement
compliquée mais, de plus, elle ne serait pas davantage
équitable, et l’incidence budgétaire ne
correspondrait pas à la plus-value pour l’organisation
judiciaire.
Enfin, cette
catégorie de personnel judiciaire se voit attribuer
l’échelle de traitement la plus élevée
des agents de l’État de niveau B. Cette échelle
de traitement est sensiblement plus élevée que
celle du personnel judiciaire administratif de niveau B et
correspond même dans certains cas à certaines
échelles de traitement de niveau A.
Le personnel
judiciaire de niveau A comprend les référendaires,
les juristes de parquet, les attachés, les greffiers en
chef, les secrétaires en chef, les greffiers-chefs de
service, les secrétaires-chefs de service et les membres
du personnel des services d’appui. Les fonctions dans le
niveau A sont décrites, groupées, pondérées
entre elles et finalement classées par le Roi dans une des
cinq classes de A1 à A5. Cette pondération suit la
méthodologie utilisée pour l’engagement des
agents de l’État.
En ce qui
concerne l’organisation générale, la
sélection est professionnalisée et on fait appel au
SELOR. Le personnel judiciaire peut développer sa carrière
de deux manières : par la promotion administrative ou
par la promotion par avancement barémique. Une série
de mesures transitoires ont été prévues,
tant sur le plan du traitement que sur celui du développement
de la carrière. Les structures de gestion sont également
adaptées : le magistrat chef de corps est compétent
pour la direction générale et l’organisation
de la cour ou du tribunal. Pour que cette tâche puisse être
accomplie de manière optimale, un certain nombre
d’initiatives ont été prises : le chef
de corps est chargé explicitement de la direction de la
cour ou du tribunal, le greffier en chef est placé sous
son autorité et sa surveillance, et des services d’appui
sont créés pour l’assister dans la fonction
de management. Beaucoup de tâches actuelles et futures
peuvent en effet difficilement être intégrées
à un greffe ou un parquet, comme le personnel des services
d’assistance administrative ou managériale, à
savoir le personnel en charge de l’accueil, le personnel de
sécurité et les gestionnaires des bâtiments.
Un certain nombre de ces fonctions ont été
attribuées à des contractuels, ce qui complique
l’introduction d’une politique plus autonome et plus
professionnelle au sein des cours et tribunaux. La création
de services d’appui doit remédier à ce
problème. Ces services sont à la disposition de
l’ensemble de l’organisation judiciaire. Le personnel
reçoit un statut à part entière et se voit
soumis au même règlement statutaire que celui du
reste du personnel judiciaire.
Il est
également prévu de créer un service d’appui
commun pour le Collège des procureurs généraux,
le Conseil des procureurs du Roi et le Conseil des auditeurs du
travail. La ministre a estimé l’incidence budgétaire
à dix millions d’euros.
En commission,
ce sont surtout des amendements techniques qui ont été
adoptés. L’amendement nº 83 à
l’article 68 étend le principe de la promotion
aux fonctions de greffier en chef et au niveau A afin de
favoriser les membres du personnel ayant une expérience
interne.
Nous avons
reçu aujourd’hui encore un certain nombre
d’amendements qui ont été discutés et
adoptés en commission après l’exposé
de la ministre, sur la base des négociations qui ont été
menées avec les associations de greffiers.
Un amendement
nº 138 a été déposé à
l’article 16. Il accorde aux responsables de l’ordre
judiciaire un rôle important dans la détermination
et la délimitation du contenu de différentes
fonctions dans le cadre des objectifs de la justice en tant
qu’organisation.
Le
gouvernement a opté pour l’intégration des
fonctions de greffier et de secrétaire dans le niveau B.
Si les responsables de l’ordre judiciaire devaient
cependant estimer que le contenu de certaines fonctions évolue
dans une mesure telle qu’il serait opportun que le
législateur les répartisse différemment, ils
devraient pouvoir faire appel aux comités de pondération
créés à l’article 15 pour le
niveau A. L’amendement donne donc une plus grande
responsabilité aux responsables de l’ordre
judiciaire, ainsi que la possibilité de transférer
les fonctions du niveau B vers le niveau A, sans devoir
modifier la loi. La ministre a aussi cité l’exemple
des greffiers près le juge d’instruction.
En réponse
à la question de M. Vandenberghe sur les conséquences
de cette modification pour les référendaires et les
juristes de parquets, la ministre a déclaré que
l’amendement n’apporte aucune modification pour les
catégories qui ont déjà été
intégrées dans le niveau A. L’amendement
concerne uniquement les fonctions du niveau B.
M. Mahoux
a souhaité savoir qui décide de ce changement de
niveau car, dans la justification de l’amendement, il est
clairement question de l’intervention du législateur.
La ministre a confirmé que le législateur devait
effectivement agir, mais que c’est l’ordre judiciaire
qui était responsable. La procédure de transfert du
niveau B vers le niveau A est déjà fixée
par la loi.
M. Vandenberghe
a souhaité savoir pourquoi l’amendement prévoit
que l’avis du Collège des procureurs généraux
suffit, alors qu’un avis conforme du premier président
des cours d’appel est nécessaire.
La ministre a
répondu que, conformément au Code judiciaire, le
Collège des procureurs généraux peut prendre
une décision collégiale en tant qu’organe.
Les premiers présidents sont au nombre de cinq, et un avis
conforme est nécessaire.
M. Vandenberghe
a toutefois maintenu son point de vue. Ce n’est pas parce
que le Collège des procureurs généraux est
une organe collégial que l’on ne peut pas l’obliger
à prendre des décisions conformes sur des choses
fondamentales.
M. Mahoux
a estimé que les mots « sur avis du »
étaient peu adéquats. Les termes « à
la demande du » conviendraient mieux.
M. Vandenberghe
a déposé un sous-amendement nº 144
tendant à remplacer les mots « à la
demande du collège des procureurs généraux
ou sur avis conforme des premiers présidents des cours
d’appel » par les mots « sur la
demande du collège des procureurs généraux
ou des premiers présidents des cours d’appel ou
des cours du travail ».
L’amendement
nº 138 du gouvernement, tel que modifié par le
sous-amendement nº 144 de M. Vandenberghe, a été
adopté à l’unanimité des 10 membres
présents.
L’article
amendé a également été adopté
à l’unanimité des 10 membres présents.
Un amendement
nº 139 à été déposé
à l’article 51. Je me réfère à
la justification. L’amendement et l’article ainsi
amendé ont été adoptés à
l’unanimité des 10 membres présents.
Un amendement
nº 140 a été déposé à
l’article 52. Je me réfère de nouveau à
la justification. L’amendement et l’article ainsi
amendé ont été adoptés à
l’unanimité des 10 membres présents.
Un amendement
nº 141 a été déposé à
l’article 55. Je me réfère de nouveau à
la justification. L’amendement et l’article ainsi
amendé ont été adoptés à
l’unanimité des 10 membres présents.
Un amendement
nº 142 a été déposé à
l’article 56. Je me réfère de nouveau à
la justification. L’amendement et l’article ainsi
amendé ont été adoptés à
l’unanimité des 10 membres présents.
Un amendement
nº 143 a été déposé à
l’article 183. Il tend à faire passer de six à
dix ans la période d’accession simplifiée au
niveau A. Ainsi, presque tous les greffiers adjoints,
secrétaires adjoints, greffiers adjoints principaux et
secrétaires adjoints principaux déjà en
service pourront recourir à cette mesure transitoire.
L’amendement et l’article ainsi amendé ont été
adoptés à l’unanimité des 10 membres
présents.
L’ensemble
du projet de loi amendé a été adopté
à l’unanimité des 10 membres présents.
|
De heer Luc Willems
(VLD), rapporteur. – Ik zal verslag uitbrengen over het
ontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek. Voor het
andere ontwerp verwijs ik naar mijn schriftelijk verslag.
Het ontwerp tot wijziging van het
Gerechtelijk Wetboek beoogt de modernisering van de loopbaan van
het gerechtspersoneel van niveau A, van de griffiers en van
de secretarissen. Het betreft de aanpassing van de
organisatiestructuur, waarin de magistraat-korpsoverste bevoegd
wordt voor de algemene leiding en de organisatie van de
rechtbank. Er worden ook steundiensten opgericht en de mobiliteit
van het personeel wordt gevoelig uitgebreid. Momenteel rijst het
probleem dat tal van personeelsleden van een verschillend niveau
een identieke taakinhoud hebben of dat personeelsleden van
eenzelfde niveau een taakinhoud hebben die uiteenloopt in zwaarte
en complexiteit. De expertise en de vaardigheden van betrokkenen
worden onvoldoende gewaardeerd.
Zo blijkt de inhoud van de functie
van griffier en secretaris nagenoeg overeen te stemmen met die
van adjunct-griffier en adjunct-secretaris. Beide laatste graden
worden dan ook opgeheven.
Op basis van taakinhoud, vereiste
opleiding en verantwoordelijkheden worden griffiers en
secretarissen in het ontwerp ondergebracht bij niveau B. De
minister reageerde op de kritiek als zouden de griffiers
gedegradeerd worden en beklemtoonde dat het wetsontwerp de
taakomschrijving van de griffier zoals bepaald in artikel 171
van het Gerechtelijk Wetboek niet wijzigt.
Van de huidige leden van de griffies
en parketsecretariaten heeft ongeveer 10 procent een
universitaire opleiding genoten. De helft ervan is jurist. De
meesten zijn hun loopbaan gestart op niveau D en namen
vervolgens deel aan het examen voor kandidaat-griffier en
-secretaris. Dat examen kan evenwel niet worden vergeleken met
het examen op universitair niveau zoals federale ambtenaren van
niveau A er één moeten afleggen.
Het ontwerp maakt het mogelijk dat
externe kandidaten met een gepast diploma instromen. Momenteel
zijn de graden van griffier en secretaris alleen
bevorderingsgraden. Men dient zijn loopbaan dus onderaan de
ladder te starten. Nu wordt de graad een wervingsgraad. Straks
zal ik een amendement toelichten dat hierop betrekking heeft.
Ook Frankrijk volgt de logica die de
griffiers onderbrengt bij het niveau B en de minister haalt
dat als voorbeeld aan. De functie opnemen in een hoger niveau zou
nefast zijn, omdat dat aanleiding geeft tot een overwicht aan
universitairen bij de griffies. De toekomstige mobiliteit van en
naar het openbaar ambt zou er niet alleen uitermate door
bemoeilijkt kunnen worden, het zou evenmin billijk zijn en de
budgettaire weerslag ervan zou niet overeenstemmen met de
meerwaarde voor de gerechtelijke organisatie.
Ten slotte krijgt die categorie van
gerechtspersoneel de hoogste salarisschaal van de federale
ambtenaren van niveau B. Die is merkelijk hoger dan die van
het administratieve gerechtspersoneel van niveau B en stemt
in bepaalde gevallen zelfs overeen met bepaalde salarisschalen
van niveau A. Tot daar de regelgeving voor de griffiers.
Het gerechtspersoneel van niveau A
bestaat uit referendarissen, parketjuristen, attachés,
hoofdgriffiers, hoofdsecretarissen, griffiers-hoofd van dienst,
secretarissen-hoofd van dienst en de personeelsleden van de
steundiensten. De functies van niveau A worden beschreven,
gegroepeerd, onderling gewogen en uiteindelijk door de Koning
geclassificeerd in één van de vijf vakklassen van
A1 tot A5. Die weging volgt de methodiek voor indienstneming van
federale ambtenaren.
Wat de algemene organisatie betreft,
wordt de selectie geprofessionaliseerd en wordt SELOR
ingeschakeld. Het gerechtspersoneel kan zijn loopbaan op twee
manieren uitbouwen: door administratieve bevordering of door
bevordering in weddenschaal. Er wordt in een reeks
overgangsmaatregelen voorzien, zowel op het vlak van de wedde als
op het vlak van de loopbaanontwikkeling. Ook de beheersstructuren
worden aangepast: de magistraat-korpsoverste wordt bevoegd voor
de algemene leiding en de organisatie van het hof of de
rechtbank. Voor een optimale uitoefening van deze taak wordt ook
een aantal initiatieven genomen: de korpsoverste wordt expliciet
belast met de leiding van het hof of de rechtbank, de
hoofdgriffier komt onder zijn gezag en toezicht en er worden
steundiensten opgericht die hem bijstaan in zijn
managementfunctie. Tal van actuele en toekomstige functies kunnen
immers moeilijk worden ondergebracht in een griffie of een
parket, zoals het personeel van administratieve of
managementondersteunende diensten, namelijk het onthaalpersoneel,
het veiligheidspersoneel en de beheerders van de gebouwen. Een
aantal van die functies werd toegewezen aan contractuele
personeelsleden, wat het invoeren van een meer autonoom en
professioneel beleid van de hoven en rechtbanken bemoeilijkt. De
oprichting van steundiensten in hoven en rechtbanken op verzoek
van de korpschef moet dit probleem verhelpen. Die diensten staan
immers ten dienste van de hele rechterlijke orde. Het personeel
krijgt een volwaardig statuut en eenzelfde rechtspositie als het
andere gerechtspersoneel.
Er wordt ook voorzien in de
oprichting van een gemeenschappelijke steundienst ten behoeve van
het College van procureurs-generaal, de Raad van procureurs des
Konings en de Raad van arbeidsauditeurs. De budgettaire weerslag
werd door de minister geraamd op 10 miljoen euro.
In de commissie werden vooral
amendementen aanvaard die technische aanpassingen voorstelden.
Amendement 83 bij artikel 68 verruimt het principe van
de bevordering tot de functies van hoofdgriffier en niveau A,
zodat de personeelsleden met interne ervaring een voordeel
krijgen.
We hebben vandaag nog een aantal
amendementen ontvangen die in de commissie werden besproken en
goedgekeurd na toelichting door de minister, op basis van de
onderhandelingen die met de verenigingen van griffiers werden
gevoerd.
Bij artikel 16 werd
amendement 138 ingediend. Het geeft de verantwoordelijken
van de rechterlijke orde een belangrijke inbreng voor het bepalen
en afbakenen van de inhoud van diverse functies in het kader van
de doelstellingen van justitie als organisatie.
De regering heeft ervoor gekozen de
functies van griffier en secretaris te integreren in niveau B.
Mochten de verantwoordelijken van de rechterlijke orde evenwel
van oordeel zijn dat de inhoud van bepaalde functies dermate
evolueert dat het opportuun zou zijn dat de wetgever ze anders
indeelt, moeten zij gebruik kunnen maken van de bestaande
wegingscomités die bij artikel 15 werden opgericht
voor niveau A. Het amendement geeft de chefs van de
rechterlijke orde dus een grotere verantwoordelijkheid, alsook de
mogelijkheid om de functies van niveau B over te hevelen
naar niveau A, zonder dat de wet moet worden gewijzigd. De
minister haalde ook het voorbeeld aan van de griffiers bij de
onderzoeksrechter.
Op de vraag van collega
Hugo Vandenberghe welke gevolgen deze wijziging heeft voor
de referendarissen en de parketjuristen antwoordde de minister
dat het amendement geen enkele wijziging tot gevolg heeft voor de
categorieën die reeds in niveau A werden ondergebracht.
Het amendement heeft alleen betrekking op functies van niveau B.
Collega Mahoux wenste te weten wie
beslist over die upgrading, want in de verantwoording van
het amendement is er duidelijk sprake van de tussenkomst van de
wetgever. De minister bevestigde dat de wetgever inderdaad dient
op te treden, maar dat de verantwoordelijkheid bij de
rechterlijke orde ligt. De procedure om van niveau B te
worden overgeheveld naar niveau A werd reeds bij wet
vastgelegd.
Collega Hugo Vandenberghe wilde
weten waarom het amendement bepaalt dat het advies van het
College van procureurs-generaal volstaat, terwijl een eensluidend
advies nodig is van de eerste voorzitter van de hoven van beroep.
De minister antwoordde dat het
College van procureurs-generaal overeenkomstig het Gerechtelijk
Wetboek een collegiale beslissing kan nemen als orgaan. De eerste
voorzitters zijn vijf individuen en een eensluidend advies is
noodzakelijk.
De heer Vandenberghe bleef
evenwel bij zijn standpunt. Het is niet omdat het College van
procureurs-generaal een collegiaal orgaan is dat men dit niet kan
verplichten eensluidend te beslissen over fundamentele zaken.
Collega Mahoux vond de woorden ‘op
advies van’ slecht gekozen. Het gaat veeleer om ‘op
vraag van’.
De heer Vandenberghe
diende een subamendement nr. 144 in dat ertoe strekte de
woorden ‘op vraag van het College van procureurs-generaal
of op eensluidend advies van de eerste voorzitters van de hoven
van beroep’ te vervangen door de woorden ‘op vraag
van het College van procureurs-generaal of van de eerste
voorzitters van de hoven van beroep of van de arbeidshoven’.
Het amendement nr. 138 van de
regering, gesubamendeerd door het amendement nr. 144 van
de heer Hugo Vandenberghe, werd eenparig aangenomen
door de 10 aanwezige leden.
Het geamendeerde artikel werd ook
eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.
Bij artikel 51 werd een
amendement nr. 139 ingediend. Ik verwijs naar de toelichting
ervan. Het amendement en het aldus geamendeerde artikel werden
eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.
Bij artikel 52 werd een
amendement nr. 140 ingediend. Ik verwijs opnieuw naar de
toelichting ervan. Het amendement en het aldus geamendeerde
artikel werden eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.
Bij artikel 55 werd een
amendement nr. 141 ingediend. Ik verwijs opnieuw naar de
toelichting ervan. Het amendement en het aldus geamendeerde
artikel werden eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.
Bij artikel 56 werd een
amendement nr. 142 ingediend. Ik verwijs opnieuw naar de
toelichting ervan. Het amendement en het aldus geamendeerde
artikel werden eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.
Bij artikel 183 werd een
amendement nr. 143 ingediend dat ertoe strekt de periode van
vereenvoudigde overgang naar het niveau A uit te breiden van
6 tot 10 jaar. Zodoende zullen vrijwel alle reeds in dienst
zijnde adjunct-griffiers, adjunct-secretarissen, eerstaanwezend
adjunct-griffiers, of eerstaanwezend adjunct-secretarissen
gebruik kunnen maken van deze overgangsmaatregel. Het amendement
en het aldus geamendeerde artikel werden eenparig aangenomen door
de 10 aanwezige leden.
Het geamendeerde wetsontwerp in zijn
geheel werd eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.
|
|
M. Christian Brotcorne
(CDH). – Je me permettrai de globaliser mon
intervention sur les deux projets puisqu’ils sont
manifestement liés. Notre vote sera toutefois différent
dans chaque cas puisque nous nous abstiendrons sur le document
nº 3-2009, tandis que nous émettrons un vote
positif sur le document nº 3-2010.
La mise en place du statut syndical
pour le personnel judiciaire de niveau A, les greffiers et
les secrétaires, visé au document nº 3-2010,
ne nous pose aucune difficulté. Cette représentation
syndicale permettra aux personnes concernées de mieux
faire entendre leurs revendications.
En revanche, il nous semblait
indispensable d’attendre la mise en place de ces
organisations syndicales du personnel concerné avant de
leur soumettre le projet nº 3-2009 qui vise précisément
à réformer le statut des personnes qu’elles
sont censées représenter. Il est regrettable que
l’on ait agi ainsi avant la mise en œuvre de la
représentation syndicale.
Le principal reproche du secteur à
l’égard du projet déposé est que la
concertation fut insuffisante. Il est exact que les greffiers se
plaignent de ce manque de concertation. La fonction ne
bénéficiant jusqu’ici ni de statut à
part entière ni de représentation syndicale, la
réforme aurait probablement été globalement
développée pour tous les secteurs de
l’administration sans attention suffisante pour leur
situation.
Mme la ministre elle-même
ou ses délégués se sont d’ailleurs
rendus à plusieurs reprises, récemment encore, dans
la région de Liège et des délégations
de greffiers ont été reçues à son
cabinet. C’est sans doute ce qui explique aussi
l’amendement nº 138 du gouvernement déposé
après le rapport et adopté en commission.
Certes, le projet améliore
globalement le statut des greffiers, essentiellement en ce qui
concerne la formation continue et en ce qu’il permet à
ceux qui veulent s’inscrire dans la carrière à
partir du niveau D de continuer à le faire. Sur le plan
salarial, le projet procède à une revalorisation
immédiate du statut. Néanmoins, il faut en être
conscient, la carrière à long terme sera moins
avantageuse que par le passé.
Au CDH, nous estimons fondées
les critiques principales formulées par les greffiers, et
je les citerai rapidement.
1. Placer les greffiers dans le
niveau B sans réalisation préalable d’une
pondération de fonction est anormal. En outre, une
pondération des fonctions de secrétaires –
qui n’assument pas les tâches d’assistance au
juge – avait été réalisée en
son temps, quand le ministre Verwilghen, alors en fonction, avait
conclu au classement des secrétaires dans le niveau A.
A fortiori, une pondération des fonctions de greffier
devrait amener à classer ce grade dans le niveau A,
vu la dualité desdites fonctions.
Dans son avis, le Conseil supérieur
de la justice insiste sur la nécessité de ne
développer une vision de l’organisation judiciaire
qu’après avoir procédé à une
analyse détaillée des fonctions de tous les acteurs
majeurs des services de l’ordre judiciaire. Ce n’est
qu’après cette analyse que le niveau de toutes les
fonctions pourra être déterminé.
« Il est dès lors
prématuré et il n’est guère
souhaitable de placer au niveau A les seules fonctions de
greffier en chef et greffier chef de service, secrétaire
en chef et secrétaire chef de service, comme le prévoit
le projet », souligne le CSJ.
Ce dernier fustige également
l’absence de vision globale de l’institution
judiciaire et n’approuve pas le « déclassement »
des greffiers dans le niveau B : selon un arrêt
de la Cour d’arbitrage du 16 décembre 1998,
le greffier est membre de l’ordre judiciaire, il est
gardien de la procédure, chargé par le Code
judiciaire de l’accomplissement de nombreux actes pour
lesquels il est responsable spécialement et
personnellement.
Il est clair que l’amendement
nº 138 du gouvernement laisse la porte ouverte à
une éventuelle pondération de fonction du niveau B
et donc à une éventuelle amélioration
ultérieure du statut. Nous sommes ici dans le registre des
hypothèses.
Nous continuons cependant à
croire qu’il n’est pas logique qu’une réforme
de statut plaçant les greffiers au niveau B soit
adoptée avant la mise en place de l’organe externe
et indépendant appelé à examiner la question
de la pondération des fonctions et, notamment, à
dire si cette fonction relève du niveau A ou du
niveau B !
2. Le classement des greffiers dans
le niveau B ne tient absolument pas compte du contenu de
leur fonction.
Dans son arrêt du
16 décembre 1998, la Cour d’arbitrage a
défini la fonction de greffier et décrit les
différences avec celle des secrétaires de parquet.
Le greffier est un organe du pouvoir
judiciaire, dont les missions sont décrites dans le Code
judiciaire. Il a une fonction bicéphale.
D’une part, il porte
assistance au juge : par la loi, il a pour mission de donner
une valeur authentique aux actes émanant du juge. Il est
aussi un garant contre l’arbitraire. Il contrôle la
régularité de la procédure, il prépare
les tâches du juge, il est présent à
l’audience, il est le témoin de l’audience, il
dresse le procès-verbal des instances et des décisions,
il donne acte des différentes formalités dont
l’accomplissement doit être constaté et leur
confère l’authenticité, il élabore les
dossiers de procédure et veille, dans le cadre de ses
compétences, au respect des règles y relatives.
D’autre part, il assure des
tâches administratives et de gestion, ou encore la
rédaction d’actes sans intervention du juge, tels
que l’accès du greffe au public, la tenue de la
comptabilité du greffe.
Le greffier engage par ailleurs sa
responsabilité. Il peut engager sa responsabilité
civile mais peut aussi être poursuivi disciplinairement. Il
est, dans l’exercice de ses fonctions, toujours
personnellement responsable de ses actes et peut, à tout
instant, être appelé à se justifier à
la demande de ceux qui exercent la surveillance et la discipline.
Le projet du gouvernement ne tient
pas suffisamment compte du fait que pour devenir greffier, les
non-titulaires d’une licence/d’un master en droit
doivent satisfaire à un examen spécifique portant
sur une série de matières juridiques, examen au
surplus sélectif. D’autre part, il ne tient pas
compte de l’engagement récent de plus en plus
important de licenciés/masters en droit dans ces
fonctions.
Le troisième grief porte sur
les mesures transitoires du projet qui restent insuffisantes.
Nous reconnaissons qu’à
la suite des discussions et du dépôt d’amendements,
le projet a heureusement été amélioré
sur certains aspects, notamment l’instauration de la
promotion comme mode de nomination prioritaire.
L’amendement nº 143
visant à allonger la période de passage simplifié
de niveau B au niveau A de 6 à 10 ans pour les
personnes titulaires d’un ancien grade de greffier adjoint,
secrétaire adjoint, greffier adjoint principal, ou
secrétaire adjoint principal, ou d’un nouveau grade
de greffier ou de secrétaire constitue aussi un progrès
certain.
Nous restons toutefois sur notre
faim en ce qui concerne la rémunération des
greffiers adjoints des Cours. En effet, ceux-ci sont rattachés
à l’échelle de traitement BJ 3, qui est
une échelle inférieure à celle des greffiers
de Cour. Or, ils devraient pouvoir intégrer cette échelle
et évoluer dans cette échelle en extinction.
En effet, même si en échelle
BJ 3, ces personnes gagneront plus dans l’immédiat,
elles n’évolueront pas dans l’échelle
de traitement, plus avantageuse, des greffiers de Cour, à
laquelle elles auraient pu prétendre. À cet égard,
on peut dire que le contrat moral contracté par l’État
avec ces personnes n’a pas été respecté
puisque les perspectives de carrière auxquelles pouvaient
prétendre ces personnes ne seront pas satisfaites.
Il ne faut pas oublier que bon
nombre de licenciés en droit sont greffiers adjoints. Cela
ne concerne d’ailleurs pas que la Cour d’appel de
Liège, comme certains pourraient le croire.
À la Cour d’appel
d’Anvers, une majorité des greffiers adjoints
licenciés sont aussi licenciés en droit ; 10%
des greffiers sont en fait licenciés en droit. Le projet
crée ainsi différentes catégories de
greffiers selon le niveau de salaire, ce qui heurte le sentiment
d’équité.
Par ailleurs, bon nombre de
personnes qui sont actuellement greffiers et licenciés en
droit, recrutés et nommés sur la base de leur
diplôme en droit, sont versés dans le niveau B
alors qu’ils peuvent légitimement prétendre
au niveau A, même s’il est vrai que le projet
prévoit des facilités de passerelles pour postuler
aux fonctions de greffier en chef et greffier chef de service.
Enfin, il ne ressort pas toujours
clairement du projet que les agents contractuels, ainsi que les
personnes nommées au grade de collaborateurs, bénéficient
d’une mesure transitoire qui leur permette de faire valoir
leur certificat de candidat greffier/secrétaire.
Pour ce qui est du projet qui règle
aussi le statut des référendaires et des juristes
de parquet, ces personnes n’ont pas non plus été
consultées sur la réforme de leur statut. Elles
n’ont été entendues que tardivement en
commission de la Justice du Sénat à la suite de
notre demande d’audition.
Nous regrettons en particulier que
les amendements, déposés notamment par Mme Nyssens
et visant à inscrire dans la loi un cadre pour les
référendaires et les juristes de parquet ou à
aménager la période de prise en compte de
l’expérience au barreau depuis le début pour
le calcul de l’ancienneté pécuniaire, aient
été rejetés.
En particulier sur ce dernier point,
le projet de loi prévoit la prise en compte, pour le
calcul de l’ancienneté pécuniaire, du temps
de l’inscription au barreau. Il s’agit sans conteste
d’une évolution positive puisque les quatre
premières années au barreau sont actuellement
exclues.
Toutefois, le nouveau calcul de
l’ancienneté ne sera appliqué qu’à
partir de l’entrée en vigueur de la loi, ce qui ne
tient pas compte de l’arrêt du 29 novembre 2006
de la Cour d’arbitrage qui jugeait inconstitutionnelle
l’exclusion des quatre premières années au
barreau pour le calcul de l’ancienneté des
référendaires et juristes de parquet. Cette
nouvelle disposition devrait être appliquée
rétroactivement au 1er juin 2005,
soit un an et demi avant l’arrêt précité
de la Cour d’arbitrage, comme l’avait fait le
législateur pour les magistrats.
Il convient enfin de rappeler qu’un
arrêt similaire a été rendu par la Cour
d’arbitrage le 30 juin 2004. Il porte sur la
prise en compte, pour le calcul de l’ancienneté des
magistrats, du temps de l’inscription au barreau. La loi du
27 décembre 2004 portant des dispositions
diverses prévoit dès lors cette prise en compte et
ce, rétroactivement au 1er janvier 2003,
soit un an et demi avant l’arrêt de la Cour
d’arbitrage. Ce qui avait été possible dans
un cas aurait dû l’être dans l’autre.
Telles sont les raisons pour
lesquelles nous nous abstiendrons lors du vote sur le projet de
loi modifiant le Code judiciaire, notamment les dispositions
relatives au personnel judiciaire de niveau A, aux greffiers
et aux secrétaires ainsi que les dispositions relatives à
l’organisation judiciaire. Nous soutiendrons toutefois le
second projet.
|
De heer Christian
Brotcorne (CDH). – Ik zal de twee ontwerpen samen
bespreken, want ze houden duidelijk verband met mekaar. We zullen
ons echter onthouden over het ontwerp 3-2009, terwijl we het
ontwerp 3-2010 zullen goedkeuren.
We hebben geen
enkel probleem met de invoering van het vakbondsstatuut voor het
gerechtelijk personeel van niveau A, de griffiers en de
secretarissen, dat in stuk 3-2010 aan bod komt. Die
vakbondsvertegenwoordiging zal het de betrokkenen mogelijk maken
beter hun eisen te laten horen.
We vonden het
daarentegen noodzakelijk te wachten op de invoering van die
vakbondsorganisaties van het betrokken personeel alvorens hun
ontwerp 3-2009 voor te leggen, dat juist de hervorming beoogt van
het statuut van de personen die ze geacht worden te
vertegenwoordigen.
Het
belangrijkste verwijt van de sector ten opzichte van het
ingediende ontwerp is het feit dat er onvoldoende overleg werd
gepleegd. De griffiers klagen daarover. Aangezien die functie tot
nog toe geen volwaardig statuut en geen
vakbondsvertegenwoordiging had, zou de hervorming waarschijnlijk
globaal voor alle sectoren van de administratie zijn doorgevoerd,
zonder voldoende aandacht voor hun situatie.
De minister of
haar vertegenwoordigers zijn overigens meermaals, en onlangs nog,
naar de streek van Luik gegaan en delegaties van griffiers werden
in haar kabinet ontvangen. Dat is waarschijnlijk ook de
verklaring voor amendement 138 dat door de regering werd
ingediend nadat het verslag in de commissie werd aangenomen.
Het ontwerp
verbetert weliswaar het statuut van de griffiers in zijn geheel,
vooral met betrekking tot de voortgezette opleiding en het feit
dat zij die de loopbaan willen starten op niveau D dat verder
kunnen blijven doen. Het ontwerp voert ook een onmiddellijke
herwaardering van de wedden in. Toch moeten we beseffen dat de
loopbaan op lange termijn minder voordelig zal zijn dan in het
verleden.
De CDH meent
dat de belangrijkste punten van kritiek van de griffiers gegrond
zijn.
1. Het is
abnormaal dat de griffiers in niveau B worden ondergebracht
zonder een voorafgaande weging van de functie. Toenmalig minister
Verwilghen heeft overigens een weging uitgevoerd van de functies
van secretaris – die niet tot taak hebben de rechter bij te
staan – en besloot de secretarissen onder te brengen in
niveau A. Een weging van de functies van griffier had des te
meer moeten leiden tot de indeling van die graad in niveau A,
gelet op de tweeledigheid van die functies.
In zijn advies
dringt de Hoge Raad voor de Justitie aan op de ontwikkeling van
een visie op de rechterlijke organisatie nadat een gedetailleerde
analyse werd gemaakt van de taken van alle belangrijke actoren
van de diensten van de rechterlijke orde. Pas dan kan het niveau
van alle functies worden bepaald.
‘Het is
momenteel dus voorbarig en niet wenselijk om slechts de functies
van hoofdgriffier, griffier hoofd van dienst, hoofdssecretaris en
secretaris hoofd van dienst in het niveau A te situeren,
zoals het voorontwerp nu doet’, benadrukt de HRJ.
De raad hekelt
ook het gebrek aan totaalvisie op de rechterlijke organisatie en
is het niet eens met de ‘declassering’ van de
griffiers naar niveau B: volgens een arrest van
16 december 1998 van het Arbitragehof is de griffier
lid van de rechterlijke orde, hij is de bewaker van de procedure
en wordt door het Gerechtelijk Wetboek belast met het vervullen
van tal van taken waarvoor hij speciaal en persoonlijk
aansprakelijk is.
Het is
duidelijk dat amendement 138 van de regering de deur
openlaat voor een eventuele functieweging van niveau B en
dus voor een eventuele latere verbetering van het statuut. Dat
zijn echter hypotheses.
Toch blijven
we geloven dat het niet logisch is dat een hervorming van het
statuut, waardoor de griffiers in niveau B worden
ondergebracht, wordt aangenomen vóór de invoering
van een extern en onafhankelijk orgaan dat de weging van de
functies moet onderzoeken en dat, inzonderheid, moet zeggen of
die functie tot niveau A dan wel tot niveau B behoort!
2. Het
onderbrengen van de griffiers in niveau B houdt helemaal
geen rekening met de inhoud van hun taak.
In zijn arrest
van 16 december 1998 definieert het Arbitragehof de
functie van griffier en beschrijft hij de verschillen met de
functie van de parketsecretaris.
De griffier is
een orgaan van de rechterlijke macht, wiens taken omschreven
worden in het Gerechtelijk Wetboek. Hij heeft een tweeledige
functie.
Enerzijds
verleent hij bijstand aan de rechter: krachtens de wet verleent
hij authenticiteit aan de akten van de rechter. Hij vormt ook een
waarborg tegen willekeur. Hij controleert de nauwgezetheid van de
procedure, hij bereidt de taken van de rechter voor, hij is
aanwezig op de terechtzitting, hij is getuige van de zitting, hij
notuleert het verloop van de rechtszaken en de uitspraken, hij
geeft akte van de verschillende formaliteiten waarvan de
vervulling moet worden vastgesteld en verleent er authenticiteit
aan, hij stelt de dossiers van de rechtspleging op en ziet, in
het kader van zijn bevoegdheid, toe op de naleving van de
geldende regelgeving.
Anderzijds
verzekert hij de administratieve en beheerstaken, hij stelt akten
op zonder tussenkomst van de rechter, hij stelt de griffie voor
het publiek toegankelijk, hij voert de boekhouding van de
griffie.
De griffier is
overigens aansprakelijk. Hij kan burgerlijk aansprakelijk worden
gesteld maar kan ook tuchtrechtelijk worden vervolgd. Bij de
uitoefening van zijn taken is hij altijd persoonlijk
aansprakelijk voor zijn daden en kan hij op ieder ogenblik ter
verantwoording worden geroepen op vraag van degenen die instaan
voor het toezicht en de tucht.
Het ontwerp
van de regering houdt onvoldoende rekening met het feit dat wie
geen licentie/master in de rechten heeft en griffier wil worden
eerst dient te slagen voor een selectief specifiek examen over
een hele reeks juridische materies. Er wordt evenmin rekening
gehouden met de recente tendens dat steeds meer
licentiaten/masters in de rechten in die functies worden
aangeworven.
Het derde
bezwaar heeft te maken met het feit dat de overgangsmaatregelen
van het ontwerp ontoereikend zijn.
Als gevolg van
de besprekingen en het indienen van amendementen werd het ontwerp
gelukkig op bepaalde punten verbeterd, vooral door het invoeren
van de bevordering als manier van prioritaire benoeming.
Amendement 143
dat ertoe strekt de periode van vereenvoudigde overgang van
niveau B naar niveau A van 6 tot 10 jaar te verlengen
voor de titularissen van een oude graad van adjunct-griffier,
adjunct-secretaris, eerstaanwezend adjunct-griffier of
eerstaanwezend adjunct-secretaris houdt ook een verbetering in.
We blijven
evenwel op onze honger met betrekking tot de bezoldiging van de
adjunct-griffiers van de hoven. Zij worden ondergebracht in
salarisschaal BJ 3, die lager is dan die van de griffiers
van het hof. Ze zouden in die uitdovende schaal moeten kunnen
worden opgenomen en evolueren.
Ook al zullen
die personen in schaal BJ 3 op korte termijn meer verdienen,
ze zullen niet evolueren in de voordeligere weddenschaal van de
griffiers bij het Hof, waarop ze aanspraak hadden kunnen maken.
In dat opzicht wordt de morele overeenkomst die de Staat met die
personen heeft gesloten dus niet gerespecteerd, aangezien de
loopbaanperspectieven waarop ze aanspraak konden maken, niet
zullen worden gerealiseerd.
Men mag niet
vergeten dat tal van licentiaten in de rechten adjunct-griffier
zijn. Dat geldt overigens niet alleen voor het Hof van Beroep in
Luik, zoals sommigen zouden kunnen denken.
Ook bij het
Hof van Beroep in Antwerpen is een meerderheid van de
adjunct-griffiers licentiaat in de rechten, eigenlijk zijn 10%
van de griffiers licentiaat in de rechten. Het ontwerp creëert
verschillende categorieën van griffiers naargelang van de
wedde, en dat schendt het rechtvaardigheidsgevoel.
Tal van
personen die thans griffier en licentiaat in de rechten zijn, die
werden aangeworven en benoemd op basis van hun rechtendiploma,
worden thans ondergebracht in niveau B, hoewel ze eigenlijk
aanspraak kunnen maken op niveau A. Het ontwerp voorziet
echter wel in overstapmogelijkheden, zodat ze kunnen postuleren
voor de functies van hoofdgriffier en griffier hoofd van dienst.
Uit het
ontwerp blijkt niet altijd duidelijk dat de contractuele
personeelsleden en de personen die werden benoemd in de graad van
medewerker, gebruik kunnen maken van een overgangsmaatregel die
het hen mogelijk maakt hun getuigschrift van
kandidaat-griffier/secretaris te doen gelden.
De
referendarissen en de parketjuristen werden evenmin geraadpleegd
over de hervorming van hun statuut. Ze werden pas laat gehoord in
de senaatscommissie voor de Justitie en dan nog maar na ons
verzoek om een hoorzitting.
Wij betreuren
dat de amendementen, vooral die van mevrouw Nyssens, werden
verworpen. Die strekten ertoe een kader voor de referendarissen
en de parketjuristen in te schrijven in een wet en voor de
berekening van de geldelijke anciënniteit van in het begin
rekening te houden met de ervaring bij de balie.
Vooral wat dat
laatste punt betreft, bepaalt het wetsontwerp dat voor de
berekening van de geldelijke anciënniteit rekening wordt
gehouden met de periode van inschrijving bij de balie. Dat is
ongetwijfeld een positieve evolutie, want thans worden de vier
eerste jaren bij de balie uitgesloten.
De nieuwe
berekening van de anciënniteit wordt echter maar toegepast
vanaf de inwerkingtreding van de wet. Er wordt dus geen rekening
gehouden met het arrest van 29 november 2006 van het
Arbitragehof dat de uitsluiting van de vier eerste jaren bij de
balie voor de berekening van de anciënniteit van de
referendarissen en parketjuristen ongrondwettig vindt. De nieuwe
bepaling zou met terugwerkende kracht moeten ingaan op
1 juni 2005, dus anderhalf jaar vóór het
genoemde arrest van het Arbitragehof, zoals de wetgever ook heeft
gedaan voor de magistraten.
Op
30 juni 2004 heeft het Arbitragehof een gelijkaardig
arrest uitgesproken. Dat bepaalt dat de periode van inschrijving
bij de balie in aanmerking moet worden genomen voor de berekening
van de anciënniteit. De wet van 27 december 2004
houdende diverse bepalingen bepaalt dan ook dat met terugwerkende
kracht op 1 januari 2003 rekening moet worden gehouden
met die periode, dus anderhalf jaar vóór het arrest
van het Arbitragehof. Wat voor één geval mogelijk
was, zou ook in het andere geval mogelijk moeten zijn.
Daarom zullen
wij ons onthouden bij de stemming over het wetsontwerp tot
wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid met
betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het
niveau A, de griffiers en de secretarissen, en inzake de
rechterlijke organisatie. Het tweede ontwerp steunen we echter
wel.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Ces projets ont donné
lieu à de longues discussions en commission.
Pour mener à
bien une telle réforme du statut des greffiers,
secrétaires, référendaires, juristes de
parquet, nous devons tenter de concilier des intérêts
parfois contradictoires découlant de situations
objectives. La tâche des greffiers par exemple a fort
évolué ces vingt dernières années et
le soutien par les juristes de parquet et les référendaires
s’est développé. Les collaborateurs du
pouvoir judiciaire ont des profils différents, à
des niveaux différents, et n’ont dès lors pas
le même statut.
Certaines des
remarques qui viennent d’être formulées n’ont
pas échappé à la commission. Le groupe CD&V
a d’ailleurs soutenu certains amendements de Mme Nyssens.
Certes, les juristes de parquet et les référendaires
ont fait part de leur inquiétude sur certains aspects du
projet. Moi-même, j’estime que leur statut devra être
élargi à l’avenir, notamment pour leur donner
un accès plus direct au pouvoir judiciaire. Ils obtiennent
en revanche la possibilité de créer leurs propres
organisations professionnelles qui pourront défendre leurs
intérêts avec davantage d’autorité et
de poids.
Nous
regrettons que le gouvernement ait inséré dans le
projet relatif au statut des greffiers et des secrétaires
de parquet des dispositions qui auraient davantage été
à leur place dans un projet de loi sur la politique
judiciaire. Je pense notamment à la création des
services d’appui dans les cours, tribunaux et parquets, que
nous saluons, même si le Conseil supérieur de la
justice estime que, sur ce point, le projet du gouvernement
accuse une absence de vision.
Il aurait
fallu assortir la création des services d’appui de
davantage de garanties. Le cadre et les possibilités de
ces services auraient ainsi dû être précisés.
Leur concrétisation est entièrement confiée
au Roi à qui tant et tant de compétences sont déjà
transférées dans notre pays.
Nous sommes
également favorables à la création des
services d’appui. Fidèle à sa politique
d’annonce, le gouvernement diffère toutefois
l’entrée en vigueur de ces mesures puisque des
décisions concrètes ne seront prises qu’après
les élections. Nul ne peut donc prévoir comment les
mesures seront concrétisées. Quant au Conseil
d’État, il considère lui aussi que ces
dispositions n’ont en fait rien à faire dans les
projets de loi qui nous sont soumis.
Les
dispositions finales et transitoires du projet modifiant le Code
judiciaire reprennent l’effectif administratif actuel des
différents greffes des tribunaux de première
instance et justices de paix. Or les greffes de certaines
justices de paix et de certains tribunaux de première
instance sont déjà surchargés actuellement
tandis que d’autres ont un effectif trop important pour
leur charge de travail. Le CD&V aurait aimé que le
gouvernement profite de cette réforme révolutionnaire
pour objectiver les cadres. Nous demandons donc que le vote des
articles 5, 13, 18, 30, 37, 90, 157, 158, 159, 160, 160,
167, 168 et 176 du projet nº 3-2009 soit réservé,
ce qui ne nous empêche pas d’adopter l’ensemble
des deux projets.
Élaborer
des statuts est une très bonne chose mais revaloriser la
fonction publique est bien plus important. Des possibilités
nouvelles s’offrent à nous. On a à juste
titre mis en évidence la professionnalisation des greffes.
La nouvelle formation en droit offre la perspective d’une
amélioration de la qualité du travail des greffes
et des collaborateurs du pouvoir judiciaire.
Les défis
que le pouvoir judiciaire doit relever sont de plus en plus
complexes et difficiles et on exige donc toujours davantage des
collaborateurs.
Nous estimons
qu’au cours des huit dernières années, on n’a
pas fait suffisamment pour la revalorisation financière
des fonctions du greffe et des collaborateurs du pouvoir
judiciaire. Il faut non seulement offrir une perspective de
carrière mais aussi pouvoir, en concurrence avec le
secteur privé, attirer des juristes et des collaborateurs
de qualité.
La Chambre et
le Sénat ne pourront plus se permettre de tancer le
pouvoir judiciaire s’ils n’assurent pas aux
collaborateurs de la justice un statut et une rémunération
convenables.
Nous
considérons toutefois que ces deux projets sont un pas
dans la bonne direction et nous émettrons donc un vote
positif.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – De voorliggende
wetsontwerpen hebben het voorwerp uitgemaakt van een langdurige
bespreking in de commissie voor de Justitie.
Bij een dergelijke hervorming van
het statuut van de griffiers, secretarissen, referendarissen,
parketjuristen, moet men pogen soms tegengestelde belangen die
voortvloeien uit objectieve omstandigheden, te verzoenen. De taak
van de griffiers is de jongste twintig jaar immers sterk
geëvolueerd. De verbreding van de ondersteuning door
parketjuristen en de referendarissen heeft zich in loop van de
jaren ontwikkeld. De medewerkers van de rechterlijke macht hebben
daardoor verschillende profielen op verschillende niveaus en
hebben bijgevolg ook niet hetzelfde statuut. Sommigen beschikken
over een universitair diploma, anderen hebben een speciaal examen
afgelegd of kunnen bogen op een ruime praktische ervaring.
Een aantal van de opmerkingen die
zojuist werden geformuleerd, zijn uiteraard niet aan de aandacht
van de commissie ontsnapt. De CD&V-fractie heeft overigens
een aantal amendementen van mevrouw Nyssens gesteund. Het is
juist dat de parketjuristen en de referendarissen hun bezorgdheid
hebben geuit over een aantal aspecten van het ontwerp. Zelf ben
ik ook van mening dat hun statuut in de toekomst zal moeten
worden verbreed, met name door hen een meer rechtstreekse toegang
te geven tot de rechterlijke macht. Anderzijds krijgen zij nu de
mogelijkheid eigen beroepsorganisaties op te richten die met een
groter gezag en gewicht de belangen van hun doelgroepen kunnen
verdedigen. Tot nog toe was dat alleen mogelijk – althans
voor de griffiers – tijdens de voorbereidende besprekingen
en tijdens de hoorzittingen van de commissie voor de Justitie.
Ik zal de pijnpunten die
de heer Brotcorne naar voren bracht, niet herhalen. Wij
vonden het wel ongelukkig dat de regering in het wetsontwerp dat
betrekking heeft op het statuut van de griffiers en de
parketsecretarissen, een aantal bepalingen heeft ingelast die
beter passen in een ontwerp over het justitiële beleid. Ik
verwijs in dat verband naar de oprichting van de steundiensten.
Wij vinden de oprichting van een steundienst bij een hof,
rechtbank en parket een zeer goed idee. Paars bestempelt het
zelfs als revolutionair. Nochtans vond de Hoge Raad voor de
Justitie dat het wetsontwerp van de regering op dit punt elke
visie miste.
Er hadden meer waarborgen moeten
worden ingesteld voor de oprichting van de steundiensten. Zo
hadden het kader en de mogelijkheden van die diensten moeten
worden vastgelegd. Nu weten we immers niet of de steundiensten
één of vijfhonderd mensen tellen. De inhoudelijke
invulling wordt volledig aan de Koning overgelaten. Er worden in
dit land zoveel bevoegdheden aan de Koning overgedragen dat ik
mij de vraag stel of dat alles nog menselijk is. Ik heb soms echt
medelijden met de Koning.
Ook wij zijn voorstander van de
oprichting van de steundiensten. Geheel in de lijn van de paarse
aankondigingspolitiek treden die maatregelen niet onmiddellijk in
werking, maar pas na de verkiezingen zullen concrete beslissingen
worden genomen. Niemand kan voorzien hoe de maatregelen concreet
zullen worden ingevuld. Ik sta trouwens niet alleen met die
kritiek, ook de Raad van State is van oordeel dat die bepalingen
in wezen niet in de voorliggende wetsontwerpen thuishoren.
In de slotbepalingen van het
wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek,
inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het
gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de
secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie, wordt de
huidige situatie voor de ambtelijke bezetting voor de diverse
griffies in de rechtbanken van eerste aanleg en in de
vredegerechten overgenomen. Het is nochtans bekend dat sommige
griffies van vredegerechten en rechtbanken van eerste aanleg
momenteel overbelast zijn. Door de bevolkingsevolutie en de
opkomst van bepaalde problemen in bepaalde streken is er op vele
plaatsen in Vlaanderen een tekort aan medewerkers van de
rechterlijke macht, terwijl in bepaalde vredegerechten in
Wallonië de bezetting van de griffies niet in verhouding
staat tot de werklast. CD&V had graag gezien dat de regering
deze revolutionaire hervorming had aangegrepen om ook de
personeelsformaties te objectiveren. Wij vragen dan ook dat de
stemming over de artikelen 5, 13, 18, 30, 37, 90, 157, 158,
159, 160, 161, 167, 168, en 176 van het eerste ontwerp
(Stuk 3-2009) wordt aangehouden omdat we niet met die
artikelen kunnen instemmen. Dat neemt niet weg dat we het geheel
van beide wetsontwerpen zullen goedkeuren.
Het is zeer goed om statuten te
maken, maar het is veel belangrijker om het openbaar ambt te
herwaarderen. Er zijn nieuwe mogelijkheden. Terecht wordt gewezen
op de professionalisering van de griffies. De nieuwe
rechtenopleiding biedt perspectieven om de kwaliteit van de
griffies en de medewerkers van de rechterlijke macht te verhogen.
Omdat de uitdagingen voor de
rechterlijke macht complexer en moeilijker zijn, wordt van de
medewerkers veel meer geëist, zoals een grotere competentie
en meer inzet alsook het voldoen aan de permanentie van de
openbare dienst.
Naar ons oordeel werd de voorbije
acht jaar te weinig gedaan voor de financiële herwaardering
van de ambten van de griffies en de medewerkers van de
rechterlijke macht. Naast een perspectief op een carrière,
is het immers ook noodzakelijk dat in concurrentie met de
privésector kwaliteitsvolle juristen of medewerkers van de
rechterlijke macht worden aangetrokken.
In Kamer en Senaat kan men niet met
een vermanende vinger blijven wijzen naar de rechterlijke macht
als men niet bereid is tegelijk ook een degelijk statuut te geven
en de financiële verloning die deze verantwoordelijkheid met
zich meebrengt.
In navolging van de uitvoerige
discussie over beide wetsontwerpen in de commissie voor de
Justitie, beschouwen we deze ontwerpen evenwel als een stap
vooruit en zullen we ze derhalve goedkeuren.
|
|
M. Jurgen
Ceder (VL. BELANG). – Nous nous abstiendrons au
moment du vote du projet nº 3-2009 parce que les
greffiers, en particulier leur principal représentant,
n’ont pas ou guère été impliqués
dans la préparation et qu’ils ne sont pas tous
satisfaits des dispositions du projet.
Nous avons par
ailleurs des doutes au sujet du cadre du personnel dans les
tribunaux. Comme chez les magistrats, il n’est pas basé
sur une évaluation scientifique de la charge de travail,
avec toutes les distorsions communautaires qui s’ensuivent.
Je vais dès
à présent expliquer notre vote relatif au deuxième
projet, le projet nº 3-2010. Nous nous opposerons à
ce projet en raison du statut pseudo-syndical imposé aux
greffiers. Le principal représentant des greffiers parle
dès lors à juste titre d’un coup d’État
des syndicats officiels.
|
De heer Jurgen Ceder
(VL. BELANG). – Wij zullen ons bij de stemming
onthouden omdat de griffiers, met name hun belangrijkste
vertegenwoordiger, niet of nauwelijks bij de voorbereiding werden
betrokken en niet onverdeeld gelukkig zijn met de bepalingen van
het ontwerp.
Bovendien hebben we twijfels bij de
personeelsformaties bij de rechtbanken, die, net als bij de
magistraten, niet gebaseerd zijn op een wetenschappelijke
werklastmeting, met alle communautaire scheeftrekkingen tot
gevolg.
Indien het me toegestaan is, zal ik
meteen ons stemgedrag bij het wetsontwerp 3-2010, toelichten. We
zullen tegen dat ontwerp stemmen, wegens het pseudo-syndicale
statuut dat de griffiers wordt opgedrongen. De belangrijkste
vertegenwoordiger van de griffiers spreekt dan ook terecht van
een machtsgreep van de officiële vakbonden.
|
|
– La discussion générale
est close.
|
– De algemene bespreking is
gesloten.
|
|
Discussion
des articles du projet de loi modifiant le Code judiciaire,
notamment les dispositions relatives au personnel judiciaire de
niveau A, aux greffiers et aux secrétaires ainsi que
les dispositions relatives à l’organisation
judiciaire (Doc. 3-2009)
|
Artikelsgewijze
bespreking van het wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk
Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het
gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de
secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie (Stuk 3-2009)
|
|
(Pour le texte amendé par
la commission de la Justice, voir document 3-2009/9.)
|
(Voor de tekst geamendeerd door
de commissie voor de Justitie, zie stuk 3-2009/9.)
|
|
– Le vote sur les
articles 5, 13, 18, 30, 37, 90, 157, 158, 159, 160, 161,
167, 168 et 176 est réservé.
|
– De stemming over de
artikelen 5, 13, 18, 30, 37, 90, 157, 158, 159, 160, 161,
167, 168 en 176 wordt aangehouden.
|
|
– Les autres articles sont
adoptés sans observation.
|
– De overige artikelen
worden zonder opmerking aangenomen.
|
|
– Il sera procédé
ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de
loi.
|
– Over het wetsontwerp in
zijn geheel wordt later gestemd.
|
|
Discussion
des articles du projet de loi organisant les relations entre les
autorités publiques et les organisations syndicales des
greffiers de l’ordre judiciaire, les référendaires
près la Cour de cassation, les référendaires
et les juristes de parquet près les cours et tribunaux
(Doc. 3-2010)
|
Artikelsgewijze
bespreking van het wetsontwerp tot regeling van de betrekkingen
tussen de overheid en de vakorganisaties van de griffiers van de
rechterlijke orde, de referendarissen bij het Hof van Cassatie en
de referendarissen en de parketjuristen bij de hoven en
rechtbanken (Stuk 3-2010)
|
|
(Pour le texte amendé par
la commission de la Justice, voir document 3-2010/4.)
|
(Voor de tekst geamendeerd door
de commissie voor de Justitie, zie stuk 3-2010/4.)
|
|
– Les articles 1er
à 17 sont adoptés sans observation.
– Il sera procédé
ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de
loi.
|
– De artikelen 1 tot
17 worden zonder opmerking aangenomen.
– Over het wetsontwerp in
zijn geheel wordt later gestemd.
|
|
Projet
de loi modifiant le Code judiciaire en ce qui concerne les
contestations relatives à l’octroi, à la
révision et au refus de l’aide matérielle
(Doc. 3-1939)
|
Wetsontwerp
tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de
geschillen inzake de toewijzing, de herziening en de weigering
van de materiële hulp (Stuk 3-1939)
|
|
Discussion
générale
|
Algemene
bespreking
|
|
Mme Fauzaya
Talhaoui (SP.A-SPIRIT), rapporteuse. – La Chambre a
approuvé ce projet de loi mais l’a scindé en
deux parties avant l’examen. La première, relative à
l’accueil des demandeurs d’asile et de certaines
autres catégories d’étrangers, tombe sous
l’application de l’article 78 de la
Constitution. L’autre partie, modifiant le Code judiciaire
en ce qui concerne les contestations relatives à l’octroi,
à la révision et au refus de l’aide
matérielle, tombe sous l’application de l’article 77
de la Constitution.
En commission
de l’Intérieur, nous avons d’abord déposé
des amendements aux dispositions tombant sous l’application
de l’article 78 de la Constitution qui n’avaient
pas été évoquées par le Sénat.
Nous nous sommes aperçus à temps de notre erreur et
l’avons réparée en annulant ces amendements.
Le service
d’évaluation de la législation a attiré
notre attention sur le problème relatif à la date
d’entrée en vigueur. Nous avons alors déposé
un amendement qui a été adopté en
commission. Cet amendement stipule que « La présente
loi entre en vigueur le jour où entre en vigueur une
première disposition des Livres II ou III de la loi du …
sur l’accueil des demandeurs d’asile et de certaines
autres catégories d’étrangers ».
L’ensemble
du projet de loi a été adopté en commission.
|
Mevrouw Fauzaya Talhaoui
(SP.A-SPIRIT), rapporteur. – De Kamer keurde dit
wetsontwerp goed, maar splitste het vóór de
bespreking in twee delen op. Het deel over de opvang van
asielzoekers en bepaalde andere categorieën van
vreemdelingen valt immers onder artikel 78 van de Grondwet.
Het andere deel, dat een wijziging van het Gerechtelijk Wetboek
met betrekking tot de geschillen inzake de toewijzing, de
herziening en de weigering van de materiële hulp inhoudt,
valt onder artikel 77 van de Grondwet.
In de commissie voor de Binnenlandse
Zaken hebben we eerst amendementen ingediend op het deel dat
onder artikel 78 van de Grondwet valt en dat niet door de
Senaat werd geëvoceerd. We hebben onze vergissing op tijd
ingezien en hebben deze amendementen ongedaan gemaakt.
De dienst wetsevaluatie wees ons op
het probleem inzake de datum van inwerkingtreding. Daarop hebben
we een amendement ingediend, dat door de commissie is aangenomen.
Het bepaalt dat ‘de wet in werking treedt op de dag waarop
een eerste bepaling van de Boeken II of III van de wet van …
betreffende de opvang van asielzoekers en bepaalde categorieën
van vreemdelingen in werking treedt’.
Het geheel werd door de commissie
goedgekeurd.
|
|
Mme Nele
Jansegers (VL. BELANG). – Le projet de loi initial
sur l’accueil des demandeurs d’asile et de certaines
autres catégories d’étrangers a été
scindé en commission compétente de la Chambre en un
projet relevant de l’article 77 et un projet relevant
de l’article 78 de la Constitution. Cette même
commission a cependant décidé de ne rédiger
qu’un seul rapport sur toutes les dispositions et de ne
procéder qu’à un seul vote sur l’ensemble
du projet de loi, étant entendu que ce vote doit être
considéré comme portant sur les deux nouveaux
projets de loi. Le projet sur l’accueil des demandeurs
d’asile n’ayant pas été évoqué,
le Sénat n’examine que le document de la Chambre
2565/006 qui reprend en fait l’article 68 du projet
initial. Notre groupe a cependant déposé une
demande d’évocation de l’ensemble du projet
mais il n’a pas recueilli les quinze signatures requises.
La plupart des
amendements ayant disparu à la suite de notre
intervention, nous devons maintenant constater que l’article 2,
qui a bien été amendé et adapté, ne
correspond plus tout à fait aux dispositions qui n’ont
pas été évoquées. Ainsi, ce projet
prévoit que c’est maintenant le tribunal du travail
qui est compétent pour les litiges concernant chaque
violation des droits garantis aux bénéficiaires de
l’accueil par les Livres II et III de la loi, tandis que le
projet de base, qui n’a pas été évoqué,
n’autorise un recours devant le tribunal du travail que
lorsque Fedasil, la personne désignée par le
partenaire ou le conseil du CPAS confirme ou revoit une décision
relative à la sanction ou à l’accompagnement
médical. Cette dernière disposition du projet de
base aurait pu être amendée mais ce n’était
pas possible sur le plan légistique, ainsi que l’a
fait remarquer notre groupe.
Le projet sur
lequel nous avons à nous prononcer aujourd’hui ne
comporte en réalité qu’un seul article
modifiant l’article 580 du Code judiciaire. Les
tribunaux du travail sont dorénavant compétents
pour régler les litiges concernant l’octroi et le
refus de l’aide matérielle. Cela nous amène
au projet de loi proprement dit, qui n’est donc pas examiné
par le Sénat, mais qui est indissolublement lié au
projet à l’examen. Ce projet instaure le principe de
l’accueil matériel tout au long de la procédure
d’asile, conformément à la directive
européenne. Cela doit permettre d’avoir des normes
minimales concernant l’accueil des demandeurs d’asile
et de leur garantir une vie conforme à la dignité
humaine. Même si le Vlaams Belang trouve que le projet,
dans son ensemble, est un pas dans la bonne direction, étant
donné qu’il comporte certaines améliorations,
nous avons une objection fondamentale. Les demandeurs d’asile
sont encore accueillis dans des structures ouvertes. La directive
européenne interdit en effet de les accueillir dans des
centres fermés, sauf dans certains cas très
stricts, par exemple, dans l’intérêt de
l’ordre public.
De ce fait,
notre pays n’est pas capable de mener une politique d’asile
sévère mais juste. L’UE bride ainsi fortement
la politique nationale d’immigration.
Le Vlaams
Belang estime que la décision relative à la demande
d’asile ne peut être réellement exécutée
que si les demandeurs d’asile sont hébergés
dans des centres fermés. Aujourd’hui, 85% des
demandeurs d’asile déboutés se retrouveraient
dans l’illégalité. De plus, le Vlaams Belang
fait remarquer que les demandeurs d’asile déboutés
séjournent longtemps dans les centres d’accueil
parce qu’ils peuvent déposer un recours devant le
Conseil d’État.
Il ne faut pas
confondre la proposition du Vlaams Belang visant à
accueillir les demandeurs d’asile dans des centres fermés
avec l’accueil des demandeurs d’asile déboutés
dans les centres fermés d’éloignement. Il
s’agira avant tout de périodes plus brèves
car le Vlaams Belang souhaite encore accélérer le
traitement des procédures d’asile, ce qui est
d’ailleurs prévu dans la loi qui entre en vigueur
cette année. Les infrastructures d’accueil seraient
également beaucoup plus humaines. Si la demande d’asile
est rejetée par le futur Conseil du contentieux des
étrangers, le Vlaams Belang estime que l’étranger
à éloigner doit être envoyé dans un
centre d’éloignement fermé. Ainsi, les
centres d’accueil ne seront plus occupés par des
demandeurs d’asile déboutés.
C’est la
raison pour laquelle le Vlaams Belang votera contre ce projet car
il est étroitement lié à l’autre
projet qui n’a pas été évoqué.
Cela n’est pas compatible avec notre vision d’une
politique d’asile juste mais sévère.
|
Mevrouw Nele Jansegers
(VL. BELANG). – Het oorspronkelijk wetsontwerp
betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere
categorieën van vreemdelingen werd in de bevoegde
Kamercommissie opgesplitst in een ontwerp volgens artikel 77
en een ontwerp volgens 78 van de Grondwet. Diezelfde commissie
besliste evenwel om slechts één verslag op te
stellen over alle bepalingen en slechts één
stemming over het gehele wetsontwerp te houden, met dien
verstande dat die stemming moet worden beschouwd als een stemming
over beide, nieuwe, wetsontwerpen. Aangezien het ontwerp niet is
geëvoceerd, wordt enkel kamerdocument 2565/006, artikel 68
van het oorspronkelijk ontwerp, door de Senaat behandeld. Onze
fractie diende wel een aanvraag in tot evocatie van het gehele
ontwerp, maar haalde niet de vereiste vijftien handtekeningen.
Aangezien de meeste amendementen
door ons toedoen zijn verdwenen, moeten we nu vaststellen dat
artikel 2, dat wel geamendeerd en aangepast is, inhoudelijk
niet meer helemaal strookt met de bepalingen die niet werden
geëvoceerd. Zo bepaalt dit ontwerp nu dat de
arbeidsrechtbank bevoegd is voor geschillen betreffende elke
schending van de rechten die aan de begunstigden van de opvang
worden gewaarborgd door de Boeken II en III van de wet, terwijl
het basisontwerp, dat niet geëvoceerd werd, het beroep bij
de arbeidsrechtbank enkel mogelijk maakt wanneer Fedasil, de door
de partner aangewezen persoon of de OCMW-raad een beslissing met
betrekking tot sanctionering of medische begeleiding bevestigt of
herziet. Deze laatste bepaling in het basisontwerp zou via
amendering worden aangepast, maar dat was juridisch-technisch
niet mogelijk, zoals onze fractie terecht had opgemerkt.
He ontwerp waarover wij vandaag
moeten stemmen telt in feite slechts één artikel
dat artikel 580 van het Gerechtelijk Wetboek wijzigt.
Hierdoor worden arbeidsrechtbanken voortaan bevoegd om geschillen
te beslechten omtrent de toekenning en de weigering van materiële
hulp. Dit brengt ons meteen bij het eigenlijke wetsontwerp, dat
dus niet in de Senaat wordt behandeld, maar onlosmakelijk
verbonden is met het ontwerp dat we wel bespreken. Dat ontwerp
voert het principe in van de materiële opvang gedurende de
hele asielprocedure, op basis van de Europese richtlijn. Dit moet
zorgen voor minimumnormen voor de opvang van asielzoekers en hen
ook een menswaardig bestaan waarborgen. Hoewel het Vlaams Belang
het wetsontwerp, in zijn geheel dan, een stap in de goede
richting vindt, aangezien het bepaalde verbeteringen bevat,
hebben we één fundamenteel bezwaar. Asielzoekers
worden nog steeds in open structuren opgevangen. De Europese
richtlijn verbiedt immers opvang in gesloten instellingen. Dit
kan enkel nog op erg strenge voorwaarden, zoals het belang van de
openbare orde.
Hierdoor is ons land niet in staat
een streng, maar rechtvaardig asielbeleid te voeren. De Europese
Unie legt hiermee het nationale migratiebeleid sterk aan banden.
Het Vlaams Belang is van oordeel dat
de beslissing over de asielaanvraag enkel daadwerkelijk kan
worden uitgevoerd wanneer asielzoekers in gesloten centra worden
ondergebracht. Nu zou 85% van de uitgeprocedeerde asielzoekers in
de illegaliteit terechtkomen. Bovendien merkt het Vlaams Belang
op dat uitgeprocedeerde asielzoekers langdurig in opvangcentra
verblijven omdat ze in cassatieberoep kunnen gaan bij de Raad van
State. Hierdoor wordt de capaciteit van deze centra beperkt.
Het voorstel van het Vlaams Belang
om asielzoekers in gesloten centra op te vangen mag niet verward
worden met de opvang in de bestaande gesloten uitzettingcentra
voor uitgeprocedeerde asielzoekers. Het zal eerst en vooral gaan
om kortere periodes, want het Vlaams Belang wil een nog snellere
afhandeling van de asielprocedures dan wordt voorzien in de wet
die dit jaar van kracht wordt. Daarnaast zouden de
opvangvoorzieningen ook veel humaner zijn. Wordt de aanvraag tot
asiel afgewezen door de nog op te richten Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen, dan moet volgens het Vlaams Belang de
uit te wijzen vreemdeling worden ondergebracht in een gesloten
uitzettingcentrum. Op die manier worden de opvangcentra niet
langer door uitgewezen asielzoekers bezet.
Het Vlaams Belang zal daarom tegen
dit ontwerp stemmen. Dit ontwerp hangt immers samen met het
andere, niet geëvoceerde ontwerp. Het is niet verzoenbaar
met onze visie op een rechtvaardig, maar streng asielbeleid.
|
|
– La discussion générale
est close.
|
– De algemene bespreking is
gesloten.
|
|
Discussion
des articles
|
Artikelsgewijze
bespreking
|
|
(Pour le texte amendé par
la commission de l’Intérieur et des Affaires
administratives, voir document 3-1939/7.)
|
(Voor de tekst geamendeerd door
de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de
Administratieve Aangelegenheden, zie stuk 3-1939/7.)
|
|
– Les articles 1er
à 3 sont adoptés sans observation.
– Il sera procédé
ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de
loi.
|
– De artikelen 1 tot 3
worden zonder opmerking aangenomen.
– Over het wetsontwerp in
zijn geheel wordt later gestemd.
|
|
Proposition
de résolution concernant la politique en matière de
microfinance (de Mme Sabine de Bethune et consorts,
Doc. 3-1582)
|
Voorstel
van resolutie over het beleid inzake microfinanciering (van
mevrouw Sabine de Bethune c.s., Stuk 3-1582)
|
|
Discussion
(Pour le texte adopté par
la commission des Relations extérieures et de la Défense,
voir document 3-1582/4)
|
Bespreking
(Voor de tekst aangenomen door de
commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de
Landsverdediging, zie stuk 3-1582/4)
|
|
Mme Olga Zrihen (PS),
rapporteuse. – La commission a examiné la
proposition de résolution qui fait l’objet du
présent rapport au cours de ses réunions des 9 et
30 janvier 2007.
La présente proposition de
résolution participe de la volonté de faire écho
à l’Année internationale du microcrédit
de 2005. Dans ce cadre, la commission spéciale
Mondialisation a d’ailleurs organisé une conférence
qui s’est tenue au Sénat le 18 mai 2006.
Les interventions des acteurs de la société civile,
des experts, des divers acteurs politiques, sont réunies
dans les Actes du colloque sur la microfinance.
La structure de la proposition de
résolution souligne avant tout que la microfinance est un
instrument indispensable pour lutter contre la pauvreté.
La proposition de résolution replace aussi le phénomène
de la microfinance dans le contexte d’initiatives globales,
mondiales et européennes. Ensuite, elle détaille le
cadre administratif et juridique belge. Elle embraie en faisant
le point sur les initiatives belges de soutien à la
microfinance, lesquelles revêtent la forme d’une
coopération bilatérale directe – par la CTB,
BIO et le Fonds belge de survie – ou indirecte par les ONG,
les sociétés d’investissement social et les
universités, ou encore d’une coopération
multilatérale. Elle traite enfin de l’Année
internationale du microcrédit.
Les recommandations tendent à
proposer au gouvernement un plan d’action global afin de
donner une plus grande place à la microfinance. De plus,
la proposition de résolution à l’examen
s’inscrit parfaitement dans les priorités de la
politique de développement, dont un des axes majeurs est
la lutte contre la pauvreté.
S’agissant de la perspective
générale, la proposition précise d’abord
une série de conceptions et formule des recommandations
techniques.
Elle énonce ensuite des
recommandations en vue de renforcer les acteurs directs,
indirects et multilatéraux, ainsi que le secteur privé.
Elle demande aussi que la politique soit ciblée sur les
pays les plus pauvres d’Afrique et sur les zones rurales
difficiles à atteindre par le secteur privé.
Personnellement, en tant que
rapporteuse, je veux insister sur le fait que la microfinance
peut aider à augmenter le revenu, créer des
entreprises viables et sortir ainsi de la pauvreté et de
la précarité des couches de population qui sont en
totale exclusion. La microfinance peut également
constituer un puissant instrument d’émancipation en
permettant aux personnes en situation précaire, aux
pauvres, et en particulier aux femmes, de devenir des agents
économiques du changement.
En effet, en donnant accès à
des services financiers, la microfinance joue un rôle
important dans la lutte contre les diverses dimensions de la
pauvreté. Par exemple, les revenus générés
par une activité non seulement permettent à cette
activité de se développer, mais contribuent
également aux revenus du ménage, et donc à
la sécurité alimentaire, à l’éducation
des enfants, à la prise en charge des soins de santé,
bref à créer une véritable cohésion
sociale.
|
Mevrouw Olga
Zrihen (PS), rapporteur. – De commissie heeft dit
voorstel van resolutie besproken tijdens haar vergaderingen van 9
en 30 januari 2007.
Dit voorstel
van resolutie sluit aan bij de wil om het Internationaal Jaar van
de Microkredieten (2005) niet ongemerkt te laten voorbijgaan. In
het kader daarvan organiseerde de bijzondere commissie
Globalisering op 18 mei 2006 in de Senaat een
conferentie. De uiteenzettingen van de vertegenwoordigers van de
civiele maatschappij, van de experts en verschillende
beleidsactoren is terug te vinden in het Verslag van het
colloquium over microfinanciering.
De structuur
van het voorstel van resolutie benadrukt eerst en vooral dat
microfinanciering een noodzakelijk instrument is in de
armoedebestrijding. Het fenomeen van microfinanciering wordt ook
gekaderd binnen globale, mondiale en Europese initiatieven.
Vervolgens wordt het Belgisch administratief en juridisch kader
geschetst. Daarna volgt een actuele beschrijving van de stand van
zaken van de Belgische initiatieven die microfinanciering
ondersteunen. Dit kan gebeuren via directe (de BTC, de BIO en het
Belgisch Overlevingsfonds) of indirecte bilaterale samenwerking
(de ngo’s, de sociale investeringsmaatschappijen en
universiteiten) of via multilaterale samenwerking. Ten slotte
wordt er ingegaan op het Internationaal Jaar van de
Microkredieten.
In de
aanbevelingen wordt getracht om aan de regering een globaal
actieplan aan te reiken om meer ruimte te geven aan
microfinanciering. Bovendien past dit voorstel van resolutie
perfect in de prioriteiten van het ontwikkelingsbeleid, dat
gericht is op armoedebestrijding.
Eerst worden,
wat de visie betreft, een aantal inzichten gespecificeerd en
technische aanbevelingen geformuleerd.
Daarna worden
aanbevelingen opgesomd voor de versterking van de directe,
indirecte en multilaterale actoren en de privésector. Er
wordt ook gevraagd dat het beleid zich zou richten op de armste
landen in Afrika en op de landelijke gebieden die moeilijk te
bereiken zijn via de privésector.
Persoonlijk
wil ik er als rapporteur op wijzen dat het verlenen van
microkredieten kan bijdragen tot inkomensverhoging en tot de
oprichting van leefbare ondernemingen zodat uitgesloten
bevolkingsgroepen kunnen ontsnappen uit de armoede en de
onzekerheid. Microfinanciering kan ook een krachtig economisch
instrument van emancipatie zijn waarmee arme mensen en vooral
vrouwen hun lot in eigen handen kunnen nemen.
Microfinanciering
is een belangrijk instrument in de strijd tegen de armoede. De
inkomsten uit een economische activiteit kunnen immers niet
alleen worden aangewend om die activiteit uit te breiden, maar
betekenen ook een aanvulling van het gezinsinkomen. Ze dragen bij
tot de voedselveiligheid, beter onderwijs en betere
gezondheidsverzorging, kortom tot het tot stand komen van een
echte sociale samenhang.
|
|
Mme Sabine
de Bethune (CD&V). – Cette résolution
est le résultat d’une réflexion qui a duré
deux ans au Sénat. L’initiative a été
prise en 2005, année du microfinancement. Le 18 mai 2006,
nous avons organisé un colloque dans cet hémicycle
en présence de S.A.R., la Princesse Mathilde, de tous les
intervenants belges et d’un grand nombre d’experts de
terrain du Nord et du Sud. Nous avons conçu ce colloque
comme une large audition, de sorte que la commission des
Relations extérieures et de la Défense a pu
adopter, voici quelques semaines, de nombreux amendements à
la résolution. Le traitement de ce dossier par le Sénat,
en particulier par la commission spéciale
« Mondialisation » et la commission des
Relations extérieures et de la Défense, est un
véritable exemple de réflexion en profondeur et
nous a permis d’élaborer des recommandations
intéressantes pour le gouvernement.
Je tiens à
remercier tous les collègues pour leur collaboration, en
particulier M. Roelants du Vivier, président de la
commission des Relations extérieures et de la Défense,
et M. Galand, président de la commission spéciale
« Mondialisation ». Je remercie également
les secrétaires des deux commissions, M. Gardinael et
Mme Van Opstal, pour leur suivi efficace de ce dossier.
Je voudrais
encore insister brièvement sur le fait que le
microfinancement est un puissant levier dans la lutte contre la
pauvreté. Une aide à elle seule ne permettra jamais
à l’Afrique et aux pays les moins avancés
d’atteindre les objectifs du Millénaire. Un
développement économique est également
nécessaire et on peut le stimuler en soutenant les
nombreux petits entrepreneurs qui peuvent acquérir leurs
propres revenus via la micro-entreprise.
Dois-je
rappeler que 4 milliards de personnes sont aujourd’hui
exclues du système bancaire ? Les pauvres n’ont
pas accès aux services financiers, mais le
microfinancement peut leur permettre de développer des
activités économiques à petite échelle
afin d’augmenter leurs revenus et de se protéger
contre les risques. Le microfinancement est un instrument
particulier de développement car il permet aux pauvres de
quitter l’état d’assisté et
d’entreprendre par leur propres moyens.
L’intérêt
du microfinancement a encore été démontré
lorsque le prix Nobel de la paix a été accordé,
l’année dernière, au Pr Yunus, un des
pionniers en la matière ; depuis le travail
innovateur qu’il a accompli au Bangladesh avec la Grameen
Bank, le système des microcrédits est utilisé
dans le monde entier.
Le Forum
social mondial organisé voici quelques semaines doit
également être mentionné. Il avait pour thème
le « travail décent ». Le travail
décent est aussi une confirmation implicite de
l’importance du microfinancement car les plus démunis
peuvent ainsi, par le biais d’une activité
économique propre, se développer de manière
décente et gagner leur vie. Enfin, le travail est le
levier le plus puissant pour sortir de la pauvreté. Les
personnes démunies veulent pouvoir se libérer de la
pauvreté par leurs propres moyens et dans la dignité.
Lors du
colloque organisé par le Sénat, nous avons laissé
tous les intervenants belges s’exprimer sur ce sujet, tant
ceux qui travaillent pour les autorités, comme la DGCD, la
CTB, la BIO et le FBS, que les acteurs privés comme
Incofin, Alterfin, Oikocredit et la Fondation Raiffeisen belge.
Je pense également aux ONG belges qui œuvrent sur le
terrain, comme Aquadev, SOS Faim, Trias et Louvain Développement
et aux universités belges, tant francophones que
néerlandophones.
Nous avons
également entendus des experts du Sud. Trois panels ont
été organisés : un panel sur la
synergie entre la rentabilité financière et la
performance sociale, un panel sur « l’optique
régionale : le Maroc et l’Amérique du
Sud, une politique de soutien pour un cadre institutionnel et
législatif » et enfin, un panel sur « la
République démocratique du Congo après la
transition : microfinance comme moteur du développement ?
Quel soutien de la politique ? »
Le plan de
politique que nous présentons aujourd’hui au Sénat
peut constituer une ligne directrice intéressante pour les
autorités belges. Le week-end dernier, j’ai appris
avec intérêt que notre Premier ministre avait
également découvert les vertus du microfinancement
et qu’il y avait consacré une partie de son
quatrième manifeste du citoyen. J’attire son
attention sur le fait que le Sénat a déjà
travaillé deux ans sur ce sujet. Nous ne nous limitons pas
à une évaluation positive de cet instrument de
développement, mais nous proposons également aux
autorités belges un plan concret d’action.
Le présent
plan d’action est essentiel car la politique de la Belgique
en matière de microfinancement a quelque peu stagné
ces dernières années. Une nouvelle impulsion est
nécessaire pour donner au microfinancement une place
légitime dans la politique de développement. Les
fonds consacrés au microfinancement n’ont pas
augmenté. La Belgique s’est même retirée
du CGAP, un consortium européen de donneurs. Le
microcrédit a bien été célébré
en Belgique mais les signaux politiques vont dans le sens
inverse.
Cependant, il
n’est pas trop tard pour renforcer la politique sur ce
terrain en s’inspirant de la résolution, qui a fait
l’objet d’un consensus. La résolution contient
d’importantes lignes directrices pour la politique à
mener. Mme Zrihen les a déjà soulignées
dans son rapport.
Nous plaidons
pour que la politique de développement en matière
de microfinancement soit concentrée sur les pays les plus
démunis, en particulier sur la région de l’Afrique
subsaharienne et la région des Grands Lacs. Un plan
d’accompagnement en matière de microfinancement doit
être prévu dans la coopération bilatérale
de notre pays avec le Congo dans le cadre de l’aide à
la reconstruction.
Rendre le
microfinancement accessible aux populations des régions
rurales et en faire un instrument durable et rentable constituent
également un défi. Nous ne pouvons pas limiter le
microfinancement aux seules villes où le secteur privé
est d’ailleurs présent de manière beaucoup
plus active et où de nombreuses ONG proposent des
microfinancements. La coopération belge au développement
doit continuer à soutenir le microfinancement rural. Elle
doit consacrer une attention particulière aux femmes qui
sont aujourd’hui plus démunies encore que les hommes
et assument dans une plus large mesure la responsabilité
du ménage, a fortiori dans le cas de mères isolées
avec enfants.
Enfin, nous
insistons sur l’importance de l’extension de la
capacité en matière de microfinancement. Les
capacités des institutions de microfinancement dans le Sud
doivent continuer à être développées
entre autres par une formation, une éducation et des
réseaux. Dans la perspective d’une bonne gestion,
les capacités des autorités du Sud doivent
également être soutenues afin de pouvoir offrir une
sécurité juridique à l’ensemble du
secteur du microfinancement.
Nous plaidons
pour la performance sociale. Le secteur privé est
aujourd’hui très actif dans le domaine du
microfinancement. Ce n’est une mauvaise chose en soi. Le
besoin en microfinancement est tellement important qu’il y
a certainement des possibilités pour le secteur privé
en la matière mais s’agissant des services
financiers aux personnes les plus démunies dans le monde
entier, nous devons nous garder d’une logique qui vise
exclusivement la rentabilité. Il importe de considérer
la performance sociale comme une priorité. Les autorités
et la coopération officielle au développement
jouent un rôle essentiel à cet égard.
La résolution
plaide également pour le renforcement du rôle de
tous les acteurs officiels belges.
Premièrement,
nous sommes favorables à une politique renforcée de
la DGCD. Chaque coopération bilatérale avec nos
partenaires devrait comporter un chapitre sur le
microfinancement.
Deuxièmement,
la CTB connaît aujourd’hui un développement
intéressant. L’expertise en matière de
microfinancement doit cependant encore être sérieusement
développée. Par le passé, nous avons été
beaucoup trop frileux à cet égard.
Troisièmement,
la société belge BIO doit également pouvoir
prendre davantage de risques pour rendre le microfinancement
accessible aux personnes démunies vivant dans des zones
sensibles. Je pense par exemple à un Fonds hors bilan ou à
une augmentation des garanties de l’État.
J’ai
plaidé pour que l’on aide la Société
sociale d’investissement par une réduction d’impôt
de 5% sur les actions pour particuliers. Cet avantage fiscal
existe aujourd’hui pour le Fonds de participation et permet
de mobiliser un capital plus important pour ce genre de projets.
Il convient qu’en matière de coopération au
développement, notre pays reprenne son rôle dans le
consortium de donneurs CGAP.
Nous avons
réalisé un travail intéressant et espérons
que tant les politiques que les acteurs de terrain s’en
laisseront inspirer.
|
Mevrouw Sabine de Bethune
(CD&V). – Deze resolutie is het resultaat van een
tweejarig reflectieproces in de Senaat. Het initiatief werd
genomen in 2005, het jaar van de microfinanciering. Op
18 mei 2006 hebben we in dit halfrond een colloquium
gehouden in aanwezigheid van H.K.H. prinses Mathilde, waar we
alle Belgische actoren en een groot aantal praktijkdeskundigen
uit Noord en Zuid hebben ontvangen. We hebben dat colloquium
opgevat als een uitgebreide hoorzitting, zodat de commissie voor
de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging enkele
weken geleden, voortbouwend op dit colloquium, tal van
amendementen bij de resolutie heeft kunnen goedkeuren. De
behandeling van dit dossier door de Senaat, in het bijzonder door
de bijzondere commissie Globalisering en de commissie voor de
Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging, is een
echt voorbeeld van grondig reflectiewerk. We kwamen dan ook tot
goede aanbevelingen voor de regering.
Aan het einde van dit grote werk wil
ik graag alle collega’s bedanken voor de goede
samenwerking, in het bijzonder de heer Roelants du
Vivier, voorzitter van de commissie voor de Buitenlandse
Betrekkingen en voor de Landsverdediging, en de heer Galand,
voorzitter van de bijzondere commissie Globalisering. Ik dank ook
de secretarissen van beide commissies, de heer Gardinael
en mevrouw Van Opstal, voor de goede follow-up van dit
dossier.
Voor zover dit nog nodig is, wil ik
heel kort nog benadrukken dat microfinanciering een krachtige
hefboom is in de strijd tegen armoede. Afrika en de minst
ontwikkelde landen zullen de millenniumdoelstellingen nooit halen
met hulp alleen. Ook economische ontwikkeling is daarvoor nodig
en die kan worden gestimuleerd door steun te geven aan de talloze
kleine ondernemers, die via micro-ondernemerschap een eigen
inkomen kunnen verwerven.
Moeten we eraan herinneren dat vier
miljard mensen vandaag uitgesloten zijn van het banksysteem?
Armen hebben geen toegang tot financiële diensten, maar
wanneer er een aanbod van microfinanciering is daar waar ze
wonen, kunnen ze kleinschalige economische activiteiten uitbouwen
om hun inkomen te verhogen en zich tegen risico’s te
beschermen. Microfinanciering is een bijzonder
ontwikkelingsinstrument omdat het het pad van de
hulpafhankelijkheid verlaat en de armen de kansen geeft om zelf
te ondernemen.
Het belang van microfinanciering
werd nog maar eens bewezen toen de Nobelprijs voor de vrede vorig
jaar naar prof. Yunus ging, een van de pioniers van de
microkredieten, zoals die vandaag wereldwijd worden toegepast na
zijn baanbrekend werk in Bangladesh met de Grameen Bank.
Ook het Wereld Sociaal Forum van
enkele weken geleden moet worden vermeld. Het had als thema
‘Waardig werk’. Waardig werk is impliciet ook een
bevestiging van het belang van microfinanciering, omdat de
armsten zich dan via een eigen economische activiteit op een
waardige manier kunnen ontwikkelen en aan de kost kunnen komen.
Uiteindelijk is werk de grootste hefboom om uit de armoede te
raken. Dat is ook de mening van de armsten in de wereld. Arme
mensen willen zich in waardigheid op eigen kracht uit de armoede
loswerken.
Zoals reeds gezegd, hebben we op het
colloquium van de Senaat over dit onderwerp alle Belgische
actoren aan het woord gelaten. Zowel de actoren die werken voor
de overheid, zoals DGOS, BTC, BIO en BOF, als de private actoren,
zoals Incofin, Alterfin, Oikocredit en de Belgische
Raiffeisenstichting. Ik denk ook aan de Belgische ngo’s die
op het terrein actief zijn, zoals Aquadev, SOS Faim, Trias en
Louvain Développement en aan de Belgische universiteiten,
zowel aan Nederlandstalige als aan Franstalige kant.
Wij hebben ook experts uit het
Zuiden aan het woord gelaten. Er werden drie panels
georganiseerd: een panel over de synergie tussen financiële
rentabiliteit en sociale performantie; een panel over de
regionale focus, meer bepaald Marokko en Zuid-Amerika en de
ondersteunende politiek voor een institutioneel en legislatief
kader, en ten slotte een panel over ‘de DRC na de
transitie. Microfinanciering als motor voor ontwikkeling. Welke
beleidsondersteuning?’
Het beleidsplan dat we vandaag aan
de Senaat voorleggen, kan een interessant richtsnoer zijn voor de
overheid. Ik heb vorig weekend met enige belangstelling vernomen
dat ook onze eerste minister de deugden van de microfinanciering
heeft ontdekt. In zijn vierde Burgermanifest wijdt hij een –
niet onverdienstelijk – stukje aan de microfinanciering. Ik
vestig er zijn aandacht op dat de Senaat al twee jaar werk
verricht over het thema microfinanciering. Wij beperken ons niet
tot – een overigens terechte – positieve inschatting
van dit ontwikkelingsinstrument. We stellen aan de Belgische
overheid ook een concreet actieplan voor.
Het actieplan dat voorligt, is
noodzakelijk omdat het Belgisch beleid inzake microfinanciering
de voorbije jaren enigszins is gestagneerd. Er is een nieuwe
impuls nodig om aan microfinanciering een rechtmatige plaats te
geven op de kaart van het ontwikkelingsbeleid. De bedragen die
aan het ontwikkelingsbeleid inzake microfinanciering worden
besteed, zijn niet toegenomen. België heeft zich zelfs
teruggetrokken uit CGAP, een Europees consortium van donoren. Het
microkrediet werd in België wel gevierd, maar de
beleidssignalen gingen in de omgekeerde richting.
Het is echter niet te laat om het
roer om te gooien en om het beleid op dit terrein te versterken.
De resolutie biedt daarvoor een draagvlak, dat gesteund is op de
consensus. Ze bevat belangrijke richtsnoeren voor het beleid. Ik
overloop ze kort. Collega Zrihen heeft ze als rapporteur reeds
onderstreept.
We pleiten ervoor dat het
ontwikkelingsbeleid inzake microfinanciering wordt geconcentreerd
op de armste landen, in het bijzonder op de regio van
subsaharaans Afrika en meer bepaald de regio van de Grote Meren.
Een begeleidingsplan inzake microfinanciering mag niet ontbreken
in de bilaterale samenwerking van ons land met Congo in het kader
van de ondersteuning voor de wederopbouw. Dat staat ook zo
geformuleerd in ons ontwerp van aanbevelingen.
Het is ook een uitdaging om
microfinanciering toegankelijk te maken voor mensen op het
platteland en het er duurzaam en rendabel te maken. We mogen ons
er niet toe beperken microfinanciering enkel in de steden aan te
bieden, waar de privésector trouwens veel actiever
aanwezig is en waar al verschillende ngo’s
microfinanciering aanbieden. De Belgische
ontwikkelingssamenwerking moet de rurale microfinanciering verder
ondersteunen. Ze moet ook bijzondere aandacht besteden aan
vrouwen, die vandaag nog meer armoede kennen dan mannen en die in
nog veel grotere mate verantwoordelijkheid dragen voor gezinnen,
zeker in het geval van alleenstaande moeders met kinderen.
Tot slot benadrukken wij het belang
van de uitbreiding van de capaciteit op het vlak van
microfinanciering. De capaciteiten van de instellingen voor
microfinanciering in het Zuiden moeten verder worden uitgebouwd
door onder meer vorming, opleiding en netwerken. In het
perspectief van een goed bestuur moeten ook de capaciteiten van
de autoriteiten in het Zuiden zelf worden ondersteund, zodat ze
aan de hele sector van de microfinanciering rechtszekerheid kan
bieden.
We pleiten voor sociale
performantie. De privésector is vandaag heel actief op het
terrein van de microfinanciering. Dat is niet per definitie
slecht. De nood aan microfinanciering is zo groot dat er zeker
ruimte is voor de privésector op dit terrein, maar bij
financiële dienstverlening aan de armste mensen in de wereld
moeten we ons hoeden voor een logica die exclusief op
rentabiliteit mikt. Het is belangrijk sociale performantie als
prioriteit naar voren te schuiven. Daarin speelt de overheid en
de officiële ontwikkelingssamenwerking een belangrijke rol.
De resolutie pleit ook voor een
sterkere rol van alle officiële Belgische actoren.
We pleiten, ten eerste, voor een
versterkt beleid van DGOS. Elke bilaterale samenwerking met onze
partnerlanden zou een hoofdstuk microfinanciering moeten
bevatten.
Ten tweede maakt de BTC vandaag een
interessante ontwikkeling door. De expertise inzake
microfinanciering moet echter nog flink worden uitgebreid.
Vroeger hebben we te veel aan koudwatervrees geleden.
Ten derde moet ook het Belgische
agentschap BIO meer risico’s kunnen nemen om
microfinanciering mogelijk te maken voor arme mensen in moeilijke
gebieden. Daartoe dient BIO over meer geschikte
beleidsinstrumenten te beschikken. Ik denk dan bijvoorbeeld aan
een off balance-fonds of aan meer staatswaarborgen.
Ik heb ervoor gepleit om ook de
Sociale Investeringsmaatschappij te ondersteunen door een
belastingvermindering van 5 procent op aandelen voor
particulieren. Dat belastingvoordeel bestaat vandaag voor het
Participatiefonds en biedt de mogelijkheid om meer kapitaal te
mobiliseren voor dergelijke projecten. Het is raadzaam dat ons
land in het raam van de ontwikkelingssamenwerking opnieuw zijn
rol opneemt in het donorenconsortium CGAP.
Tot daar een handvol aanbevelingen.
We hebben interessant werk geleverd en hopen dat zowel de
beleidsmakers als mensen op het terrein er zich zullen door laten
inspireren.
|
|
M. François
Roelants du Vivier (MR). – Je me réjouis
d’intervenir sur un dossier porté depuis deux ans
par notre assemblée, plus précisément par la
commission mondialisation et par son auteur, Mme de Bethune.
Depuis la fin des années 90,
plus d’une douzaine de pays africains ont enregistré
des taux de croissance moyenne supérieurs à 5%. De
nombreux pays à faibles revenus ont réussi à
relever une forte proportion de leurs citoyens au-dessus du seuil
de pauvreté. Plusieurs devraient atteindre l’objectif
consistant à réduire la pauvreté de moitié
d’ici à 2015. Une quinzaine de pays africains sont
déjà parvenus à assurer l’éducation
primaire pour tous ou sont bien partis pour y parvenir. La
plupart des pays d’Afrique australe sont en bonne voie pour
assurer la parité dans l’enseignement primaire.
Afin de bâtir sur ces succès,
même fragiles, il faut penser à développer et
mettre en œuvre des outils créatifs tels que le
microfinancement, qui s’est avéré être,
dans nombre de pays, une arme fort utile pour briser le cercle
vicieux de la pauvreté. D’où l’intérêt
de cette proposition de résolution de Mme de Bethune
qui s’est exprimée il y a un instant à ce
sujet avec beaucoup d’éloquence. D’où
également notre appel pour sensibiliser notre ministre de
la Coopération à cette thématique, pour
laquelle il a d’ailleurs pris plusieurs initiatives.
Pour atteindre ces objectifs du
Millénaire, nous devons mobiliser des moyens financiers
importants et nouveaux. À cet égard, avec plus de
80 millions de bénéficiaires de par le monde, le
développement de la microfinance a confirmé la
justesse de la vision de ses premiers inspirateurs, dont Muhammad
Yunus de la Grameen Bank. Je souligne que le prix Roi
Baudouin pour le développement lui a été
accordé bien avant les grandes récompenses
internationales.
Il faut répondre à
l’immense majorité de la population qui n’a
pas accès au secteur bancaire conventionnel faute d’un
réseau de guichets atteignant les zones rurales et les
périphéries urbaines, mais aussi parce que les
capacités d’épargne et les revenus
individuels sont trop faibles par rapport aux coûts que ces
opérations engendreraient pour les banques. Or, la
sécurisation de l’épargne et la possibilité
d’obtenir du crédit, en d’autres termes
l’accès aux services financiers, est essentielle
pour améliorer le sort de ces populations.
Des réussites éclatantes
démontrent le caractère universel de cet instrument
pour lutter contre l’exclusion, car il s’appuie sur
le meilleur de l’homme : la solidarité, la
confiance, la dignité et l’esprit d’entreprise.
Comme en Asie et en Amérique latine, la microfinance peut
contribuer de manière significative à l’essor
de l’Afrique. Elle doit constituer un élément
à part entière de la stratégie de
développement de ce continent. Cela démontrera,
s’il en était besoin, que les capacités et
les talents en Afrique ne demandent qu’à s’épanouir
pourvu que soient levés les obstacles à leur
expression.
Mais libérer le potentiel de
la microfinance, c’est d’abord établir un
cadre légal et fiscal adapté. Il faut adapter les
normes bancaires nationales et internationales aux réalités
de la microfinance. L’Europe et ses États membres
doivent se doter d’une réglementation communautaire
et nationale dans les domaines de la banque et du crédit
pour favoriser le développement de cet instrument.
Libérer le potentiel de la
microfinance c’est également mobiliser davantage les
fonds privés. La microfinance a amplement démontré,
au-delà de son intérêt évident pour le
développement, sa viabilité financière. Le
moment est venu pour les banquiers et investisseurs de prendre le
relais des financements publics afin d’accompagner son
essor. C’est l’esprit du développement
durable, et c’est aussi leur intérêt. Pour
mobiliser davantage de fonds privés, les institutions
publiques peuvent jouer le rôle de catalyseur.
Le succès de la microfinance
prouve qu’il n’y a pas de fatalité à la
pauvreté. Il nous démontre aussi que le
développement n’est pas affaire de charité
mais de partenariat. C’est en combinant les logiques de la
solidarité et de la responsabilisation que l’on
humanise la mondialisation.
La microfinance a un impact
particulièrement important sur la promotion des femmes.
Elle leur donne l’opportunité d’acquérir
une indépendance économique et, par là, de
valoriser leur rôle dans la famille et la société
en leur permettant d’augmenter leurs revenus. Elle améliore
l’accès des enfants à la scolarisation et aux
soins médicaux. Enfin, plus généralement, la
microfinance est un élément indispensable au
développement d’un tissu de petites entreprises
privées, sources d’économies dynamiques, de
création d’emplois et d’augmentation des
revenus.
Certes, il faudra beaucoup plus que
des programmes de microfinancement pour éliminer la
pauvreté et la faim. Il faudra des politiques
macroéconomiques saines, une gouvernance de qualité,
des plans de développement des régions rurales et
du secteur industriel, une réglementation favorisant
l’activité commerciale, ainsi que des
investissements dans l’enseignement, la santé et les
ressources humaines. Ce sont les principaux éléments
que doit comprendre toute stratégie nationale de lutte
contre la pauvreté.
L’appui de la communauté
internationale est également d’une importance
cruciale : une aide accrue et améliorée, des
mesures d’allégement de la dette qui aillent plus
loin et un régime commercial ouvert et équitable
qui donne vraiment une chance aux pauvres. Seul un tel
partenariat mondial s’inscrivant dans la durée
permettra à ceux-ci de sortir de la pauvreté.
En conclusion, la microfinance n’est
pas simplement une question de ressources financières.
L’enjeu est en réalité d’offrir de
nouvelles perspectives à nombre de personnes jusqu’ici
exclues, de susciter chez ces dernières de la confiance en
ce qu’elles font et d’élargir le volume
d’énergies ainsi créé. Bref, d’avoir
le sentiment inestimable de se prendre en charge et d’avoir
sa place dans la société. N’est-ce pas là
l’essentiel ?
|
De heer François
Roelants du Vivier (MR). – Met genoegen neem
ik het woord over dit dossier dat in de Senaat al twee jaar wordt
behandeld, meer bepaald door de Commissie Globalisering en door
mevrouw de Bethune.
Sedert het
einde van de jaren ’90 wordt in een twaalftal Afrikaanse
landen een gemiddeld groeipercentage opgetekend van meer dan 5%.
Vele zogenaamde low income countries zijn erin geslaagd
een groot deel van hun bevolking boven de armoedegrens te tillen.
Verschillende onder hen zullen de doelstelling om de armoede
tegen 2015 te halveren kunnen waarmaken. Een vijftiental
Afrikaanse landen is er al in geslaagd of is goed op weg om lager
onderwijs aan te bieden aan alle kinderen. De meeste landen in
zuidelijk Afrika zijn goed op weg om de pariteit te bereiken in
het onderwijs.
Om die prille
ontwikkeling alle kansen te geven moeten creatieve instrumenten
worden gebruikt als de microfinanciering, die in vele landen al
een krachtig wapen is gebleken om de vicieuze cirkel van de
armoede te doorbreken. Daarom is dit voorstel van resolutie van
mevrouw de Bethune zo belangrijk, zoals ze dat zonet zelf zo
treffend verwoordde. Daarom willen we nogmaals de aandacht van
onze minister van Ontwikkelingssamenwerking vestigen op deze
problematiek. Hij heeft trouwens al verschillende initiatieven
ter zake genomen.
Om de
Millenniumdoelstellingen te verwezenlijken moeten we omvangrijke
en nieuwe financiële middelen aanboren. Nu er al meer dan 80
miljoen begunstigden zijn over heel de wereld, blijkt dat
Muhammad Yunus van de Grameen Bank, één van
de eerste bezielers van het concept, destijds de juiste keuze
heeft gemaakt. Hij ontving trouwens al de Koning Boudewijnprijs
voor ontwikkeling, lang vóór hem grote
internationale erkenningen te beurt vielen.
Een zeer groot
deel van de bevolking heeft geen toegang tot de conventionele
banksector omdat er op het platteland en aan de rand van de
steden niet genoeg kantoren zijn, maar ook omdat de
spaarcapaciteit en de individuele inkomens te gering zijn in
vergelijking met de kosten van die operaties voor de banken. Het
veiligstellen van spaartegoeden en de mogelijkheid om geld te
lenen, of anders gezegd, de toegang tot de financiële
dienstverlening is essentieel voor het verbeteren van de
leefomstandigheden van die bevolkingsgroepen.
Opvallende
succesverhalen bevestigen het universeel karakter van dit
instrument als wapen tegen uitsluiting. Het is immers gebaseerd
op het beste wat een mens te bieden heeft: solidariteit,
vertrouwen, waardigheid en ondernemingsgeest. Net zoals in Azië
en in Latijns-Amerika kan microfinanciering op betekenisvolle
wijze bijdragen tot de ontwikkeling van Afrika. Het moet een
volwaardig element worden van de ontwikkelingsstrategie voor het
continent. Daarmee zal ook aangetoond worden, voor zover dat nog
nodig zou zijn, dat het Afrikaanse potentieel tot ontwikkeling
kan komen mits de hinderpalen worden weggenomen.
Om de
microfinanciering alle kansen te geven moet een aangepast
wettelijk en fiscaal kader worden geschapen. De nationale en
internationale bancaire normen moeten afgestemd worden op
microfinanciering. Europa en de lidstaten moeten hun
reglementering bijsturen zodat de ontwikkeling van dit instrument
wordt bevorderd.
Wil men het
potentieel van de microfinanciering maximaliseren, dan moet men
daarbij ook meer privékapitaal betrekken. Naast het
overduidelijk belang voor de ontwikkeling is ook al ruimschoots
aangetoond dat microfinanciering financieel leefbaar is. De tijd
is rijp voor bankiers en investeerders om de fakkel over te nemen
van de overheid en bij te dragen tot de ontwikkeling van het
systeem. Het gaat daarbij om duurzame ontwikkeling en dat is ook
in hun belang. Overheidsinstellingen kunnen dienst doen als
katalysator om meer privékapitaal aan te trekken.
Het succes van
microfinanciering bewijst dat het mogelijk is uit de armoede te
raken. Het bewijst ook dat ontwikkelingssamenwerking geen uiting
van liefdadigheid is maar van partnerschap. Door solidariteit te
koppelen aan responsabilisering krijgt de globalisering een
humaan karakter.
Microfinanciering
is van bijzonder groot belang voor de maatschappelijke
emancipatie van vrouwen. Doordat ze economisch onafhankelijk
worden, krijgen ze meer waardering in het gezin en in de
samenleving en kunnen ze hun inkomen verhogen. Er wordt meer zorg
besteed aan de opvoeding en gezondheid van kinderen. Meer
algemeen is microfinanciering een onontbeerlijk element voor de
ontwikkeling van een weefsel van kleine private ondernemingen,
die de basis vormen van een dynamische economie, van
werkgelegenheid en hogere inkomens.
Er is
natuurlijk meer nodig dan een programma van microfinanciering om
armoede en hongersnood uit de wereld te helpen. Er is nood aan
een gezond macro-economisch beleid, behoorlijk bestuur,
ontwikkelingsplannen voor het platteland en de industriesector,
een ondernemingsgerichte reglementering, en investeringen in
onderwijs, gezondheid en menselijk potentieel. Die elementen
moeten deel uitmaken van elke nationale strategie van
armoedebestrijding.
De steun van
de internationale gemeenschap is van cruciaal belang: meer en
betere ontwikkelingssamenwerking, verdergaande maatregelen van
schuldverlichting en een open en billijk handelssysteem dat ook
aan armen echte kansen biedt. Alleen in het kader van een
dergelijk, langdurig, partnerschap zal armoede uit de wereld
kunnen geholpen worden.
Microfinanciering
is niet enkel een kwestie van financiële middelen. De
uitdaging bestaat erin aan mensen die uitgesloten waren nieuwe
perspectieven te bieden, hun vertrouwen te wekken en hen te
dynamiseren. Kortom ze moeten het onschatbare gevoel krijgen dat
ze hun lot in eigen handen nemen en hun plaats hebben in de
samenleving. Is dat niet het allerbelangrijkste?
|
|
M. Pierre Galand (PS). –
Je suis assez choqué de constater l’absence des
membres du gouvernement pour la discussion d’un sujet aussi
important que celui de la microfinance, un instrument de
solidarité avec les peuples du Sud.
Cela dit, un travail remarquable a
été réalisé et je tiens à
remercier Mme de Bethune pour l’effort qu’elle a
fait. Il faut également savoir que la réunion
organisée en 2005 avec la société civile
nous a permis de démarrer ce rapport.
Nous ne pouvons pas nous arrêter
maintenant. La microfinance a d’abord été une
originalité des femmes d’Afrique qui avaient
construit des systèmes d’épargne permettant
de faire la jonction dans les moments difficiles.
Aujourd’hui, même les
institutions financières, notamment la banque mondiale,
s’intéressent à la microfinance. Nous devons
veiller à ce que la microfinance ne soit pas un instrument
de délitement social. Dans nos recommandations, nous
demandons au ministre de veiller particulièrement à
ce que la microfinance reste un instrument de lien social et pas
simplement un moyen de créer des petites entreprises. Ces
dernières risqueraient en effet de se livrer à une
compétition qui irait à l’encontre des
objectifs de la microfinance.
|
De heer Pierre
Galand (PS). – Ik vind het vrij schokkend te moeten
vaststellen dat de regering afwezig is bij de bespreking van dit
belangrijke onderwerp, aangezien microfinanciering een instrument
is van solidariteit met de mensen in het Zuiden.
Ik wil
mevrouw de Bethune bedanken voor haar inzet. De vergadering
die in 2005 werd gehouden met de civiele maatschappij was het
startsein voor dit verslag.
Dit mag geen
eindpunt zijn. Microfinanciering begon als een origineel idee van
Afrikaanse vrouwen die spaarsystemen hadden opgezet zodat ze de
eindjes aan elkaar konden knopen als het wat moeilijker ging.
Nu heeft zelfs
de Wereldbank interesse voor microfinanciering. We moeten er
evenwel over waken dat microfinanciering geen sociale splijtzwam
wordt. In onze aanbevelingen vragen we aan de minister dat hij
erop zou toezien dat microfinanciering een instrument van sociale
cohesie blijft en niet louter een manier om nieuwe bedrijfjes op
te richten. Dan dreigt er een concurrentiestrijd te ontstaan, wat
niet strookt met de doelstellingen van de microfinanciering.
|
|
Mme Margriet
Hermans (VLD). – Notre groupe est résolument
favorable à cette proposition de résolution. La
microfinance est un instrument pour octroyer des prêts à
des personnes qui n’ont pas d’autre accès au
crédit. La plupart du temps les montants sont à ce
point faibles que même les marchés financiers locaux
trouvent l’affaire peu rentable. Un microcrédit pour
l’achat d’un triporteur destiné à
amener des produis agricoles au marché peut donc faire la
différence pour un producteur local.
L’octroi
de microcrédits a une place particulière dans les
actions de la coopération au développement, et
reçoit toujours davantage d’attention. Du client on
attend en effet sérieusement qu’il rembourse le
prêt. L’engagement personnel du bénéficiaire
à bien utiliser l’aide accordée est de cette
manière mieux garanti que par d’autres formes de la
coopération au développement. Des banques, comme la
Grameen Bank au Bangladesh, obtiennent d’excellents
résultats même d’un point de vue commercial.
Dans la
coopération au développement le VLD insiste
également sur l’empowerment, par lequel les
personnes prennent en main leur propre sort au lieu de se fondre
parmi les bénéficiaires passifs de l’aide. La
microfinance est un excellent instrument pour l’empowerment.
La résolution
est particulièrement bien conçue techniquement.
L’auteur n’a pas coupé les cheveux en quatre.
Nous pouvons partager la critique selon laquelle le BIO reçoit
trop peu d’attention. Cette critique a du reste été
formulée chaque année lors du débat
budgétaire par le groupe VLD à la Chambre.
Nous
appuierons cette résolution avec enthousiasme. Les
amendements ont éliminé un certain nombre de points
problématiques. Dans le texte amendé, la
microfinance n’est plus seulement axée sur les plus
pauvres et les synergies entre BIO et les sociétés
d’investissements social sont traitées plus
positivement. Le VLD n’a assurément aucun problème
de principe avec la possibilité de déductibilité
fiscale de la souscription à des actions de sociétés
d’investissement social.
La résolution
ne fait aucune mention du prix Nobel de la paix qui a été
attribué à Muhammad Yunus et à la Grameen
Bank bangladaise. Nous espérons que cet oubli n’ait
rien à voir avec le fait que la Grameen Bank ne bénéficie
d’aucun subside et que ses actions soient entièrement
aux mains des prêteurs. La Grameen Bank est en tout cas un
excellent exemple du rôle que la microfinance peut jouer en
faveur du développement économique des pauvres dans
les pays en voie de développement, des femmes en
particulier.
|
Mevrouw Margriet Hermans
(VLD). – Onze fractie is absoluut voorstander van dit
voorstel van resolutie. Microfinanciering is een instrument om
kredieten te verschaffen aan personen die daar anders geen
toegang toe hebben. Meestal zijn de bedragen zo klein dat zelfs
de lokale financiële markten de zaak weinig rendabel vinden.
Een microkrediet voor de aankoop van een bakfiets om
landbouwproducten naar de markt te brengen kan dus het verschil
maken voor een lokale producent.
Het verstrekken van microkredieten
heeft een bijzondere plaats in de ontwikkelingssamenwerking en
krijgt ook steeds meer aandacht. Van de klant wordt immers wel
degelijk terugbetaling van de lening verlangd. Het persoonlijke
engagement van de ontvanger om de ingebrachte hulp goed te
besteden is op die manier meer gegarandeerd dan bij andere vormen
van ontwikkelingssamenwerking. Er worden ook uitstekende
resultaten behaald, zelfs uit commercieel oogpunt, door banken
als bijvoorbeeld de Grameen Bank in Bangladesh. Open VLD legt ook
in de ontwikkelingssamenwerking graag de nadruk op empowerment
waardoor mensen hun eigen lot in handen gaan nemen in plaats van
te fungeren als passieve ontvangers van hulp. Microfinanciering
is daarbij een uitstekend instrument.
De resolutie is technisch bijzonder
goed uitgewerkt. De indiener heeft geen spijkers op laag water
gezocht. De kritiek dat BIO te weinig aandacht krijgt, kunnen we
delen. Die kritiek wordt overigens bij het begrotingsdebat
jaarlijks geformuleerd door de VLD-Kamerfractie.
Wij zullen de resolutie enthousiast
steunen. De amendementen nemen een aantal pijnpunten weg. In de
geamendeerde tekst is microfinanciering niet enkel meer op de
allerarmsten gericht en worden de synergieën tussen BIO en
de sociale investeringsmaatschappijen positiever benaderd. Met de
mogelijke fiscale aftrekbaarheid van intekeningen op aandelen van
sociale investeringsmaatschappijen heeft de VLD zeker geen
principiële problemen.
De resolutie maakt geen melding van
de Nobelprijs voor de vrede die in 2006 werd toegekend aan
Muhammad Yunus en de Bengaalse Grameen Bank. We hopen dat die
vergetelheid niets te maken heeft met het feit dat de Grameen
Bank niet wordt gesubsidieerd, maar dat de aandelen volledig in
handen zijn van de leners. Grameen is in ieder geval een
uitstekend voorbeeld van de rol die microfinanciering kan spelen
voor de economische ontwikkeling van armen in de
ontwikkelingslanden, en van vrouwen in het bijzonder.
|
|
– La discussion est close.
|
– De bespreking is
gesloten.
|
|
– Il sera procédé
ultérieurement au vote sur l’ensemble de la
proposition de résolution.
|
– De stemming over het
voorstel van resolutie in zijn geheel heeft later plaats.
|
|
Votes
|
Stemmingen
|
|
(Les listes nominatives figurent
en annexe.)
|
(De naamlijsten worden in de
bijlage opgenomen.)
|
|
Projet
de loi portant des dispositions diverses en vue de la réalisation
de l’intégration des petits risques dans l’assurance
obligatoire soins de santé pour les travailleurs
indépendants (Doc. 3-2025) (Procédure
d’évocation)
|
Wetsontwerp
houdende diverse bepalingen met het oog op de integratie van de
kleine risico’s in de verplichte verzekering voor
geneeskundige verzorging voor de zelfstandigen (Stuk 3-2025)
(Evocatieprocedure)
|
|
Vote nº 1
|
Stemming 1
|
|
Présents : 55 Pour :
55 Contre : 0 Abstentions : 0
|
Aanwezig: 55 Voor: 55 Tegen:
0 Onthoudingen: 0
|
|
– Le projet de loi est
adopté sans modification. Par conséquent, le Sénat
est censé avoir décidé de ne pas l’amender.
– Il sera transmis à
la Chambre des représentants en vue de la sanction royale.
|
– Het wetsontwerp is
ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te
hebben beslist het niet te amenderen.
– Het zal aan de Kamer van
volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de
bekrachtiging door de Koning.
|
|
Projet
de loi modifiant le Code judiciaire, notamment les dispositions
relatives au personnel judiciaire de niveau A, aux greffiers
et aux secrétaires ainsi que les dispositions relatives à
l’organisation judiciaire (Doc. 3-2009)
|
Wetsontwerp
tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met
betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het
niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de
rechterlijke organisatie (Stuk 3-2009)
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons à présent sur l’article 5.
|
De voorzitter. – We
stemmen over artikel 5.
|
|
Vote nº 2
|
Stemming 2
|
|
Présents : 57 Pour :
39 Contre : 0 Abstentions : 18
|
Aanwezig: 57 Voor: 39 Tegen:
0 Onthoudingen: 18
|
|
– L’article 5
est adopté.
|
– Artikel 5 is
aangenomen.
|
|
– Le même résultat
de vote est accepté pour les articles 13, 18, 30, 37,
90, 157, 158, 159, 160, 161, 167, 168 et 176. Ces articles sont
donc adoptés.
|
– Dezelfde stemuitslag
wordt aanvaard voor de artikelen 13, 18, 30, 37, 90, 157,
158, 159, 160, 161, 167, 168 en 176. Deze artikelen zijn dus
aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons à présent sur l’ensemble
du projet de loi.
|
De voorzitter. – We
stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.
|
|
Vote nº 3
|
Stemming 3
|
|
Présents : 57 Pour :
44 Contre : 0 Abstentions : 13
|
Aanwezig: 57 Voor: 44 Tegen:
0 Onthoudingen: 13
|
|
– Le projet de loi est
adopté.
– Il sera transmis à
la Chambre des représentants.
|
– Het wetsontwerp is
aangenomen.
– Het zal aan de Kamer van
volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
|
|
Projet
de loi organisant les relations entre les autorités
publiques et les organisations syndicales des greffiers de
l’ordre judiciaire, les référendaires près
la Cour de cassation, les référendaires et les
juristes de parquet près les cours et tribunaux
(Doc. 3-2010)
|
Wetsontwerp
tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de
vakorganisaties van de griffiers van de rechterlijke orde, de
referendarissen bij het Hof van Cassatie en de referendarissen en
de parketjuristen bij de hoven en rechtbanken (Stuk 3-2010)
|
|
Vote nº 4
|
Stemming 4
|
|
Présents : 57 Pour :
45 Contre : 9 Abstentions : 3
|
Aanwezig: 57 Voor: 45 Tegen:
9 Onthoudingen: 3
|
|
– Le projet de loi est
adopté.
– Il sera transmis à
la Chambre des représentants.
|
– Het wetsontwerp is
aangenomen.
– Het zal aan de Kamer van
volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
|
|
Projet
de loi modifiant le Code judiciaire en ce qui concerne les
contestations relatives à l’octroi, à la
révision et au refus de l’aide matérielle
(Doc. 3-1939)
|
Wetsontwerp
tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de
geschillen inzake de toewijzing, de herziening en de weigering
van de materiële hulp (Stuk 3-1939)
|
|
Vote nº 5
|
Stemming 5
|
|
Présents : 57 Pour :
45 Contre : 9 Abstentions : 3
|
Aanwezig: 57 Voor: 45 Tegen:
9 Onthoudingen: 3
|
|
– Le projet de loi est
adopté.
– Il a été
amendé et sera transmis à la Chambre des
représentants.
|
– Het wetsontwerp is
aangenomen.
– Het werd geamendeerd en
zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
|
|
Proposition
de résolution concernant la politique en matière de
microfinance (de Mme Sabine de Bethune et consorts,
Doc. 3-1582)
|
Voorstel
van resolutie over het beleid inzake microfinanciering (van
mevrouw Sabine de Bethune c.s., Stuk 3-1582)
|
|
Vote nº 6
|
Stemming 6
|
|
Présents : 56 Pour :
56 Contre : 0 Abstentions : 0
|
Aanwezig: 56 Voor: 56 Tegen:
0 Onthoudingen: 0
|
|
– La proposition de
résolution est adoptée.
– La résolution sera
transmise au premier ministre et au ministre des Affaires
étrangères.
|
– Het voorstel van
resolutie is aangenomen.
– De resolutie zal aan de
eerste minister en aan de minister van Buitenlandse Zaken worden
meegedeeld.
|
|
Demande
d’explications de M. Berni Collas à la
vice-première ministre et ministre de la Justice sur «la
situation des détenus germanophones en matière
d’application des peines» (nº 3-2119)
|
Vraag
om uitleg van de heer Berni Collas aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie over «de
toestand van de Duitstalige gedetineerden wat betreft de
strafuitvoering» (nr. 3-2119)
|
|
Mme la présidente.
– M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire
d’État à la Simplification administrative,
adjoint au premier ministre, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris
voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste
minister, antwoordt.
|
|
M. Berni Collas (MR). –
À plusieurs reprises, j’ai eu l’occasion
d’évoquer les problèmes spécifiques
qui se posent dans l’arrondissement judiciaire d’Eupen.
La presse écrite les a encore
relayés dernièrement, plus précisément
le 1er février 2007, dans un article
intitulé « La Justice eupenoise est en piteux
état ».
Actuellement, la nouvelle loi
instaurant les tribunaux de l’application des peines (TAP)
et celle relative au statut juridique externe des condamnés,
entrées en vigueur ce 1er février,
soulèvent des questions et des protestations : Le
Grenz-Echo du samedi 2 février titrait « Eupener
Protest gegen Vollstreckungsgerichte ».
En effet, dans un premier temps, un
TAP, ou plutôt une « chambre d’application
des peines », a été constitué
auprès du Tribunal de première instance du siège
du ressort de chaque cour d’appel : Anvers, Gand, Mons
et Liège. Pour Bruxelles, une chambre francophone et une
néerlandophone ont été créées.
Les magistrats ayant fait part de leur crainte d’un
engorgement, trois chambres supplémentaires ont été
ajoutées, une à Liège, une à Anvers
et une chambre francophone à Bruxelles. Elles sont donc
aujourd’hui au nombre de neuf. Quatre nouvelles chambres
devraient être créées lorsque les TAP
reprendront les compétences des commissions de défense
sociale.
Selon mes informations, on n’a
pas prévu de chambre germanophone dans le ressort de la
Cour d’appel de Liège. Les dossiers des détenus
de langue allemande sont renvoyés, en ce qui concerne
l’application de la peine, aux deux chambres francophones
du Tribunal de première instance de Liège.
Si le juge ou le procureur du Roi ne
maîtrise pas l’allemand, un traducteur/interprète
juré interviendra, ce qui représente des coûts
considérables pour les dossiers volumineux.
La Justice eupenoise estime qu’il
n’est pas logique que les condamnés germanophones
soient renvoyés devant les chambres francophones du
Tribunal de première instance de Liège puisque les
conditions essentielles pour que ces affaires soient traitées
en allemand ne sont pas remplies.
Peut-on envisager d’instaurer
une chambre germanophone d’application des peines auprès
du Tribunal de première instance de Liège ?
Dans le cas contraire, pourrait-on
s’inspirer de la solution trouvée en 1999 en matière
de contentieux fiscal ? En effet, la loi du 23 mars 1999
instaure les chambres fiscales auprès des tribunaux de
première instance du siège de leur cour d’appel
respective. Suivant la modification apportée par cette loi
à l’article 632 du Code judiciaire, une
dérogation a cependant été prévue
pour l’arrondissement judiciaire d’Eupen dont le
tribunal de première instance est seul compétent
lorsque la procédure est en langue allemande.
Sinon, quelle autre solution
préconisez-vous ?
|
De heer Berni
Collas (MR). – Ik heb de specifieke problemen van het
gerechtelijk arrondissement Eupen al meermaals aangekaart.
Onlangs kregen
ze ook aandacht in de schrijvende pers, meer bepaald op
1 februari 2007 in een artikel met als titel: Het
Eupense Gerecht in een erbarmelijke toestand.
De nieuwe wet
houdende oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken en de wet
betreffende het extern rechtsstatuut van de veroordeelden zijn op
1 februari in werking getreden en lokken nu al vragen en
protest uit: op zaterdag 2 februari kopte de Grenz-Echo:
Eupener Protest gegen Vollstreckungsgerichte.
In een eerste
fase werd een strafuitvoeringsrechtbank of liever een kamer van
strafuitvoering opgericht bij de rechtbank van eerste aanleg van
de zetel van het rechtsgebied van elk hof van beroep: Antwerpen,
Gent, Bergen en Luik. Voor Brussel werden een Franstalige en een
Nederlandstalige kamer opgericht. Aangezien de magistraten
vreesden voor fileleed werden drie bijkomende kamers opgericht,
één in Luik, één in Antwerpen en een
Franstalige Kamer in Brussel. Vandaag zijn er dus negen kamers.
Er moeten nog vier nieuwe kamers worden opgericht zodra de
strafuitvoeringsrechtbanken de bevoegdheden overnemen van de
commissies tot bescherming van de maatschappij.
Volgens de
informatie waarover ik beschik, wordt er geen Duitstalige kamer
opgericht in het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Luik.
Duitstalige gevangenen worden voor de strafuitvoering verwezen
naar de twee Franstalige kamers bij de rechtbank van eerste
aanleg in Luik.
Als de rechter
of de procureur des Konings het Duits niet machtig is, wordt een
beroep gedaan op een beëdigd vertaler of tolk, wat voor
omvangrijke dossiers aanzienlijke kosten met zich brengt.
Het Eupense
Gerecht vindt het niet logisch dat Duitstalige veroordeelden naar
de Franstalige kamers bij de rechtbank van eerste aanleg te Luik
worden doorverwezen omdat de wezenlijke voorwaarden voor de
behandeling van hun zaak in het Duits er niet vervuld zijn.
Kan eraan
gedacht worden een Duitstalige kamer van strafuitvoering op te
richten bij de rechtbank van eerste aanleg te Luik?
Zo niet, kan
men dan het voorbeeld volgen van de oplossing die in 1999 werd
gevonden voor de behandeling van fiscale geschillen? Bij wet van
23 maart 1999 werden immers fiscale kamers opgericht
bij de rechtbanken van eerste aanleg van de zetel van hun
respectieve hoven van beroep. De wijziging die door deze wet aan
artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek werd aangebracht,
voorziet in een vrijstelling voor het gerechtelijk arrondissement
Eupen, waar de rechtbank van eerste aanleg als enige bevoegd is
om zaken in het Duits te behandelen.
Zo niet, welke
andere oplossing staat u voor?
|
|
M. Vincent Van Quickenborne,
secrétaire d’État à la Simplification
administrative, adjoint au premier ministre. – Je vous
donne lecture de la réponse de Mme la ministre
Onkelinx.
La loi du 17 mai 2006
instaurant les tribunaux de l’application des peines
prévoit, en son article 46, que les dossiers de
condamnés qui ne connaissent que l’allemand ou
s’expriment plus aisément dans cette langue sont
transférés au Tribunal de l’application des
peines de Liège.
L’article 43 dispose,
quant à lui, que lorsque dans le ressort de la Cour
d’appel de Liège, aucun juge au tribunal de
l’application des peines ou substitut du Procureur du Roi
spécialisé en application des peines ne justifie de
la connaissance de la langue allemande, il est fait appel à
un interprète.
Les détenus germanophones
pourront donc légitimement être entendus dans leur
langue devant le tribunal de l’application des peines en
recourant, si besoin est, aux services d’un interprète.
Vous savez certainement que j’ai
décidé de créer un tribunal de l’application
des peines par ressort de Cour d’appel. Il peut y avoir
plusieurs chambres dans cette section du tribunal. Ce sera
d’ailleurs le cas à Liège.
Chaque chambre du tribunal de
l’application des peines du ressort de Liège aura la
charge de 520 à 550 dossiers.
Créer à l’heure
actuelle une chambre spécifique des tribunaux de
l’application des peines qui serait compétente pour
le seul arrondissement d’Eupen pose problème à
deux niveaux.
En créant les tribunaux de
l’application des peines, le gouvernement a voulu confier
cette matière spécifique à des magistrats
spécialisés, qui suivent des formations continues
en la matière. La solution dont vous parlez ne permet pas
d’atteindre cet objectif de professionnalisation des
magistrats du tribunal de l’application des peines.
Cette solution pourrait être
envisagée si le tribunal de l’application des peines
était composé uniquement de magistrats qui par
ailleurs exerceraient un autre mandat, mais qu’en serait-il
des assesseurs ? Ceux-ci sont désignés à
temps plein pour exercer le mandat d’assesseur en exécution
des peines ou en réinsertion sociale, et le faible nombre
de dossiers germanophones ne permet pas actuellement d’engager
deux assesseurs à temps plein uniquement pour
l’arrondissement d’Eupen.
Une solution pourrait intervenir à
moyen terme. Les compétences des tribunaux d’application
des peines seront progressivement élargies pour intégrer
d’autres matières : les peines de moins de
trois ans de prison, la défense sociale et la mise à
la disposition. De nouvelles chambres seront ouvertes et de
nouveaux juges uniques seront désignés. Dès
lors, il serait légitime d’instaurer une chambre du
tribunal d’application des peines germanophone.
|
De heer Vincent
Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve
Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. –
Artikel 46 van de wet van 17 mei 2006 houdende
oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken bepaalt dat dossiers
van veroordeelden die uitsluitend Duits spreken of zich het
gemakkelijkst in die taal uitdrukken, worden overgedragen aan de
strafuitvoeringsrechtbank te Luik.
Artikel 43
bepaalt dat ingeval in het rechtsgebied van het hof van beroep te
Luik geen enkele rechter in strafuitvoeringszaken of
substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in
strafuitvoeringszaken het bewijs levert van de kennis van de
Duitse taal, een beroep wordt gedaan op een tolk.
Duitstalige
gevangenen kunnen dus zo nodig in hun taal gehoord worden voor
een strafuitvoeringsrechtbank middels de diensten van een tolk.
U weet beslist
dat ik besloten heb een strafuitvoeringsrechtbank per
rechtsgebied van hof van beroep op te richten. Een dergelijke
rechtbank kan uit verscheidene kamers bestaan. In Luik zal dat
overigens het geval zijn.
Iedere kamer
van de strafuitvoeringsrechtbank van het rechtsgebied Luik zal
520 à 550 dossiers volgen.
Op dit
ogenblik een specifieke kamer van de strafuitvoeringsrechtbanken
oprichten die uitsluitend voor het arrondissement Eupen bevoegd
zou zijn, doet problemen rijzen op twee niveaus.
Met de
oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken heeft de regering die
specifieke materie willen toevertrouwen aan gespecialiseerde
magistraten die een voortgezette opleiding volgen. Met de
oplossing die u voorstelt, kan de doelstelling om van de functie
van strafuitvoeringsmagistraat een echt beroep te maken niet
worden bereikt.
Die oplossing
kan overwogen worden als de strafuitvoeringsrechtbank uitsluitend
zou zijn samengesteld uit magistraten die ook een ander mandaat
vervullen, maar wat gebeurt er dan met de assessoren? Ze worden
voltijds aangesteld voor het mandaat van assessor strafuitvoering
of van assessor maatschappelijke reïntegratie, maar gezien
het geringe aantal Duitstalige dossiers kunnen momenteel voor het
arrondissement Eupen onmogelijk twee voltijdse assessoren in
dienst worden genomen.
Op middellange
termijn kan een oplossing worden gevonden. De bevoegdheden van de
strafuitvoeringsrechtbanken zullen geleidelijk worden uitgebreid
tot andere materies: gevangenisstraffen van minder dan drie jaar,
de bescherming van de maatschappij en de terbeschikkingstelling.
Er zullen nieuwe kamers worden geopend en nieuwe enige rechters
worden aangesteld. Het zou derhalve gerechtvaardigd zijn een
Duitstalige kamer van strafuitvoering op te richten.
|
|
M. Berni Collas (MR). –
La ministre de la Justice fait valoir qu’une chambre
d’application des peines germanophone sera créée
à moyen terme pour satisfaire une revendication qu’elle
qualifie elle-même de « légitime ».
Je m’en réjouis. En attendant, je déplore le
recours à des interprètes. L’allemand est
quand même la troisième langue nationale. Il ne
s’agit pas du bengali, du mandarin ou du serbo-croate !
J’estime qu’à court terme, une approche plus
pragmatique s’impose, à l’instar de celle
retenue pour les commissions de libération conditionnelle,
où l’on délègue des juges ou des juges
suppléants afin de remplir cette tâche spécifique.
Pour l’instant, je conçois qu’il ne soit pas
vraiment impératif de prévoir des personnes
affectées à temps plein à cette mission.
|
De heer Berni
Collas (MR). – De minister van Justitie laat
uitschijnen dat op middellange termijn een Duitstalige kamer van
strafuitvoering zal worden opgericht om tegemoet te komen aan wat
ze bestempelt als een gerechtvaardigde eis. Dat verheugt me. In
afwachting betreur ik dat er een beroep moet worden gedaan op
tolken. Het Duits is toch de derde landstaal. Het gaat niet om
Bengaals, Mandarijn of Servo-Kroatisch! Op korte termijn is er
absoluut een pragmatischer aanpak nodig, naar het voorbeeld van
de commissies voor voorwaardelijke invrijheidsstelling, die
werken met gedetacheerde rechters of gedetacheerde
plaatsvervangende rechters voor die specifieke taak. Op dit
ogenblik is het wel niet absoluut noodzakelijk om voltijdse
krachten voor die opdracht aan te stellen.
|
|
Demande
d’explications de M. Patrik Vankrunkelsven à la
vice-première ministre et ministre de la Justice sur «la
prison de Merksplas» (nº 3-2116)
|
Vraag
om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie over «de
gevangenis van Merksplas» (nr. 3-2116)
|
|
Mme la présidente.
– M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire
d’État à la Simplification administrative,
adjoint au premier ministre, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris
voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste
minister, antwoordt.
|
|
M. Patrik
Vankrunkelsven (VLD). – La prison de Merksplas a déjà
fait l’objet de sévères critiques à
plusieurs reprises. Récemment encore on a parlé de
situations médiévales. Il peut s’agir des
agissements de quelques individus isolés mais il se peut
aussi qu’il existe une culture carcérale
inacceptable. La prison de Merksplas a une structure
décentralisée ; elle se compose de différents
pavillons qui jouissent d’une autonomie relativement
grande. Il y a manifestement des différences de régime
très importantes entre les pavillons.
La ministre
est-elle informée de dysfonctionnements dans
l’établissement pénitentiaire de Merksplas ?
Est-il vrai
qu’une bonne part d’arbitraire y règne quant
aux décisions de mise en liberté anticipée ?
L’avis de la direction ne serait ainsi pas toujours
transmis dans les délais.
La ministre
dispose-t-elle de chiffres comparatifs sur les libérations
anticipées de détenus dans les différents
établissements pénitentiaires de notre pays ?
Observe-t-on des différences entre les établissements
quant au nombre de détenus qui purgent leur peine jusqu’au
bout ?
L’infrastructure,
surtout sanitaire, de Merksplas laisse totalement à
désirer. Les établissements pénitentiaires
ne sont-ils pas soumis à des normes minimales ? La
ministre compte-t-elle investir à Merksplas dans de brefs
délais ?
Le régime
que doivent subir certains détenus semble totalement
arbitraire et inadapté. La ministre a-t-elle déjà
pu consulter les rapports de la commission de surveillance ?
Envisage-t-elle d’intervenir ?
La forte
concentration d’étrangers dans cette prison et les
difficultés de communication qui s’ensuivent
inévitablement expliquent peut-être en partie les
problèmes. Ne convient-il pas de mieux répartir les
détenus allophones sur l’ensemble du pays ?
La ministre
connaît-elle le nombre d’internés à la
prison de Merksplas ? Leurs conditions d’internement
seraient déplorables. Dans quel délai ces personnes
pourront-elles, selon elle, bénéficier d’un
encadrement adapté ?
|
De heer Patrik
Vankrunkelsven (VLD). – Al meermaals werd de
strafinrichting van Merksplas in een slecht daglicht gesteld.
Onlangs nog kwamen er opnieuw berichten over middeleeuwse
toestanden. Het kan gaan over de handelwijze van enkelingen, maar
het kan ook zijn dat er een gevangeniscultuur heerst die niet
meer aanvaardbaar is. Het gaat over een gevangenis met een
gedecentraliseerde structuur waarbij de verschillende paviljoenen
een vrij grote autonomie bezitten. Blijkbaar bestaan er grote
verschillen tussen de regimes in de verschillende paviljoenen.
Is het de minister bekend dat er
bepaalde wantoestanden bestaan in de strafinrichting van
Merksplas?
Klopt het dat er een vrij grote
willekeur bestaat wat het vervroegd in vrijheid stellen betreft?
Het directiecollege moet hier advies geven en de termijnen zouden
hier met een zekere willekeur gehanteerd worden.
Beschikt de minister over
vergelijkende cijfers in verband met het vervroegd in vrijheid
stellen van gedetineerden in de verschillende strafinrichtingen
van ons land? Worden er verschillen vastgesteld tussen de
verschillende inrichtingen in verband met het aantal mensen dat
een volledige straf uitzit?
De infrastructuur blijkt totaal
ondermaats te zijn in Merksplas, zeker wat het sanitair betreft.
Bestaan er op dat vlak geen minimale normen voor de Belgische
strafinrichtingen? Is de minister van plan om in Merksplas op
korte termijn te investeren?
Het regime dat sommige individuele
gevangenen moeten ondergaan, zoals verlengde isolatie en het
beperkt gebruik van sanitaire mogelijkheden, lijkt volledig
willekeurig en vaak onaangepast. Heeft de minister hier al inzage
gekregen in de verslagen van de commissie van toezicht? Is de
minister van plan op te treden?
De hoge concentratie van
vreemdelingen in deze gevangenis, die gepaard gaat met de nodige
communicatiemoeilijkheden, is misschien mee de oorzaak van een
aantal van de problemen. Is het niet raadzaam een betere
spreiding van anderstalige gevangenen over ons land na te
streven?
Weet de minister hoeveel
geïnterneerden er in de gevangenis van Merksplas verblijven?
Het zouden er meer dan 100 zijn. De problematiek van deze mensen
is al langer bekend en de toestand zou zeer schrijnend zijn. Op
welke termijn denkt zij dat voor deze mensen een gepaste opvang
gerealiseerd kan worden?
|
|
M. Vincent
Van Quickenborne, secrétaire d’État
à la Simplification administrative, adjoint au premier
ministre. – Je vous lis la réponse de la ministre
Onkelinx.
La direction
de la prison et mon administration ont entrepris une enquête
administrative pour vérifier si les accusations sont
fondées. Il en ressort qu’en ce qui concerne les
libérations conditionnelles et provisoires,
l’établissement pénitentiaire de Merksplas
applique les mêmes procédures que les autres
prisons.
La direction
transmet l’avis du collège du personnel à
l’administration centrale dans les délais prévus.
Une première
analyse comparative révèle qu’en moyenne 9,7%
des détenus des prisons belges purgent l’intégralité
de leur peine. À Merksplas, il s’agit de 10,5%.
Quant à
l’infrastructure, divers travaux de sécurisation
seront réalisés en 2007 pour un montant global de
plus de 1,5 million d’euros.
J’insiste
auprès de la Régie des bâtiments pour qu’elle
engage, au début de 2007, une série d’autres
travaux de sécurisation, de rénovation des toitures
et de rafraîchissement, ainsi que des travaux
d’amélioration des installations sanitaires. Ces
travaux sont estimés à plus de deux millions
d’euros. Les études sont terminées ou
suffisamment avancées pour permettre l’engagement et
la réalisation des travaux à bref délai.
La prison de
Merksplas compte 45,5% de détenus de nationalité
étrangère. Ils occupent surtout l’aile des
condamnés et non l’aile des internés. À
titre de comparaison, la prison d’Anvers compte 54% de
détenus de nationalité étrangère et
celle d’Ittre 57%.
L’Institut
national de criminalistique et de criminologie a été
chargé de faire une étude sur la répartition
des détenus allophones et d’élaborer un
nouveau système de classification pour les prisons belges.
La prison de
Merksplas compte actuellement 267 internés dans la
section de Défense sociale. Comme la situation de ces
personnes me tient à cœur, j’ai élaboré
un masterplan Internement qui prévoit la
construction de deux nouveaux établissements, la création
d’équipes multidisciplinaires de soins dans les
sections psychiatriques des prisons et l’instauration d’un
circuit intégral de soins par mon collègue de la
Santé publique. Soixante places supplémentaires
seront en outre créées à Merksplas par le
biais d’unités modulaires qui pourront être
mises en service avant la fin de 2007.
|
De heer Vincent
Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve
Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik
lees het antwoord van de minister van Justitie.
In een verslag van de Commissie van
Toezicht en in de media is het functioneren van de
strafinrichting van Merksplas onder vuur genomen. De lokale
gevangenisdirectie van de strafinrichting en mijn administratie
zijn een administratief onderzoek gestart om te na te gaan of de
gesignaleerde klachten gegrond zijn. Daaruit blijkt dat wat de
voorwaardelijke en voorlopige invrijheidsstellingen betreft, in
de strafinrichting van Merksplas dezelfde procedures worden
toegepast als in de andere gevangenissen.
Het advies van het personeelscollege
wordt door de gevangenisdirectie binnen de gestelde termijnen
overgemaakt aan mijn centrale administratie.
Uit een eerste vergelijkende
cijferanalyse blijkt dat gemiddeld 9,7% van de gedetineerden in
de Belgische gevangenissen hun volledige straf uitzitten. In de
strafinrichting van Merksplas blijven 10,5% van de gedetineerden
tot het einde van hun straf in de instelling.
Wat de infrastructuur betreft,
zullen in 2007 beveiligingswerken worden uitgevoerd. Vooraan en
achteraan de strafinrichting zullen veiligheidsomheiningen worden
aangebracht, de celramen aan de voorzijde van de gevangenis
zullen vervangen worden en in de vleugels met geïnterneerden
zullen de celdeuren en de traliewerken vernieuwd worden. Het gaat
in totaal over meer dan 1,5 miljoen euro.
Ik dring bij de Regie der Gebouwen
aan op de vastlegging, begin 2007, van een reeks andere werken op
het gebied van beveiliging, dakrenovaties en opfrissingswerken,
ook van verbetering van sanitaire installaties en douches. Deze
werken worden op meer dan 2 miljoen euro geraamd. De studies zijn
voltooid of ver genoeg gevorderd om spoedig tot vastlegging en
uitvoering te kunnen overgaan.
In de gevangenis te Merksplas zijn
er 45,5% gedetineerden van vreemde nationaliteit. Ze bevinden
zich hoofdzakelijk op de veroordeeldenafdeling en niet bij de
geïnterneerden. Ter vergelijking: in Antwerpen en Ittre zijn
er respectievelijk 54 en 57% gedetineerden van vreemde
nationaliteit.
Er is een onderzoek over de
spreiding van anderstalige gedetineerden gevraagd bij het NICC
dat belast is met de uitwerking van een nieuw
classificatiesysteem voor de Belgische gevangenissen.
Op dit moment verblijven er in
Merksplas 267 geïnterneerden op de afdeling Sociaal Verweer.
Omdat hun toestand mij na aan het hart ligt heb ik een masterplan
Internering uitgewerkt dat voorziet in de bouw van 2 nieuwe
instellingen, de oprichting van multidisciplinaire zorgequipes in
de psychiatrische afdelingen van de gevangenissen en een
integraal zorgcircuit dat zal uitgewerkt worden door mijn collega
van Volksgezondheid. Er zullen bovendien 60 bijkomende plaatsen
worden gecreëerd in Merksplas door middel van modulaire
units, die vóór het einde van 2007 in gebruik
kunnen genomen worden.
|
|
Demande
d’explications de M. Hugo Vandenberghe à la
vice-première ministre et ministre de la Justice sur
«l’assouplissement de l’interdiction de parier
au poker» (nº 3-2131)
|
Vraag
om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie over «de
versoepeling van het gokverbod op het pokerspel»
(nr. 3-2131)
|
|
Mme la présidente.
– M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire
d’État à la Simplification administrative,
adjoint au premier ministre, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris
voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste
minister, antwoordt.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – La Commission des jeux de
hasard s’est réunie le mercredi 7 janvier 2007
au sujet d’un assouplissement de l’interdiction des
tournois de poker mais n’a pas pu s’accorder. Nous
estimons toutefois que l’évolution est préoccupante.
On peut gagner
ou perdre beaucoup d’argent en jouant au poker et le hasard
intervient. C’est donc un jeu de hasard, qui est interdit
en vertu de la loi sur les jeux de hasard de 1999. La Commission
des jeux de hasard reçoit de plus en plus de demandes
d’autorisation de tournois de poker.
Le poker
connaît un véritable regain d’intérêt.
La popularité du jeu à la télé et sur
internet joue certainement un rôle. Par le biais
d’internet, il est de plus en plus facile de parier, mais
les contrôles sont difficiles.
Les paris à
domicile rencontrent également un succès
grandissant. Dans les magasins de jouets, de luxueux jeux de
poker se vendent comme des petits pains.
Enfin, les
casinos agréés veulent aussi profiter de l’aubaine.
Ils peuvent organiser un tournoi de poker une seule fois par an.
Mais la commission envisage de les autoriser à organiser
plusieurs tournois par an.
En raison du
grand nombre de demandes, la Commission des jeux de hasard risque
de céder et d’assouplir les conditions des tournois
de poker.
La ministre
est-elle favorable ou opposée à un assouplissement
de l’interdiction de miser au poker ?
Quelles
initiatives prend-elle pour combattre le jeu de poker illégal
sur internet et dans les cercles privés ?
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – De Kansspelcommissie
vergaderde op woensdag 7 januari 2007 over een
versoepeling van het verbod op pokertoernooien maar kon het niet
eens worden. Niettemin vinden wij de evolutie zorgwekkend.
Met pokeren kan je veel geld winnen
of verliezen en er is toeval mee gemoeid. Dus is het een
kansspel, dat volgens de wet op de kansspelen van 1999 verboden
is. De Kansspelcommissie krijgt steeds meer aanvragen om
pokertoernooien te mogen organiseren.
Het pokerspel beleeft een ware
opleving. De populariteit van het spel op tv en het internet
speelt daarbij ongetwijfeld een rol. De Vlaamse Media
Maatschappij speelt al langer met het idee om een pokerspel in
een spelformat aan te bieden. Via het internet worden gokken
steeds gemakkelijker maar het is moeilijk te controleren.
Ook in de huiskamer is het gokspel
aan een opmars bezig. In de speelgoedwinkels gaan luxueuze
pokerspelen als zoete broodjes over de toonbank.
Tenslotte willen ook de erkende
casino’s een graantje meepikken. Die casino’s mogen
eenmaal per jaar een pokertoernooi organiseren. Maar de commissie
Casino’s overweegt om meerdere toernooien per jaar toe te
laten.
Tengevolge van het grote aantal
aanvragen dreigt de Kansspelcommissie door de knieën te gaan
en de voorwaarden van het pokertoernooi te versoepelen.
Is de minister voor of tegen een
versoepeling van het gokverbod voor het pokerspel?
Welke initiatieven onderneemt de
minister om illegaal pokeren op het internet en in besloten
groepen aan te pakken?
|
|
M. Vincent
Van Quickenborne, secrétaire d’État
à la Simplification administrative, adjoint au premier
ministre. – Je vous lis la réponse de la ministre de
la Justice.
La Commission
de jeux de hasard doit notamment donner des avis et doit donc
suivre de très près certains phénomènes
qui se présentent dans le paysage des jeux de hasard. Une
des tendances qui se dessinent actuellement est une augmentation
du nombre de demandes d’organisation de tournois du type
Texas hold’em. La Commission des jeux de hasard en a
débattu et proposera des pistes de réflexion
éventuelles, qui pourront constituer la base de l’avis
qui sera rendu aux autorités.
Aujourd’hui,
les tournois de poker ne peuvent être organisés que
par les établissements de jeux de hasard de classe I, soit
les casinos, et cela une seule fois par an et avec l’autorisation
et sous le contrôle de la Commission des jeux de hasard.
Si tous les
éléments sont réunis – mise, gain,
perte et hasard, ne fût-ce que subsidiaire –, le
poker est un jeu de hasard qui est permis sous la forme de jeu de
table, en tournoi et sous forme automatique dans les
établissements de jeux de hasard de classe I et sous forme
automatique dans les établissements de jeux de hasard de
classe II. Le jeu est donc suffisamment encadré sur le
plan légal et une modification n’est pas à
l’ordre du jour.
La Commission
des jeux de hasard et les services de police agissent
effectivement de manière répressive contre toutes
les formes illégales de poker.
Un
avant-projet de loi modifiant la loi du 7 mai 1999 sur
les jeux de hasard, les établissements de jeux de hasard
et la protection du joueur a été déposé
à la Chambre. Il fixe un cadre par le biais du certificat
de fiabilité.
La loi du
7 mai 1999 sur les jeux de hasard est une loi pénale
et les jeux de hasard qui sont exploités sans autorisation
de la Commission des jeux de hasard sont passibles de sanctions
prévues dans la loi. Une exception figurant à
l’article 3 précise toutefois que les jeux de
carte sont permis en dehors des établissements de classes
I et II s’ils n’exigent qu’une mise très
limitée et s’ils ne donnent au joueur ou parieur
qu’un avantage matériel de faible valeur.
L’interprétation de ce qui est compris par « très
limité » et « faible valeur »
est réservée au cours et tribunaux. Le Collège
des procureurs généraux indique dans sa circulaire
8/2004, à titre d’exemple, une mise de 0,22 euros et
un gain maximum de 6,20 euros. Il va de soi que beaucoup de
tournois de poker dépassent cette marge.
|
De heer Vincent
Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve
Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik
lees het antwoord van de minister van Justitie.
De Kansspelcommissie heeft onder
meer een adviestaak en dient dus de vinger aan de pols te houden
over bepaalde fenomenen die zich voordoen in het
kansspellandschap. Een van de tendensen die zich momenteel
aftekent, is een toename van het aantal aanvragen voor de
organisatie van pokertoernooien van het type Texas hold’em.
De Kansspelcommissie heeft zich hierover beraden en wil mogelijke
denksporen ontwikkelen die dan later de basis kunnen vormen voor
een advies aan de overheid.
Op het ogenblik kunnen
pokertoernooien alleen door de kansspelinrichtingen klasse I,
zijnde casino’s, worden ingericht, en dat één
keer per jaar. De Kansspelcommissie geeft daarvoor de toestemming
en oefent het toezicht uit.
Als alle elementen voorhanden zijn –
inzet, winst, verlies en toeval, zij het bijkomstig – is
het pokerspel een kansspel dat als tafelspel, als pokertoernooi
en onder automatische vorm toegelaten is in kansspelinrichtingen
I en onder automatische vorm in kansspelinrichtingen klasse II.
De wettelijke omkadering bestaat dus en een wijziging is niet aan
de orde.
De Kansspelcommissie en ook de
politiediensten treden wel degelijk repressief op tegen alle
vormen van illegale poker. Ik verwijs naar de interventie in
Stokkem op 25 mei 2006, naar aanleiding van een
illegaal pokertoernooi. Dat was een duidelijk signaal dat geen
gedoogbeleid zou worden gevoerd.
Een voorontwerp tot wijziging van de
wet 7 mei 1999 op de kansspelen, de
kansspelinrichtingen en de bescherming van de speler werd
ingediend in de Kamer. Daarin wordt in een omkadering voorzien
via een betrouwbaarheidscertificaat.
De kansspelwet van 7 mei 1999
is een strafwet. Kansspelen die zonder toelating van de
Kansspelcommissie worden uitgebaat zijn onderhavig aan de in deze
wet bepaalde sancties. Een uitzondering in artikel 3 bepaalt
echter dat de kaartspelen buiten kansspelinrichtingen klasse I en
II toegelaten zijn, indien dat slechts een zeer geringe inzet
vereist en aan de speler of gokker slechts een materieel voordee |