3-204

Sénat de Belgique

Session ordinaire 2006-2007

Séances plénières

Jeudi 15 février 2007

Séance de l’après-midi

3-204

Belgische Senaat

Gewone Zitting 2006-2007

Plenaire vergaderingen

Donderdag 15 februari 2007

Namiddagvergadering

Annales

Handelingen

 

Sommaire

Inhoudsopgave

Désignation d’experts par le Sénat pour les prochaines élections

Prise en considération de propositions

Projet de loi modifiant le Code judiciaire, notamment les dispositions relatives au personnel judiciaire de niveau A, aux greffiers et aux secrétaires ainsi que les dispositions relatives à l’organisation judiciaire (Doc. 3-2009)

Motion d’ordre

Questions orales

Projet de loi portant des dispositions diverses en vue de la réalisation de l’intégration des petits risques dans l’assurance obligatoire soins de santé pour les travailleurs indépendants (Doc. 3-2025) (Procédure d’évocation)

Projet de loi modifiant le Code judiciaire, notamment les dispositions relatives au personnel judiciaire de niveau A, aux greffiers et aux secrétaires ainsi que les dispositions relatives à l’organisation judiciaire (Doc. 3-2009)

Projet de loi organisant les relations entre les autorités publiques et les organisations syndicales des greffiers de l’ordre judiciaire, les référendaires près la Cour de cassation, les référendaires et les juristes de parquet près les cours et tribunaux (Doc. 3-2010)

Projet de loi modifiant le Code judiciaire en ce qui concerne les contestations relatives à l’octroi, à la révision et au refus de l’aide matérielle (Doc. 3-1939)

Proposition de résolution concernant la politique en matière de microfinance (de Mme Sabine de Bethune et consorts, Doc. 3-1582)

Votes

Demande d’explications de M. Berni Collas à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «la situation des détenus germanophones en matière d’application des peines» (nº 3-2119)

Demande d’explications de M. Patrik Vankrunkelsven à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «la prison de Merksplas» (nº 3-2116)

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «l’assouplissement de l’interdiction de parier au poker» (nº 3-2131)

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique et au ministre de l’Emploi sur «l’insécurité juridique de la clause d’écolage» (nº 3-2128)

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique et au ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances sur «le manque de médecins du travail au sein des services publics fédéraux» (nº 3-2129)

Demande d’explications de M. Christian Brotcorne au vice-premier ministre et ministre des Finances sur «la possibilité d’octroyer des incitants au personnel du SPF Finances affecté au sein d’un service extérieur situé sur le territoire d’une grande agglomération» (nº 3-2125)

Demande d’explications de M. Christian Brotcorne au vice-premier ministre et ministre des Finances sur «les suites réservées à l’arrêt de la Cour d’arbitrage du 11 janvier 2007 annulant certaines dispositions relatives à la cotisation d’emballage» (nº 3-2127)

Demande d’explications de M. Christian Brotcorne au ministre des Affaires étrangères sur «les sanctions à l’égard de l’autorité palestinienne» (nº 3-2124)

Demande d’explications de M. Jan Steverlynck au vice-premier ministre et ministre des Finances sur «l’adaptation du calcul de la diminution d’impôts sur les pensions» (nº 3-2121)

Demande d’explications de M. Jan Steverlynck au ministre de l’Environnement et ministre des Pensions sur «l’octroi d’un bonus bien-être aux pensionnés» (nº 3-2114).

Demande d’explications de M. Berni Collas au ministre de la Défense sur «le camp d’Elsenborn» (nº 3-2120)

Demande d’explications de M. Berni Collas au ministre de la Mobilité sur «l’intention des Régions d’introduire une vignette autoroutière» (nº 3-2123)

Ordre des travaux

Excusés

Annexe

Votes nominatifs

Propositions prises en considération

Demandes d’explications

Non-évocations

Messages de la Chambre

Dépôt de projets de loi

Cour d’arbitrage – Questions préjudicielles

Cour d’arbitrage – Recours

Parlement européen

Aanwijzing van deskundigen door de Senaat voor de aanstaande verkiezingen

Inoverwegingneming van voorstellen

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie (Stuk 3-2009)

Motie van orde

Mondelinge vragen

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen met het oog op de integratie van de kleine risico’s in de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor de zelfstandigen (Stuk 3-2025) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie (Stuk 3-2009)

Wetsontwerp tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van de griffiers van de rechterlijke orde, de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de referendarissen en de parketjuristen bij de hoven en rechtbanken (Stuk 3-2010)

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de geschillen inzake de toewijzing, de herziening en de weigering van de materiële hulp (Stuk 3-1939)

Voorstel van resolutie over het beleid inzake microfinanciering (van mevrouw Sabine de Bethune c.s., Stuk 3-1582)

Stemmingen

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de toestand van de Duitstalige gedetineerden wat betreft de strafuitvoering» (nr. 3-2119)

Vraag om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de gevangenis van Merksplas» (nr. 3-2116)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de versoepeling van het gokverbod op het pokerspel» (nr. 3-2131)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Werk over «de juridische onzekerheid van het scholingsbeding» (nr. 3-2128)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «het tekort aan bedrijfsartsen bij de federale overheidsdiensten» (nr. 3-2129)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over «de eventuele toekenning van incentives aan het personeel van de FOD Financiën dat is aangewezen voor een buitendienst op het grondgebied van een grote agglomeratie» (nr. 3-2125)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over «het gevolg dat is gegeven aan het arrest van het Arbitragehof van 11 januari 2007 dat sommige bepalingen betreffende de verpakkingsheffing nietig verklaart» (nr. 3-2127)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de sancties ten opzichte van de Palestijnse Autoriteit» (nr. 3-2124)

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over «de aanpassing van de berekening van de belastingverlaging op de pensioenen» (nr. 3-2121)

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen over «de uitkering van een welvaartsbonus voor gepensioneerden» (nr. 3-2114).

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de minister van Landsverdediging over «het kamp van Elsenborn» (nr. 3-2120)

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de minister van Mobiliteit over «het voornemen van de Gewesten om een autowegenvignet in te voeren» (nr. 3-2123)

Regeling van de werkzaamheden

Berichten van verhindering

Bijlage

Naamstemmingen

In overweging genomen voorstellen

Vragen om uitleg

Niet-evocaties

Boodschappen van de Kamer

Indiening van wetsontwerpen

Arbitragehof – Prejudiciële vragen

Arbitragehof – Beroepen

Europees Parlement

 

Présidence de Mme Anne-Marie Lizin

(La séance est ouverte à 15 h 05.)

Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin

(De vergadering wordt geopend om 15.05 uur.)

Désignation d’experts par le Sénat pour les prochaines élections

Aanwijzing van deskundigen door de Senaat voor de aanstaande verkiezingen

Mme la présidente. – L’article 5bis de la loi du 11 avril 1994 organisant le vote automatisé, règle la désignation des experts chargés de contrôler l’utilisation et le fonctionnement des systèmes de vote et de dépouillement automatisés lors des élections législatives des conseils de région et de communauté, du Parlement européen, ainsi que des conseils provinciaux, communaux, de district et de l’aide sociale.

De voorzitter. – Artikel 5bis van de wet van 11 april 1994 tot organisatie van de geautomatiseerde stemming, regelt de aanwijzing van de deskundigen belast met de controle op het gebruik en de werking van de geautomatiseerde stemmings- en stemopnemingssystemen bij de parlementsverkiezingen, de verkiezingen voor de gewest- en gemeenschapsraden, en voor het Europees Parlement, alsook bij de verkiezingen voor de provincie-, gemeente-, districts- en OCMW-raden.

La Chambre des représentants, le Sénat et le Parlement de la Région Bruxelles-Capitale peuvent désigner chacun deux experts effectifs et deux suppléants.

De Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat en het Brussels Hoofdstedelijk Parlement kunnen elk twee effectieve deskundigen en twee plaatsvervangers aanwijzen.

Par lettre du 12 février 2007, le ministre de l’Intérieur a demandé au Sénat de désigner des experts dans la perspective des prochaines élections des Chambres législatives fédérales.

De minister van Binnenlandse Zaken heeft bij brief van 12 februari 2007 de Senaat verzocht deskundigen aan te wijzen in het vooruitzicht van de volgende verkiezingen voor de Federale Wetgevende Kamers.

Le Bureau propose de désigner les fonctionnaires suivants comme experts effectifs :

Het Bureau stelt voor dat de Senaat de volgende ambtenaren als effectieve deskundigen aanwijst:

M. Wim Verhaest, premier conseiller de direction ;

De heer Wim Verhaest, eerste directieraad;

M. Emmanuel Willems, premier conseiller de direction. (Assentiment)

De heer Emmanuel Willems, eerste directieraad. (Instemming)

Prise en considération de propositions

Inoverwegingneming van voorstellen

Mme la présidente. – La liste des propositions à prendre en considération a été distribuée.

Je prie les membres qui auraient des observations à formuler de me les faire connaître avant la fin de la séance.

Sauf suggestion divergente, je considérerai ces propositions comme prises en considération et renvoyées à la commission indiquée par le Bureau. (Assentiment)

De voorzitter. – De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(La liste des propositions prises en considération figure en annexe.)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Projet de loi modifiant le Code judiciaire, notamment les dispositions relatives au personnel judiciaire de niveau A, aux greffiers et aux secrétaires ainsi que les dispositions relatives à l’organisation judiciaire (Doc. 3-2009)

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie (Stuk 3-2009)

Proposition de renvoi

Voorstel tot terugzending

M. Luc Willems (VLD). – Étant donné que le gouvernement a encore déposé des amendements à ce projet, il nous semble indiqué de renvoyer le projet à la commission qui peut éventuellement encore être convoquée cette après-midi. Peut-être que le président de la commission qui vient juste d’arriver pourra nous en dire plus à ce sujet.

De heer Luc Willems (VLD). – Aangezien de regering nog amendementen op dit ontwerp heeft ingediend, lijkt het ons aan te bevelen het ontwerp terug te zenden naar de commissie die eventueel vanmiddag nog kan worden bijeengeroepen. Misschien kan de voorzitter van de commissie, die zojuist aankomt, daarover meer uitsluitsel geven.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Je suis favorable à une réunion de la commission cette après-midi.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Ik vind het een goed idee om de commissie daarvoor vanmiddag bijeen te roepen.

Le renvoi est ordonné.

Tot terugzending wordt besloten.

Motion d’ordre

Motie van orde

M. Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – Je constate que la commission de l’Intérieur a été convoquée pour cette après-midi et aussi que l’ordre du jour a été envoyé à temps. Cela m’étonne car je pensais que les commissions n’étaient pas censées se réunir lorsqu’il y avait séance plénière, sauf en cas d’urgence, par exemple lorsque des modifications techniques doivent encore être apportées rapidement. À l’ordre du jour de la commission convoquée figure une proposition qui n’est pas vraiment insignifiante et j’estime dès lors qu’elle ne doit pas se dérouler en même temps que la séance plénière. Le Sénat est maître de ses travaux et il peut donc décider que cette réunion de commission ne doit pas avoir lieu.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – Ik stel vast dat de commissie voor de Binnenlandse Zaken voor vanmiddag is bijeengeroepen en ook dat de agenda op tijd is verstuurd. Toch verwondert die bijeenroeping me, want ik dacht dat het de regel is dat commissies niet vergaderen als er plenaire vergadering is, tenzij het om een spoedbehandeling gaat, bijvoorbeeld als er vlug nog technische aanpassingen moeten gebeuren. Op de agenda van de bijeengeroepen commissie staat een voorstel dat echt niet onbelangrijk is en ik vind het dan ook niet wenselijk die commissievergadering te laten samenvallen met de plenaire vergadering. De Senaat is meester over zijn eigen werkzaamheden en kan dus beslissen die commissievergadering niet te laten doorgaan.

Mme la présidente. – Je poserai la question au président de la commission de l’Intérieur.

De voorzitter. – Ik zal de vraag stellen aan de voorzitter van de commissie voor de Binnenlandse Zaken.

Questions orales

Mondelinge vragen

Question orale de M. François Roelants du Vivier à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur «la conférence que vient donner ce jeudi 15 février à Bruxelles Yusuf Halaçoğlu» (nº 3-1410)

Mondelinge vraag van de heer François Roelants du Vivier aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de conferentie die Yusuf Halaçoğlu op deze donderdag 15 februari komt geven in Brussel» (nr. 3-1410)

Question orale de M. Josy Dubié à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «l’organisation à Bruxelles d’un meeting négationniste du génocide arménien» (nº 3-1414)

Mondelinge vraag van de heer Josy Dubié aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de organisatie van een negationistische meeting betreffende de Armeense genocide in Brussel» (nr. 3-1414)

Mme la présidente. – Je vous propose de joindre ces questions orales. (Assentiment)

De voorzitter. – Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

M. Marc Verwilghen, ministre de l’Économie, de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la Politique scientifique, répondra.

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid, antwoordt.

M. François Roelants du Vivier (MR). – Mme Onkelinx a certainement vu, sur les vitrines d’un certain nombre de commerces de sa commune, Schaerbeek, et de Saint-Josse, une affiche annonçant que le professeur Halaçoğlu, président de la Société turque d’Histoire, connu pour des faits avérés de négationnisme du génocide des Arméniens, donnerait aujourd’hui en Belgique une conférence intitulée : « Regard sur le prétendu génocide arménien ». Cette conférence est organisée par et dans les locaux de la Diyanet, une fondation religieuse bien connue pour être le paravent par lequel l’État turc contrôle sa diaspora. J’ai appris avec stupéfaction que l’organisation à l’origine de cette conférence, « l’association pour la pensée d’Atatürk », bénéficie des subsides de l’ORBEM, sous tutelle du ministre de l’Emploi Benoît Cerexhe, subsides grâce auxquels elle finance ses activités.

Je me permets de rappeler que notre assemblée a publiquement reconnu le génocide des Arméniens commis par l’Empire ottoman en 1915.

Je demande solennellement à la ministre de la Justice de prendre les mesures nécessaires, en concertation avec son collègue de l’Intérieur, afin d’interdire cette manifestation publique qui ne peut que créer des troubles entre les communautés vivant dans notre pays et inciter à la haine.

Je désire également savoir où en sont les réflexions de la ministre sur le projet de pénalisation des négationnismes avérés, à savoir à côté de la Shoah, le génocide des Arméniens et celui des Tutsis et des Hutus modérés. La ministre ne pense-t-elle pas que, face au cas de figure que nous connaissons aujourd’hui, une plus grande rapidité dans la modification de la loi lui aurait donné des instruments juridiques clairs pour éviter ce genre de discours sur notre sol ?

De heer François Roelants du Vivier (MR). – Mevrouw Onkelinx heeft zeker de affiches gezien op de ramen van een aantal handelszaken van haar gemeente Schaarbeek en van Sint-Joost-ten-Node met de aankondiging dat professor Halaçoğlu, voorzitter van de Turkse Geschiedkundige vereniging en bekend voor zijn negationistische uitspraken over de Armeense genocide, vandaag in België een voordracht geeft met als titel: ‘Blik op de zogenaamde Armeense genocide.’ De voordracht is georganiseerd door en vindt plaats in de lokalen van Diyanet, een religieuze stichting die bekend staat als een dekmantel waarmee de Turkse Staat zijn diaspora controleert. Ik heb met verbazing kennis genomen van het feit dat de organisatie die aan de oorsprong van de voordracht ligt, de Vereniging voor het gedachtegoed van Atatürk, subsidies krijgt van de BGDA, die onder toezicht staat van minister van Werk Benoît Cerexhe. Met die subsidies financiert zij haar activiteiten.

Ik herinner eraan dat onze assemblee de genocide op de Armeniërs door het Ottomaanse rijk in 1915 heeft erkend.

Ik vraag de minister van Justitie om, in overleg met haar collega van Binnenlandse Zaken, de nodige maatregelen te nemen om deze manifestatie te verbieden, omdat ze enkel voor problemen kan zorgen tussen de gemeenschappen die in ons land wonen, en aanspoort tot haat.

Wat denkt de minister over het ontwerp om negationisme te bestraffen, dus naast de Shoah ook de genocide op de Armeniërs en op de Tutsi’s en gematigde Hutu’s? Meent ze niet dat een snellere wijziging van de wet haar duidelijke juridische instrumenten in handen had gegeven om een dergelijke voordracht op ons grondgebied te voorkomen?

M. Josy Dubié (ECOLO). – Je souscris entièrement à l’intervention de M. Roelants du Vivier.

Cette conférence qui se tient ce soir est totalement inacceptable et constitue une provocation. Le tract qui appelle au meeting est intitulé, assez sinistrement : « Regard sur le soi-disant génocide arménien ».

Monsieur le ministre, il s’agit d’une insulte à la mémoire de plus d’un million de victimes qui ont perdu la vie dans ce génocide aujourd’hui non discutable sur le plan historique. Comme l’a rappelé mon collègue, non seulement le Sénat l’a reconnu mais également l’Union européenne et les Nations unies.

Je souhaiterais que la ministre de la Justice nous dise si le gouvernement considère qu’il y a effectivement eu un génocide arménien et, le cas échéant, qu’il s’engage à prendre toutes les mesures nécessaires pour éviter de souiller une fois de plus la mémoire des victimes de cet atroce massacre, victimes dont de nombreux descendants vivent en Belgique. Je rappelle qu’en 1939, Hitler avait dit en envisageant déjà le génocide du peuple juif et des tziganes : « Qui se souvient encore aujourd’hui du génocide arménien ? » J’espère que nous nous en souviendrons et que nous ferons en sorte d’empêcher ce type de négationnisme dans notre pays.

De heer Josy Dubié (ECOLO). – Ik sluit me aan bij de heer Roelants du Vivier.

De voordracht die vanavond plaatsvindt, is volledig onaanvaardbaar en is een provocatie. Het pamflet dat oproept tot de meeting, heeft de nogal sinistere titel: ‘Blik op de zogenaamde Armeense genocide.’

Het gaat om een belediging van de nagedachtenis van meer dan een miljoen slachtoffers die het leven lieten in die genocide die vandaag niet meer ter discussie wordt gesteld. Niet alleen de Senaat heeft die erkend, ook de EU en de VN.

Kan de minister van Justitie ons zeggen of de regering meent dat er inderdaad een Armeense genocide heeft plaatsgevonden en zo ja, of zij alle nodige maatregelen zal nemen om te voorkomen dat eens te meer de nagedachtenis van de slachtoffers van die afgrijselijke slachting wordt besmeurd, slachtoffers waarvan vele nakomelingen in België wonen. Ik herinner eraan dat Hitler al in 1939, met het oog op de komende genocide op het Joodse volk en de zigeuners, zei: ‘Wie herinnert zich vandaag nog de Armeense genocide?’ Ik hoop dat wij ons die zullen blijven herinneren en dat wij dergelijk negationisme in België zullen verhinderen.

M. Marc Verwilghen, ministre de l’Économie, de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la Politique scientifique. – Je vous lis la réponse de la ministre.

Je n’ai pas vu les affiches dont il est question. Cependant, j’ai été informée par mes services que cette conférence devait avoir lieu aujourd’hui à Saint-Josse-ten-Noode.

Selon les renseignements qui m’ont été communiqués par la direction de la police locale, il apparaît que la conférence se tiendra dans une salle privée et non sur la voie publique. Par conséquent, elle ne peut être interdite d’office par l’autorité locale en l’absence de troubles de l’ordre public. Je tiens à préciser que si les propos racistes et xénophobes sont effectivement interdits et punissables légalement, une manifestation ne peut être interdite que lorsqu’elle crée des troubles de l’ordre sur la voie publique. Il n’appartient pas au ministre de l’Intérieur de se substituer à l’autorité locale en la matière et en absence de troubles publics.

En ce qui concerne la question du génocide en tant que tel et de sa pénalisation, ma position n’a pas changé d’une virgule depuis que nous en avons discuté ici même en mai 2005. À l’époque, je disais ce qui suit : « Pour être totalement claire par rapport à un débat qui s’est essentiellement déroulé dans la presse ces derniers temps, je tiens à préciser au sujet des massacres et des déportations qui se sont déroulés en Turquie ottomane en 1915 qu’à titre personnel et en temps que femme politique, je souscris totalement à la résolution adoptée par le Sénat en 1997 à l’initiative du sénateur socialiste Mahoux. Ces faits correspondent bien, selon moi, aux critères énoncés en 1948 par la Convention des Nations unies pour la prévention et la répression du crime de génocide, pour définir le crime de génocide. Mais, au nom de la séparation des pouvoirs, je me refuse de voir initier des poursuites sur la base de l’opinion d’un homme ou d’une femme politique ou sur la base d’une décision ou une résolution prise par un organe politique ».

Je ne pouvais donc me rallier aux amendements déposés par le groupe ECOLO et par certains sénateurs du MR en la matière. En effet, ces amendements prévoyaient la possibilité d’engager des poursuites pour négationnisme sur la base de résolutions ou d’autres décisions adoptées par des parlements. J’y voyais – et j’y vois toujours – « une double violation du principe de séparation des pouvoirs : non seulement, parce que ce serait une décision du pouvoir législatif qui permettrait l’enclenchement du processus répressif, mais surtout parce que le pouvoir législatif s’approprierait la capacité de qualifier des faits en infractions internationales et que cette qualification servirait, comme je viens de le dire, de base à des poursuites répressives ».

Comme je l’ai déjà dit en réponse à la question écrite nº 4.738 de M. Roelants du Vivier, le groupe de travail législation de la Commission interministérielle de droit international humanitaire s’est penché sur la problématique de la sanction du négationnisme en droit belge. Il a débuté ses travaux par l’identification de toutes les questions techniques qu’il convient d’aborder pour rendre au gouvernement un avis circonstancié et présenter des propositions législatives utiles. Le groupe de travail a ensuite entamé un examen de droit comparé par le biais de nos postes diplomatiques dans les 45 autres États membres du Conseil de l’Europe. Il a ensuite identifié les représentants de la société civile qu’il convenait d’auditionner avant d’entendre les panels d’experts que le Sénat avait souhaité que l’on consulte.

Le groupe a ensuite établi une liste d’experts et de spécialistes pouvant participer aux panels d’experts demandés par le Sénat. Un mois minimum a été accordé aux experts pour leur permettre de se préparer et de fournir éventuellement une analyse écrite au groupe de travail. Les panels ont été entendus durant le mois de mai, mais étant donné leurs divergences de vues, la consultation s’est poursuivie en juin, au-delà de la date prévue pour la réunion trimestrielle de la commission plénière, et ce en raison de l’agenda des experts consultés.

Ainsi, depuis le début du mois de mai, le groupe de travail a entendu un juriste internationaliste, un spécialiste du droit des médias et de la communication, quatre historiens, deux spécialistes des droits de l’homme, deux diplomates, un sociologue, un psychologue et un philosophe. Il a également reçu la contribution écrite d’un autre juriste internationaliste et d’une pénaliste qui n’avaient pu être entendus. Un expert a formulé le souhait de transmettre une contribution détaillée dans les semaines à venir.

La Commission interministérielle de droit humanitaire n’a donc pu obtenir, lors de sa séance plénière du mois de juin, qu’un rapport intermédiaire oral faisant le point sur l’avancement des travaux du groupe de travail.

Le groupe de travail a également commencé, sur la base des informations recueillies par les postes diplomatiques, à examiner les législations ou tentatives de législation menées dans d’autres pays européens sur le même thème.

Lors de la réunion plénière de la Commission du 12 décembre 2006, le groupe de travail, soucieux de poursuivre ses travaux, a présenté un rapport oral succinct et proposé, afin de progresser sur le fond du dossier, d’entamer l’examen de pistes législatives éventuelles visant à adapter le droit belge en la matière, sans attendre la rédaction des procès-verbaux précités.

Le rapport écrit global contiendra donc à la fois les documents de travail de la Commission et ses conclusions.

J’informerai bien évidemment le Sénat de l’avancée des travaux de la Commission.

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. – Ik lees het antwoord van de minister.

Ik heb de affiches waarvan sprake niet gezien. Ik ben er door mijn diensten wel over ingelicht dat deze voordracht vanavond plaatsvindt in Sint-Joost-ten-Node.

Volgens de informatie die mij door de lokale politie werd verstrekt, zal de bijeenkomst in een privézaal plaatsvinden en niet op de openbare weg. Ze kan dan ook niet van rechtswege door de lokale overheid worden verboden wanneer er geen verstoring van de openbare orde is. Racistische en xenofobe uitlatingen zijn strafbaar, maar een bijeenkomst kan slechts worden verboden wanneer ze de orde verstoort op de openbare weg. De minister van Binnenlandse Zaken is niet bevoegd zich in de plaats te stellen van de lokale overheid wanneer er geen ordeverstoring is.

Wat de genocide en haar bestraffing betreft, is mijn houding niet veranderd sinds wij hier daarover in mei 2005 discussieerden. Toen zei ik het volgende: ‘Om duidelijk te zijn in een debat dat de laatste tijd vooral in de pers is gevoerd, wil ik preciseren dat ik zelf, als politica, de resolutie over de slachtpartijen en deportaties in Ottomaans Turkije in 1915, die de Senaat in 1997 goedkeurde op voorstel van senator Mahoux, volledig onderschrijf. Die feiten beantwoorden volgens mij aan de criteria die zijn opgesomd in de VN-Conventie van 1948 voor de voorkoming en bestraffing van de misdaad van genocide om dit als een genocide te omschrijven. Conform het beginsel van de scheiding der machten weiger ik echter vervolgingen te doen instellen op grond van de mening van een man of vrouw of op grond van een beslissing of resolutie van een politiek orgaan.’

Ik kon dus niet akkoord gaan met de door Ecolo en sommige senatoren van de MR ingediende amendementen. Die amendementen hielden de mogelijkheid in om vervolgingen in te stellen voor negationisme op basis van resoluties of andere beslissingen van parlementen. Ik zag en zie er een dubbele overtreding van het beginsel van de scheiding der machten in. Niet alleen zou een besluit van de wetgevende macht daardoor een proces van bestraffing op gang kunnen brengen, maar de wetgevende macht zou zich daarmee vooral de bevoegdheid toe-eigenen om de feiten te kwalificeren als internationale misdrijven en deze kwalificatie zou de basis kunnen vormen voor strafvervolgingen.

Zoals ik antwoordde op schriftelijke vraag nr. 4738 van de heer Roelants du Vivier heeft de werkgroep wetgeving van de Interministeriële commissie voor internationaal humanitair recht zich gebogen over de bestraffing van negationisme in België. Die is begonnen met een inventaris van alle technische problemen die moeten worden aangepakt voordat een omstandig advies aan de regering kan worden gegeven en bruikbare wetsvoorstellen kunnen worden voorgesteld. De werkgroep heeft vervolgens een rechtsvergelijkend onderzoek opgestart via onze diplomatieke posten in de 45 andere lidstaten van de Raad van Europa. Hij heeft nadien een lijst gemaakt van vertegenwoordigers van de civiele maatschappij die konden worden gehoord alvorens experts te horen die de Senaat wenste te raadplegen.

Daarna heeft de werkgroep een lijst van deskundigen opgesteld die zitting konden hebben in de panels van experts waar de Senaat om vroeg. Aan de experts werd minimaal een maand de tijd gegeven om zich voor te bereiden en eventueel een schriftelijke analyse aan de werkgroep te bezorgen. De panels werden tijdens de maand mei gehoord, maar wegens hun uiteenlopende visies werd de raadpleging in juni voortgezet, later dan de vooropgestelde datum voor de driemaandelijkse bijeenkomst van de plenaire commissie, en dat wegens de agenda van de geraadpleegde experts.

Sinds begin mei heeft de werkgroep een specialist internationaal recht, een specialist mediarecht, vier historici, twee mensenrechtenspecialisten, twee diplomaten, een socioloog, een psycholoog en een filosoof gehoord. Hij heeft ook de schriftelijke bijdrage ontvangen van een andere specialist internationaal recht en van een specialist strafrecht die niet konden worden gehoord. Eén expert wenst in de komende weken een gedetailleerde bijdrage te bezorgen.

De Interministeriële commissie voor humanitair recht heeft dus tijdens zijn plenaire vergadering van juni slechts een mondeling, tussentijds rapport gekregen over de voortgang van de werkzaamheden van de werkgroep.

De werkgroep is ook begonnen, op basis van de door de diplomatieke posten verzamelde informatie, de wetgeving of pogingen tot wetgeving over dit onderwerp in andere Europese landen te onderzoeken.

Tijdens de plenaire vergadering van de commissie van 12 december 2006 heeft de werkgroep een beknopt mondeling rapport voorgesteld en de idee geopperd, om het dossier te doen vooruitgaan, te beginnen met het onderzoek naar mogelijke wetgevende oplossingen om het Belgische recht ter zake aan te passen zonder te wachten op de opstelling van de vermelde processen-verbaal.

Het volledige schriftelijke rapport zal dus tegelijk de werkdocumenten van de commissie en de conclusies bevatten.

Ik zal de Senaat uiteraard op de hoogte houden van de voortgang van de werkzaamheden van de commissie.

M. François Roelants du Vivier (MR). – Tout d’abord, je me réjouis que les élections communales étant terminées, Mme la ministre de la Justice considère la résolution du Sénat comme pertinente.

Ma deuxième question concernait précisément l’arrivée à Bruxelles de la personne qui tiendra une conférence cet après-midi. Je rappelle que cette personne est poursuivie, en Suisse, pour incitation à la haine raciale. En tant que ministre des Cultes, que compte faire la ministre de la Justice au sujet d’associations religieuses qui sortent de leur domaine ?

Par ailleurs, je n’ai pas reçu de réponse à ma question concernant le fait que face à ce cas de figure, une modification de la loi aurait fourni au gouvernement des instruments juridiques permettant d’éviter ce genre de discours.

Enfin, j’apprends que la Commission interministérielle de droit humanitaire poursuit ses travaux en présentant des rapports oraux. J’espère disposer, un jour, d’un rapport écrit ! J’espère aussi que la ministre de la Justice aura à cœur, comme elle l’a promis, de transmettre régulièrement des informations au Sénat.

De heer François Roelants du Vivier (MR). – Ik verheug me erover dat, nu de gemeenteraadsverkiezingen achter de rug zijn, de minister van Justitie de resolutie van de Senaat relevant vindt.

Mijn tweede vraag ging over de aankomst in Brussel van de man die vanmiddag een voordracht zal geven. Ik herinner eraan dat die man in Zwitserland wordt vervolgd voor aanzetting tot rassenhaat. Wat denkt de minister van Justitie, als minister van de erediensten, te doen aan religieuze verenigingen die buiten hun domein actief zijn?

Ik kreeg geen antwoord op mijn vraag of in dergelijke gevallen een wetswijziging de regering de nodige juridische instrumenten zou hebben gegeven om zulke redevoeringen te voorkomen.

Ik verneem ten slotte dat de Interministeriële commissie voor humanitair recht haar werkzaamheden voortzet met de voorstelling van twee mondelinge rapporten. Ik hoop ooit over een schriftelijk rapport te kunnen beschikken. Ik hoop ook dat de minister van Justitie, zoals beloofd, geregeld informatie aan de Senaat zal bezorgen.

M. Josy Dubié (ECOLO). – Pour ma part, je suis satisfait de la première partie de la réponse. Au nom du gouvernement, la ministre réaffirme, et je m’en félicite, que la position adoptée par le Sénat belge – reconnaître le génocide arménien – est bel et bien celle du gouvernement.

Toutefois, comme mon collègue M. Roelants du Vivier, je suis quelque peu inquiet de la lenteur des travaux en cours visant à doter l’ensemble des institutions des instruments juridiques nécessaires. Je pense notamment aux bourgmestres, car à partir du moment où ceux-ci sont interpellés, ils doivent disposer des moyens d’action ad hoc.

Tous les pouvoirs belges doivent disposer de ces instruments juridiques pour pouvoir s’opposer à ce genre de pratiques négationnistes qui constituent une véritable insulte, je le rappelle, aux milliers de Belges d’origine arménienne vivant dans notre pays et, en particulier, à Saint-Josse.

De heer Josy Dubié (ECOLO). – Ik ben tevreden over het eerste deel van het antwoord. Namens de regering bevestigt de minister nogmaals dat de door de Senaat aangenomen houding, de erkenning van de Armeense genocide, ook die van de regering is.

Toch ben ik, zoals collega Roelants du Vivier, een beetje ongerust over de traagheid van de werkzaamheden die onze instellingen de nodige juridische instrumenten moeten bezorgen. Ik denk met name aan de burgemeesters. Zodra zij worden aangesproken, moeten zij over passende instrumenten beschikken.

Alle Belgische overheden moeten over die juridische instrumenten beschikken om zich te kunnen weren tegen dat soort negationistische praktijken, die een echte belediging betekenen voor de duizenden Belgen van Armeense origine in België en in het bijzonder in Sint-Joost-ten-Node.

Question orale de M. Stefaan Noreilde au secrétaire d’État aux Entreprises publiques sur «les canaux de distribution des produits ferroviaires» (nº 3-1413)

Mondelinge vraag van de heer Stefaan Noreilde aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over «de distributiekanalen voor spoorproducten» (nr. 3-1413)

M. Stefaan Noreilde (VLD). – Dans une interview accordée en début de semaine, le grand patron de la SNCB, Leo Pardon, évoquait la vente de produits ferroviaires par d’autres canaux que les guichets de gare. Il indiquait notamment que les chaînes de grands magasins demandent régulièrement à pouvoir offrir de tels produits, mais que, conformément au contrat de gestion, les guichets de gare doivent avoir la priorité. L’objectif serait aussi une disparition progressive des contrats existant entre la SNCB et les vendeurs de journaux.

L’article 20 du contrat de gestion précise en effet que les gares sont les points de vente privilégiés des titres de transport. Cependant, il y est aussi indiqué que la SNCB étudie l’utilité et la faisabilité d’une extension de la distribution externe de ses produits de base habituels, à titre complémentaire par rapport à la vente en gare, mais que la diffusion géographique doit être importante et que les points de vente doivent être d’accès facile.

À La Poste, on n’est absolument pas opposé aux canaux de vente externes. Après avoir mené avec succès un projet pilote, l’entreprise offre de plus en plus de produits postaux dans les points poste situés dans les grandes surfaces, les banques, etc.

1. Les résultats de l’étude concernant l’utilité et la faisabilité d’une extension de la distribution externe des produits de base habituels sont-ils déjà connus ? Dans l’affirmative, de quels canaux de vente complémentaires s’agit-il et quand seront-ils opérationnels ? Dans la négative, dans quel délai le secrétaire d’État recevra-t-il les résultats de cette étude ?

2. Que pense le secrétaire d’État de la vente de produits ferroviaires dans les stations-service, les grandes surfaces, les banques et les magasins ?

De heer Stefaan Noreilde (VLD). – In een interview begin deze week heeft NMBS-topman Leo Pardon het over de verkoop van spoorproducten via andere kanalen dan de stationsloketten. Zo wijst de heer Pardon erop dat warenhuisketens geregeld vragen NMBS-producten te mogen aanbieden, maar dat de beheersovereenkomst voorschrijft dat de voorkeur moet gaan naar de stationsloketten. Het zou ook de bedoeling zijn de bestaande overeenkomsten tussen de NMBS en dagbladhandelaars stilaan te laten uitdoven.

In artikel 20 van de beheersoverkomst staat inderdaad dat de stations de bevoorrechte punten voor de verkoop van vervoersbewijzen zijn. Er staat echter ook in dat de NMBS het nut en de haalbaarheid bestudeert van een uitbreiding van de externe distributie voor haar gewone basisproducten, als aanvulling op de verkoop in de stations, maar dat die distributie geografisch sterk gespreid moet zijn en de verkooppunten gemakkelijk toegankelijk moeten zijn.

Bij De Post staat men helemaal niet afkerig tegenover externe verkoopkanalen. Na een succesvol proefproject biedt het bedrijf steeds meer postproducten aan via de zogenaamde Postpunten in grootwarenhuizen, banken enzovoort.

1. Zijn de resultaten van de studie over het nut en de haalbaarheid van een uitbreiding van de externe distributie voor gewone basisproducten al bekend? Zo ja, over welke extra verkoopkanalen gaat het en tegen wanneer zullen die operationeel zijn? Zo neen, wanneer verwacht de staatssecretaris de resultaten van die studie?

2. Wat denkt de staatssecretaris over de verkoop van spoorproducten in tankstations, grootwarenhuizen, banken, winkels?

M. Bruno Tuybens, secrétaire d’État aux Entreprises publiques, adjoint à la ministre du Budget et de la Protection de la consommation. – L’article 20 du contrat de gestion stipule en effet que les gares sont les points de vente privilégiés des titres de transport. Je ne dispose pas encore des résultats de l’étude et la SNCB n’a pas fixé de date butoir à cet égard.

Comme le prévoit le contrat de gestion, l’extension du réseau de distribution à d’autres canaux que les guichets doit être étudiée en fonction de l’intérêt pour le client.

La comparaison avec les bureaux de poste et les points poste n’est pas tout à fait valable. Dans le cas du train, le lien physique est évident. La gare jouxte la voie ferrée et constitue une porte d’entrée par laquelle le voyageur accède aux voies et au train. Il en va autrement des produits postaux. Si on se place sous le seul angle de l’activité de vente, il n’y a aucun lien entre l’endroit où le client, par exemple, achète un timbre et celui où il poste sa lettre.

Actuellement, les Key Cards, les Go Pass et les Rail Pass sont en vente auprès de certains marchands de journaux et bureaux de poste.

De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. – Artikel 20 van het beheerscontract stipuleert inderdaad dat de stations de bevoorrechte verkooppunten zijn voor de vervoersbewijzen. Ik beschik op het ogenblik nog niet over de resultaten van de studie. Evenmin werd vanuit de NMBS een datum in het vooruitzicht gesteld wanneer de studie afgerond zal zijn.

De uitbreiding van het distributienetwerk via andere kanalen dan de loketten dient te worden onderzocht met het belang van de klant voor ogen, zoals bepaald in het beheerscontract.

Ik denk dat de vergelijking met de postkantoren en de postpunten niet helemaal opgaat. De fysieke link in het geval van de trein is overduidelijk. Een station ligt nu eenmaal dichtbij het spoor en fungeert als toegangspoort voor de reiziger naar de sporen en de trein. Voor de postproducten ligt dat anders. Puur uit het oogpunt van de verkoopactiviteit is er geen link tussen de plaats waar de klant bijvoorbeeld een postzegel koopt en waar hij uiteindelijk een brief op de bus doet.

Momenteel worden Key Cards, Go Passen en Rail Passen verkocht in een aantal dagbladhandels en postkantoren.

Question orale de M. Lionel Vandenberghe au vice-premier ministre et ministre des Finances et au ministre de l’Économie, de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la Politique scientifique sur «l’exportation éventuellement illégale d’armes de la Belgique à l’Érythrée» (nº 3-1404)

Mondelinge vraag van de heer Lionel Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «een mogelijke illegale wapenuitvoer vanuit België naar Eritrea» (nr. 3-1404)

M. Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Selon une information publiée dans le mensuel MO*, environ nonante conteneurs de pièces détachées pour chars et quarante camions militaires auraient été transportés du port d’Anvers en Érythrée, via le port de Rotterdam. Il semblerait qu’en 1998, la douane anversoise ait mis l’embargo sur ce transport parce que la licence d’exportation pour l’Érythrée n’était pas en règle. En décembre 2002, dans le cadre d’un accord à l’amiable, l’exportateur aurait reçu l’autorisation d’expédier les marchandises à une entreprise du port de Rotterdam, au lieu de quoi elles ont été envoyées en Érythrée. M. Bot, ministre néerlandais des Affaires étrangères, aurait invité les autorités belges à faire revenir ce navire mais la Belgique n’aurait pas réagi. Les Nations unies interdisent l’exportation d’armes vers certains pays impliqués dans des conflits, comme c’est le cas de l’Érythrée. Si ces informations sont correctes, la Belgique viole l’embargo des Nations unies.

Le ministre est-il au courant de cette exportation d’armes ?

Est-il ici question d’une exportation illégale d’armes ?

Est-il exact que le ministre néerlandais des Affaires étrangères a pris contact avec la Belgique à ce sujet et dans l’affirmative, quelle a été la réaction du ministre ?

Quelles procédures notre pays met-il en œuvre pour empêcher et contrôler le transport illégal d’armes ?

Combien de violations de l’embargo des Nations unies sur les armes les services douaniers ont-ils enregistrées ces cinq dernières années ?

Avec quelle entreprise un accord à l’amiable a-t-il été conclu ? Précise-t-il les modalités du transport ? Un transport maritime est beaucoup plus difficile à contrôler qu’un transport terrestre.

L’entreprise rotterdamoise EP Shipping figurait-elle dans l’accord à l’amiable en tant que destination ? Dans l’affirmative, la douane a-t-elle vérifié si cette entreprise était au courant ?

Si EP Shipping était mentionnée en tant que destination, les autres parties n’ont-ils dès lors pas violé l’accord à l’amiable conclu avec la douane belge puisque les marchandises n’ont pas été livrées à cette entreprise ? Dans la négative, pourquoi ? Dans l’affirmative, la Belgique a-t-elle engagé des poursuites contre les contrevenants ?

Si le contenu de l’accord à l’amiable est confidentiel, comme le laisse entendre une déclaration du ministre néerlandais des Affaires étrangères, sur quelle base légale cette confidentialité repose-t-elle ? Comment le caractère confidentiel peut-il être levé ?

De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Volgens een bericht in het maandblad MO* zouden een negentigtal containers met tankonderdelen en een veertigtal militaire vrachtwagens vanuit de haven van Antwerpen via de haven van Rotterdam vervoerd zijn naar Eritrea. Naar verluidt zou de Antwerpse douane in 1998 dit transport aan de ketting hebben gelegd omdat de exportvergunning voor Eritrea niet in orde was. Blijkbaar kreeg de exporteur later, in december 2002, in een minnelijke schikking toestemming om de goederen naar een bedrijf in de haven van Rotterdam te verschepen. Die goederen zijn niet in Rotterdam aangekomen, maar naar Eritrea verscheept. De Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, de heer Bot, zou de Belgische autoriteiten verzocht hebben om dit schip terug te roepen, maar België zou niet gereageerd hebben. De Verenigde Naties verbieden de export van wapens naar een aantal landen die verwikkeld zijn in conflicten, waaronder Eritrea. Mochten deze gegevens kloppen, dan overtreedt België dit VN-embargo.

Heeft de minister weet van deze wapenuitvoer?

Is hier sprake van illegale wapenuitvoer?

Klopt het dat de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken over deze zaak contact heeft opgenomen met ons land en zo ja, hoe heeft de minister daarop gereageerd?

Welke procedures en controles hanteert ons land om illegale wapentransport te voorkomen en te controleren?

Hoeveel overtredingen van het VN-wapenembargo hebben de douanediensten de voorbije vijf jaar geregistreerd?

Met welk bedrijf werd de minnelijke schikking getroffen? Vermeldt de minnelijke schikking hoe het vervoer moest plaatsvinden? Vervoer over land is gemakkelijk te controleren, vervoer over zee daarentegen veel moeilijker, zoals uit de feiten blijkt.

Stond het Rotterdamse bedrijf EP Shipping – zoals de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Bot aangaf – in de minnelijke schikking vermeld als bestemming? Zo ja, heeft de douane nagegaan of EP Shipping hiervan op de hoogte was?

Indien EP Shipping als bestemming was vermeld, hebben de andere partijen de minnelijke schikking met de Belgische douane dan niet geschonden doordat ze de goederen niet bij EP Shipping hebben afgeleverd? Zo neen, waarom niet? Zo ja, heeft België dan vervolging ingesteld tegen de overtreders?

Indien de inhoud van de minnelijke schikking vertrouwelijk is, zoals blijkt uit een verklaring van de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, op welke wettelijke basis steunt die vertrouwelijkheid dan? Hoe kan het vertrouwelijke karakter worden opgeheven?

M. Didier Reynders, vice-premier ministre et ministre des Finances. – Les 91 conteneurs de pièces détachées pour chars et les 40 camions militaires sont arrivés à Anvers en juillet 1998 en provenance de Winschoten. Le matériel provenait vraisemblablement de l’ancienne armée est-allemande. Les conteneurs de pièces détachées pour chars ont été expédiés des Pays-Bas en Belgique, en partie par la route et en partie par chemin de fer, en tant que marchandises en libre pratique. À leur arrivée à Anvers, la douane a constaté le caractère militaire des marchandises. Craignant une exportation hors d’Europe, la douane a entamé une enquête qui a permis d’établir une tentative d’infraction à la loi du 5 août 1991 sur les armes. Étant donné leur volume, les marchandises ont été saisies sur place. Leur propriétaire a contesté dès le départ les constatations de la douane en ce qui concerne tant la tentative d’infraction à la loi sur les armes que le caractère militaire des marchandises. Le litige a ensuite été porté devant le tribunal correctionnel d’Anvers qui a donné droit à l’Administration des douanes et accises.

En décembre 2002, lors du traitement du dossier en appel, le contrevenant a accepté un accord dont les conditions étaient conformes aux dispositions de la loi du 5 août 1991 sur les armes. Il a notamment été convenu que les marchandises retourneraient dans leur pays d’origine, plus précisément à Rotterdam. Pour garantir le contrôle du transport, celui-ci devait être effectué par mer et à l’aide d’un seul moyen de transport. La douane belge a informé – dans les délais requis – les autorités néerlandaises du transport en raison de la nature des marchandises. L’infraction commise en Belgique était ainsi réglée.

Aucun embargo n’a été violé en Belgique. Les marchandises étaient en libre pratique au moment où les faits ont été constatés. L’accord stipulait que les marchandises devaient être renvoyées à l’État membre d’origine à l’intérieur de l’Union européenne. Comme les marchandises ont été expédiées en libre pratique de la Belgique vers les Pays-Bas, la loi du 5 août 1991 sur les armes n’a pas été enfreinte. Il n’y a donc pas eu exportation illégale d’armes à partir de la Belgique.

À la mi-janvier 2007, la Représentation permanente des Pays-Bas auprès de l’Union européenne a officieusement informé l’Administration des douanes et accises d’un projet de réponse aux questions posées au Parlement néerlandais à propos de fournitures d’armes à l’Érythrée. Ce texte faisait apparaître que l’exportation illégale de ces armes au départ de Rotterdam était due au fait que la douane belge avait tardé à informer les autorités néerlandaises du départ de l’envoi d’Anvers vers Rotterdam. L’Administration des douanes et accises a réagi en proposant d’adapter le texte en ce sens que la douane belge a informé les autorités néerlandaises de l’arrivée des marchandises à plusieurs reprises et dans les délais requis. Cette proposition a été prise en compte dans la réponse définitive, dont on ne pouvait plus déduire que l’exportation illégale serait due à une erreur de la douane belge.

La douane vérifie les marchandises lors de leur déclaration sous un régime douanier. Cette vérification doit permettre de s’assurer, d’une part, que les envois non accompagnés d’une licence sont bien dispensés d’une telle licence et, d’autre part, que les marchandises pour lesquelles une licence a été produite correspondent bien aux données reprises sur le document. Une vérification physique est effectuée en cas de doute.

La douane travaille en étroite collaboration avec les services ayant quelque compétence en la matière. Ces services sont notamment les SPF Affaires étrangères, Affaires économiques, Justice, Intérieur, Défense et les services régionaux de délivrance des licences. La douane dispose en outre d’une permanence auprès du service national des recherches. Des informations sont également échangées entre les autorités douanières européennes dans le cadre de l’assistance réciproque telle que prévue dans le règlement 515 de 1997. La douane a aussi conclu différents accords avec des pays hors Union européenne dans le cadre de l’échange d’informations. C’est pourquoi la douane recourt également à des avis d’alerte. Les fonctionnaires de contrôle sont informés quasi immédiatement qu’un mouvement suspect de marchandises est signalé. La mission est alors d’intercepter les marchandises et, en fonction des faits signalés, de procéder à tout le moins à une vérification très fouillée. Le Traité Benelux soumet à licence toutes les entrées ou sorties d’armes. De nombreux embargos sont ainsi contrôlés en Belgique sur la base de cette législation sur les licences. Les infractions à cette législation constatées par la douane ne permettent pas de déduire s’il s’agit ou non d’un embargo sur les armes.

Je ne puis fournir de réponse détaillée aux questions portant sur les décisions de l’Administration des douanes et accises. L’article 320 de la loi générale sur les douanes et accises stipule que cette administration et ses fonctionnaires sont tenus de garder le secret le plus absolu sur tout ce dont ils ont eu connaissance dans l’exercice de leur mission. La conclusion d’une transaction entre également dans ce cadre. Une seule exception peut être faite pour la communication de données à d’autres services publics fédéraux, par exemple les administrations de l’État, les Communautés et les Régions, ou aux instances judiciaires dans la mesure où ces données sont nécessaires pour assurer l’exécution de leurs missions légales ou réglementaires. Les services auxquels les données sont communiquées sont à leur tour tenus de garder le secret le plus absolu.

Quant au contenu de la transaction, je ne puis en dire davantage que je ne l’ai fait en répondant aux questions précédentes.

Si M. Vandenberghe souhaite des informations plus détaillées, la commission des Finances et des Affaires économiques peut toujours auditionner le directeur général de la section Douane et Accises de mon département. Tous les fonctionnaires sont toutefois tenus au secret professionnel.

De heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën. – De 91 containers met tankonderdelen en 40 militaire vrachtwagens kwamen in juli 1998 vanuit het Nederlandse Winschoten in Antwerpen aan. Het materieel is vermoedelijk van het vroegere Oost-Duitse leger afkomstig. De containers met tankonderdelen werden deels over de weg en deels per spoor als vrije goederen vanuit Nederland naar België verzonden. Bij aankomst in Antwerpen stelde de Belgische douane bij een controle vast dat het om militaire goederen ging. Omdat ze vreesde voor uitvoer uit Europa, startte de douane een onderzoek. Dat resulteerde in de vaststelling van een poging tot inbreuk op de Belgische wapenwet van 5 augustus 1991. Gezien de omvang van de goederen, werden ze ter plaatse in beslag genomen. De eigenaar van de goederen betwistte vanaf het begin de vaststellingen van de douane, zowel wat de poging tot overtreding van de wapenwet als de militaire aard van de goederen betreft. Het geschil werd vervolgens ingeleid bij de correctionele rechtbank van Antwerpen, die de Administratie der Douane en Accijnzen in het gelijk stelde.

Vier jaar later, in december 2002, aanvaardde de overtreder in hoger beroep een schikking. De voorwaarden hiervan waren conform met de bepalingen van de wapenwet van 5 augustus 1991. Er werd onder meer overeengekomen dat de goederen terug naar het land van herkomst zouden gaan, meer bepaald naar Rotterdam. Om de controle van het transport te garanderen, diende het transport over zee en met één vervoermiddel te gebeuren. Gelet op de aard van de goederen bracht de Belgische douane de Nederlandse autoriteiten tijdig van het transport op de hoogte. Daarmee was de overtreding in België afgehandeld.

Er werd door België geen embargo geschonden. Op het ogenblik van de vaststelling van de feiten waren de goederen in het vrije verkeer. In de schikking werd bepaald dat de goederen binnen de Europese Gemeenschap terug naar de lidstaat van herkomst dienden te worden gezonden. Aangezien de goederen in het vrije verkeer van België naar Nederland werden verzonden, werd de wapenwet van 5 augustus 1991 niet overtreden. Er heeft dus geen illegale wapenuitvoer vanuit België plaatsgevonden.

Half januari 2007 werd de administratie der douane en accijnzen informeel door de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging van de Europese Unie in kennis gesteld van een ontwerp van antwoord op vragen over wapenleveringen naar Eritrea die in het Nederlandse parlement werden gesteld. Deze tekst liet uitschijnen dat de illegale uitvoer van deze goederen vanuit Rotterdam mede te wijten was aan het feit dat de Belgische douane de Nederlandse autoriteiten laattijdig verwittigde dat de zending van Antwerpen naar Rotterdam vertrok. De administratie der douane en accijnzen heeft hierop gereageerd met het voorstel de tekst aan te passen in de zin dat de Belgische douane de Nederlandse autoriteiten meermaals en tijdig op de hoogte stelde van de komst van de zending. In het definitieve antwoord werd met dit voorstel rekening gehouden zodat daaruit niet meer kon worden afgeleid dat de illegale uitvoer mede te wijten zou zijn aan een fout van de Belgische douane.

De douane verifieert goederen wanneer ze voor een douaneregeling worden aangegeven. Deze verificatie moet het mogelijk maken enerzijds na te gaan of zendingen zonder vergunning in wezen niet aan een vergunning zijn onderworpen, en anderzijds of goederen waarvoor een vergunning wordt overgelegd wel degelijk overeenstemmen met de gegevens van de vergunning. Bij twijfel wordt overgegaan tot materiële verificatie.

De douane werkt heel nauw samen met de diensten die enige bevoegdheid hebben inzake de materie. Deze diensten zijn onder meer de FOD Buitenlandse Zaken, Economische Zaken, Justitie, Binnenlandse Zaken, Defensie en de regionale diensten die vergunningen afgeven. Daarnaast beschikt de douane over een permanentie bij de nationale opsporingsdienst. Tevens wordt informatie tussen de Europese douaneautoriteiten uitgewisseld in het kader van de wederzijdse bijstand, zoals bepaald in verordening 515 van 1997. Ook heeft de douane verschillende akkoorden voor informatie-uitwisseling met landen van buiten de Europese Unie gesloten. Daarom maakt de douane ook gebruik van alarmberichten. Zodra verdacht verkeer van goederen wordt gesignaleerd, worden de controlerende ambtenaren daar bijna onmiddellijk van op de hoogte gebracht. Er wordt opdracht gegeven de goederen tegen te houden en, afhankelijk van de gesignaleerde feiten, op zijn minst een zeer grondige verificatie uit te voeren. Rekening houdend met het Beneluxverdrag zijn alle wapens die België binnenkomen of buitengaan aan een vergunning onderworpen. Op grond van deze vergunningswetgeving worden veel embargo’s in België gecontroleerd. Uit de inbreuken die de douane op deze wetgeving vaststelt, valt niet af te leiden of de inbreuk al dan niet een wapenembargo betreft.

Op de vragen over een aantal van de beslissingen van douane en accijnzen kan ik geen gedetailleerd antwoord geven. Artikel 320 van de algemene wet inzake douane en accijnzen verplicht de administratie der douane en accijnzen en haar ambtenaren tot de meest volstrekte geheimhouding aangaande alle zaken waarvan zij in de uitoefening van hun taak kennis krijgen. Daartoe behoort ook het afsluiten van een transactie. Er kan enkel een uitzondering worden gemaakt voor de mededeling van gegevens aan andere overheidsdiensten, bijvoorbeeld administraties van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten of aan gerechtelijke instanties voor zover zij die nodig hebben om hun wettelijke of bestuursrechtelijke taken te kunnen uitoefenen. De diensten waaraan de gegevens worden verstrekt zijn op hun beurt tot de meeste volstrekte geheimhouding gehouden.

Ik kan niet meer van de inhoud van de transactie onthullen dan ik al deed in antwoord op vorige vragen.

Mocht de senator meer detailinformatie wensen, dan kan de Senaatscommissie voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden altijd de directeur-generaal van de afdeling Douane en Accijnzen van mijn departement horen. Alle ambtenaren moeten echter de geheimhoudingsplicht nakomen.

M. Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Je remercie le ministre de sa réponse détaillée.

Ma question est surtout tournée vers l’avenir.

Dans la réponse de votre collègue néerlandais, les reproches fusent de part et d’autre. Les documents témoignent d’une attitude assez cohérente de la part de la douane belge.

À l’avenir il faudra se montrer très prudents vis-à-vis de tels transports. Le fait qu’un capitaine puisse modifier les lettres de connaissement en cours de route m’inspire quelques réflexions.

Je comprends fort bien qu’en l’occurrence, de nombreux pays sont concernés : l’Allemagne, l’Angleterre, le Danemark, même l’Égypte. Il convient donc d’établir des accords internationaux de grande qualité.

De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Ik dank de minister voor zijn uitvoerige uitleg.

Mijn vraag is vooral toekomstgericht.

In het antwoord van uw Nederlandse collega worden verwijten over en weer gestuurd. Uit de documenten blijkt dat de Belgische douane vrij consequent is opgetreden.

Met dergelijke transporten moeten we in het vervolg wel zeer omzichtig omspringen. Dat een kapitein onderweg vrachtbrieven kan veranderen, roept bij mij toch een aantal bedenkingen op.

Ik besef zeer goed dat hierbij een groot aantal landen zijn betrokken: Duitsland, Engeland, Denemarken, en zelfs Egypte. Er moeten dus ook zeer degelijke internationale afspraken worden gemaakt.

M. Didier Reynders, vice-premier ministre et ministre des Finances. – Cette approche vaut pour tous les pays, pas seulement pour les membres de l’Union européenne. Nous pouvons toujours tenter de faire mieux à l’avenir.

De heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën. – Dezelfde aanpak geldt voor alle landen, niet alleen voor de EU-lidstaten. In de toekomst kunnen we het altijd beter proberen te doen.

Question orale de M. Christian Brotcorne au vice-premier ministre et ministre des Finances sur «l’avenir du Palais de Justice de Tournai» (nº 3-1415)

Mondelinge vraag van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over «de toekomst van het Justitiepaleis van Doornik» (nr. 3-1415)

M. Christian Brotcorne (CDH). – Ce n’est pas la première fois que le sort du Palais de justice de Tournai nous occupe. On se souviendra de l’apposition de scellés au niveau des archives qui menaçaient de s’écrouler, mettant en danger le personnel. À l’époque, vous nous aviez indiqué qu’un projet de rénovation et d’extension du bâtiment figurerait dans le plan pluriannuel 2005-2008 de la Justice et que des crédits seraient programmés à partir de 2007 pour la réalisation des travaux.

Il est vrai que quand on a évoqué le palais de justice de Tournai, on a tour à tour mentionné la construction d’un nouveau bâtiment et l’extension du bâtiment existant.

Aujourd’hui – et c’est la raison de mon intervention – le président du tribunal de première instance de Tournai a fait publier dans la presse une nouvelle option, à savoir le maintien du site actuel, mais avec rénovation et aménagement d’un autre lieu à l’extérieur de l’enceinte du Palais de justice. Il s’agirait d’une ancienne coopérative appelée L’Avenir.

Le personnel des greffes et même du parquet affecté à l’ensemble des audiences correctionnelles pourrait se tenir dans ce nouveau bâtiment. Le reste des activités resterait au Palais de justice actuel que rejoindrait également le greffe du tribunal de commerce, actuellement dans un autre lieu de la Cité des cinq clochers. Cette option, dont le président du tribunal lui-même a dévoilé la teneur, est-elle effectivement d’actualité et a-t-elle reçu l’agrément de la Régie des bâtiments ? Si c’est le cas, les surfaces que l’on envisage de dégager seront-elles suffisantes pour répondre aux besoins du monde judiciaire de l’arrondissement de Tournai ?

A-t-on une idée du coût de la rénovation du Palais de justice actuel, du rachat ou de la location du bâtiment de la coopérative et du montant actuel de la location du bâtiment utilisé par le tribunal de commerce ?

Par ailleurs, si cette option est effectivement celle qui est retenue et qui a votre faveur, a-t-on apprécié les éléments liés à la mobilité et à la sécurité puisque cette implantation se ferait dans un lieu où cohabitent plusieurs écoles et une clinique importante et qui affectera environ une centaine de personnes ? A-t-on, à cet égard, étudié l’aspect mobilité et l’aspect sécurité routière de ce projet ?

D’une manière plus générale, je voudrais savoir quels sont les différents intervenants consultés. J’imagine, par exemple, que l’avis du SPF Justice a été demandé, ce qui laisse supposer que celui-ci accepte la dispersion des activités judiciaires sur la place de Tournai. La Régie a-t-elle également consulté le barreau de Tournai, ainsi que la ville de Tournai quant aux problèmes de mobilité et de sécurité ? Je voudrais enfin connaître les délais prévus pour cette opération, si celle-ci est finalisée.

De heer Christian Brotcorne (CDH). – Het is niet de eerste keer dat het Justitiepaleis van Doornik ons zorgen baart. We herinneren ons de verzegeling van de archiefruimte, die dreigde in te storten, met gevaar voor het personeel. Toen zei de minister dat het gebouw in het kader van het meerjarenplan van Justitie 2005-2008 zou worden gerenoveerd en uitgebreid en dat vanaf 2007 financiële middelen voor de werkzaamheden zouden worden uitgetrokken.

Wanneer het justitiepaleis van Doornik te sprake kwam werd de ene keer meegedeeld dat er een nieuw gebouw zou worden opgetrokken en de andere keer dat het bestaande gebouw zou worden uitgebreid.

Vandaag, en dat is de aanleiding van mijn vraag, heeft de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van Doornik het in de pers over een nieuwe optie. De huidige locatie zou behouden blijven, maar een andere locatie buiten het gerechtsgebouw zou worden gerenoveerd en opnieuw ingericht. Het zou gaan om een oude coöperatie, L’Avenir genaamd.

Het personeel van de griffies en zelfs van het parket van de correctionele rechtbank kunnen in het nieuwe gebouw worden ondergebracht. De overige activiteiten blijven in het huidige justitiepaleis, met inbegrip van de griffie van de handelsrechtbank. Die is nu ondergebracht op een andere locatie in de Cité des cinq clochers. Is deze optie, die door de voorzitter van de rechtbank zelf werd onthuld, aan de orde? Krijgt ze de goedkeuring van de Regie der Gebouwen? Zo ja, voldoet de ruimte die men op het oog heeft aan de noden van de gerechtelijke instanties van het arrondissement Doornik?

Heeft men een idee van de kostprijs van de renovatie van het justitiepaleis, de aankoop of de huur van het gebouw van de coöperatie en de huidige huurprijs voor het gebouw dat door de handelsrechtbank wordt ingenomen?

Als die optie werkelijk wordt gekozen, heeft men dan rekening gehouden met de verkeersveiligheid en de mobiliteit? Op die plaats zijn immers verschillende scholen en een groot ziekenhuis gevestigd.

Meer in het algemeen wens ik te weten wie allemaal werden geraadpleegd. Ik veronderstel dat bijvoorbeeld het advies van de FOD Justitie werd gevraagd. Die keurt de spreiding van de gerechtelijke activiteiten te Doornik vermoedelijk goed. Heeft de Regie ook de balie van Doornik en de stad Doornik over de mobiliteits- en veiligheidsproblemen geraadpleegd? Wanneer zal het werk voltooid zijn?

M. Didier Reynders, vice-premier ministre et ministre des Finances. – La Régie des bâtiments tente de résoudre depuis de nombreuses années la problématique difficile de l’hébergement des services judiciaires tournaisiens qui manquent cruellement de locaux, en particulier dans l’actuel palais de justice.

En effet, le déficit par rapport au programme des besoins actualisés fin 2006 s’élève à 3.787 mètres carrés de superficie nette, ce qui représente une surface brute de l’ordre de 5.700 mètres carrés. L’étude de la Régie traite également de la problématique de l’hébergement des services du SPF Finances dans la perspective de la réforme Coperfin ; les besoins de ce SPF au terme de cette réforme s’élèvent à 5.408 mètres carrés nets, soit quelque 8.100 mètres carrés bruts.

À cette fin, la Régie des bâtiments réalise à ce jour une étude de faisabilité quant aux possibilités d’héberger sur un seul et même site les services susmentionnés et ce, dans le respect des procédures, le tout en vue de résoudre la problématique des besoins que je viens d’évoquer.

Contrairement à ce qui est avancé dans la presse, aucune conclusion ne peut encore être tirée de cette étude. Au stade actuel, la Régie n’est pas en mesure de répondre à vos questions précises et les informations communiquées à la presse sont prématurées.

Les options sont étudiées en concertation avec les SPF concernés et avec la Ville de Tournai. Aucun délai ne peut encore être avancé aujourd’hui. Je ne manquerai pas d’attirer l’attention sur l’intérêt d’une consultation du barreau, si celle-ci n’a pas encore eu lieu.

Quant à la rénovation de l’ancien palais, la Régie confirme qu’un budget de huit millions d’euros a été inscrit au plan pluriannuel Justice 2006-2009 et que des études par phases sont en cours au service Hainaut de la Régie.

Je vous communiquerai davantage de détails quand l’étude sera terminée.

De heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën. – De Regie der Gebouwen probeert al vele jaren het ingewikkelde huisvestingprobleem van de gerechtelijke diensten van Doornik op te lossen. Er is immers een schrijnend tekort aan ruimte, vooral in het huidige justitiepaleis.

Volgens het bijgewerkte behoefteprogramma van eind 2006 is er 3.787 m² netto oppervlakte te kort, met andere woorden een bruto oppervlakte van 5.700 m². De Regie onderzoekt ook de problematiek van de diensten van de FOD Financiën in het vooruitzicht van de Coperfinhervorming. Hiervoor heeft de FOD op termijn 5.408 m² netto of ongeveer 8.100 m² bruto nodig.

De Regie der Gebouwen werkt momenteel aan een haalbaarheidsstudie. Ze gaat na of het mogelijk is voornoemde diensten op één en dezelfde locatie onder te brengen.

In tegenstelling tot wat in de pers naar voren werd gebracht, kan uit de studie nog geen enkele conclusie worden getrokken. In het huidige stadium kan de Regie de specifieke vraag van de heer Brotcorne nog niet beantwoorden. De inlichtingen aan de pers zijn voorbarig.

De mogelijkheden werden onderzocht in overleg met de betrokken federale overheidsdiensten en met de stad Doornik. Momenteel kan nog geen enkele termijn worden gegeven. Ik zal niet nalaten de aandacht te vestigen op het belang van het raadplegen van de balie, voorzover dat nog niet is gebeurd.

Wat de renovatie van het oude justitiepaleis betreft, bevestigt de Regie dat in het meerjarenplan Justitie 2006-2009 acht miljoen euro werd vastgelegd en dat de dienst Henegouwen van de Regie studies per fase uitvoert.

Wanneer het onderzoek afgerond is, zal ik de heer Brotcorne de details meedelen.

M. Christian Brotcorne (CDH). – Je me doutais bien que le communiqué était prématuré. L’option qui est actuellement en discussion est-elle la seule encore envisagée ? D’autres options, comme la construction ou l’extension du palais de justice en vue d’un regroupement de l’ensemble des activités, sont-elles toujours d’actualité ? Peut-on imaginer obtenir plus rapidement la rénovation du palais de justice actuel qu’une extension de ce bâtiment sur place ou vers d’autres lieux ?

De heer Christian Brotcorne (CDH). – Ik betwijfel niet dat de mededeling voorbarig is. Is deze optie die momenteel wordt besproken de enige die nog openstaat? Zijn de andere mogelijkheden zoals de bouw of de uitbreiding van het justitiepaleis om alle activiteiten te centraliseren nog altijd actueel? Kan een renovatie van het huidige justitiepaleis sneller dan een uitbreiding van dit gebouw ter plaatse of op een ander plaats?

M. Didier Reynders, vice-premier ministre et ministre des Finances. – Tant que l’étude est en cours, toutes les options restent ouvertes. Les études sur la rénovation du palais de justice progressent et les budgets sont déjà inscrits dans le plan pluriannuel. La rénovation devrait donc avancer plus rapidement que la création d’un nouveau site, si un nouveau site était retenu.

De heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën. – Zolang de studie duurt, blijven alle mogelijkheden open. De studies over de renovatie van het justitiepaleis vorderen en de middelen zijn al opgenomen in het meerjarenplan. De renovatie moet dus sneller vooruitgaan dan de creatie van een nieuwe site.

Question orale de M. Franco Seminara au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur et au ministre de l’Économie, de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la Politique scientifique sur «la réalisation d’un cadastre précis du sous-sol suite à la catastrophe de Ghislenghien» (nº 3-1408)

Mondelinge vraag van de heer Franco Seminara aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «het uitwerken van een gedetailleerd kadaster van de ondergrond na de ramp in Gellingen» (nr. 3-1408)

M. Franco Seminara (PS). – Après la catastrophe industrielle survenue à Ghislenghien en 2004, un constat avait été fait de la non-existence d’un cadastre détaillé du sous-sol de notre pays.

Il revenait alors aux divers entrepreneurs souhaitant creuser le sol, d’anticiper et de repérer les éventuels câbles ou conduites enfouis dans les sous-sols.

Depuis lors, selon mes informations, des travaux auraient été entamés afin de réaliser une cartographie précise et détaillée des sous-sols et ce, par le Système d’information géographique GIS.

Le plan de travail aurait, en outre, annoncé à l’époque que la tâche serait achevée en 2014.

Disposez-vous, monsieur le ministre, de données quant à l’état d’avancement de cette étude ? Combien des 589 communes que compte notre pays ont-elles déjà fait l’objet de cette étude ?

Au bénéfice du citoyen et de sa protection, je pense que la plus grande rigueur doit être la règle permanente, de manière à ce que nous ne revivions plus jamais le drame de Ghislenghien.

Je persiste à penser que votre département est particulièrement attentif à ce dossier et je souhaiterais savoir si, à ce jour, une réglementation précise contraint, par exemple, les poseurs de canalisations à déclarer leurs ouvrages afin d’en assumer éventuellement par la suite les responsabilités financières et juridiques.

De heer Franco Seminara (PS). – Een van de conclusies na de ramp in Gellingen was dat in ons land geen gedetailleerd kadaster van de ondergrond bestaat.

De aannemers die graafwerkzaamheden willen uitvoeren, moeten zelf maar eventuele kabels en leidingen in de ondergrond opsporen.

Sindsdien zou werk worden gemaakt van een precieze en gedetailleerde cartografie van de ondergrond via het Geografisch Informatiesysteem, het GIS.

Het werk zou tegen 2014 voltooid zijn.

Wat is de stand van zaken in deze studie? Hoeveel van de 589 gemeenten van ons land werden al in kaart gebracht?

Met het oog op de bescherming van de burger moet waakzaamheid steeds de regel zijn, zodat een drama zoals in Gellingen zich nooit meer voordoet.

Het departement van de minister moet dit dossier van nabij volgen. Bestaat er een duidelijke regeling die bijvoorbeeld bedrijven die leidingen leggen, verplicht hun werkzaamheden aan te kondigen, zodat ze eventueel de financiële en juridische gevolgen kunnen dragen?

M. Marc Verwilghen, ministre de l’Économie, de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la Politique scientifique. – Après la catastrophe de Ghislenghien, les pouvoirs tant régionaux que fédéraux ont pris des initiatives pour que de telles situations ne se reproduisent plus. L’autorité fédérale a créé un Point de Contact fédéral Informations Câbles et Conduites ou CICC/KLIM. Il s’agit d’une application internet qui fait office de guichet central pour toute personne souhaitant effectuer des travaux à proximité de conduites d’électricité ou de gaz.

Cette application internet permet à un entrepreneur voulant, par exemple, effectuer des travaux de terrassement de respecter son obligation d’information et de localisation. Pour la bonne mise en œuvre du CICC/KLIM, je n’ai pas manqué de faire adopter, le 18 janvier 2006, un arrêté royal portant modification de l’arrêté royal du 21 septembre 1998 relatif aux prescriptions et obligations de consultation et d’information à respecter lors de l’exécution de travaux à proximité d’installations de transport de produits et autres par canalisations.

Pour le reste, dans le cas des autorisations de transports de produits gazeux et autres par canalisations, différents textes particuliers ayant pour objectif l’amélioration et la garantie constante du maintien de la sécurité ont été adoptés. Il en va de même dans le domaine des lignes électriques à haute tension. Un travail très important a donc été accompli à cet égard.

À l’échelon régional aussi, des mesures similaires ont été prises.

Dans votre question, monsieur Seminara, vous faites référence à un autre instrument, à savoir la base de données de référence à grande échelle. Il s’agit toutefois d’une initiative du gouvernement flamand destinée à constituer une banque de données centrale reprenant toutes les conduites souterraines d’utilité publique. Ce projet requiert le développement préalable d’un fichier de référence à grande échelle, c’est-à-dire une carte numérique de base. Citons à cet égard le décret du 16 avril 2004 relatif au Grootschalig Referentie Bestand, la base de données de référence à grande échelle.

S’agissant plus spécifiquement de l’état d’avancement de ce fichier de référence et du nombre de communes qui y seront connectées, je dois vous orienter vers mon collègue du gouvernement flamand, M. Kris Peeters.

Je puis de toute façon vous dire que des pourparlers ont eu lieu et que, sur les volets électricité et gaz, le CICC connaîtra son équivalent KLIP. C’est le même système, mais c’est autre chose que l’élément auquel vous faites allusion dans votre question.

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. – Na de ramp in Gellingen hebben de gewestelijke en federale overheden initiatieven genomen om dergelijke rampen in de toekomst te vermijden. De federale overheid heeft het Federaal Kabel- en LeidingInformatieMeldpunt opgericht, het CICC/KLIM, een ‘centraal meldpunt voor wie werken wil uitvoeren nabij transportinstallaties van gevaarlijke producten via leidingen of bovengrondse en ondergrondse hoogspanningslijnen’.

Aannemers die bijvoorbeeld graafwerkzaamheden willen uitvoeren ‘kunnen de geografische ligging en de aard van hun werken melden’. Om de goede werking van het CICC/KLIM te verzekeren heb ik op 18 januari 2006 een koninklijk besluit uitgevaardigd tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 september 1988 betreffende de voorschriften en de verplichtingen van raadpleging en informatie bij het uitvoeren van werken in de nabijheid van installaties van vervoer van gasachtige en andere producten door middel van leidingen.

Met betrekking tot de toelating voor het vervoer van gasachtige en andere producten door middel van leidingen werden ook andere teksten aangenomen die ertoe strekken de veiligheid te verbeteren en permanent te bewaken. Ook inzake de hoogspanningslijnen is heel wat werk verricht.

Ook de gewesten hebben maatregelen genomen.

De algemene gegevensbank waarnaar de heer Seminara verwees, is een initiatief van de Vlaamse regering. Die wil een gegevensbank oprichten met alle ondergrondse nutsleidingen. Ik verwijs in dit verband naar het decreet van 16 april 2004 betreffende het Grootschalig Referentie Bestand, een grootschalige gegevensbank.

Vragen over het aantal aangesloten gemeenten en de stand van zaken van dat gegevensbestand moeten aan mijn Vlaamse collega Kris Peeters worden gericht.

Momenteel wordt onderhandeld en voor elektriciteit en gas zal het KLIM een tegenhanger krijgen, het KLIP. Dat is hetzelfde systeem, maar iets anders dan wat de heer Seminara in zijn vraag vermeldt.

Question orale de M. Luc Willems au vice-premier ministre et ministre des Finances, au ministre de la Mobilité et au ministre de l’Environnement et ministre des Pensions sur «la possibilité d’utiliser du bioéthanol en Belgique» (nº 3-1407)

Mondelinge vraag van de heer Luc Willems aan de vice-eersteminister en minister van Financiën, aan de minister van Mobiliteit en aan de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen over «de mogelijkheid om bio-ethanol te gebruiken in België» (nr. 3-1407)

Mme la présidente. – M. Bruno Tobback, ministre de l’Environnement et ministre des Pensions, répondra.

De voorzitter. – De heer Bruno Tobback, minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen, antwoordt.

M. Luc Willems (VLD). – Les combustibles bio sont produits à partir de matériel végétal ou animal ; ils sont liquides ou gazeux et peuvent se substituer aux carburants fossiles comme l’essence ou le gazole. Le bioéthanol est l’un de ces biocarburants et le plus utilisé dans le monde. Au Brésil par exemple, trente pour cent des automobiles roulent à l’éthanol provenant du sucre de canne. L’éthanol est un alcool qui peut être mélangé à raison de 5 à 20 pour cent à de l’essence sans demander de modification du véhicule. Plusieurs constructeurs dont Ford, Volvo et Saab fabriquent des automobiles appelées « FlexiFuel ». Ces véhicules de transport de personnes spéciaux roulent à l’essence ordinaire mais acceptent également des mélanges contenant jusqu’à 85 pour cent d’éthanol. Ces fabricants sont prêts à proposer ces modèles au même prix que leurs modèles traditionnels.

En Belgique il ne semble pas possible de rouler actuellement au bioéthanol car les stations-service ne peuvent proposer que du diesel, les deux variétés traditionnelles d’essence et du LPG. Il n’existe pas de normes adaptées à ce qu’on désigne par E85. Les rares utilisateurs soucieux de l’environnement qui ont acheté un véhicule adapté sont de facto obligés de rouler à l’essence. Rendre ces nouveaux carburants attrayants est cependant une bonne façon de faire baisser les émissions de gaz à effet de serre.

Le ministre partage-t-il mon avis que le bioéthanol devrait être utilisé de manière prioritaire étant donné son effet favorable à l’environnement ?

Quelles mesures le ministre doit-il encore prendre pour qu’il soit possible de prendre du bioéthanol à la pompe et quand pourra-t-on en faire le plein à la pompe ?

De heer Luc Willems (VLD). – Biobrandstoffen worden gewonnen uit plantaardig of dierlijk materiaal, zijn vloeibaar of gasvormig en kunnen fossiele brandstoffen zoals benzine of diesel vervangen. Een voorbeeld hiervan is bio-ethanol, momenteel wereldwijd de meest gebruikte biobrandstof. In Brazilië rijdt bijvoorbeeld 30 procent van de auto’s op ethanol uit suikerriet. Ethanol is een alcohol die zonder aanpassingen aan de motor tot 5 à 20 procent met benzine kan worden vermengd. Verschillende fabrikanten, waaronder Ford, Volvo en Saab, produceren zogeheten FlexiFuel cars. Deze speciale personenwagens kunnen op gewone benzine rijden, maar ook op mengsels met een ethanolpercentage tot 85 procent. Die fabrikanten zijn bereid die wagens tegen dezelfde prijs aan te bieden als hun traditionele modellen.

In België blijkt het vandaag niet mogelijk om op bio-ethanol te rijden, omdat de tankstations in België enkel diesel, de twee traditionele soorten benzine en LPG kunnen aanbieden. Er bestaat geen aangepaste norm voor de zogeheten E85. De enkele milieubewuste gebruikers die een aangepaste wagen kochten, zijn de facto verplicht op benzine te rijden. De nieuwe brandstof aantrekkelijk maken is nochtans een goede manier om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen.

Deelt de minister mijn mening dat bio-ethanol, gezien zijn gunstige weerslag op het milieu, prioritair zou moeten worden ingevoerd?

Welke maatregelen moet de minister nog nemen alvorens het mogelijk wordt in België bio-ethanol te tanken?

Wanneer zal het mogelijk zijn bio-ethanol te tanken?

M. Bruno Tobback, ministre de l’Environnement et ministre des Pensions. – Il faut distinguer entre le bioéthanol et l’E85 qui en est une variété particulière. En vertu de la loi du 10 juin 2006 concernant les biocarburants, on peut mettre sur le marché à partir du 1er octobre de l’essence sans plomb contenant au maximum 7% de bioéthanol. Par contre l’E85, composé de 15% d’essence d’origine fossile et de 85% de bioéthanol, ne peut être utilisé que par des modèles particuliers de véhicules, appelés FlexiFuel, que seuls trois fabricants proposent actuellement sur le marché européen. L’Allemagne a décidé qu’à l’avenir seul le E85 sera exempt d’accises. Pour ce carburant toutefois il n’y a aucune norme européenne : chaque pays peut donc adopter ses propres normes pour ce carburant sur son territoire.

Dans notre pays, un arrêté royal publié le 22 novembre 2006 prévoit la possibilité de proposer des biocarburants sans normes – comme le E85 – mais uniquement aux points de distribution accessibles aux utilisateurs qui sont explicitement concernés par un projet spécifique. Cela signifie que pour les « flottes captives » ou les flottes d’entreprises, l’E85 est désormais disponible. Pour les autres véhicules la situation en Belgique n’est pas la même qu’en Allemagne et en Suède. Les Suédois ont explicitement décidé de produire ce carburant à très grande échelle, avec des millions d’aide publique grâce à l’exemption de droits d’accises et dans le but explicite de produire aussi en grande partie de l’éthanol chez eux à partir de matières premières locales, à savoir le bois. Dans ce contexte, on peut parfaitement comprendre leur choix. En Belgique cependant il nous est déjà très difficile d’obtenir ces 7% d’éthanol à partir d’éthanol écologique et sans devoir faire appel à l’huile de palme ou l’éthanol brésilien qui n’est pas toujours d’origine écologique et dont le transport vers notre pays n’est pas très avantageux en termes de production de CO2.

J’ignore donc si l’utilisation de l’E85 sera élargie en Belgique à court ou à moyen terme. De nombreuses conditions doivent encore être remplies avant que, outre les flottes captives, d’autres véhicules puissent faire usage de ce carburant. Nous continuons évidemment à étudier la question car nous sommes partisans de l’utilisation de ce biocarburant.

De heer Bruno Tobback, minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen. – Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen bio-ethanol en E85, een aparte soort van bio-ethanol. Ingevolge de wet van 10 juni 2006 betreffende de biobrandstoffen, mag vanaf 1 oktober 2007 de loodvrije benzine die in België wordt aangeboden maximaal 7% bio-ethanol bevatten. E85, bestaande uit 15% fossiele benzine en 85% bio-ethanol, kan alleen in specifieke types van voertuigen worden gebruikt, de zogenaamde FlexiFuels, waarvan op dit ogenblik maar drie merken worden aangeboden op de Europese markt. Duitsland heeft ervoor gekozen in de toekomst alleen nog E85 vrij te stellen van accijnzen. Voor die brandstof geldt echter geen Europese norm; elk land mag dus op zijn grondgebied normen opstellen voor die brandstof.

In ons land is op 22 november 2006 een koninklijk besluit gepubliceerd dat in de mogelijkheid voorziet om niet-genormeerde biobrandstoffen – zoals E85 – aan te bieden, maar alleen aan distributiepunten die toegankelijk zijn voor eindgebruikers die expliciet betrokken zijn bij een specifiek project. Dat betekent dat voor de captive fleets of bedrijfsvloten nu al E85 beschikbaar is. Voor de andere voertuigen is de situatie in België anders dan in Duitsland en Zweden. Zweden heeft er uitdrukkelijk voor gekozen die brandstof op zeer grote schaal te ontwikkelen, met miljoenen overheidssteun door accijnsvrijstelling en met de expliciete doelstelling die ethanol ook in grote mate intern te produceren op basis van binnenlandse grondstoffen, met name hout. In die context kunnen we hun keuze perfect begrijpen. In België echter moeten we al heel wat moeite doen om die 7% ethanol te kunnen betrekken uit milieuvriendelijke ethanol en geen beroep te hoeven doen op palmolie of Braziliaanse ethanol die niet altijd van milieuvriendelijke oorsprong is en door het transport naar België qua CO2-balans niet zo voordelig is.

Ik weet dus niet of op korte of middellange termijn in België het gebruik van E85 zal worden verruimd. Er moeten in ieder geval nog heel wat voorwaarden worden vervuld voordat naast de captive fleets ook andere voertuigen die brandstof mogen gebruiken. We blijven deze zaak uiteraard onderzoeken, want we zijn voorstander van het gebruik van deze biobrandstof.

M. Luc Willems (VLD). – Je remercie le ministre pour cette réponse claire. On n’a donc pas encore trouvé la solution. J’en conclus qu’il faut libérer encore bien des budgets en faveur de l’innovation pour rendre possible l’utilisation de ce carburant.

De heer Luc Willems (VLD). – Ik dank de minister voor dit duidelijke antwoord. Er is dus nog geen oplossing gevonden. Ik leid daaruit af dat op het vlak van innovatie nog heel wat budgetten moeten worden vrijgemaakt om het gebruik van deze brandstof mogelijk te maken.

Question orale de Mme Nele Jansegers au ministre de la Mobilité sur «la solution éventuelle pour les chars de carnaval» (nº 3-1418)

Mondelinge vraag van mevrouw Nele Jansegers aan de minister van Mobiliteit over «de mogelijke oplossing voor de praalwagens» (nr. 3-1418)

Mme Nele Jansegers (VL. BELANG). – En décembre 2006, à Alost, un char de carnaval a été confisqué parce que son propriétaire ne pouvait présenter un certain nombre de documents. Plusieurs associations carnavalesques s’en inquiètent car il est impossible de faire répondre un char de carnaval à toutes les exigences légales. Dans de nombreux cas, ces chars ne remplissent pas les conditions d’homologation et n’ont donc pas d’attestation de conformité et la plupart du temps ils ne satisfont pas davantage aux exigences strictes quant aux matériaux, à la construction et à la finition. Les organisateurs et les participants au carnaval d’Alost s’arrachent les cheveux.

Avant-hier, nous avons pu lire dans Het Laatste Nieuws et Het Belang van Limburg que le ministre a préparé un arrêté royal qui résout le problème des chars. Grâce à cette modification, les chars carnavalesques pourraient rouler de manière réglementaire sur la voie publique. Hier, Het Laatste Nieuws titrait encore : « Une modification de l’arrêté royal résout les problèmes des chars de carnaval », mais selon l’article, les chars pourront « bientôt » rouler sur la voie publique, le ministre demande à la police d’agir « provisoirement » en tenant compte de la future législation et le nouvel arrêté royal n’entrera « peut-être » en vigueur que dans quatre mois.

L’adaptation de l’arrêté royal n’est donc à l’heure actuelle qu’une promesse, ce qui n’est évidemment pas inhabituel en période électorale.

Où en est l’élaboration de cet arrêté royal ? Est-il prêt ? Sinon, y travaille-t-on ? Quand entrera-t-il en vigueur ?

Quelle en est la teneur ?

Cette modification règle-t-elle également la question de la responsabilité civile en cas d’accident ?

Mevrouw Nele Jansegers (VL. BELANG). – In december 2006 werd in Aalst een carnavalswagen in beslag genomen omdat de eigenaar ervan een aantal documenten niet kon voorleggen. Dit voorval zorgde bij diverse carnavalsverenigingen voor beroering omdat het onhaalbaar is om een carnavalswagen aan alle wettelijke vereisten te laten voldoen. Niet alleen voldoen deze wagens in vele gevallen niet aan de goedkeuringsvoorwaarden en ontbreekt daardoor het gelijkvormigheidsattest, maar ze voldoen meestal evenmin aan de strenge eisen inzake materialen, constructie en afwerking. De organisatoren en deelnemers van Aalst Carnaval zaten dus met de handen in het haar.

Eergisteren konden wij zowel in Het Laatste Nieuws als in Het Belang van Limburg lezen dat de minister een koninklijk besluit klaar heeft dat het probleem van de praalwagens oplost. Door de wijziging zouden de carnavalswagens zich toch reglementair kunnen verplaatsen op de openbare weg. Gisteren titelde Het Laatste Nieuws nog steeds: ‘Wijziging koninklijk besluit lost problemen voor carnavalswagens op’, maar volgens het artikel zullen praalwagens ‘binnenkort’ op de openbare weg mogen rijden, vraagt de minister de politie om ‘voorlopig’ op te treden in het licht van de toekomstige wetgeving en zal het nieuwe koninklijk besluit ‘wellicht’ pas over vier maanden van kracht zijn.

De aanpassing van het koninklijk besluit is op dit ogenblik blijkbaar enkel een belofte en die zijn in verkiezingsperiodes natuurlijk niet ongewoon.

Hoever staat het met het koninklijk besluit? Is het klaar of niet? Indien niet, is men eraan bezig en wanneer wordt het besluit van kracht?

Wat is de inhoud ervan?

Wordt met deze aanpassing ook de burgerlijke aansprakelijkheid in geval van een ongeval geregeld?

M. Renaat Landuyt, ministre de la Mobilité. – Conformément à la procédure d’association, l’arrêté royal est soumis aux Régions. Les termes repris dans la presse tiennent compte du fait que normalement le gouvernement flamand donnera son accord à la modification dans les trois mois. L’arrêté royal pourra alors être publié.

Nous partons de l’idée que la police en tiendra compte et agira lors des contrôles dans tout le pays en appliquant raisonnablement la loi.

La réglementation modifiée dispose que les chars carnavalesques seront dispensés du contrôle technique, de l’attestation de conformité et de l’immatriculation du véhicule ainsi que de certaines dispositions du code de la route. Par exemple, il suffira d’avoir un permis B ou G pour conduire le char pourvu qu’il ne dépasse pas la vitesse de 25 km/h.

Quant à la responsabilité civile, les règles normales de la responsabilité et de l’assurance sont d’application. Cela signifie qu’on doit s’assurer, comme tout conducteur d’un véhicule.

De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. – Het koninklijk besluit is conform de betrokkenheidsprocedure overgezonden aan de gewesten. De termijnen vermeld in de pers houden rekening met het feit dat de Vlaamse overheid zich normaal na drie maanden met de wijziging akkoord zal verklaren. Dan kan het koninklijk besluit gepubliceerd worden.

We gaan ervan uit dat de politie daarmee rekening zal houden en bij controles over heel het land de lege ferenda zal optreden.

De gewijzigde reglementering houdt in dat praalwagens vrijgesteld worden van technische keuring, gelijkvormigheidsattest en inschrijving van het voertuig evenals van sommige bepalingen van de wegcode. Zo volstaat bijvoorbeeld een rijbewijs B of G om de praalwagen te besturen op voorwaarde dat niet sneller wordt gereden dan 25 km/u.

Met betrekking tot de burgerlijke aansprakelijkheid zijn de normale regels van burgerlijke aansprakelijkheid en verzekering van toepassing. Dat houdt in dat men, zoals ieder die een voertuig bestuurt, verzekerd moet zijn.

Mme Nele Jansegers (VL. BELANG). – Si un char carnavalesque qui n’est techniquement pas en ordre est autorisé par une ville ou une autre autorité à circuler sur la voie publique, la question de la responsabilité en cas d’accident reste entière. Je suis certes partisane d’une telle réglementation, mais pour garantir la sécurité juridique, j’estime qu’il faut éviter que des membres d’associations carnavalesques, qui sont actuellement responsables personnellement, ne soient ruinés en cas d’accident.

Mevrouw Nele Jansegers (VL. BELANG). – Indien praalwagens die eigenlijk technisch niet in orde zijn, door de stad of een andere overheid op de openbare weg worden toegelaten, blijft de vraag wie bij een eventueel ongeval verantwoordelijk is. Ik ben weliswaar voorstander van een dergelijke regeling, maar uit een oogpunt van rechtszekerheid vind ik dat moet voorkomen worden dat de mensen van de carnavalsverenigingen, die momenteel persoonlijk aansprakelijk zijn, bij een eventueel ongeval geruïneerd worden.

M. Renaat Landuyt, ministre de la Mobilité. – Il importe que chaque conducteur sache que les règles normales de la responsabilité s’appliquent.

Ce qui change est qu’on apporte des précisions sur qui peut conduire et sur le fait que ces véhicules ne peuvent circuler sur la voie publique que lors des activités folkloriques pour lesquelles ils sont préparés. Comme pour toutes les autres situations, le conducteur conserve la responsabilité de sa conduite. Il est donc conseillé de conduire prudemment.

De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. – Voor iedere bestuurder is het van belang te weten dat de normale aansprakelijkheidsregeling speelt.

Het enige wat verandert, is dat er duidelijkheid wordt geschapen over wie mag rijden en over het feit dat deze voertuigen enkel op de openbare weg mogen komen voor de folkloristische activiteiten waarvoor ze bedoeld zijn. Zoals in alle andere situaties blijft de bestuurder verantwoordelijk voor zijn rijgedrag. Het is dus raadzaam om, net zoals in alle andere situaties, voorzichtig te rijden.

Mme Nele Jansegers (VL. BELANG). – Le problème est que ces véhicules ne peuvent quasiment pas être assurés puisqu’ils n’ont pas d’attestation de conformité.

J’espère que notre proposition sera mise à l’ordre du jour de la commission et que nous pourrons dès lors y approfondir cette discussion sur le problème de la responsabilité civile.

Mevrouw Nele Jansegers (VL. BELANG). – Het probleem is dat dergelijk voertuigen nagenoeg niet verzekerd kunnen worden omdat ze geen gelijkvormigheidsattest hebben.

Ik hoop dat ons voorstel ter zake op de agenda van de commissie zal worden geplaatst en dat we het probleem van de burgerlijke aansprakelijkheid daar verder kunnen bespreken.

Question orale de Mme Amina Derbaki Sbaï au ministre de l’Emploi sur «les allocations d’attente pour les jeunes au chômage» (nº 3-1409)

Mondelinge vraag van mevrouw Amina Derbaki Sbaï aan de minister van Werk over «de wachtuitkeringen voor jonge werklozen» (nr. 3-1409)

Mme Amina Derbaki Sbaï (Indépendante). – Selon les dernières recommandations de l’OCDE qui s’est penchée sur l’emploi et le chômage des jeunes Belges, le niveau d’études a beaucoup progressé puisque seuls 11% d’entre eux quittent l’école sans décrocher un diplôme du secondaire supérieur.

Ce constat n’améliore pas la situation des jeunes dans leur quête d’emploi étant donné que l’on relève dans l’étude précitée que le taux de chômage a augmenté jusqu’à 20%, contre 13% en moyenne dans l’OCDE.

On y relève également que « la Belgique a pris des mesures adéquates et que le plan d’accompagnement a eu un effet significatif sur les sorties du chômage au prix d’un nombre limité d’exclusions ».

Par ailleurs, l’OCDE émet d’autres pistes pour revoir en profondeur le système d’octroi des allocations de chômage. Elle préconise notamment de supprimer à terme l’allocation d’attente que perçoit le jeune, sur la base de ses études, après neuf mois d’attente.

Pour ma part, je continue à penser que cette idée ferait immanquablement glisser la situation des chômeurs de l’assurance à l’assistance. Sans compter que la charge financière se déplacerait alors du fédéral vers les communes. Nous y sommes opposés.

Enfin, le plan d’accompagnement reçoit une bonne note de l’OCDE et il intervient déjà justement pour éviter que les jeunes ne s’enlisent dans le chômage en les accompagnant après six mois d’allocations.

En outre, le montant de l’allocation d’attente n’est pas élevé, on s’y cantonne rarement. Cette allocation est souvent destinée à des jeunes moins diplômés qui devraient, si elle était supprimée, compter uniquement sur leurs parents ou se diriger vers les CPAS.

Quel est votre sentiment en la matière ?

Mevrouw Amina Derbaki Sbaï (Onafhankelijke). – Volgens de meest recente aanbevelingen van de OESO, die zich over de werkgelegenheid en de werkloosheid van jonge Belgen heeft gebogen, is het studieniveau sterk verbeterd, want slecht 11% van de jongeren verlaten de school zonder een diploma van het hoger middelbaar onderwijs.

Daardoor verbetert de situatie van de jongeren niet bij hun zoektocht naar werk, want uit de genoemde studie blijkt dat de werkloosheidsgraad gestegen is tot 20%, tegenover 13% gemiddeld in de OESO.

In de studie staat ook dat België gepaste maatregelen heeft genomen en dat het begeleidingsplan een duidelijk effect heeft gehad, met maar een beperkt aantal uitsluitingen.

De OESO formuleert overigens andere mogelijkheden om de toekenning van werkloosheidsuitkeringen grondig te herzien. Ze raadt inzonderheid aan op termijn de wachtuitkering te schrappen die de jongere op basis van zijn studie na negen maanden wachttijd krijgt.

Ik denk dat de werklozen daardoor onvermijdelijk van het systeem van verzekering zullen afglijden naar de bijstandsregeling. De financiële last wordt zo ook van de federale overheid verplaatst naar de gemeenten. Wij zijn tegen die idee.

Het begeleidingsplan krijgt een goede beoordeling van de OESO. Met dat plan worden jongeren na zes maanden werkloosheid begeleid, juist om te voorkomen dat ze zich in de werkloosheid zouden nestelen.

Bovendien is het bedrag van de wachtuitkering niet zo hoog, zodat weinigen in dat systeem willen blijven. De uitkering gaat dikwijls naar jongeren die minder hoge diploma’s hebben, en die anders alleen op hun ouders kunnen rekenen op een beroep moeten doen op het OCMW.

Wat is de mening van de minister terzake?

M. Peter Vanvelthoven, ministre de l’Emploi. – Ma position est très claire en cette matière. Les jeunes qui viennent de terminer leurs études et arrivent sur le marché du travail ont droit à un soutien approprié lors de leur recherche d’un emploi.

Si après un stage de d’attente durant lequel ils ont activement recherché un emploi, ils restent involontairement au chômage, ils ont droit à une allocation en attendant de trouver un emploi. Cela leur permet d’envisager de voler de leurs propres ailes. On évite ainsi de voir surgir des problèmes de société tels que ceux qui ont émaillé les pays voisins. Ce droit n’est ni inconditionnel ni illimité dans le temps étant donné que les allocations d’attente sont supprimées dès qu’ils refusent un emploi ou un accompagnement appropriés.

Les chiffres dont s’est servie l’OCDE présentent la situation d’avant 2006. Dans le rapport, on peut en effet lire qu’une série de bonnes mesures ont déjà été prises et qu’il est souhaitable de les évaluer. Depuis le mois de mai 2006, le chômage des jeunes de moins de 25 ans est en constante diminution par rapport au même mois en 2005. Cette baisse se remarque dans toutes les régions du pays.

Elle est le résultat d’un accompagnement et d’un suivi plus intensifs ainsi que d’une économie relancée. Nous sommes donc bel et bien sur la bonne voie. Comme l’indique le rapport de l’OCDE, le plan d’accompagnement et de suivi actifs des demandeurs d’emploi et l’accord de coopération conclu à cet égard avec les Régions et les Communautés constitue une aide précieuse en la matière.

Les services régionaux compétents assument pleinement leur rôle au niveau de l’accompagnement et transmettent à l’ONEM les données relatives aux jeunes qui déclinent l’aide proposée. L’octroi des allocations est supprimé si nécessaire.

Je voudrais, en conclusion et par souci de clarté, souligner que je n’ai donc nullement l’intention de remettre en question le régime des allocations d’attente.

De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk. – Mijn standpunt terzake is zeer duidelijk. De jongeren die hun studie voltooien en zich op de arbeidsmarkt melden, hebben recht op een gepaste steun terwijl ze werk zoeken.

Indien ze na een wachttijd gedurende dewelke ze actief werk hebben gezocht, ongewild werkloos blijven, hebben ze recht op een uitkering tot ze werk vinden. Zo kunnen ze op eigen benen staan. Daarmee worden ook maatschappelijke problemen voorkomen, zoals we die in onze buurlanden hebben gezien. Dat recht is onvoorwaardelijk en onbeperkt in de tijd, met dien verstande dat de uitkeringen worden geschrapt wanneer de jongeren een gepaste baan of opleiding weigeren.

De cijfers die de OESO gebruikt, hebben betrekking op de situatie van vóór 2006. In het verslag kunnen we inderdaad lezen dat al een reeks goede maatregelen werden genomen en dat het wenselijk is dat die worden geëvalueerd. Sedert mei 2006 daalt het aantal werkloze jongeren van minder dan 25 jaar voortdurend ten opzicht van de maand mei 2005. Die daling doet zich voor in alle regio’s van het land. Ze is het resultaat van een intensievere begeleiding en follow-up, alsook van de heroplevende economie. We zijn dus wel degelijk op de goede weg. Zoals vermeld in het OESO-rapport is het actieve begeleidings- en opvolgingsplan voor werklozen en het samenwerkingsakkoord dat daartoe met de gemeenschappen en de gewesten werd gesloten, in dat opzicht een waardevol hulpmiddel.

De bevoegde regionale diensten spelen ten volle hun rol bij de begeleiding en sturen de RVA de gegevens door met betrekking tot de jongeren die de voorgestelde hulp weigeren. De toekenning van de uitkeringen wordt zo nodig geschrapt.

Ik ben helemaal niet van plan het systeem van de wachtuitkeringen op de helling te zetten.

Mme Amina Derbaki Sbaï (Indépendante). – Je remercie le ministre de sa réponse et surtout pour sa dernière phrase, plutôt rassurante.

Mevrouw Amina Derbaki Sbaï (Onafhankelijke). – Ik dank de minister voor zijn antwoord en vooral voor zijn laatste, geruststellende woorden.

Question orale de Mme Christine Defraigne à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «le plan drogue liégeois» (nº 3-1411)

Mondelinge vraag van mevrouw Christine Defraigne aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «het drugsplan te Luik» (nr. 3-1411)

Question orale de Mme Anke Van dermeersch à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «la distribution médicale d’héroïne à Liège» (nº 3-1417)

Mondelinge vraag van mevrouw Anke Van dermeersch aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de medische verstrekking van heroïne in Luik» (nr. 3-1417)

Mme la présidente. – Je vous propose de joindre ces questions orales. (Assentiment)

M. Rudy Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, répondra.

De voorzitter. – Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

Mme Christine Defraigne (MR). – Ce 12 février, la ville de Liège a présenté son projet pilote de délivrance contrôlée d’héroïne. Il est fondé sur un protocole universitaire et faisait l’objet, en 2002, d’un consensus au sein du conseil communal. Depuis, de fil en aiguille, le bourgmestre a parlé de salles d’injection. Apparemment, ce volet du projet a été abandonné. Aujourd’hui, on se « contente » de salles de distribution. Bien entendu, le débat se poursuivra au conseil communal pour en connaître la localisation. C’est en effet le genre de chose qui ne va pas sans mal.

Ma question porte sur les incertitudes juridiques qui semblent subsister. La loi relative aux stupéfiants devrait-elle être modifiée ? En effet, le produit injecté, à savoir l’héroïne, figure sur la liste des stupéfiants dont l’utilisation, la détention et la consommation sont interdites.

S’il est nécessaire d’adapter la législation, procédera-t-on par circulaire, comme on l’a fait pour la détention de cannabis, avec l’insécurité juridique que cela suppose ? Ou déposerez-vous en urgence un projet de loi avant la fin de la législature ?

Le cadre de cette expérience prévoit qu’environ 200 personnes pourront être traitées mais on estime le nombre des toxicomanes liégeois à 3.000 environ. Seule une infime minorité d’entre eux pourra bénéficier du projet. Les instigateurs de ce dernier n’ont d’ailleurs pas caché qu’il y aurait beaucoup d’appelés et peu d’élus. Cette délivrance contrôlée d’héroïne ne constitue pas, selon moi, la solution aux problèmes de drogue en tant que tels. J’ai qualifié ce projet de « soins palliatifs de la désespérance humaine ». Il faut mener beaucoup d’autres actions.

Ne créera-t-on pas deux catégories de drogués : d’une part, les happy few qui bénéficieront du projet pilote et qui jouiront d’une impunité pénale, et, d’autre part, l’immense majorité des toxicomanes pour qui la détention et la consommation d’héroïne sera pénalement répréhensible ?

Ne va-t-on pas induire une discrimination ?

Par ailleurs, ceux qui se seront présentés pour bénéficier du traitement expérimental et qui auront été refusés par manque de place ou faute de moyens financiers, ne pourraient-ils pas revendiquer à leur profit l’existence d’une espèce de cause de justification en cas de poursuite pénale à leur encontre en justifiant de leur bonne foi et de leur volonté réelle de se soigner, et de l’impossibilité de le faire en raison du manque de disponibilité par rapport au projet pilote ?

Telles sont, monsieur le ministre, quelques interrogations d’ordre juridique suscitées par le plan drogue liégeois. Je crains qu’à défaut d’accompagnement légal de l’expérimentation, on ne tombe rapidement dans des difficultés.

Je vous remercie de me faire connaître votre position sur ces différents points et de nous informer des mesures que vous comptez prendre.

Mevrouw Christine Defraigne (MR). – Op 12 februari heeft de stad Luik haar proefproject voor de gecontroleerde verstrekking van heroïne voorgesteld. Aan de basis ligt een universitair protocol, waarover reeds in 2002 in de gemeenteraad een consensus was bereikt. Sindsdien heeft de burgemeester het over injectiezalen gehad, maar blijkbaar is men van dat project afgestapt. Nu wordt gesproken over ‘verdelingszalen’. In de gemeenteraad zal over de locatie van die zalen worden gedebatteerd; dat zijn altijd gevoelige zaken.

Mijn vraag gaat over de juridische onduidelijkheden. Moet de drugswet worden aangepast? Heroïne staat immers op de lijst van verdovende middelen waarvan het gebruik, het bezit en de consumptie verboden zijn.

Als de wetgeving moet worden aangepast, zal dat dan door middel van een rondzendbrief gebeuren? Voor het bezit van cannabis heeft de minister voor die werkwijze geopteerd, met alle rechtsonzekerheid van dien. Of zal voor het einde van de regeerperiode een wetsontwerp worden ingediend?

In het project zullen ongeveer 200 mensen een behandeling krijgen, alhoewel het aantal drugsverslaafden in Luik op ongeveer 3.000 wordt geschat. Slechts een kleine minderheid zal dus bij het project worden betrokken. Zelfs de initiatiefnemers verhullen niet dat er veel kandidaten zullen zijn, maar weinig uitverkorenen. De gecontroleerde verstrekking van heroïne zal de drugsproblematiek niet oplossen. Het gaat volgens mij om ‘palliatieve zorg voor de menselijke wanhoop’. Er moeten andere acties komen.

Bestaat het gevaar niet dat twee categorieën van drugsgebruikers worden gecreëerd: enerzijds de happy few die in het project worden opgenomen en die bijgevolg straffeloosheid genieten, en anderzijds de overgrote meerderheid van verslaafden, voor wie het bezit en het gebruik van heroïne strafbaar blijft?

Wordt geen discriminatie ingesteld?

Sommigen zullen zich voor de experimentele behandeling aanbieden, maar zullen wegens plaatsgebrek en bij gebrek aan financiële middelen worden geweigerd. Zullen zij de weigering niet kunnen inroepen als een rechtvaardigingsgrond in geval van een gerechtelijke vervolging? Ze zouden kunnen stellen dat ze van goede wil zijn en zich echt willen laten verzorgen, maar dat er voor hen geen plaats was in het proefproject.

Dat zijn mijn juridische vragen over het Luikse drugsproject. Ik vrees dat het gebrek aan een wettelijke begeleiding van het experiment vrij snel tot problemen zal leiden.

Mme Anke Van dermeersch (VL. BELANG). – Un projet dans lequel de l’héroïne est fournie, sous contrôle médical, à des toxicomanes insensibles à tout traitement ou chez qui le traitement à la méthadone a échoué, démarrera fin de 2007.

Le sort en est manifestement jeté. Du fait de l’obstination du bourgmestre de Liège qui, selon ses propres dires, avait l’intention, si besoin en était, de fournir de son propre chef de l’héroïne à Liège, et sous la pression du PS, le gouvernement fédéral a cédé, au terme de dix années de doute et d’étude. Le gouvernement devient un dealer ou tout au moins un complice.

À la base de la décision on trouve une étude, menée comme par hasard par l’Université de Liège, qui conclut que l’expérience est réalisable. La santé physique et mentale des héroïnomanes s’améliorerait, la criminalité diminuerait et l’intégration sociale serait favorisée. C’est pourquoi il a été décidé, en concertation avec la Justice, de lancer l’expérience à la fin de cette année.

De Sleutel, un chaînon pourtant important du système d’aide et de prévention dans le domaine des drogues en Flandre, affirme qu’il y a beaucoup trop peu de preuves scientifiques pour introduire, à côté de l’offre actuelle d’aide, la distribution d’héroïne ; de plus, les programmes recourant à la méthadone n’ont pas été suffisamment évalués. De Sleutel craint que certains toxicomanes resteront toujours inaccessibles et que les résultats soient de courte durée.

Le directeur général de De Sleutel, Johan Maertens, est très clair à ce sujet et précise que crier sur tous les toits que Liège a besoin de distributions d’héroïne pour résoudre son problème est tout simplement ridicule. Il s’agit pour lui d’une pure démagogie politique et d’une obstination aveugle visant à corriger les fautes et les responsabilités historiques. Le directeur fait notamment référence à la politique pénale laxiste vis-à-vis des drogues en souligne surtout la différence d’approche selon les Communautés. À ce sujet, il précise qu’alors qu’en Flandre on se donne beaucoup de mal pour développer à grands frais des communautés thérapeutiques, des centres de crise, des centres de jour et des ateliers sociaux, la Wallonie choisit la voie de la facilité : donner au toxicomane ce dont il a besoin, l’envoyer chez un médecin qui lui prescrit de la méthadone et le problème est résolu ; ainsi on en est débarrassé et même la criminalité disparaît.

Tout cela sans parler des surcoûts faramineux. Les autorités déboursent 3,3 millions d’euros pour, à ce qu’on dit, 100 à 200 toxicomanes. Pourtant la note de politique fédérale de 2001 relative aux drogues précise que le gouvernement fédéral ne lancera ou ne financera aucune expérience de distribution contrôlée d’héroïne.

Pourquoi le gouvernement financera-t-il à présent de telles expériences, contrairement à ce que prévoit la notre de politique fédérale de 2001 ?

Le gouvernement a-t-il impliqué dans cette décision des groupes de travail et des organisations d’aide de toutes les Communautés ? Dans l’affirmative, lesquels ? L’International Narcotics Control Board (INCB) a-t-il été consulté ? Quelle furent leur contribution et leurs avis ?

Que pense le collège des procureurs généraux ? Sous quelles conditions ont-ils donné leur approbation au projet ? Que cela signifie-t-il concrètement pour les poursuites judiciaires ?

Est-il exact que le gouvernement exclut l’extension de l’expérience à d’autres villes avant 2010 ?

Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BELANG). – Eind 2007 gaat een project van start waarbij onder medische controle heroïne wordt verstrekt aan verslaafde individuen die onbereikbaar waren voor behandeling, die ongevoelig zijn voor een behandeling of bij wie een methadonbehandeling mislukte.

De kogel is blijkbaar door de kerk. Door de hardnekkigheid van de Luikse burgemeester, die naar eigen zeggen desnoods van plan was op eigen houtje gecontroleerd heroïne te verstrekken in Luik, en onder druk van de PS is de federale regering na tien jaar twijfel en studie gezwicht. De regering wordt drugsdealer of op zijn minst medeplichtige!

Aan de basis van de beslissing ligt een studie, niet toevallig uitgevoerd door de Universiteit van Luik, die concludeert dat het experiment haalbaar is. De fysieke en mentale gezondheid van de heroïneverslaafde zou verbeteren, de criminaliteit dalen en de maatschappelijke integratie worden bevorderd. In overleg met Justitie werd daarom beslist om eind dit jaar het experiment van start te laten gaan.

De Sleutel, een toch niet onbelangrijke schakel in de drugshulpverlening en -preventie in Vlaanderen, zegt dat er veel te weinig wetenschappelijke evidentie is om heroïneverstrekking naast het huidige hulpverleningsaanbod in te voeren, en ook omdat de methadonprogramma’s onvoldoende werden geëvalueerd. De Sleutel vreest dat sommige verslaafden altijd onbereikbaar zullen blijven en voor resultaten van korte duur.

Algemeen directeur van De Sleutel, Johan Maertens, is hieromtrent duidelijk: ‘Van de daken schreeuwen dat Luik heroïneverstrekking nodig heeft om zijn probleem op te lossen is gewoon belachelijk, pure politieke demagogie en een hardnekkige blindheid om de eigen historische fouten en verantwoordelijkheid te zien en te willen corrigeren’. De directeur verwijst onder meer naar het lakse strafrechtelijk beleid tegenover drugs en haalt vooral uit naar de te verschillende aanpak van de gemeenschappen. Hij zegt daarover het volgende: ‘Terwijl wij ons in Vlaanderen uitsloofden om therapeutische gemeenschappen, crisiscentra, dagcentra, en sociale werkplaatsen uit te bouwen met hoge ontwikkelingskosten (…), koos men in Wallonië al snel de gemakkelijkste weg. Geef een verslaafde wat hij nodig heeft, stuur hem naar een dokter, laat hem methadon voorschrijven (…) en het probleem is opgelost. We zijn ervan af en zelfs de criminaliteit verdwijnt’.

We hebben het dan nog niet over de torenhoge meerkosten. De overheid trekt 3,3 miljoen euro uit voor naar verluidt 100 tot 200 verstokte drugsverslaafden. Nochtans zegt de federale beleidsnota Drugs van 2001 dat de federale regering geen experimenten zou opzetten of betalen in het kader van gecontroleerde heroïneverstrekking.

Waarom gaat de regering, in tegenstelling tot wat in de federale beleidsnota van 2001 stond, nu wel dergelijke experimenten financieren?

Heeft de regering over de gemeenschapsgrenzen heen werkgroepen en hulpverleningsorganisaties bij haar beslissing betrokken? Zo ja, dewelke? Werd ook de International Narcotics Control Board hierbij betrokken? Hoever ging de betrokkenheid en wat waren hun adviezen?

Wat is de mening hierover van het College van procureurs-generaal en onder welke voorwaarden gaven zij hieraan hun goedkeuring? Wat betekent dat concreet voor de strafrechtelijke vervolging?

Klopt het dat de regering uitsluit dat het experiment vóór 2010 wordt uitgebreid naar andere steden?

M. Rudy Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – Le projet de prescription de diacétylmorphine sous contrôle médical se déroule dans un cadre expérimental et, comme son nom l’indique, dans un cadre médical. Je réponds déjà ainsi à une question de Mme Van dermeersch sur la nature de l’encadrement. Il n’est pas question que des médecins délivrent des produits à titre individuel. Une structure d’accompagnement psychosocial est prévue. C’est dans le cadre de cette structure que la diacétylmorphine est délivrée. Le groupe cible est constitué des personnes qui n’ont pas obtenu de résultats après avoir suivi des traitements de substitution à la méthadone. Ainsi, dans la province de Liège, 2.500 malades asservis à l’héroïne sont actuellement suivis. Certains d’entre eux n’arrivent pas à décrocher avec les méthodes traditionnelles utilisées dans la lutte contre les assuétudes. Ces personnes constituent le groupe cible.

Ce projet ne s’appuie pas uniquement sur notre propre expérience, de nombreux autres pays s’interrogent également sur la nature des produits à utiliser et leurs conditions d’utilisation pour libérer les gens de cet esclavage qu’est l’assuétude aux produits stupéfiants.

Les autorités judiciaires liégeoises ont déterminé un consensus sur les méthodes, l’identification des patients suivis, la façon dont ils sont inscrits dans le projet et l’accompagnement auquel j’ai fait référence. Enfin, le diacétylmorphine est administré au patient dans un local spécialement conçu à cet effet.

Un cadre aussi précis et des critères d’inclusion aussi stricts permettent d’écarter la critique selon laquelle il pourrait s’agir d’une prescription prohibée en vertu de la loi de 1921 qui dispose – on ne parle pas de détention mais d’administration de produits – qu’il doit s’agir d’une prescription abusive et non nécessaire.

Nous sommes donc en dehors du cadre de cette loi puisqu’il s’agit d’une application médicale à destination d’un groupe cible et avec un avis favorable du parquet sur la méthode utilisée.

Il faut par ailleurs prendre conscience du profil des patients visés par l’expérience. Ces derniers ne se bousculent pas au portillon tant les critères d’inclusion sont stricts et les contraintes lourdes, alors qu’ils sont eux-mêmes fortement déstructurés.

Le fait que ces expériences soient menées à l’étranger augmente les chances de voir un tel projet aboutir à des résultats concluants. Mais évitons tout préjugé.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Het project voor het voorschrijven van diacetylmorfine onder medisch toezicht verloopt in een experimenteel en medisch kader. Er is geen sprake van dat artsen individueel middelen verstrekken. De diacetylmorfine zal binnen een structuur voor psychosociale begeleiding worden verstrekt. De doelgroep bestaat uit de mensen voor wie de substitutiebehandeling met methadon geen resultaten heeft opgeleverd. In de provincie Luik worden momenteel 2.500 heroïneverslaafden gevolgd. Sommigen onder hen slagen er niet in met de traditionele methodes af te kicken; zij vormen de doelgroep.

Het project gaat niet alleen uit van onze eigen ervaringen. Ook in veel andere landen vraagt men zich af welke producten moeten worden gebruikt en onder welke voorwaarden dat moet gebeuren om mensen van hun verslaving af te helpen.

De Luikse gerechtelijke overheden hebben overeenstemming bereikt over de methodes, de identificatie van de patiënten die worden gevolgd, de manier waarop ze in het project worden opgenomen en de begeleiding. De diacetylmorfine wordt aan de patiënt verstrekt in een speciaal daartoe uitgerust lokaal.

Het kader is zo precies omschreven en de criteria zijn zo strikt dat de kritiek kan worden ontkracht dat het project een inbreuk vormt op de wet van 1921 die bepaalt dat het moet gaan om een onrechtmatig en niet noodzakelijk voorschrift.

Het gaat hier om een medische toepassing voor een doelgroep, waarbij het parket een gunstig advies heeft gegeven over de gebruikte methode.

We moeten ons rekenschap geven van het profiel van de patiënten die in het project worden opgenomen. Ze staan niet te dringen omdat de criteria en de verplichtingen zeer strikt zijn, terwijl in hun leven weinig structuur zit.

In het buitenland werden al dergelijke projecten georganiseerd. Hierdoor vergroot de kans op goede resultaten. Laten we vooroordelen vermijden.

Le projet de prescription de diacétylmorphine fait partie d’une demande de subsidiation dans le cadre du Fonds de lutte contre les assuétudes, créé en juillet 2006. Il s’agit en d’autres termes d’une nouvelle source de financement.

La Belgique n’est pas pionnière en ce domaine. Les premiers projets d’administration de diacétylmorphine ont été lancés en 1994 en Suisse. Le protocole liégeois date de 1998 et repose sur un consensus entre tous les acteurs concernés. L’INCB, l’organisme international qui s’occupe des assuétudes et de la politique relative aux drogues, sera tenu informé de l’initiative belge. L’utilisation de stupéfiants à des fins médico-scientifiques est autorisée par cet organisme.

Le parquet de Liège a donné son assentiment au projet. Tous les acteurs s’accordaient sur le cadre légal et médical qui garantit que les patients bénéficiant du projet ne se voient pas prescrire de la diacétylmorphine indûment ou inutilement.

Nous devons bien entendu attendre les résultats de l’évaluation avant de prendre de nouvelles décisions.

Het project voor het voorschrift van diacetylmorfine maakt deel uit van een subsidieaanvraag in het kader van het fonds tot bestrijding van verslavingen, dat in juli 2006 werd opgericht. Het gaat met andere woorden om een nieuwe financieringsbron.

België is op dat vlak geen pionier. De eerste projecten voor de toediening van diacetylmorfine werden in 1994 in Zwitserland opgestart. Het Luikse protocol dateert van 1998 en steunt op een consensus onder alle betrokken actoren. Het INCB, de internationale instelling die zich met verslavingen en drugsbeleid bezighoudt, zal op de hoogte worden gehouden van het Belgische initiatief. Het gebruik van verdovende middelen voor medisch-wetenschappelijke doeleinden wordt door de organisatie toegestaan.

Het parket van Luik heeft met het project ingestemd. Alle actoren waren het eens met het wettelijke en medische kader, dat waarborgt dat de patiënten die in het project zitten, niet onrechtmatig of onnodig diacetylmorfine krijgen voorgeschreven.

Natuurlijk moeten we eerst de resultaten van de evaluatie afwachten alvorens nieuwe beslissingen te nemen.

Mme Christine Defraigne (MR). – Je connais évidemment ce projet dont nous avons eu l’occasion de débattre dans une autre enceinte.

Vous me dites que cela ne tombe pas dans le champ d’application de la loi de 1921, que ce n’est pas pénalement répréhensible et donc, qu’il n’est pas nécessaire de modifier la loi. Cela étant, je n’ai toujours pas de réponse à ma question concernant la discrimination entre ceux qui en bénéficient et ceux qui n’en bénéficient pas – l’immense majorité – et chez qui la détention sera pénalement répréhensible. Ces derniers ne peuvent-ils dire qu’ils sont victimes d’un traitement discriminatoire puisque l’on a renoncé aux poursuites pour les autres et que le parquet a signé le protocole d’accord ?

Cela ne répond pas davantage à ma question concernant la cause de justification dans le cas de poursuites pénales. C’est un argument qu’un héroïnomane pourrait soulever s’il se retrouvait devant le tribunal correctionnel à Liège.

J’attire votre attention sur ce point et, en particulier, celle de la ministre de la Justice.

Mevrouw Christine Defraigne (MR). – Ik ken het project, waarover we elders reeds hebben gedebatteerd.

De minister antwoordt dat het project niet onder de wet van 1921 valt, dat het niet strafbaar is en dat de wet bijgevolg niet moet worden aangepast. Ik heb echter nog altijd geen antwoord gekregen op mijn vraag over de discriminatie tussen de verslaafden die in het project worden opgenomen en de overgrote meerderheid die niet deelnemen en voor wie het bezit een strafbaar feit blijft. Kunnen zij aanvoeren dat ze worden gediscrimineerd omdat de anderen niet worden vervolgd en het parket het protocol heeft ondertekend?

Ook de vraag over de rechtvaardigingsgrond in geval van een strafrechtelijke vervolging is niet beantwoord. Een heroïneverslaafde zou dat argument voor de Luikse correctionele rechtbank kunnen inroepen. Ik wil vooral de aandacht van de minister van Justitie op dat punt vestigen.

Mme Anke Van dermeersch (VL. BELANG). – Je reste totalement opposée à ce projet. Lorsque j’en ai entendu parler pour la première fois, j’ai repensé à l’afflux massif d’illégaux lors de la campagne de régularisation. En Suisse également, le projet a engendré un afflux massif de toxicomanes.

Le ministre a parlé de « bons résultats ». Je me demande ce que peuvent bien être ces bons résultats et les objectifs du projet.

Je n’en crois absolument pas mes oreilles lorsque j’entends Mme Defraigne parler d’une éventuelle discrimination entre les catégories de toxicomanes. L’objectif doit quand même être que les gens vivent en bonne santé dans notre pays. Ce projet va totalement à l’encontre du point de vue flamand sur l’aide et la prévention. Je ne comprends pas davantage comment les procureurs généraux ont pu donner leur accord. On a manifestement utilisé le prétexte de l’expérience médicale. Je ne pense pas que tout cela soit bon pour la population.

Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BELANG). – Ik blijf het volledig oneens met dit project. Toen ik er de eerste maal over hoorde spreken, moest ik terugdenken aan de toestroom van illegalen naar aanleiding van de regularisatiecampagne. Ook in Zwitserland heeft het project geleid tot een toestroom van drugsverslaafden.

De minister had het over ‘goede resultaten’. Ik vraag me af wat die goede resultaten en de doelstellingen van het project dan wel mogen zijn.

Ik raakte helemaal boven mijn theewater toen ik mevrouw Defraigne hoorde over een mogelijke discriminatie tussen categorieën van verslaafden. Het doel moet toch zijn dat mensen gezond leven in dit land. Dit project gaat volledig in tegen de Vlaamse visie op hulpverlening en preventie. Ik begrijp ook niet hoe de procureurs-generaal hiermee konden instemmen. Blijkbaar heeft men de dekmantel van het medische experiment gebruikt. Ik denk niet dat dit alles de bevolking ten goede komt.

M. Rudy Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – Je ne peux pas me substituer, dans mes réponses, à la ministre de la Justice, mais je pense pouvoir vous donner un élément important en ce qui concerne la discrimination.

Il ne s’agit pas d’une discrimination dans la mesure où l’on ne parle pas, ici, de détention du produit. L’héroïne n’est pas détenue par la personne mais par le service qui peut l’utiliser sur la base d’un profil médical. Appliquant le même raisonnement, on peut dire qu’une personne qui détiendrait de la morphine à domicile pour son usage personnel, notamment dans le cadre de soins palliatifs, ne serait pas poursuivie ; toute personne, par contre, qui utiliserait cette substance créant une assuétude à des fins autres que thérapeutiques, ferait l’objet de poursuites de type judiciaire.

Dans la mesure où il s’agit d’une structure encadrée, où les produits ne sont pas détenus pas la personne et où un profil clairement établi est repris dans le protocole, on ne risque pas cette discrimination.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Ik kan niet antwoorden namens de minister van Justitie, maar over de discriminatie kan ik wel het volgende zeggen.

Het gaat niet om een discriminatie omdat er in dit geval geen sprake is van bezit van een verdovend middel. De heroïne is niet in het bezit van de persoon, maar van de dienst die het op basis van een medisch profiel mag gebruiken. Volgens dezelfde redenering kan men zeggen dat een persoon die thuis morfine heeft voor persoonlijk gebruik, bijvoorbeeld in het kader van palliatieve zorg, niet wordt vervolgd; eenieder die het verslavende middel gebruikt voor andere dan therapeutische doeleinden zal daarentegen wel juridisch worden vervolgd.

Het gaat om een begeleide structuur waarbij de middelen niet in het bezit van de betrokkenen zijn en waarbij in het protocol een duidelijk profiel is opgesteld. Er is dus geen gevaar voor discriminatie.

Mme Christine Defraigne (MR). – Et la cause de justification ?

Mevrouw Christine Defraigne (MR). – En de rechtvaardigingsgrond?

M. Rudy Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – La cause de justification réside dans le fait que cette mesure s’adresse à un public cible qui a suivi à plusieurs reprises et sans succès des traitements avec des produits de substitution.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – De rechtvaardigingsgrond bestaat erin dat de maatregel gericht is op een doelgroep van mensen die herhaalde keren en zonder succes behandelingen met substitutiemiddelen hebben gevolgd.

On doit faire une distinction entre la problématique éthique et la consommation du produit. L’utilisation de morphine est acceptable à des fins thérapeutiques mais pas pour la consommation privée ou pour d’autres buts.

Ce projet concerne un nombre limité de personnes qui ne veulent plus consommer de drogue mais qui ne réagissent pas à la méthadone. Pour ces personnes, on a recours à d’autres méthodes.

La communauté germanophone suisse est beaucoup moins stricte que les francophones conservateurs qui soulèvent des raisons éthiques. Nous voulons nous limiter à l’aspect médical.

Men moet een onderscheid maken tussen de ethische problematiek en het gebruik van het product. Morfinegebruik is aanvaardbaar als therapie, maar is dat niet voor privéconsumptie of andere doeleinden.

In dit project gaat het over een beperkt aantal mensen, die geen drugs meer willen gebruiken maar niet reageren op methadon. Voor die mensen moet gebruik worden gemaakt van andere methoden.

De Duitstalige gemeenschap in Zwitserland is veel minder streng dan de conservatieve Franstalige, die daarvoor ethische redenen inroept. Wij willen ons beperken tot het medische aspect.

Question orale de Mme Mia De Schamphelaere au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «l’interdiction de fumer dans les restaurants» (nº 3-1419)

Mondelinge vraag van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het rookverbod in restaurants» (nr. 3-1419)

Mme Mia De Schamphelaere (CD&V). – Nous sommes favorable à l’interdiction de fumer dans l’horeca mais nous nous demandons s’il ne s’agit pas d’une mesure discriminatoire.

La loi prévoit une exception pour les débits de boissons et les friteries quant à l’interdiction de fumer : si la restauration représente moins de 30% des revenus, l’interdiction ne s’applique pas.

De nombreux restaurants voient leur chiffre diminuer et perdent des clients au profit des débits de boissons où il est encore possible de fumer. En outre il s’avère que beaucoup de bistros étoffent leur carte.

Les restaurateurs parlent par conséquent de discrimination et de concurrence déloyale et souhaitent une interdiction de fumer générale et immédiate dans l’horeca.

La deuxième partie de ma question orale concerne les maisons de jeunes qui, en raison de leur objectif social, reçoivent des subsides des villes et communes. Les jeunes défavorisés qui fréquentent les maisons des jeunes désertent de plus en plus ces locaux et préfèrent se rendre dans des cafés pour jeunes où il est encore permis de fumer.

Le ministre perçoit-il le caractère discriminatoire de l’interdiction de fumer ? Est-il disposé à évaluer la situation avant le délai d’un an qui a été prévu et à instaurer plus rapidement une interdiction générale de fumer ou, pour le moins, une interdiction de fumer dans les établissements qui proposent de la restauration et ce afin que les restaurants ne soient plus discriminés ?

Je propose également d’appliquer un même traitement aux maisons de jeunes et aux cafés pour jeunes, par exemple en leur permettant de réserver une moitié de l’espace à une zone non fumeur.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). – Wij zijn voorstander van het rookverbod in de horeca, maar vragen ons af of het niet discriminerend is.

In de wetgeving wordt voor het rookverbod een uitzondering gemaakt voor drankgelegenheden en frietkramen. Het daarvoor gehanteerde criterium vormt het al dan niet omzetten van 30% van de inkomsten uit gerechten.

Heel wat restaurants zien hun omzet dalen en verliezen klanten aan drankgelegenheden waar nog wel mag worden gerookt. Daarenboven blijken heel wat bistro’s hun beperkte eetkaart uit te breiden.

De restauranthouders spreken dan ook van discriminatie en oneerlijke concurrentie en willen een onmiddellijk algemeen rookverbod in de horeca.

Het tweede deel van mijn mondelinge vraag heeft betrekking op de jeugdhuizen, die wegens hun sociale oogmerk door steden en gemeenten worden gesubsidieerd. Kansarme jongeren komen er normaal gezien samen om rustig en creatief bezig te zijn, maar de lokalen van de jeugdhuizen lopen steeds meer leeg, omdat de jongeren nu de voorkeur geven aan jeugdcafés, waar nog mag worden gerookt.

Heeft de minister oog voor het discriminerende karakter van het rookverbod? Is hij bereid om de situatie vroeger dan de vooropgestelde termijn van een jaar te evalueren en sneller over te gaan tot de invoering van een algemeen rookverbod of op zijn minst tot het invoeren van een rookverbod in de gelegenheden waar voedsel wordt aangeboden, zodat de restaurants niet meer worden gediscrimineerd?

Ik stel ook voor de gelijke behandeling te overwegen van jeugdhuizen en jeugdcafés, bijvoorbeeld door in beide een halve ruimte rookvrij te maken.

M. Rudy Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – Je rappelle que les règles applicables au secteur horeca ont été décidées en concertation avec le secteur, à savoir les représentants des trois grandes fédérations, et avec l’accord du gouvernement.

Une évaluation est indispensable pour que nous puissions tirer les conclusions qui s’imposent en la matière. Les chiffres seront disponibles dans le courant du mois de juin. Parallèlement, j’envisage de faire réaliser une enquête de satisfaction auprès des consommateurs. Les résultats en seront également disponibles en juin. Enfin, une évaluation globale tenant compte de l’impact économique sera faite six mois après l’entrée en vigueur de la mesure.

J’ai toujours dit qu’il faudrait tirer les conclusions qui s’imposent si la mesure s’avérait inefficace. Je doute cependant que nous retournions à la situation antérieure, d’une part étant donné les progrès déjà enregistrés en matière de protection contre le tabagisme passif et, d’autre part, étant donné le contexte international.

Jusqu’à présent nous suivons donc la voie qui a été tracée en collaboration avec le secteur et sur la base du consensus dégagé au gouvernement. Après l’évaluation, si la majorité des parties est disposée à prendre une autre initiative en fonction des résultats enregistrés durant les six premiers mois, nous devrons évidemment tirer les conclusions qui s’imposent. En tant que membre du gouvernement, je me dois naturellement de défendre le consensus dégagé au sein du gouvernement.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Ik herinner eraan dat de regels voor de horeca werden opgesteld in samenspraak met de sector, namelijk met de vertegenwoordigers van de drie grote federaties, en met de goedkeuring van de regering.

Er is een evaluatie nodig alvorens we conclusies kunnen trekken in verband met het zogenaamde Belgische systeem. In de loop van de maand juni zullen de controlecijfers beschikbaar zijn. Parallel hiermee, ben ik van plan een tevredenheidsenquête bij de consumenten te laten uitvoeren. De resultaten daarvan worden eveneens in juni verwacht. Tot slot moet er een globale evaluatie, die ook peilt naar de economische impact, plaatsvinden zes maanden na het van kracht worden van de maatregel.

Ik heb steeds gezegd dat als de maatregel niet efficiënt blijkt te zijn, we daaraan conclusies zullen moeten verbinden. Ik betwijfel echter dat we naar de vroegere situatie zullen moeten terugkeren, gezien de vooruitgang die al werd geboekt op het vlak van de bescherming tegen passief roken en gezien de internationale context.

Tot nog toe volgen we dus de lijn die werd uitgezet samen met de sector en op basis van een consensus in de regering. Indien na de evaluatie een meerderheid van de partijen bereid is op basis van de resultaten van de eerste zes maanden een ander initiatief te nemen, dan moeten er natuurlijk conclusies worden getrokken. Ikzelf, als lid van de regering, moet uiteraard de regeringsconsensus verdedigen.

Mme Mia De Schamphelaere (CD&V). – Je comprends bien la manière dont le critère a été fixé en concertation avec le secteur. Après bientôt deux mois de pratique, il apparaît cependant très clairement que le critère est difficilement applicable du fait que le type de repas servis permet facilement de se déplacer et que le chiffre d’affaires est difficilement contrôlable. Ce sont surtout les restaurateurs qui se plaignent de subir une discrimination.

Le ministre n’a pas répondu à ma question sur les maisons de jeunes qui se vident au profit des cafés pour jeunes.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). – Ik heb wel begrip voor de manier waarop het criterium in overleg met de sector tot stand is gekomen. Na bijna twee maanden praktijk blijkt echter heel duidelijk dat het criterium moeilijk hanteerbaar is, omdat met het soort maaltijden dat geserveerd wordt, gemakkelijk kan worden geschoven en ook omdat de omzet moeilijk controleerbaar is. Vooral de restauranthouders klagen erover dat ze gediscrimineerd worden.

De minister gaf geen antwoord op mijn vraag over het leeglopen van de jeugdhuizen ten gunste van de jeugdcafés.

M. Rudy Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – Il était déjà interdit de fumer dans les maisons de jeunes avant la récente instauration de l’interdiction de fumer. La loi précédente était mal interprétée. Par ailleurs, je ne préconiserai jamais de supprimer l’interdiction de fumer dans les maisons de jeunes.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Roken was in de jeugdhuizen al verboden nog voor het recente rookverbod werd ingevoerd. De vorige wet werd gewoon verkeerd geïnterpreteerd. Anderzijds zal ik nooit pleiten voor het afschaffen van het rookverbod in jeugdhuizen.

Question orale de Mme Sabine de Bethune au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique et à la secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées sur «les allocations familiales majorées pour enfants handicapés» (nº 3-1420)

Mondelinge vraag van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap over «de verhoogde kinderbijslag voor kinderen met een handicap» (nr. 3-1420)

Mme Sabine de Bethune (CD&V). – Ma question prolonge celles que j’ai récemment posées, à savoir ma demande d’explications 3-2070 et ma question orale 3-1190. Dans le régime des travailleurs salariés, les enfants handicapés peuvent bénéficier d’un supplément à leurs allocations familiales jusqu’à l’âge de 21 ans.

Il existe actuellement deux systèmes basés sur la date de naissance de l’enfant. Les enfants nés avant le 2 janvier 1996 ont droit à un supplément lorsqu’ils sont atteints d’un handicap de 66% au moins. Le 1er mai 2003, un nouveau système a été instauré pour les enfants nés après le 2 janvier 1996. L’objectif était d’élaborer un système plus honnête permettant de ne plus dépendre uniquement de la règle arbitraire des 66%. Depuis le 1er janvier de cette année, les enfants nés après le 31 décembre 1992 devraient également pouvoir bénéficier du nouveau système.

Dans sa dernière réponse, le ministre disait que l’arrêté royal en la matière serait publié prochainement. Toutefois, cela n’a pas été fait. En outre la mesure aurait un effet rétroactif jusqu’en mai 2003, sans doute sur la base de l’avis du Conseil d’État.

Aujourd’hui, les enfants âgés de 15 à 21 ans ne relèvent toujours pas du nouveau système. En fait, une discrimination est donc maintenue.

Pour faire toute la clarté dans ce dossier, j’aimerais obtenir une réponse aux questions suivantes.

Pourquoi l’arrêté royal n’a-t-il pas encore été publié ?

Pourquoi la mesure a-t-elle un effet rétroactif ? Quels sont les arguments juridiques du Conseil d’État à ce sujet ?

Quel est l’impact budgétaire de l’effet rétroactif pour les enfants nés après le 31 décembre 1992 ?

Le gouvernement a-t-il encore l’intention d’étendre le nouveau système aux enfants âgés de 15 à 21 ans sous cette législature ? Cette mesure aura-t-elle également un effet rétroactif ?

Quel est l’impact budgétaire de l’élargissement de la mesure aux enfants âgés de 15 à 21 ans, compte tenu de l’éventuel effet rétroactif jusqu’en mai 2003 ?

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). – Mijn vraag pikt opnieuw de draad op van vragen die ik onlangs al stelde, namelijk mijn vraag om uitleg 3-2070 en mijn mondelinge vraag 3-1190.

Kinderen met een handicap kunnen in de regeling voor werknemers tot 21 jaar een toeslag bij hun kinderbijslag krijgen. Vandaag zijn er twee systemen, afhankelijk van de geboortedatum van het kind. Kinderen geboren voor 2 januari 1996 hebben recht op een toeslag als ze ten minste 66% gehandicapt zijn. Op 1 mei 2003 werd echter een nieuw systeem ingevoerd, voor kinderen geboren na 2 januari 1996. Bedoeling was tot een eerlijker systeem te komen waarbij men niet enkel afhankelijk is van de arbitraire 66%-regel. Sinds 1 januari van dit jaar zouden de begunstigden van het nieuwe systeem uitgebreid moeten zijn naar kinderen geboren na 31 december 1992.

De minister gaf aan in zijn vorig antwoord aan dat het betreffende koninklijk besluit eerstdaags zou worden gepubliceerd. Dat is echter nog niet gebeurd. Daarnaast zou de maatregel terugwerkende kracht hebben tot mei 2003, wellicht op basis van het advies van de Raad van State.

Vandaag vallen de 15 tot 21 jarigen nog altijd niet onder het nieuwe systeem. Eigenlijk wordt dus een discriminatie in stand gehouden.

Om in dit dossier volledige duidelijkheid te krijgen, kreeg ik graag een antwoord op volgende aanvullende vragen.

Waarom is het koninklijk besluit nog altijd niet gepubliceerd?

Waarom heeft de maatregel terugwerkende kracht? Welke juridische argumenten heeft de Raad van State hiervoor?

Wat is de budgettaire impact van de terugwerkende kracht voor kinderen geboren na 31 december 1992?

Is de regering van plan nog in de huidige legislatuur het nieuwe systeem uit te breiden naar de kinderen tussen 15 en 21 jaar? Zal deze maatregel ook met terugwerkende kracht gelden?

Wat is de budgettaire impact van de uitbreiding van de maatregel naar 15 tot 21-jarigen, rekening houdend met een eventueel terugwerkende kracht tot mei 2003?

M. Rudy Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – L’arrêté royal en question a été signé par le Roi le 29 janvier 2007 et envoyé pour publication le 8 février. Il devrait bientôt être publié dans le Moniteur belge.

Toutes les caisses d’allocations familiales ont reçu une circulaire officielle explicative. Elles appliquent le nouveau système depuis le 1er janvier 2007, avec un effet rétroactif au 1er mai 2003, comme je l’ai déjà communiqué dans ma réponse à la demande d’explications 3-2070 du 25 janvier dernier.

Cette rétroactivité est nécessaire pour que les deux systèmes s’appliquent en même temps à partir de la même date. Le Conseil d’État n’a fait aucun commentaire étant donné la motivation de cet effet rétroactif.

Les estimations ont été réalisées par l’ONAFTS. L’avis de l’Inspection des Finances était positif et le budget a été approuvé. Si Mme de Bethune souhaite obtenir davantage de données chiffrées, je puis les lui transmettre par écrit.

Vu l’augmentation des montants en mai 2006 et l’élargissement de la catégorie d’âge au 1er janvier de cette année, il n’y a actuellement aucune autre possibilité budgétaire. Une estimation de cet élargissement sera demandée pour l’avenir.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Het desbetreffende koninklijk besluit op 29 januari 2007 door de Koning ondertekend en op 8 februari doorgestuurd voor publicatie. Het zou weldra in het Belgisch Staatsblad moeten worden gepubliceerd.

Alle kinderbijslagfondsen hebben een officiële en verklarende rondzendbrief ontvangen. Het nieuwe systeem wordt door de fondsen sedert 1 januari 2007 toegepast, met retroactieve werking tot 1 mei 2003, zoals ik al meedeelde in antwoord op de vraag om uitleg 3-2070 van 25 januari jongstleden.

Deze terugwerkende kracht is nodig opdat de twee systemen gelijktijdig bestaan op dezelfde datum. De Raad van State gaf geen bijzondere commentaar, gezien de motivering van deze terugwerkende kracht.

De ramingen werden uitgevoerd door de RKW. Het advies van de Inspectie van Financiën was positief en het budget werd goedgekeurd. Indien mevrouw de Bethune meer cijfergegevens wenst, kan ik ze schriftelijk bezorgen.

Gezien de stijging van de bedragen in mei 2006 en de uitbreiding van de leeftijd op 1 januari van dit jaar, bestaan er op het ogenblik geen andere budgettaire mogelijkheden. Voor de toekomst zal een raming voor deze uitbreiding worden gevraagd.

Mme Sabine de Bethune (CD&V). – Le CD&V soutient cette mesure. C’est une bonne chose qu’elle soit élargie, mais je m’étonne néanmoins que le ministre ne puisse donner aucun chiffre ni une estimation totale du coût de l’introduction d’une mesure déjà connue depuis des années.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). – CD&V staat achter de inhoud van deze maatregel. Het is positief dat deze maatregel wordt uitgebreid, maar toch verrast het mij dat de minister geen cijfers of geen totale raming kan geven van de kostprijs van de invoering van een maatregel die toch al jaren bekend is.

Projet de loi portant des dispositions diverses en vue de la réalisation de l’intégration des petits risques dans l’assurance obligatoire soins de santé pour les travailleurs indépendants (Doc. 3-2025) (Procédure d’évocation)

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen met het oog op de integratie van de kleine risico’s in de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor de zelfstandigen (Stuk 3-2025) (Evocatieprocedure)

Discussion générale

Algemene bespreking

Mme Christel Geerts (SP.A-SPIRIT), rapporteuse. – Je me réfère à mon rapport écrit.

Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT), rapporteur. – Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

M. Jan Steverlynck (CD&V). – Je n’ai pas pu assister aux débats en commission mais j’ai quand même un certain nombre de remarques à formuler.

Le CD&V est totalement d’accord sur le principe de l’intégration des petits risques dans l’assurance obligatoire des travailleurs indépendants. Mes remarques portent essentiellement sur les cotisations des pensionnés. À partir de 2006, les GRAPA seront couverts pour tout le système des petits risques sans devoir payer de cotisation. Alors qu’ils touchent parfois de très petites pensions, les autres pensionnés sont pourtant soumis à une cotisation.

L’argument de la ministre me paraît assez curieux. Selon elle, il n’est pas possible d’instaurer un régime dans lequel les pensionnés ne payeraient rien du tout car ce seraient alors les indépendants actifs qui devraient en supporter entièrement le coût. Je cite un extrait du rapport : « il y a un accord politique pour réclamer aux indépendants pensionnés une cotisation dégressive dans le temps. »

Je peux comprendre que les syndicats d’indépendants soient d’accord. Ils songent en effet aux cotisations que leurs membres actifs devront payer. Mais si l’on interrogeait les organisations de seniors ou d’indépendants pensionnés, on verrait qu’ils n’apprécient pas cette mesure.

À partir de ce raisonnement, on risque à nouveau de créer une discrimination par rapport aux seniors salariés. En effet, contrairement aux seniors indépendants, ils ne paient pas de cotisation distincte. Le problème est encore plus aigu dans le cas de carrières mixtes. Certains indépendants qui ont une carrière limitée en tant qu’indépendants se voient offrir l’assurance petits risques tandis que d’autres indépendants doivent payer une cotisation d’environ trois pour cent sur leurs revenus de pension. Cette cotisation rogne en tout cas douloureusement le pouvoir d’achat des petits pensionnés. Par conséquent, la mesure est, à mes yeux, une occasion manquée.

Les seniors doivent payer environ 24 millions d’euros. Cet argent aurait pu être trouvé dans le Fonds pour le bien-être des indépendants, lequel contient pour l’instant environ 64 millions d’euros. Pour le CD&V, c’est un point négatif d’une mesure que nous trouvons du reste excellente.

Dans le rapport, je lis quelque chose de très surprenant au sujet des indemnités d’invalidité. À la demande de quelques membres de la commission, la ministre rappelle que le régime de sécurité sociale des indépendants est le plus solidaire de tous. Les études du professeur Cantillon l’ont démontré. Par exemple, les indemnités d’invalidité sont identiques, quel que soit le revenu des indépendants. Ce n’est pas le cas dans le régime des salariés.

À ce sujet, la ministre trouve qu’il ne s’agit pas d’un problème en soi mais « qu’il faut que cette indemnité soit suffisamment élevée. Supprimer cette proportionnalité dans le régime des travailleurs salariés pourrait permettre de franchir une étape vers l’intégration complète des régimes des salariés et des indépendants. » Il s’agit sans doute d’un point de vue personnel de la ministre car l’accord de gouvernement, qui lie l’ensemble du gouvernement, prévoit que le gouvernement renforcera le caractère assurantiel des indépendants, précisément pour veiller à ce que les indemnités d’invalidité soient aussi liées au revenu dont ils ont bénéficié avant.

Cela a toujours été l’essence du système. Lorsque l’assurance incapacité de travail a vu le jour en 1971, on a déjà fait référence au montant des pensions, qui étaient alors encore établies sur une base forfaitaire. Depuis 1984, les pensions des indépendants sont proportionnelles. L’accord de gouvernement entendait appliquer une proportionnalité identique pour les indemnités d’invalidité.

C’est pourquoi je m’étonne d’entendre soudain la ministre des Classes moyennes affirmer qu’elle ne voit pas en quoi le fait qu’on n’envisage pas la proportionnalité et que nous devrons peut-être même supprimer cette proportionnalité chez les salariés constitue un problème.

J’aurais aimé entendre la réponse de la ministre et celle de l’ensemble du gouvernement. Je considère qu’un accord de gouvernement a plus de poids que le point de vue personnel d’un ministre.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). – Ik kon niet aanwezig zijn tijdens de commissiebesprekingen, maar ik heb toch een aantal opmerkingen.

De CD&V is het volledig eens met het principe van de integratie van de kleine risico’s in de verplichte verzekering voor zelfstandigen. Mijn opmerkingen hebben vooral betrekking op de bijdragen voor de gepensioneerden. Vanaf 2006 geldt voor de IGO’s het systeem van de volledige kleine risico’s, in de toekomst zelfs zonder de bijdragebetaling. De andere gepensioneerden moeten echter wel een bijdrage betalen, ook al zijn hun pensioenen soms heel klein.

Het argument van de minister vind ik nogal vreemd. Volgens haar kan er geen enkele regeling worden getroffen waarbij de gepensioneerden helemaal niets moeten betalen, want in dat geval zouden de actieve zelfstandigen uiteindelijk deze kosten moeten betalen. Ik citeer uit het verslag: ‘Het politiek akkoord om aan de gepensioneerde zelfstandigen een bijdrage te vragen die degressief is in de tijd.’

Ik kan begrijpen dat zelfstandigenorganisaties het daarmee eens zijn. Als belangenorganisatie van actieve zelfstandigen denken ze immers aan de bijdragen die actieve zelfstandigen zullen moeten betalen. Maar navraag bij organisaties van senioren of gepensioneerde zelfstandigen zou duidelijk maken dat zij dat niet zien zitten.

Op basis van deze redenering riskeert men nu opnieuw een discriminatie te creëren met loontrekkende senioren. Zij betalen namelijk geen afzonderlijke bijdrage, maar de zelfstandige senioren wel. Het probleem is nog nijpender bij gemengde loopbanen. Sommige zelfstandigen met een beperkte loopbaan als loontrekkende krijgen de verzekering voor kleine risico’s gratis, terwijl andere zelfstandigen een bijdrage van ongeveer drie procent op hun pensioeninkomsten moeten betalen. De regering zegt wel dat dit kan worden afgebouwd, maar mijns inziens is die stap overbodig. Bovendien is die bijdrage voor de kleine pensioenen in ieder geval een pijnlijke koopkrachtvermindering. De maatregel is in mijn ogen dan ook echt een gemiste kans.

Naar schatting moeten de senioren samen ongeveer 24 miljoen euro betalen. Dat had men ook kunnen financieren vanuit het Fonds voor de welvaart der zelfstandigen, waar op het ogenblik ongeveer 64 miljoen euro in zit. Dat vindt de CD&V-fractie een minpunt van deze maatregel, die we op zich overigens heel goed vinden.

In het verslag lees ik iets zeer bevreemdend over de invaliditeitsuitkeringen. Op vraag van enkele commissieleden antwoordt de minister dat het socialezekerheidsstelsel der zelfstandigen vandaag het meest solidaire stelsel is. Dat was al gebleken uit de studies van professor Cantillon. Invaliditeitsuitkeringen zijn bijvoorbeeld dezelfde voor iedereen, ongeacht het inkomen van de zelfstandige. Dat is niet het geval in het stelsel van de werknemers.

De minister zegt daarover, aldus het verslag, dat ze dat verschil op zich geen probleem vindt, maar ‘dat de uitkering voldoende hoog moet zijn. Mogelijk kan een stap naar de volledige integratie van de stelsels van zelfstandigen en werknemers worden gezet door deze proportionaliteit op te heffen in het stelsel van de werknemers.’ Vermoedelijk is dit een individueel standpunt van de minister, want het regeerakkoord, dat de hele regering bindt, bepaalt heel duidelijk dat de regering voor de invaliditeitsuitkering van de zelfstandigen het verzekeringskarakter zal versterken, precies om ervoor te zorgen dat de invaliditeitsuitkeringen ook worden gekoppeld aan het voorheen genoten inkomen.

Dat is altijd de bedoeling van het systeem geweest. Toen de arbeidsongeschiktheidsverzekering in 1971 het licht zag, werd al gerefereerd aan het bedrag van de pensioenen, die toen nog forfaitair werden vastgelegd. Sinds 1984 zijn de pensioenen der zelfstandigen proportioneel. Het regeerakkoord had de bedoeling om op dezelfde wijze ook de invaliditeitsuitkeringen proportioneel te maken.

Daarom verrast het me dat de minister van Middenstand nu plots zegt dat ze het geen probleem vindt dat de proportionaliteit niet in het vooruitzicht wordt gesteld en dat we misschien zelfs de proportionaliteit bij de werknemers moeten afschaffen.

Ik had graag het antwoord gekend van de minister én van de hele regering. Ik neem aan dat het regeerakkoord belangrijker is dan een individueel standpunt van een minister.

M. Christian Brotcorne (CDH). – Je me rallie aux propos de M. Steverlynck. Toute amélioration du statut social des indépendants est évidemment une bonne chose. Nous réclamions ce progrès depuis longtemps.

Dans son rapport du mois d’avril 2000, la commission Cantillon suggérait de permettre la couverture des petits risques moyennant une cotisation supplémentaire.

Sur le plan des allocations familiales, elle plaidait en faveur de l’égalité des premiers enfants, que leurs géniteurs soient salariés ou indépendants, puisque l’allocation familiale est un droit de l’enfant. Malheureusement, ce chantier n’est pas encore ouvert.

Dans le domaine de l’incapacité de travail, elle proposait d’aligner les indemnités d’invalidité des indépendants sur celles des salariés et d’augmenter les indemnités de maladie de 20%. M. Steverlynck a rappelé à juste titre que des avancées partielles ont été enregistrées en matière.

En conclusion, même si nous n’avons pu être présents en commission des Affaires sociales, nous saluons le projet. Le CDH le votera sans aucune difficulté.

De heer Christian Brotcorne (CDH). – Ik sluit me aan bij de heer Steverlynck. Elke verbetering van het sociaal statuut van de zelfstandigen is uiteraard een goede zaak. We vragen al lang om deze verbetering.

De commissie-Cantillon heeft in haar rapport van april 2000 voorgesteld de mogelijkheid in te voeren kleine risico’s te dekken door middel van een aanvullende bijdrage.

Op het vlak van de kinderbijslag pleitte de commissie voor gelijke rechten voor de eerste kinderen van zowel zelfstandigen als werknemers, aangezien de kinderbijslag een recht van het kind is. Jammer genoeg wordt daar nog niet aan gewerkt.

Op het vlak van de arbeidsongeschiktheid stelt de commissie voor de invaliditeitsuitkeringen voor de zelfstandigen in overeenstemming te brengen met die van de werknemers en de ziekte-uitkeringen met 20% te verhogen. De heer Steverlynck heeft er terecht op gewezen dat er op dat vlak een gedeeltelijke vooruitgang is geboekt.

Hoewel we niet aanwezig konden zijn in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden, waarderen we dit ontwerp. De CDH zal het graag goedkeuren.

Mme Sabine Laruelle, ministre des Classes moyennes et de l’Agriculture. – Il y a un monde de différence entre un indépendant pensionné et un salarié pensionné. Un salarié paie des cotisations pour les petits risques tout au long de sa carrière. Cette obligation n’existe toujours pas pour les indépendants.

Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw. – Er is een groot verschil tussen een gepensioneerde zelfstandige en een gepensioneerde werknemer. Een werknemer betaalt gedurende zijn hele loopbaan bijdragen voor kleine risico’s. Zelfstandigen zijn daar nog altijd niet toe verplicht.

Au début de la législature, le budget de l’INASTI. accusait un passif de 490 millions d’euros. Aujourd’hui, il est en boni et ce de façon quasi structurelle.

Les organisations représentatives des classes moyennes approuvent les propositions qui sont sur la table. L’intégration de la couverture des petits risques dans le statut social permettra aux pensionnés qui cotisent volontairement de payer beaucoup moins. En outre, nous avons décidé d’aller vers la dégressivité pour les pensionnés. Bien sûr, il est toujours possible de revendiquer davantage mais il faut tenir compte des réalités financières.

Sous cette législature, les indemnités d’invalidité et d’incapacité ont augmenté dans des proportions inédites. Les indemnités d’invalidité ont augmenté de 35% de sorte qu’elle atteignent à présent le minimum des salariés. Quant aux indemnités d’incapacité, elles ont augmenté de plus de 30%, de telle manière qu’il ne restera plus que trois à quatre euros par jour pour rattraper les minima des salariés.

En commission, je me suis exprimée à titre personnel lors d’une discussion à bâtons rompus en disant que mon objectif était de rattraper les minima des salariés, tout en assainissant le budget et en le finançant de façon structurelle. Quand les petits risques seront intégrés, nous verrons de quels moyens nous disposerons. Toutefois, je suis personnellement opposée à l’idée d’augmenter les cotisations sociales pour rendre les indemnités d’invalidité proportionnelles.

L’accord de gouvernement prévoyait de renforcer les indemnités d’invalidité. Ce point est acquis.

Concernant les allocations familiales, monsieur Brotcorne, les améliorations que ce gouvernement apporte au statut social semblent susciter pas mal d’envies, car de nombreuses formations en demandent toujours plus.

C’est la première fois, je vous le rappelle, que les allocations familiales accordées pour le premier enfant augmenteront. Plus de la moitié du « décrochage » sera ainsi rattrapée en une seule fois.

Pour le reste, ce gouvernement n’a jamais promis de raser gratis et ne souhaite pas le faire. J’espère que ceux qui reprendront ces compétences agiront dans le même sens car, on le sait, une telle réforme est impayable.

Aan het begin van de regeerperiode vertoonde de begroting van het RSVZ een tekort van 490 miljoen euro. Vandaag vertoont ze een vrijwel structureel overschot.

De middenstandsorganisaties keuren de voorliggende voorstellen goed. Door de integratie van de dekking van de kleine risico’s in het sociaal stelsel zullen de gepensioneerden die vrijwillig bijdragen, veel minder moeten betalen. Bovendien hebben we beslist de degressie voor de gepensioneerden geleidelijk in te voeren. Men kan natuurlijk altijd meer eisen, maar we moeten rekening houden met de financiële realiteit.

Tijdens deze regeerperiode zijn de invaliditeitsuitkeringen en de uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid zoals nooit tevoren gestegen. De invaliditeitsuitkeringen zijn met 35% gestegen. Momenteel bedragen ze even veel als het minimum voor werknemers. De uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid zijn met meer dan 30% gestegen. Nu bedragen ze per dag nog slechts drie of vier euro minder dan de minima voor werknemers.

In de commissie heb ik tijdens een debat uit mijn persoonlijke naam gesproken toen ik zei dat mijn doelstelling erin bestond de bedragen van de minima voor werknemers te bereiken en tegelijkertijd de begroting te saneren en op een structurele wijze te financieren. Als de kleine risico’s geïntegreerd zullen zijn, zullen we zien over hoeveel middelen we beschikken. Ik ben evenwel persoonlijk gekant tegen een verhoging van de sociale bijdragen om de invaliditeitsuitkeringen proportioneel te kunnen maken.

Het regeerakkoord voorzag in een verhoging van de invaliditeitsuitkeringen. Die is gerealiseerd.

Op het vlak van de kinderbijslagen zetten de verbeteringen die de regering aanbrengt, er blijkbaar velen toe aan almaar meer te vragen.

Het is de eerste keer dat de kinderbijslagen voor het eerste kind zullen stijgen. Daarmee wordt in één keer meer dan de helft van het verschil weggewerkt.

Voor het overige heeft deze regering nooit beloofd alles gratis te zullen maken en wil ze dat ook niet doen. Ik hoop dat zij die deze bevoegdheden zullen overnemen, in dezelfde zin zullen optreden. Zulk een hervorming is immers onbetaalbaar.

M. Jan Steverlynck (CD&V). – Beaucoup de pensionnés indépendants ont volontairement payé durant leur carrière des cotisations pour les petits risques. L’argument avancé par le ministre pour défendre cette nouvelle discrimination n’est donc pas pertinent.

On comprend que les organisations d’indépendants approuvent la nouvelle réglementation, car elles défendent les indépendants actifs et ne souhaitent donc pas que ceux-ci doivent payer des cotisations supplémentaires. Toutefois, on introduit une nouvelle discrimination en faisant payer les seniors indépendants et non les salariés. C’est un choix politique.

Je trouve singulier le point de vue du ministre sur la proportionnalité dans le système d’assurance. L’accord de gouvernement stipule expressément que le caractère d’assurance des allocations d’incapacité de travail sera renforcé. La ministre Laruelle signale expressément qu’elle ne le fera pas. Quel est le point de vue du ministre Demotte à ce propos ?

De heer Jan Steverlynck (CD&V). – Heel wat gepensioneerde zelfstandigen hebben gedurende hun loopbaan vrijwillig bijgedragen voor kleine risico’s betaald. Het argument dat de minister aanvoert om deze nieuwe discriminatie te verdedigen, gaat dus niet op.

De organisaties van zelfstandigen gaan begrijpelijkerwijze akkoord met de nieuwe regeling, want zij verdedigen de actieve zelfstandigen en wensen dus niet dat de actieve zelfstandigen extra moeten betalen. Er wordt echter een nieuwe discriminatie ingevoerd door zelfstandige senioren te laten betalen en loontrekkende niet. Dat is een politieke keuze.

Het standpunt van de minister over de proportionaliteit in het verzekeringssysteem vind ik vreemd. In het regeerakkoord staat uitdrukkelijk dat het verzekeringskarakter van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zal worden versterkt. Minister Laruelle stelt uitdrukkelijk dat ze dat niet zal doen. Wat is het standpunt van minister Demotte daarover?

M. Rudy Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – Concernant le projet lui-même, les avancées enregistrées en matière de couverture des petits risques me semblent très positives.

Comme il s’agit d’un sujet politique d’une importance majeure, je tiens à répéter en séance plénière ce que j’ai dit en commission.

Le principe consistant à considérer que les indépendants bénéficient de la couverture des gros risques sur la base du principe philosophique selon lequel il faut couvrir les risques vitaux est suranné. En effet, on a intégré dans le concept de « petits risques » des éléments qui couvrent des risques vitaux. Je pense notamment à la politique relative aux médicaments.

Il était donc utile de prendre des dispositions en vue de reconnaître cette évolution progressive du concept de « gros risques » vers celui de « petits risques ».

Quant au financement, le gouvernement a toujours voulu assurer les voies et moyens nécessaires pour remplir ses engagements. En d’autres termes, il n’a jamais voulu mettre en œuvre des politiques dont il ne parviendrait pas à assumer le coût dans le futur. Il est toujours dans nos intentions – je me réfère ici à la déclaration du gouvernement – de faire en sorte d’introduire davantage d’équité dans les modes de financement.

Mme la ministre des Classes moyennes a livré son point de vue personnel, qui n’altère en rien l’axe gouvernemental que je défends. Jusqu’à présent en effet, nous avons chaque fois libéré les moyens nécessaires pour financer les avancées. En matière de pension par exemple, nous avons pris des dispositions particulières pour que les personnes dont la pension est modeste – la GRAPA – puissent accéder à la couverture des petits risques de manière prioritaire. Pourquoi ? Parmi les pensionnés indépendants, ceux qui bénéficiaient de la pension minimale étaient particulièrement menacés par l’absence de la couverture « petits risques ».

Par ailleurs, nous avons laissé la question du financement futur en suspens, précisément pour permettre le débat – complexe – avec les organisations représentatives des indépendants et parce que le gouvernement ne voulait pas faire montre d’une attitude autoritaire en imposant, uniquement sur la base de ses propres choix, une voie à suivre en la matière. Cette option reste donc ouverte.

À titre personnel, je suis favorable à une augmentation de la solidarité entre les différents niveaux de revenus des indépendants, mais je n’ai pas encore déterminé – tel est l’objet de la discussion – les modalités de cette réforme.

Je me réjouis de l’équilibre des régimes de salarié et d’indépendant en sécurité sociale parce que c’est l’équilibre budgétaire qui constitue la garantie absolue du paiement des prestations sociales. Là, nous avons fait œuvre commune en trouvant des moyens budgétaires pour financer ces deux branches de la sécurité sociale – régimes salarié et indépendant – qui sont un des fleurons de notre société, reconnu non seulement en Belgique mais aussi à l’étranger.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Dit ontwerp is op het vlak van de dekking van de kleine risico’s een grote vooruitgang.

Aangezien dit een zeer belangrijk politiek onderwerp is, wil ik in de plenaire vergadering herhalen wat ik in de commissie heb gezegd.

Het principe dat zelfstandigen gedekt zijn voor de grote risico’s op basis van het principe dat vitale risico’s moeten worden gedekt, is achterhaald. We hebben in het concept ‘kleine risico’s’ elementen geïntegreerd die vitale risico’s dekken. Ik denk in het bijzonder aan het geneesmiddelenbeleid.

Er moesten dus maatregelen worden genomen om die geleidelijke evolutie van het concept ‘grote risico’s’ naar dat van ‘kleine risico’s’ te erkennen.

Wat de financiering betreft, heeft de regering steeds willen zorgen voor de nodige middelen om haar verbintenissen na te komen. Met andere woorden, de regering wou nooit maatregelen invoeren waarvan ze de kosten in de toekomst niet kon dragen. We streven er altijd naar – ik verwijs op dit punt naar de regeringsverklaring – de financieringswijzen rechtvaardiger te maken.

De minister van Middenstand heeft haar persoonlijk standpunt gegeven, dat op geen enkel punt de regeringslijn, die ik verdedig, geweld aandoet. Tot nu toe hebben we immers telkens de nodige middelen vrijgemaakt om de verbeteringen te financieren. Op het vlak van de pensioenen bijvoorbeeld, hebben we bijzondere maatregelen genomen opdat personen met een bescheiden pensioen – de IGO – bij voorrang toegang krijgen tot de dekking van de kleine risico’s. De gepensioneerden die een minimumpensioen genoten, waren immers een bijzonder kwetsbare groep binnen de zelfstandigen door het ontbreken van de dekking van de kleine risico’s.

Overigens hebben we het vraagstuk over de toekomstige financiering open gelaten, precies om een – ingewikkeld – debat met de organisaties van zelfstandigen mogelijk te maken en omdat de regering geen blijk wou geven van een autoritaire houding door uitsluitend op basis van haar eigen keuzes een weg op te dringen. Die optie blijft dus open.

Persoonlijk ben ik voorstander van een versterking van de solidariteit tussen de verschillende inkomensniveaus van de zelfstandigen, maar over de manier waarop dat moet gebeuren heb ik nog niet beslist. Dat is het onderwerp van het debat.

Ik ben tevreden met het evenwicht in de stelsels van de werknemers en de zelfstandigen in de sociale zekerheid, want het budgettaire evenwicht vormt de absolute waarborg voor de betaling van de sociale uitkeringen. Op dat punt hebben we samengewerkt om budgettaire middelen te vinden voor de financiering van de twee takken van de sociale zekerheid – het stelsel van de werknemers en dat van de zelfstandigen. Ze behoren tot de belangrijkste verworvenheden van onze samenleving en krijgen zowel in België als in het buitenland erkenning.

M. Jan Steverlynck (CD&V). – Ce que dit la ministre est exact. On choisit de payer un montant de 24 millions d’euros avec les cotisations des seniors alors que 64 millions d’euros sont disponibles dans le Fonds pour le bien-être des indépendants. Le gouvernement aurait donc pu puiser dans ce Fonds plutôt que d’instaurer une nouvelle discrimination.

Ma question au ministre Demotte portait cependant sur les indemnités d’incapacité de travail. Dans l’accord de gouvernement, on opte pour un renforcement du caractère assurantiel. La ministre Laruelle se distance donc du point de vue du gouvernement. Le ministre Demotte n’a pas répondu à ma question à ce sujet. J’aurais espéré qu’il traduirait le point de vue du gouvernement.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). – Wat de minister zegt is juist. Er wordt gekozen om een bedrag van 24 miljoen euro met bijdragen van senioren te betalen, terwijl er in het Fonds voor de welvaart der zelfstandigen 64 miljoen euro voorhanden is. De regering had dus kunnen beslissen het bedrag uit dat fonds te betalen en geen nieuwe discriminatie in te voeren.

Mijn vraag aan minister Demotte ging echter over de uikeringen voor arbeidsongeschiktheid. In het regeerakkoord wordt gekozen voor een versterking van het verzekeringskarakter. Minister Laruelle neemt blijkbaar een ander standpunt dan dat van de regering in. Minister Demotte heeft niet geantwoord op mijn vraag daarover. Ik had verwacht dat hij het standpunt van de regering zou vertolken.

M. Rudy Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – Sur ce point, nous avons décidé une démarche par étapes. Nous n’avons pas dit que le rattrapage se ferait de manière absolue et à 100%. Nous sommes actuellement à 35% d’augmentation. Nous avons donc franchi un premier pas. Peut-être faudra-t-il poursuivre sur cette voie. Quelle que soit la majorité future, nous espérons que cet engagement sera tenu.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Op dat punt hebben we beslist in fasen te werken. We hebben niet gezegd dat de inhaalbeweging absoluut en volledig zou zijn. Op dit moment zitten we aan een verhoging van 35%. We hebben dus een eerste stap gezet. Misschien moeten we in die richting verder gaan. We hopen dat die verbintenis zal worden nagekomen, wie ook de toekomstige meerderheid zal vormen.

La discussion générale est close.

De algemene bespreking is gesloten.

Discussion des articles

Artikelsgewijze bespreking

(Le texte adopté par la commission des Affaires sociales est identique au texte du projet transmis par la Chambre des représentants. Voir le document Chambre 51-2764/5.)

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2764/5.)

Il sera procédé ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de loi.

De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Projet de loi modifiant le Code judiciaire, notamment les dispositions relatives au personnel judiciaire de niveau A, aux greffiers et aux secrétaires ainsi que les dispositions relatives à l’organisation judiciaire (Doc. 3-2009)

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie (Stuk 3-2009)

Projet de loi organisant les relations entre les autorités publiques et les organisations syndicales des greffiers de l’ordre judiciaire, les référendaires près la Cour de cassation, les référendaires et les juristes de parquet près les cours et tribunaux (Doc. 3-2010)

Wetsontwerp tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van de griffiers van de rechterlijke orde, de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de referendarissen en de parketjuristen bij de hoven en rechtbanken (Stuk 3-2010)

Mme la présidente. – Je vous propose de joindre la discussion de ces projets de loi. (Assentiment)

De voorzitter. – Ik stel voor deze wetsontwerpen samen te bespreken. (Instemming)

Discussion générale

Algemene bespreking

M. Luc Willems (VLD), rapporteur. – Je ferai rapport pour le projet de loi modifiant le Code judiciaire. Pour l’autre projet, je me réfère à mon rapport écrit.

Le projet de loi modifiant le Code judiciaire tend à moderniser la carrière du personnel judiciaire de niveau A, des greffiers et des secrétaires. Il concerne l’adaptation de la structure organisationnelle, au sein de laquelle le magistrat chef de corps est compétent pour la direction générale et l’organisation du tribunal. Des services d’appui sont également créés, et la mobilité du personnel est considérablement élargie. Actuellement, un problème se pose du fait qu’un grand nombre de membres du personnel de différents niveaux ont des fonctions au contenu identique ou que des membres du personnel d’un même niveau ont des fonctions dont le contenu diffère quant à leur volume et à leur complexité. L’expertise et les aptitudes des intéressés ne sont pas suffisamment valorisées.

Ainsi le contenu de la fonction de greffier et de secrétaire correspond pratiquement à celui de la fonction de greffier adjoint et de secrétaire adjoint. Ces deux derniers grades sont dès lors supprimés.

Sur la base du contenu des tâches, de la formation requise et des responsabilités, les greffiers et les secrétaires sont intégrés dans le niveau B. La ministre a réagi à la critique selon laquelle les greffiers seraient dégradés et a souligné que le projet de loi ne modifiait pas la description des tâches du greffier, telle que visée à l’article 171 du Code judiciaire.

Environ 10% des membres actuels des greffes et secrétariats de parquet ont bénéficié d’une formation universitaire. La moitié d’entre eux sont juristes. La plupart d’entre eux ont commencé au niveau D et ont ensuite présenté l’examen de candidat-greffier et de candidat-secrétaire. Cet examen ne peut toutefois pas être comparé à l’examen de niveau universitaire que les agents de l’État de niveau A doivent présenter.

Le projet permet l’arrivée de candidats externes titulaires d’un diplôme approprié. Actuellement, les grades de greffier et de secrétaire sont uniquement des grades de promotion. On doit donc commencer sa carrière au bas de l’échelle. À présent, le grade devient un grade de recrutement. Je commenterai tout à l’heure un amendement qui porte sur ce point.

La France suit également la logique d’intégration des greffiers dans le niveau B et la ministre a cité ce pays en exemple. Intégrer la fonction dans un niveau supérieur serait néfaste parce que cela conduirait à une surreprésentation d’universitaires dans les greffes. La mobilité future de et vers la fonction publique pourrait non seulement s’en trouver extrêmement compliquée mais, de plus, elle ne serait pas davantage équitable, et l’incidence budgétaire ne correspondrait pas à la plus-value pour l’organisation judiciaire.

Enfin, cette catégorie de personnel judiciaire se voit attribuer l’échelle de traitement la plus élevée des agents de l’État de niveau B. Cette échelle de traitement est sensiblement plus élevée que celle du personnel judiciaire administratif de niveau B et correspond même dans certains cas à certaines échelles de traitement de niveau A.

Le personnel judiciaire de niveau A comprend les référendaires, les juristes de parquet, les attachés, les greffiers en chef, les secrétaires en chef, les greffiers-chefs de service, les secrétaires-chefs de service et les membres du personnel des services d’appui. Les fonctions dans le niveau A sont décrites, groupées, pondérées entre elles et finalement classées par le Roi dans une des cinq classes de A1 à A5. Cette pondération suit la méthodologie utilisée pour l’engagement des agents de l’État.

En ce qui concerne l’organisation générale, la sélection est professionnalisée et on fait appel au SELOR. Le personnel judiciaire peut développer sa carrière de deux manières : par la promotion administrative ou par la promotion par avancement barémique. Une série de mesures transitoires ont été prévues, tant sur le plan du traitement que sur celui du développement de la carrière. Les structures de gestion sont également adaptées : le magistrat chef de corps est compétent pour la direction générale et l’organisation de la cour ou du tribunal. Pour que cette tâche puisse être accomplie de manière optimale, un certain nombre d’initiatives ont été prises : le chef de corps est chargé explicitement de la direction de la cour ou du tribunal, le greffier en chef est placé sous son autorité et sa surveillance, et des services d’appui sont créés pour l’assister dans la fonction de management. Beaucoup de tâches actuelles et futures peuvent en effet difficilement être intégrées à un greffe ou un parquet, comme le personnel des services d’assistance administrative ou managériale, à savoir le personnel en charge de l’accueil, le personnel de sécurité et les gestionnaires des bâtiments. Un certain nombre de ces fonctions ont été attribuées à des contractuels, ce qui complique l’introduction d’une politique plus autonome et plus professionnelle au sein des cours et tribunaux. La création de services d’appui doit remédier à ce problème. Ces services sont à la disposition de l’ensemble de l’organisation judiciaire. Le personnel reçoit un statut à part entière et se voit soumis au même règlement statutaire que celui du reste du personnel judiciaire.

Il est également prévu de créer un service d’appui commun pour le Collège des procureurs généraux, le Conseil des procureurs du Roi et le Conseil des auditeurs du travail. La ministre a estimé l’incidence budgétaire à dix millions d’euros.

En commission, ce sont surtout des amendements techniques qui ont été adoptés. L’amendement nº 83 à l’article 68 étend le principe de la promotion aux fonctions de greffier en chef et au niveau A afin de favoriser les membres du personnel ayant une expérience interne.

Nous avons reçu aujourd’hui encore un certain nombre d’amendements qui ont été discutés et adoptés en commission après l’exposé de la ministre, sur la base des négociations qui ont été menées avec les associations de greffiers.

Un amendement nº 138 a été déposé à l’article 16. Il accorde aux responsables de l’ordre judiciaire un rôle important dans la détermination et la délimitation du contenu de différentes fonctions dans le cadre des objectifs de la justice en tant qu’organisation.

Le gouvernement a opté pour l’intégration des fonctions de greffier et de secrétaire dans le niveau B. Si les responsables de l’ordre judiciaire devaient cependant estimer que le contenu de certaines fonctions évolue dans une mesure telle qu’il serait opportun que le législateur les répartisse différemment, ils devraient pouvoir faire appel aux comités de pondération créés à l’article 15 pour le niveau A. L’amendement donne donc une plus grande responsabilité aux responsables de l’ordre judiciaire, ainsi que la possibilité de transférer les fonctions du niveau B vers le niveau A, sans devoir modifier la loi. La ministre a aussi cité l’exemple des greffiers près le juge d’instruction.

En réponse à la question de M. Vandenberghe sur les conséquences de cette modification pour les référendaires et les juristes de parquets, la ministre a déclaré que l’amendement n’apporte aucune modification pour les catégories qui ont déjà été intégrées dans le niveau A. L’amendement concerne uniquement les fonctions du niveau B.

M. Mahoux a souhaité savoir qui décide de ce changement de niveau car, dans la justification de l’amendement, il est clairement question de l’intervention du législateur. La ministre a confirmé que le législateur devait effectivement agir, mais que c’est l’ordre judiciaire qui était responsable. La procédure de transfert du niveau B vers le niveau A est déjà fixée par la loi.

M. Vandenberghe a souhaité savoir pourquoi l’amendement prévoit que l’avis du Collège des procureurs généraux suffit, alors qu’un avis conforme du premier président des cours d’appel est nécessaire.

La ministre a répondu que, conformément au Code judiciaire, le Collège des procureurs généraux peut prendre une décision collégiale en tant qu’organe. Les premiers présidents sont au nombre de cinq, et un avis conforme est nécessaire.

M. Vandenberghe a toutefois maintenu son point de vue. Ce n’est pas parce que le Collège des procureurs généraux est une organe collégial que l’on ne peut pas l’obliger à prendre des décisions conformes sur des choses fondamentales.

M. Mahoux a estimé que les mots « sur avis du » étaient peu adéquats. Les termes « à la demande du » conviendraient mieux.

M. Vandenberghe a déposé un sous-amendement nº 144 tendant à remplacer les mots « à la demande du collège des procureurs généraux ou sur avis conforme des premiers présidents des cours d’appel » par les mots « sur la demande du collège des procureurs généraux ou des premiers présidents des cours d’appel ou des cours du travail ».

L’amendement nº 138 du gouvernement, tel que modifié par le sous-amendement nº 144 de M. Vandenberghe, a été adopté à l’unanimité des 10 membres présents.

L’article amendé a également été adopté à l’unanimité des 10 membres présents.

Un amendement nº 139 à été déposé à l’article 51. Je me réfère à la justification. L’amendement et l’article ainsi amendé ont été adoptés à l’unanimité des 10 membres présents.

Un amendement nº 140 a été déposé à l’article 52. Je me réfère de nouveau à la justification. L’amendement et l’article ainsi amendé ont été adoptés à l’unanimité des 10 membres présents.

Un amendement nº 141 a été déposé à l’article 55. Je me réfère de nouveau à la justification. L’amendement et l’article ainsi amendé ont été adoptés à l’unanimité des 10 membres présents.

Un amendement nº 142 a été déposé à l’article 56. Je me réfère de nouveau à la justification. L’amendement et l’article ainsi amendé ont été adoptés à l’unanimité des 10 membres présents.

Un amendement nº 143 a été déposé à l’article 183. Il tend à faire passer de six à dix ans la période d’accession simplifiée au niveau A. Ainsi, presque tous les greffiers adjoints, secrétaires adjoints, greffiers adjoints principaux et secrétaires adjoints principaux déjà en service pourront recourir à cette mesure transitoire. L’amendement et l’article ainsi amendé ont été adoptés à l’unanimité des 10 membres présents.

L’ensemble du projet de loi amendé a été adopté à l’unanimité des 10 membres présents.

De heer Luc Willems (VLD), rapporteur. – Ik zal verslag uitbrengen over het ontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek. Voor het andere ontwerp verwijs ik naar mijn schriftelijk verslag.

Het ontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek beoogt de modernisering van de loopbaan van het gerechtspersoneel van niveau A, van de griffiers en van de secretarissen. Het betreft de aanpassing van de organisatiestructuur, waarin de magistraat-korpsoverste bevoegd wordt voor de algemene leiding en de organisatie van de rechtbank. Er worden ook steundiensten opgericht en de mobiliteit van het personeel wordt gevoelig uitgebreid. Momenteel rijst het probleem dat tal van personeelsleden van een verschillend niveau een identieke taakinhoud hebben of dat personeelsleden van eenzelfde niveau een taakinhoud hebben die uiteenloopt in zwaarte en complexiteit. De expertise en de vaardigheden van betrokkenen worden onvoldoende gewaardeerd.

Zo blijkt de inhoud van de functie van griffier en secretaris nagenoeg overeen te stemmen met die van adjunct-griffier en adjunct-secretaris. Beide laatste graden worden dan ook opgeheven.

Op basis van taakinhoud, vereiste opleiding en verantwoordelijkheden worden griffiers en secretarissen in het ontwerp ondergebracht bij niveau B. De minister reageerde op de kritiek als zouden de griffiers gedegradeerd worden en beklemtoonde dat het wetsontwerp de taakomschrijving van de griffier zoals bepaald in artikel 171 van het Gerechtelijk Wetboek niet wijzigt.

Van de huidige leden van de griffies en parketsecretariaten heeft ongeveer 10 procent een universitaire opleiding genoten. De helft ervan is jurist. De meesten zijn hun loopbaan gestart op niveau D en namen vervolgens deel aan het examen voor kandidaat-griffier en -secretaris. Dat examen kan evenwel niet worden vergeleken met het examen op universitair niveau zoals federale ambtenaren van niveau A er één moeten afleggen.

Het ontwerp maakt het mogelijk dat externe kandidaten met een gepast diploma instromen. Momenteel zijn de graden van griffier en secretaris alleen bevorderingsgraden. Men dient zijn loopbaan dus onderaan de ladder te starten. Nu wordt de graad een wervingsgraad. Straks zal ik een amendement toelichten dat hierop betrekking heeft.

Ook Frankrijk volgt de logica die de griffiers onderbrengt bij het niveau B en de minister haalt dat als voorbeeld aan. De functie opnemen in een hoger niveau zou nefast zijn, omdat dat aanleiding geeft tot een overwicht aan universitairen bij de griffies. De toekomstige mobiliteit van en naar het openbaar ambt zou er niet alleen uitermate door bemoeilijkt kunnen worden, het zou evenmin billijk zijn en de budgettaire weerslag ervan zou niet overeenstemmen met de meerwaarde voor de gerechtelijke organisatie.

Ten slotte krijgt die categorie van gerechtspersoneel de hoogste salarisschaal van de federale ambtenaren van niveau B. Die is merkelijk hoger dan die van het administratieve gerechtspersoneel van niveau B en stemt in bepaalde gevallen zelfs overeen met bepaalde salarisschalen van niveau A. Tot daar de regelgeving voor de griffiers.

Het gerechtspersoneel van niveau A bestaat uit referendarissen, parketjuristen, attachés, hoofdgriffiers, hoofdsecretarissen, griffiers-hoofd van dienst, secretarissen-hoofd van dienst en de personeelsleden van de steundiensten. De functies van niveau A worden beschreven, gegroepeerd, onderling gewogen en uiteindelijk door de Koning geclassificeerd in één van de vijf vakklassen van A1 tot A5. Die weging volgt de methodiek voor indienstneming van federale ambtenaren.

Wat de algemene organisatie betreft, wordt de selectie geprofessionaliseerd en wordt SELOR ingeschakeld. Het gerechtspersoneel kan zijn loopbaan op twee manieren uitbouwen: door administratieve bevordering of door bevordering in weddenschaal. Er wordt in een reeks overgangsmaatregelen voorzien, zowel op het vlak van de wedde als op het vlak van de loopbaanontwikkeling. Ook de beheersstructuren worden aangepast: de magistraat-korpsoverste wordt bevoegd voor de algemene leiding en de organisatie van het hof of de rechtbank. Voor een optimale uitoefening van deze taak wordt ook een aantal initiatieven genomen: de korpsoverste wordt expliciet belast met de leiding van het hof of de rechtbank, de hoofdgriffier komt onder zijn gezag en toezicht en er worden steundiensten opgericht die hem bijstaan in zijn managementfunctie. Tal van actuele en toekomstige functies kunnen immers moeilijk worden ondergebracht in een griffie of een parket, zoals het personeel van administratieve of managementondersteunende diensten, namelijk het onthaalpersoneel, het veiligheidspersoneel en de beheerders van de gebouwen. Een aantal van die functies werd toegewezen aan contractuele personeelsleden, wat het invoeren van een meer autonoom en professioneel beleid van de hoven en rechtbanken bemoeilijkt. De oprichting van steundiensten in hoven en rechtbanken op verzoek van de korpschef moet dit probleem verhelpen. Die diensten staan immers ten dienste van de hele rechterlijke orde. Het personeel krijgt een volwaardig statuut en eenzelfde rechtspositie als het andere gerechtspersoneel.

Er wordt ook voorzien in de oprichting van een gemeenschappelijke steundienst ten behoeve van het College van procureurs-generaal, de Raad van procureurs des Konings en de Raad van arbeidsauditeurs. De budgettaire weerslag werd door de minister geraamd op 10 miljoen euro.

In de commissie werden vooral amendementen aanvaard die technische aanpassingen voorstelden. Amendement 83 bij artikel 68 verruimt het principe van de bevordering tot de functies van hoofdgriffier en niveau A, zodat de personeelsleden met interne ervaring een voordeel krijgen.

We hebben vandaag nog een aantal amendementen ontvangen die in de commissie werden besproken en goedgekeurd na toelichting door de minister, op basis van de onderhandelingen die met de verenigingen van griffiers werden gevoerd.

Bij artikel 16 werd amendement 138 ingediend. Het geeft de verantwoordelijken van de rechterlijke orde een belangrijke inbreng voor het bepalen en afbakenen van de inhoud van diverse functies in het kader van de doelstellingen van justitie als organisatie.

De regering heeft ervoor gekozen de functies van griffier en secretaris te integreren in niveau B. Mochten de verantwoordelijken van de rechterlijke orde evenwel van oordeel zijn dat de inhoud van bepaalde functies dermate evolueert dat het opportuun zou zijn dat de wetgever ze anders indeelt, moeten zij gebruik kunnen maken van de bestaande wegingscomités die bij artikel 15 werden opgericht voor niveau A. Het amendement geeft de chefs van de rechterlijke orde dus een grotere verantwoordelijkheid, alsook de mogelijkheid om de functies van niveau B over te hevelen naar niveau A, zonder dat de wet moet worden gewijzigd. De minister haalde ook het voorbeeld aan van de griffiers bij de onderzoeksrechter.

Op de vraag van collega Hugo Vandenberghe welke gevolgen deze wijziging heeft voor de referendarissen en de parketjuristen antwoordde de minister dat het amendement geen enkele wijziging tot gevolg heeft voor de categorieën die reeds in niveau A werden ondergebracht. Het amendement heeft alleen betrekking op functies van niveau B.

Collega Mahoux wenste te weten wie beslist over die upgrading, want in de verantwoording van het amendement is er duidelijk sprake van de tussenkomst van de wetgever. De minister bevestigde dat de wetgever inderdaad dient op te treden, maar dat de verantwoordelijkheid bij de rechterlijke orde ligt. De procedure om van niveau B te worden overgeheveld naar niveau A werd reeds bij wet vastgelegd.

Collega Hugo Vandenberghe wilde weten waarom het amendement bepaalt dat het advies van het College van procureurs-generaal volstaat, terwijl een eensluidend advies nodig is van de eerste voorzitter van de hoven van beroep.

De minister antwoordde dat het College van procureurs-generaal overeenkomstig het Gerechtelijk Wetboek een collegiale beslissing kan nemen als orgaan. De eerste voorzitters zijn vijf individuen en een eensluidend advies is noodzakelijk.

De heer Vandenberghe bleef evenwel bij zijn standpunt. Het is niet omdat het College van procureurs-generaal een collegiaal orgaan is dat men dit niet kan verplichten eensluidend te beslissen over fundamentele zaken.

Collega Mahoux vond de woorden ‘op advies van’ slecht gekozen. Het gaat veeleer om ‘op vraag van’.

De heer Vandenberghe diende een subamendement nr. 144 in dat ertoe strekte de woorden ‘op vraag van het College van procureurs-generaal of op eensluidend advies van de eerste voorzitters van de hoven van beroep’ te vervangen door de woorden ‘op vraag van het College van procureurs-generaal of van de eerste voorzitters van de hoven van beroep of van de arbeidshoven’.

Het amendement nr. 138 van de regering, gesubamendeerd door het amendement nr. 144 van de heer Hugo Vandenberghe, werd eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.

Het geamendeerde artikel werd ook eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.

Bij artikel 51 werd een amendement nr. 139 ingediend. Ik verwijs naar de toelichting ervan. Het amendement en het aldus geamendeerde artikel werden eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.

Bij artikel 52 werd een amendement nr. 140 ingediend. Ik verwijs opnieuw naar de toelichting ervan. Het amendement en het aldus geamendeerde artikel werden eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.

Bij artikel 55 werd een amendement nr. 141 ingediend. Ik verwijs opnieuw naar de toelichting ervan. Het amendement en het aldus geamendeerde artikel werden eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.

Bij artikel 56 werd een amendement nr. 142 ingediend. Ik verwijs opnieuw naar de toelichting ervan. Het amendement en het aldus geamendeerde artikel werden eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.

Bij artikel 183 werd een amendement nr. 143 ingediend dat ertoe strekt de periode van vereenvoudigde overgang naar het niveau A uit te breiden van 6 tot 10 jaar. Zodoende zullen vrijwel alle reeds in dienst zijnde adjunct-griffiers, adjunct-secretarissen, eerstaanwezend adjunct-griffiers, of eerstaanwezend adjunct-secretarissen gebruik kunnen maken van deze overgangsmaatregel. Het amendement en het aldus geamendeerde artikel werden eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.

Het geamendeerde wetsontwerp in zijn geheel werd eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.

M. Christian Brotcorne (CDH). – Je me permettrai de globaliser mon intervention sur les deux projets puisqu’ils sont manifestement liés. Notre vote sera toutefois différent dans chaque cas puisque nous nous abstiendrons sur le document nº 3-2009, tandis que nous émettrons un vote positif sur le document nº 3-2010.

La mise en place du statut syndical pour le personnel judiciaire de niveau A, les greffiers et les secrétaires, visé au document nº 3-2010, ne nous pose aucune difficulté. Cette représentation syndicale permettra aux personnes concernées de mieux faire entendre leurs revendications.

En revanche, il nous semblait indispensable d’attendre la mise en place de ces organisations syndicales du personnel concerné avant de leur soumettre le projet nº 3-2009 qui vise précisément à réformer le statut des personnes qu’elles sont censées représenter. Il est regrettable que l’on ait agi ainsi avant la mise en œuvre de la représentation syndicale.

Le principal reproche du secteur à l’égard du projet déposé est que la concertation fut insuffisante. Il est exact que les greffiers se plaignent de ce manque de concertation. La fonction ne bénéficiant jusqu’ici ni de statut à part entière ni de représentation syndicale, la réforme aurait probablement été globalement développée pour tous les secteurs de l’administration sans attention suffisante pour leur situation.

Mme la ministre elle-même ou ses délégués se sont d’ailleurs rendus à plusieurs reprises, récemment encore, dans la région de Liège et des délégations de greffiers ont été reçues à son cabinet. C’est sans doute ce qui explique aussi l’amendement nº 138 du gouvernement déposé après le rapport et adopté en commission.

Certes, le projet améliore globalement le statut des greffiers, essentiellement en ce qui concerne la formation continue et en ce qu’il permet à ceux qui veulent s’inscrire dans la carrière à partir du niveau D de continuer à le faire. Sur le plan salarial, le projet procède à une revalorisation immédiate du statut. Néanmoins, il faut en être conscient, la carrière à long terme sera moins avantageuse que par le passé.

Au CDH, nous estimons fondées les critiques principales formulées par les greffiers, et je les citerai rapidement.

1. Placer les greffiers dans le niveau B sans réalisation préalable d’une pondération de fonction est anormal. En outre, une pondération des fonctions de secrétaires – qui n’assument pas les tâches d’assistance au juge – avait été réalisée en son temps, quand le ministre Verwilghen, alors en fonction, avait conclu au classement des secrétaires dans le niveau A. A fortiori, une pondération des fonctions de greffier devrait amener à classer ce grade dans le niveau A, vu la dualité desdites fonctions.

Dans son avis, le Conseil supérieur de la justice insiste sur la nécessité de ne développer une vision de l’organisation judiciaire qu’après avoir procédé à une analyse détaillée des fonctions de tous les acteurs majeurs des services de l’ordre judiciaire. Ce n’est qu’après cette analyse que le niveau de toutes les fonctions pourra être déterminé.

« Il est dès lors prématuré et il n’est guère souhaitable de placer au niveau A les seules fonctions de greffier en chef et greffier chef de service, secrétaire en chef et secrétaire chef de service, comme le prévoit le projet », souligne le CSJ.

Ce dernier fustige également l’absence de vision globale de l’institution judiciaire et n’approuve pas le « déclassement » des greffiers dans le niveau B : selon un arrêt de la Cour d’arbitrage du 16 décembre 1998, le greffier est membre de l’ordre judiciaire, il est gardien de la procédure, chargé par le Code judiciaire de l’accomplissement de nombreux actes pour lesquels il est responsable spécialement et personnellement.

Il est clair que l’amendement nº 138 du gouvernement laisse la porte ouverte à une éventuelle pondération de fonction du niveau B et donc à une éventuelle amélioration ultérieure du statut. Nous sommes ici dans le registre des hypothèses.

Nous continuons cependant à croire qu’il n’est pas logique qu’une réforme de statut plaçant les greffiers au niveau B soit adoptée avant la mise en place de l’organe externe et indépendant appelé à examiner la question de la pondération des fonctions et, notamment, à dire si cette fonction relève du niveau A ou du niveau B !

2. Le classement des greffiers dans le niveau B ne tient absolument pas compte du contenu de leur fonction.

Dans son arrêt du 16 décembre 1998, la Cour d’arbitrage a défini la fonction de greffier et décrit les différences avec celle des secrétaires de parquet.

Le greffier est un organe du pouvoir judiciaire, dont les missions sont décrites dans le Code judiciaire. Il a une fonction bicéphale.

D’une part, il porte assistance au juge : par la loi, il a pour mission de donner une valeur authentique aux actes émanant du juge. Il est aussi un garant contre l’arbitraire. Il contrôle la régularité de la procédure, il prépare les tâches du juge, il est présent à l’audience, il est le témoin de l’audience, il dresse le procès-verbal des instances et des décisions, il donne acte des différentes formalités dont l’accomplissement doit être constaté et leur confère l’authenticité, il élabore les dossiers de procédure et veille, dans le cadre de ses compétences, au respect des règles y relatives.

D’autre part, il assure des tâches administratives et de gestion, ou encore la rédaction d’actes sans intervention du juge, tels que l’accès du greffe au public, la tenue de la comptabilité du greffe.

Le greffier engage par ailleurs sa responsabilité. Il peut engager sa responsabilité civile mais peut aussi être poursuivi disciplinairement. Il est, dans l’exercice de ses fonctions, toujours personnellement responsable de ses actes et peut, à tout instant, être appelé à se justifier à la demande de ceux qui exercent la surveillance et la discipline.

Le projet du gouvernement ne tient pas suffisamment compte du fait que pour devenir greffier, les non-titulaires d’une licence/d’un master en droit doivent satisfaire à un examen spécifique portant sur une série de matières juridiques, examen au surplus sélectif. D’autre part, il ne tient pas compte de l’engagement récent de plus en plus important de licenciés/masters en droit dans ces fonctions.

Le troisième grief porte sur les mesures transitoires du projet qui restent insuffisantes.

Nous reconnaissons qu’à la suite des discussions et du dépôt d’amendements, le projet a heureusement été amélioré sur certains aspects, notamment l’instauration de la promotion comme mode de nomination prioritaire.

L’amendement nº 143 visant à allonger la période de passage simplifié de niveau B au niveau A de 6 à 10 ans pour les personnes titulaires d’un ancien grade de greffier adjoint, secrétaire adjoint, greffier adjoint principal, ou secrétaire adjoint principal, ou d’un nouveau grade de greffier ou de secrétaire constitue aussi un progrès certain.

Nous restons toutefois sur notre faim en ce qui concerne la rémunération des greffiers adjoints des Cours. En effet, ceux-ci sont rattachés à l’échelle de traitement BJ 3, qui est une échelle inférieure à celle des greffiers de Cour. Or, ils devraient pouvoir intégrer cette échelle et évoluer dans cette échelle en extinction.

En effet, même si en échelle BJ 3, ces personnes gagneront plus dans l’immédiat, elles n’évolueront pas dans l’échelle de traitement, plus avantageuse, des greffiers de Cour, à laquelle elles auraient pu prétendre. À cet égard, on peut dire que le contrat moral contracté par l’État avec ces personnes n’a pas été respecté puisque les perspectives de carrière auxquelles pouvaient prétendre ces personnes ne seront pas satisfaites.

Il ne faut pas oublier que bon nombre de licenciés en droit sont greffiers adjoints. Cela ne concerne d’ailleurs pas que la Cour d’appel de Liège, comme certains pourraient le croire.

À la Cour d’appel d’Anvers, une majorité des greffiers adjoints licenciés sont aussi licenciés en droit ; 10% des greffiers sont en fait licenciés en droit. Le projet crée ainsi différentes catégories de greffiers selon le niveau de salaire, ce qui heurte le sentiment d’équité.

Par ailleurs, bon nombre de personnes qui sont actuellement greffiers et licenciés en droit, recrutés et nommés sur la base de leur diplôme en droit, sont versés dans le niveau B alors qu’ils peuvent légitimement prétendre au niveau A, même s’il est vrai que le projet prévoit des facilités de passerelles pour postuler aux fonctions de greffier en chef et greffier chef de service.

Enfin, il ne ressort pas toujours clairement du projet que les agents contractuels, ainsi que les personnes nommées au grade de collaborateurs, bénéficient d’une mesure transitoire qui leur permette de faire valoir leur certificat de candidat greffier/secrétaire.

Pour ce qui est du projet qui règle aussi le statut des référendaires et des juristes de parquet, ces personnes n’ont pas non plus été consultées sur la réforme de leur statut. Elles n’ont été entendues que tardivement en commission de la Justice du Sénat à la suite de notre demande d’audition.

Nous regrettons en particulier que les amendements, déposés notamment par Mme Nyssens et visant à inscrire dans la loi un cadre pour les référendaires et les juristes de parquet ou à aménager la période de prise en compte de l’expérience au barreau depuis le début pour le calcul de l’ancienneté pécuniaire, aient été rejetés.

En particulier sur ce dernier point, le projet de loi prévoit la prise en compte, pour le calcul de l’ancienneté pécuniaire, du temps de l’inscription au barreau. Il s’agit sans conteste d’une évolution positive puisque les quatre premières années au barreau sont actuellement exclues.

Toutefois, le nouveau calcul de l’ancienneté ne sera appliqué qu’à partir de l’entrée en vigueur de la loi, ce qui ne tient pas compte de l’arrêt du 29 novembre 2006 de la Cour d’arbitrage qui jugeait inconstitutionnelle l’exclusion des quatre premières années au barreau pour le calcul de l’ancienneté des référendaires et juristes de parquet. Cette nouvelle disposition devrait être appliquée rétroactivement au 1er juin 2005, soit un an et demi avant l’arrêt précité de la Cour d’arbitrage, comme l’avait fait le législateur pour les magistrats.

Il convient enfin de rappeler qu’un arrêt similaire a été rendu par la Cour d’arbitrage le 30 juin 2004. Il porte sur la prise en compte, pour le calcul de l’ancienneté des magistrats, du temps de l’inscription au barreau. La loi du 27 décembre 2004 portant des dispositions diverses prévoit dès lors cette prise en compte et ce, rétroactivement au 1er janvier 2003, soit un an et demi avant l’arrêt de la Cour d’arbitrage. Ce qui avait été possible dans un cas aurait dû l’être dans l’autre.

Telles sont les raisons pour lesquelles nous nous abstiendrons lors du vote sur le projet de loi modifiant le Code judiciaire, notamment les dispositions relatives au personnel judiciaire de niveau A, aux greffiers et aux secrétaires ainsi que les dispositions relatives à l’organisation judiciaire. Nous soutiendrons toutefois le second projet.

De heer Christian Brotcorne (CDH). – Ik zal de twee ontwerpen samen bespreken, want ze houden duidelijk verband met mekaar. We zullen ons echter onthouden over het ontwerp 3-2009, terwijl we het ontwerp 3-2010 zullen goedkeuren.

We hebben geen enkel probleem met de invoering van het vakbondsstatuut voor het gerechtelijk personeel van niveau A, de griffiers en de secretarissen, dat in stuk 3-2010 aan bod komt. Die vakbondsvertegenwoordiging zal het de betrokkenen mogelijk maken beter hun eisen te laten horen.

We vonden het daarentegen noodzakelijk te wachten op de invoering van die vakbondsorganisaties van het betrokken personeel alvorens hun ontwerp 3-2009 voor te leggen, dat juist de hervorming beoogt van het statuut van de personen die ze geacht worden te vertegenwoordigen.

Het belangrijkste verwijt van de sector ten opzichte van het ingediende ontwerp is het feit dat er onvoldoende overleg werd gepleegd. De griffiers klagen daarover. Aangezien die functie tot nog toe geen volwaardig statuut en geen vakbondsvertegenwoordiging had, zou de hervorming waarschijnlijk globaal voor alle sectoren van de administratie zijn doorgevoerd, zonder voldoende aandacht voor hun situatie.

De minister of haar vertegenwoordigers zijn overigens meermaals, en onlangs nog, naar de streek van Luik gegaan en delegaties van griffiers werden in haar kabinet ontvangen. Dat is waarschijnlijk ook de verklaring voor amendement 138 dat door de regering werd ingediend nadat het verslag in de commissie werd aangenomen.

Het ontwerp verbetert weliswaar het statuut van de griffiers in zijn geheel, vooral met betrekking tot de voortgezette opleiding en het feit dat zij die de loopbaan willen starten op niveau D dat verder kunnen blijven doen. Het ontwerp voert ook een onmiddellijke herwaardering van de wedden in. Toch moeten we beseffen dat de loopbaan op lange termijn minder voordelig zal zijn dan in het verleden.

De CDH meent dat de belangrijkste punten van kritiek van de griffiers gegrond zijn.

1. Het is abnormaal dat de griffiers in niveau B worden ondergebracht zonder een voorafgaande weging van de functie. Toenmalig minister Verwilghen heeft overigens een weging uitgevoerd van de functies van secretaris – die niet tot taak hebben de rechter bij te staan – en besloot de secretarissen onder te brengen in niveau A. Een weging van de functies van griffier had des te meer moeten leiden tot de indeling van die graad in niveau A, gelet op de tweeledigheid van die functies.

In zijn advies dringt de Hoge Raad voor de Justitie aan op de ontwikkeling van een visie op de rechterlijke organisatie nadat een gedetailleerde analyse werd gemaakt van de taken van alle belangrijke actoren van de diensten van de rechterlijke orde. Pas dan kan het niveau van alle functies worden bepaald.

Het is momenteel dus voorbarig en niet wenselijk om slechts de functies van hoofdgriffier, griffier hoofd van dienst, hoofdssecretaris en secretaris hoofd van dienst in het niveau A te situeren, zoals het voorontwerp nu doet’, benadrukt de HRJ.

De raad hekelt ook het gebrek aan totaalvisie op de rechterlijke organisatie en is het niet eens met de ‘declassering’ van de griffiers naar niveau B: volgens een arrest van 16 december 1998 van het Arbitragehof is de griffier lid van de rechterlijke orde, hij is de bewaker van de procedure en wordt door het Gerechtelijk Wetboek belast met het vervullen van tal van taken waarvoor hij speciaal en persoonlijk aansprakelijk is.

Het is duidelijk dat amendement 138 van de regering de deur openlaat voor een eventuele functieweging van niveau B en dus voor een eventuele latere verbetering van het statuut. Dat zijn echter hypotheses.

Toch blijven we geloven dat het niet logisch is dat een hervorming van het statuut, waardoor de griffiers in niveau B worden ondergebracht, wordt aangenomen vóór de invoering van een extern en onafhankelijk orgaan dat de weging van de functies moet onderzoeken en dat, inzonderheid, moet zeggen of die functie tot niveau A dan wel tot niveau B behoort!

2. Het onderbrengen van de griffiers in niveau B houdt helemaal geen rekening met de inhoud van hun taak.

In zijn arrest van 16 december 1998 definieert het Arbitragehof de functie van griffier en beschrijft hij de verschillen met de functie van de parketsecretaris.

De griffier is een orgaan van de rechterlijke macht, wiens taken omschreven worden in het Gerechtelijk Wetboek. Hij heeft een tweeledige functie.

Enerzijds verleent hij bijstand aan de rechter: krachtens de wet verleent hij authenticiteit aan de akten van de rechter. Hij vormt ook een waarborg tegen willekeur. Hij controleert de nauwgezetheid van de procedure, hij bereidt de taken van de rechter voor, hij is aanwezig op de terechtzitting, hij is getuige van de zitting, hij notuleert het verloop van de rechtszaken en de uitspraken, hij geeft akte van de verschillende formaliteiten waarvan de vervulling moet worden vastgesteld en verleent er authenticiteit aan, hij stelt de dossiers van de rechtspleging op en ziet, in het kader van zijn bevoegdheid, toe op de naleving van de geldende regelgeving.

Anderzijds verzekert hij de administratieve en beheerstaken, hij stelt akten op zonder tussenkomst van de rechter, hij stelt de griffie voor het publiek toegankelijk, hij voert de boekhouding van de griffie.

De griffier is overigens aansprakelijk. Hij kan burgerlijk aansprakelijk worden gesteld maar kan ook tuchtrechtelijk worden vervolgd. Bij de uitoefening van zijn taken is hij altijd persoonlijk aansprakelijk voor zijn daden en kan hij op ieder ogenblik ter verantwoording worden geroepen op vraag van degenen die instaan voor het toezicht en de tucht.

Het ontwerp van de regering houdt onvoldoende rekening met het feit dat wie geen licentie/master in de rechten heeft en griffier wil worden eerst dient te slagen voor een selectief specifiek examen over een hele reeks juridische materies. Er wordt evenmin rekening gehouden met de recente tendens dat steeds meer licentiaten/masters in de rechten in die functies worden aangeworven.

Het derde bezwaar heeft te maken met het feit dat de overgangsmaatregelen van het ontwerp ontoereikend zijn.

Als gevolg van de besprekingen en het indienen van amendementen werd het ontwerp gelukkig op bepaalde punten verbeterd, vooral door het invoeren van de bevordering als manier van prioritaire benoeming.

Amendement 143 dat ertoe strekt de periode van vereenvoudigde overgang van niveau B naar niveau A van 6 tot 10 jaar te verlengen voor de titularissen van een oude graad van adjunct-griffier, adjunct-secretaris, eerstaanwezend adjunct-griffier of eerstaanwezend adjunct-secretaris houdt ook een verbetering in.

We blijven evenwel op onze honger met betrekking tot de bezoldiging van de adjunct-griffiers van de hoven. Zij worden ondergebracht in salarisschaal BJ 3, die lager is dan die van de griffiers van het hof. Ze zouden in die uitdovende schaal moeten kunnen worden opgenomen en evolueren.

Ook al zullen die personen in schaal BJ 3 op korte termijn meer verdienen, ze zullen niet evolueren in de voordeligere weddenschaal van de griffiers bij het Hof, waarop ze aanspraak hadden kunnen maken. In dat opzicht wordt de morele overeenkomst die de Staat met die personen heeft gesloten dus niet gerespecteerd, aangezien de loopbaanperspectieven waarop ze aanspraak konden maken, niet zullen worden gerealiseerd.

Men mag niet vergeten dat tal van licentiaten in de rechten adjunct-griffier zijn. Dat geldt overigens niet alleen voor het Hof van Beroep in Luik, zoals sommigen zouden kunnen denken.

Ook bij het Hof van Beroep in Antwerpen is een meerderheid van de adjunct-griffiers licentiaat in de rechten, eigenlijk zijn 10% van de griffiers licentiaat in de rechten. Het ontwerp creëert verschillende categorieën van griffiers naargelang van de wedde, en dat schendt het rechtvaardigheidsgevoel.

Tal van personen die thans griffier en licentiaat in de rechten zijn, die werden aangeworven en benoemd op basis van hun rechtendiploma, worden thans ondergebracht in niveau B, hoewel ze eigenlijk aanspraak kunnen maken op niveau A. Het ontwerp voorziet echter wel in overstapmogelijkheden, zodat ze kunnen postuleren voor de functies van hoofdgriffier en griffier hoofd van dienst.

Uit het ontwerp blijkt niet altijd duidelijk dat de contractuele personeelsleden en de personen die werden benoemd in de graad van medewerker, gebruik kunnen maken van een overgangsmaatregel die het hen mogelijk maakt hun getuigschrift van kandidaat-griffier/secretaris te doen gelden.

De referendarissen en de parketjuristen werden evenmin geraadpleegd over de hervorming van hun statuut. Ze werden pas laat gehoord in de senaatscommissie voor de Justitie en dan nog maar na ons verzoek om een hoorzitting.

Wij betreuren dat de amendementen, vooral die van mevrouw Nyssens, werden verworpen. Die strekten ertoe een kader voor de referendarissen en de parketjuristen in te schrijven in een wet en voor de berekening van de geldelijke anciënniteit van in het begin rekening te houden met de ervaring bij de balie.

Vooral wat dat laatste punt betreft, bepaalt het wetsontwerp dat voor de berekening van de geldelijke anciënniteit rekening wordt gehouden met de periode van inschrijving bij de balie. Dat is ongetwijfeld een positieve evolutie, want thans worden de vier eerste jaren bij de balie uitgesloten.

De nieuwe berekening van de anciënniteit wordt echter maar toegepast vanaf de inwerkingtreding van de wet. Er wordt dus geen rekening gehouden met het arrest van 29 november 2006 van het Arbitragehof dat de uitsluiting van de vier eerste jaren bij de balie voor de berekening van de anciënniteit van de referendarissen en parketjuristen ongrondwettig vindt. De nieuwe bepaling zou met terugwerkende kracht moeten ingaan op 1 juni 2005, dus anderhalf jaar vóór het genoemde arrest van het Arbitragehof, zoals de wetgever ook heeft gedaan voor de magistraten.

Op 30 juni 2004 heeft het Arbitragehof een gelijkaardig arrest uitgesproken. Dat bepaalt dat de periode van inschrijving bij de balie in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de anciënniteit. De wet van 27 december 2004 houdende diverse bepalingen bepaalt dan ook dat met terugwerkende kracht op 1 januari 2003 rekening moet worden gehouden met die periode, dus anderhalf jaar vóór het arrest van het Arbitragehof. Wat voor één geval mogelijk was, zou ook in het andere geval mogelijk moeten zijn.

Daarom zullen wij ons onthouden bij de stemming over het wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen, en inzake de rechterlijke organisatie. Het tweede ontwerp steunen we echter wel.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Ces projets ont donné lieu à de longues discussions en commission.

Pour mener à bien une telle réforme du statut des greffiers, secrétaires, référendaires, juristes de parquet, nous devons tenter de concilier des intérêts parfois contradictoires découlant de situations objectives. La tâche des greffiers par exemple a fort évolué ces vingt dernières années et le soutien par les juristes de parquet et les référendaires s’est développé. Les collaborateurs du pouvoir judiciaire ont des profils différents, à des niveaux différents, et n’ont dès lors pas le même statut.

Certaines des remarques qui viennent d’être formulées n’ont pas échappé à la commission. Le groupe CD&V a d’ailleurs soutenu certains amendements de Mme Nyssens. Certes, les juristes de parquet et les référendaires ont fait part de leur inquiétude sur certains aspects du projet. Moi-même, j’estime que leur statut devra être élargi à l’avenir, notamment pour leur donner un accès plus direct au pouvoir judiciaire. Ils obtiennent en revanche la possibilité de créer leurs propres organisations professionnelles qui pourront défendre leurs intérêts avec davantage d’autorité et de poids.

Nous regrettons que le gouvernement ait inséré dans le projet relatif au statut des greffiers et des secrétaires de parquet des dispositions qui auraient davantage été à leur place dans un projet de loi sur la politique judiciaire. Je pense notamment à la création des services d’appui dans les cours, tribunaux et parquets, que nous saluons, même si le Conseil supérieur de la justice estime que, sur ce point, le projet du gouvernement accuse une absence de vision.

Il aurait fallu assortir la création des services d’appui de davantage de garanties. Le cadre et les possibilités de ces services auraient ainsi dû être précisés. Leur concrétisation est entièrement confiée au Roi à qui tant et tant de compétences sont déjà transférées dans notre pays.

Nous sommes également favorables à la création des services d’appui. Fidèle à sa politique d’annonce, le gouvernement diffère toutefois l’entrée en vigueur de ces mesures puisque des décisions concrètes ne seront prises qu’après les élections. Nul ne peut donc prévoir comment les mesures seront concrétisées. Quant au Conseil d’État, il considère lui aussi que ces dispositions n’ont en fait rien à faire dans les projets de loi qui nous sont soumis.

Les dispositions finales et transitoires du projet modifiant le Code judiciaire reprennent l’effectif administratif actuel des différents greffes des tribunaux de première instance et justices de paix. Or les greffes de certaines justices de paix et de certains tribunaux de première instance sont déjà surchargés actuellement tandis que d’autres ont un effectif trop important pour leur charge de travail. Le CD&V aurait aimé que le gouvernement profite de cette réforme révolutionnaire pour objectiver les cadres. Nous demandons donc que le vote des articles 5, 13, 18, 30, 37, 90, 157, 158, 159, 160, 160, 167, 168 et 176 du projet nº 3-2009 soit réservé, ce qui ne nous empêche pas d’adopter l’ensemble des deux projets.

Élaborer des statuts est une très bonne chose mais revaloriser la fonction publique est bien plus important. Des possibilités nouvelles s’offrent à nous. On a à juste titre mis en évidence la professionnalisation des greffes. La nouvelle formation en droit offre la perspective d’une amélioration de la qualité du travail des greffes et des collaborateurs du pouvoir judiciaire.

Les défis que le pouvoir judiciaire doit relever sont de plus en plus complexes et difficiles et on exige donc toujours davantage des collaborateurs.

Nous estimons qu’au cours des huit dernières années, on n’a pas fait suffisamment pour la revalorisation financière des fonctions du greffe et des collaborateurs du pouvoir judiciaire. Il faut non seulement offrir une perspective de carrière mais aussi pouvoir, en concurrence avec le secteur privé, attirer des juristes et des collaborateurs de qualité.

La Chambre et le Sénat ne pourront plus se permettre de tancer le pouvoir judiciaire s’ils n’assurent pas aux collaborateurs de la justice un statut et une rémunération convenables.

Nous considérons toutefois que ces deux projets sont un pas dans la bonne direction et nous émettrons donc un vote positif.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – De voorliggende wetsontwerpen hebben het voorwerp uitgemaakt van een langdurige bespreking in de commissie voor de Justitie.

Bij een dergelijke hervorming van het statuut van de griffiers, secretarissen, referendarissen, parketjuristen, moet men pogen soms tegengestelde belangen die voortvloeien uit objectieve omstandigheden, te verzoenen. De taak van de griffiers is de jongste twintig jaar immers sterk geëvolueerd. De verbreding van de ondersteuning door parketjuristen en de referendarissen heeft zich in loop van de jaren ontwikkeld. De medewerkers van de rechterlijke macht hebben daardoor verschillende profielen op verschillende niveaus en hebben bijgevolg ook niet hetzelfde statuut. Sommigen beschikken over een universitair diploma, anderen hebben een speciaal examen afgelegd of kunnen bogen op een ruime praktische ervaring.

Een aantal van de opmerkingen die zojuist werden geformuleerd, zijn uiteraard niet aan de aandacht van de commissie ontsnapt. De CD&V-fractie heeft overigens een aantal amendementen van mevrouw Nyssens gesteund. Het is juist dat de parketjuristen en de referendarissen hun bezorgdheid hebben geuit over een aantal aspecten van het ontwerp. Zelf ben ik ook van mening dat hun statuut in de toekomst zal moeten worden verbreed, met name door hen een meer rechtstreekse toegang te geven tot de rechterlijke macht. Anderzijds krijgen zij nu de mogelijkheid eigen beroepsorganisaties op te richten die met een groter gezag en gewicht de belangen van hun doelgroepen kunnen verdedigen. Tot nog toe was dat alleen mogelijk – althans voor de griffiers – tijdens de voorbereidende besprekingen en tijdens de hoorzittingen van de commissie voor de Justitie.

Ik zal de pijnpunten die de heer Brotcorne naar voren bracht, niet herhalen. Wij vonden het wel ongelukkig dat de regering in het wetsontwerp dat betrekking heeft op het statuut van de griffiers en de parketsecretarissen, een aantal bepalingen heeft ingelast die beter passen in een ontwerp over het justitiële beleid. Ik verwijs in dat verband naar de oprichting van de steundiensten. Wij vinden de oprichting van een steundienst bij een hof, rechtbank en parket een zeer goed idee. Paars bestempelt het zelfs als revolutionair. Nochtans vond de Hoge Raad voor de Justitie dat het wetsontwerp van de regering op dit punt elke visie miste.

Er hadden meer waarborgen moeten worden ingesteld voor de oprichting van de steundiensten. Zo hadden het kader en de mogelijkheden van die diensten moeten worden vastgelegd. Nu weten we immers niet of de steundiensten één of vijfhonderd mensen tellen. De inhoudelijke invulling wordt volledig aan de Koning overgelaten. Er worden in dit land zoveel bevoegdheden aan de Koning overgedragen dat ik mij de vraag stel of dat alles nog menselijk is. Ik heb soms echt medelijden met de Koning.

Ook wij zijn voorstander van de oprichting van de steundiensten. Geheel in de lijn van de paarse aankondigingspolitiek treden die maatregelen niet onmiddellijk in werking, maar pas na de verkiezingen zullen concrete beslissingen worden genomen. Niemand kan voorzien hoe de maatregelen concreet zullen worden ingevuld. Ik sta trouwens niet alleen met die kritiek, ook de Raad van State is van oordeel dat die bepalingen in wezen niet in de voorliggende wetsontwerpen thuishoren.

In de slotbepalingen van het wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie, wordt de huidige situatie voor de ambtelijke bezetting voor de diverse griffies in de rechtbanken van eerste aanleg en in de vredegerechten overgenomen. Het is nochtans bekend dat sommige griffies van vredegerechten en rechtbanken van eerste aanleg momenteel overbelast zijn. Door de bevolkingsevolutie en de opkomst van bepaalde problemen in bepaalde streken is er op vele plaatsen in Vlaanderen een tekort aan medewerkers van de rechterlijke macht, terwijl in bepaalde vredegerechten in Wallonië de bezetting van de griffies niet in verhouding staat tot de werklast. CD&V had graag gezien dat de regering deze revolutionaire hervorming had aangegrepen om ook de personeelsformaties te objectiveren. Wij vragen dan ook dat de stemming over de artikelen 5, 13, 18, 30, 37, 90, 157, 158, 159, 160, 161, 167, 168, en 176 van het eerste ontwerp (Stuk 3-2009) wordt aangehouden omdat we niet met die artikelen kunnen instemmen. Dat neemt niet weg dat we het geheel van beide wetsontwerpen zullen goedkeuren.

Het is zeer goed om statuten te maken, maar het is veel belangrijker om het openbaar ambt te herwaarderen. Er zijn nieuwe mogelijkheden. Terecht wordt gewezen op de professionalisering van de griffies. De nieuwe rechtenopleiding biedt perspectieven om de kwaliteit van de griffies en de medewerkers van de rechterlijke macht te verhogen.

Omdat de uitdagingen voor de rechterlijke macht complexer en moeilijker zijn, wordt van de medewerkers veel meer geëist, zoals een grotere competentie en meer inzet alsook het voldoen aan de permanentie van de openbare dienst.

Naar ons oordeel werd de voorbije acht jaar te weinig gedaan voor de financiële herwaardering van de ambten van de griffies en de medewerkers van de rechterlijke macht. Naast een perspectief op een carrière, is het immers ook noodzakelijk dat in concurrentie met de privésector kwaliteitsvolle juristen of medewerkers van de rechterlijke macht worden aangetrokken.

In Kamer en Senaat kan men niet met een vermanende vinger blijven wijzen naar de rechterlijke macht als men niet bereid is tegelijk ook een degelijk statuut te geven en de financiële verloning die deze verantwoordelijkheid met zich meebrengt.

In navolging van de uitvoerige discussie over beide wetsontwerpen in de commissie voor de Justitie, beschouwen we deze ontwerpen evenwel als een stap vooruit en zullen we ze derhalve goedkeuren.

M. Jurgen Ceder (VL. BELANG). – Nous nous abstiendrons au moment du vote du projet nº 3-2009 parce que les greffiers, en particulier leur principal représentant, n’ont pas ou guère été impliqués dans la préparation et qu’ils ne sont pas tous satisfaits des dispositions du projet.

Nous avons par ailleurs des doutes au sujet du cadre du personnel dans les tribunaux. Comme chez les magistrats, il n’est pas basé sur une évaluation scientifique de la charge de travail, avec toutes les distorsions communautaires qui s’ensuivent.

Je vais dès à présent expliquer notre vote relatif au deuxième projet, le projet nº 3-2010. Nous nous opposerons à ce projet en raison du statut pseudo-syndical imposé aux greffiers. Le principal représentant des greffiers parle dès lors à juste titre d’un coup d’État des syndicats officiels.

De heer Jurgen Ceder (VL. BELANG). – Wij zullen ons bij de stemming onthouden omdat de griffiers, met name hun belangrijkste vertegenwoordiger, niet of nauwelijks bij de voorbereiding werden betrokken en niet onverdeeld gelukkig zijn met de bepalingen van het ontwerp.

Bovendien hebben we twijfels bij de personeelsformaties bij de rechtbanken, die, net als bij de magistraten, niet gebaseerd zijn op een wetenschappelijke werklastmeting, met alle communautaire scheeftrekkingen tot gevolg.

Indien het me toegestaan is, zal ik meteen ons stemgedrag bij het wetsontwerp 3-2010, toelichten. We zullen tegen dat ontwerp stemmen, wegens het pseudo-syndicale statuut dat de griffiers wordt opgedrongen. De belangrijkste vertegenwoordiger van de griffiers spreekt dan ook terecht van een machtsgreep van de officiële vakbonden.

La discussion générale est close.

De algemene bespreking is gesloten.

Discussion des articles du projet de loi modifiant le Code judiciaire, notamment les dispositions relatives au personnel judiciaire de niveau A, aux greffiers et aux secrétaires ainsi que les dispositions relatives à l’organisation judiciaire (Doc. 3-2009)

Artikelsgewijze bespreking van het wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie (Stuk 3-2009)

(Pour le texte amendé par la commission de la Justice, voir document 3-2009/9.)

(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Justitie, zie stuk 3-2009/9.)

Le vote sur les articles 5, 13, 18, 30, 37, 90, 157, 158, 159, 160, 161, 167, 168 et 176 est réservé.

De stemming over de artikelen 5, 13, 18, 30, 37, 90, 157, 158, 159, 160, 161, 167, 168 en 176 wordt aangehouden.

Les autres articles sont adoptés sans observation.

De overige artikelen worden zonder opmerking aangenomen.

Il sera procédé ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de loi.

Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Discussion des articles du projet de loi organisant les relations entre les autorités publiques et les organisations syndicales des greffiers de l’ordre judiciaire, les référendaires près la Cour de cassation, les référendaires et les juristes de parquet près les cours et tribunaux (Doc. 3-2010)

Artikelsgewijze bespreking van het wetsontwerp tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van de griffiers van de rechterlijke orde, de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de referendarissen en de parketjuristen bij de hoven en rechtbanken (Stuk 3-2010)

(Pour le texte amendé par la commission de la Justice, voir document 3-2010/4.)

(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Justitie, zie stuk 3-2010/4.)

Les articles 1er à 17 sont adoptés sans observation.

Il sera procédé ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de loi.

De artikelen 1 tot 17 worden zonder opmerking aangenomen.

Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Projet de loi modifiant le Code judiciaire en ce qui concerne les contestations relatives à l’octroi, à la révision et au refus de l’aide matérielle (Doc. 3-1939)

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de geschillen inzake de toewijzing, de herziening en de weigering van de materiële hulp (Stuk 3-1939)

Discussion générale

Algemene bespreking

Mme Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT), rapporteuse. – La Chambre a approuvé ce projet de loi mais l’a scindé en deux parties avant l’examen. La première, relative à l’accueil des demandeurs d’asile et de certaines autres catégories d’étrangers, tombe sous l’application de l’article 78 de la Constitution. L’autre partie, modifiant le Code judiciaire en ce qui concerne les contestations relatives à l’octroi, à la révision et au refus de l’aide matérielle, tombe sous l’application de l’article 77 de la Constitution.

En commission de l’Intérieur, nous avons d’abord déposé des amendements aux dispositions tombant sous l’application de l’article 78 de la Constitution qui n’avaient pas été évoquées par le Sénat. Nous nous sommes aperçus à temps de notre erreur et l’avons réparée en annulant ces amendements.

Le service d’évaluation de la législation a attiré notre attention sur le problème relatif à la date d’entrée en vigueur. Nous avons alors déposé un amendement qui a été adopté en commission. Cet amendement stipule que « La présente loi entre en vigueur le jour où entre en vigueur une première disposition des Livres II ou III de la loi du … sur l’accueil des demandeurs d’asile et de certaines autres catégories d’étrangers ».

L’ensemble du projet de loi a été adopté en commission.

Mevrouw Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT), rapporteur. – De Kamer keurde dit wetsontwerp goed, maar splitste het vóór de bespreking in twee delen op. Het deel over de opvang van asielzoekers en bepaalde andere categorieën van vreemdelingen valt immers onder artikel 78 van de Grondwet. Het andere deel, dat een wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de geschillen inzake de toewijzing, de herziening en de weigering van de materiële hulp inhoudt, valt onder artikel 77 van de Grondwet.

In de commissie voor de Binnenlandse Zaken hebben we eerst amendementen ingediend op het deel dat onder artikel 78 van de Grondwet valt en dat niet door de Senaat werd geëvoceerd. We hebben onze vergissing op tijd ingezien en hebben deze amendementen ongedaan gemaakt.

De dienst wetsevaluatie wees ons op het probleem inzake de datum van inwerkingtreding. Daarop hebben we een amendement ingediend, dat door de commissie is aangenomen. Het bepaalt dat ‘de wet in werking treedt op de dag waarop een eerste bepaling van de Boeken II of III van de wet van … betreffende de opvang van asielzoekers en bepaalde categorieën van vreemdelingen in werking treedt’.

Het geheel werd door de commissie goedgekeurd.

Mme Nele Jansegers (VL. BELANG). – Le projet de loi initial sur l’accueil des demandeurs d’asile et de certaines autres catégories d’étrangers a été scindé en commission compétente de la Chambre en un projet relevant de l’article 77 et un projet relevant de l’article 78 de la Constitution. Cette même commission a cependant décidé de ne rédiger qu’un seul rapport sur toutes les dispositions et de ne procéder qu’à un seul vote sur l’ensemble du projet de loi, étant entendu que ce vote doit être considéré comme portant sur les deux nouveaux projets de loi. Le projet sur l’accueil des demandeurs d’asile n’ayant pas été évoqué, le Sénat n’examine que le document de la Chambre 2565/006 qui reprend en fait l’article 68 du projet initial. Notre groupe a cependant déposé une demande d’évocation de l’ensemble du projet mais il n’a pas recueilli les quinze signatures requises.

La plupart des amendements ayant disparu à la suite de notre intervention, nous devons maintenant constater que l’article 2, qui a bien été amendé et adapté, ne correspond plus tout à fait aux dispositions qui n’ont pas été évoquées. Ainsi, ce projet prévoit que c’est maintenant le tribunal du travail qui est compétent pour les litiges concernant chaque violation des droits garantis aux bénéficiaires de l’accueil par les Livres II et III de la loi, tandis que le projet de base, qui n’a pas été évoqué, n’autorise un recours devant le tribunal du travail que lorsque Fedasil, la personne désignée par le partenaire ou le conseil du CPAS confirme ou revoit une décision relative à la sanction ou à l’accompagnement médical. Cette dernière disposition du projet de base aurait pu être amendée mais ce n’était pas possible sur le plan légistique, ainsi que l’a fait remarquer notre groupe.

Le projet sur lequel nous avons à nous prononcer aujourd’hui ne comporte en réalité qu’un seul article modifiant l’article 580 du Code judiciaire. Les tribunaux du travail sont dorénavant compétents pour régler les litiges concernant l’octroi et le refus de l’aide matérielle. Cela nous amène au projet de loi proprement dit, qui n’est donc pas examiné par le Sénat, mais qui est indissolublement lié au projet à l’examen. Ce projet instaure le principe de l’accueil matériel tout au long de la procédure d’asile, conformément à la directive européenne. Cela doit permettre d’avoir des normes minimales concernant l’accueil des demandeurs d’asile et de leur garantir une vie conforme à la dignité humaine. Même si le Vlaams Belang trouve que le projet, dans son ensemble, est un pas dans la bonne direction, étant donné qu’il comporte certaines améliorations, nous avons une objection fondamentale. Les demandeurs d’asile sont encore accueillis dans des structures ouvertes. La directive européenne interdit en effet de les accueillir dans des centres fermés, sauf dans certains cas très stricts, par exemple, dans l’intérêt de l’ordre public.

De ce fait, notre pays n’est pas capable de mener une politique d’asile sévère mais juste. L’UE bride ainsi fortement la politique nationale d’immigration.

Le Vlaams Belang estime que la décision relative à la demande d’asile ne peut être réellement exécutée que si les demandeurs d’asile sont hébergés dans des centres fermés. Aujourd’hui, 85% des demandeurs d’asile déboutés se retrouveraient dans l’illégalité. De plus, le Vlaams Belang fait remarquer que les demandeurs d’asile déboutés séjournent longtemps dans les centres d’accueil parce qu’ils peuvent déposer un recours devant le Conseil d’État.

Il ne faut pas confondre la proposition du Vlaams Belang visant à accueillir les demandeurs d’asile dans des centres fermés avec l’accueil des demandeurs d’asile déboutés dans les centres fermés d’éloignement. Il s’agira avant tout de périodes plus brèves car le Vlaams Belang souhaite encore accélérer le traitement des procédures d’asile, ce qui est d’ailleurs prévu dans la loi qui entre en vigueur cette année. Les infrastructures d’accueil seraient également beaucoup plus humaines. Si la demande d’asile est rejetée par le futur Conseil du contentieux des étrangers, le Vlaams Belang estime que l’étranger à éloigner doit être envoyé dans un centre d’éloignement fermé. Ainsi, les centres d’accueil ne seront plus occupés par des demandeurs d’asile déboutés.

C’est la raison pour laquelle le Vlaams Belang votera contre ce projet car il est étroitement lié à l’autre projet qui n’a pas été évoqué. Cela n’est pas compatible avec notre vision d’une politique d’asile juste mais sévère.

Mevrouw Nele Jansegers (VL. BELANG). – Het oorspronkelijk wetsontwerp betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen werd in de bevoegde Kamercommissie opgesplitst in een ontwerp volgens artikel 77 en een ontwerp volgens 78 van de Grondwet. Diezelfde commissie besliste evenwel om slechts één verslag op te stellen over alle bepalingen en slechts één stemming over het gehele wetsontwerp te houden, met dien verstande dat die stemming moet worden beschouwd als een stemming over beide, nieuwe, wetsontwerpen. Aangezien het ontwerp niet is geëvoceerd, wordt enkel kamerdocument 2565/006, artikel 68 van het oorspronkelijk ontwerp, door de Senaat behandeld. Onze fractie diende wel een aanvraag in tot evocatie van het gehele ontwerp, maar haalde niet de vereiste vijftien handtekeningen.

Aangezien de meeste amendementen door ons toedoen zijn verdwenen, moeten we nu vaststellen dat artikel 2, dat wel geamendeerd en aangepast is, inhoudelijk niet meer helemaal strookt met de bepalingen die niet werden geëvoceerd. Zo bepaalt dit ontwerp nu dat de arbeidsrechtbank bevoegd is voor geschillen betreffende elke schending van de rechten die aan de begunstigden van de opvang worden gewaarborgd door de Boeken II en III van de wet, terwijl het basisontwerp, dat niet geëvoceerd werd, het beroep bij de arbeidsrechtbank enkel mogelijk maakt wanneer Fedasil, de door de partner aangewezen persoon of de OCMW-raad een beslissing met betrekking tot sanctionering of medische begeleiding bevestigt of herziet. Deze laatste bepaling in het basisontwerp zou via amendering worden aangepast, maar dat was juridisch-technisch niet mogelijk, zoals onze fractie terecht had opgemerkt.

He ontwerp waarover wij vandaag moeten stemmen telt in feite slechts één artikel dat artikel 580 van het Gerechtelijk Wetboek wijzigt. Hierdoor worden arbeidsrechtbanken voortaan bevoegd om geschillen te beslechten omtrent de toekenning en de weigering van materiële hulp. Dit brengt ons meteen bij het eigenlijke wetsontwerp, dat dus niet in de Senaat wordt behandeld, maar onlosmakelijk verbonden is met het ontwerp dat we wel bespreken. Dat ontwerp voert het principe in van de materiële opvang gedurende de hele asielprocedure, op basis van de Europese richtlijn. Dit moet zorgen voor minimumnormen voor de opvang van asielzoekers en hen ook een menswaardig bestaan waarborgen. Hoewel het Vlaams Belang het wetsontwerp, in zijn geheel dan, een stap in de goede richting vindt, aangezien het bepaalde verbeteringen bevat, hebben we één fundamenteel bezwaar. Asielzoekers worden nog steeds in open structuren opgevangen. De Europese richtlijn verbiedt immers opvang in gesloten instellingen. Dit kan enkel nog op erg strenge voorwaarden, zoals het belang van de openbare orde.

Hierdoor is ons land niet in staat een streng, maar rechtvaardig asielbeleid te voeren. De Europese Unie legt hiermee het nationale migratiebeleid sterk aan banden.

Het Vlaams Belang is van oordeel dat de beslissing over de asielaanvraag enkel daadwerkelijk kan worden uitgevoerd wanneer asielzoekers in gesloten centra worden ondergebracht. Nu zou 85% van de uitgeprocedeerde asielzoekers in de illegaliteit terechtkomen. Bovendien merkt het Vlaams Belang op dat uitgeprocedeerde asielzoekers langdurig in opvangcentra verblijven omdat ze in cassatieberoep kunnen gaan bij de Raad van State. Hierdoor wordt de capaciteit van deze centra beperkt.

Het voorstel van het Vlaams Belang om asielzoekers in gesloten centra op te vangen mag niet verward worden met de opvang in de bestaande gesloten uitzettingcentra voor uitgeprocedeerde asielzoekers. Het zal eerst en vooral gaan om kortere periodes, want het Vlaams Belang wil een nog snellere afhandeling van de asielprocedures dan wordt voorzien in de wet die dit jaar van kracht wordt. Daarnaast zouden de opvangvoorzieningen ook veel humaner zijn. Wordt de aanvraag tot asiel afgewezen door de nog op te richten Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, dan moet volgens het Vlaams Belang de uit te wijzen vreemdeling worden ondergebracht in een gesloten uitzettingcentrum. Op die manier worden de opvangcentra niet langer door uitgewezen asielzoekers bezet.

Het Vlaams Belang zal daarom tegen dit ontwerp stemmen. Dit ontwerp hangt immers samen met het andere, niet geëvoceerde ontwerp. Het is niet verzoenbaar met onze visie op een rechtvaardig, maar streng asielbeleid.

La discussion générale est close.

De algemene bespreking is gesloten.

Discussion des articles

Artikelsgewijze bespreking

(Pour le texte amendé par la commission de l’Intérieur et des Affaires administratives, voir document 3-1939/7.)

(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden, zie stuk 3-1939/7.)

Les articles 1er à 3 sont adoptés sans observation.

Il sera procédé ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de loi.

De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.

Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Proposition de résolution concernant la politique en matière de microfinance (de Mme Sabine de Bethune et consorts, Doc. 3-1582)

Voorstel van resolutie over het beleid inzake microfinanciering (van mevrouw Sabine de Bethune c.s., Stuk 3-1582)

Discussion

(Pour le texte adopté par la commission des Relations extérieures et de la Défense, voir document 3-1582/4)

Bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging, zie stuk 3-1582/4)

Mme Olga Zrihen (PS), rapporteuse. – La commission a examiné la proposition de résolution qui fait l’objet du présent rapport au cours de ses réunions des 9 et 30 janvier 2007.

La présente proposition de résolution participe de la volonté de faire écho à l’Année internationale du microcrédit de 2005. Dans ce cadre, la commission spéciale Mondialisation a d’ailleurs organisé une conférence qui s’est tenue au Sénat le 18 mai 2006. Les interventions des acteurs de la société civile, des experts, des divers acteurs politiques, sont réunies dans les Actes du colloque sur la microfinance.

La structure de la proposition de résolution souligne avant tout que la microfinance est un instrument indispensable pour lutter contre la pauvreté. La proposition de résolution replace aussi le phénomène de la microfinance dans le contexte d’initiatives globales, mondiales et européennes. Ensuite, elle détaille le cadre administratif et juridique belge. Elle embraie en faisant le point sur les initiatives belges de soutien à la microfinance, lesquelles revêtent la forme d’une coopération bilatérale directe – par la CTB, BIO et le Fonds belge de survie – ou indirecte par les ONG, les sociétés d’investissement social et les universités, ou encore d’une coopération multilatérale. Elle traite enfin de l’Année internationale du microcrédit.

Les recommandations tendent à proposer au gouvernement un plan d’action global afin de donner une plus grande place à la microfinance. De plus, la proposition de résolution à l’examen s’inscrit parfaitement dans les priorités de la politique de développement, dont un des axes majeurs est la lutte contre la pauvreté.

S’agissant de la perspective générale, la proposition précise d’abord une série de conceptions et formule des recommandations techniques.

Elle énonce ensuite des recommandations en vue de renforcer les acteurs directs, indirects et multilatéraux, ainsi que le secteur privé. Elle demande aussi que la politique soit ciblée sur les pays les plus pauvres d’Afrique et sur les zones rurales difficiles à atteindre par le secteur privé.

Personnellement, en tant que rapporteuse, je veux insister sur le fait que la microfinance peut aider à augmenter le revenu, créer des entreprises viables et sortir ainsi de la pauvreté et de la précarité des couches de population qui sont en totale exclusion. La microfinance peut également constituer un puissant instrument d’émancipation en permettant aux personnes en situation précaire, aux pauvres, et en particulier aux femmes, de devenir des agents économiques du changement.

En effet, en donnant accès à des services financiers, la microfinance joue un rôle important dans la lutte contre les diverses dimensions de la pauvreté. Par exemple, les revenus générés par une activité non seulement permettent à cette activité de se développer, mais contribuent également aux revenus du ménage, et donc à la sécurité alimentaire, à l’éducation des enfants, à la prise en charge des soins de santé, bref à créer une véritable cohésion sociale.

Mevrouw Olga Zrihen (PS), rapporteur. – De commissie heeft dit voorstel van resolutie besproken tijdens haar vergaderingen van 9 en 30 januari 2007.

Dit voorstel van resolutie sluit aan bij de wil om het Internationaal Jaar van de Microkredieten (2005) niet ongemerkt te laten voorbijgaan. In het kader daarvan organiseerde de bijzondere commissie Globalisering op 18 mei 2006 in de Senaat een conferentie. De uiteenzettingen van de vertegenwoordigers van de civiele maatschappij, van de experts en verschillende beleidsactoren is terug te vinden in het Verslag van het colloquium over microfinanciering.

De structuur van het voorstel van resolutie benadrukt eerst en vooral dat microfinanciering een noodzakelijk instrument is in de armoedebestrijding. Het fenomeen van microfinanciering wordt ook gekaderd binnen globale, mondiale en Europese initiatieven. Vervolgens wordt het Belgisch administratief en juridisch kader geschetst. Daarna volgt een actuele beschrijving van de stand van zaken van de Belgische initiatieven die microfinanciering ondersteunen. Dit kan gebeuren via directe (de BTC, de BIO en het Belgisch Overlevingsfonds) of indirecte bilaterale samenwerking (de ngo’s, de sociale investeringsmaatschappijen en universiteiten) of via multilaterale samenwerking. Ten slotte wordt er ingegaan op het Internationaal Jaar van de Microkredieten.

In de aanbevelingen wordt getracht om aan de regering een globaal actieplan aan te reiken om meer ruimte te geven aan microfinanciering. Bovendien past dit voorstel van resolutie perfect in de prioriteiten van het ontwikkelingsbeleid, dat gericht is op armoedebestrijding.

Eerst worden, wat de visie betreft, een aantal inzichten gespecificeerd en technische aanbevelingen geformuleerd.

Daarna worden aanbevelingen opgesomd voor de versterking van de directe, indirecte en multilaterale actoren en de privésector. Er wordt ook gevraagd dat het beleid zich zou richten op de armste landen in Afrika en op de landelijke gebieden die moeilijk te bereiken zijn via de privésector.

Persoonlijk wil ik er als rapporteur op wijzen dat het verlenen van microkredieten kan bijdragen tot inkomensverhoging en tot de oprichting van leefbare ondernemingen zodat uitgesloten bevolkingsgroepen kunnen ontsnappen uit de armoede en de onzekerheid. Microfinanciering kan ook een krachtig economisch instrument van emancipatie zijn waarmee arme mensen en vooral vrouwen hun lot in eigen handen kunnen nemen.

Microfinanciering is een belangrijk instrument in de strijd tegen de armoede. De inkomsten uit een economische activiteit kunnen immers niet alleen worden aangewend om die activiteit uit te breiden, maar betekenen ook een aanvulling van het gezinsinkomen. Ze dragen bij tot de voedselveiligheid, beter onderwijs en betere gezondheidsverzorging, kortom tot het tot stand komen van een echte sociale samenhang.

Mme Sabine de Bethune (CD&V). – Cette résolution est le résultat d’une réflexion qui a duré deux ans au Sénat. L’initiative a été prise en 2005, année du microfinancement. Le 18 mai 2006, nous avons organisé un colloque dans cet hémicycle en présence de S.A.R., la Princesse Mathilde, de tous les intervenants belges et d’un grand nombre d’experts de terrain du Nord et du Sud. Nous avons conçu ce colloque comme une large audition, de sorte que la commission des Relations extérieures et de la Défense a pu adopter, voici quelques semaines, de nombreux amendements à la résolution. Le traitement de ce dossier par le Sénat, en particulier par la commission spéciale « Mondialisation » et la commission des Relations extérieures et de la Défense, est un véritable exemple de réflexion en profondeur et nous a permis d’élaborer des recommandations intéressantes pour le gouvernement.

Je tiens à remercier tous les collègues pour leur collaboration, en particulier M. Roelants du Vivier, président de la commission des Relations extérieures et de la Défense, et M. Galand, président de la commission spéciale « Mondialisation ». Je remercie également les secrétaires des deux commissions, M. Gardinael et Mme Van Opstal, pour leur suivi efficace de ce dossier.

Je voudrais encore insister brièvement sur le fait que le microfinancement est un puissant levier dans la lutte contre la pauvreté. Une aide à elle seule ne permettra jamais à l’Afrique et aux pays les moins avancés d’atteindre les objectifs du Millénaire. Un développement économique est également nécessaire et on peut le stimuler en soutenant les nombreux petits entrepreneurs qui peuvent acquérir leurs propres revenus via la micro-entreprise.

Dois-je rappeler que 4 milliards de personnes sont aujourd’hui exclues du système bancaire ? Les pauvres n’ont pas accès aux services financiers, mais le microfinancement peut leur permettre de développer des activités économiques à petite échelle afin d’augmenter leurs revenus et de se protéger contre les risques. Le microfinancement est un instrument particulier de développement car il permet aux pauvres de quitter l’état d’assisté et d’entreprendre par leur propres moyens.

L’intérêt du microfinancement a encore été démontré lorsque le prix Nobel de la paix a été accordé, l’année dernière, au Pr Yunus, un des pionniers en la matière ; depuis le travail innovateur qu’il a accompli au Bangladesh avec la Grameen Bank, le système des microcrédits est utilisé dans le monde entier.

Le Forum social mondial organisé voici quelques semaines doit également être mentionné. Il avait pour thème le « travail décent ». Le travail décent est aussi une confirmation implicite de l’importance du microfinancement car les plus démunis peuvent ainsi, par le biais d’une activité économique propre, se développer de manière décente et gagner leur vie. Enfin, le travail est le levier le plus puissant pour sortir de la pauvreté. Les personnes démunies veulent pouvoir se libérer de la pauvreté par leurs propres moyens et dans la dignité.

Lors du colloque organisé par le Sénat, nous avons laissé tous les intervenants belges s’exprimer sur ce sujet, tant ceux qui travaillent pour les autorités, comme la DGCD, la CTB, la BIO et le FBS, que les acteurs privés comme Incofin, Alterfin, Oikocredit et la Fondation Raiffeisen belge. Je pense également aux ONG belges qui œuvrent sur le terrain, comme Aquadev, SOS Faim, Trias et Louvain Développement et aux universités belges, tant francophones que néerlandophones.

Nous avons également entendus des experts du Sud. Trois panels ont été organisés : un panel sur la synergie entre la rentabilité financière et la performance sociale, un panel sur « l’optique régionale : le Maroc et l’Amérique du Sud, une politique de soutien pour un cadre institutionnel et législatif » et enfin, un panel sur « la République démocratique du Congo après la transition : microfinance comme moteur du développement ? Quel soutien de la politique ? »

Le plan de politique que nous présentons aujourd’hui au Sénat peut constituer une ligne directrice intéressante pour les autorités belges. Le week-end dernier, j’ai appris avec intérêt que notre Premier ministre avait également découvert les vertus du microfinancement et qu’il y avait consacré une partie de son quatrième manifeste du citoyen. J’attire son attention sur le fait que le Sénat a déjà travaillé deux ans sur ce sujet. Nous ne nous limitons pas à une évaluation positive de cet instrument de développement, mais nous proposons également aux autorités belges un plan concret d’action.

Le présent plan d’action est essentiel car la politique de la Belgique en matière de microfinancement a quelque peu stagné ces dernières années. Une nouvelle impulsion est nécessaire pour donner au microfinancement une place légitime dans la politique de développement. Les fonds consacrés au microfinancement n’ont pas augmenté. La Belgique s’est même retirée du CGAP, un consortium européen de donneurs. Le microcrédit a bien été célébré en Belgique mais les signaux politiques vont dans le sens inverse.

Cependant, il n’est pas trop tard pour renforcer la politique sur ce terrain en s’inspirant de la résolution, qui a fait l’objet d’un consensus. La résolution contient d’importantes lignes directrices pour la politique à mener. Mme Zrihen les a déjà soulignées dans son rapport.

Nous plaidons pour que la politique de développement en matière de microfinancement soit concentrée sur les pays les plus démunis, en particulier sur la région de l’Afrique subsaharienne et la région des Grands Lacs. Un plan d’accompagnement en matière de microfinancement doit être prévu dans la coopération bilatérale de notre pays avec le Congo dans le cadre de l’aide à la reconstruction.

Rendre le microfinancement accessible aux populations des régions rurales et en faire un instrument durable et rentable constituent également un défi. Nous ne pouvons pas limiter le microfinancement aux seules villes où le secteur privé est d’ailleurs présent de manière beaucoup plus active et où de nombreuses ONG proposent des microfinancements. La coopération belge au développement doit continuer à soutenir le microfinancement rural. Elle doit consacrer une attention particulière aux femmes qui sont aujourd’hui plus démunies encore que les hommes et assument dans une plus large mesure la responsabilité du ménage, a fortiori dans le cas de mères isolées avec enfants.

Enfin, nous insistons sur l’importance de l’extension de la capacité en matière de microfinancement. Les capacités des institutions de microfinancement dans le Sud doivent continuer à être développées entre autres par une formation, une éducation et des réseaux. Dans la perspective d’une bonne gestion, les capacités des autorités du Sud doivent également être soutenues afin de pouvoir offrir une sécurité juridique à l’ensemble du secteur du microfinancement.

Nous plaidons pour la performance sociale. Le secteur privé est aujourd’hui très actif dans le domaine du microfinancement. Ce n’est une mauvaise chose en soi. Le besoin en microfinancement est tellement important qu’il y a certainement des possibilités pour le secteur privé en la matière mais s’agissant des services financiers aux personnes les plus démunies dans le monde entier, nous devons nous garder d’une logique qui vise exclusivement la rentabilité. Il importe de considérer la performance sociale comme une priorité. Les autorités et la coopération officielle au développement jouent un rôle essentiel à cet égard.

La résolution plaide également pour le renforcement du rôle de tous les acteurs officiels belges.

Premièrement, nous sommes favorables à une politique renforcée de la DGCD. Chaque coopération bilatérale avec nos partenaires devrait comporter un chapitre sur le microfinancement.

Deuxièmement, la CTB connaît aujourd’hui un développement intéressant. L’expertise en matière de microfinancement doit cependant encore être sérieusement développée. Par le passé, nous avons été beaucoup trop frileux à cet égard.

Troisièmement, la société belge BIO doit également pouvoir prendre davantage de risques pour rendre le microfinancement accessible aux personnes démunies vivant dans des zones sensibles. Je pense par exemple à un Fonds hors bilan ou à une augmentation des garanties de l’État.

J’ai plaidé pour que l’on aide la Société sociale d’investissement par une réduction d’impôt de 5% sur les actions pour particuliers. Cet avantage fiscal existe aujourd’hui pour le Fonds de participation et permet de mobiliser un capital plus important pour ce genre de projets. Il convient qu’en matière de coopération au développement, notre pays reprenne son rôle dans le consortium de donneurs CGAP.

Nous avons réalisé un travail intéressant et espérons que tant les politiques que les acteurs de terrain s’en laisseront inspirer.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). – Deze resolutie is het resultaat van een tweejarig reflectieproces in de Senaat. Het initiatief werd genomen in 2005, het jaar van de microfinanciering. Op 18 mei 2006 hebben we in dit halfrond een colloquium gehouden in aanwezigheid van H.K.H. prinses Mathilde, waar we alle Belgische actoren en een groot aantal praktijkdeskundigen uit Noord en Zuid hebben ontvangen. We hebben dat colloquium opgevat als een uitgebreide hoorzitting, zodat de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging enkele weken geleden, voortbouwend op dit colloquium, tal van amendementen bij de resolutie heeft kunnen goedkeuren. De behandeling van dit dossier door de Senaat, in het bijzonder door de bijzondere commissie Globalisering en de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging, is een echt voorbeeld van grondig reflectiewerk. We kwamen dan ook tot goede aanbevelingen voor de regering.

Aan het einde van dit grote werk wil ik graag alle collega’s bedanken voor de goede samenwerking, in het bijzonder de heer Roelants du Vivier, voorzitter van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging, en de heer Galand, voorzitter van de bijzondere commissie Globalisering. Ik dank ook de secretarissen van beide commissies, de heer Gardinael en mevrouw Van Opstal, voor de goede follow-up van dit dossier.

Voor zover dit nog nodig is, wil ik heel kort nog benadrukken dat microfinanciering een krachtige hefboom is in de strijd tegen armoede. Afrika en de minst ontwikkelde landen zullen de millenniumdoelstellingen nooit halen met hulp alleen. Ook economische ontwikkeling is daarvoor nodig en die kan worden gestimuleerd door steun te geven aan de talloze kleine ondernemers, die via micro-ondernemerschap een eigen inkomen kunnen verwerven.

Moeten we eraan herinneren dat vier miljard mensen vandaag uitgesloten zijn van het banksysteem? Armen hebben geen toegang tot financiële diensten, maar wanneer er een aanbod van microfinanciering is daar waar ze wonen, kunnen ze kleinschalige economische activiteiten uitbouwen om hun inkomen te verhogen en zich tegen risico’s te beschermen. Microfinanciering is een bijzonder ontwikkelingsinstrument omdat het het pad van de hulpafhankelijkheid verlaat en de armen de kansen geeft om zelf te ondernemen.

Het belang van microfinanciering werd nog maar eens bewezen toen de Nobelprijs voor de vrede vorig jaar naar prof. Yunus ging, een van de pioniers van de microkredieten, zoals die vandaag wereldwijd worden toegepast na zijn baanbrekend werk in Bangladesh met de Grameen Bank.

Ook het Wereld Sociaal Forum van enkele weken geleden moet worden vermeld. Het had als thema ‘Waardig werk’. Waardig werk is impliciet ook een bevestiging van het belang van microfinanciering, omdat de armsten zich dan via een eigen economische activiteit op een waardige manier kunnen ontwikkelen en aan de kost kunnen komen. Uiteindelijk is werk de grootste hefboom om uit de armoede te raken. Dat is ook de mening van de armsten in de wereld. Arme mensen willen zich in waardigheid op eigen kracht uit de armoede loswerken.

Zoals reeds gezegd, hebben we op het colloquium van de Senaat over dit onderwerp alle Belgische actoren aan het woord gelaten. Zowel de actoren die werken voor de overheid, zoals DGOS, BTC, BIO en BOF, als de private actoren, zoals Incofin, Alterfin, Oikocredit en de Belgische Raiffeisenstichting. Ik denk ook aan de Belgische ngo’s die op het terrein actief zijn, zoals Aquadev, SOS Faim, Trias en Louvain Développement en aan de Belgische universiteiten, zowel aan Nederlandstalige als aan Franstalige kant.

Wij hebben ook experts uit het Zuiden aan het woord gelaten. Er werden drie panels georganiseerd: een panel over de synergie tussen financiële rentabiliteit en sociale performantie; een panel over de regionale focus, meer bepaald Marokko en Zuid-Amerika en de ondersteunende politiek voor een institutioneel en legislatief kader, en ten slotte een panel over ‘de DRC na de transitie. Microfinanciering als motor voor ontwikkeling. Welke beleidsondersteuning?’

Het beleidsplan dat we vandaag aan de Senaat voorleggen, kan een interessant richtsnoer zijn voor de overheid. Ik heb vorig weekend met enige belangstelling vernomen dat ook onze eerste minister de deugden van de microfinanciering heeft ontdekt. In zijn vierde Burgermanifest wijdt hij een – niet onverdienstelijk – stukje aan de microfinanciering. Ik vestig er zijn aandacht op dat de Senaat al twee jaar werk verricht over het thema microfinanciering. Wij beperken ons niet tot – een overigens terechte – positieve inschatting van dit ontwikkelingsinstrument. We stellen aan de Belgische overheid ook een concreet actieplan voor.

Het actieplan dat voorligt, is noodzakelijk omdat het Belgisch beleid inzake microfinanciering de voorbije jaren enigszins is gestagneerd. Er is een nieuwe impuls nodig om aan microfinanciering een rechtmatige plaats te geven op de kaart van het ontwikkelingsbeleid. De bedragen die aan het ontwikkelingsbeleid inzake microfinanciering worden besteed, zijn niet toegenomen. België heeft zich zelfs teruggetrokken uit CGAP, een Europees consortium van donoren. Het microkrediet werd in België wel gevierd, maar de beleidssignalen gingen in de omgekeerde richting.

Het is echter niet te laat om het roer om te gooien en om het beleid op dit terrein te versterken. De resolutie biedt daarvoor een draagvlak, dat gesteund is op de consensus. Ze bevat belangrijke richtsnoeren voor het beleid. Ik overloop ze kort. Collega Zrihen heeft ze als rapporteur reeds onderstreept.

We pleiten ervoor dat het ontwikkelingsbeleid inzake microfinanciering wordt geconcentreerd op de armste landen, in het bijzonder op de regio van subsaharaans Afrika en meer bepaald de regio van de Grote Meren. Een begeleidingsplan inzake microfinanciering mag niet ontbreken in de bilaterale samenwerking van ons land met Congo in het kader van de ondersteuning voor de wederopbouw. Dat staat ook zo geformuleerd in ons ontwerp van aanbevelingen.

Het is ook een uitdaging om microfinanciering toegankelijk te maken voor mensen op het platteland en het er duurzaam en rendabel te maken. We mogen ons er niet toe beperken microfinanciering enkel in de steden aan te bieden, waar de privésector trouwens veel actiever aanwezig is en waar al verschillende ngo’s microfinanciering aanbieden. De Belgische ontwikkelingssamenwerking moet de rurale microfinanciering verder ondersteunen. Ze moet ook bijzondere aandacht besteden aan vrouwen, die vandaag nog meer armoede kennen dan mannen en die in nog veel grotere mate verantwoordelijkheid dragen voor gezinnen, zeker in het geval van alleenstaande moeders met kinderen.

Tot slot benadrukken wij het belang van de uitbreiding van de capaciteit op het vlak van microfinanciering. De capaciteiten van de instellingen voor microfinanciering in het Zuiden moeten verder worden uitgebouwd door onder meer vorming, opleiding en netwerken. In het perspectief van een goed bestuur moeten ook de capaciteiten van de autoriteiten in het Zuiden zelf worden ondersteund, zodat ze aan de hele sector van de microfinanciering rechtszekerheid kan bieden.

We pleiten voor sociale performantie. De privésector is vandaag heel actief op het terrein van de microfinanciering. Dat is niet per definitie slecht. De nood aan microfinanciering is zo groot dat er zeker ruimte is voor de privésector op dit terrein, maar bij financiële dienstverlening aan de armste mensen in de wereld moeten we ons hoeden voor een logica die exclusief op rentabiliteit mikt. Het is belangrijk sociale performantie als prioriteit naar voren te schuiven. Daarin speelt de overheid en de officiële ontwikkelingssamenwerking een belangrijke rol.

De resolutie pleit ook voor een sterkere rol van alle officiële Belgische actoren.

We pleiten, ten eerste, voor een versterkt beleid van DGOS. Elke bilaterale samenwerking met onze partnerlanden zou een hoofdstuk microfinanciering moeten bevatten.

Ten tweede maakt de BTC vandaag een interessante ontwikkeling door. De expertise inzake microfinanciering moet echter nog flink worden uitgebreid. Vroeger hebben we te veel aan koudwatervrees geleden.

Ten derde moet ook het Belgische agentschap BIO meer risico’s kunnen nemen om microfinanciering mogelijk te maken voor arme mensen in moeilijke gebieden. Daartoe dient BIO over meer geschikte beleidsinstrumenten te beschikken. Ik denk dan bijvoorbeeld aan een off balance-fonds of aan meer staatswaarborgen.

Ik heb ervoor gepleit om ook de Sociale Investeringsmaatschappij te ondersteunen door een belastingvermindering van 5 procent op aandelen voor particulieren. Dat belastingvoordeel bestaat vandaag voor het Participatiefonds en biedt de mogelijkheid om meer kapitaal te mobiliseren voor dergelijke projecten. Het is raadzaam dat ons land in het raam van de ontwikkelingssamenwerking opnieuw zijn rol opneemt in het donorenconsortium CGAP.

Tot daar een handvol aanbevelingen. We hebben interessant werk geleverd en hopen dat zowel de beleidsmakers als mensen op het terrein er zich zullen door laten inspireren.

M. François Roelants du Vivier (MR). – Je me réjouis d’intervenir sur un dossier porté depuis deux ans par notre assemblée, plus précisément par la commission mondialisation et par son auteur, Mme de Bethune.

Depuis la fin des années 90, plus d’une douzaine de pays africains ont enregistré des taux de croissance moyenne supérieurs à 5%. De nombreux pays à faibles revenus ont réussi à relever une forte proportion de leurs citoyens au-dessus du seuil de pauvreté. Plusieurs devraient atteindre l’objectif consistant à réduire la pauvreté de moitié d’ici à 2015. Une quinzaine de pays africains sont déjà parvenus à assurer l’éducation primaire pour tous ou sont bien partis pour y parvenir. La plupart des pays d’Afrique australe sont en bonne voie pour assurer la parité dans l’enseignement primaire.

Afin de bâtir sur ces succès, même fragiles, il faut penser à développer et mettre en œuvre des outils créatifs tels que le microfinancement, qui s’est avéré être, dans nombre de pays, une arme fort utile pour briser le cercle vicieux de la pauvreté. D’où l’intérêt de cette proposition de résolution de Mme de Bethune qui s’est exprimée il y a un instant à ce sujet avec beaucoup d’éloquence. D’où également notre appel pour sensibiliser notre ministre de la Coopération à cette thématique, pour laquelle il a d’ailleurs pris plusieurs initiatives.

Pour atteindre ces objectifs du Millénaire, nous devons mobiliser des moyens financiers importants et nouveaux. À cet égard, avec plus de 80 millions de bénéficiaires de par le monde, le développement de la microfinance a confirmé la justesse de la vision de ses premiers inspirateurs, dont Muhammad Yunus de la Grameen Bank. Je souligne que le prix Roi Baudouin pour le développement lui a été accordé bien avant les grandes récompenses internationales.

Il faut répondre à l’immense majorité de la population qui n’a pas accès au secteur bancaire conventionnel faute d’un réseau de guichets atteignant les zones rurales et les périphéries urbaines, mais aussi parce que les capacités d’épargne et les revenus individuels sont trop faibles par rapport aux coûts que ces opérations engendreraient pour les banques. Or, la sécurisation de l’épargne et la possibilité d’obtenir du crédit, en d’autres termes l’accès aux services financiers, est essentielle pour améliorer le sort de ces populations.

Des réussites éclatantes démontrent le caractère universel de cet instrument pour lutter contre l’exclusion, car il s’appuie sur le meilleur de l’homme : la solidarité, la confiance, la dignité et l’esprit d’entreprise. Comme en Asie et en Amérique latine, la microfinance peut contribuer de manière significative à l’essor de l’Afrique. Elle doit constituer un élément à part entière de la stratégie de développement de ce continent. Cela démontrera, s’il en était besoin, que les capacités et les talents en Afrique ne demandent qu’à s’épanouir pourvu que soient levés les obstacles à leur expression.

Mais libérer le potentiel de la microfinance, c’est d’abord établir un cadre légal et fiscal adapté. Il faut adapter les normes bancaires nationales et internationales aux réalités de la microfinance. L’Europe et ses États membres doivent se doter d’une réglementation communautaire et nationale dans les domaines de la banque et du crédit pour favoriser le développement de cet instrument.

Libérer le potentiel de la microfinance c’est également mobiliser davantage les fonds privés. La microfinance a amplement démontré, au-delà de son intérêt évident pour le développement, sa viabilité financière. Le moment est venu pour les banquiers et investisseurs de prendre le relais des financements publics afin d’accompagner son essor. C’est l’esprit du développement durable, et c’est aussi leur intérêt. Pour mobiliser davantage de fonds privés, les institutions publiques peuvent jouer le rôle de catalyseur.

Le succès de la microfinance prouve qu’il n’y a pas de fatalité à la pauvreté. Il nous démontre aussi que le développement n’est pas affaire de charité mais de partenariat. C’est en combinant les logiques de la solidarité et de la responsabilisation que l’on humanise la mondialisation.

La microfinance a un impact particulièrement important sur la promotion des femmes. Elle leur donne l’opportunité d’acquérir une indépendance économique et, par là, de valoriser leur rôle dans la famille et la société en leur permettant d’augmenter leurs revenus. Elle améliore l’accès des enfants à la scolarisation et aux soins médicaux. Enfin, plus généralement, la microfinance est un élément indispensable au développement d’un tissu de petites entreprises privées, sources d’économies dynamiques, de création d’emplois et d’augmentation des revenus.

Certes, il faudra beaucoup plus que des programmes de microfinancement pour éliminer la pauvreté et la faim. Il faudra des politiques macroéconomiques saines, une gouvernance de qualité, des plans de développement des régions rurales et du secteur industriel, une réglementation favorisant l’activité commerciale, ainsi que des investissements dans l’enseignement, la santé et les ressources humaines. Ce sont les principaux éléments que doit comprendre toute stratégie nationale de lutte contre la pauvreté.

L’appui de la communauté internationale est également d’une importance cruciale : une aide accrue et améliorée, des mesures d’allégement de la dette qui aillent plus loin et un régime commercial ouvert et équitable qui donne vraiment une chance aux pauvres. Seul un tel partenariat mondial s’inscrivant dans la durée permettra à ceux-ci de sortir de la pauvreté.

En conclusion, la microfinance n’est pas simplement une question de ressources financières. L’enjeu est en réalité d’offrir de nouvelles perspectives à nombre de personnes jusqu’ici exclues, de susciter chez ces dernières de la confiance en ce qu’elles font et d’élargir le volume d’énergies ainsi créé. Bref, d’avoir le sentiment inestimable de se prendre en charge et d’avoir sa place dans la société. N’est-ce pas là l’essentiel ?

De heer François Roelants du Vivier (MR). – Met genoegen neem ik het woord over dit dossier dat in de Senaat al twee jaar wordt behandeld, meer bepaald door de Commissie Globalisering en door mevrouw de Bethune.

Sedert het einde van de jaren ’90 wordt in een twaalftal Afrikaanse landen een gemiddeld groeipercentage opgetekend van meer dan 5%. Vele zogenaamde low income countries zijn erin geslaagd een groot deel van hun bevolking boven de armoedegrens te tillen. Verschillende onder hen zullen de doelstelling om de armoede tegen 2015 te halveren kunnen waarmaken. Een vijftiental Afrikaanse landen is er al in geslaagd of is goed op weg om lager onderwijs aan te bieden aan alle kinderen. De meeste landen in zuidelijk Afrika zijn goed op weg om de pariteit te bereiken in het onderwijs.

Om die prille ontwikkeling alle kansen te geven moeten creatieve instrumenten worden gebruikt als de microfinanciering, die in vele landen al een krachtig wapen is gebleken om de vicieuze cirkel van de armoede te doorbreken. Daarom is dit voorstel van resolutie van mevrouw de Bethune zo belangrijk, zoals ze dat zonet zelf zo treffend verwoordde. Daarom willen we nogmaals de aandacht van onze minister van Ontwikkelingssamenwerking vestigen op deze problematiek. Hij heeft trouwens al verschillende initiatieven ter zake genomen.

Om de Millenniumdoelstellingen te verwezenlijken moeten we omvangrijke en nieuwe financiële middelen aanboren. Nu er al meer dan 80 miljoen begunstigden zijn over heel de wereld, blijkt dat Muhammad Yunus van de Grameen Bank, één van de eerste bezielers van het concept, destijds de juiste keuze heeft gemaakt. Hij ontving trouwens al de Koning Boudewijnprijs voor ontwikkeling, lang vóór hem grote internationale erkenningen te beurt vielen.

Een zeer groot deel van de bevolking heeft geen toegang tot de conventionele banksector omdat er op het platteland en aan de rand van de steden niet genoeg kantoren zijn, maar ook omdat de spaarcapaciteit en de individuele inkomens te gering zijn in vergelijking met de kosten van die operaties voor de banken. Het veiligstellen van spaartegoeden en de mogelijkheid om geld te lenen, of anders gezegd, de toegang tot de financiële dienstverlening is essentieel voor het verbeteren van de leefomstandigheden van die bevolkingsgroepen.

Opvallende succesverhalen bevestigen het universeel karakter van dit instrument als wapen tegen uitsluiting. Het is immers gebaseerd op het beste wat een mens te bieden heeft: solidariteit, vertrouwen, waardigheid en ondernemingsgeest. Net zoals in Azië en in Latijns-Amerika kan microfinanciering op betekenisvolle wijze bijdragen tot de ontwikkeling van Afrika. Het moet een volwaardig element worden van de ontwikkelingsstrategie voor het continent. Daarmee zal ook aangetoond worden, voor zover dat nog nodig zou zijn, dat het Afrikaanse potentieel tot ontwikkeling kan komen mits de hinderpalen worden weggenomen.

Om de microfinanciering alle kansen te geven moet een aangepast wettelijk en fiscaal kader worden geschapen. De nationale en internationale bancaire normen moeten afgestemd worden op microfinanciering. Europa en de lidstaten moeten hun reglementering bijsturen zodat de ontwikkeling van dit instrument wordt bevorderd.

Wil men het potentieel van de microfinanciering maximaliseren, dan moet men daarbij ook meer privékapitaal betrekken. Naast het overduidelijk belang voor de ontwikkeling is ook al ruimschoots aangetoond dat microfinanciering financieel leefbaar is. De tijd is rijp voor bankiers en investeerders om de fakkel over te nemen van de overheid en bij te dragen tot de ontwikkeling van het systeem. Het gaat daarbij om duurzame ontwikkeling en dat is ook in hun belang. Overheidsinstellingen kunnen dienst doen als katalysator om meer privékapitaal aan te trekken.

Het succes van microfinanciering bewijst dat het mogelijk is uit de armoede te raken. Het bewijst ook dat ontwikkelingssamenwerking geen uiting van liefdadigheid is maar van partnerschap. Door solidariteit te koppelen aan responsabilisering krijgt de globalisering een humaan karakter.

Microfinanciering is van bijzonder groot belang voor de maatschappelijke emancipatie van vrouwen. Doordat ze economisch onafhankelijk worden, krijgen ze meer waardering in het gezin en in de samenleving en kunnen ze hun inkomen verhogen. Er wordt meer zorg besteed aan de opvoeding en gezondheid van kinderen. Meer algemeen is microfinanciering een onontbeerlijk element voor de ontwikkeling van een weefsel van kleine private ondernemingen, die de basis vormen van een dynamische economie, van werkgelegenheid en hogere inkomens.

Er is natuurlijk meer nodig dan een programma van microfinanciering om armoede en hongersnood uit de wereld te helpen. Er is nood aan een gezond macro-economisch beleid, behoorlijk bestuur, ontwikkelingsplannen voor het platteland en de industriesector, een ondernemingsgerichte reglementering, en investeringen in onderwijs, gezondheid en menselijk potentieel. Die elementen moeten deel uitmaken van elke nationale strategie van armoedebestrijding.

De steun van de internationale gemeenschap is van cruciaal belang: meer en betere ontwikkelingssamenwerking, verdergaande maatregelen van schuldverlichting en een open en billijk handelssysteem dat ook aan armen echte kansen biedt. Alleen in het kader van een dergelijk, langdurig, partnerschap zal armoede uit de wereld kunnen geholpen worden.

Microfinanciering is niet enkel een kwestie van financiële middelen. De uitdaging bestaat erin aan mensen die uitgesloten waren nieuwe perspectieven te bieden, hun vertrouwen te wekken en hen te dynamiseren. Kortom ze moeten het onschatbare gevoel krijgen dat ze hun lot in eigen handen nemen en hun plaats hebben in de samenleving. Is dat niet het allerbelangrijkste?

M. Pierre Galand (PS). – Je suis assez choqué de constater l’absence des membres du gouvernement pour la discussion d’un sujet aussi important que celui de la microfinance, un instrument de solidarité avec les peuples du Sud.

Cela dit, un travail remarquable a été réalisé et je tiens à remercier Mme de Bethune pour l’effort qu’elle a fait. Il faut également savoir que la réunion organisée en 2005 avec la société civile nous a permis de démarrer ce rapport.

Nous ne pouvons pas nous arrêter maintenant. La microfinance a d’abord été une originalité des femmes d’Afrique qui avaient construit des systèmes d’épargne permettant de faire la jonction dans les moments difficiles.

Aujourd’hui, même les institutions financières, notamment la banque mondiale, s’intéressent à la microfinance. Nous devons veiller à ce que la microfinance ne soit pas un instrument de délitement social. Dans nos recommandations, nous demandons au ministre de veiller particulièrement à ce que la microfinance reste un instrument de lien social et pas simplement un moyen de créer des petites entreprises. Ces dernières risqueraient en effet de se livrer à une compétition qui irait à l’encontre des objectifs de la microfinance.

De heer Pierre Galand (PS). – Ik vind het vrij schokkend te moeten vaststellen dat de regering afwezig is bij de bespreking van dit belangrijke onderwerp, aangezien microfinanciering een instrument is van solidariteit met de mensen in het Zuiden.

Ik wil mevrouw de Bethune bedanken voor haar inzet. De vergadering die in 2005 werd gehouden met de civiele maatschappij was het startsein voor dit verslag.

Dit mag geen eindpunt zijn. Microfinanciering begon als een origineel idee van Afrikaanse vrouwen die spaarsystemen hadden opgezet zodat ze de eindjes aan elkaar konden knopen als het wat moeilijker ging.

Nu heeft zelfs de Wereldbank interesse voor microfinanciering. We moeten er evenwel over waken dat microfinanciering geen sociale splijtzwam wordt. In onze aanbevelingen vragen we aan de minister dat hij erop zou toezien dat microfinanciering een instrument van sociale cohesie blijft en niet louter een manier om nieuwe bedrijfjes op te richten. Dan dreigt er een concurrentiestrijd te ontstaan, wat niet strookt met de doelstellingen van de microfinanciering.

Mme Margriet Hermans (VLD). – Notre groupe est résolument favorable à cette proposition de résolution. La microfinance est un instrument pour octroyer des prêts à des personnes qui n’ont pas d’autre accès au crédit. La plupart du temps les montants sont à ce point faibles que même les marchés financiers locaux trouvent l’affaire peu rentable. Un microcrédit pour l’achat d’un triporteur destiné à amener des produis agricoles au marché peut donc faire la différence pour un producteur local.

L’octroi de microcrédits a une place particulière dans les actions de la coopération au développement, et reçoit toujours davantage d’attention. Du client on attend en effet sérieusement qu’il rembourse le prêt. L’engagement personnel du bénéficiaire à bien utiliser l’aide accordée est de cette manière mieux garanti que par d’autres formes de la coopération au développement. Des banques, comme la Grameen Bank au Bangladesh, obtiennent d’excellents résultats même d’un point de vue commercial.

Dans la coopération au développement le VLD insiste également sur l’empowerment, par lequel les personnes prennent en main leur propre sort au lieu de se fondre parmi les bénéficiaires passifs de l’aide. La microfinance est un excellent instrument pour l’empowerment.

La résolution est particulièrement bien conçue techniquement. L’auteur n’a pas coupé les cheveux en quatre. Nous pouvons partager la critique selon laquelle le BIO reçoit trop peu d’attention. Cette critique a du reste été formulée chaque année lors du débat budgétaire par le groupe VLD à la Chambre.

Nous appuierons cette résolution avec enthousiasme. Les amendements ont éliminé un certain nombre de points problématiques. Dans le texte amendé, la microfinance n’est plus seulement axée sur les plus pauvres et les synergies entre BIO et les sociétés d’investissements social sont traitées plus positivement. Le VLD n’a assurément aucun problème de principe avec la possibilité de déductibilité fiscale de la souscription à des actions de sociétés d’investissement social.

La résolution ne fait aucune mention du prix Nobel de la paix qui a été attribué à Muhammad Yunus et à la Grameen Bank bangladaise. Nous espérons que cet oubli n’ait rien à voir avec le fait que la Grameen Bank ne bénéficie d’aucun subside et que ses actions soient entièrement aux mains des prêteurs. La Grameen Bank est en tout cas un excellent exemple du rôle que la microfinance peut jouer en faveur du développement économique des pauvres dans les pays en voie de développement, des femmes en particulier.

Mevrouw Margriet Hermans (VLD). – Onze fractie is absoluut voorstander van dit voorstel van resolutie. Microfinanciering is een instrument om kredieten te verschaffen aan personen die daar anders geen toegang toe hebben. Meestal zijn de bedragen zo klein dat zelfs de lokale financiële markten de zaak weinig rendabel vinden. Een microkrediet voor de aankoop van een bakfiets om landbouwproducten naar de markt te brengen kan dus het verschil maken voor een lokale producent.

Het verstrekken van microkredieten heeft een bijzondere plaats in de ontwikkelingssamenwerking en krijgt ook steeds meer aandacht. Van de klant wordt immers wel degelijk terugbetaling van de lening verlangd. Het persoonlijke engagement van de ontvanger om de ingebrachte hulp goed te besteden is op die manier meer gegarandeerd dan bij andere vormen van ontwikkelingssamenwerking. Er worden ook uitstekende resultaten behaald, zelfs uit commercieel oogpunt, door banken als bijvoorbeeld de Grameen Bank in Bangladesh. Open VLD legt ook in de ontwikkelingssamenwerking graag de nadruk op empowerment waardoor mensen hun eigen lot in handen gaan nemen in plaats van te fungeren als passieve ontvangers van hulp. Microfinanciering is daarbij een uitstekend instrument.

De resolutie is technisch bijzonder goed uitgewerkt. De indiener heeft geen spijkers op laag water gezocht. De kritiek dat BIO te weinig aandacht krijgt, kunnen we delen. Die kritiek wordt overigens bij het begrotingsdebat jaarlijks geformuleerd door de VLD-Kamerfractie.

Wij zullen de resolutie enthousiast steunen. De amendementen nemen een aantal pijnpunten weg. In de geamendeerde tekst is microfinanciering niet enkel meer op de allerarmsten gericht en worden de synergieën tussen BIO en de sociale investeringsmaatschappijen positiever benaderd. Met de mogelijke fiscale aftrekbaarheid van intekeningen op aandelen van sociale investeringsmaatschappijen heeft de VLD zeker geen principiële problemen.

De resolutie maakt geen melding van de Nobelprijs voor de vrede die in 2006 werd toegekend aan Muhammad Yunus en de Bengaalse Grameen Bank. We hopen dat die vergetelheid niets te maken heeft met het feit dat de Grameen Bank niet wordt gesubsidieerd, maar dat de aandelen volledig in handen zijn van de leners. Grameen is in ieder geval een uitstekend voorbeeld van de rol die microfinanciering kan spelen voor de economische ontwikkeling van armen in de ontwikkelingslanden, en van vrouwen in het bijzonder.

La discussion est close.

De bespreking is gesloten.

Il sera procédé ultérieurement au vote sur l’ensemble de la proposition de résolution.

De stemming over het voorstel van resolutie in zijn geheel heeft later plaats.

Votes

Stemmingen

(Les listes nominatives figurent en annexe.)

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Projet de loi portant des dispositions diverses en vue de la réalisation de l’intégration des petits risques dans l’assurance obligatoire soins de santé pour les travailleurs indépendants (Doc. 3-2025) (Procédure d’évocation)

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen met het oog op de integratie van de kleine risico’s in de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor de zelfstandigen (Stuk 3-2025) (Evocatieprocedure)

Vote nº 1

Stemming 1

Présents : 55
Pour : 55
Contre : 0
Abstentions : 0

Aanwezig: 55
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Le projet de loi est adopté sans modification. Par conséquent, le Sénat est censé avoir décidé de ne pas l’amender.

Il sera transmis à la Chambre des représentants en vue de la sanction royale.

Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.

Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Projet de loi modifiant le Code judiciaire, notamment les dispositions relatives au personnel judiciaire de niveau A, aux greffiers et aux secrétaires ainsi que les dispositions relatives à l’organisation judiciaire (Doc. 3-2009)

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzonderheid met betrekking tot bepalingen inzake het gerechtspersoneel van het niveau A, de griffiers en de secretarissen en inzake de rechterlijke organisatie (Stuk 3-2009)

Mme la présidente. – Nous votons à présent sur l’article 5.

De voorzitter. – We stemmen over artikel 5.

Vote nº 2

Stemming 2

Présents : 57
Pour : 39
Contre : 0
Abstentions : 18

Aanwezig: 57
Voor: 39
Tegen: 0
Onthoudingen: 18

L’article 5 est adopté.

Artikel 5 is aangenomen.

Le même résultat de vote est accepté pour les articles 13, 18, 30, 37, 90, 157, 158, 159, 160, 161, 167, 168 et 176. Ces articles sont donc adoptés.

Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de artikelen 13, 18, 30, 37, 90, 157, 158, 159, 160, 161, 167, 168 en 176. Deze artikelen zijn dus aangenomen.

Mme la présidente. – Nous votons à présent sur l’ensemble du projet de loi.

De voorzitter. – We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

Vote nº 3

Stemming 3

Présents : 57
Pour : 44
Contre : 0
Abstentions : 13

Aanwezig: 57
Voor: 44
Tegen: 0
Onthoudingen: 13

Le projet de loi est adopté.

Il sera transmis à la Chambre des représentants.

Het wetsontwerp is aangenomen.

Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Projet de loi organisant les relations entre les autorités publiques et les organisations syndicales des greffiers de l’ordre judiciaire, les référendaires près la Cour de cassation, les référendaires et les juristes de parquet près les cours et tribunaux (Doc. 3-2010)

Wetsontwerp tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van de griffiers van de rechterlijke orde, de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de referendarissen en de parketjuristen bij de hoven en rechtbanken (Stuk 3-2010)

Vote nº 4

Stemming 4

Présents : 57
Pour : 45
Contre : 9
Abstentions : 3

Aanwezig: 57
Voor: 45
Tegen: 9
Onthoudingen: 3

Le projet de loi est adopté.

Il sera transmis à la Chambre des représentants.

Het wetsontwerp is aangenomen.

Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Projet de loi modifiant le Code judiciaire en ce qui concerne les contestations relatives à l’octroi, à la révision et au refus de l’aide matérielle (Doc. 3-1939)

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de geschillen inzake de toewijzing, de herziening en de weigering van de materiële hulp (Stuk 3-1939)

Vote nº 5

Stemming 5

Présents : 57
Pour : 45
Contre : 9
Abstentions : 3

Aanwezig: 57
Voor: 45
Tegen: 9
Onthoudingen: 3

Le projet de loi est adopté.

Il a été amendé et sera transmis à la Chambre des représentants.

Het wetsontwerp is aangenomen.

Het werd geamendeerd en zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Proposition de résolution concernant la politique en matière de microfinance (de Mme Sabine de Bethune et consorts, Doc. 3-1582)

Voorstel van resolutie over het beleid inzake microfinanciering (van mevrouw Sabine de Bethune c.s., Stuk 3-1582)

Vote nº 6

Stemming 6

Présents : 56
Pour : 56
Contre : 0
Abstentions : 0

Aanwezig: 56
Voor: 56
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

La proposition de résolution est adoptée.

La résolution sera transmise au premier ministre et au ministre des Affaires étrangères.

Het voorstel van resolutie is aangenomen.

De resolutie zal aan de eerste minister en aan de minister van Buitenlandse Zaken worden meegedeeld.

Demande d’explications de M. Berni Collas à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «la situation des détenus germanophones en matière d’application des peines» (nº 3-2119)

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de toestand van de Duitstalige gedetineerden wat betreft de strafuitvoering» (nr. 3-2119)

Mme la présidente. – M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre, répondra.

De voorzitter. – De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

M. Berni Collas (MR). – À plusieurs reprises, j’ai eu l’occasion d’évoquer les problèmes spécifiques qui se posent dans l’arrondissement judiciaire d’Eupen.

La presse écrite les a encore relayés dernièrement, plus précisément le 1er février 2007, dans un article intitulé « La Justice eupenoise est en piteux état ».

Actuellement, la nouvelle loi instaurant les tribunaux de l’application des peines (TAP) et celle relative au statut juridique externe des condamnés, entrées en vigueur ce 1er février, soulèvent des questions et des protestations : Le Grenz-Echo du samedi 2 février titrait « Eupener Protest gegen Vollstreckungsgerichte ».

En effet, dans un premier temps, un TAP, ou plutôt une « chambre d’application des peines », a été constitué auprès du Tribunal de première instance du siège du ressort de chaque cour d’appel : Anvers, Gand, Mons et Liège. Pour Bruxelles, une chambre francophone et une néerlandophone ont été créées. Les magistrats ayant fait part de leur crainte d’un engorgement, trois chambres supplémentaires ont été ajoutées, une à Liège, une à Anvers et une chambre francophone à Bruxelles. Elles sont donc aujourd’hui au nombre de neuf. Quatre nouvelles chambres devraient être créées lorsque les TAP reprendront les compétences des commissions de défense sociale.

Selon mes informations, on n’a pas prévu de chambre germanophone dans le ressort de la Cour d’appel de Liège. Les dossiers des détenus de langue allemande sont renvoyés, en ce qui concerne l’application de la peine, aux deux chambres francophones du Tribunal de première instance de Liège.

Si le juge ou le procureur du Roi ne maîtrise pas l’allemand, un traducteur/interprète juré interviendra, ce qui représente des coûts considérables pour les dossiers volumineux.

La Justice eupenoise estime qu’il n’est pas logique que les condamnés germanophones soient renvoyés devant les chambres francophones du Tribunal de première instance de Liège puisque les conditions essentielles pour que ces affaires soient traitées en allemand ne sont pas remplies.

Peut-on envisager d’instaurer une chambre germanophone d’application des peines auprès du Tribunal de première instance de Liège ?

Dans le cas contraire, pourrait-on s’inspirer de la solution trouvée en 1999 en matière de contentieux fiscal ? En effet, la loi du 23 mars 1999 instaure les chambres fiscales auprès des tribunaux de première instance du siège de leur cour d’appel respective. Suivant la modification apportée par cette loi à l’article 632 du Code judiciaire, une dérogation a cependant été prévue pour l’arrondissement judiciaire d’Eupen dont le tribunal de première instance est seul compétent lorsque la procédure est en langue allemande.

Sinon, quelle autre solution préconisez-vous ?

De heer Berni Collas (MR). – Ik heb de specifieke problemen van het gerechtelijk arrondissement Eupen al meermaals aangekaart.

Onlangs kregen ze ook aandacht in de schrijvende pers, meer bepaald op 1 februari 2007 in een artikel met als titel: Het Eupense Gerecht in een erbarmelijke toestand.

De nieuwe wet houdende oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken en de wet betreffende het extern rechtsstatuut van de veroordeelden zijn op 1 februari in werking getreden en lokken nu al vragen en protest uit: op zaterdag 2 februari kopte de Grenz-Echo: Eupener Protest gegen Vollstreckungsgerichte.

In een eerste fase werd een strafuitvoeringsrechtbank of liever een kamer van strafuitvoering opgericht bij de rechtbank van eerste aanleg van de zetel van het rechtsgebied van elk hof van beroep: Antwerpen, Gent, Bergen en Luik. Voor Brussel werden een Franstalige en een Nederlandstalige kamer opgericht. Aangezien de magistraten vreesden voor fileleed werden drie bijkomende kamers opgericht, één in Luik, één in Antwerpen en een Franstalige Kamer in Brussel. Vandaag zijn er dus negen kamers. Er moeten nog vier nieuwe kamers worden opgericht zodra de strafuitvoeringsrechtbanken de bevoegdheden overnemen van de commissies tot bescherming van de maatschappij.

Volgens de informatie waarover ik beschik, wordt er geen Duitstalige kamer opgericht in het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Luik. Duitstalige gevangenen worden voor de strafuitvoering verwezen naar de twee Franstalige kamers bij de rechtbank van eerste aanleg in Luik.

Als de rechter of de procureur des Konings het Duits niet machtig is, wordt een beroep gedaan op een beëdigd vertaler of tolk, wat voor omvangrijke dossiers aanzienlijke kosten met zich brengt.

Het Eupense Gerecht vindt het niet logisch dat Duitstalige veroordeelden naar de Franstalige kamers bij de rechtbank van eerste aanleg te Luik worden doorverwezen omdat de wezenlijke voorwaarden voor de behandeling van hun zaak in het Duits er niet vervuld zijn.

Kan eraan gedacht worden een Duitstalige kamer van strafuitvoering op te richten bij de rechtbank van eerste aanleg te Luik?

Zo niet, kan men dan het voorbeeld volgen van de oplossing die in 1999 werd gevonden voor de behandeling van fiscale geschillen? Bij wet van 23 maart 1999 werden immers fiscale kamers opgericht bij de rechtbanken van eerste aanleg van de zetel van hun respectieve hoven van beroep. De wijziging die door deze wet aan artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek werd aangebracht, voorziet in een vrijstelling voor het gerechtelijk arrondissement Eupen, waar de rechtbank van eerste aanleg als enige bevoegd is om zaken in het Duits te behandelen.

Zo niet, welke andere oplossing staat u voor?

M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre. – Je vous donne lecture de la réponse de Mme la ministre Onkelinx.

La loi du 17 mai 2006 instaurant les tribunaux de l’application des peines prévoit, en son article 46, que les dossiers de condamnés qui ne connaissent que l’allemand ou s’expriment plus aisément dans cette langue sont transférés au Tribunal de l’application des peines de Liège.

L’article 43 dispose, quant à lui, que lorsque dans le ressort de la Cour d’appel de Liège, aucun juge au tribunal de l’application des peines ou substitut du Procureur du Roi spécialisé en application des peines ne justifie de la connaissance de la langue allemande, il est fait appel à un interprète.

Les détenus germanophones pourront donc légitimement être entendus dans leur langue devant le tribunal de l’application des peines en recourant, si besoin est, aux services d’un interprète.

Vous savez certainement que j’ai décidé de créer un tribunal de l’application des peines par ressort de Cour d’appel. Il peut y avoir plusieurs chambres dans cette section du tribunal. Ce sera d’ailleurs le cas à Liège.

Chaque chambre du tribunal de l’application des peines du ressort de Liège aura la charge de 520 à 550 dossiers.

Créer à l’heure actuelle une chambre spécifique des tribunaux de l’application des peines qui serait compétente pour le seul arrondissement d’Eupen pose problème à deux niveaux.

En créant les tribunaux de l’application des peines, le gouvernement a voulu confier cette matière spécifique à des magistrats spécialisés, qui suivent des formations continues en la matière. La solution dont vous parlez ne permet pas d’atteindre cet objectif de professionnalisation des magistrats du tribunal de l’application des peines.

Cette solution pourrait être envisagée si le tribunal de l’application des peines était composé uniquement de magistrats qui par ailleurs exerceraient un autre mandat, mais qu’en serait-il des assesseurs ? Ceux-ci sont désignés à temps plein pour exercer le mandat d’assesseur en exécution des peines ou en réinsertion sociale, et le faible nombre de dossiers germanophones ne permet pas actuellement d’engager deux assesseurs à temps plein uniquement pour l’arrondissement d’Eupen.

Une solution pourrait intervenir à moyen terme. Les compétences des tribunaux d’application des peines seront progressivement élargies pour intégrer d’autres matières : les peines de moins de trois ans de prison, la défense sociale et la mise à la disposition. De nouvelles chambres seront ouvertes et de nouveaux juges uniques seront désignés. Dès lors, il serait légitime d’instaurer une chambre du tribunal d’application des peines germanophone.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Artikel 46 van de wet van 17 mei 2006 houdende oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken bepaalt dat dossiers van veroordeelden die uitsluitend Duits spreken of zich het gemakkelijkst in die taal uitdrukken, worden overgedragen aan de strafuitvoeringsrechtbank te Luik.

Artikel 43 bepaalt dat ingeval in het rechtsgebied van het hof van beroep te Luik geen enkele rechter in strafuitvoeringszaken of substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken het bewijs levert van de kennis van de Duitse taal, een beroep wordt gedaan op een tolk.

Duitstalige gevangenen kunnen dus zo nodig in hun taal gehoord worden voor een strafuitvoeringsrechtbank middels de diensten van een tolk.

U weet beslist dat ik besloten heb een strafuitvoeringsrechtbank per rechtsgebied van hof van beroep op te richten. Een dergelijke rechtbank kan uit verscheidene kamers bestaan. In Luik zal dat overigens het geval zijn.

Iedere kamer van de strafuitvoeringsrechtbank van het rechtsgebied Luik zal 520 à 550 dossiers volgen.

Op dit ogenblik een specifieke kamer van de strafuitvoeringsrechtbanken oprichten die uitsluitend voor het arrondissement Eupen bevoegd zou zijn, doet problemen rijzen op twee niveaus.

Met de oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken heeft de regering die specifieke materie willen toevertrouwen aan gespecialiseerde magistraten die een voortgezette opleiding volgen. Met de oplossing die u voorstelt, kan de doelstelling om van de functie van strafuitvoeringsmagistraat een echt beroep te maken niet worden bereikt.

Die oplossing kan overwogen worden als de strafuitvoeringsrechtbank uitsluitend zou zijn samengesteld uit magistraten die ook een ander mandaat vervullen, maar wat gebeurt er dan met de assessoren? Ze worden voltijds aangesteld voor het mandaat van assessor strafuitvoering of van assessor maatschappelijke reïntegratie, maar gezien het geringe aantal Duitstalige dossiers kunnen momenteel voor het arrondissement Eupen onmogelijk twee voltijdse assessoren in dienst worden genomen.

Op middellange termijn kan een oplossing worden gevonden. De bevoegdheden van de strafuitvoeringsrechtbanken zullen geleidelijk worden uitgebreid tot andere materies: gevangenisstraffen van minder dan drie jaar, de bescherming van de maatschappij en de terbeschikkingstelling. Er zullen nieuwe kamers worden geopend en nieuwe enige rechters worden aangesteld. Het zou derhalve gerechtvaardigd zijn een Duitstalige kamer van strafuitvoering op te richten.

M. Berni Collas (MR). – La ministre de la Justice fait valoir qu’une chambre d’application des peines germanophone sera créée à moyen terme pour satisfaire une revendication qu’elle qualifie elle-même de « légitime ». Je m’en réjouis. En attendant, je déplore le recours à des interprètes. L’allemand est quand même la troisième langue nationale. Il ne s’agit pas du bengali, du mandarin ou du serbo-croate ! J’estime qu’à court terme, une approche plus pragmatique s’impose, à l’instar de celle retenue pour les commissions de libération conditionnelle, où l’on délègue des juges ou des juges suppléants afin de remplir cette tâche spécifique. Pour l’instant, je conçois qu’il ne soit pas vraiment impératif de prévoir des personnes affectées à temps plein à cette mission.

De heer Berni Collas (MR). – De minister van Justitie laat uitschijnen dat op middellange termijn een Duitstalige kamer van strafuitvoering zal worden opgericht om tegemoet te komen aan wat ze bestempelt als een gerechtvaardigde eis. Dat verheugt me. In afwachting betreur ik dat er een beroep moet worden gedaan op tolken. Het Duits is toch de derde landstaal. Het gaat niet om Bengaals, Mandarijn of Servo-Kroatisch! Op korte termijn is er absoluut een pragmatischer aanpak nodig, naar het voorbeeld van de commissies voor voorwaardelijke invrijheidsstelling, die werken met gedetacheerde rechters of gedetacheerde plaatsvervangende rechters voor die specifieke taak. Op dit ogenblik is het wel niet absoluut noodzakelijk om voltijdse krachten voor die opdracht aan te stellen.

Demande d’explications de M. Patrik Vankrunkelsven à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «la prison de Merksplas» (nº 3-2116)

Vraag om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de gevangenis van Merksplas» (nr. 3-2116)

Mme la présidente. – M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre, répondra.

De voorzitter. – De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

M. Patrik Vankrunkelsven (VLD). – La prison de Merksplas a déjà fait l’objet de sévères critiques à plusieurs reprises. Récemment encore on a parlé de situations médiévales. Il peut s’agir des agissements de quelques individus isolés mais il se peut aussi qu’il existe une culture carcérale inacceptable. La prison de Merksplas a une structure décentralisée ; elle se compose de différents pavillons qui jouissent d’une autonomie relativement grande. Il y a manifestement des différences de régime très importantes entre les pavillons.

La ministre est-elle informée de dysfonctionnements dans l’établissement pénitentiaire de Merksplas ?

Est-il vrai qu’une bonne part d’arbitraire y règne quant aux décisions de mise en liberté anticipée ? L’avis de la direction ne serait ainsi pas toujours transmis dans les délais.

La ministre dispose-t-elle de chiffres comparatifs sur les libérations anticipées de détenus dans les différents établissements pénitentiaires de notre pays ? Observe-t-on des différences entre les établissements quant au nombre de détenus qui purgent leur peine jusqu’au bout ?

L’infrastructure, surtout sanitaire, de Merksplas laisse totalement à désirer. Les établissements pénitentiaires ne sont-ils pas soumis à des normes minimales ? La ministre compte-t-elle investir à Merksplas dans de brefs délais ?

Le régime que doivent subir certains détenus semble totalement arbitraire et inadapté. La ministre a-t-elle déjà pu consulter les rapports de la commission de surveillance ? Envisage-t-elle d’intervenir ?

La forte concentration d’étrangers dans cette prison et les difficultés de communication qui s’ensuivent inévitablement expliquent peut-être en partie les problèmes. Ne convient-il pas de mieux répartir les détenus allophones sur l’ensemble du pays ?

La ministre connaît-elle le nombre d’internés à la prison de Merksplas ? Leurs conditions d’internement seraient déplorables. Dans quel délai ces personnes pourront-elles, selon elle, bénéficier d’un encadrement adapté ?

De heer Patrik Vankrunkelsven (VLD). – Al meermaals werd de strafinrichting van Merksplas in een slecht daglicht gesteld. Onlangs nog kwamen er opnieuw berichten over middeleeuwse toestanden. Het kan gaan over de handelwijze van enkelingen, maar het kan ook zijn dat er een gevangeniscultuur heerst die niet meer aanvaardbaar is. Het gaat over een gevangenis met een gedecentraliseerde structuur waarbij de verschillende paviljoenen een vrij grote autonomie bezitten. Blijkbaar bestaan er grote verschillen tussen de regimes in de verschillende paviljoenen.

Is het de minister bekend dat er bepaalde wantoestanden bestaan in de strafinrichting van Merksplas?

Klopt het dat er een vrij grote willekeur bestaat wat het vervroegd in vrijheid stellen betreft? Het directiecollege moet hier advies geven en de termijnen zouden hier met een zekere willekeur gehanteerd worden.

Beschikt de minister over vergelijkende cijfers in verband met het vervroegd in vrijheid stellen van gedetineerden in de verschillende strafinrichtingen van ons land? Worden er verschillen vastgesteld tussen de verschillende inrichtingen in verband met het aantal mensen dat een volledige straf uitzit?

De infrastructuur blijkt totaal ondermaats te zijn in Merksplas, zeker wat het sanitair betreft. Bestaan er op dat vlak geen minimale normen voor de Belgische strafinrichtingen? Is de minister van plan om in Merksplas op korte termijn te investeren?

Het regime dat sommige individuele gevangenen moeten ondergaan, zoals verlengde isolatie en het beperkt gebruik van sanitaire mogelijkheden, lijkt volledig willekeurig en vaak onaangepast. Heeft de minister hier al inzage gekregen in de verslagen van de commissie van toezicht? Is de minister van plan op te treden?

De hoge concentratie van vreemdelingen in deze gevangenis, die gepaard gaat met de nodige communicatiemoeilijkheden, is misschien mee de oorzaak van een aantal van de problemen. Is het niet raadzaam een betere spreiding van anderstalige gevangenen over ons land na te streven?

Weet de minister hoeveel geïnterneerden er in de gevangenis van Merksplas verblijven? Het zouden er meer dan 100 zijn. De problematiek van deze mensen is al langer bekend en de toestand zou zeer schrijnend zijn. Op welke termijn denkt zij dat voor deze mensen een gepaste opvang gerealiseerd kan worden?

M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre. – Je vous lis la réponse de la ministre Onkelinx.

La direction de la prison et mon administration ont entrepris une enquête administrative pour vérifier si les accusations sont fondées. Il en ressort qu’en ce qui concerne les libérations conditionnelles et provisoires, l’établissement pénitentiaire de Merksplas applique les mêmes procédures que les autres prisons.

La direction transmet l’avis du collège du personnel à l’administration centrale dans les délais prévus.

Une première analyse comparative révèle qu’en moyenne 9,7% des détenus des prisons belges purgent l’intégralité de leur peine. À Merksplas, il s’agit de 10,5%.

Quant à l’infrastructure, divers travaux de sécurisation seront réalisés en 2007 pour un montant global de plus de 1,5 million d’euros.

J’insiste auprès de la Régie des bâtiments pour qu’elle engage, au début de 2007, une série d’autres travaux de sécurisation, de rénovation des toitures et de rafraîchissement, ainsi que des travaux d’amélioration des installations sanitaires. Ces travaux sont estimés à plus de deux millions d’euros. Les études sont terminées ou suffisamment avancées pour permettre l’engagement et la réalisation des travaux à bref délai.

La prison de Merksplas compte 45,5% de détenus de nationalité étrangère. Ils occupent surtout l’aile des condamnés et non l’aile des internés. À titre de comparaison, la prison d’Anvers compte 54% de détenus de nationalité étrangère et celle d’Ittre 57%.

L’Institut national de criminalistique et de criminologie a été chargé de faire une étude sur la répartition des détenus allophones et d’élaborer un nouveau système de classification pour les prisons belges.

La prison de Merksplas compte actuellement 267 internés dans la section de Défense sociale. Comme la situation de ces personnes me tient à cœur, j’ai élaboré un masterplan Internement qui prévoit la construction de deux nouveaux établissements, la création d’équipes multidisciplinaires de soins dans les sections psychiatriques des prisons et l’instauration d’un circuit intégral de soins par mon collègue de la Santé publique. Soixante places supplémentaires seront en outre créées à Merksplas par le biais d’unités modulaires qui pourront être mises en service avant la fin de 2007.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik lees het antwoord van de minister van Justitie.

In een verslag van de Commissie van Toezicht en in de media is het functioneren van de strafinrichting van Merksplas onder vuur genomen. De lokale gevangenisdirectie van de strafinrichting en mijn administratie zijn een administratief onderzoek gestart om te na te gaan of de gesignaleerde klachten gegrond zijn. Daaruit blijkt dat wat de voorwaardelijke en voorlopige invrijheidsstellingen betreft, in de strafinrichting van Merksplas dezelfde procedures worden toegepast als in de andere gevangenissen.

Het advies van het personeelscollege wordt door de gevangenisdirectie binnen de gestelde termijnen overgemaakt aan mijn centrale administratie.

Uit een eerste vergelijkende cijferanalyse blijkt dat gemiddeld 9,7% van de gedetineerden in de Belgische gevangenissen hun volledige straf uitzitten. In de strafinrichting van Merksplas blijven 10,5% van de gedetineerden tot het einde van hun straf in de instelling.

Wat de infrastructuur betreft, zullen in 2007 beveiligingswerken worden uitgevoerd. Vooraan en achteraan de strafinrichting zullen veiligheidsomheiningen worden aangebracht, de celramen aan de voorzijde van de gevangenis zullen vervangen worden en in de vleugels met geïnterneerden zullen de celdeuren en de traliewerken vernieuwd worden. Het gaat in totaal over meer dan 1,5 miljoen euro.

Ik dring bij de Regie der Gebouwen aan op de vastlegging, begin 2007, van een reeks andere werken op het gebied van beveiliging, dakrenovaties en opfrissingswerken, ook van verbetering van sanitaire installaties en douches. Deze werken worden op meer dan 2 miljoen euro geraamd. De studies zijn voltooid of ver genoeg gevorderd om spoedig tot vastlegging en uitvoering te kunnen overgaan.

In de gevangenis te Merksplas zijn er 45,5% gedetineerden van vreemde nationaliteit. Ze bevinden zich hoofdzakelijk op de veroordeeldenafdeling en niet bij de geïnterneerden. Ter vergelijking: in Antwerpen en Ittre zijn er respectievelijk 54 en 57% gedetineerden van vreemde nationaliteit.

Er is een onderzoek over de spreiding van anderstalige gedetineerden gevraagd bij het NICC dat belast is met de uitwerking van een nieuw classificatiesysteem voor de Belgische gevangenissen.

Op dit moment verblijven er in Merksplas 267 geïnterneerden op de afdeling Sociaal Verweer. Omdat hun toestand mij na aan het hart ligt heb ik een masterplan Internering uitgewerkt dat voorziet in de bouw van 2 nieuwe instellingen, de oprichting van multidisciplinaire zorgequipes in de psychiatrische afdelingen van de gevangenissen en een integraal zorgcircuit dat zal uitgewerkt worden door mijn collega van Volksgezondheid. Er zullen bovendien 60 bijkomende plaatsen worden gecreëerd in Merksplas door middel van modulaire units, die vóór het einde van 2007 in gebruik kunnen genomen worden.

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «l’assouplissement de l’interdiction de parier au poker» (nº 3-2131)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de versoepeling van het gokverbod op het pokerspel» (nr. 3-2131)

Mme la présidente. – M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre, répondra.

De voorzitter. – De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – La Commission des jeux de hasard s’est réunie le mercredi 7 janvier 2007 au sujet d’un assouplissement de l’interdiction des tournois de poker mais n’a pas pu s’accorder. Nous estimons toutefois que l’évolution est préoccupante.

On peut gagner ou perdre beaucoup d’argent en jouant au poker et le hasard intervient. C’est donc un jeu de hasard, qui est interdit en vertu de la loi sur les jeux de hasard de 1999. La Commission des jeux de hasard reçoit de plus en plus de demandes d’autorisation de tournois de poker.

Le poker connaît un véritable regain d’intérêt. La popularité du jeu à la télé et sur internet joue certainement un rôle. Par le biais d’internet, il est de plus en plus facile de parier, mais les contrôles sont difficiles.

Les paris à domicile rencontrent également un succès grandissant. Dans les magasins de jouets, de luxueux jeux de poker se vendent comme des petits pains.

Enfin, les casinos agréés veulent aussi profiter de l’aubaine. Ils peuvent organiser un tournoi de poker une seule fois par an. Mais la commission envisage de les autoriser à organiser plusieurs tournois par an.

En raison du grand nombre de demandes, la Commission des jeux de hasard risque de céder et d’assouplir les conditions des tournois de poker.

La ministre est-elle favorable ou opposée à un assouplissement de l’interdiction de miser au poker ?

Quelles initiatives prend-elle pour combattre le jeu de poker illégal sur internet et dans les cercles privés ?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – De Kansspelcommissie vergaderde op woensdag 7 januari 2007 over een versoepeling van het verbod op pokertoernooien maar kon het niet eens worden. Niettemin vinden wij de evolutie zorgwekkend.

Met pokeren kan je veel geld winnen of verliezen en er is toeval mee gemoeid. Dus is het een kansspel, dat volgens de wet op de kansspelen van 1999 verboden is. De Kansspelcommissie krijgt steeds meer aanvragen om pokertoernooien te mogen organiseren.

Het pokerspel beleeft een ware opleving. De populariteit van het spel op tv en het internet speelt daarbij ongetwijfeld een rol. De Vlaamse Media Maatschappij speelt al langer met het idee om een pokerspel in een spelformat aan te bieden. Via het internet worden gokken steeds gemakkelijker maar het is moeilijk te controleren.

Ook in de huiskamer is het gokspel aan een opmars bezig. In de speelgoedwinkels gaan luxueuze pokerspelen als zoete broodjes over de toonbank.

Tenslotte willen ook de erkende casino’s een graantje meepikken. Die casino’s mogen eenmaal per jaar een pokertoernooi organiseren. Maar de commissie Casino’s overweegt om meerdere toernooien per jaar toe te laten.

Tengevolge van het grote aantal aanvragen dreigt de Kansspelcommissie door de knieën te gaan en de voorwaarden van het pokertoernooi te versoepelen.

Is de minister voor of tegen een versoepeling van het gokverbod voor het pokerspel?

Welke initiatieven onderneemt de minister om illegaal pokeren op het internet en in besloten groepen aan te pakken?

M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre. – Je vous lis la réponse de la ministre de la Justice.

La Commission de jeux de hasard doit notamment donner des avis et doit donc suivre de très près certains phénomènes qui se présentent dans le paysage des jeux de hasard. Une des tendances qui se dessinent actuellement est une augmentation du nombre de demandes d’organisation de tournois du type Texas hold’em. La Commission des jeux de hasard en a débattu et proposera des pistes de réflexion éventuelles, qui pourront constituer la base de l’avis qui sera rendu aux autorités.

Aujourd’hui, les tournois de poker ne peuvent être organisés que par les établissements de jeux de hasard de classe I, soit les casinos, et cela une seule fois par an et avec l’autorisation et sous le contrôle de la Commission des jeux de hasard.

Si tous les éléments sont réunis – mise, gain, perte et hasard, ne fût-ce que subsidiaire –, le poker est un jeu de hasard qui est permis sous la forme de jeu de table, en tournoi et sous forme automatique dans les établissements de jeux de hasard de classe I et sous forme automatique dans les établissements de jeux de hasard de classe II. Le jeu est donc suffisamment encadré sur le plan légal et une modification n’est pas à l’ordre du jour.

La Commission des jeux de hasard et les services de police agissent effectivement de manière répressive contre toutes les formes illégales de poker.

Un avant-projet de loi modifiant la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les établissements de jeux de hasard et la protection du joueur a été déposé à la Chambre. Il fixe un cadre par le biais du certificat de fiabilité.

La loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard est une loi pénale et les jeux de hasard qui sont exploités sans autorisation de la Commission des jeux de hasard sont passibles de sanctions prévues dans la loi. Une exception figurant à l’article 3 précise toutefois que les jeux de carte sont permis en dehors des établissements de classes I et II s’ils n’exigent qu’une mise très limitée et s’ils ne donnent au joueur ou parieur qu’un avantage matériel de faible valeur. L’interprétation de ce qui est compris par « très limité » et « faible valeur » est réservée au cours et tribunaux. Le Collège des procureurs généraux indique dans sa circulaire 8/2004, à titre d’exemple, une mise de 0,22 euros et un gain maximum de 6,20 euros. Il va de soi que beaucoup de tournois de poker dépassent cette marge.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik lees het antwoord van de minister van Justitie.

De Kansspelcommissie heeft onder meer een adviestaak en dient dus de vinger aan de pols te houden over bepaalde fenomenen die zich voordoen in het kansspellandschap. Een van de tendensen die zich momenteel aftekent, is een toename van het aantal aanvragen voor de organisatie van pokertoernooien van het type Texas hold’em. De Kansspelcommissie heeft zich hierover beraden en wil mogelijke denksporen ontwikkelen die dan later de basis kunnen vormen voor een advies aan de overheid.

Op het ogenblik kunnen pokertoernooien alleen door de kansspelinrichtingen klasse I, zijnde casino’s, worden ingericht, en dat één keer per jaar. De Kansspelcommissie geeft daarvoor de toestemming en oefent het toezicht uit.

Als alle elementen voorhanden zijn – inzet, winst, verlies en toeval, zij het bijkomstig – is het pokerspel een kansspel dat als tafelspel, als pokertoernooi en onder automatische vorm toegelaten is in kansspelinrichtingen I en onder automatische vorm in kansspelinrichtingen klasse II. De wettelijke omkadering bestaat dus en een wijziging is niet aan de orde.

De Kansspelcommissie en ook de politiediensten treden wel degelijk repressief op tegen alle vormen van illegale poker. Ik verwijs naar de interventie in Stokkem op 25 mei 2006, naar aanleiding van een illegaal pokertoernooi. Dat was een duidelijk signaal dat geen gedoogbeleid zou worden gevoerd.

Een voorontwerp tot wijziging van de wet 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de speler werd ingediend in de Kamer. Daarin wordt in een omkadering voorzien via een betrouwbaarheidscertificaat.

De kansspelwet van 7 mei 1999 is een strafwet. Kansspelen die zonder toelating van de Kansspelcommissie worden uitgebaat zijn onderhavig aan de in deze wet bepaalde sancties. Een uitzondering in artikel 3 bepaalt echter dat de kaartspelen buiten kansspelinrichtingen klasse I en II toegelaten zijn, indien dat slechts een zeer geringe inzet vereist en aan de speler of gokker slechts een materieel voordee