|
Présidence de
Mme Anne-Marie Lizin
(La séance est ouverte à
15 h 15.)
|
Voorzitter: mevrouw Anne-Marie
Lizin
(De vergadering wordt geopend om
15.15 uur.)
|
|
Prise
en considération de propositions
|
Inoverwegingneming
van voorstellen
|
|
Mme la présidente.
– La liste des propositions à prendre en
considération a été distribuée.
Je prie les membres qui auraient des
observations à formuler de me les faire connaître
avant la fin de la séance.
Sauf suggestion divergente, je
considérerai ces propositions comme prises en
considération et renvoyées à la commission
indiquée par le Bureau. (Assentiment)
|
De voorzitter. – De
lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.
Leden die opmerkingen mochten
hebben, kunnen die vóór het einde van de
vergadering mededelen.
Tenzij er afwijkende suggesties
zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen
en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn
aangewezen. (Instemming)
|
|
(La liste des propositions prises
en considération figure en annexe.)
|
(De lijst van de in overweging
genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)
|
|
Proposition
de loi relative à la répétibilité des
honoraires et des frais d’avocat (de Mme Fauzaya
Talhaoui et M. Flor Koninckx, Doc. 3-1686)
|
Wetsvoorstel
betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten
verbonden aan de bijstand van een advocaat (van mevrouw Fauzaya
Talhaoui en de heer Flor Koninckx, Stuk 3-1686)
|
|
Proposition
de loi modifiant le Code judiciaire et le Code d’instruction
criminelle en ce qui concerne le remboursement des frais de
justice (de Mme Clotilde Nyssens, Doc. 3-51)
|
Wetsvoorstel
tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van
strafvordering in verband met de terugbetaling van de
gerechtskosten (van mevrouw Clotilde Nyssens, Stuk 3-51)
|
|
Proposition
de loi modifiant le Code judiciaire et le Code d’instruction
criminelle, en ce qui concerne le remboursement des frais non
compris dans les dépens (de M. Alain Destexhe,
Doc. 3-204)
|
Wetsvoorstel
tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van
strafvordering, betreffende de terugbetaling van de uitgaven die
niet bij de kosten inbegrepen zijn (van de heer Alain
Destexhe, Stuk 3-204)
|
|
Proposition
de loi modifiant les articles 1018, 6º, et 1022 du Code
judiciaire (de MM. Hugo Vandenberghe et Jan Steverlynck,
Doc. 3-1342)
|
Wetsvoorstel
tot wijziging van de artikelen 1018, 6º, en 1022 van
het Gerechtelijk Wetboek (van de heren Hugo
Vandenberghe en Jan Steverlynck, Stuk 3-1342)
|
|
Proposition
de renvoi
|
Voorstel
tot terugzending
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Étant donné
que le gouvernement a déposé des amendements après
le vote du rapport, je propose le renvoi des propositions de loi
en commission de la Justice qui se réunira à 15h30.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Aangezien de regering
amendementen heeft ingediend na goedkeuring van het verslag, stel
ik voor over te gaan tot terugzending van de wetsvoorstellen naar
de commissie voor de Justitie, die om 15.30 uur zal bijeenkomen.
|
|
– Le renvoi est
ordonné.
|
– Tot terugzending
wordt besloten.
|
|
Questions
orales
|
Mondelinge
vragen
|
|
Question
orale de M. Ludwig Vandenhove au ministre des Affaires
sociales et de la Santé publique sur «les abattages
rituels» (nº 3-1390)
|
Mondelinge
vraag van de heer Ludwig Vandenhove aan de minister van
Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de rituele
slachtingen» (nr. 3-1390)
|
|
M. Ludwig
Vandenhove (SP.A-SPIRIT). – Cette semaine, des images
horribles d’abattages rituels ont été
diffusées sur la VRT.
Nous avons
essayé de faire adopter une proposition de loi visant à
interdire les abattages rituels mais nous n’y sommes pas
parvenus, essentiellement en raison de l’avis du Conseil
d’État qui juge la liberté de culte plus
importante que le bien-être des animaux.
Je propose
d’organiser une réunion avec tous les intéressés,
non seulement les organisations de défense des animaux
mais également, parce que je respecte leur liberté
de culte, les communautés qui font réaliser des
abattages rituels. En outre, il faut fixer une date limite et
tenter d’obtenir des résultats. Il serait certes
préférable de régler cette question de
manière légale mais, comme ce n’est pas
possible, nous devons trouver un consensus pour éviter la
souffrance animale.
|
De heer Ludwig
Vandenhove (SP.A-SPIRIT). – Deze week werden op de VRT
verschrikkelijke beelden getoond van rituele slachtingen. Wie ze
niet gezien heeft, raad ik aan dat alsnog te doen, want ze waren
werkelijk schokkend.
We hebben geprobeerd een
wetsvoorstel te laten goedkeuren waardoor rituele slachtingen
verboden worden, maar dat is ons niet gelukt, in hoofdzaak
omwille van het advies van de Raad van State, die
godsdienstvrijheid belangrijker vindt dan dierenwelzijn.
Ik stel een rondetafelgesprek voor
met alle betrokkenen, niet alleen met de
dierenwelzijnsorganisaties maar, omdat ik hun godsdienstvrijheid
respecteer, eveneens met de gemeenschappen die rituele
slachtingen laten uitvoeren. Daarbij moet een deadline worden
vastgelegd en worden geprobeerd resultaten te bereiken. Het
verdient uiteraard de voorkeur deze kwestie wettelijk te regelen,
maar aangezien dit niet mogelijk is, moeten we een consensus
vinden om dierenleed te vermijden.
|
|
M. Rudy
Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé
publique. – Le Sénat sait que ce problème me
préoccupe et que je n’ai pas attendu la diffusion
d’images choquantes pour prendre des initiatives afin
d’améliorer l’organisation des abattages
rituels dans le cadre de la fête du sacrifice. Ainsi, un
vade-mecum a entre autres été rédigé
à l’intention des communes, une assistance est
proposée pour l’aménagement de lieux
temporaires d’abattage et une brochure est diffusée
à l’intention de la population.
Voici quelques
mois, j’ai chargé des experts du Conseil du
bien-être des animaux de la réalisation d’une
étude sur les mesures susceptibles de réduire la
souffrance animale lors des abattages, dans le respect des
prescriptions religieuses. Les résultats de cette étude
devraient être connus mi-avril.
Si les
résultats de l’étude le permettent, nous
pourrons entre autres organiser à court terme une
formation obligatoire pour les personnes qui réalisent les
abattages rituels. J’ai en effet l’intention de
renouer le dialogue avec les principaux intéressés.
Ce dernier pourra réellement commencer après
l’évaluation de la fête du sacrifice ;
l’objectif est de tirer des conclusions constructives. Ce
n’était pas possible par le passé. Je renvoie
à un symposium organisé en 2003 en collaboration
avec tous les représentants des cultes concernés et
les associations de défense des animaux.
|
De heer Rudy Demotte,
minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – De Senaat
kent mijn bezorgdheid voor deze materie en weet dat ik geen
schokkende beelden heb afgewacht om allerlei initiatieven terzake
te nemen om de organisatie van de rituele slachtingen in het
kader van het offerfeest te verbeteren. Zo werd onder meer een
vademecum opgesteld voor de gemeenten, wordt ondersteuning
geboden bij het inrichten van tijdelijke slachtvloeren en wordt
een brochure voor de bevolking verspreid.
Enkele maanden geleden heb ik
deskundigen van de Raad voor het dierenwelzijn belast met het
uitvoeren van een studie omtrent maatregelen die het dierenleed
bij de slachtingen kunnen verminderen, met respect voor de
godsdienstige voorschriften. De resultaten van deze studie zouden
midden april bekend moeten zijn.
Als de resultaten van het onderzoek
het mogelijk maken kunnen we onder meer op korte termijn een
verplichte opleiding organiseren voor rituele slachters. Het is
inderdaad mijn bedoeling om de dialoog met de belangrijkste
betrokkenen opnieuw aan te vatten. Die dialoog kan echter van
start gaan na de evaluatie van het Offerfeest en het is de
bedoeling constructieve conclusies te trekken. In het verleden
was dat niet mogelijk. Ik verwijs hierbij naar een symposium dat
in 2003 werd gehouden samen met alle vertegenwoordigers van de
betrokken godsdiensten en de verenigingen die opkomen voor
dierenwelzijn.
|
|
M. Ludwig
Vandenhove (SP.A-SPIRIT). – Je ne doute pas de la
sincérité du ministre. Je voudrais simplement lui
demander d’agir rapidement en ce sens. Les conseils
consultatifs sont une bonne chose, mais pourquoi ne pouvons-nous
pas à court terme nous asseoir autour de la table pour
éviter ce genre de choses et parvenir à un bon
équilibre entre le bien-être des animaux et le
respect des divers cultes et convictions dans notre pays ?
|
De heer Ludwig
Vandenhove (SP.A-SPIRIT). – Ik twijfel niet aan het
antwoord van de minister en zijn oprechtheid. Ik wil hem alleen
vragen er snel werk van te maken. Adviesraden zijn goed, maar
waarom kunnen we niet op korte termijn rond de tafel gaan zitten
om dit soort dingen te vermijden en om daarbij te komen tot een
goed evenwicht tussen dierenwelzijn en respect voor de
verschillende godsdiensten en overtuigingen in ons land?
|
|
Question
orale de Mme Olga Zrihen au ministre des Affaires
étrangères, au ministre de la Coopération au
Développement et au ministre de l’Environnement et
ministre des Pensions sur «le suivi du protocole de Kyoto»
(nº 3-1387)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Olga Zrihen aan de minister van
Buitenlandse Zaken, aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking
en aan de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen over
«de opvolging van het Kyotoprotocol» (nr. 3-1387)
|
|
Mme Olga Zrihen (PS). –
En vertu du protocole de Kyoto, la Belgique doit réduire
ses émissions de gaz à effet de serre de 7,5% par
rapport aux émissions enregistrées en 1990. Dans la
pratique, cet objectif de réduction se traduit par une
quantité maximale autorisée d’émissions,
les droits d’émission. En d’autres mots, la
Belgique a reçu le droit d’émettre, chaque
année, durant la période 2008-2012, une quantité
de gaz à effet de serre égale à 92,5% des
émissions de 1990.
Comment la Belgique peut-elle
satisfaire à ses obligations ? De deux manières :
soit en réduisant ses émissions de gaz à
effet de serre, soit en achetant des droits d’émission
à l’étranger en utilisant les mécanismes
de flexibilité prévus par le protocole de Kyoto.
Les droits d’émission
alloués à la Belgique conformément au
protocole de Kyoto ont été répartis entre
les trois régions. Mais il est alloué aux Régions
plus de droits d’émission que ce qui est prévu
pour la Belgique par le protocole de Kyoto. L’autorité
fédérale compensera cette différence en
achetant des droits d’émission sur le marché
international au cours de la période 2008-2012. La
Commission européenne vient de revoir sa copie en
considérant que la Belgique devait revoir à la
baisse ses droits d’émission.
Dans ce cadre, monsieur le ministre,
comment la Belgique achètera-t-elle les droits
d’émission ? Quels pays ont-ils été
consultés à cet effet ? Si des pays en voie de
développement vendent leurs droits d’émission,
cela ne compromet-il pas leur développement futur ?
J’ai cru comprendre qu’il sera également
possible d’utiliser le budget de la Coopération au
développement pour financer certains aspects dans le cadre
de ces achats de droits d’émission. Pouvez-vous m’en
dire plus ?
|
Mevrouw Olga
Zrihen (PS). – Om de Kyotodoelstellingen te halen moet
België de emissie van broeikasgassen met 7,5% verminderen
tegenover het emissieniveau van 1990. Die doelstelling wordt in
de praktijk vertaald door een maximaal toegelaten hoeveelheid
emissies, de emissierechten. België mag in de periode
2008-2012 jaarlijks een hoeveelheid broeikasgassen uitstoten die
92,5% bedraagt van de emissies van 1990.
België
zal die verplichting op twee manieren nakomen. Het zal de emissie
van broeikasgassen verminderen en het zal in het buitenland
emissierechten aankopen volgens de regels die in het
Kyotoprotocol werden opgenomen.
De Belgische
emissierechten werden onder de drie gewesten verdeeld. Er werden
echter meer rechten aan de gewesten toegekend dan België
krachtens het Kyotoprotocol bezit. De federale overheid moet dat
verschil in de periode 2008-2012 compenseren door de aankoop van
emissierechten op de internationale markt. De Europese Commissie
heeft geoordeeld dat België zijn emissierechten moet
verlagen.
Hoe gaat
België emissierechten kopen? Welke landen werden
aangesproken? Mochten bepaalde ontwikkelingslanden hun
emissierechten verkopen, brengen zij dan hun toekomstige
ontwikkeling niet in het gedrang? Ik heb begrepen dat het budget
van Ontwikkelingssamenwerking kan worden gebruikt om sommige
aspecten van de aankoop van emissierechten te financieren. Kan de
minister hierover meer zeggen?
|
|
M. Bruno Tobback,
ministre de l’Environnement et ministre des Pensions. –
Un accord a effectivement été conclu le 8 mai 2004
au sein du comité de concertation. Il engage l’autorité
fédérale à acheter un certain nombre de
droits d’émission : 12,3 millions, pour être
précis. Dans cet accord, les Régions se voient en
effet attribuer plus de droits d’émission que la
Belgique n’en recevra en application du protocole de Kyoto.
Ce surplus est donc compensé par l’autorité
fédérale, par l’achat de ces droits
d’émission via le concept de Joint Implementation
et de Clean Development Mechanism prévus par le
protocole de Kyoto.
Je tiens à clarifier les
choses. La décision de la Commission européenne
concernant le plan d’allocation national n’a aucune
influence sur la politique d’achat du pouvoir fédéral,
puisque la décision de la Commission a trait à la
distribution de la quantité de droits d’émission
aux entreprises soumises au système européen
d’échange des droits d’émission,
compétence exclusive des Régions.
L’autorité fédérale
a, fin mai 2005, lancé un premier marché
public pour l’achat de droits d’émission via
les projets JI/CDM assortis d’un budget de 10 millions
d’euros, dont 9,3 millions pour l’achat effectif de
crédits d’émission.
En novembre 2006, j’ai
conclu un premier contrat avec une entreprise implantée au
Salvador pour l’achat d’un nombre de droits
d’émission variant entre 193.000 et 262.000, générés
par un projet CDM dans le domaine des énergies
renouvelables, la géothermie pour être précis.
Certains autres projets font
également l’objet de négociations
contractuelles encore en cours en ce moment.
Un deuxième marché
public pour l’achat de droits d’émission sera
lancé très prochainement, pour un budget d’au
moins 25 millions d’euros, parallèlement à la
participation à un ou deux fonds carbone, gérés
par des banques multinationales ou privées.
Je voudrais encore souligner que
l’instrument est précisément axé sur
la réalisation et le renforcement d’un développement
durable dans les pays en voie de développement. En effet,
les entreprises favorisent les investissements dans le
développement et les transferts de technologies et dans un
savoir-faire respectueux de l’environnement.
Dans le cadre des négociations
internationales sur le climat, l’accent est mis fréquemment
sur le fait que certains pays, notamment les moins développés,
souvent africains d’ailleurs, n’ont pas accès
à cet instrument.
Dans le cadre du deuxième
marché public, je veux absolument œuvrer en faveur
d’une répartition plus équitable entre les
pays, en accordant une indemnisation financière pour
l’établissement de documents d’appel d’offre.
La coopération au
développement n’a pas prévu de budget séparé
pour le soutien au développement des capacités dans
ces pays, mais il faut évidemment accroître ces
efforts et élaborer une stratégie qui soit axée
sur le renforcement des capacités à nos pays de
concentration.
|
De heer Bruno
Tobback, minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen.
– Op 8 mei 2004 werd in het Overlegcomité
een akkoord gesloten dat bepaalt dat de federale overheid 12,3
miljoen emissierechten zal kopen. Krachtens dat akkoord krijgen
de gewesten meer emissierechten toegekend dan België op
basis van het Kyotoprotocol zal ontvangen. Dat overschot wordt
gecompenseerd door de federale overheid die emissierechten zal
aankopen volgens de Joint Implementation en het Clean
Development Mechanism waarin het Kyotoprotocol voorziet.
De beslissing
van de Europese Commissie over het nationale toewijzingsplan zal
geen enkele invloed hebben op het federale aankoopbeleid. De
beslissing van de Commissie heeft enkel betrekking op de
verdeling van de hoeveelheid emissierechten onder de
ondernemingen die onderworpen zijn aan het Europese
emissiehandelssysteem, een exclusieve bevoegdheid van de
gewesten.
De federale
overheid heeft einde mei 2005 een eerste openbare
aanbesteding uitgeschreven voor de aankoop van emissierechten via
JI/CDM-projecten. In totaal werd 10 miljoen euro vrijgemaakt,
waarvan 9,3 miljoen voor de aankoop van emissierechten.
In
november 2006 heb ik een eerste contract gesloten met een
onderneming uit El Salvador voor de aankoop van 193.000 tot
262.000 emissierechten via een CDM-project op het gebied van
duurzame energie, meer bepaald geothermie.
Over andere
projecten wordt momenteel onderhandeld.
Binnenkort zal
een tweede openbare aanbesteding worden uitgeschreven, voor
minstens 25 miljoen euro. Ook zullen we deelnemen aan een of twee
koolstoffondsen, die door multinationale of privébanken
worden beheerd.
Dat instrument
is precies gericht op de totstandbrenging en versterking van een
duurzame ontwikkeling in de ontwikkelingslanden. De ondernemingen
bevorderen de investeringen in de ontwikkeling en overdracht van
technologieën en in een knowhow die het leefmilieu
respecteert.
In de
internationale klimaatonderhandelingen wordt vaak benadrukt dat
sommige landen, met name de minst ontwikkelde Afrikaanse landen,
geen toegang hebben tot dat instrument.
Bij de tweede
aanbesteding ijver ik voor een eerlijker verdeling onder de
landen door een financiële vergoeding toe te kennen voor de
administratieve kosten die met de aanbesteding gepaard gaan.
Ontwikkelingssamenwerking
heeft geen afzonderlijk budget om de ontwikkeling van de
capaciteit in die landen te steunen. Vanzelfsprekend moeten we de
inspanningen opdrijven en een strategie ontwikkelen die gericht
is op de versterking van de capaciteit van onze partnerlanden.
|
|
Mme Olga Zrihen (PS). –
Cette réponse extrêmement complète me laisse
tout de même perplexe. Dans l’ensemble, le dispositif
de Kyoto doit être global. Dans la mesure où nous
sommes engagés dans la voie d’une réduction
des gaz à effet de serre, ne serait-il pas judicieux
d’envisager d’agir de manière autonome, sans
solliciter la non-consommation d’autres pays ? Je
comprends bien le mécanisme mais nos États doivent
assumer leurs responsabilités et se rapprocher le plus
possible des exigences de Kyoto.
|
Mevrouw Olga
Zrihen (PS). – Dit antwoord is zeer uitvoerig, maar
toch verbijstert het me. We hebben ons ertoe geëngageerd de
uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Zou het niet beter
zijn dat doel op eigen kracht te halen, zonder andere landen aan
te sporen om minder te verbruiken? Ik weet hoe het mechanisme in
mekaar zit, maar onze Staten moeten hun verantwoordelijkheid op
zich nemen en ernaar streven de Kyotodoelstellingen zo dicht
mogelijk te benaderen.
|
|
M. Bruno Tobback,
ministre de l’Environnement et ministre des Pensions. –
Je partage votre avis, madame Zrihen. Je soulignerai que la
Belgique, au niveau fédéral, a décidé
d’assumer deux tiers de ses obligations sous forme de
réduction interne. L’autre tiers, y compris la
partie de « surallocation » pour les
Communautés et les Régions, prendra la forme
d’achats de droits d’émission, par des
mécanismes expressément prévus dans le
protocole de Kyoto et qui, même dans le fameux rapport
Stern, sont très applaudis. Ils permettent en effet à
certains pays moins développés d’accueillir
des investisseurs, situation qu’ils n’auraient pas
connue en d’autres circonstances. Nous faisons non
seulement tout notre possible mais nous assumons expressément
nos responsabilités.
|
De heer Bruno
Tobback, minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen.
– Ik ben het daarmee eens. De Belgische federale overheid
heeft beslist twee derde van de nodige inspanningen intern te
realiseren. Het andere derde, met inbegrip van het teveel van aan
de gewesten toegekende rechten, zal gebeuren via de aankoop van
emissierechten. Dat systeem is uitdrukkelijk in het Kyotoprotocol
opgenomen en wordt in het bekende Sternrapport toegejuicht. Het
stelt sommige ontwikkelingslanden in staat investeringen aan te
trekken die ze onder andere omstandigheden niet zouden kunnen
aantrekken. We doen niet alleen al het mogelijke, maar nemen ook
onze verantwoordelijkheid uitdrukkelijk op ons.
|
|
Question
orale de M. François Roelants du Vivier au
ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur
«les normes d’émission des antennes de
téléphonie mobile» (nº 3-1388)
|
Mondelinge
vraag van de heer François Roelants du Vivier
aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de
stralingsnormen voor gsm-zendmasten» (nr. 3-1388)
|
|
M. François
Roelants du Vivier (MR). – Une proposition
d’ordonnance a été déposée au
Parlement bruxellois et bénéficie du soutien de
l’ensemble des partis démocratiques ; elle vise
à protéger l’environnement contre les
éventuels effets nocifs et nuisances provoqués par
les radiations non ionisantes. Cette proposition précise
les normes d’émission relatives aux antennes GSM
pour la Région de Bruxelles.
En 2000, une démarche
identique de proposition de normes avait été tentée
au niveau régional. La ministre de l’époque,
Mme Aelvoet, avait proposé un arrêté
royal qui fixait les normes d’exposition aux champs
magnétiques à proximité des antennes GSM à
20,6 V/m pour 900 MHz. Cet arrêté a été
cassé par le Conseil d’État, mais pas pour
des raisons de fond.
Vous avez repris le même
arrêté royal le 10 juillet 2005.
Il avait été dit, à
l’époque, que le fédéral demeurait
compétent pour ce qui concerne les normes de produits, les
normes de santé. D’où ma question :
avez-vous été approché par les auteurs de la
proposition ou par le gouvernement bruxellois ?
En effet, je ne voudrais pas qu’une
proposition adoptée par un parlement régional donne
l’illusion aux habitants de cette région de
bénéficier d’une norme plus contraignante qui
ne pourrait finalement pas s’appliquer, puisque les
compétences relèveraient du fédéral.
Pensez-vous que la région
soit compétente en tout ou en partie pour arrêter
des normes relatives aux antennes ? Si la région
détient une compétence, même limitée,
il conviendrait d’organiser une concertation entre le
fédéral et la région afin de respecter le
principe de proportionnalité.
Pouvez-vous préciser de
manière publique qui est compétent pour quoi ?
Quelles sont vos intentions pour l’avenir ? Il m’est
revenu que vous attendiez les conclusions d’un rapport de
l’OMS, qui devrait être publié en 2007, pour
adapter éventuellement la norme actuelle de 20,6 V/m.
Confirmez-vous cette information ?
|
De heer François
Roelants du Vivier (MR). – De democratische
partijen in het Brussels Parlement hebben een voorstel van
ordonnantie ingediend betreffende de bescherming van het
leefmilieu tegen de eventuele schadelijke effecten en hinder van
niet-ioniserende stralingen. In het voorstel worden de
stralingsnormen voor gsm-masten in het Brussels Gewest
vastgelegd.
In 2000 was
reeds een gelijkaardig initiatief genomen op regionaal niveau. Op
voorstel van de toenmalige minister, mevrouw Aelvoet, werd
een koninklijk besluit genomen waarin de normen voor de
blootstelling aan magnetische velden in de nabijheid van
gsm-antennes werden vastgelegd op 20,6 V/m voor 900 MHz.
De Raad van State heeft dat besluit vernietigd, maar niet om
inhoudelijke redenen.
Minister
Demotte heeft hetzelfde koninklijk besluit op 10 juli 2005
hernomen. Destijds was gezegd dat het federale niveau bevoegd
blijft voor de product- en gezondheidsnormen. Vandaar mijn vraag:
is de minister door de indieners van het voorstel of door de
Brusselse regering aangesproken?
Ik zou niet
willen dat inwoners van het Brusselse Gewest, doordat de
regionale assemblee een voorstel heeft goedgekeurd, de illusie
zouden hebben dat in hun gewest strengere normen gelden, terwijl
die eigenlijk niet kunnen worden opgelegd omdat het federale
niveau bevoegd is.
Is het gewest
volgens volledig of gedeeltelijk bevoegd om normen voor
zendmasten vast te leggen? Mocht het gewest, al was het maar
gedeeltelijk, bevoegd zijn, dan zou het beter met het federale
niveau overleg plegen over het proportionaliteitsprincipe.
Kan de
minister toelichten wie waarvoor bevoegd is? Wat zijn zijn
intenties? Ik heb gehoord dat hij de conclusies van het
WGO-rapport, dat in 2007 wordt gepubliceerd, afwacht om de norm
van 20,6 V/m eventueel aan te passen. Klopt dat?
|
|
M. Rudy Demotte,
ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. –
La norme pour les antennes émettant des ondes
électromagnétiques entre 10 MHz et 10 GHz
a été initialement fixée par l’arrêté
royal du 29 avril 2001, c’est-à-dire sous
la précédente législature et sous la
responsabilité d’une ministre écologiste. Cet
arrêté royal a ensuite été annulé
par le Conseil d’État, pour des raisons de forme.
J’ai donc dû prendre un arrêté royal
réparateur dans l’urgence, afin d’éviter
l’absence de normes.
À l’heure actuelle, il
n’existe pas de consensus scientifique justifiant que la
Belgique adopte une norme plus stricte que la norme actuelle,
déjà deux fois plus sévère que celle
recommandée par l’OMS et adoptée par la
majorité des pays européens en se basant sur des
méthodes de comptabilisation assez différentes.
Alors que la Belgique cumule les normes à partir des
différentes sources d’émission, d’autres
pays européens ne le font pas.
Les arrêtés royaux en
question ont été pris sur la base de la loi du
12 juillet 1985, relative à la protection de
l’homme et de l’environnement contre les effets
nocifs provoqués par les radiations non ionisantes, les
infrasons et les ultrasons.
Cette loi autorise le Roi à
déterminer les normes générales qui
définissent les objectifs de qualité auxquels tout
milieu doit répondre afin d’assurer la protection de
la population et de l’environnement contre les effets
nocifs et les nuisances provoquées par les radiations non
ionisantes, les infrasons et les ultrasons.
Cette norme de sécurité
vis-à-vis de la population, qui tient compte des effets
sur la santé, ne peut être fixée qu’au
niveau fédéral.
Elle doit bien sûr être
réexaminée en permanence, tant au niveau européen
qu’international, en vue d’une éventuelle
adaptation.
Je confirme qu’une étude
de l’OMS devrait aboutir à des conclusions fin 2007
ou début 2008. Dans l’éventualité où
les normes de l’OMS seraient revues à la hausse dans
le cadre de cette étude, nous aurons évidemment à
réfléchir à leur redéfinition dans
notre pays. Il me semble indiqué de s’aligner sur
les normes internationales.
Pour ce qui est des relations entre
les gouvernements fédéral et bruxellois, un contact
a déjà eu lieu entre mon cabinet et celui du
ministre-président de la Région de
Bruxelles-Capitale. Une réunion de concertation est prévue
dans les semaines à venir.
|
De heer Rudy
Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. –
De norm voor antennes die elektromagnetische golven tussen 10 MHz
en 10 GHz uitzenden, werd oorspronkelijk vastgelegd in het
koninklijk besluit van 29 april 2001, dus door een
groen minister tijdens de vorige regeerperiode. De Raad van State
heeft het koninklijk besluit vernietigd omdat de juiste procedure
niet was gevolgd. Ik heb een dringend koninklijk besluit moeten
nemen om te vermijden dat er geen normen zouden zijn.
Er bestaat
momenteel geen wetenschappelijke consensus die zou rechtvaardigen
dat België een norm aanneemt die strikter is dan de
bestaande. Die is trouwens al twee keer strenger dan de norm die
door de WGO wordt aanbevolen en die in de meeste Europese landen
wordt gehanteerd. Wel volgen we een andere berekeningswijze.
België telt de normen vanaf de verschillende bronnen op,
andere Europese landen niet.
De koninklijke
besluiten waarvan sprake werden genomen op basis van de wet van
12 juli 1985 betreffende de bescherming van de mens en
van het leefmilieu tegen de schadelijke effecten en de hinder van
niet-ioniserende stralingen, infrasonen en ultrasonen.
Krachtens die
wet kan de Koning de algemene normen vaststellen voor de
kwaliteitseisen waaraan elke omgeving moet voldoen met het oog op
de bescherming van de mens en van het leefmilieu tegen de
schadelijke effecten en de hinder van niet-ioniserende
stralingen, infrasone en ultrasone golven.
De
veiligheidsnorm kan enkel door het federale niveau worden
vastgelegd.
Ze moet op
Europees en internationaal niveau permanent worden geëvalueerd
en eventueel worden aangepast.
De WGO zal
eind 2007, begin 2008 de conclusies van een studie voorstellen.
Mochten de WGO-normen op basis van die studie strenger worden
gemaakt, dan zal België natuurlijk ook over nieuwe normen
nadenken. Het lijkt me raadzaam dat we ons op de internationale
normen afstemmen.
Mijn kabinet
heeft reeds contact gehad met het kabinet van de
minister-president van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In de
komende weken wordt een overlegvergadering georganiseerd.
|
|
Question
orale de Mme Mia De Schamphelaere au ministre des
Affaires sociales et de la Santé publique sur «un
statut spécifique pour les spécialistes en médecine
sportive dans le cadre du combat contre le dopage»
(nº 3-1392)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister
van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «een speciaal
statuut voor sportartsen in het kader van de dopingstrijd»
(nr. 3-1392)
|
|
Mme Mia
De Schamphelaere (CD&V). – Ces derniers temps,
en Flandre, les différents scandales de dopage provoquent
un grand émoi. Un mouvement a été lancé
par de nombreux acteurs sociaux pour lutter effectivement contre
le dopage.
Les
spécialistes en médecine sportive sont, de même
que les coureurs, au service des équipes cyclistes et
subissent donc aussi une pression commerciale et concurrentielle.
Les récents cas de dopage ont montré que les
médecins sont vraisemblablement au courant de ce qui se
passe et participent à l’omertà qui entoure
ce problème. C’est pourquoi l’Ordre des
médecins propose la création d’un statut
spécial pour les spécialistes en médecine
sportive. Il serait identique au statut indépendant des
médecins du travail.
Un spécialiste
en médecine sportive doit pouvoir décider
indépendamment des directeurs sportifs et des sponsors que
la santé de tel sportif est en danger et qu’il ne
peut plus participer aux épreuves sportives. Cela
signifierait qu’il n’y a pas de rupture de contrat et
que la décision est prise sur la base d’un avis
médical.
Ce statut
pourrait également mettre fin à la discussion sur
le point de savoir si les spécialistes en médecine
sportive sont ou non liés par le secret professionnel. À
l’heure actuelle on ne sait pas exactement si les médecins
concernés auraient dû parler des cas de dopage dans
le peloton. Si le médecin de l’équipe était
davantage un accompagnateur que simplement un médecin, il
serait moins strictement lié par le secret professionnel.
Le ministre
est-il favorable à l’idée d’un statut
pour les spécialistes en médecine sportive ?
Dans
l’affirmative, quelle forme ce statut doit-il prendre à
son sens ? Sera-t-il créé ?
|
Mevrouw Mia De Schamphelaere
(CD&V). – De jongste tijd is in Vlaanderen heel wat
te doen over de verschillende dopingschandalen. Er is een
beweging van vele maatschappelijke actoren op gang gekomen om
eindelijk werk te maken van de strijd tegen doping.
In de Senaat werden hierover twee
jaar geleden heel wat hoorzittingen gehouden en uitgebreid
gedebatteerd.
Sportartsen staan samen met de
wielrenners in dienst van de wielerploegen en staan dus ook onder
commerciële en concurrentiële druk. De recente
dopinggevallen hebben trouwens aangetoond dat de artsen
waarschijnlijk op de hoogte zijn van wat er aan de gang is en
deel uitmaken van de omertà rond dit probleem. De Orde van
artsen stelt daarom de ontwikkeling voor van een speciaal statuut
voor sportartsen. Dit statuut zou gelijkaardig zijn aan het
onafhankelijke statuut van de arbeidsgeneesheren.
Een sportdokter moet onafhankelijk
van ploegleiders en van sponsors kunnen beslissen dat de
gezondheid van een bepaalde sporter in gevaar is en dat hij niet
meer kan deelnemen aan sportwedstrijden. Dat zou dan betekenen
dat er geen contractbreuk is en dat de beslissing wordt genomen
op grond van een medisch advies.
Dat statuut zou ook een einde kunnen
maken aan de discussie of sportdokters al dan niet door het
beroepsgeheim gebonden zijn. Nu is het niet duidelijk of de
betrokken sportdokters al dan niet hadden moeten spreken over de
dopinggevallen in het peloton. Als de ploegarts meer een
begeleider is dan enkel maar een dokter, dan zou hij minder
strikt gebonden zijn door het beroepsgeheim.
Is de minister de idee van een
statuut voor de sportdokters genegen?
Indien ja, hoe moet dat statuut er
volgens hem dan uitzien? Zal dit worden uitgewerkt?
|
|
M. Rudy
Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé
publique. – Jusqu’à présent, l’Ordre
des médecins n’a pas formulé de position
officielle sur un statut spécial pour les spécialistes
en médecine sportive. La proposition de définir un
statut indépendant pour les spécialistes en
médecine sportive, par analogie avec celui des médecins
du travail, me semble intéressante.
Un médecin
qui, indépendamment d’un employeur, en l’occurrence
le club sportif, peut procéder à un examen
d’aptitude et accompagner le sportif peut jouer un rôle
protecteur et préventif. On ne voit pas clairement si cela
signifie aussi que ces médecins sont moins liés par
le secret professionnel.
L’idée
requiert donc un large débat.
Il importe que
des mesures de protection des sportifs et de lutte contre le
dopage dans le sport ne se limitent pas aux sportifs de haut
niveau mais s’appliquent à tous les sportifs.
|
De heer Rudy Demotte,
minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Tot op
heden heeft de Orde van artsen geen officieel standpunt over een
speciaal statuut voor sportartsen geformuleerd.
Het lijkt me een interessant
voorstel om een onafhankelijk statuut voor sportartsen te
definiëren, naar analogie met dat van de arbeidsgeneesheren.
Een arts die onafhankelijk van een
werkgever, in casu de sportclub, een geschiktheidsonderzoek en
aan begeleiding kan doen voor de sportbeoefenaar, kan een
beschermende en preventieve rol vervullen. Of dit ook betekent
dat deze artsen daardoor minder door het beroepsgeheim zijn
gebonden, is echter niet duidelijk.
De idee vergt dus een uitgebreid
debat.
Het is belangrijk dat maatregelen
ter bescherming van de sporters en tegen dopinggebruik in de
sport niet tot de topsporters worden beperkt, maar dat ze voor
alle sportbeoefenaars gelden.
|
|
Mme Mia
De Schamphelaere (CD&V). – Je remercie le
ministre de sa réponse. Il donne une impulsion positive à
cette idée nouvelle.
|
Mevrouw Mia De Schamphelaere
(CD&V). – Ik dank de minister voor zijn antwoord.
Hij geeft een positieve aanzet voor dat nieuwe idee.
|
|
Question
orale de M. Josy Dubié au ministre de la Défense
sur «la demande de l’ambassadeur des EU à
Bruxelles concernant l’augmentation de la présence
militaire belge en Afghanistan» (nº 3-1395)
|
Mondelinge
vraag van de heer Josy Dubié aan de minister van
Landsverdediging over «de vraag van de ambassadeur van de
VS te Brussel over het opvoeren van de Belgische militaire
aanwezigheid in Afghanistan» (nr. 3-1395)
|
|
M. Josy Dubié
(ECOLO). – Dans une dépêche de l’Agence
Belga que j’ai lue aujourd’hui, l’ambassadeur
des États-Unis à Bruxelles a critiqué le
manque d’engagement militaire belge dans l’opération
de l’OTAN en Afghanistan, trop limité selon lui,
estimant que notre pays devrait fournir un effort supplémentaire.
Il ressort des réponses à
une demande d’explications que j’ai développée
jeudi dernier que le gouvernement envisage une augmentation
substantielle de l’ordre de 35% de notre engagement
militaire dans ce pays dans le courant de l’année
2007 et l’envoi éventuel, sur place, de plusieurs
avions de chasse F16. J’ai cru comprendre qu’il
s’agissait de quatre appareils.
Comment réagissez-vous,
monsieur le ministre, à cette demande de l’ambassadeur
des États-Unis ?
Confirmez-vous l’augmentation
de notre effectif militaire dans le courant de l’année
2007 ? Si oui, quelles en sont les motivations ?
Quelle analyse faites-vous de la
dégradation de la situation militaire et sécuritaire
sur place ?
Quelles sont les mesures éventuelles
à prendre pour y faire face ?
Quelle sortie du conflit
prévoyez-vous et à quelle date ?
|
De heer Josy
Dubié (ECOLO). – In een bericht van het
Agentschap Belga las ik vandaag dat de ambassadeur van de
Verenigde Staten in Brussel kritiek heeft geuit op de Belgische
militaire inzet voor de NAVO-operaties in Afghanistan. Hij vindt
dat we veel te weinig doen en dat ons land een extra inspanning
moet leveren.
Uit de
antwoorden op de vraag om uitleg die ik vorige donderdag stelde,
blijkt dat de regering van plan is in de loop van 2007 onze
militaire inspanning in Afghanistan substantieel te verhogen,
namelijk met 35%. Er zouden ook verschillende F16
gevechtsvliegtuigen ter plaatse worden gestuurd. Ik meen te
hebben begrepen dat het om vier toestellen gaat.
Hoe zal de
minister reageren op de vraag van de ambassadeur van de Verenigde
Staten?
Bevestigt hij
dat we in de loop van 2007 meer manschappen zullen sturen? Zo ja,
met welke bedoeling?
Wat vindt hij
van de verslechterde militaire situatie en veiligheid ter
plaatse?
Welke
maatregelen zal hij eventueel nemen?
Hoe ziet hij
de oplossing van het conflict en tegen wanneer?
|
|
M. André Flahaut,
ministre de la Défense. – J’ai déjà
partiellement répondu à cette question ce matin.
J’ai beaucoup de respect pour
l’ambassadeur des États-Unis qui quitte sa fonction
et j’ai d’ailleurs eu de très nombreux
contacts avec lui. Toutefois, ses déclarations lui
appartiennent et je ne partage pas nécessairement son
point de vue.
Concernant la présence belge
en Afghanistan, je crois qu’il est important de rappeler
fermement que dans ce pays, comme au Liban ou au Kosovo, les
Belges sont présents depuis le début de l’opération
et que nous n’avons jamais été pris en défaut
de solidarité.
Cette présence constante est
centrée sur la sécurité de l’aéroport
de Kaboul. Un C-130 est stationné en Afghanistan et il
accomplit un travail utile à l’ensemble des forces
présentes sur le terrain. Il faut également
rappeler qu’à certains moments, notamment lors de
l’élection du président Karzaï et de
l’installation de la Loya Jirga, nous avons effectivement
augmenté de façon substantielle notre présence
sur le terrain, puisque nous l’avons doublée.
Chaque fois que ce fut nécessaire,
la Belgique a donc fourni une réponse positive.
Qu’avons-nous prévu
pour l’année 2007 ? Voici quelques semaines,
j’ai déposé au conseil des ministres la note
d’orientation pour les opérations 2007. Elle prévoit
le maintien de notre présence à l’aéroport
de Kaboul ainsi que du C-130 et elle annonce, pour les alentours
du mois d’octobre, non pas une augmentation de 35% de notre
engagement militaire comme vous l’évoquez, monsieur
Dubié, mais l’envoi d’une quarantaine de
personnes qui pourraient encore renforcer notre présence à
l’aéroport. Il est en effet prévu que nous
prenions, pour la première fois depuis que nous sommes
présents, le commandement de l’ensemble des troupes
se trouvant sur l’aéroport de Kaboul.
En ce qui concerne les quatre F16,
la note présentée au conseil des ministres fait
état du « déploiement éventuel »
de quatre F16. Celui-ci pourrait avoir lieu si la demande était
formulée et si le besoin s’en faisait sentir.
Voyez-vous, il faut constater que
les approches des problèmes de Défense sont
différentes entre nous et les États-Unis, par
exemple.
Nous disons qu’il ne sert à
rien de déployer des hommes s’ils n’ont pas
une utilité. Cela ne sert à rien de doubler notre
contingent en Afghanistan si les gens ne sont pas utilisés.
Nous préférons envoyer des personnes qui seront
utiles sur place et nous croyons que prendre la direction de
l’aéroport de Kaboul, qui implique une augmentation
de notre contingent, est une bonne chose pour l’ensemble
des forces présentes en Afghanistan et spécialement
à Kaboul.
C’est la même attitude
que nous avons adoptée pour le Liban. Plutôt que
d’envoyer un bloc de militaires pour la FINUL, nous avons
constitué une force sur mesure que nous avons voulue
significative, quatre cents personnes, et utile dans le déminage,
le génie et l’hôpital, le tout avec notre
propre protection.
Telle est la situation. Aujourd’hui,
nous avons près de trois cents personnes à
l’aéroport de Kaboul. Nous comptons y rester pendant
l’année 2007. Ce qui est certain, c’est que ce
n’est pas en renforçant sans cesse les effectifs sur
place que nous trouverons une solution aux problèmes de
l’Afghanistan. Nous le disons depuis très
longtemps : il est important que l’ensemble des
acteurs se revoient à propos de l’Afghanistan pour
apporter une réponse globale qui intègre également
les aspects autres que militaires, comme l’éducation,
la coopération, la reconstruction et la lutte contre la
culture du pavot.
Voilà la position défendue
par notre gouvernement et par le département de la Défense
nationale.
Depuis quatre ans, nous dépensons
près de trente millions d’euros par an dans notre
contribution à l’ISAF. Quand on sait que le
département de la Coopération vient aussi de
prendre des engagements à hauteur de trente millions pour
la période 2007-2010, je crois que l’on peut dire
que la Belgique prend largement sa part à la résolution
de la problématique de l’Afghanistan.
|
De heer André
Flahaut, minister van Landsverdediging. – Ik heb deze
vraag vanochtend al gedeeltelijk beantwoord.
Ik heb veel
respect voor de ambassadeur van de Verenigde Naties. Ik heb hem
trouwens al vaak ontmoet. Zijn verklaringen zijn echter voor zijn
eigen rekening. Ik deel niet noodzakelijk zijn standpunt.
Wat de
Belgische aanwezigheid in Afghanistan betreft, herinner ik eraan
dat de Belgen in dat land, zoals ook in Libanon en Kosovo, sinds
het begin van de operatie aanwezig zijn. We zijn nooit
tekortgeschoten op het vlak van solidariteit.
Onze
permanente aanwezigheid is toegespitst op de luchthaven van
Kaboel. Een C-130 is in Afghanistan gestationeerd en wordt
ingezet voor nuttig werk, samen met de troepen die ter plaatse
zijn. Op bepaalde momenten, bij de verkiezing van president
Karzai en de installatie van de Loya jirga, hebben we onze
aanwezigheid op het terrein fors opgevoerd, zelfs verdubbeld.
Telkens
wanneer het nodig bleek, heeft België positief geantwoord.
Wat zijn de
plannen voor 2007? Enkele weken geleden heb ik de Ministerraad
een oriëntatienota voor de operaties in 2007 voorgelegd. Die
voorziet in een verdere aanwezigheid op de luchthaven van Kaboel,
ook van de C-130, tot ongeveer de maand oktober. Het gaat niet om
het opvoeren van onze militaire aanwezigheid met 35%, zoals
de heer Dubié beweerde, maar om het sturen van
veertig personen om onze aanwezigheid op de luchthaven te
versterken. We zullen voor het eerst sinds onze aanwezigheid daar
de leiding nemen van de troepen op de luchthaven van Kaboel.
De nota aan de
Ministerraad heeft het over een ‘eventuele ontplooiing’
van vier F16-toestellen. Dat kan gebeuren als het uitdrukkelijk
wordt gevraagd en als het nodig is.
De Verenigde
Staten benaderen de defensieproblemen blijkbaar op een andere
manier dan wij.
Het heeft geen
zin manschappen in te zetten als dat niet nodig is. Het dient tot
niets ons contingent in Afghanistan te verdubbelen als er geen
gebruik wordt van gemaakt. We verkiezen mensen ter plaatse te
sturen als het echt nodig is. De versterking van ons contingent
op de luchthaven van Kaboel is een goede zaak voor alle troepen
in Afghanistan en vooral in Kaboel.
We hebben
dezelfde houding aangenomen ten opzichte van Libanon. In plaats
van een militair contingent voor UNIFIL te sturen, hebben we een
macht op maat gestuurd, vierhonderd militairen. Ze worden onder
onze eigen bescherming ingezet voor ontmijning, genie en het
ziekenhuis.
Momenteel
hebben we meer dan driehonderd manschappen op de luchthaven van
Kaboel. We denken er nog het hele jaar 2007 te blijven. Door de
troepen ter plaatse voortdurend te versterken worden de problemen
in Afghanistan uiteraard niet opgelost. We zeggen al lang dat het
belangrijk is dat alle actoren hun houding tegenover Afghanistan
herzien om een globaal antwoord te vinden. Het gaat niet alleen
om de militaire aspecten, maar ook om onderwijs,
ontwikkelingssamenwerking, wederopbouw en de strijd tegen de
papaverteelt.
Dat is het
standpunt van de regering en van Defensie.
Gedurende vier
jaar hebben we meer dan dertig miljoen euro per jaar aan de ISAF
bijgedragen. Ontwikkelingssamenwerking heeft zich voor de periode
2007-2010 verbonden tot dertig miljoen euro. België levert
dus een ruime bijdrage voor de oplossing van het probleem in
Afghanistan.
|
|
M. Josy Dubié
(ECOLO). – Je vous remercie, monsieur le ministre, pour
votre réponse. Comme vous, je suis extrêmement
préoccupé du sort de nos soldats en Afghanistan. Je
note cependant que, dans la réponse que m’a fournie
en votre nom Mme la secrétaire d’État,
le jeudi 25 janvier, vous parlez d’une augmentation de
310 soldats à 420 d’ici à la fin de l’année.
Une simple règle de trois montre bien qu’il s’agit
d’une augmentation de trente-cinq pour-cent, sans compter
les effectifs qui serviront les quatre F16 qui seront
éventuellement déployés.
Mais la question essentielle est :
quelle analyse faites-vous, monsieur le ministre, de la
dégradation de la situation militaire et de sécurité
sur place ? Je suis inquiet et je souhaite que nos collègues
prennent conscience de la dégradation accélérée
de la situation que vous avez du reste reconnue dans un article
du Vif-L’Express voici deux mois. Vous y dénonciez
l’explosion des dépenses causées par le
bourbier afghan, vous vous y inquiétiez de la fuite en
avant, vous affirmiez que les opérations d’alliance
en Afghanistan étaient moins aisées à
justifier et vous disiez que la situation se dégradait et
qu’avec le temps les forces de l’OTAN risquaient
d’apparaître comme une force d’occupation. Et
vous aviez raison. Nous en sommes là et, pourtant, nous
augmentons nos effectifs sur place, trente-cinq pour-cent, ce
n’est pas rien…
|
De heer Josy
Dubié (ECOLO). – Ik dank de minister voor zijn
antwoord. Net als hij ben ik bijzonder bezorgd om onze soldaten
in Afghanistan. In het antwoord van de minister dat de
staatssecretaris op donderdag 25 januari heeft voorgelezen,
had de minister het over een verhoging van 310 tot 420 soldaten
tussen nu en het einde van het jaar. Een eenvoudige regel van
drie toont aan dat het om een verhoging gaat met vijfendertig
procent, zonder de manschappen mee te rekenen die voor de vier
F16-toestellen moeten instaan.
De essentiële
vraag is: hoe analyseert de minister de verslechterde militaire
situatie ter plaatse? Ik ben ongerust en hoop dat onze collega’s
zich bewust zijn van de snel verslechterende situatie, die
trouwens werd beschreven in Le Vif-L’Express
van twee maanden geleden. De minister heeft het over de
exploderende uitgaven voor de Afghaanse modderpoel, maakt zich op
voorhand ongerust over de uittocht, bevestigt dat de geallieerde
operaties in Afghanistan minder gemakkelijk te rechtvaardigen
zijn, dat de toestand verslechtert en dat de NAVO troepen
uiteindelijk een bezettingsmacht dreigen te worden. De minister
heeft gelijk. We zijn er en drijven het aantal manschappen ter
plaatse op met vijfendertig procent. Dat is niet niks …
|
|
M. André Flahaut,
ministre de la Défense. – Ce n’est pas
trente-cinq pour-cent !
|
De heer André
Flahaut, minister van Landsverdediging. – Het is geen
vijfendertig procent!
|
|
M. Josy Dubié
(ECOLO). – Comment allons-nous en sortir ? Je
m’inquiète.
Aujourd’hui, nous sommes à
la veille du printemps. Je connais bien la région pour m’y
être rendu souvent comme correspondant de guerre. Et je
connais la réputation extrêmement farouche de ces
combattants afghans qui luttent pour leur indépendance.
Aujourd’hui, le Waziristan-Nord et le Waziristan-Sud,
régions limitrophes de l’Afghanistan qui sont
majoritairement peuplées de Pachtounes, sont aux mains des
talibans. Ce sont leurs bases arrières.
Au printemps, nous serons
probablement confrontés à une difficulté
considérable.
Mme la présidente et moi
avons eu l’occasion de rencontrer récemment le
président pakistanais M. Musharraf. Il nous a
confirmé qu’il n’avait plus la mainmise
militaire sur ces régions de l’ouest de son pays.
J’attire l’attention des
collègues sur le fait que notre armée risque d’être
en difficulté. Il est vrai qu’elle est aujourd’hui
confinée dans l’aéroport de Kaboul et qu’elle
n’est pas en première ligne de combat. Mais je suis
très inquiet sur l’évolution de la situation
militaire.
J’ai suggéré au
président de la commission des Affaires étrangères
de prévoir une réunion à huis clos pour
analyser en profondeur la situation ainsi que tous ses
développements militaires et politiques afin de voir
comment nous pourrions éviter à nos troupes sur
place d’être confrontées à des
difficultés très graves.
|
De heer Josy
Dubié (ECOLO). – Hoe komen we hieruit? Ik maak
me ongerust.
De lente staat
voor de deur. Ik ken het gebied goed. Ik was er vaak als
oorlogscorrespondent. Ik ken ook de uiterst wrede reputatie van
de Afghaanse onafhankelijkheidsstrijders. Momenteel zijn de
grensgebieden van Afghanistan, Noord-Waziristan en
Zuid-Waziristan, hoofdzakelijk bevolkt door Pathanen, in handen
van de Taliban. Het is hun thuisbasis.
In de lente
zullen we waarschijnlijk met een moeilijke situatie worden
geconfronteerd.
De voorzitter
van de Senaat en ikzelf hebben onlangs de Pakistaanse president
Musharraf ontmoet. Hij bevestigde dat hij de militairen in het
westen van zijn land niet meer in de hand heeft.
Ik vestig de
aandacht van de collega’s op het feit dat ons leger in
moeilijkheden dreigt te raken. Momenteel heeft het een mandaat op
de luchthaven van Kaboel, dus niet in de eerste gevechtslijn.
Maar ik ben bijzonder ongerust over de evolutie van de militaire
toestand.
Ik heb de
voorzitter van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en
voor de Landsverdediging voorgesteld om over de militaire en
politieke ontwikkelingen een vergadering met gesloten deuren te
houden om na te gaan hoe we kunnen voorkomen dat onze troepen ter
plaatse met ernstige problemen worden geconfronteerd.
|
|
M. André Flahaut,
ministre de la Défense. – Je ne suis pas
correspondant de guerre mais je me suis rendu à plusieurs
reprises en Afghanistan et je connais bien la situation depuis
que nos troupes sont sur place.
Nos vues ne sont pas nécessairement
très éloignées, monsieur Dubié. J’ai
effectivement dit que la solution ne viendrait pas d’une
présence militaire et que les divers acteurs de la
communauté internationale devraient se réunir le
plus rapidement possible à Kaboul avec les autorités
afghanes pour essayer de calmer les choses et de mettre un terme
à la dégradation de la situation.
Si le Sénat ou la Chambre
belges peuvent contribuer à provoquer cette réunion,
notamment au travers du Conseil de sécurité des
Nations unies, c’est une bonne chose. Nos militaires sont
présents à Kaboul, à un endroit stratégique
car ils sont à la porte d’entrée ;
psychologiquement, c’est aussi une position difficile.
Finalement, si nous pouvons
contribuer à faire avancer les choses et à dégager
une solution dans cette direction, je serai volontiers partie
prenante à un tel débat.
|
De heer André
Flahaut, minister van Landsverdediging. – Ik ben geen
oorlogscorrespondent, maar ben verschillende keren in Afghanistan
geweest. Sinds onze troepen ter plaatse zijn, ken ik de toestand
goed.
Mijnheer
Dubié, onze standpunten liggen niet zeer ver uit elkaar.
Ik heb inderdaad gezegd dat de oplossing niet zal komen van een
militaire aanwezigheid ter plaatse. De verschillende actoren van
de internationale gemeenschap moeten zo snel mogelijk met de
Afghaanse autoriteiten in Kaboel bijeenkomen om rust te brengen
en ervoor te zorgen dat de situatie niet verder verslechtert.
Het zou goed
zijn als de Belgische Kamer en Senaat via de Veiligheidsraad van
de Verenigde Naties een aanzet zouden kunnen geven voor een
vergadering. Onze militairen in Kaboel bevinden zich op een
psychologisch strategische plaats, namelijk aan de ingangspoort.
Ook dat is een moeilijke positie.
Als we kunnen
bijdragen om de zaken te doen vooruitgaan en een oplossing in die
richting kunnen voorstellen, dan doe ik graag mee.
|
|
Question
orale de M. Luc Paque au ministre de la Mobilité sur
«l’arrêté royal du 7 janvier 2007
relatif au port obligatoire de la veste de sécurité
rétroréfléchissante» (nº 3-1389)
|
Mondelinge
vraag van de heer Luc Paque aan de minister van
Mobiliteit over «het koninklijk besluit van 7 januari 2007
dat het dragen van een retroreflecterend veiligheidsvest
verplicht maakt» (nr. 3-1389)
|
|
M. Luc Paque (Indépendant).
– Ma question porte sur l’arrêté royal
du 7 janvier 2007 dont le but est de rendre
obligatoire, à partir de ce jeudi 1er février 2007,
le port d’une veste de sécurité
rétroréfléchissante lorsqu’un
conducteur descend de son véhicule en panne sur
l’autoroute ou une route pour automobile et qu’il
range son véhicule à un endroit ou l’arrêt
et le stationnement sont interdits.
L’utilisation obligatoire de
cette veste de sécurité a pour objectif d’accroître
la visibilité du conducteur devenu piéton.
Qu’entendez-vous par veste
rétroréfléchissante, monsieur le ministre ?
Dans le rapport au Roi de votre arrêté royal, il est
question de veste de sécurité fluorescente et
réfléchissante, alors que, dans le texte de
l’arrêté royal, il est fait état d’une
veste de sécurité rétroréfléchissante.
Une veste sur laquelle on a apposé
une pastille réfléchissante est-elle considérée
comme veste rétroréfléchissante ? Il me
semble opportun de faire la distinction entre, d’une part,
le réfléchissant qui a toute son importance dans
l’obscurité car il permet d’être vu dans
la lumière des phares, et, d’autre part, le
fluorescent qui est tout aussi important pour être vu
correctement en journée. Il est important d’être
vu tant le jour que la nuit.
Ma deuxième question touche
au point essentiel de mon intervention. En effet, l’arrêté
royal ne fixe aucune spécification technique minimale à
laquelle la veste de sécurité doit répondre.
Or, dans d’autres pays européens qui ont pris cette
mesure, on a justement instauré un standard européen
à savoir la veste homologuée de type EN 471. Afin
de garantir une efficacité maximale de ce type de veste et
d’éviter aussi de mauvaises surprises aux
conducteurs belges qui traversent les frontières,
n’aurait-il pas été utile d’instaurer
cette spécification dans l’arrêté
royal ? D’autant plus que j’ai pu prendre
connaissance de la brochure éditée par l’IBSR
à l’attention des enfants où l’on
précise que certains vêtements rétroréfléchissants
répondent à un certain nombre de normes
européennes.
Ma troisième question
concerne la situation des motocyclistes qui circulent sur ces
mêmes routes et autoroutes. Sont-ils également tenus
de se conformer à la même obligation que les
automobilistes ? Je n’ai pas vu dans l’arrêté
royal de précision à ce sujet.
Enfin, de manière plus large
et en me basant sur une récente étude menée
en Nouvelle-Zélande, j’aimerais attirer votre
attention, monsieur le ministre, sur l’importance du port
de vêtements réfléchissants et fluorescents
afin de réduire le risque d’accidents impliquant des
motocyclistes. D’après cette étude, le port
de tels types de vêtement permet de réduire le
risque d’accident de 37%. De même, les motocyclistes
qui portent un casque blanc courent 24% de risques en moins
d’être impliqués dans un accident que ceux qui
ont un casque de couleur sombre. Avez-vous connaissance de cette
étude ? Qu’en est-il au niveau de la
législation belge à ce sujet ? Mise à
part la situation de groupes de motards ou de groupes de
cyclistes où seul le capitaine de groupe a l’obligation
de porter un vêtement réfléchissant et
fluorescent, rien à mon avis ne semble être prévu
dans la législation actuelle en ce qui concerne les
motocyclistes et cyclistes pris individuellement. Ne serait-il
pas opportun d’étendre le port en permanence d’une
veste réfléchissante et fluorescente à tous
les cyclistes et motocyclistes ?
|
De heer Luc
Paque (Onafhankelijke). – Het koninklijk besluit van
7 januari 2007 voert vanaf donderdag 1 februari 2007
de verplichting in een retroreflecterend veiligheidsvest te
dragen wanneer de bestuurder van een pechvoertuig op
autosnelwegen of autowegen op een plek terechtkomt waar hij niet
mag stoppen of parkeren, en dat zodra hij zijn voertuig verlaat.
Het verplichte
gebruik van de veiligheidsvest heeft als doel de bestuurder, die
dan voetganger is, beter zichtbaar te maken.
Wat verstaat
de minister onder retroreflecterend? In het verslag aan de Koning
over het koninklijk besluit staat reflecterend
fluoveiligheidsjasje, terwijl in de tekst van het koninklijk
besluit retroreflecterend veiligheidsvest staat.
Wordt een vest
waarop een reflecterend plaatje is aangebracht, als een
retroreflecterend veiligheidsvest beschouwd? Het is belangrijk
het onderscheid te maken tussen, enerzijds, reflecterend, wat
vooral belangrijk is in het donker omdat men daardoor zichtbaar
wordt in het licht van de koplampen en, anderzijds,
fluorescerend, wat even belangrijk is voor de zichtbaarheid
overdag. Zowel overdag als ’s nachts is het belangrijk
goed zichtbaar te zijn.
Het koninklijk
besluit bevat geen enkele minimale technische specificatie
waaraan het veiligheidsvest moet voldoen. In andere Europese
landen die deze maatregel al hebben genomen, werd een Europese
standaard, namelijk het gehomologeerde vest type EN 471
ingevoerd. Is het niet raadzaam die technische specificatie op te
nemen in het koninklijk besluit, zodat een maximale
doeltreffendheid wordt verzekerd en zodat Belgische chauffeurs
niet voor onaangename verrassingen komen te staan als ze de
landsgrens overschrijden? In de brochure van het BIVV die voor
kinderen is bestemd, staat overigens dat sommige
retroreflecterende kledij aan bepaalde Europese normen voldoet.
Geldt de
verplichting een veiligheidsvest te dragen ook voor motorrijders
die op autowegen of autosnelwegen rijden?
Ik heb nog een
ruimere vraag over het belang van het dragen van reflecterende en
fluorescerende kledij om het risico op ongevallen met
motorrijders te beperken. Uit een recente studie uit
Nieuw-Zeeland blijkt dat het dragen van dergelijke kledij het
risico op een ongeval met 37% doet dalen. Motorrijders die een
witte helm dragen lopen 24% minder risico op een ongeval dan
motorrijders met een donkere helm. Bent u op de hoogte van die
studie? Hoe staat het met de Belgische wetgeving op dat vlak?
Behalve voor motorrijders of fietsers die in groep rijden,
waarbij enkel de leider verplicht is reflecterende of
fluorescerende kledij te dragen, zijn er, voorzover ik weet, geen
bepalingen in de huidige wetgeving over de individuele
motorrijder of fietser. Is het niet raadzaam de verplichting uit
te breiden tot het permanent dragen van een reflecterende of
fluorescerend vest door fietsers en motorrijders?
|
|
M. Renaat Landuyt,
ministre de la Mobilité. – Pour répondre à
votre première question, une veste rétroréfléchissante
est une veste qui permet d’être mieux vu de jour
comme de nuit. Il est exact que l’arrêté royal
ne fixe aucune spécification technique minimale sachant
que la qualité de ces vestes ne cesse d’augmenter.
L’arrêté royal précise que l’on
doit porter la veste en temps opportun, cela pour éviter
de devoir contrôler chaque véhicule afin de savoir
si une veste se trouve ou non à l’intérieur.
On a préféré agir de manière
convaincante plutôt que répressive.
Par ailleurs, le nouvel article 51.4
du Code de la route vise tout conducteur de véhicule sans
faire de distinction.
J’ai effectivement
connaissance de l’existence de l’étude à
laquelle vous faites allusion et dont les conclusions ne
m’étonnent guère.
Les cyclistes et les motocyclistes
sont actuellement dispensés du port de la veste de
sécurité.
Le groupe de travail « Usagers
vulnérables » de la Commission fédérale
pour la sécurité routière s’est
récemment penché sur la question. Il a estimé
que le port de la veste de sécurité
rétroréfléchissante par les cyclistes doit
simplement être encouragé. En Belgique, le nombre de
déplacements à vélo est évalué
à 1.000.000 par jour. Ce mode de transport est bénéfique
à l’environnement, à la santé, à
la mobilité, etc. Il convient de le stimuler. Le fait
d’imposer une condition supplémentaire à
l’utilisation du vélo aboutirait à l’effet
inverse. En outre, l’inscription de cette obligation dans
le code de la route impliquerait de sanctionner les
contrevenants. En cas d’accident, la responsabilité
pourrait glisser de l’automobiliste vers le cycliste qui ne
porterait pas de veste de sécurité.
Je suis partisan de sensibiliser les
cyclistes à l’importance d’être
parfaitement visibles. L’IBSR vient de publier une brochure
en ce sens.
Les motocyclistes constituent une
catégorie à part entière. Je souhaite
recueillir l’avis du groupe de travail « Usagers
vulnérables » de la Commission fédérale
pour la sécurité routière avant de prendre
position à leur sujet. Je constate cependant que
l’utilisation de la veste de sécurité se
répand de plus en plus chez les motocyclistes. C’est
une très bonne chose.
|
De heer Renaat
Landuyt, minister van Mobiliteit. – Een
retroreflecterend vest is een vest waardoor de zichtbaarheid
zowel overdag als ’s nachts verhoogt. Het koninklijk
besluit bevat geen enkele minimale technische specificatie omdat
de kwaliteit van die vesten steeds beter wordt. Het koninklijk
besluit bepaalt dat het vest moet worden gedragen als dat nodig
is, om te vermijden dat elk voertuig moet worden gecontroleerd op
de aanwezigheid van een vest. We hebben ervoor gekozen eerder te
overtuigen dan te bestraffen.
Het nieuwe
artikel 51.4 van het verkeersreglement beoogt elke
bestuurder zonder onderscheid.
Ik heb
inderdaad kennis genomen van het bestaan van de studie waarnaar u
verwijst en waarvan de conclusies me niet verbazen.
Fietsers en
motorrijders zijn momenteel vrijgesteld van de verplichting een
veiligheidsvest te dragen.
De werkgroep
‘zwakke weggebruikers’ van de federale commissie voor
de verkeersveiligheid heeft zich onlangs over dat punt gebogen.
Ze is tot de conclusie gekomen dat het dragen van het
retroreflecterend veiligheidsvest enkel moet worden aangemoedigd.
In België wordt het aantal verplaatsingen met de fiets op
1.000.000 per dag geschat. Verplaatsingen met de fiets zijn goed
voor het milieu, de gezondheid en de mobiliteit en moeten dus
worden aangemoedigd. Het opleggen van een bijkomende verplichting
aan de fietsers gaat daar tegenin. Het opnemen van die
verplichting in het verkeersreglement heeft bovendien tot gevolg
dat overtreders moeten worden bestraft. Dat kan tot gevolg hebben
dat de verantwoordelijkheid van de chauffeur bij een ongeval
verlegd wordt naar de fietser die geen veiligheidsvest droeg.
Ik ben er
voorstander van de fietsers bewust te maken van het belang
perfect zichtbaar te zijn. Het BIVV heeft onlangs een brochure
over dat thema gepubliceerd.
De
motorrijders vormen een heel andere categorie. Ik wacht op het
advies van de werkgroep ‘zwakke weggebruikers’ van de
federale commissie voor de verkeersveiligheid alvorens daarover
een standpunt in te nemen. Ik stel evenwel vast dat het gebruik
van het veiligheidsvest zich steeds meer verbreidt onder de
motorrijders. Dat is een goede zaak.
|
|
M. Luc Paque (Indépendant).
– Je remercie le ministre de sa réponse détaillée.
Je voudrais attirer son attention sur la problématique de
la norme. En cas d’accident grave, cela pourrait poser des
problèmes d’assurance, selon qu’une veste soit
réfléchissante ou pas.
Enfin, les Belges sont de grands
voyageurs. Il serait dommage qu’ils rencontrent des
problèmes à l’étranger parce que leur
équipement se serait pas conforme. Il faudrait vraiment
une norme européenne.
|
De heer Luc
Paque (Onafhankelijke). – Ik dank de minister voor zijn
gedetailleerd antwoord. Ik wil zijn aandacht vestigen op het
probleem van de norm. Bij een ernstig ongeval kan de vraag of een
vest nu al dan niet reflecterend is, problemen opleveren op het
vlak van de verzekering.
Belgen reizen
veel. Het zou jammer zijn als ze problemen in het buitenland
ondervinden omdat hun uitrusting niet voldoet. Er moet beslist
een Europese norm komen.
|
|
Question
orale de M. Luc Willems au vice-premier ministre et ministre
de l’Intérieur, au ministre de la Défense et
au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique
sur «les contacts entre IDEAS et les autorités
belges» (nº 3-1385)
|
Mondelinge
vraag van de heer Luc Willems aan de
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken, aan de
minister van Landsverdediging en aan de minister van Sociale
Zaken en Volksgezondheid over «de contacten tussen IDEAS en
de Belgische overheid» (nr. 3-1385)
|
|
M. Luc
Willems (VLD). – IDEAS est une société
coopérative figurant sur le site web de l’asbl
Narconon, une association qui veut aider les gens à se
libérer de leur toxicodépendance physique et
psychique et qui est établie dans de nombreux pays.
Narconon a un centre de désintoxication où les
personnes viennent suivre des cures de sevrage et propose des
conférences aux jeunes.
Tant IDEAS que
Narconon déclarent travailler selon la doctrine de
L. Ron Hubbard, qui est à la base de l’Église
de Scientologie. Ce lien est d’ailleurs clairement signalé
sur le site web de IDEAS, où on indique que cette société
relève de la licence de L. Ron Hubbard. En
outre, le site web montre que les sièges sociaux de IDEAS
et de Narconon ont exactement la même adresse.
IDEAS indique
que son objectif est d’aider les organisations publiques et
privées avec des solutions en matière
« d’organisation, de personnel, de marketing, de
finances, de gestion de qualité, de TI et de relations
publiques ». Pour offrir ces solutions, il utilise,
selon ses propres dires, « une expérience
pratique et des outils efficaces sous la forme de formation, de
consultance et de gestion des projets ».
Sur son site
web, IDEAS dit aussi disposer de références dans
les secteurs publics. Il cite notamment les Services publics
fédéraux belges Affaires sociales, Intérieur
et Défense nationale.
Quels contacts
les cellules stratégiques ou les SPF concernés
ont-ils avec IDEAS ? Comment peut-on expliquer les
références aux institutions publiques belges
auxquelles IDEAS renvoie ?
Des contrats
ont-ils été conclus par le passé,
éventuellement en sous-traitance, entre IDEAS et les
autorités belges ?
Quelle est la
ligne de conduite des SPF belges au plan de la conclusion de
contrats avec des organisations qui rendent des services, mais
qui font en même temps du prosélytisme ?
|
De heer Luc Willems
(VLD). – IDEAS is een coöperatieve vennootschap
die vermeld wordt op de webstek van de vzw Narconon, een
vereniging die mensen van hun lichamelijke en geestelijke
drugsverslaving wil afhelpen en in vele landen gevestigd is.
Narconon heeft een afkickcentrum waarin mensen komen afkicken en
geeft lezingen aan jongeren.
Zowel IDEAS als Narconon verklaren
te werken volgens de leer van L. Ron Hubbard die de
drijvende kracht achter de Scientology kerk is. Die link wordt
overigens duidelijk aangegeven op de website van IDEAS, waar
gesteld wordt dat IDEAS onder de licentie van L. Ron Hubbard
valt. Verder zien we op de website dat de hoofdkantoren van IDEAS
en Narconon precies hetzelfde adres hebben.
IDEAS omschrijft zijn doel als het
helpen van publieke en privéorganisaties met oplossingen
omtrent ‘organisatie, personeel, marketing, financiën,
kwaliteitsbeleid, IT en public relations’. Bij het
aanbieden van die oplossingen maakt het naar eigen zeggen gebruik
van praktische ervaring en effectieve middelen in de vorm van
opleiding, advies en projectmanagement.
IDEAS verklaart op zijn website ook
over referenties in de publieke sectoren te beschikken. Hierbij
noemt het de Belgische FOD’s Sociale Zaken, Binnenlandse
Zaken en Landsverdediging.
Hieromtrent kreeg ik van de
betrokken minister graag antwoord op volgende vragen.
Welke contacten hebben de
beleidscellen of de betrokken FOD’s met IDEAS? Hoe kunnen
de referenties met de Belgische publieke instellingen waar IDEAS
naar verwijst, uitgelegd worden?
Zijn er in het verleden contracten,
eventueel in onderaanneming, afgesloten tussen IDEAS en de
Belgische overheid?
Wat is de gedragslijn voor de
Belgische FOD’s op het vlak van het afsluiten van
contracten met organisaties die diensten verlenen maar tegelijk
blijk geven van proselitisme?
|
|
M. Patrick
Dewael, vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur.
– Ni les cellules stratégiques, ni les SPF des
départements cités n’ont eu le moindre
contact avec IDEAS. Cela vaut également pour l’INAMI.
Les références figurant sur le site web sont donc
erronées.
Aucun contrat
n’a été conclu, sous quelque forme que ce
soit, entre IDEAS et les autorités belges.
Concernant la
ligne de conduite du SPF Intérieur, je me réfère
au récent code de déontologie. Sous le titre
« Impartialité », on y indique ce
qui suit : « Contrairement à la conviction
politique et philosophique des citoyens et des autorités
politiques, constamment sujette à des modifications,
l’administration doit faire preuve d’une impartialité
constante dans ses actions. Étant donné qu’elle
doit servir des autorités de différentes tendances
et qu’elle est quotidiennement en contact avec des
personnes ayant les convictions sociales, religieuses et
philosophiques les plus diverses, elle ne peut se permettre de
faire preuve, vis-à-vis du monde extérieur, de la
moindre préférence lors de la prise de décisions
au cours de son intervention. Dans le cas contraire,
l’indispensable confiance pourrait disparaître. »
Le ministre
Demotte indique, au sujet de la ligne de conduite du SPF Santé
publique, que tant sa cellule stratégique que le SPF Santé
publique et l’INAMI évaluent les futurs contractants
éventuels quant à leur objectivité, leur
expertise et leur valeur scientifique.
La réponse
du ministre Flahaut à la dernière question est la
suivante. « Conformément aux articles 43
et 69 de l’arrêté royal du 8 janvier 1996
relatif aux marchés publics de travaux, de fournitures et
de services et aux concessions de travaux publics, la Défense
peut entre autres exclure de toute participation au marché
le fournisseur qui, en vertu d’un jugement coulé en
force de chose jugée, est condamné pour un délit
portant atteinte à son intégrité
professionnelle ou qui a commis une faute grave dans l’exercice
de sa profession, constatés pour cause de tout motif
déclaré plausible par l’autorité
adjudicataire.
La législation
ne reprend aucune référence explicite au
prosélytisme.
Hormis
l’application éventuelle de l’article précité,
la Défense ne dispose pas d’autres instruments
juridiques pour exclure de toute participation aux marchés
publics les firmes qui, outre leur activité
professionnelle, essaient de répandre une idéologie. »
|
De heer Patrick Dewael,
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. –
Noch de beleidscellen, noch de FOD’s van de genoemde
departementen hebben enig contact gehad met IDEAS. Dat geldt
overigens ook voor het RIZIV. De referenties op de website zijn
dan ook foutief.
Er zijn nooit contracten gesloten,
in welke vorm dan ook, tussen IDEAS en de Belgische overheid.
Inzake de gedragslijn van de FOD
Binnenlandse Zaken verwijs ik naar de recente deontologische
code. Hierin wordt onder de noemer onpartijdigheid het volgende
gesteld: ‘In tegenstelling tot de politieke en filosofische
overtuiging van de burgers en van de politieke overheden, die
constant aan verandering onderhevig is, moet de administratie
blijk geven van een constante neutraliteit in het optreden. Daar
ze gezagsdragers van verschillende strekkingen moet dienen en
daar ze dagelijks in contact komt met mensen van de meest
uiteenlopende maatschappelijke, godsdienstige en filosofische
overtuiging, kan ze het zich niet permitteren om naar buiten toe
ook maar de geringste voorkeur te laten blijken bij het nemen van
beslissingen in haar optreden. Zo niet zou het noodzakelijke
vertrouwen kunnen verloren gaan’.
Over de gedragslijn van de FOD
Volksgezondheid deelt minister Demotte het volgende mee: ‘Zowel
mijn beleidscel, als de FOD Volksgezondheid en het RIZIV
beoordelen de eventuele toekomstige contractanten op hun
objectiviteit, deskundigheid en wetenschappelijke waarde.’
Het antwoord van minister Flahaut op
de laatste vraag is het volgende: ‘Volgens artikel 43
en artikel 69 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996
betreffende overheidsopdrachten voor aanneming van werken,
leveringen, diensten en de concessies voor openbare werken kan
Defensie onder andere de leverancier uitsluiten van deelneming
aan de opdracht, die, bij een vonnis dat in kracht van gewijsde
is gegaan, veroordeeld is geweest voor een misdrijf dat zijn
professionele integriteit aantast of die bij zijn
beroepsuitoefening een ernstige fout heeft begaan, vastgesteld op
elke grond die de aanbestedende overheden aannemelijk kunnen
maken.
Een expliciete verwijzing naar
proselitisme is niet opgenomen in de wetgeving.
Buiten de eventuele toepassing van
voormeld artikel beschikt Defensie niet over andere juridische
instrumenten om firma’s die naast het voeren van hun
bedrijfsactiviteit ook nog ideeën trachten te verspreiden,
uit te sluiten van deelname aan overheidsopdrachten.’
|
|
M. Luc
Willems (VLD). – Reste à savoir si les SPF
concernés ne doivent pas faire des démarches pour
obliger IDEAS à supprimer les institutions publiques de
son site web.
|
De heer Luc Willems
(VLD). – De vraag blijft of de betrokken FOD’s
geen stappen moeten doen om van IDEAS te eisen dat het de
overheidsinstellingen schrapt op haar website.
|
|
M. Patrick
Dewael, vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur.
– Nous le demanderons.
|
De heer Patrick Dewael,
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. –
Dat zullen we vragen.
|
|
Question
orale de M. Francis Delpérée au vice-premier
ministre et ministre de l’Intérieur et au secrétaire
d’État à la Simplification administrative sur
«l’absence de procédures de paiement de droits
pour le dépôt des requêtes en annulation et en
suspension devant le Conseil d’État»
(nº 3-1394)
|
Mondelinge
vraag van de heer Francis Delpérée aan de
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de
staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging over «het
uitblijven van een regeling voor de betaling van de rechten die
verschuldigd zijn bij de indiening van een verzoekschrift tot
nietigverklaring of een vordering tot schorsing bij de Raad van
State» (nr. 3-1394)
|
|
M. Francis Delpérée
(CDH). – Depuis le 1er janvier 2007,
le timbre fiscal n’est plus considéré comme
un moyen de paiement en matière judiciaire. L’apposition
d’un timbre fiscal est supprimée et remplacée
par le virement ou par le recours à un moyen de paiement
électronique.
En ce qui concerne les requêtes
en annulation et en suspension auprès du Conseil d’État,
rien n’a été fait : les procédures
de virement électronique n’ont pas été
instaurées.
Par conséquent, le premier
président et le greffier en chef du Conseil d’État
suggèrent aux avocats et aux parties d’utiliser des
timbres fiscaux tant que ceux-ci sont encore disponibles. Ils
recommandent aussi le versement des droits en espèces à
un bureau de La Poste lors du dépôt de la requête.
Par ailleurs, le virement électronique n’est pas
organisé ; j’apprends même qu’il
n’existe pas de compte postal au Conseil d’État.
Le système de paiement par virement ne permet pas
d’attribuer à la requête un numéro
d’ordre et pose donc problème pour l’identification
de la requête concernée.
La décision de supprimer les
timbres fiscaux a été prise dans un dessein louable
de simplification administrative et d’allégement des
charges de la gestion administrative. Cette suppression entraîne
pour l’instant une véritable débauche
d’énergie et de travail pour le greffe du Conseil
d’État, pour l’administration de
l’enregistrement, pour La Poste et les organismes
bancaires, sans oublier les requérants et leurs conseils.
Quelles mesures comptez-vous
prendre, monsieur le ministre, pour mettre fin à cette
situation ? Au-delà de cette question précise,
ne serait-il pas temps de mettre fin à ce système
archaïque de paiement de droits devant le Conseil d’État ?
C’est déjà le cas actuellement en ce qui
concerne le Conseil d’État de France ou la Cour
d’arbitrage.
|
De heer Francis
Delpérée (CDH). – Sinds 1 januari 2007
worden fiscale zegels niet meer beschouwd als een betaalmiddel in
gerechtszaken. In plaats van een fiscaal zegel te kleven kunnen
we nu een storting doen of elektronisch betalen.
Voor
verzoekschriften tot nietigverklaring of vorderingen tot
schorsing bij de Raad van State werd de elektronische betaling
echter niet ingevoerd. Bijgevolg raden de voorzitter en de
hoofdgriffier van de Raad van State advocaten en partijen aan om
fiscale zegels te gebruiken zolang die beschikbaar zijn. Zij
bevelen ook aan om bij de verzending van het verzoekschrift of de
vordering contant te betalen in een kantoor van De Post.
Elektronisch betalen aan de Raad van State is overigens niet
mogelijk; de Raad beschikt niet eens over een postrekening. Via
een storting kan trouwens geen volgnummer aan het verzoekschrift
of de vordering worden toegekend en daardoor rijzen problemen met
de identificatie ervan.
De fiscale
zegels werden afgeschaft met de lovenswaardige bedoeling de
administratie te vereenvoudigen en de beheerskosten te drukken.
Door de afschaffing wordt momenteel dus heel wat energie verspild
en overlast veroorzaakt bij de griffie van de Raad van State, bij
de Administratie van de Registratie, bij de Post en de banken, en
niet te vergeten ook voor de eisers en hun raadsheren.
Welke
maatregelen denkt de minister te nemen om dat te verhelpen? Wordt
het geen tijd dat de Raad van State een einde maakt aan het
archaïsche systeem van zegelrechten? Dat is al zo bij de
Franse Raad van State en bij het Arbitragehof.
|
|
M. Patrick Dewael,
vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur. –
Les anciens droits de timbres ont été introduits
par Napoléon. En Belgique, les timbres fiscaux constituent
également un moyen de paiement dépassé, qui
entraîne de nombreuses charges administratives pour les
citoyens, les entrepreneurs et les fonctionnaires. Plusieurs
timbres fiscaux ont déjà été
supprimés par le passé. C’est ainsi que
depuis 2006, il ne faut plus, notamment, payer les rétributions
relatives aux permis de conduire au moyen de timbres fiscaux. Dès
lors, le gouvernement fédéral a décidé
de supprimer complètement le Code des droits de timbres.
Lors des discussions avec le Conseil
d’État, il a été décidé,
à la demande de ce dernier, de remplacer le collage d’un
timbre fiscal sur les réquisitions et les requêtes
par l’ajout d’un reçu du virement à la
requête.
Cependant, nous sommes toujours
prêts à chercher ensemble d’autres moyens de
paiement plus simples sur la base des propositions du Conseil
d’État. Mais la réintroduction des timbres
fiscaux rendrait les choses inutilement complexes, chères
et inconséquentes.
La suppression éventuelle des
droits payés auprès du Conseil d’État
a évidemment un impact budgétaire ; sa
faisabilité doit être examinée avec la
ministre du Budget.
|
De heer Patrick
Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse
Zaken. – Het oude zegelrecht werd ingevoerd door Napoleon.
Ook in België vormt het zegelrecht een achterhaald
betalingssysteem met een pak administratieve lasten voor burgers,
ondernemers en ambtenaren. In het verleden werden verschillende
fiscale zegels afgeschaft. Sinds 2006 moet de retributie voor het
rijbewijs niet meer met fiscale zegels worden betaald. Derhalve
heeft de regering het Wetboek der Zegelrechten volledig
afgeschaft.
Na discussie
met de Raad van State werd op diens vraag besloten om, in plaats
van een fiscale zegel te kleven op vorderingen en
verzoekschriften, daar voortaan een stortingsbewijs aan toe te
voegen.
We blijven
echter bereid om in samenspraak met de Raad van State naar
eenvoudiger betaalmiddelen te zoeken. De herinvoering van fiscale
zegels zou echter nodeloos complex, duur en onlogisch zijn.
Als de aan de
Raad van State verschuldigde rechten worden afgeschaft, heeft dat
uiteraard een weerslag op de begroting. De minister van Begroting
dient te onderzoeken of dat wel haalbaar is.
|
|
M. Francis Delpérée
(CDH). – Nous sommes bien d’accord quant au
caractère totalement désuet du système des
timbres fiscaux. Si je comprends bien, on n’en délivre
plus depuis aujourd’hui, 1er février.
Seul celui qui en possède une réserve peut les
utiliser.
Il serait temps que le gouvernement
se concerte pour mettre fin à ce système
napoléonien.
|
De heer Francis
Delpérée (CDH). – We zijn het erover eens
dat het systeem van fiscale zegels totaal verouderd is. Als ik
het goed begrijp, worden er vanaf vandaag 1 februari geen
meer afgeleverd. Wie nog een voorraad heeft, mag ze blijven
gebruiken.
Het is tijd
dat de regering overleg pleegt om een einde te maken aan dat
napoleontische systeem.
|
|
Question
orale de M. Jean Cornil au ministre des Affaires étrangères
sur «les déclarations des autorités libyennes
concernant la condamnation à mort en Libye de cinq
infirmières bulgares et d’un médecin
palestinien» (nº 3-1386)
|
Mondelinge
vraag van de heer Jean Cornil aan de minister van
Buitenlandse Zaken over «de verklaringen van de overheid
van Libië betreffende de terdoodveroordeling van vijf
Bulgaarse verpleegsters en één Palestijnse dokter
in Libië» (nr. 3-1386)
|
|
Mme la présidente.
– M. Patrick Dewael, vice-premier ministre et ministre
de l’Intérieur, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en
minister van Binnenlandse Zaken, antwoordt.
|
|
M. Jean Cornil (PS). –
Je soulignerai d’abord que se tient actuellement, à
Paris, une grande réunion internationale pour l’abolition
universelle de la peine de mort. C’est un élément
très important, après la condamnation innommable de
l’ancien président irakien.
Monsieur le ministre, quel est le
suivi assuré par le gouvernement à l’égard
de la résolution qui, par deux fois, a été
votée par notre assemblée, en ce qui concerne la
condamnation à mort de cinq infirmières bulgares et
d’un médecin palestinien, condamnation qui a
provoqué une émotion légitime sur le plan
international ?
Hasards de la diplomatie, le fils du
président de la République islamique de Libye, lors
d’une interview publiée dans un journal bulgare, le
29 janvier dernier, a déclaré avoir fait une
proposition à certaines autorités européennes,
en l’occurrence l’Allemagne et la France. Dans un
marché assez inacceptable, il a suggéré
d’échanger la non-condamnation à mort de ces
personnes contre une indemnisation financière et la
libération d’un officier libyen condamné à
perpétuité en Grande-Bretagne, pour l’attentat
de Lockerbie.
Que fait le gouvernement pour tenter
de concrétiser les deux résolutions adoptées
par cette assemblée ?
Avez-vous des informations quant à
une éventuelle réponse des autorités
diplomatiques de l’Allemagne et de la France ?
En tant que membre non permanent du
Conseil de sécurité des Nations unies, la Belgique
compte-t-elle mener une démarche particulière au
sein de cette instance internationale, pour tenter de soulager la
détresse de ces personnes emprisonnées en Libye
depuis plusieurs années ?
|
De heer Jean
Cornil (PS). – In Parijs wordt momenteel een grote
internationale bijeenkomst gehouden voor de universele
afschaffing van de doodstraf. Dat is belangrijk na de
afschuwwekkende veroordeling van de voormalige Iraakse president.
Welk gevolg
wordt er gegeven aan de resolutie die tot tweemaal toe door onze
assemblee werd goedgekeurd met betrekking tot de
terdoodveroordeling van vijf Bulgaarse verpleegsters en een
Palestijnse arts, die internationaal een terechte
verontwaardiging veroorzaakte?
De zoon van de
Libische president zou, volgens een interview dat op 29 januari
jongstleden in een Bulgaarse krant verschenen is, een voorstel
gedaan hebben aan de Duitse en Franse autoriteiten. Hij zou de
niet-terdoodveroordeling van de betrokkenen als pasmunt hebben
aangeboden in ruil voor een financiële vergoeding en de
vrijlating van een Libisch officier die in Groot-Brittannië
levenslang kreeg voor de aanslag boven Lockerbie.
Wat doet de
regering om concreet gestalte te geven aan de twee resoluties die
door deze assemblee zijn goedgekeurd?
Heeft u enige
informatie over een eventueel antwoord vanwege de Duitse en
Franse diplomatieke autoriteiten?
Overweegt
België, als niet-permanent lid van de VN-Veiligheidsraad, om
binnen die internationale instantie iets te ondernemen om de nood
te lenigen van die mensen die al verschillende jaren in Libië
opgesloten zitten?
|
|
M. Patrick Dewael,
vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur. –
Je vous donne lecture de la réponse de M. le ministre
des Affaires étrangères.
J’ai convoqué le chargé
d’affaires ad interim de Libye que j’ai reçu
le 11 janvier dernier. Je lui ai fait part de ma conviction,
fondée sur différents rapports d’experts
internationaux, de l’innocence des infirmières
bulgares et du médecin palestinien, ainsi que de la
nécessité qu’une issue rapide et définitive
soit donnée à cette tragique affaire, consistant en
la libération de l’équipe médicale.
Je vous signale par ailleurs qu’en
concertation avec mon département, la vice-première
ministre et ministre de la Justice, Mme Onkelinx, a écrit,
le 23 janvier, au ministre de la Justice libyen pour lui
faire part de l’émotion créée en
Belgique, notamment dans les milieux judiciaires, par ces
condamnations à mort.
La résolution du Sénat
du 24 janvier 2006 à laquelle vous vous référez
invitait le gouvernement à marquer une pause dans la
normalisation des relations avec le régime libyen. Je veux
souligner ici que la Belgique a adopté, en matière
de visite, une attitude plus stricte qu’un certain nombre
de ses partenaires européens.
Par ailleurs, notre ambassadeur à
Tripoli ou, en son absence, notre consul, a assisté à
toutes les sessions du tribunal ou de la cour à Benghazi
ou à Tripoli, auxquelles il était possible d’être
présent. L’accès aux accusés a par
contre toujours été interdit aux diplomates, sauf
aux audiences mêmes où notre ambassadeur a chaque
fois été saluer les infirmières et le
médecin.
Des conversations entre le ministre
allemand des Affaires étrangères et les autorités
libyennes eurent lieu notamment fin novembre 2006 en Libye
et en janvier à Berlin. Le fils du chef d’État
libyen dirige une fondation caritative libyenne. La teneur des
derniers entretiens ne m’est pas connue. La Commission
européenne a, pour sa part, mis sur pied le Plan d’action
HIV Benghazi et gère un fonds international qui assiste
les familles libyennes touchées par ce drame.
Le Conseil de sécurité
traite de questions qui constituent une menace pour la paix et la
sécurité internationales. Le problème qui
fait l’objet de la question n’entre donc pas dans ses
compétences.
|
De heer Patrick
Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse
Zaken. – Ik lees het antwoord van de minister van
Buitenlandse Zaken.
Ik heb de
Libische zaakgelastigde ad interim op 11 januari jongstleden
bij mij geroepen. Ik heb hem laten weten dat ik, op basis van
internationale verslagen van deskundigen, overtuigd ben van de
onschuld van de Bulgaarse verpleegsters en van de Palestijnse
arts en van de noodzaak om deze tragische zaak snel en definitief
op te lossen door de vrijlating van dat medische team.
In overleg met
mijn departement heeft de vice-eersteminister en minister van
Justitie Onkelinx op 23 januari jongstleden een brief
geschreven aan de Libische minister van Justitie om hem te laten
weten hoezeer men in België, en met name in gerechtelijke
kringen, geschokt is door die terdoodveroordelingen.
De resolutie
van de Senaat van 24 januari 2006 nodigde de regering
uit om een pauze in te lassen in de normalisering van de
betrekkingen met het Libische regime. België heeft, wat
bezoeken betreft, een strengere houding aangenomen dan sommige
Europese partners.
Onze
ambassadeur in Tripoli, eventueel vervangen door onze consul,
heeft alle zittingen bijgewoond van de rechtbank of van het hof
in Benghazi of in Tripoli die konden worden bijgewoond. De
toegang van diplomaten tot de beklaagden werd steeds geweigerd,
met uitzondering van de zittingen zelf. Bij die gelegenheden
heeft de ambassadeur de verpleegsters en de arts telkens begroet.
Er zijn
gesprekken geweest tussen de Duitse minister van Buitenlandse
Zaken en de Libische autoriteiten eind november 2006 in
Libië en in januari in Berlijn. De zoon van de Libische
president leidt een Libische liefdadigheidsinstelling. De inhoud
van de laatste gesprekken is mij onbekend. De Europese Commissie
heeft een actieplan HIV Benghazi voorbereid en beheert een
internationaal fonds dat de betrokken Libische families bijstaat.
De
Veiligheidsraad behandelt kwesties die de internationale vrede en
veiligheid in de wereld bedreigen. Het probleem waarover uw vraag
gaat, valt dus niet onder zijn bevoegdheid.
|
|
M. Jean Cornil (PS). –
Je remercie le ministre de son volontarisme dans ce dossier.
|
De heer Jean
Cornil (PS). – Ik dank de minister voor zijn
welwillende houding in deze zaak.
|
|
Question
orale de Mme Stéphanie Anseeuw au ministre des
Affaires sociales et de la Santé publique et au ministre
de l’Emploi sur «un plan de prévention pour
les cancers liés au travail» (nº 3-1391)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Stéphanie Anseeuw aan de minister
van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Werk
over «een preventieplan voor werkgerelateerde kankers»
(nr. 3-1391)
|
|
Mme Stéphanie
Anseeuw (VLD). – Ce 30 janvier 2007,
l’assurance-maladie française a publié des
statistiques inquiétantes sur les cancers dont la cause
est professionnelle. En 2005, en France, ce sont 4.8 millions de
tonnes de produits chimiques cancérigènes,
mutagènes et reprotoxiques qui ont circulé.
Il ressort de
ce rapport que chaque année apparaissent entre 11.000 et
32.000 nouveaux cas de cancers professionnels. De nombreux
cancers résultent d’une exposition à des
produits chimiques durant les années 1960 et 1970. Le
rapport présente les cancers professionnels comme une des
priorités pour la prévention des accidents du
travail en 2007. La seule matière cancérigène
totalement interdite est l’amiante. Les autres produits,
comme le benzène ou la poussière de bois, sont
soumis à un maximum légal d’exposition.
Cinq secteurs
sont particulièrement dangereux : le secteur
automobile, la métallurgie, l’industrie minière,
la construction et l’industrie du papier. En France on a
travaillé à tous les niveaux de pouvoir sur le
traitement de cette cause de cancer. La prévention ciblée
par secteur et par produit est l’arme destinée à
arrêter l’assassin silencieux.
En France, en
2003, a été dressé un plan spécifique
de lutte contre les cancers professionnel. Il a été
élaboré au sein du Plan Santé au travail
2005-2009.
Quels plans
politiques concrets le ministre a-t-il préparés à
ce sujet et qu’en est-il résulté sur le
terrain ?
Quel est le
nombre de personnes qui ont développé un cancer
professionnel dans notre pays chaque année ? Quels
sont les produits les plus dangereux ?
Le ministre
a-t-il mis en œuvre des actions de prévention en
particulier sur les lieux de travail ? Si oui, lesquelles ?
Quels budgets
le ministre a-t-il réservés pour offrir aux
industries la possibilité d’opérer une
substitution des produits dangereux ? Est-il prêt à
mettre en place un « plan de substitution »
par secteur ? Le ministre peut-il expliquer en détail
sa position ?
|
Mevrouw Stéphanie
Anseeuw (VLD). – De Franse ziekteverzekering heeft op
30 januari 2007 zeer onrustwekkende cijfers over
werkgerelateerde kankers bekendgemaakt. In 2005 circuleerde 4,8
miljoen ton chemische kankerverwekkende, mutagene en
reprotoxische producten in Frankrijk.
Uit het rapport bleek dat er per
jaar tussen de 11.000 en de 32.000 nieuwe gevallen van
werkgerelateerde kankers opduiken. Veel kankers zijn het gevolg
van blootstelling aan chemische producten in de jaren 60 en 70.
Het rapport schuift de werkgerelateerde kankers naar voren als
een van de prioriteiten voor de preventie van arbeidsongevallen
voor 2007. De enige totaal verboden carcinogene stof is asbest.
Andere stoffen, zoals benzeen en houtstof, zijn onderworpen aan
een wettelijk vastgestelde maximumblootstelling.
Vijf sectoren springen eruit als
uiterst gevaarlijk: de automobielsector, de metaalnijverheid, de
industrie van minerale producten, de bouw en de papierindustrie.
In Frankrijk wordt op alle bestuursniveaus werk gemaakt van de
aanpak van deze oorzaak van kanker. Sectorgerichte en
productgerichte preventie is het wapen om de stille moordenaar te
stoppen.
In Frankrijk werd in 2003 een
specifiek kankerplan voor werkgerelateerde kankers opgesteld. Dit
werd uitgewerkt in ‘le Plan Santé au travail
2005-2009’. Welke concrete beleidsplannen heeft de minister
in dat verband uitgewerkt en wat zijn hiervan de resultaten op
het terrein?
Hoeveel mensen krijgen een
werkgerelateerde kanker in ons land op jaarbasis? Wat zijn de
gevaarlijkste stoffen?
Heeft de minister preventieacties
opgezet voor de mensen op de werkvloer in het bijzonder? Zo ja,
welke?
Welke middelen heeft de minister
uitgetrokken om de industrie de mogelijkheid te bieden
gevaarlijke producten te substitueren? Is hij bereid een
‘substitutieplan’ op te stellen per sector met als
doel de gevaarlijkste producten te vervangen? Kan de minister dat
uitvoerig toelichten?
|
|
M. Peter
Vanvelthoven, ministre de l’Emploi. – Il existe
une réglementation étendue pour la protection des
travailleurs contre les agents chimiques en général,
à savoir l’arrêté royal du 11 mars
relatif à la protection de la santé et de la
sécurité des travailleurs contre les risques liés
à des agents chimiques sur le lieu de travail, et contre
les produits cancérigènes et mutagènes en
particulier, contenue dans l’arrêté royal du
2 décembre 1993 concernant la protection des
travailleurs contre les risques liés à l’exposition
à des agents cancérigènes et mutagènes
au travail. Cette législation est commentée sur le
site de notre SPF. Les services d’inspection veillent à
son respect.
L’employeur
est tenu d’effectuer une analyse de risques pour toutes les
situations de travail dans lesquelles peut se produire une
exposition à des produits cancérigènes. Dans
l’évaluation des risques il doit tenir compte de
toutes les formes d’exposition et porter attention à
d’éventuels groupes à risques. Cette
évaluation doit être répétée au
moins une fois pas an.
En ce qui
concerne la substitution, chaque employeur est tenu de substituer
à une matière cancérigène un produit
qui ne présente pas ou moins de danger. Si cette
substitution est techniquement impossible, toute une série
de mesures de prévention doivent être prises pour
éviter autant que possible l’exposition. L’employeur
doit par exemple ne mettre en œuvre les produits
cancérigènes que dans des systèmes clos ;
la quantité de produit cancérigène doit être
réduite au minimum ; le nombre de travailleurs
exposés doit être maintenu aussi bas que possible ;
les zones dangereuses avec risque d’exposition doivent être
clairement délimitées et leur accès
strictement limité.
Sur demande,
les raisons pour lesquelles il est fait usage de matières
cancérigènes doivent être communiquées
aux fonctionnaires chargés du contrôle.
Certains
produits ou applications sont interdits, par exemple le sable
contenant plus 1% de dioxyde de silicium libre dans le nettoyage
de façade et les composés du béryllium dans
la fabrication de lampes. Il y a des limites aux expositions
professionnelles pour bien d’autres produits. Ces
concentrations ne peuvent en aucun cas être dépassées
sur les lieux de travail.
Pour être
clair : l’État et donc le contribuable ne
paient en principe pas l’addition pour la substitution des
matières dangereuses par d’autres. L’industrie
doit très logiquement le faire d’elle-même dès
lors qu’il existe une solution de rechange.
Sur le plan de
la prévention en entreprise, l’employeur doit
fournir au travailleur une formation idoine qui doit comporter
entre autres les points suivants : les dangers potentiels
pour la santé ; les mesures de précaution pour
éviter l’exposition ; les prescriptions
d’hygiène ; le port et l’utilisation des
moyens de protection personnelle ; les mesures de prévention
des accidents et celles à suivre en cas d’accident.
Cette
formation doit être mise à niveau au moins une fois
par an. Chaque travailleur reçoit également une
note individuelle dans laquelle toutes les explications et les
instructions sont reprises.
Chaque année,
le Fonds des maladies professionnelles reconnaît quelque
170 cas de cancers professionnels. La cause principale est
évidemment l’amiante, à laquelle on attribue
quelque 130 cancers par an.
La poussière
de bois, le chrome, le benzène et les rayons ionisants
sont les autres causes, par ordre décroissant.
Il est très
probable qu’un certain nombre de cancers professionnels ne
sont pas identifiés en tant que tels. Là encore
nous agissons : puisque dans de nombreux cas le cancer
n’apparaît que longtemps après l’exposition
à une matière cancérigène, le dossier
de santé des travailleurs qui ont été
exposés à des matières cancérigènes
doivent être conservés jusqu’à 40 ans
après la fin de l’exposition. On peut espérer
qu’ainsi les victimes possibles seront mieux reconnues.
|
De heer Peter
Vanvelthoven, minister van Werk. – Er bestaat een
uitgebreide reglementering voor de bescherming van werknemers
tegen chemische agentia in het algemeen, namelijk het koninklijk
besluit van 11 maart 2002 betreffende de bescherming
van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers tegen de
risico’s van chemische agentia op het werk, en tegen
kankerverwekkende en mutagene stoffen in het bijzonder, namelijk
het koninklijk besluit van 2 december 1993 betreffende
de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van
blootstelling aan kankerverwekkende en mutagene agentia op het
werk. Deze wetgeving wordt toegelicht op de website van onze FOD.
De inspectiediensten zien toe op de naleving ervan.
Voor alle werkzaamheden waarbij zich
een blootstelling kan voordoen aan kankerverwekkende stoffen is
de werkgever ertoe gehouden een risicoanalyse uit te voeren. Bij
de beoordeling van de risico’s houdt hij rekening met alle
manieren van blootstelling en besteedt hij aandacht aan eventuele
risicogroepen. Deze beoordeling wordt minstens een maal per jaar
herhaald.
Wat de substitutie betreft, is elke
werkgever verplicht een kankerverwekkende stof te vervangen door
een stof die niet of minder gevaarlijk is. Indien deze
substitutie technisch niet mogelijk is, moeten een hele reeks
andere preventiemaatregelen genomen worden om de blootstelling
zoveel mogelijk te voorkomen. De werkgever moet bijvoorbeeld de
kankerverwekkende stof gebruiken in een gesloten systeem; de
hoeveelheden van de kankerverwekkende stof maximaal beperken; het
aantal blootgestelde werknemers zo laag mogelijk houden; en
zorgen voor een duidelijke afbakening en toegangsbeperking van
gevarenzones waar een risico op blootstelling bestaat.
Desgevraagd worden ook de redenen
waarom er kankerverwekkende stoffen worden gebruikt aan de met
toezicht belaste ambtenaren gemeld.
Sommige producten of toepassingen
worden verboden, bijvoorbeeld zand met meer dan 1% vrij
siliciumdioxide voor gevelreiniging en berylliumverbindingen bij
fabricage van lampen. Voor vele andere gelden grenswaarden voor
beroepsmatige blootstelling. Die concentraties mogen op de
werkvloer in geen geval overschreden worden.
Voor alle duidelijkheid: de overheid
en dus de belastingbetaler draait in principe niet op voor de
vervanging van schadelijke stoffen door andere. De industrie moet
dit logischerwijze zelf doen als er alternatieven bestaan.
Op het vlak van preventie op de
werkvloer is de werkgever verplicht de werknemers een passende
opleiding te geven, waarin onder meer de volgende punten aan bod
komen: de mogelijke gevaren voor de gezondheid; de
voorzorgsmaatregelen om blootstelling te voorkomen; de
hygiënische voorschriften; het dragen en het gebruik van
persoonlijke beschermingsmiddelen; de maatregelen ter voorkoming
van en in geval van ongevallen.
Deze opleiding wordt minstens een
maal per jaar verstrekt. Iedere werknemer ontvangt ook een
individuele nota waarin alle inlichtingen en instructies zijn
opgenomen.
Er worden per jaar zowat 170
beroepskankers erkend door het Fonds voor de beroepsziekten. De
voornaamste oorzaak is vanzelfsprekend asbest, waarvan zowat 130
kankers per jaar worden erkend.
Houtstof, chroom, benzeen en
ioniserende stralingen zijn in die volgorde andere oorzaken.
Het is allicht zo dat een aantal
beroepskankers niet als dusdanig worden geïdentificeerd. Ook
daar doen we wat aan: omdat in veel gevallen de kanker pas lange
tijd na de blootstelling aan een kankerverwekkende stof ontstaat,
wordt het gezondheidsdossier van werknemers die aan
kankerverwekkende stoffen zijn blootgesteld tot 40 jaar na het
einde van de blootstelling bijgehouden. Zo worden mogelijke
slachtoffers hopelijk beter herkend.
|
|
Question
orale de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première
ministre et ministre de la Justice sur «la situation dans
les prisons belges» (nº 3-1393)
|
Mondelinge
vraag van de heer Hugo Vandenberghe aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie over «de
toestand in de Belgische gevangenissen» (nr. 3-1393)
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Le rapport annuel du Conseil
central de surveillance pénitentiaire dénonce la
situation déplorable dans les prisons belges.
Outre le
problème crucial de la surpopulation carcérale, de
graves lacunes en matière de sécurité, de
soins et d’activités internes sont aussi mises en
évidence.
Les services
psychosociaux sont surchargés et peu accessibles.
Sur le plan de
l’hygiène, la situation est lamentable dans les
cuisines de nombreux établissement pénitentiaires
et la qualité de l’alimentation est souvent
inacceptable.
De plus, les
offres de travail aux détenus sont trop limitées,
d’où de longues listes d’attente. Le travail
proposé est généralement trop peu varié
et s’adresse surtout aux personnes peu qualifiées.
Pour la sécurité au travail, les prisons obtiennent
cependant un bon résultat.
Quelles
conclusions la vice-première ministre tire-t-elle du
rapport du Conseil central de surveillance ?
Quelles
mesures compte-t-elle prendre pour remédier aux lacunes
susdites et pour remédier de manière efficace à
la surpopulation chronique dans les prisons ?
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – In het jaarrapport van de
Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen wordt gewezen op
de schrijnende toestand in de Belgische gevangenissen.
Het centrale en cruciale probleem is
de overbevolking van de gevangenissen. Daarnaast staat het gebrek
aan veiligheid, zorg en interne activiteiten hoog genoteerd.
Ook de psychosociale diensten zijn
overbelast en weinig toegankelijk.
Op het gebied van hygiëne
scoren bijvoorbeeld heel wat gevangeniskeukens bijzonder slecht.
De kwaliteit van de voeding is bovendien vaak onaanvaardbaar.
Vervolgens is het arbeidsaanbod voor
de gedetineerden te beperkt. Enkel in de gevangenissen van
Hoogstraten, Oudenaarde en Doornik is het arbeidsaanbod
bevredigend. De andere instellingen kampen met serieuze tekorten
en zeer lange wachtlijsten. Ook is de arbeid meestal onvoldoende
gevarieerd en richt hij zich vooral op laaggeschoolden. Op het
gebied van arbeidsveiligheid scoren de gevangenissen dan wel
goed.
Welke conclusies trekt de
vice-eerste minister uit het rapport van de Centrale
Toezichtsraad?
Welke maatregelen zal zij nemen om
aan de opgesomde tekortkomingen tegemoet te komen en om een
afdoende oplossing te bieden voor de chronische overbevolking in
de gevangenissen?
|
|
Mme Laurette
Onkelinx, vice-première ministre et ministre de la
Justice. – Je tiens tout d’abord à préciser
que la situation dans les prisons belges qui fait l’objet
des remarques formulées par le Conseil central de
surveillance dans son rapport annuel 2005 résulte d’une
négligence du secteur carcéral qui date de bien
avant mon arrivée au département.
Ces remarques
concernent une série de thèmes comme la
surpopulation, les conditions de vie, la situation médicale,
le régime de détention, le travail et la formation.
En ce qui
concerne la surpopulation, j’ai pris diverses mesures
concrètes :
– l’augmentation
du nombre de détenus sous surveillance électronique
à 600 et la prévision des budgets nécessaires
pour placer 1000 détenus sous surveillance électronique ;
– les
transferts entre États de détenus étrangers
sans leur accord ;
– le
développement de peines alternatives : 556 mesures
ont été prononcées en 2002 et plus de 11.000
en 2006.
Une série
de mesures concerne la capacité des prisons. Pendant mon
mandat, environ 1600 places ont été créées
par la construction ou la rénovation de bâtiments.
Le rapport
annuel du Conseil national de surveillance contient des
observations relatives au traitement médical dans les
prisons. Le 8 juin 2006, j’ai crée le
Conseil de santé pénitentiaire qui est chargé
de réorganiser le service de santé afin d’offrir
des soins de très bonne qualité. La scission des
secteurs de soins et d’expertise appartient à sa
première mission.
D’autres
mesures ont encore été prises pour améliorer
les soins médicaux :
– la
réouverture du CMC rénové de Saint-Gilles ;
– l’ouverture
d’une chambre sécurisée comportant quatre
lits dans un hôpital régulier à Liège ;
– l’extension
du personnel d’accueil et des traitements dans la
polyclinique de Lantin ;
– le
renforcement du personnel infirmier du CMC de Bruges.
Toutes ces
actions renforceront non seulement la fourniture des soins mais
elles diminueront aussi les transferts vers les hôpitaux
qui constituent souvent un risque en matière de sécurité.
Il existe
depuis peu un masterplan dont l’objectif est de
mieux accueillir les internés et les détenus qui
présentent des problèmes psychiatriques.
La réalité
économique du marché du travail influence
évidemment l’offre de travail aux détenus.
Cependant, afin d’étendre l’offre de travail
dans les prisons, j’ai désigné une personne
de l’administration centrale des établissements
pénitentiaires qui sera spécifiquement chargée
de la prospection et du suivi de l’offre de travail aux
détenus.
En vue
d’améliorer l’hygiène dans les cuisines
des prisons, un volet distinct est prévu dans le plan
pluriannuel Justice 2005-2009 afin de rendre les cuisines
conformes aux normes. Au total, près de 28 millions
d’euros y seront consacrés. En 2005 et 2006, des
dossiers pour la mise en conformité des cuisines de
Bruges, Turnhout et Wortel ont été préparés
et dans l’intervalle, les travaux ont été
effectués. Les budgets pour la rénovation des
cuisines de Louvain central, Louvain secondaire, Oudenaarde,
Ypres, Ruiselede, Saint-Gilles, Forest, Jamioulx, Lantin et
Paifve ont aussi été programmés dans le plan
pluriannuel. L’exécution se fera par la Régie
des Bâtiments, sur la base des dossiers.
Je ne puis que
rejeter les remarques du Conseil national de surveillance à
propos des cadres du personnel et plus particulièrement
ceux des services psychosociaux. Depuis mon entrée en
fonction, les cadres ont été considérablement
remplis : le nombre net de membres engagés est de
1073. Pour le service psychosocial, il y a un gain net de 47
assistants sociaux et de 44 psychologues. J’ai également
créé, par section psychiatrique dans les prisons,
une équipe de soins multidisciplinaire chargée des
soins aux patients psychiatriques.
|
Mevrouw Laurette Onkelinx,
vice-eersteminister en minister van Justitie. – Ik wil er
eerst en vooral op wijzen dat de toestand in de Belgische
gevangenissen, waarop de Centrale Toezichtsraad opmerkingen
formuleert in haar jaarverslag 2005, het resultaat is van de
verwaarlozing van de gevangenissector die dateert van lang vóór
mijn aankomst op het departement.
De opmerkingen in het rapport hebben
betrekking op een aantal thema’s zoals overbevolking,
levensvoorwaarden, medische situatie, detentieregime, arbeid en
vorming.
In de strijd tegen de overbevolking
heb ik een aantal concrete maatregelen genomen zoals:
– de uitbreiding van het
aantal gedetineerden onder elektronisch toezicht tot 600 en het
voorzien in de nodige budgetten om 1000 gedetineerden onder
elektronisch toezicht te plaatsen;
– de tussenstaatse
overbrengingen van buitenlandse gedetineerden zonder hun akkoord;
– de ontwikkeling van
alternatieve straffen: in 2002 werden er 556 maatregelen
uitgesproken, in 2006 meer dan 11.000.
Een reeks maatregelen heeft
betrekking op de capaciteit van de gevangenissen. Ik heb tijdens
mijn ambtstermijn door middel van nieuwbouw en renovatie ongeveer
1600 plaatsen bij gecreëerd.
In haar jaarverslag maakt de
Centrale Toezichtsraad opmerkingen rond de medische behandeling
in de gevangenissen. Sinds 8 juni 2006 heb ik de
penitentiaire gezondheidsraad opgericht en ik heb hem opgedragen
om de gezondheidsdienst te reorganiseren om een gezondheidszorg
aan te bieden van een hoogwaardige kwaliteit. De splitsing van
zorg en expertise behoort tot hun eerste opdracht.
Verder zijn er een aantal concrete
maatregelen genomen om de medische zorg te verbeteren:
– de heropening van het
gerenoveerde CMC van Sint-Gillis;
– de opening van een
beveiligde kamer met 4 bedden in een regulier ziekenhuis te
Luik;
– de uitbreiding van het
onthaalpersoneel en de behandeling in de polikliniek van Lantin;
– versterking van het
verplegend personeel van het CMC te Brugge.
Deze acties zullen niet alleen de
zorgverstrekking ten goede komen maar ze zullen ook de
overbrengingen verminderen naar de ziekenhuizen die vaak een
risico vormen qua veiligheid.
Sinds kort beschikken we over een
masterplan voor een betere opvang van geïnterneerden en
gedetineerden met psychiatrische problemen.
Wat de opmerking over het
arbeidsaanbod voor gedetineerden betreft kan ik zeggen dat de
economische realiteit op de arbeidsmarkt zeker een rol speelt
maar om het aanbod aan arbeid voor gedetineerden in de gevangenis
uit te breiden heb ik binnen het centraal bestuur van het
gevangeniswezen iemand aangeduid die specifiek belast is met de
prospectie en de opvolging van het werkaanbod voor gedetineerden.
Om de hygiëne in de keukens van
de strafinrichtingen te verbeteren voorziet het meerjarenplan
Justitie 2005-2009 in een afzonderlijk hoofdstuk voor het conform
maken van de keukens aan de normen. In totaal zal hieraan
ongeveer 28 miljoen euro worden besteed. In 2005 en 2006
werden dossiers opgesteld voor het conform maken van de keukens
in Brugge, Turnhout en Wortel. Deze werken zijn ondertussen in
uitvoering. De budgetten voor de vernieuwing van de keukens in de
gevangenissen van Leuven-Centraal, de hulpgevangenis Leuven, de
gevangenissen van Oudenaarde, Ieper, Ruiselede, Sint-Gillis,
Vorst, Jamioulx, Lantin en Paifve zijn eveneens in het
meerjarenplan opgenomen. De uitvoering zal gebeuren op basis van
de dossieropmaak door de Regie der Gebouwen.
De opmerkingen die de Centrale
Toezichtsraad maakt omtrent de opvulling van de
personeelsformatie en meer bepaald over de invulling van de
psychosociale dienst, moet ik meteen van de tafel vegen. Tijdens
mijn ambtstermijn heb ik de personeelsformatie aangevuld: zo zijn
er netto 1073 personeelsleden aangeworven. Wat de
psychosociale dienst betreft is er een nettogroei met
47 maatschappelijk assistenten en 44 psychologen.
Verder heb ik per psychiatrische afdeling in de gevangenis een
multidisciplinaire zorgequipe opgericht die belast is met de zorg
voor de psychiatrische patiënten.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Le problème des
prisons existe depuis longtemps. Cependant, ces dix dernières
années, le nombre moyen de détenus par an n’a
cessé d’augmenter et est passé de 7.000 à
9.000. Parmi les causes de cette augmentation, je citerai la
criminalité croissante et l’application incorrecte
de la loi sur la détention préventive. Alors qu’on
ne devrait recourir à cette forme de détention que
pour des raisons de protection de la sécurité
publique, on en fait aussi usage dans l’intérêt
de l’enquête. En outre, la modernisation des prisons
traîne en longueur parce qu’elle est répartie
sur plusieurs années.
Je me réjouis
que nous disposions désormais d’un rapport officiel.
J’espère que les prochains rapports témoigneront
des progrès réalisés. Cela contribuera à
une discussion plus objective.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Het probleem van de
gevangenissen sleept al lang aan. Toch is het gemiddelde aantal
gedetineerden de afgelopen tien jaar gestegen met twee- tot
drieduizend gestegen. Op jaarbasis is het aantal gedetineerden
van gemiddeld zevenduizend gestegen tot gemiddeld negenduizend.
Een van de redenen voor die stijging is de toegenomen
criminaliteit. Een andere reden is het feit dat de wet op de
voorlopige hechtenis niet correct wordt toegepast. De voorlopige
hechtenis wordt ook opgelegd in het belang van het onderzoek,
terwijl ze alleen voor de bescherming van de openbare veiligheid
zou mogen worden ingeroepen. Anderzijds zien we dat de
modernisering van de gevangenissen aansleept omdat die gespreid
is over verschillende jaren.
Het verheugt mij dat we nu over een
officieel rapport beschikken. Ik hoop dan ook dat uit de
rapporten van de komende jaren zal blijken wat al dan niet
verbeterd is in het beleid. Dat zal ook een objectievere
discussie over het probleem mogelijk maken.
|
|
Mme Laurette
Onkelinx, vice-première ministre et ministre de la
Justice. – Je suis entièrement d’accord avec
M. Vandenberghe mais il faut aussi modifier la culture des
juges, ce qui n’est guère aisé. Actuellement,
de 40 à 50% des détenus sont en détention
préventive. C’est en effet trop.
|
Mevrouw Laurette Onkelinx,
vice-eersteminister en minister van Justitie. – Ik ben het
volkomen eens met de heer Vandenberghe, maar we moeten
de cultuur van de rechters veranderen en dat is niet zo
gemakkelijk. Momenteel zit 40 tot 50% van de gedetineerden in
voorlopige hechtenis. Dat is inderdaad te veel.
|
|
Proposition
de loi relative à la répétibilité des
honoraires et des frais d’avocat (de Mme Fauzaya
Talhaoui et M. Flor Koninckx, Doc. 3-1686)
|
Wetsvoorstel
betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten
verbonden aan de bijstand van een advocaat (van mevrouw Fauzaya
Talhaoui en de heer Flor Koninckx, Stuk 3-1686)
|
|
Proposition
de loi modifiant le Code judiciaire et le Code d’instruction
criminelle en ce qui concerne le remboursement des frais de
justice (de Mme Clotilde Nyssens, Doc. 3-51)
|
Wetsvoorstel
tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van
strafvordering in verband met de terugbetaling van de
gerechtskosten (van mevrouw Clotilde Nyssens, Stuk 3-51)
|
|
Proposition
de loi modifiant le Code judiciaire et le Code d’instruction
criminelle, en ce qui concerne le remboursement des frais non
compris dans les dépens (de M. Alain Destexhe,
Doc. 3-204)
|
Wetsvoorstel
tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van
strafvordering, betreffende de terugbetaling van de uitgaven die
niet bij de kosten inbegrepen zijn (van de heer Alain
Destexhe, Stuk 3-204)
|
|
Proposition
de loi modifiant les articles 1018, 6º, et 1022 du Code
judiciaire (de MM. Hugo Vandenberghe et Jan Steverlynck,
Doc. 3-1342)
|
Wetsvoorstel
tot wijziging van de artikelen 1018, 6º, en 1022 van
het Gerechtelijk Wetboek (van de heren Hugo
Vandenberghe en Jan Steverlynck, Stuk 3-1342)
|
|
Discussion
générale
|
Algemene
bespreking
|
|
M. Luc
Willems (VLD), rapporteur. – Dans son arrêt du
2 septembre 2004, la Cour de cassation a admis le
principe de la répétibilité des frais de
l’aide juridique et technique en cas de responsabilité
contractuelle. Les conséquences pratiques de cet arrêt
ont cependant donné lieu à de nombreuses
discussions. L’arrêt pose en effet un principe
général, mais soulève une série de
nouvelles questions : d’une part, la jurisprudence
restrictive concernant l’évaluation du dommage et,
d’autre part, la réticence du barreau à
présenter des états d’honoraires eu égard
au respect de l’indépendance de l’avocat. De
plus, l’avocat peut aussi devenir partie au litige
entraînant, de ce fait, une confusion de rôles
inacceptable et, dans le même temps, des retards de
procédure. La répétibilité des frais
d’aide juridique trouve son origine dans les règles
relatives à la responsabilité contractuelle et
extracontractuelle ou propres à certains systèmes
d’indemnisation. Ce n’est pas le cas des autres
catégories de litiges tels que ceux concernant le droit
familial, le droit au travail, la sécurité sociale
ou le domaine fiscal. L’inégalité de
traitement qui en résulte pour les parties en procès
est à rejeter.
C’est
pour remédier à ce problème que Mme Nyssens,
MM. Destexhe, Hugo Vandenberghe, Steverlynck et Mme Talhaoui
ont déposé des propositions de loi en commission de
la Justice du Sénat.
Les barreaux
et le Conseil supérieur de la Justice ont été
étroitement associés à la discussion de ces
propositions de loi. Des auditions ont également eu lieu.
Je renvoie à ce sujet au rapport. Lors de la discussion en
commission de la Justice, nous avons été confrontés
à un nouvel arrêté de la Cour d’arbitrage
daté du 19 avril 2006. Dans cet arrêt, la
Cour d’arbitrage examine la jurisprudence de la Cour de
cassation. La Cour d’arbitrage déclare que le
défendeur qui obtient gain de cause dans une action en
responsabilité, eu égard au rejet de la demande
introduite contre lui en application de l’article 1382,
ne peut faire valoir aucun droit à un remboursement des
frais d’avocat. Une telle situation donne lieu à un
traitement discriminatoire. Dans un cas, les frais d’avocats
sont considérés comme un élément
constitutif du dommage alors que, dans l’autre, il est
nécessaire de démontrer le caractère
téméraire et vexatoire de la procédure.
La Cour
d’arbitrage a estimé que le législateur se
devait de régler cette problématique. Après
la discussion en commission de la Justice, le gouvernement a
déposé une série d’amendements à
la proposition de loi de Mme Talhaoui. Il s’agit des
amendements 8 à 19. Ceux-ci tiennent compte des points de
vues des Ordres des avocats et du Conseil supérieur de la
Justice.
Le principe de
la répétibilité sera inscrit dans la loi et
ancré dans la procédure à travers les
indemnités de procédure. Le nouvel article 1022
du Code judiciaire redéfinit l’indemnité de
procédure qui devient « une intervention
forfaitaire dans les frais et honoraires d’avocat de la
partie ayant obtenu gain de cause ».
Une des
garanties essentielles de ces amendements est de conférer
au juge un large pouvoir d’appréciation : ces
montants peuvent être majorés ou diminués
jusqu’à un maximum ou à un minimum à
déterminer par le Roi..
Une deuxième
garantie fondamentale consiste à prévoir des
critères précis pour guider l’appréciation
du juge, à savoir la capacité financière de
la partie perdante, la complexité du dossier, l’importance
des indemnités contractuelles convenues pour la partie qui
obtient gain de cause et le caractère manifestement
déraisonnable de la situation. Ces critères ont été
proposés par le Conseil supérieur de la Justice.
Grâce à ce pouvoir d’appréciation, le
juge sera en mesure de pouvoir moduler les effets de la
répétibilité si celle-ci peut mener à
des situations inéquitables pour des personnes en
difficulté financière.
Les
amendements proposés ont également pour but de lier
la répétibilité à l’aide
juridique de deuxième ligne. Il est ainsi prévu que
l’avocat pourra percevoir l’indemnité de
procédure allouée au bénéficiaire de
l’aide juridique de deuxième ligne, mais qu’il
devra en faire état dans le rapport qu’il adresse au
bureau d’aide juridique. Par la suite, le montant de cette
indemnité sera déduit du montant des indemnités
qu’il percevra en rémunération de ses
prestations dans le cadre de l’aide juridique
Qu’en
est-il de l’application de la répétibilité
dans les tribunaux des peines ? À l’heure
actuelle, le système de la répétibilité
n’est pas d’application dans ces juridictions.
Bien que les
procédures judiciaires et civiles soient différentes,
il apparaît plus opportun, dans un souci d’égalité
et de non-discrimination, de traiter de manière identique
les parties qui demandent réparation des dommages subis.
Les articles 7 à 11 amendés de la proposition
de loi vont dans ce sens.
Conformément
à l’avis des Ordres des avocats et du Conseil
supérieur de la Justice, il est proposé d’étendre
le système de la répétibilité aux
relations entre le prévenu et la partie civile. Différents
cas peuvent se produire. Si le prévenu est condamné
à indemniser la partie civile, il sera également
condamné au paiement de l’indemnité de
procédure.
Par contre, si
le prévenu est acquitté, la partie civile sera
condamnée à lui payer cette indemnité. Une
importante modulation a été prévue en la
matière, liée à la nature particulière
de la procédure pénale : la partie civile ne
pourra être condamnée au paiement de l’indemnité
de procédure que si elle a elle-même pris
l’initiative de l’action judiciaire en lançant
une citation directe.
Lorsque le
ministère public intente l’action publique, la
partie civile ne peut qu’y adhérer. Dans ce cas, la
partie civile ne fait que se greffer à la procédure
et n’est pas la cause de celle-ci. Si elle échoue
dans ses prétentions, elle ne peut être tenue pour
responsable de celles-ci à l’égard du prévenu
et ne peut, par conséquent, être condamnée à
l’indemniser pour les frais de procédure engendrés
à cette occasion.
Si l’action
publique est entamée par la constitution de partie civile
entre les mains d’un juge d’instruction et que la
chambre du conseil décide du renvoi devant un tribunal, la
partie civile ne pourra pas davantage être condamnée
au paiement de l’indemnité de procédure si
elle échoue devant ce tribunal. Bien que, dans ce cas, la
partie civile soit à l’origine de la procédure,
ce n’est pas elle qui a décidé de sa
poursuite, mais bien un tribunal.
Par contre,
toujours dans cette même hypothèse, si la chambre du
conseil ou la chambre des mises en accusation estime qu’il
n’y a pas lieu de poursuivre, la partie civile pourra être
condamnée au paiement de l’indemnité de
procédure à la partie adverse.
Étant
donné la nature particulière de la Cour d’assises
et la manière dont celle-ci peut-être saisie, il
n’est pas davantage prévu de permettre la
condamnation de la partie civile qui succombe, à
l’indemnité de procédure devant cette
juridiction.
Par ailleurs,
conformément aux avis des Ordres et du Conseil supérieur
de la Justice, la répétibilité ne jouera pas
dans les relations entre le prévenu et l’État
représenté par le ministère public. En
exerçant les poursuites, le ministère public
représente l’intérêt général
et ne peut dès lors être mis sur le même pied
qu’une partie civile qui mettrait seule en mouvement
l’action publique pour la défense d’un intérêt
particulier.
Après
la discussion et l’approbation des amendements par neuf
voix et une abstention, nous avons encore eu une débat en
commission sur la discussion et l’approbation du rapport.
Le président de la commission a évoqué le
problème de l’entrée en vigueur de la loi et
de ses conséquences sur les procédures en cours.
M. Hugo Vandenberghe partait de l’hypothèse que
la loi entrerait en vigueur au 1er janvier 2008.
Que faut-il faire des litiges en cours depuis 2007 et pour
lesquels un recours est enregistré en 2008 ? Si la
règle est considérée comme une règle
de droit matériel, celui-ci ne s’appliquera qu’aux
frais de procédure en appel. Si l’on considère
qu’il s’agit d’une règle de droit
procédural, celui-ci s’applique immédiatement.
Le juge en appel sera donc prié de condamner la partie
perdante à payer les frais, y compris ceux de la procédure
en première instance. Ce point important doit encore être
éclairci ultérieurement.
Le texte a été
renvoyé aujourd’hui à la commission qui s’est
réunie à 15 h 30 afin d’adopter trois
amendements techniques du gouvernement. La commission a adopté
le texte à l’unanimité.
|
De heer Luc Willems
(VLD), rapporteur. – In het arrest van het Hof van
Cassatie van 2 september 2004 werd het principe
aanvaard van de verhaalbaarheid van de kosten van juridische en
technische bijstand in geval van contractuele aansprakelijkheid.
De praktische gevolgen van dit arrest waren evenwel niet geheel
duidelijk en dat gaf aanleiding tot heel wat discussie. Het
arrest poneert immers een algemeen beginsel, maar roept veel
nieuwe vragen op. Enerzijds is er de restrictieve
cassatierechtspraak in verband met de raming van de schade.
Anderzijds is er de terughoudendheid van de balie om
ereloonstaten voor te leggen, gelet op de onafhankelijke positie
van de advocaat. Bovendien wordt de advocaat dan ook
procespartij, wat leidt tot een onaanvaardbare vermenging van de
rollen, wat uiteraard ook de processen vertraagt. De
verhaalbaarheid van de kosten van juridische bijstand zoals
gesteld in het Hof van Cassatie, steunt daarenboven op regels van
contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid of van
bepaalde andere vergoedingsstelsels. Dit is niet het geval voor
andere categorieën van geschillen: familiezaken,
arbeidsrechtelijke en socialezekerheidsgeschillen en fiscale
geschillen. De daaruit voortvloeiende ongelijke behandeling van
gedingpartijen is onwenselijk.
Om dit euvel te verhelpen hebben
onze collega’s Nyssens, Destexhe, Hugo Vandenberghe,
Steverlynck en Talhaoui in de senaatscommissie voor de Justitie
een aantal wetsvoorstellen ingediend.
Bij de bespreking van deze
wetsvoorstellen werden de balies en de Hoge Raad voor de Justitie
zeer nauw betrokken. Er werden ook hoorzittingen gehouden. Ik
verwijs daarvoor naar het verslag. Tijdens de bespreking in de
commissie voor de Justitie werden we geconfronteerd met een nieuw
arrest van het Arbitragehof van 19 april 2006. In dat
arrest onderzoekt het Arbitragehof de rechtspraak van het Hof van
Cassatie. Het Arbitragehof stelde dat de in aansprakelijkheid
gedagvaarde verweerder die het proces wint, doordat de eis tegen
hem op grond van artikel 1382 wordt afgewezen, geen recht
kan laten gelden op de vergoeding van de kosten voor een
advocaat. Ten aanzien van hem wordt artikel 1382 immers niet
toegepast. Dit geeft aanleiding tot een discriminerende
behandeling. In het ene geval worden de advocatenkosten als een
element van de schade beschouwd, in het andere geval dient men
aan te tonen dat het een tergend en roekeloos geding betreft.
Het Arbitragehof stelde dat de
wetgever deze problematiek dient te regelen. Na de bespreking in
de commissie voor de Justitie werd een aantal
regeringsamendementen ingediend op het wetsvoorstel van collega
Talhaoui. Het betreft de amendementen 8 tot 19. Ze zijn
gebaseerd op de standpunten van de Ordes van advocaten en van de
Hoge Raad voor de Justitie.
Het principe van de verhaalbaarheid
zal in de wet tot regel verheven worden en verankerd worden in
het procesrecht via de rechtsplegingsvergoedingen. Het nieuwe
artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek herdefinieert de
rechtsplegingsvergoeding als ‘een forfaitaire
tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in
het gelijk gestelde partij’.
Eén van de essentiële
waarborgen, die in de amendementen is opgenomen, is dat de
rechter over een ruime beoordelingsbevoegdheid zal beschikken:
deze bedragen kunnen immers worden verhoogd of verminderd tot een
door de Koning vast te stellen maximum of minimum.
Een tweede fundamentele waarborg
bestaat erin te voorzien in precieze criteria om deze beoordeling
van de rechter in goede banen te leiden, namelijk de financiële
draagkracht van de verliezende partij, de complexiteit van de
zaak, de belangrijkheid van de contractueel overeengekomen
vergoedingen voor de partij die in het gelijk wordt gesteld en
het kennelijk onredelijk karakter van de situatie. Deze criteria
werden door de Hoge Raad voor de Justitie voorgesteld. Dank zij
deze omkaderde beoordelingsbevoegdheid zal de rechter in staat
zijn om de gevolgen van de verhaalbaarheid te kunnen aanpassen,
indien dit onrechtvaardig zou blijken voor personen in financiële
moeilijkheden.
De voorgestelde amendementen hebben
ook tot doel de verhaalbaarheid te laten aansluiten bij de
juridische tweedelijnsbijstand. Daarom is voorzien dat de
advocaat de rechtsplegingsvergoeding kan innen die toegekend werd
aan de begunstigde van de juridische tweedelijnsbijstand, maar
hij zal daarvan melding moeten maken in zijn verslag aan het
bureau voor juridische bijstand. Daarna zal het bedrag van deze
vergoeding in mindering worden gebracht van het bedrag van de
vergoedingen die hij zal ontvangen ter bezoldiging voor zijn
prestaties in het kader van de juridische bijstand.
Wat met de toepassing van de
verhaalbaarheid bij de strafgerechten? Momenteel is het systeem
van rechtsplegingsvergoedingen immers niet van toepassing bij
deze jurisdicties.
Hoewel de strafrechtelijke en de
burgerlijke procedures verschillend zijn, lijkt het meer conform
te zijn met de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie dat
men de rechtsonderhorigen die het herstel van schade vragen voor
een burgerlijke of een strafrechtelijke jurisdictie, op gelijke
voet zou behandelen. Daarover gaan de geamendeerde artikelen 7
tot 11 van het wetsvoorstel.
Overeenkomstig het advies van de
Ordes van advocaten en van de Hoge Raad voor de Justitie wordt
voorgesteld het systeem van de verhaalbaarheid uit te breiden tot
de relaties tussen de beklaagde en de burgerlijke partij. Daarbij
kunnen zich verschillende situaties voordoen. Indien de beklaagde
veroordeeld wordt tot het vergoeden van de burgerlijke partij,
zal hij eveneens veroordeeld worden tot het betalen van de
rechtsplegingsvergoeding.
Indien de beklaagde daarentegen
wordt vrijgesproken, zal de burgerlijke partij die vergoeding aan
hem moeten betalen. Er werd ter zake een belangrijke matiging
voorzien die verbonden is met de bijzondere aard van de
strafprocedure: de burgerlijke partij kan enkel veroordeeld
worden tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding indien zij
zelf de strafvordering heeft doen opstarten door middel van een
rechtstreekse dagvaarding.
Wanneer het openbaar ministerie de
strafvordering opstart, kan de burgerlijke partij zich daarbij
alleen aansluiten. De burgerlijke partij is dan uiteraard niet de
oorzaak van de strafprocedure. Indien haar eisen niet worden
ingewilligd, kan men haar daarvoor niet aansprakelijk stellen ten
aanzien van de beklaagde en kan zij ook niet veroordeeld worden
voor de vergoeding van de procedurekosten die bij die gelegenheid
zijn ontstaan.
Indien de strafvordering wordt
opgestart doordat men zich burgerlijke partij stelde in handen
van de onderzoeksrechter en de raadkamer beslist om de zaak naar
een rechtbank te verwijzen, zal de burgerlijke partij evenmin
kunnen worden veroordeeld tot het betalen van de
rechtsplegingsvergoeding, indien ze door die rechtbank in het
ongelijk wordt gesteld. Hoewel in dat geval de burgerlijke partij
aan de oorsprong ligt van de procedure, is het niet zij, maar een
rechtbank die beslist over de voorzetting ervan.
Indien daarentegen, en in dezelfde
hypothese, de raadkamer, of de kamer van inbeschuldigingstelling
in beroep, van mening is dat er niet moet worden vervolgd, zal de
burgerlijke partij veroordeeld kunnen worden tot het betalen van
de rechtsplegingsvergoeding aan de inverdenkinggestelde.
Gelet op de bijzondere aard van het
Hof van Assisen en de manier waarop het kan worden gevat, is
evenmin voorzien dat men de burgerlijke partij die in het
ongelijk wordt gesteld, bij dit Hof kan veroordelen tot het
betalen van de rechtsplegingsvergoeding.
In overeenstemming met de adviezen
van de Ordes en van de Hoge Raad voor de Justitie, zal de
verhaalbaarheid trouwens ook niet aan bod komen in de relaties
tussen de beklaagde en de Staat, vertegenwoordigd door het
openbaar ministerie. Door te vervolgen, vertegenwoordigt het
openbaar ministerie het algemeen belang en kan het derhalve niet
op één lijn worden gesteld met een burgerlijke
partij die de strafvordering alleen in gang kan zetten voor de
verdediging van een privébelang.
Na de bespreking en de goedkeuring
van de amendementen door 9 leden bij 1 onthouding, hadden wij in
de commissie nog een discussie over de bespreking en de
goedkeuring van het verslag. De voorzitter van de commissie heeft
daarbij het probleem opgeworpen van de inwerkingtreding van de
wet en de gevolgen ervan voor de lopende procedures. Collega Hugo
Vandenberghe ging uit van de hypothese dat de wet op
1 januari 2008 van kracht zou worden. Wat moet er dan
gebeuren met de geschillen die al in 2007 liepen en waarvoor in
2008 hoger beroep wordt aangetekend? Als men de voorgestelde
regel beschouwt als een regel van materieel recht, is hij slechts
van toepassing op de procedurekosten in beroep. Als men de regel
echter beschouwt als een regel van procedureel recht, is hij
onmiddellijk van toepassing. De rechter in beroep wordt dan
verzocht de verliezende partij te veroordelen tot de kosten en
kan daarbij de procedure in eerste aanleg betrekken. Dat
belangrijke punt moet nog verder worden uitgeklaard.
De tekst werd vandaag teruggezonden
naar de commissie die om 15.30 uur is samengekomen om nog drie
technische amendementen van de regering goed te keuren. De
commissie heeft de hele tekst dan unaniem goedgekeurd.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Je remercie le rapporteur
pour son exposé concernant cette importante proposition de
loi.
Le fameux
arrêt de la Cour de cassation du 2 septembre 2004
a ouvert la discussion sur la répétibilité
des honoraires d’avocats.
Outre la
question essentielle de savoir si les honoraires doivent être
répétibles ou non, des questions se sont posées
à propos du contexte dans lequel leur répétibilité
devrait être appliquée (contexte contractuel,
extracontractuel, de droit civil, pénal ou
administratif, …) et de la manière dont il
conviendrait de la réglementer.
L’arrêt
du 2 septembre 2004 attirait également
l’attention sur l’inégalité de
traitement des parties au procès concernant la
répétibilité ou non des honoraires de leur
avocat. Il était indispensable que le législateur
agisse afin de mettre un frein à la casuistique et
d’éviter d’interminables procès sur des
procès.
Mon collègue
Steverlynck et moi avons donc déposé une
proposition de loi pour régler ce problème. Nous
avons fait des choix qui ont été repris en grande
partie dans la proposition de loi sur laquelle nous devons nous
prononcer aujourd’hui.
Premièrement,
nous avons opté pour la solution du droit procédural,
donc pour l’ancrage dans le Code judiciaire, plutôt
que pour le droit d’indemnisation et le Code civil. Cette
solution s’inspire du droit allemand et néerlandais
où les règles relatives à la répétibilité
des frais d’aide juridique exposés dans le cadre
d’un procès sont également régies par
des dispositions de droit procédural. La France a
également inséré les règles régissant
la répétibilité dans le droit procédural.
Deuxièmement,
nos avons opté pour une indemnité de procédure
forfaitaire. Conformément au point de vue de l’Orde
van Vlaamse balies, OVB, et de l’Ordre des barreaux
francophones et germanophone, OBFG, nous avons opté pour
l’extension des définitions et des montants des
indemnités de procédure existantes. En
redéfinissant l’indemnité de procédure
comme étant bien davantage qu’une indemnité
pour des choses purement matérielles et en l’élargissant
de manière à ce qu’elle corresponde aux frais
réels exposés, y compris une partie des honoraires
de l’avocat consulté, à l’exclusion de
toute autre forme d’indemnité, notre proposition
visait un compromis entre, d’une part, l’indemnité
réelle que peut revendiquer le justiciable et, d’autre
part, la liberté de fixation des honoraires par l’avocat
en tant que titulaire d’une profession libérale.
En préconisant
une indemnité forfaitaire, notre objectif était
également d’éviter des décisions
judiciaires arbitraires et imprévisibles risquant de
conduire à des procès interminables.
Enfin, par
cette proposition, nous voulions éviter qu’un procès
ne donne lieu à un autre procès sous la forme d’une
discussion sur les honoraires, ce qui aurait pour effet de
postposer sans cesse une solution.
Nous avons
proposé de maintenir la procédure actuelle pour la
fixation du montant adéquat, à savoir la fixation
de l’indemnité forfaitaire par un arrêté
royal, sur avis des ordres des avocats.
C’est
délibérément que nous n’avons pas opté
pour une tarification ou une barémisation des honoraires
d’avocats. Un tel choix se serait heurté à
l’incompréhension européenne. À
plusieurs reprises déjà, l’Europe s’est
clairement déclarée opposée à des
barèmes d’honoraires pour les professions libérales
en général, comme les architectes. De plus, des
barèmes d’honoraires d’avocats existants ont
déjà dû être retirés sous la
pression européenne.
De nombreuses
objections d’ordre pratique et de principe ont été
émises. L’évaluation des honoraires d’un
avocat ne peut que très difficilement être dissociée
de l’affaire traitée, de l’enjeu financier, de
la responsabilité de l’avocat, de la complexité
du dossier, des efforts fournis par l’avocat et des
résultats obtenus.
Les honoraires
d’avocats se prêtent difficilement à une
nomenclature.
Une
barémisation, même non contraignante en théorie,
aurait en effet une opposabilité aux tiers contraignante à
l’égard des grands utilisateurs des services
d’avocats, notamment les compagnies d’assurances.
Nous avons
également plaidé pour l’extension de la
répétibilité à d’autre
procédures par le biais d’une indemnité de
procédure adaptée.
Nous espérions
que les auditions nous fourniraient une solution. Cependant, il y
a quelques mois, le gouvernement a adopté une position
différente. Il a proposé une augmentation limitée
de l’indemnité de procédure, liée à
une sanction pécuniaire pour les abus de droit, qui serait
basée sur une échelle d’honoraires
indicative. De ce fait, le dossier de la répétibilité
résultant des arrêts de la Cour de cassation et
ensuite de la Cour d’arbitrage s’est retrouvé
lié au projet idéologique de la barémisation
des honoraires d’avocats.
La liaison des
deux dossiers a conduit à une impasse de plusieurs mois,
au cours de laquelle une jurisprudence contradictoire s’est
accumulée. Des arrêts de la Cour d’arbitrage
ayant réveillé les esprits, la balle est revenue
dans le camp du législateur.
Le
gouvernement a changé son fusil d’épaule en
reprenant la proposition faite au départ par l’ordre
des avocats et qui constitue la base de notre proposition de loi
initiale.
Le
gouvernement a dissocié la répétibilité
et la barémisation et a opté pour une adaptation
par le biais des indemnités de procédure, corrigées
selon les critères proposés par le Conseil
supérieur de la Justice concernant la capacité
financière de l’intéressé, la
complexité de l’affaire, l’enjeu financier et
le caractère manifestement déraisonnable ou non de
la situation.
Comme
M. Willems l’a déjà déclaré,
il faut faire la clarté concernant le fonctionnement de la
loi. Soit il s’agit de droit matériel, et dans ce
cas la loi ne s’applique qu’à l’avenir,
c’est-à-dire pour les litiges qui surviennent après
l’entrée en vigueur de la loi, soit il s’agit
d’une réglementation procédurale,
conformément à la jurisprudence relative à
la prescription, et dans ce cas la loi est d’application
immédiate, c’est-à-dire pour tous les litiges
pendants devant les tribunaux.
La commission
est d’avis qu’il s’agit d’une
réglementation procédurale. L’indemnité
de procédure peut en effet toujours être adaptée
et dès lors, elle s’applique à toutes les
affaires en cours.
Je terminerai
par une remarque mesquine à propos d’une attitude
mesquine.
Au cours de la
discussion, Mme Talhaoui a déposé une
proposition de loi visant à la barémisation des
honoraires. J’avais déposé moi-même une
proposition de loi visant à adapter l’indemnité
de procédure pour la répétibilité des
honoraires d’avocats. La justification de ma proposition
s’inscrivait dans le droit fil du compromis qui est
finalement intervenu. L’exposé des motifs de la
proposition de loi de Mme Talhaoui était
naturellement en contradiction avec ce compromis, son objectif
étant la barémisation des honoraires. Évidemment,
j’ai le désavantage d’être membre de
l’opposition alors que Mme Talhaoui siège dans
la majorité. Bien que ma proposition visait la solution
finalement retenue, c’est la proposition de Mme Talhaoui
qui fut amendée en profondeur. Il eut été
logique d’accepter ma proposition, celle de Mme Nyssens
ou celle de M. Cheffert, lesquelles étaient beaucoup
plus proches de la solution choisie. Une telle attitude est
plutôt mesquine et si je prends la peine d’en parler,
c’est que naguère, il n’était pas
d’usage d’agir ainsi Sénat.
Cela ne
m’empêchera pas d’approuver ce texte en
espérant que la Chambre fera rapidement de même, de
manière à rétablir la sécurité
juridique pour les justiciables dans les cours et les tribunaux.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Ik dank de rapporteur voor
de toelichting bij dit belangrijke wetsvoorstel.
Het veelbesproken arrest van het Hof
van Cassatie van 2 september 2004 opende de discussie
over de verhaalbaarheid van de erelonen van advocaten.
Naast de essentiële vraag of
erelonen wel verhaalbaar dienen te zijn, rezen vragen over de
context waarbinnen dat het geval zou moeten zijn (contractueel,
buitencontractueel, burgerrechtelijk, strafrechtelijk,
administratiefrechtelijk, …) en de wijze waarop een
en ander geregeld diende te worden.
Het arrest van 2 september 2004
vestigde ook de aandacht op de ongelijke behandeling van
procespartijen die soms wel en dan weer niet gerechtigd zouden
zijn de erelonen van hun advocaat op de tegenpartij te verhalen.
Het was derhalve onmiddellijk duidelijk dat de wetgever moest
ingrijpen om een opeenstapeling van casuïstiek en het
jarenlang voeren van processen over processen te vermijden.
Naar aanleiding van het arrest van
2 september 2004 hebben collega Steverlynck en ikzelf
een wetsvoorstel ingediend om dit probleem te regelen. Daarbij
hebben we enkele keuzes gemaakt die in grote mate werden
overgenomen in het wetsvoorstel waarover we ons vandaag
uitspreken.
Ten eerste, kozen we ervoor de
oplossing in het procesrecht, en dus in het Gerechtelijk Wetboek,
op te nemen in plaats van in het schadevergoedingsrecht, en dus
het Burgerlijk Wetboek. Die oplossing werd geïnspireerd door
het Duitse en het Nederlandse recht, waar de regels betreffende
de verhaalbaarheid van kosten van juridische bijstand voor het
voeren van een geding eveneens in procesrechtelijke regels zijn
vervat. Ook Frankrijk schreef de regels van de verhaalbaarheid in
het procesrecht in.
Ten tweede, opteerden we voor een
forfaitaire rechtsplegingsvergoeding. In aansluiting met het
standpunt van de Orde van Vlaamse balies, de OVB, van de Ordre
des barreaux francophones et germanophone, de OBFG, kozen we
ervoor de definities en de omvang van de bestaande
rechtsplegingsvergoedingen te verruimen. Door de
rechtsplegingsvergoeding te herdefiniëren als een vergoeding
die meer wordt dan een vergoeding voor louter materiële
zaken en haar te verruimen tot een vergoeding die een
tegemoetkoming uitmaakt in de reëel uitgezette kosten, met
inbegrip van een deel van de erelonen van de geraadpleegde
advocaat, met uitsluiting van iedere andere vorm van vergoeding,
beoogde ons voorstel de middenweg te bewandelen tussen de
aanspraak van de rechtzoekende op een reële vergoeding,
enerzijds, en de vrijheid van evaluatie van het ereloon van de
advocaat als beoefenaar van een vrij beroep, anderzijds.
Door een forfaitaire vergoeding
voorop te stellen beoogden we tevens om arbitraire en
onvoorspelbare rechterlijke beslissingen, die jarenlang tot
proceslust aanleiding zouden kunnen geven, te vermijden.
Ten slotte wilden we met het
voorstel vermijden dat een proces over het proces wordt gevoerd
in de vorm van een discussie over het ereloon. Hierdoor zou een
oplossing altijd maar worden uitgesteld.
We stelden voor om de bestaande
procedure voor de bepaling van het juiste bedrag te behouden,
namelijk de vastlegging van de rechtsplegingsvergoeding door een
koninklijk besluit op advies van de orden van advocaten.
We kozen bewust niet voor een
tarifering of de baremisering van de erelonen van advocaten. Een
dergelijke keuze zou op Europees onbegrip stuiten. Europa heeft
immers al bij herhaling openlijk standpunt ingenomen tegen
ereloonbarema’s voor vrije beroepen in het algemeen, zoals
architecten. Bovendien moesten in het verleden bestaande
ereloonbarema’s voor de advocatuur onder Europese druk
worden ingetrokken.
Daarnaast rezen ook heel wat
praktische en principiële bezwaren. Zo kan de evaluatie van
het ereloon van een advocaat uiterst moeilijk worden losgekoppeld
van de onderliggende zaak, de financiële inzet, de
aansprakelijkheid van de advocaat, de complexiteit, de door de
advocaat geleverde inspanningen en de bereikte resultaten.
De erelonen voor advocaten lenen
zich moeilijk tot een nomenclatuur.
Een baremisering, ook al zou ze in
theorie niet dwingend zijn, heeft een dwingende derdenwerking
tegenover bepaalde grootgebruikers van de advocatuur of personen
die een beroep doen op beslechting van rechtsgeschillen, zoals
verzekeringsmaatschappijen.
We pleitten ook voor een uitbreiding
van de verhaalbaarheid naar andere procedures via een aangepaste
rechtsplegingsvergoeding.
We dachten een oplossing te vinden
in de hoorzittingen.
Enkele maanden geleden nam de
regering echter een ander standpunt in. Ze stelde een beperkte
verhoging van de rechtsplegingsvergoeding voor, gekoppeld aan een
pecuniaire sanctie voor rechtsmisbruik, die zou worden begroot
aan de hand van een indicatieve ereloonschaal. Aldus werd het
dossier van de verhaalbaarheid, in het leven geroepen door de
arresten van het Hof van Cassatie en daarna van het Arbitragehof,
gekoppeld aan het ideologische project van de baremisering van de
erelonen van de advocaten.
De koppeling van beide dossiers
heeft geleid tot een maandenlange impasse, waarbij tegenstrijdige
rechtspraak zich bleef opstapelen. Omdat ook arresten van het
Arbitragehof de kat de bel aanbonden, kwam de bal opnieuw terecht
in het kamp van de wetgever.
De regering veranderde het geweer
van schouder door het voorstel over te nemen dat aanvankelijk
door de Orde van advocaten werd gedaan en de basis vormde van ons
oorspronkelijk wetsvoorstel.
De regering ontkoppelde de
verhaalbaarheid van de baremisering en opteerde voor een
aanpassing via de rechtsplegingsvergoedingen, gecorrigeerd op
basis van de door de Hoge Raad voor justitie voorgestelde
criteria van financiële draagkracht van de betrokkene, de
complexiteit van de zaak, de geldelijke inzet en het al dan niet
kennelijk onredelijk karakter van de situatie.
Zoals de heer Willems
reeds heeft aangehaald, moet duidelijkheid worden geschapen over
de werking van de wet. Ofwel gaat het om materieel recht, en dan
is de wet alleen voor de toekomst van toepassing, dus voor
geschillen die ontstaan als ze van kracht is. Ofwel gaat het om
een procedurele regeling, conform de rechtspraak in verband met
de verjaring, en dan is ze onmiddellijk van toepassing, dus voor
alle geschillen die hangende zijn voor de rechtbanken.
De commissie is van oordeel dat het
om een procedurele regeling gaat. De rechtsplegingsvergoeding kan
immers altijd worden aangepast en zodra dat gebeurd is, is ze van
toepassing voor alle hangende dossiers.
Tot slot een kleingeestige opmerking
bij een kleingeestige houding.
In de loop van de discussie diende
collega Talhaoui een wetsvoorstel in om de erelonen te
baremiseren. Ikzelf had een wetsvoorstel ingediend tot aanpassing
van de rechtsplegingsvergoeding voor de verhaalbaarheid van de
erelonen van advocaten. De verantwoording van mijn voorstel lag
helemaal in de lijn van het uiteindelijke compromis dat werd
bereikt. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel van
mevrouw Talhaoui was daarmee natuurlijk strijdig, want het
strekte tot de baremisering van de erelonen. Nu heb ik het grote
nadeel tot de oppositie te behoren, terwijl mevrouw Talhaoui
lid is van de meerderheid. Hoewel mevrouw Talhaoui in haar
voorstel het omgekeerde beoogde van de uiteindelijke oplossing en
ik met mijn voorstel de oplossing beoogde waarvoor uiteindelijk
ook is gekozen, werd het voorstel van mevrouw Talhaoui zwaar
geamendeerd. Logisch was geweest mijn voorstel, of dat van
mevrouw Nyssens of de heer Cheffert te aanvaarden,
aangezien die voorstellen veel dichter bij de uiteindelijke
oplossing lagen. Ik vind dat nogal klein en dat ik dit moet
signaleren, vind ik ook twee verloren minuten. Maar ik kan het
niet laten, want een dergelijke houding was in het verleden in de
Senaat niet gebruikelijk.
Dat zal me echter niet verhinderen
de tekst goed te keuren en te hopen dat de Kamer de wet ook snel
aanneemt, zodat de rechtszekerheid voor de rechtzoekende in hoven
en rechtbanken kan worden hersteld.
|
|
M. Jean-Marie Cheffert (MR).
– Il est évidemment difficile d’intervenir en
dernier lieu, quand beaucoup de choses ont été
dites, notamment par M. Hugo Vandenberghe, et surtout après
l’excellent rapport de M. Willems. Je tenterai donc de
compléter les informations, mais je devrai aussi revenir
sur certains éléments qui ont été
développés.
Le 2 septembre 2004, la
Cour de cassation a rendu en matière de répétibilité
un arrêt qui, d’une part, renversait une
jurisprudence constante et, d’autre part, allait
littéralement plonger les cours et tribunaux dans un no
man’s land juridique de deux ans et demi.
Dans cet arrêt, la Cour dit
pour droit que « les honoraires et frais d’avocats
ou de conseils techniques exposés par la victime d’une
faute contractuelle peuvent constituer un élément
de son dommage donnant lieu à indemnisation dans la mesure
où ils présentent ce caractère de
nécessité ».
La réaction des juridictions
de fond a été, suite à cet arrêt,
aussi différente que le nombre de juridictions du pays.
Bien plus encore, au sein d’une même juridiction, des
chambres rendaient des décisions différentes les
unes des autres.
Certains juges ont parfois critiqué
la nécessité du recours aux services d’un
avocat. Certains ont exigé la production des états
d’honoraires et des pièces justifiant ceux-ci,
tandis que d’autres ont alloué des forfaits.
D’autres encore ont tout simplement refusé
d’octroyer la répétibilité prenant
pour prétexte le silence de la loi. D’autres ont
renvoyé au rôle général. D’autres
enfin, l’ont accordée au défendeur et pas
simplement au demandeur, ou l’ont accordée dans le
cadre d’actions extracontractuelles et non uniquement
contractuelles.
En d’autres termes,
l’insécurité juridique engendrée par
cet arrêt du 2 septembre et son application par les
juridictions de fond a plongé le monde juridique, mais
également les justiciables qui ont reçu des
informations contradictoires de toutes parts, dans une situation
de « non-droit » inacceptable pour un État
qui se veut de droit.
Conscient de la nécessité
d’une intervention législative rapide, la commission
de la Justice du Sénat a commencé à
travailler sur le sujet. Avant cela, le MR avait déjà
déposé une proposition sur ce point.
Divers textes ont été
déposés, et les barreaux, les représentants
du monde des assurances, des représentants des
consommateurs, des professeurs d’université, des
magistrats ont été auditionnés. Tous les
intervenants se sont prononcés en faveur d’un
système de répétibilité ; mais
le fonctionnement de celui-ci restait difficile à
déterminer.
Divers régimes européens
ont été examinés, M. Hugo Vandenberghe
l’a rappelé, afin de tenter d’en tirer le
meilleur sans en reprendre les difficultés. Notre système
se devait d’être différent du système
allemand où la répétibilité est
intégrale, ce qui risquait de constituer un réel
problème d’accès à la justice. Il
devait également être différent du système
français qui fonctionne mal parce que soumis entièrement
à l’arbitraire des magistrats et donc totalement
imprévisible pour le justiciable.
Le système de répétibilité
voulu chez nous devait être prévisible pour le
justiciable et également peu onéreux afin de ne pas
freiner l’accès à la justice. En effet, pour
la plus grande majorité des gens qui n’ont pas accès
à l’aide juridique, la classe moyenne, une procédure
en justice est un « accident de la vie »
qui coûte énormément d’argent. Même
si notre justice est parmi les moins onéreuses d’Europe,
cela représente un coût non négligeable
auquel les citoyens ne s’attendent pas. Le fait de
récupérer une partie de ses frais d’avocats
lorsqu’on entame un procès à juste titre,
aidera donc cette grande partie de la population à faire
reconnaître ses droits sans devoir en subir les
conséquences de façon trop lourde.
En outre, l’absence de
répétibilité créait chez les gens un
double sentiment d’injustice profond. En effet, d’une
part, tout praticien du droit raisonnable se devait de
déconseiller au justiciable d’entamer une procédure
lorsque l’enjeu de celle-ci ne dépassait pas les
2.000 euros car, avec les frais de justice, même réduits
à leur strict minimum, le procès coûtait aux
citoyens plus que son enjeu.
D’autre part, le fait de
devoir payer son avocat alors que l’on avait gagné
son procès – la partie perdante ayant en quelque
sorte exposé l’autre partie à des frais de
justice – engendrait également un réel
sentiment d’injustice. Il existait donc un réel
frein à l’accès à la justice et une
réelle incompréhension quant au fonctionnement du
système judiciaire même en cas de succès dans
une procédure.
Cependant, le chemin emprunté
pour aboutir au texte voté aujourd’hui fut long et
sinueux. La ministre de la Justice qui, à l’origine,
s’était montrée favorable à un système
de répétibilité « forfaitaire »
a fait marche arrière considérant, envers et contre
tout, que la répétibilité ne faciliterait
pas mais freinerait l’accès à la justice.
La ministre est ensuite revenue sur
la répétibilité à condition que
celle-ci soit encadrée – comme l’a dit M. Hugo
Vandenberghe – par une barémisation des honoraires
d’avocats. Ce projet était loin de faire
l’unanimité, d’une part, du fait de sa
complexité – comment fixer adéquatement un
barème qui rencontre toutes les hypothèses ? –
et, d’autre part, du fait qu’il allait créer
une justice à deux vitesses entre les avocats qui
accepteraient de se soumettre au barème et ceux qui
continueraient de fixer librement leurs honoraires destinés
à la frange de la population la plus aisée. En
outre, le droit européen se montre de plus en plus
réticent à l’égard des barèmes,
même lorsque ceux-ci ne sont pas contraignants et émanent
de l’État.
En bref, vouloir à tout prix
lier la répétibilité à la
barémisation des honoraires d’avocats allait
conduire à des discussions interminables, laissant les
juridictions de fond, mais surtout les justiciables, plus
longtemps encore dans l’insécurité juridique
engendrée par l’arrêt de 2004.
Concomitamment à tous ces
atermoiements, la Cour de cassation a confirmé à
plusieurs reprises sa jurisprudence de septembre 2004,
l’étendant à d’autres éventualités.
Plus important encore, la Cour
d’arbitrage interrogée sur des problèmes de
discrimination, notamment entre demandeur et défendeur,
suscités par l’arrêt de 2004, a eu l’occasion
de dire à maintes reprises – la dernière en
date du 17 janvier dernier – que s’il existe
effectivement une discrimination en matière de
répétibilité, celle-ci ne provient pas des
textes de lois existants, mais bien de l’inertie du
législateur.
Il était donc urgent de
débloquer la situation. Face à cette insécurité
juridique grandissante et au blocage auquel celle-ci devait faire
face, la ministre de la Justice a dès lors décidé
d’abandonner son idée de barème et de revenir
à la répétibilité forfaitaire tel
qu’initialement voulue par les Ordres des avocats et
défendue par le MR.
Le texte déposé et
voté en commission le 12 décembre dernier, à
savoir un amendement à une proposition de loi déposée
par le SP.A, rallie la majorité et même une partie
de l’opposition. Cette loi règle en effet toutes les
questions soulevées au cours des débats
parlementaires, notamment le sort de la répétibilité
dans le cadre de l’aide juridique et des procédures
pénales.
Le principe retenu est celui de la
répétibilité qui est intégrée
à l’article 1022 du Code judiciaire qui vise
les indemnités de procédure. L’indemnité
de procédure est une intervention forfaitaire dans les
frais et honoraires d’avocat de la partie ayant obtenu gain
de cause. On fixera, par arrêté royal, une
fourchette avec un minima et un maxima dans laquelle le juge
choisira d’arrêter la hauteur de la participation de
la partie qui a perdu la procédure dans les frais d’avocat
de la partie qui a obtenu gain de cause.
Pour assister le juge dans la
fixation de la participation aux honoraires, des critères
sont énumérés dans la loi, à savoir
la capacité financière de la partie perdante, la
complexité de l’affaire, des indemnités
contractuelles convenues pour la partie qui obtient gain de cause
et le caractère manifestement déraisonnable de la
situation.
En fonction de ces quatre critères,
le juge pourra soit aller vers le haut de la fourchette, soit
vers le bas. La loi précise qu’aucune autre somme ne
pourra être allouée du chef de paiement d’honoraires
et de frais d’avocats.
Dans le cas de l’aide
juridique, le système présente le double avantage
de créer un financement partiel alternatif et de
constituer un paiement « anticipé »
de l’avocat. En effet, la loi prévoit que si
l’avocat du bénéficiaire de l’aide
juridique gagne la procédure, il pourra conserver
l’indemnité forfaitaire qu’il percevra
immédiatement. Cependant, elle sera déduite de la
somme qu’il aurait reçue de l’État dans
le cadre du paiement des indemnités dites « BAJ ».
Si, par contre, l’avocat du
bénéficiaire de l’aide juridique perd la
procédure, l’indemnité que le bénéficiaire
devra payer sera fixée par le juge au minimum de la
fourchette prévue.
Dans l’hypothèse où
il y a plusieurs parties à la procédure, la loi
prévoit que si plusieurs parties gagnent leur procès
à charge d’une seule partie succombante, le montant
de l’indemnité sera fixé au maximum au double
de l’indemnité de procédure maximale prévue
dans la fourchette. Ce montant global sera réparti par le
juge entre les parties qui en bénéficient.
Dans les procédures pénales,
vu l’instauration de la répétibilité
en matière civile, il aurait été
discriminatoire de l’exclure des actions pénales
dans lesquelles une réparation civile est demandée.
Dans ce cadre, la répétibilité ne concernera
toutefois que les relations entre partie civile et prévenu
ou inculpé. Dans l’hypothèse où c’est
la partie civile qui a été l’instigatrice
d’une procédure pénale mais que celle-ci
échoue, au stade de l’instruction ou au stade des
juridictions de fond, la partie civile devra supporter une part
des frais de conseils de la partie poursuivie à tort. En
sens inverse, si le prévenu ou l’inculpé est
reconnu coupable, il devra participer aux frais d’avocat de
la partie civile. Si, par contre, la partie civile n’a fait
que se « greffer » sur une instruction
entamée d’office ou par d’autres et que
l’inculpé n’est pas condamné, elle ne
pourra pas être condamnée au paiement d’une
quelconque indemnité de procédure au profit de
l’inculpé.
En conclusion, nous ne pouvons que
nous réjouir de l’adoption de cette loi, qui sera
applicable aux procédures en cours. Son entrée en
vigueur, que nous espérons imminente, permettra enfin de
mettre un terme à l’insécurité
juridique actuelle.
|
De heer Jean-Marie
Cheffert (MR). – Het is uiteraard niet gemakkelijk als
men als laatste aan het woord komt en er al veel werd gezegd,
meer bepaald door de heer Hugo Vandenberghe en
bovendien na het uitstekende rapport van de heer Willems.
Ik zal nog wat aanvullende informatie geven en ook opnieuw op
enkele punten ingaan.
Op
2 september 2004 heeft het Hof van Cassatie over de
verhaalbaarheid een arrest geveld dat de constante rechtspraak
heeft teniet gedaan en tegelijk de hoven en rechtbanken gedurende
twee en een half jaar een juridisch niemandsland instuurde.
Volgens het
arrest van het Hof ‘kunnen erelonen en kosten van een
advocaat, die de benadeelde van een contractuele fout heeft
betaald, tot de vergoedbare schade behoren, voorzover zij het
noodzakelijk gevolg zijn van de contractuele fout’.
De reactie van
de feitenrechters was even verschillend als er rechters waren.
Meer nog, binnen dezelfde rechtbank namen de kamers uiteenlopende
beslissingen.
Bepaalde
rechters hadden kritiek op het feit dat een advocaat nodig was.
Sommigen eisten dat de advocaten hun ereloonstaten voorlegden en
wettigden, terwijl anderen forfaitaire bedragen toekenden. Nog
anderen weigerden eenvoudigweg rekening te houden met de
verhaalbaarheid omdat daarover in de wet niets werd gezegd.
Sommige rechters plaatsten de zaak opnieuw op de algemene rol.
Collega’s pasten de verhaalbaarheid toe op de verweerder en
niet op de eiser of niet alleen contractueel, maar ook
buitencontractueel.
De juridische
onzekerheid die voortvloeide uit het arrest van 2 september
en zijn toepassing door de feitenrechters heeft niet alleen de
juridische wereld, maar ook de justitiabelen die langs alle
kanten tegenstrijdige informatie kregen, in een toestand van
rechteloosheid gestort, wat onaanvaardbaar is een rechtsstaat.
De commissie
voor de Justitie van de Senaat was zich ervan bewust dat snel
wetgevend moest worden opgetreden en toog aan het werk. Voordien
reeds had de MR hierover een wetsvoorstel ingediend.
Verschillende
teksten werden ingediend en de balies, de vertegenwoordigers van
de verzekeringssector en van de verbruikers,
universiteitsprofessoren en magistraten werden gehoord. Iedereen
was voorstander van een systeem van verhaalbaarheid. De
uitwerking ervan bleek echter niet zo eenvoudig.
Zoals ook Hugo
Vandenberghe aanhaalde, werden verschillende Europese stelsels op
hun merites onderzocht. Ons systeem mocht niet hetzelfde zijn als
het Duitse waar de verhaalbaarheid integraal is, wat de toegang
tot de rechter kan bemoeilijken. Het moest ook verschillen van
het Franse, dat slecht werkt omdat de rechter arbitrair over de
verhaalbaarheid oordeelt en de gevolgen voor de justitiabelen
bijgevolg onvoorspelbaar zijn.
De
verhaalbaarheid die wij wilden, moest voorspelbaar zijn voor de
justitiabelen en mocht ook niet te duur zijn om toegang tot de
rechter niet af te remmen. Voor de grote meerderheid van de
mensen die geen toegang hebben tot rechtshulp, de middenklasse,
betekent een gerechtelijke procedure een ‘tegenslag’
die heel veel geld kost. Ook al is onze justitie bij de minst
dure in Europa, een procedure betekent altijd een niet
verwaarloosbare kost die burgers niet verwachten. Indien een deel
van de advocatenkosten teruggevorderd kan worden als men in
rechte een proces aanspant, zal een groot deel van de bevolking
zijn rechten kunnen afdwingen zonder al te zware financiële
gevolgen.
Daarnaast werd
de niet-verhaalbaarheid door velen als onrechtvaardig ervaren.
Elk redelijk rechtspracticus zag zich genoodzaakt de burger af te
raden een procedure aan te spannen als de inzet ervan minder dan
2.000 euro bedroeg. Rekening houdend met zelfs minimale
gerechtskosten, liepen de kosten van het proces hoger op dan de
inzet.
Ook het feit
dat men zijn advocaat moest betalen als men zijn proces had
gewonnen – de verliezende partij heeft de andere partij in
zekere zin tot de betaling van de gerechtskosten gedwongen –
riep een gevoel van onrecht op. De toegang tot de rechter werd
dus werkelijk afgeremd en niemand begreep waarom het gerecht op
die manier tewerk ging als een procedure succesvol was.
Niettemin was
de weg die we hebben afgelegd om tot de voorliggende tekst te
komen, lang en moeilijk. De minister van Justitie die
aanvankelijk voorstander was van een forfaitaire verhaalbaarheid,
was eerst afkerig omdat ze oordeelde dat de verhaalbaarheid de
toegang tot de rechter niet zou vergemakkelijken, maar
integendeel zou afremmen.
De minister is
later op haar stappen teruggekomen op voorwaarde dat de
verhaalbaarheid gekoppeld werd aan de baremisering van de
erelonen van de advocaten. Hierover bestond zeker geen
unanimiteit, enerzijds omwille van de complexiteit van de
regeling – op welke manier kan een barema worden
vastgesteld dat tegemoetkomt aan alle hypotheses? – en
anderzijds omdat daardoor een justitie met twee snelheden dreigde
te ontstaan. Sommige advocaten zouden het barema volgen, anderen
zouden hun ereloon vrij blijven bepalen en voor een gegoed
cliënteel kunnen werken. Bovendien stelt het Europese recht
zich terughoudend op tegenover barema’s, ook al zijn ze
niet dwingend en worden ze opgelegd door de Staat.
Kortom, de
koppeling van de verhaalbaarheid aan de baremisering van de
erelonen van de advocaten dreigde te leiden tot eindeloze
discussies waardoor de feitenrechters, maar vooral ook de
justitiabelen, nog langer in de juridische onzekerheid die door
het arrest van 2004 was gecreëerd, zouden blijven.
Inmiddels had
het Hof van Cassatie zijn rechtspraak van september 2004
herhaaldelijk bevestigd door hem tot andere mogelijke gevallen
uit te breiden.
Belangrijker
nog, toen het Arbitragehof gevat werd over discriminatieproblemen
tussen eiser en verweerder ingevolge het arrest van 2004, heeft
het verschillende keren – het laatst nog op 17 januari
laatstleden – gezegd dat de verhaalbaarheid inderdaad een
discriminatie inhield, doch dat deze niet voortvloeide uit de
bestaande wetteksten, maar te wijten was aan de inertie van de
wetgever.
De toestand
moest dus dringend gedeblokkeerd worden. Omwille van de
toenemende juridische onzekerheid, besliste de minister van
Justitie af te stappen van de baremisering en de forfaitaire
verhaalbaarheid zoals aanvankelijk was voorgesteld door de Orde
van advocaten en door de MR werd verdedigd, te aanvaarden.
De tekst die
op 12 december 2006 werd ingediend en goedgekeurd, met
name een amendement op een wetsvoorstel van de SP.A, droeg de
goedkeuring weg van de meerderheid en zelfs van een deel van de
oppositie. Het wetsvoorstel regelt alle vragen die in de loop van
de parlementaire debatten waren gerezen, zoals de toepassing van
de verhaalbaarheid in het kader van juridische bijstand en in
strafprocedures.
Het principe
dat weerhouden werd, is dat van de verhaalbaarheid opgenomen in
artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek dat betrekking
heeft op rechtsplegingsvergoedingen. De rechtsplegingsvergoeding
is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de
advocaten van de partij die in het gelijk werd gesteld. Een
koninklijk besluit zal een minimum en een maximum vaststellen. De
rechter beoordeelt welke vergoeding de verliezende partij aan de
winnende partij dient te betalen.
Om de rechter
in zijn beoordeling te helpen, worden in de wet criteria
opgenomen, met name de financiële draagkracht van de
verliezende partij, de complexiteit van de zaak, de
belangrijkheid van de overeengekomen contractuele vergoedingen
voor de partij die in het gelijk werd gesteld en het kennelijk
onredelijk karakter van de situatie.
Rekeninghoudend
met deze vier criteria zal de rechter de vergoeding kunnen
verhogen of verlagen. Het wetsvoorstel preciseert dat geen ander
bedrag kan worden toegekend voor de betaling van de erelonen en
de advocatenkosten.
In het kader
van de rechtsbijstand, biedt het stelsel het dubbele voordeel in
een gedeeltelijke alternatieve financiering en in een
voorafbetaling van de advocaat te voorzien. Het wetsvoorstel
bepaalt immers dat als de advocaat van de begunstigde van de
rechtshulp de procedure wint, hij de forfaitaire
rechtsplegingsvergoeding onmiddellijk kan innen. Het bedrag zal
later in mindering worden gebracht van het bedrag van de
vergoedingen die hij van de Staat zal ontvangen ter bezoldiging
van zijn prestaties in het kader van de juridische bijstand.
Als de
advocaat van de begunstigde van de rechtshulp de procedure
daarentegen verliest, zal de rechter de begunstigde een minimale
vergoeding opleggen.
Als
verschillende partijen betrokken zijn bij een procedure, bepaalt
het wetsvoorstel dat als meerdere partijen in het gelijk worden
gesteld tegenover één partij die in het ongelijk
wordt gesteld, de rechter maximaal een vergoeding toekent die het
dubbele van de maximale rechtsplegingsvergoeding bedraagt. De
rechter verdeelt het bedrag onder de begunstigde partijen.
De niet
toepassing van de verhaalbaarheid op strafprocedures waarin een
herstel van burgerlijke schade wordt gevraagd, zou een
discriminatie hebben ingehouden. De verhaalbaarheid zal echter
alleen betrekking hebben op de relaties tussen de burgerlijke
partij en de beklaagde. Als de burgerlijke partij de
strafvordering heeft opgestart en de beklaagde wordt tijdens het
vooronderzoek of voor de feitenrechter vrijgesproken, zal de
burgerlijke partij de rechtsplegingsvergoeding moeten betalen.
Als de burgerlijke partij zich alleen heeft aangesloten bij een
strafvordering die ambtshalve of door anderen werd opgestart en
de beklaagde wordt vrijgesproken, kan ze niet worden veroordeeld
tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding aan de beklaagde.
Wij kunnen ons
alleen maar verheugen over de goedkeuring van dit wetsvoorstel
dat van toepassing zal zijn op alle lopende procedures. De
hopelijk spoedige inwerkingtreding ervan, zal eindelijk een einde
maken aan de huidige toestand van juridische onzekerheid.
|
|
Mme Clotilde Nyssens (CDH).
– J’ai participé aux travaux de la commission.
L’aboutissement du texte me réjouit. En 1999,
j’avais déposé une proposition de loi sur le
sujet, qui ne préconisait pas la même solution.
Ensuite, la Cour de cassation a rendu son arrêt. Très
vite, les Ordres ont eux-mêmes proposé une solution
au législateur. De prime abord, la ministre ne semblait
pas convaincue. Elle a tenté de suivre une autre voie
mais, finalement, elle s’est ravisée. Au terme de la
législature, je crois qu’il était raisonnable
d’opter pour l’indemnité de procédure
forfaitaire. Cette formule, qui a le mérite de mettre un
terme à l’insécurité juridique,
introduit le principe de la répétibilité des
honoraires dans notre ordre judiciaire. Nous voterons ce texte
sans hésitation.
|
Mevrouw Clotilde
Nyssens (CDH). – Ik heb deelgenomen aan de
werkzaamheden van de commissie. Het verheugt me dat er nu een
tekst is. Mijn wetsvoorstel van 1999 stelde een andere oplossing
voor. Vervolgens was er het arrest van het Hof van Cassatie. De
orden hebben dan zeer snel een oplossing voorgesteld aan de
wetgever. De minister leek aanvankelijk niet overtuigd. Zij
wenste een andere weg te volgen, maar is daar later op
teruggekomen. De formule van de forfaitaire
rechtsplegingsvergoeding heeft de verdienste dat ze een einde
maakt aan de juridische onzekerheid en het principe van de
verhaalbaarheid van de erelonen in onze rechterlijke orde
invoert. Wij zullen de tekst zonder aarzeling goedkeuren.
|
|
M. Philippe Mahoux (PS).
– Je me réjouis de cette avancée, qui résulte
d’un long cheminement et de nombreuses propositions.
Je ne peux m’empêcher
d’établir un parallèle avec la médecine.
En médecine, on trouve des patients et des médecins.
En justice, on trouve des justiciables et des avocats.
Deux éléments me
frappent : tout d’abord, la grande résistance
opposée aux barèmes, comme si l’établissement
d’un cadre de référence constituait de
manière générale, par rapport à la
profession, une forme d’agression, alors qu’il s’agit
en réalité d’un cadre normatif dépourvu
d’effets strictement contraignants. Ce cadre laisserait une
certaine liberté d’action, mais servirait de
référence pour le justiciable.
Par ailleurs, certains intervenants
ont fait référence à la législation
européenne. Lorsqu’ils nous invitent, les barreaux
nous expliquent la spécificité de leur profession,
qui ne peut pas être assimilée à une
profession marchande. C’est une revendication vis-à-vis
de l’Union européenne, laquelle nous dit que des
barèmes ne peuvent pas être fixés,
précisément parce que la profession d’avocat
doit être régie par la loi du marché. Je
voudrais souligner la contradiction qui existe à cet
égard. Il faudrait vraiment clarifier les choses.
Cela dit, une première étape
– importante – vient d’être franchie.
Nous devons nous féliciter de la qualité du travail
mené par la commission de la Justice, des multiples
consultations effectuées et de l’option prise par le
gouvernement, laquelle aboutit à un accord assez large.
|
De heer Philippe
Mahoux (PS). – Ik verheug mij over deze vooruitgang,
die resulteert uit talrijke voorstellen.
Ik kan niet
nalaten een parallel te trekken met de geneeskunde. In de
geneeskunde zijn er patiënten en artsen. In de justitie zijn
er justitiabelen en advocaten.
Ik ben
getroffen door de grote weerstand tegen barema’s alsof het
om een aanval zou gaan, terwijl het enkel de bedoeling was een
normatief kader in te voeren zonder dwingende gevolgen. Een
dergelijk kader laat een zekere vrijheid van handelen bestaan,
maar kan voor de justitiabele als referentiekader fungeren.
Sommige
sprekers hebben verwezen naar de Europese wetgeving. De balie
legt de nadruk op de eigenheid van het beroep, dat niet
onderworpen is aan de wetten van de markt. Volgens de Europese
Unie daarentegen kunnen geen barema’s worden vastgesteld
precies omdat het beroep van advocaat onderworpen is aan de
wetmatigheden van de markt. Ik wens de nadruk te leggen op deze
tegenstrijdigheid.
Dat gezegd
zijnde, hebben we een eerste – belangrijke – stap
gedaan. We verheugen ons over het kwaliteitsvolle werk dat de
commissie voor de Justitie heeft geleverd, over de talrijke
consultaties die konden plaatsvinden en over de oplossing die
door de regering werd aangedragen en waarachter zich een ruime
meerderheid heeft geschaard.
|
|
M. Luc
Willems (VLD). – Le VLD émet aussi quelques
objections. Le texte à l’examen implique non
seulement un meilleur équilibre en matière de
répétibilité des frais d’avocats mais
il offre aussi une sécurité juridique accrue et de
la latitude au juge. Celui-ci pourra tenir compte des
possibilités financières réduites de
certaines personnes afin de ne pas leur faire assumer la totalité
des frais. J’espère dès lors que cette
proposition sera rapidement adoptée à la Chambre.
Je ne
comprends pas bien pourquoi on a voulu ajouter à la
discussion la question des barèmes. Je trouve fâcheux
qu’on élabore pour cela une disposition législative
au moment même où la commission européenne
est en train de supprimer les règles barémiques.
Qui plus est,
le marché belge est un marché ouvert. Bon nombre de
prestataires étrangers de services juridiques ne se
sentiront pas liés par ces règles barémiques.
Il importe néanmoins que les honoraires soient plus
transparents, que des contrats puissent être conclus et
qu’il y ait une sécurité juridique.
Lorsque ce
texte entrera en vigueur, il devra s’appliquer à
toutes les affaires en cours. Il s’agit ici d’ailleurs
d’une procédure et non d’un droit matériel.
Lorsque ce texte entrera en vigueur, bon nombre d’affaires
mises en délibéré par le tribunal ou déjà
plaidées devront être rouvertes de sorte que les
parties puissent exprimer leur point de vue sur une condamnation
ou non à une indemnité de procédure minimale
ou maximale.
|
De heer Luc Willems
(VLD). – De VLD heeft ook een aantal bedenkingen.
Voorliggende tekst betekent niet alleen meer evenwicht inzake de
verhaalbaarheid van de advocatenkosten, maar biedt ook meer
rechtszekerheid en ook ruimte voor de rechter. Hij kan rekening
houden met de draagkracht van financieel zwakkere partijen zodat
ze niet de hele rekening moeten betalen. Ik hoop dan ook dat dit
voorstel snel wordt aangenomen in de Kamer.
Ik begrijp niet goed waarom men de
kwestie van de barema’s aan de discussie heeft willen
toevoegen. Ik vind het een onzalig idee daarvoor een wetgevende
regeling uit te werken op een moment dat de Europese Commissie de
baremaregels aan het afschaffen is.
Bovendien is de Belgische markt een
open markt. Vele buitenlandse juridische dienstverleners zullen
zich niet door baremaregels gebonden voelen. Belangrijk is wel
dat er meer transparantie komt in de erelonen, dat er contracten
kunnen worden gesloten, dat er duidelijkheid en rechtszekerheid
is.
Wanneer deze tekst van toepassing
wordt, moet hij van toepassing zijn op alle lopende zaken. Het
gaat hier trouwens om procesrecht en niet om materieel recht. Als
deze tekst van toepassing wordt dan zullen wellicht heel wat
zaken die in beraad zijn genomen door de rechtbank of al bepleit
zijn, heropend moeten worden zodat de partijen hun standpunt
kunnen weergeven over het al dan niet veroordeeld worden tot een
minimale of maximale rechtsplegingvergoeding.
|
|
Mme Fauzaya
Talhaoui (SP.A-SPIRIT). – La chronologie a déjà
été largement exposée ici. Dans la
proposition de loi, nous sommes partis du principe d’un
accès équivalent de chacun aux procédures
judiciaires. Nous avons à cet effet opté pour une
réglementation de la répétibilité au
sein des rapports de procédure et de nous baser pour cela
sur une extension des indemnités de procédure. Cela
ne demande pas de modifications radicales car nous partons d’un
système qui existe déjà.
L’indemnité
de procédure est étendue à une intervention
forfaitaire dans les coûts et les honoraires de l’avocat
de la partie assimilée. En redéfinissant et en
relevant le montant de l’indemnité de procédure,
la partie assimilée bénéficie donc d’une
intervention limitée dans les coûts d’avocats.
Une répétibilité complète des coûts
et honoraires n’est pas une option possible. Pareil système
pourrait en effet conduire à bien des injustices.
Dans le cadre
d’une indemnité de procédure adaptée,
nous choisissons un système de montants forfaitaires.
Autrement dit, nous choisissons donc un système clair
d’indemnités fixes à définir par un
arrêté royal après concertation. Quand le
juge décide souverainement si une indemnité doit
être accordée et quel doit en être le montant,
cela peut mener à de l’injustice et à de
l’insécurité juridique.
La proposition
offre aussi une réponse à la situation où
une partie est déclarée en tort par rapport à
plusieurs autres parties. Dans ce cas, le montant total de
l’indemnité ne pourra dépasser le double de
l’indemnité de procédure maximale que peut
exiger en droit une des parties. Le juge répartit
l’indemnité finale entre toutes les parties.
En outre une
réglementation est prévue pour la partie en tort
qui bénéficie d’une aide juridique de
deuxième ligne. Dans ce cas la proposition prévoit
que l’indemnité de procédure est fixée
au minimum prévu par le Roi. Des exceptions ne sont
prévues que si cela conduit à des situations
manifestement injustifiées. Cette disposition est
importante pour l’accès à la Justice des
personnes qui se trouvent dans une situation financière
peu favorable.
Dans l’autre
cas, si on a obtenu gain de cause et qu’on bénéficie
de l’aide juridique de deuxième ligne, l’avocat
peut percevoir l’indemnité de procédure
accordée au bénéficiaire mais il doit le
signaler dans son rapport au bureau de l’aide juridique. Le
montant sera ensuite soustrait des indemnités que l’on
reçoit pour les prestations dans le cadre de l’aide
juridique.
Dans la
proposition finalement amendée par le gouvernement, il est
prévu que le principe de la répétibilité
s’appliquera dans le cadre de la procédure pénale.
Pour l’instant le système de l’indemnité
de procédure ne s’y applique pas. Au nom du principe
d’égalité, il est cependant souhaitable que
les justiciables puissent agir de la même manière
dans les procédures pénales et civiles. De ce point
de vue, la proposition de loi contient aussi des adaptations du
code d’instruction criminelle, de sorte que le système
de la répétibilité vaut également
dans les relations entre l’accusé ou le coupable et
la partie civile.
Concrètement,
cela signifie que si l’accusé est condamné à
payer une indemnité à la partie civile, il devra
aussi payer une indemnité de procédure comme prévu
par l’article 1022. À l’inverse, selon
notre proposition, une partie civile doit indemniser un accusé
acquitté conformément à l’article 1022
du code judiciaire.
La proposition
prévoit cependant une mesure de modération
importante, dans ce sens que la partie civile ne peut être
condamnée au paiement d’une partie des coûts
que si elle a elle-même été à
l’origine de l’instruction ouverte par le juge
d’instruction, donc si la partie civile a fait commencer
les poursuites par une citation directe. Le système de la
répétibilité ne s’applique pas si la
partie civile se joint simplement à une instruction en
cours.
On doit aussi
observer que la proposition ne prévoit pas non plus qu’une
partie civile considérée comme en tort dans une
procédure devant la cour d’assises puisse être
condamnée au paiement d’une indemnité de
procédure. Cela provient de la nature particulière
de cette cour et de la manière dont elle prend ses
décisions.
Ce principe de
répétibilité ne vaut pas plus dans les
procédures entre un accusé et l’État
représenté par le ministère public.
Enfin, la
proposition de loi dispose très clairement que la
réglementation est d’application pour les affaires
en cours au moment où la loi entrera en vigueur.
La proposition
ne contient aucune règle pour une barémisation non
obligatoire des honoraires des avocats. C’est en
concertation avec les ordres qu’il fut décidé
de séparer la discussion sur la répétibilité
de celle sur la barémisation.
Chacun est
probablement d’accord que du point de vue du justiciable,
il y a une grande nécessité de transparence pour
obtenir une meilleure estimation des coûts et des risques.
Cela favorisera l’accès à la Justice et la
confiance dans cette institution. Des barèmes indicatifs
permettront au justiciable de mieux évaluer les risques
d’une procédure.
Nous sommes
évidemment conscients que les ordres doivent aussi faire
des efforts. Je renvoie à l’appel aux avocats pour
qu’ils mènent une politique transparente et ouverte,
et au contrat modèle qui a été projeté.
Ce sont de bonnes initiatives de première approche. Le
groupe SP.A-SPIRIT continuera à suivre cette question en
priorité.
La but ultime
de la proposition est un meilleur accès à la
Justice. Je suis donc heureuse que notre proposition ait pu
servir de base à la solution de ce problème. Avec
les dispositions de ce texte nous serons en état de mettre
fin à la situation d’insécurité
juridique actuelle consécutive à l’arrêt
de la Cour de cassation.
Quiconque a
tant soit peu suivi la discussion sur la répétibilité
sait combien ce projet a fait couler d’encre. Je suis
convaincue que sur la base de cette proposition, qui bénéficie
d’un large appui, nous aurons une bonne réglementation.
|
Mevrouw Fauzaya Talhaoui
(SP.A-SPIRIT). – De historiek kwam hier al uitgebreid
aan bod. In het wetsvoorstel gaan we uit van het principe van een
gelijkwaardige toegang tot gerechtelijke procedures voor
iedereen. We hebben ervoor geopteerd de verhaalbaarheid te
regelen binnen de procesrechtelijke verhoudingen en baseren ons
daarvoor op een verruiming van de rechtsplegingvergoeding. Er
zijn geen ingrijpende wijzigingen nodig zijn, want we gaan uit
van een bestaand systeem in onze procedure.
De rechtsplegingvergoeding wordt
uitgebreid tot een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en
erelonen van de advocaat van de in het gelijkgestelde partij. Via
een geherdefinieerde en verhoogde rechtsplegingvergoeding, krijgt
de in het gelijkgestelde partij dus een beperkte tegemoetkoming
voor de advocatenkosten. Een volledige verhaalbaarheid van kosten
en erelonen was geen optie. Een dergelijk systeem zou immers
aanleiding kunnen geven tot heel wat onrechtvaardigheden.
In het kader van de aangepaste
rechtsplegingvergoeding opteren we voor een systeem van
forfaitaire bedragen. We kiezen met andere woorden voor een
duidelijk systeem van vaste vergoedingen die in overleg bij
koninklijk besluit worden vastgesteld. Wanneer de rechter
soeverein beslist of er een vergoeding moet worden toegekend en
hoe hoog die moet zijn, dan kan dat tot ongelijkheid en
rechtsonzekerheid leiden.
Het voorstel biedt ook een antwoord
op een situatie wanneer een partij ten aanzien van verschillende
andere partijen in het ongelijk wordt gesteld. In dit geval
bedraagt het bedrag van de verschuldigde rechtsplegingvergoeding
niet meer dan het dubbele van de maximale rechtsplegingvergoeding
van de begunstigde die gerechtigd is de hoogste vergoeding te
eisen. De rechter verdeelt de uiteindelijke vergoeding tussen
alle partijen.
Bijkomende wordt er een regeling
getroffen voor de in het ongelijk gestelde partij die geniet van
juridische tweedelijnsbijstand. In dat geval bepaalt ons voorstel
dat de rechtsplegingvergoeding wordt vastgelegd op het door de
Koning voorziene minimum. Alleen als dat leidt tot een kennelijk
onredelijke situatie wordt in een uitzondering voorzien. Deze
bepaling is belangrijk in het kader van de toegang tot het
gerecht voor mensen in een mindere gelukkige financiële
situatie.
In het andere geval, wanneer men in
het gelijk wordt gesteld en tweedelijnsbijstand geniet, kan de
advocaat de rechtsplegingvergoeding zoals toegekend aan de
begunstigde innen, maar hij moet dit melden in het verslag aan
het bureau van juridische bijstand. Het bedrag zal vervolgens in
mindering gebracht worden van de vergoedingen die men ontvangt
voor prestaties in het kader van de juridische bijstand.
In het uiteindelijke door de
regering geamendeerde voorstel, wordt bepaald dat het principe
van de verhaalbaarheid van toepassing wordt binnen de
strafrechterlijke procedure. Op dit moment is het systeem van de
rechtsplegingvergoeding er niet van toepassing. Op basis van het
gelijkheidsprincipe is het echter wenselijk dat
rechtsonderhorigen in het kader van een burgerlijke en een
strafrechtelijke procedure op gelijke manier kunnen ageren.
Vanuit die optiek bevat het wetsvoorstel dan ook aanpassingen in
het wetboek van strafvordering, waardoor het systeem van
verhaalbaarheid ook geldt voor relaties tussen de beklaagde of
beschuldigde en de burgerlijke partij.
Concreet houdt dit in dat, indien de
beklaagde veroordeeld wordt tot het betalen van een vergoeding
aan de burgerlijke partij, hij ook de rechtsplegingvergoeding
zoals omschreven in artikel 1022 moet betalen. Omgekeerd
moet volgens ons voorstel een burgerlijke partij een
vrijgesproken beklaagde ook vergoeden conform artikel 1022
van het gerechtelijk wetboek, indien deze laatste wordt
vrijgesproken.
Het voorstel voorziet hier wel in
een belangrijke matiging, in die zin dat de burgerlijke partij
alleen kan worden veroordeeld tot het betalen van een deel van de
kosten als ze zelf het onderzoek heeft laten opstarten door de
onderzoeksrechter, dus als de burgerlijke partij zelf de
strafvordering heeft doen opstarten door middel van een
rechtstreekse dagvaarding. Het systeem van de verhaalbaarheid is
niet van toepassing als de burgerlijke partij zich gewoon
toevoegt aan een lopend onderzoek.
Men dient ook op te merken dat in
het voorstel evenmin is vastgelegd dat de in het ongelijk
gestelde burgerlijke partij binnen een procedure voor het hof van
assisen kan worden veroordeeld tot het betalen van de
rechtsplegingvergoeding. Dat heeft te maken met de bijzondere
aard van dit hof en de manier waarop het kan worden gevat.
Evenmin geldt het principe van de verhaalbaarheid binnen
procedures tussen een beklaagde en de staat, vertegenwoordigd
door het openbaar ministerie. Ten slotte bepaalt het wetsvoorstel
zeer duidelijk dat de regelgeving van toepassing is op de zaken
die lopen wanneer het voorstel in werking treedt.
Het voorstel bevat geen regeling
voor een niet-verplichte baremisering van de erelonen van
advocaten. Het is in overleg met de ordes dat werd besloten om de
discussie inzake de verhaalbaarheid af te splitsen van die over
de baremisering.
Iedereen is het er vermoedelijk wel
over eens dat vanuit het standpunt van de rechtzoekende er heel
wat nood is aan transparantie om nog een betere inschatting te
maken van de kosten en de risico’s. Dat zal de toegang en
het vertrouwen in justitie bevorderen. Indicatieve barema’s
stellen rechtzoekenden in staat om de risico’s van een
procedure zelf beter in te schatten.
We zijn er ons natuurlijk van bewust
dat de ordes zelf ook inspanningen leveren. Ik verwijs naar de
oproep aan de advocaten om een open en transparant beleid te
voeren en het modelcontract dat werd ontworpen. Dit zijn goede
initiatieven als een eerste aanzet. De fractie van SP.A-SPIRIT
blijft deze kwestie als een prioritaire zaak opvolgen.
De uiteindelijke finaliteit van dit
voorstel is een betere toegang tot justitie. Ik ben dan ook blij
dat ons voorstel als basis voor de oplossing van de problematiek
heeft kunnen dienen. Met de bepalingen zoals opgenomen in de
tekst zullen we in staat zijn om een einde te maken aan de
huidige rechtsonzekerheid die er heerst na het cassatiearrest.
Iedereen die de discussie over de
verhaalbaarheid enigszins gevolgd heeft, weet hoeveel inkt er
over dit onderwerp is gevloeid. Ik ben ervan overtuigd dat we op
basis van het voorstel, dat een breed draagvlak kent, in de
praktijk een goede regeling kunnen treffen.
|
|
Mme Laurette Onkelinx,
vice-première ministre et ministre de la Justice. –
Aujourd’hui est un jour important puisque le Sénat
va répondre à l’arrêt de la Cour de
Cassation du 2 septembre 2004, lequel, pour faire bref,
a admis le principe de la répétibilité des
honoraires d’avocat. Cette jurisprudence a été
confirmée à plusieurs reprises par la Cour de
Cassation et, dans une certaine mesure, par la Cour d’Arbitrage.
Il est vrai que, sous la précédente
législature, j’avais défendu, sous la
casquette de ministre de l’Égalité des
chances, le principe de la répétibilité mais
elle devait, selon moi, faire partie d’un trio de mesures,
à savoir également la mutualisation du risque
judiciaire et la barémisation des honoraires d’avocat.
Le tout devait former un ensemble cohérent qui
représenterait un grand progrès dans la lutte pour
un meilleur accès à la justice pour le citoyen.
L’accord de gouvernement de 2003 va d’ailleurs dans
ce sens.
Entre-temps, il est apparu que la
mutualisation, entendue au sens large, du risque judiciaire ne
pourrait pas être réalisée, du moins à
court terme, faute de consensus entre les différents
acteurs concernés. La discussion a dès lors été
réorientée et a abouti à un arrêté
royal qui sera publié prochainement, définissant
les conditions minimales à remplir par certains contrats
d’assurance sur la protection juridique et ce pour une
prime raisonnable.
L’arrêt de la Cour de
Cassation est intervenu en septembre 2004, sans crier gare.
Ce véritable revirement de jurisprudence de la Cour de
Cassation a généré une insécurité
juridique croissante. La jurisprudence a été très
disparate, allant du rejet parfois pur et simple du principe à
l’octroi de montants élevés, sans motivation
particulière.
De plus, cet arrêt a souvent
pour conséquence de créer un procès dans le
procès, tant à propos du principe même de la
répétibilité, dans tel ou tel cas d’espèce,
que sur le montant qui peut être octroyé à ce
titre. On a vu des montants forfaitaires alloués à
une partie, tandis que dans d’autres cas, les états
de frais et d’honoraires détaillés des
conseils sont versés aux débats, ce qui pose des
questions de principe fondamentales, en ce qui concerne notamment
le secret professionnel.
Très vite, j’ai pris la
décision de solliciter l’avis des Ordres des avocats
pour répondre aux nombreuses questions que suscitait cet
arrêt. Ils m’ont communiqué un avis presque
unanime, par lequel ils proposaient d’intégrer la
répétibilité par le biais d’une
majoration substantielle des indemnités de procédure.
Si, d’un point de vue
technique, j’ai immédiatement pu adhérer à
la solution proposée qui consiste à ancrer le
principe de la répétibilité dans le droit
procédural, j’étais par contre plus réservée
quant à la majoration substantielle des indemnités
de procédure. La raison en est simple – je l’ai
dit d’emblée – : la répétibilité
ne peut en aucun cas être un frein à l’accès
à la justice. Or, un régime de répétibilité
mal équilibré ou mal conçu aurait
nécessairement entraîné des effets pervers en
la matière. En effet, plutôt que de se sentir
encouragés à faire appel à la justice, les
justiciables économiquement faibles risquaient d’être
paralysés, même s’ils s’estiment dans
leur bon droit, par la perspective éventuelle de devoir
prendre en charge, sans aucune modalisation, les honoraires de
l’avocat de leur adversaire. Un procès n’est
pas une science exacte ; il est dès lors impossible
d’être certain de son issue au début de la
procédure.
C’est la raison pour laquelle,
à mon initiative, le gouvernement a initialement adopté
une attitude prudente à l’égard de la
répétibilité. Il s’agissait toujours
de l’intégrer par le biais des indemnités de
procédure, mais celles-ci n’auraient été
que légèrement majorées. En outre, le
principe de l’instauration de barèmes non
contraignants des honoraires d’avocat était
également prévu.
La concertation avec les Ordres et
avec le Sénat s’est ensuite poursuivie. Au fil des
discussions, des tempéraments ont été
élaborés. Le système proposé par les
Ordres des avocats soutenu entre-temps par le Conseil supérieur
de la justice, a pu être modalisé.
Dans le même temps, il est
apparu que la réflexion sur la question de la barémisation
des honoraires pouvait être avantageusement poursuivie avec
les ordres.
C’est ainsi que j’ai
finalement déposé, au nom du gouvernement, toute
une série d’amendements qui s’inspirent
directement de la proposition des ordres en matière de
répétibilité mais qui contiennent des
tempéraments qui m’apparaissent indispensables afin
d’éviter toutes les entraves potentielles en matière
d’accès à la justice, essentiellement pour
les plus démunis.
Relativement au contenu, le système
retenu prend clairement position en faveur d’un pouvoir
d’appréciation large du juge, lequel pouvoir
d’appréciation est lui-même entouré de
critères permettant de moduler les effets de la
répétibilité en fonction de la nature
particulière de l’affaire et des situations
respectives des parties. Une attention particulière est
également apportée aux personnes qui bénéficient
de l’aide juridique de deuxième ligne.
Le système élaboré
ne se limite du reste pas aux seules affaires civiles mais couvre
également les procédures pénales, moyennant
certaines adaptations liées à l’organisation
différente de la procédure pénale.
Cette future loi devra être
complétée par un arrêté royal qui
définira les montants des différentes indemnités
de procédure. Dès lors que le futur cadre légal
permettra, par les modifications à la première
proposition des ordres, d’éviter les freins à
l’accès à la justice et, au contraire,
améliorera l’accès à la justice, j’ai
pris l’engagement de m’inspirer, pour la fixation de
ces montants, de ceux repris dans la proposition commune des
ordres.
J’ai la conviction que le
système proposé permettra d’apporter une
réponse équilibrée, juste et rapide aux très
nombreux citoyens qui sont actuellement confrontés à
la question de la répétibilité.
|
Mevrouw Laurette
Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. –
De bespreking van deze wetsvoorstellen in de Senaat is een
antwoord op het arrest van het Hof van Cassatie van
2 september 2004 dat, samengevat, het principe van de
verhaalbaarheid van erelonen van advocaten heeft aanvaard. Deze
rechtspraak werd sedertdien reeds meerdere malen bevestigd door
het Hof van Cassatie en in zekere zin ook door het Arbitragehof.
Tijdens de
vorige regeerperiode heb ik, als minister van Gelijke Kansen, het
principe van de verhaalbaarheid verdedigd. Volgens mij moest dat
principe echter deel uitmaken van drie maatregelen, met name ook
de invoering van een solidariteitssysteem voor gerechtelijke
risico’s en het instellen van barema’s voor de
erelonen van de advocaten. Die drie maatregelen zouden een
samenhangend geheel vormen, dat een grote vooruitgang zou
betekenen in de strijd voor een betere toegang tot het gerecht
voor de burger. Het regeerakkoord van juli 2003 sluit
trouwens bij dit standpunt aan.
Inmiddels is
gebleken dat een solidariteitssysteem voor gerechtelijke risico’s
in de ruime zin niet op korte termijn kan worden ingevoerd,
wegens gebrek aan overeenstemming tussen de verschillende
betrokken actoren. De discussie werd dus geheroriënteerd en
leidde tot een koninklijk besluit dat eerstdaags wordt
gepubliceerd. Daarin worden de minimumvoorwaarden gedefinieerd
waaraan bepaalde verzekeringscontracten betreffende
rechtsbijstand moeten voldoen, tegen een billijke premie.
In
september 2004 kwam onverwachts het arrest van het Hof van
Cassatie. Die ommezwaai van de rechtspraak van het Hof van
Cassatie leidde tot toenemende rechtsonzekerheid. De rechtspraak
liep sterk uiteen: in het ene geval werd het principe
onvoorwaardelijk verworpen en in een ander werden hoge bedragen
toegekend, zonder bijzondere motivering.
Dit arrest
heeft bovendien vaak tot gevolg dat er een proces binnen het
proces tot stand komt, zowel over het principe zelf van de
verhaalbaarheid in een bepaald geval, als over het bedrag dat
hiervoor kan worden toegekend. Zo werden forfaitaire bedragen
toegekend aan een partij, terwijl in een ander geval de
gedetailleerde opgave van de kosten en de erelonen van de
raadslieden in de debatten werd behandeld, wat fundamentele
principiële vragen oproept over het beroepsgeheim.
Ik heb dus
snel besloten het advies van de Orden van advocaten te vragen
over de talrijke vragen die dit arrest heeft opgeroepen. De Orden
hebben me bijna unaniem geadviseerd het principe van de
verhaalbaarheid in te voegen via een substantiële verhoging
van de rechtsplegingsvergoedingen.
Hoewel ik
vanuit technisch oogpunt onmiddellijk kon instemmen met de
voorgestelde oplossing, namelijk de verankering van het principe
van de verhaalbaarheid in het procesrecht, was ik daarentegen
veel terughoudender met betrekking tot de substantiële
verhoging van de rechtsplegingsvergoedingen. De verhaalbaarheid
mag immers op geen enkele manier een rem vormen op de toegang tot
het gerecht. Een onevenwichtige of slecht ontworpen
verhaalbaarheidsregeling zou onvermijdelijk negatieve gevolgen
hebben op dat vlak. De economisch zwakke rechtsonderhorigen
zouden, in plaats van zich aangemoedigd te voelen om een beroep
te doen op het gerecht, daar toch van afzien,
ook al menen ze in hun recht te zijn. Ze zouden immers het risico
lopen de erelonen van de advocaat van hun tegenpartij te moeten
betalen. Een rechtszaak is geen exacte wetenschap en het is dus
onmogelijk om van bij het begin van de procedure de afloop ervan
te voorspellen.
Daarom heeft
de regering op mijn initiatief een voorzichtige houding
aangenomen inzake de verhaalbaarheid: de optie om de
verhaalbaarheid via de rechtsplegingsvergoedingen in te voegen
werd behouden, maar die vergoedingen zouden slechts zeer licht
worden verhoogd. Bovendien werd voorgesteld niet-bindende
barema’s voor de erelonen van de advocaten in te voeren.
Het overleg
met de Orden en met de Senaat werd voortgezet. In de loop van de
discussies werd een middenweg gevonden en het systeem dat
voorgesteld werd door de Orden van advocaten en dat inmiddels
gesteund werd door de Hoge Raad voor de Justitie werd verder
uitgewerkt.
Tegelijk bleek
dat het debat met de Orden over de ‘baremisering’ van
de erelonen van de advocaten kon worden voortgezet.
Uiteindelijk
heb ik dan in naam van de regering amendementen ingediend die op
het punt van de verhaalbaarheid rechtstreeks geïnspireerd
zijn op het voorstel van de Orden, maar die matigingen bevatten,
zodat geen hinderpalen voor de toegang tot het gerecht ontstaan,
voornamelijk voor de minst gegoeden.
Inhoudelijk
wordt in het gekozen systeem duidelijk geopteerd voor een ruime
beoordelingsbevoegdheid van de rechter, waardoor hij de
mogelijkheid krijgt de gevolgen van de verhaalbaarheid aan te
passen aan de specifieke aard van de zaak en aan de situaties van
de partijen. Er wordt ook bijzondere aandacht besteed aan de
personen die genieten van juridische tweedelijnsbijstand.
Het
uitgewerkte systeem is trouwens niet beperkt tot burgerlijke
zaken, maar is eveneens toepasbaar op strafrechtelijke
procedures, mits enige aanpassingen aan de eigen organisatie van
de strafrechtprocedure.
Deze
toekomstige wet moet nog worden aangevuld met een koninklijk
besluit dat de bedragen van de verschillende
rechtsplegingsvergoedingen bepaalt. Aangezien het toekomstige
wettelijke kader, door aanpassingen aan het eerste voorstel van
de Orden, de hinderpalen voor de toegang tot het gerecht zal
wegnemen en de toegankelijkheid in heel wat gevallen zal
verbeteren, heb ik me ertoe verbonden me bij de bepaling van de
bedragen te baseren op het gemeenschappelijk voorstel van de
Orden.
Ik ben ervan
overtuigd dat het voorgestelde systeem een evenwichtige,
rechtvaardige en snelle oplossing kan bieden voor de talrijke
burgers die thans geconfronteerd worden met het probleem van de
verhaalbaarheid.
|
|
À cet
égard et à la suite de la brève discussion
qui a eu lieu en commission cette semaine encore, et sur la
suggestion conjointe des Ordres et du Conseil supérieur de
la justice, il est prévu expressément à
l’article 12 de la proposition amendée que la
future loi s’appliquera aux affaires en cours au moment de
son entrée en vigueur. En effet, l’arrêt de la
Cour de cassation du 2 septembre 2004 a créé
une grande insécurité juridique qui touche tant les
nouvelles affaires que les affaires en cours au moment de son
prononcé. Depuis lors, les parties demandent
systématiquement l’application de la répétibilité
au juge, sans pour autant que celui-ci ni les parties ne
disposent de règles claires et précises en la
matière. Tel est précisément l’objet
de la présente proposition.
Dès
lors, et dans un souci d’égalité et de
non-discrimination, il apparaît opportun de prévoir
que les parties seront traitées de manière
identique quant à la question de la répétibilité,
indépendamment de la date à laquelle l’affaire
a été introduite. Il importe en tout état de
cause de mettre fin au plus vite à l’insécurité
juridique générée par l’arrêt de
septembre 2004.
|
In dit opzicht, en als gevolg van de
korte discussie die deze week op voorstel van de Hoge Raad voor
de Justitie in de commissie werd gevoerd, is in artikel 12
van het geamendeerde voorstel uitdrukkelijk bepaald dat de
toekomstige wet op het moment van het van kracht worden ervan van
toepassing zal zijn op de zaken die in behandeling zijn. Het
arrest van het Hof van Cassatie van 2 september 2004
zorgde immers voor een grote rechtsonzekerheid, zowel voor de
nieuwe zaken als voor de zaken die nog in behandeling waren op
het moment van de uitspraak van het arrest. Sedertdien vragen de
partijen systematisch de toepassing van de verhaalbaarheid aan de
rechter. Noch de rechter, noch de partijen, beschikken terzake
echter over duidelijke en precieze regels. Het doel van dit
voorstel is nu precies om dergelijke regels in te voeren.
Met het oog op gelijkheid en
non-discriminatie wordt bepaald dat de partijen op identieke
wijze worden behandeld inzake de verhaalbaarheid, ongeacht de
datum waarop de zaak werd ingeleid. Het is in ieder geval
belangrijk om zo snel mogelijk een einde te stellen aan de
rechtsonzekerheid die ontstaan is door het arrest van
2 september 2004.
|
|
Certains pourraient estimer cette
précision inutile, puisque cette loi pourrait être
qualifiée de loi de procédure et, par conséquent,
être applicable immédiatement aux affaires en cours
par l’application de 1’article 3 du Code judiciaire.
Il m’apparaît cependant utile d’être tout
à fait explicite à ce sujet. En effet, si dans la
forme, il s’agit incontestablement d’une loi de
procédure qui s’inscrit dans la quatrième
partie du Code judiciaire qui traite de la procédure
civile, sur le fond, il s’agit plutôt de dispositions
de droit matériel. En effet, elles ont pour objet de
régler de manière forfaitaire la matière
dont une partie, en l’occurrence celle qui gagne le procès,
peut être indemnisée du dommage financier que lui
cause le recours à un avocat. Il pourrait dès lors
être soutenu qu’il s’agit d’une loi de
droit matériel et non de procédure. Dans ces
conditions, il m’apparaissait utile d’apporter cette
précision directement dans la loi.
Je souhaite aujourd’hui que
cette proposition puisse devenir une loi le plus rapidement
possible et que l’arrêté d’exécution
puisse être adopté dans les délais les plus
brefs. J’ai d’ailleurs déclaré
dernièrement à vos collègues de la Chambre
que j’en faisais une priorité absolue. C’est
la seule manière d’apporter la paix judiciaire et
une réponse juste et équilibrée à
tous les justiciables aujourd’hui confrontés à
la question de la répétibilité.
Je tiens à remercier le Sénat
pour le travail de grande qualité qui a été
réalisé.
|
Sommigen menen
misschien dat deze precisering nutteloos is, aangezien deze wet
kan worden beschouwd als een procedurewet en bijgevolg
onmiddellijk kan worden toegepast op de zaken die in behandeling
zijn met toepassing van artikel 3 van het Gerechtelijk
Wetboek. Het is echter nuttig dat expliciet te bepalen. Vormelijk
is de wet onweerlegbaar een procedurewet, die aansluit op het
vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek dat de burgerlijke
procedure behandelt, maar wezenlijk gaat het veeleer om
bepalingen van materieel recht. Ze beogen inderdaad een
forfaitaire regeling, waarbij een partij, in casu de partij die
het proces wint, kan worden vergoed voor de financiële
schade die ze opliep omdat ze een beroep moest doen op een
advocaat. Derhalve kan worden gesteld dat het hier om een
bepaling van materieel recht gaat en niet om een procedurewet. In
dat opzicht is het nuttig deze precisering rechtstreeks in de wet
in te voegen.
Ik hoop dat
dit voorstel zo snel mogelijk wet wordt en dat het
uitvoeringsbesluit zo snel mogelijk wordt goedgekeurd. Op die
wijze zal de gerechtelijke vrede kunnen worden verzekerd en
bieden we een rechtvaardige en evenwichtige oplossing voor alle
rechtzoekenden die vandaag met het probleem van de
verhaalbaarheid van gerechtskosten worden geconfronteerd.
Ik dank de
Senaat voor het uitstekende werk.
|
|
– La discussion
générale est close.
|
– De algemene
bespreking is gesloten.
|
|
Discussion
des articles
|
Artikelsgewijze
bespreking
|
|
(Pour le texte adopté par
la commission de la Justice, après renvoi par la séance
plénière, voir document 3-1686/9.)
|
(Voor de tekst aangenomen door de
commissie voor de Justitie, na terugzending door de plenaire
vergadering, zie stuk 3-1686/9.)
|
|
– Les articles 1er
à 14 sont adoptés sans observation.
– Il sera procédé
ultérieurement au vote sur l’ensemble de la
proposition de loi.
|
– De artikelen 1
tot 14 worden zonder opmerking aangenomen.
– Over het
wetsvoorstel in zijn geheel wordt later gestemd.
|
|
Proposition
de résolution sur la situation au Darfour (Doc. 3-2043)
|
Voorstel
van resolutie betreffende de toestand in Darfoer (Stuk 3-2043)
|
|
Proposition
de résolution sur la situation au Darfour (de M. Philippe
Mahoux, Doc. 3-2012)
|
Voorstel
van resolutie betreffende de toestand in Darfoer (van
de heer Philippe Mahoux, Stuk 3-2012)
|
|
Proposition
de résolution sur le conflit au Darfour (de M. Alain
Destexhe et consorts, Doc. 3-2013)
|
Voorstel
van resolutie betreffende het conflict in Darfoer (van
de heer Alain Destexhe c.s., Stuk 3-2013)
|
|
Discussion
(Pour le texte adopté par
la commission des Relations extérieures et de la Défense,
voir document 3-2043/1.)
|
Bespreking
(Voor de tekst aangenomen door de
commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de
Landsverdediging zie stuk 3-2043/1.)
|
|
Mme la présidente.
– La parole est à M. Hermans pour un rapport
oral.
|
De voorzitter. – Het
woord is aan mevrouw Hermans voor een mondeling verslag.
|
|
Mme Margriet
Hermans (VLD), rapporteuse. – Le Sénat a déjà
consacré un minidébat à ce dernier point,
qui n’est pas le moins important de l’ordre du jour.
Au cours de sa réunion du 30 janvier 2007, la
Commission des Relations internationales et de la Défense
a décidé de rédiger une résolution
sur la situation au Darfour.
Une commission
ne peut de sa propre initiative rédiger, discuter et voter
une proposition de résolution que si les deux tiers des
membres de la commission ont marqué leur accord par écrit
et que le président du Sénat a donné son
consentement préalable. En cas de doute sur la
recevabilité ou la compétence de la commission, le
président consulte le Bureau.
En réponse
à une lettre du 29 janvier 2007, la présidente
du Sénat a donné son consentement et treize membre
de la commission ont marqué leur accord.
Au cours de la
réunion du 23 janvier, une première discussion
a été consacrée à deux propositions
de résolutions déposées respectivement par
MM. Destexhe et Mahoux.
|
Mevrouw Margriet Hermans
(VLD), rapporteur. – Over dit laatste, maar daarom niet
minst belangrijke agendapunt, hield de plenaire vergadering van
de Senaat al een minidebat. Tijdens haar vergadering van
30 januari 2007 heeft de commissie voor de Buitenlandse
Betrekkingen en voor de Landsverdediging beslist om een resolutie
over de toestand in Darfoer op te stellen.
Een commissie kan alleen op eigen
initiatief een voorstel van resolutie opstellen, bespreken en
goedkeuren als twee derden van de commissieleden zich er
schriftelijk mee akkoord verklaren en de voorzitter van de Senaat
vooraf haar toestemming heeft gegeven. In geval van twijfel over
de ontvankelijkheid of de bevoegdheid van de commissie,
raadpleegt de voorzitter het Bureau.
In antwoord op een brief van
29 januari 2007 gaf de voorzitter van de Senaat haar
toestemming en dertien leden van de commissie verklaarden zich
ermee akkoord.
Tijdens de vergadering van
23 januari 2007 werd een eerste bespreking gewijd aan
de twee voorstellen van resolutie die waren ingediend door
respectievelijk de heer Destexhe en de heer Mahoux.
|
|
M. Mahoux explique que les
tentatives d’aboutir à un règlement
diplomatique de la situation au Darfour sont à ce jour
restées vaines. Les massacres et les viols se poursuivent.
Il faut que la Belgique adopte une attitude plus ferme à
cet égard. Il existe une volonté de mettre tout en
œuvre pour que les résolutions des Nations unies
soient appliquées. Les autorités soudanaises ne
font toutefois pas preuve de beaucoup de bonne volonté
pour promouvoir un règlement rapide de la situation.
|
Volgens
de heer Mahoux zijn de pogingen om tot een diplomatieke
regeling van de toestand in Darfoer te komen, tot nu toe
tevergeefs geweest. De slachtingen en verkrachtingen gaan voort.
België moet ter zake een krachtiger standpunt innemen. Er
bestaat een wil om alles in het werk te stellen om de
VN-resoluties toe te passen. De Soedanese autoriteiten getuigen
echter niet van veel goede wil om tot een snelle regeling van de
toestand te komen.
|
|
M. Destexhe
a, à son tour, renvoyé à la proposition de
résolution sur le conflit au Darfour.
|
De heer Destexhe verwees
op zijn beurt naar het voorstel van resolutie betreffende het
conflict in Darfoer.
|
|
M. Destexhe estime qu’il
appartient au parlement d’indiquer une direction dans
laquelle il souhaite que les autorités nationales
européennes et internationales aillent en la matière.
Ensuite, il est loisible au
gouvernement de prendre le chemin qu’il juge opportun,
toujours bien entendu sous le contrôle du parlement.
Il convient d’intégrer
les propositions de résolution. La résolution
insiste sur la nécessité d’un libre accès
pour les organisations humanitaires et accentue la pertinence des
pourparlers entre les parties belligérantes, tandis que la
résolution 2013 souligne en premier lieu l’importance
du rôle des Nations unies.
M. Brotcorne estime qu’il
faut que les décideurs émettent un signal fort. Il
ne faut pas donner l’impression de soutenir davantage l’une
ou l’autre partie, étant donné que toutes les
parties belligérantes détiennent une part
importante de la responsabilité.
|
De heer Destexhe
meent dat het de taak is van het Parlement om de richting aan te
wijzen die de nationale, Europese en internationale autoriteiten
zouden moeten volgen.
Het komt aan
de regering toe de weg te kiezen die zij opportuun acht,
uiteraard onder het toezicht van het Parlement.
Het is
wenselijk de verschillende voorstellen van resolutie tot een
geheel te maken. De resolutie pleit voor vrije toegang voor de
humanitaire organisaties en benadrukt de zin van besprekingen
tussen de strijdende partijen. Resolutie 2013 onderstreept in de
eerste plaats het belang van de rol van de VN.
De heer Brotcorne
meent dat de beleidsmakers een sterk signaal moeten geven. De
indruk mag niet worden gewekt dat de ene of de andere partij
wordt bevoordeeld. Alle strijdende partijen dragen immers een
groot deel van de verantwoordelijkheid.
|
|
Je reste
convaincue que les deux auteurs poursuivent des objectifs très
humains. La résolution de M. Destexhe s’adresse
aux autorités européennes, celle de M. Mahoux
au gouvernement belge. Il importe d’ouvrir rapidement des
négociations et de permettre l’intervention des
organisations humanitaires.
M. Dubié
déplore aussi que les résolutions du Conseil de
sécurité des Nations unies ne soient guère
respectées mais il trouve que la résolution de la
commission doit avant tout s’attacher à réunir
les belligérants autour de la table et à faire en
sorte que les autorités soudanaises permettent aux forces
des Nations unies de pénétrer sur leur territoire.
Pour la teneur
précise de la proposition de résolution, je renvoie
au rapport écrit.
La proposition
de résolution a été adoptée à
l’unanimité des treize membres présents.
Confiance a été faite au rapporteur pour son
rapport écrit.
|
Ik blijf ervan overtuigd dat beide
indieners de meest humane doelstellingen nastreven. De resolutie
van de heer Destexhe is gericht aan de Europese
overheid, die van de heer Mahoux aan de Belgische
regering. De nood aan onderhandelingen is groot en dient te
worden benadrukt, terwijl de toegang van de humanitaire
organisaties verzekerd moet worden.
De heer Dubié
betreurt ook dat de resoluties van de VN-Veiligheidsraad weinig
gerespecteerd worden, maar vindt dat de resolutie van de
commissie er eerst en vooral aandacht voor moet hebben om de
oorlogvoerende partijen weer rond de tafel te krijgen en ervoor
te zorgen dat de Soedanese autoriteiten de VN-troepenmacht op
haar grondgebied toelaten.
Voor de precieze inhoud van het
voorstel van resolutie verwijs ik naar het schriftelijk verslag.
Het voorstel van resolutie werd
eenparig aangenomen door de dertien aanwezige leden. Het
vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor een mondeling
verslag.
|
|
M. François
Roelants du Vivier (MR). – La résolution
qui vient d’être présentée par le
rapporteur est importante. Elle est l’addition des idées
des uns et des autres au sein de la commission.
Depuis notre minidébat du
18 janvier et la réponse de notre ministre des
Affaires étrangères, après la manifestation
organisée autour de la Commission européenne à
la veille de la réunion des ministres des Affaires
étrangères européens, les nouvelles du
Darfour restent malheureusement invariablement pessimistes quant
au sort des populations civiles. Il faut bien dire que l’action
de la communauté internationale reste encore très
largement déclarative.
Pour ce qui concerne les populations
civiles, le Haut Commissariat des Nations unies vient de lancer
un appel pour collecter environ 20 millions de dollars afin de
financer son activité en faveur des dizaines de milliers
de déplacés soudanais et pour les réfugiés
tchadiens qui se trouvent dans la région du Darfour :
près de 2 millions de personnes déplacées
dans le nord, le sud et l’ouest du Darfour, dont 250.000
personnes ayant fui au cours des six derniers mois les combats et
la violence.
De plus, il faut souligner que les
travailleurs humanitaires ont été la cible
d’attaques organisées, au point que les dernières
organisations humanitaires présentes dans la région
s’en vont. Les locaux et les biens de ces organisations ont
été visés. L’insécurité
est devenue telle que l’accès aux populations n’est
pratiquement plus possible.
À côté de cela,
la communauté internationale reste très largement
déclarative du fait des combats incessants entre les
troupes gouvernementales et les rebelles opposés à
l’accord de paix. Il n’y a pas de perspective de
retour pour les déplacés internes au Darfour.
Dès lors, est-il encore
nécessaire que le Conseil des droits de l’homme
envoie une mission de haut niveau au Darfour, qui rédigera
un nouveau rapport présenté lors de la prochaine
session ordinaire du conseil qui se tiendra à Genève
du 12 mars au 5 avril 2007 ?
Une première commission
d’enquête internationale avait déjà été
déployée fin 2004. Dans son rapport publié
début 2005, elle avait accusé le gouvernement
soudanais de crime contre l’humanité. N’est-ce
pas suffisamment explicite ?
Dans son dernier rapport sur la
question du Darfour, le Haut Commissariat des Nations unies aux
droits de l’homme avait dénoncé, au mois
d’octobre 2006, de nouveaux massacres à grande
échelle. Doit-on encore être plus explicite ?
Si nous défendons bien
entendu le rôle et le travail du Conseil des droits de
l’homme créé voici quelques mois, avons-nous
encore besoin de nouvelles informations sur ce qui se passe dans
cette région du monde ? Je ne le crois pas. Je pense
que nous avons surtout besoin d’action. Or, pour l’instant,
on entend beaucoup de déclarations comme celle de M. Ban
Ki-moon qui nous a tout récemment exhortés à
la patience, confiant dans la bonne volonté du général
Omar el-Béchir. À mon sens c’est ce qui
s’appelle, selon l’expression consacrée, des
atermoiements.
Nous devons constater
malheureusement que la communauté internationale reste
jusqu’à présent impuissante à régler
la question du Darfour. Nous devons nous inquiéter de ce
qu’à force d’attendre, la situation ne
dégénère en une guerre régionale de
plus grande amplitude.
En guise de conclusion, je voudrais
rappeler que, dans les relations internationales, le droit doit
l’emporter sur la force, c’est le sens de la Charte
des Nations unies. Mais cette charte prévoit cependant que
s’appuyant sur le droit, la contrainte peut être
utilisée. Si nous voulons sauver des vies au Darfour, nous
devons rapidement repenser notre stratégie d’intervention
dans cette région du monde. La résolution ne dit
pas autre chose. (Applaudissements)
|
De heer François
Roelants du Vivier (MR). – Deze belangrijke
resolutie is het resultaat van de samenvoeging van verschillende
ideeën in de commissie.
Sinds ons
minidebat van 18 januari en het antwoord van de minister van
Buitenlandse Zaken, en na de betoging bij de Europese Commissie
aan de vooravond van de vergadering van de Europese ministers van
Buitenlandse Zaken, blijft het nieuws uit Darfoer over het lot
van de burgerbevolking helaas pessimistisch. Het optreden van de
internationale gemeenschap blijft nog beperkt tot woorden.
Het Hoog
Commissariaat voor de Vluchtelingen van de VN deed onlangs een
oproep om 20 miljoen dollar te verzamelen voor hulp voor de
tienduizenden ontheemde Soedanese burgers en voor de
vluchtelingen uit Tsjaad die in Darfoer verblijven. Er zijn bijna
twee miljoen vluchtelingen in het noorden, het zuiden en het
westen van Darfoer, van wie 250.000 de jongste zes maanden de
gevechten en het geweld zijn ontvlucht.
De humanitaire
medewerkers werden het doelwit van georganiseerde aanvallen met
als gevolg dat de laatste humanitaire organisaties de regio nu
verlaten. Men heeft het op de lokalen en goederen van die
organisaties gemunt. De onveiligheid is zo groot geworden dat de
bevolking vrijwel niet meer kan worden bereikt.
De
internationale gemeenschap houdt het dan ook vooral bij woorden
wegens de onophoudelijke gevechten tussen de regeringstroepen en
de rebellen die een vredesakkoord verwerpen. Er is geen uitzicht
op een terugkeer voor de ontheemden in Darfoer.
Is het dan nog
nodig dat de Raad voor de Mensenrechten een missie van hoog
niveau naar Darfoer stuurt om een nieuw rapport op te stellen dat
kan worden voorgesteld op de volgende gewone zitting van de Raad
die plaatsheeft te Genève van 12 maart tot
5 april 2007?
Er was al een
eerste internationale onderzoekscommissie eind 2004. In haar
rapport van begin 2005 beschuldigde zij de Soedanese regering van
misdaden tegen de menselijkheid. Is dat niet duidelijk genoeg?
In zijn
laatste rapport over Darfoer klaagde de Hoge Commissaris voor de
Mensenrechten van de VN in oktober 2006 de nieuwe massale
slachtingen aan. Moet het nog duidelijker?
Wij verdedigen
de rol en het werk van de Raad voor de Mensenrechten die enkele
maanden gelden werd opgericht, maar hebben wij nog nood aan meer
informatie over wat er in die regio van de wereld gebeurt? Ik
denk het niet. Er is vooral nood aan actie. Voor het ogenblik
worden er veel verklaringen afgelegd, onder andere door
de heer Ban Ki-moon, die ons recent tot meer geduld
aanmaande omdat hij vertrouwen heeft in de goede wil van generaal
Omar al-Bashir. Voor mij is dat getreuzel.
We moeten
helaas vaststellen dat de internationale gemeenschap tot nu toe
niet bij machte is de kwestie-Darfoer op te lossen. Er is reden
tot ongerustheid want als we nog langer wachten ontaardt de
toestand misschien in een grotere regionale oorlog.
Ik wil eraan
herinneren dat in de internationale betrekkingen het recht moet
zegevieren over de macht. Dat is de betekenis van het
VN-Handvest. Maar dat Handvest bepaalt ook dat, door te steunen
op het recht, dwang mag worden gebruikt. Als we mensenlevens
willen redden in Darfoer, moeten we snel onze
interventiestrategie in die regio van de wereld herbekijken. Dat
is de doelstelling van de resolutie. (Applaus)
|
|
M. Didier Donfut,
secrétaire d’État aux Affaires européennes,
adjoint au ministre des Affaires étrangères. –
Je voudrais d’abord remercier cette assemblée pour
le débat qui vient de se dérouler à propos
de cette résolution.
Il est important qu’une
assemblée parlementaire d’un pays démocratique
se mobilise et fasse entendre sa voix devant une grande
catastrophe humanitaire.
La résolution met en évidence
ce drame mais aussi la complexité de la situation au
Darfour. Je voudrais relever dans votre rapport l’indication
du rôle joué par l’Union africaine dans la
recherche de solutions au conflit.
Il faut une mobilisation
internationale à l’instar de celle qui s’est
produite pour la RDC. Il faut un suivi permanent, des prises de
position mais surtout une action au niveau des Nation unies,
comme l’a demandé M. Roelants du Vivier.
Ce point est soulevé à
chaque conseil européen des ministres des Affaires
extérieures. À chaque fois, la Belgique essaie
d’obtenir une position commune sur le Darfour. Elle tente
du reste de coordonner systématiquement la position des
cinq États membres qui siègent au Conseil de
sécurité de l’ONU afin qu’ensemble, ils
puissent influencer les débats dans ce Conseil.
Je suis persuadé que le
gouvernement sera heureux de prendre connaissance de cette
résolution et que la position du Sénat influencera
celle du gouvernement.
|
De heer Didier
Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan
de minister van Buitenlandse Zaken. – Ik dank deze
vergadering voor het debat over deze resolutie.
Het is
belangrijk dat een parlementaire assemblee van een democratisch
land haar stem laat horen over een grote humanitaire ramp.
De resolutie
vestigt de aandacht op het drama in Darfoer, maar ook op de
complexiteit van de situatie. In het verslag wordt verwezen naar
de rol van de Afrikaanse Unie bij het zoeken naar een oplossing
voor het conflict.
Er is nood aan
een internationale mobilisatie naar het voorbeeld van wat voor de
DRC is gebeurd. Er moet een permanente opvolging en een
standpuntbepaling komen, maar in de eerste plaats moeten de VN
een initiatief nemen, zoals de heer Roelants du Vivier
heeft gevraagd.
Dat punt wordt
opgeworpen op elke bijeenkomst van de Raad Algemene Zaken en
Externe Betrekkingen. Elke keer probeert België een
gemeenschappelijk standpunt inzake Darfoer te bereiken. Ons land
probeert ook systematisch de houding van de vijf lidstaten die
zitting hebben in de VN-Veiligheidsraad te coördineren zodat
ze samen de debatten in die Raad kunnen beïnvloeden.
Ik ben ervan
overtuigd dat de regering verheugd zal zijn kennis te kunnen
nemen van deze resolutie en dat het standpunt van de Senaat dat
van de regering zal beïnvloeden.
|
|
Votes
|
Stemmingen
|
|
(Les listes nominatives figurent
en annexe.)
|
(De naamlijsten worden in de
bijlage opgenomen.)
|
|
Projet
de loi fixant le statut des militaires du cadre actif des Forces
armées (Doc. 3-2014) (Procédure d’évocation)
|
Wetsontwerp
tot vaststelling van het statuut van de militairen van het actief
kader van de Krijgsmacht (Stuk 3-2014) (Evocatieprocedure)
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 13 de
MM. Ceder et Van Overmeire.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 13 van de heren Ceder en
Van Overmeire.
|
|
Vote nº 1
|
Stemming 1
|
|
Présents : 57 Pour :
7 Contre : 48 Abstentions : 2
|
Aanwezig: 57 Voor: 7 Tegen:
48 Onthoudingen: 2
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 1 de
Mme de Bethune.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 1 van mevrouw de Bethune.
|
|
Vote nº 2
|
Stemming 2
|
|
Présents : 59 Pour :
14 Contre : 37 Abstentions : 8
|
Aanwezig: 59 Voor: 14 Tegen:
37 Onthoudingen: 8
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 14 de
MM. Ceder et Van Overmeire.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 14 van de heren Ceder en
Van Overmeire.
|
|
Vote nº 3
|
Stemming 3
|
|
Présents : 59 Pour :
7 Contre : 51 Abstentions : 1
|
Aanwezig: 59 Voor: 7 Tegen:
51 Onthoudingen: 1
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 2 de
Mme de Bethune.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 2 van mevrouw de Bethune.
|
|
Vote nº 4
|
Stemming 4
|
|
Présents : 59 Pour :
12 Contre : 39 Abstentions : 8
|
Aanwezig: 59 Voor: 12 Tegen:
39 Onthoudingen: 8
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
– Le même
résultat de vote est accepté pour l’amendement
nº 3 de Mme de Bethune. Cet amendement n’est
donc pas adopté.
|
– Dezelfde
stemuitslag wordt aanvaard voor amendement 3 van mevrouw de
Bethune. Het amendement is dus niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 15 de
MM. Ceder et Van Overmeire.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 15 van de heren Ceder en
Van Overmeire.
|
|
Vote nº 5
|
Stemming 5
|
|
Présents : 59 Pour :
7 Contre : 40 Abstentions : 12
|
Aanwezig: 59 Voor: 7 Tegen:
40 Onthoudingen: 12
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 4 de
Mme de Bethune.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 4 van mevrouw de Bethune.
|
|
Vote nº 6
|
Stemming 6
|
|
Présents : 59 Pour :
21 Contre : 37 Abstentions : 1
|
Aanwezig: 59 Voor: 21 Tegen:
37 Onthoudingen: 1
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 5 de
Mme de Bethune.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 5 van mevrouw de Bethune.
|
|
Vote nº 7
|
Stemming 7
|
|
Présents : 59 Pour :
12 Contre : 39 Abstentions : 8
|
Aanwezig: 59 Voor: 12 Tegen:
39 Onthoudingen: 8
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 6 de
Mme de Bethune.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 6 van mevrouw de Bethune.
|
|
Vote nº 8
|
Stemming 8
|
|
Présents : 59 Pour :
22 Contre : 37 Abstentions : 0
|
Aanwezig: 59 Voor: 22 Tegen:
37 Onthoudingen: 0
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 16 de
MM. Ceder et Van Overmeire.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 16 van de heren Ceder en
Van Overmeire.
|
|
Vote nº 9
|
Stemming 9
|
|
Présents : 59 Pour :
7 Contre : 40 Abstentions : 12
|
Aanwezig: 59 Voor: 7 Tegen:
40 Onthoudingen: 12
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 7 de
Mme de Bethune.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 7 van mevrouw de Bethune.
|
|
Vote nº 10
|
Stemming 10
|
|
Présents : 59 Pour :
12 Contre : 37 Abstentions : 10
|
Aanwezig: 59 Voor: 12 Tegen:
37 Onthoudingen: 10
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 17 de
MM. Ceder et Van Overmeire.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 17 van de heren Ceder en
Van Overmeire.
|
|
Vote nº 11
|
Stemming 11
|
|
Présents : 59 Pour :
7 Contre : 40 Abstentions : 12
|
Aanwezig: 59 Voor: 7 Tegen:
40 Onthoudingen: 12
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 8 de
Mme de Bethune.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 8 van mevrouw de Bethune.
|
|
Vote nº 12
|
Stemming 12
|
|
Présents : 58 Pour :
20 Contre : 38 Abstentions : 0
|
Aanwezig: 58 Voor: 20 Tegen:
38 Onthoudingen: 0
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 9 de
Mme de Bethune.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 9 van mevrouw de Bethune.
|
|
Vote nº 13
|
Stemming 13
|
|
Présents : 59 Pour :
20 Contre : 37 Abstentions : 2
|
Aanwezig: 59 Voor: 20 Tegen:
37 Onthoudingen: 2
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 18 de
MM. Ceder et Van Overmeire.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 18 van de heren Ceder en
Van Overmeire.
|
|
Vote nº 14
|
Stemming 14
|
|
Présents : 59 Pour :
7 Contre : 49 Abstentions : 3
|
Aanwezig: 59 Voor: 7 Tegen:
49 Onthoudingen: 3
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 10 de
Mme de Bethune.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 10 van mevrouw de Bethune.
|
|
Vote nº 15
|
Stemming 15
|
|
Présents : 59 Pour :
20 Contre : 39 Abstentions : 0
|
Aanwezig: 59 Voor: 20 Tegen:
39 Onthoudingen: 0
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 19 de
MM. Ceder et Van Overmeire.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 19 van de heren Ceder en
Van Overmeire.
|
|
Vote nº 16
|
Stemming 16
|
|
Présents : 59 Pour :
7 Contre : 40 Abstentions : 12
|
Aanwezig: 59 Voor: 7 Tegen:
40 Onthoudingen: 12
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 11 de
Mme de Bethune.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 11 van mevrouw de Bethune.
|
|
Vote nº 17
|
Stemming 17
|
|
Présents : 59 Pour :
22 Contre : 37 Abstentions : 0
|
Aanwezig: 59 Voor: 22 Tegen:
37 Onthoudingen: 0
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 20 de
MM. Ceder et Van Overmeire.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 20 van de heren Ceder en
Van Overmeire.
|
|
Vote nº 18
|
Stemming 18
|
|
Présents : 59 Pour :
7 Contre : 49 Abstentions : 3
|
Aanwezig: 59 Voor: 7 Tegen:
49 Onthoudingen: 3
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
– Le même
résultat de vote est accepté pour les amendements
nos 21 à 24 de MM. Ceder et Van
Overmeire. Ces amendements ne sont donc pas adoptés.
|
– Dezelfde
stemuitslag wordt aanvaard voor de amendementen 21 tot 24
van de heren Ceder en Van Overmeire. Deze amendementen
zijn dus niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 12 de
Mme de Bethune.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 12 van mevrouw de Bethune.
|
|
Vote nº 19
|
Stemming 19
|
|
Présents : 59 Pour :
12 Contre : 39 Abstentions : 8
|
Aanwezig: 59 Voor: 12 Tegen:
39 Onthoudingen: 8
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 25 de
MM. Ceder et Van Overmeire.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 25 van de heren Ceder en
Van Overmeire.
|
|
Vote nº 20
|
Stemming 20
|
|
Présents : 58 Pour :
7 Contre : 48 Abstentions : 3
|
Aanwezig: 58 Voor: 7 Tegen:
48 Onthoudingen: 3
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
– Le même
résultat de vote est accepté pour les amendements
nos 26 et 27 de MM. Ceder et Van Overmeire.
Ces amendements ne sont donc pas adoptés.
|
– Dezelfde
stemuitslag wordt aanvaard voor de amendementen 26 en 27 van
de heren Ceder en Van Overmeire. Deze amendementen zijn
dus niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons à présent sur l’ensemble
du projet de loi.
|
De voorzitter. – We
stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.
|
|
Vote nº 21
|
Stemming 21
|
|
Présents : 59 Pour :
39 Contre : 9 Abstentions : 11
|
Aanwezig: 59 Voor: 39 Tegen:
9 Onthoudingen: 11
|
|
– Le projet de loi
avec les annexes est adopté sans modification. Par
conséquent, le Sénat est censé avoir décidé
de ne pas l’amender.
– Il sera transmis à
la Chambre des représentants en vue de la sanction royale.
|
– Het wetsontwerp met
de bijlagen is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat
geacht te hebben beslist het niet te amenderen.
– Het zal aan de
Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog
op de bekrachtiging door de Koning.
|
|
Proposition
de loi portant création d’un Conseil supérieur
de déontologie des professions des soins de santé
et fixant les principes généraux pour la création
et le fonctionnement des Ordres des professions des soins de
santé (de M. Patrik Vankrunkelsven et consorts,
Doc. 3-1519)
|
Wetsvoorstel
tot oprichting van een Hoge Raad voor Deontologie van de
gezondheidszorgberoepen en tot vaststelling van de algemene
beginselen voor de oprichting en de werking van de Orden van de
gezondheidszorgberoepen (van de heer Patrik
Vankrunkelsven c.s., Stuk 3-1519)
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 103 de
MM. Creyelman et Van Hauthem.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 103 van de heren Creyelman
en Van Hauthem.
|
|
Vote nº 22
|
Stemming 22
|
|
Présents : 59 Pour :
16 Contre : 42 Abstentions : 1
|
Aanwezig: 59 Voor: 16 Tegen:
42 Onthoudingen: 1
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 2 de
Mme De Schamphelaere et M. Beke.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 2 van mevrouw De Schamphelaere
en de heer Beke.
|
|
Vote nº 23
|
Stemming 23
|
|
Présents : 59 Pour :
19 Contre : 40 Abstentions : 0
|
Aanwezig: 59 Voor: 19 Tegen:
40 Onthoudingen: 0
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 3 de
Mme De Schamphelaere et M. Beke.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 3 van mevrouw De Schamphelaere
en de heer Beke.
|
|
Vote nº 24
|
Stemming 24
|
|
Présents : 59 Pour :
17 Contre : 40 Abstentions : 2
|
Aanwezig: 59 Voor: 17 Tegen:
40 Onthoudingen: 2
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons à présent sur l’article 4.
|
De voorzitter. – We
stemmen nu over artikel 4.
|
|
Vote nº 25
|
Stemming 25
|
|
Présents : 59 Pour :
39 Contre : 19 Abstentions : 1
|
Aanwezig: 59 Voor: 39 Tegen:
19 Onthoudingen: 1
|
|
– L’article 4
est adopté.
|
– Artikel 4 is
aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 4 de
Mme De Schamphelaere et M. Beke.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 4 van mevrouw De Schamphelaere
en de heer Beke.
|
|
Vote nº 26
|
Stemming 26
|
|
Présents : 59 Pour :
19 Contre : 40 Abstentions : 0
|
Aanwezig: 59 Voor: 19 Tegen:
40 Onthoudingen: 0
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 104 de
MM. Creyelman et Van Hauthem.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 104 van de heren Creyelman
en Van Hauthem.
|
|
Vote nº 27
|
Stemming 27
|
|
Présents : 59 Pour :
17 Contre : 40 Abstentions : 2
|
Aanwezig: 59 Voor: 17 Tegen:
40 Onthoudingen: 2
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons à présent sur l’article 9.
|
De voorzitter. – We
stemmen nu over artikel 9.
|
|
Vote nº 28
|
Stemming 28
|
|
Présents : 59 Pour :
39 Contre : 20 Abstentions : 0
|
Aanwezig: 59 Voor: 39 Tegen:
20 Onthoudingen: 0
|
|
– L’article 9
est adopté.
|
– Artikel 9 is
aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 63 de
Mme De Schamphelaere et M. Beke.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 63 van mevrouw De Schamphelaere
en de heer Beke.
|
|
Vote nº 29
|
Stemming 29
|
|
Présents : 59 Pour :
17 Contre : 40 Abstentions : 2
|
Aanwezig: 59 Voor: 17 Tegen:
40 Onthoudingen: 2
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons à présent sur l’article 10.
|
De voorzitter. – We
stemmen nu over artikel 10.
|
|
Vote nº 30
|
Stemming 30
|
|
Présents : 59 Pour :
39 Contre : 19 Abstentions : 1
|
Aanwezig: 59 Voor: 39 Tegen:
19 Onthoudingen: 1
|
|
– L’article 10
est adopté.
|
– Artikel 10 is
aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons à présent sur l’ensemble
du projet de loi.
|
De voorzitter. – We
stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.
|
|
Vote nº 31
|
Stemming 31
|
|
Présents : 59 Pour :
39 Contre : 19 Abstentions : 1
|
Aanwezig: 59 Voor: 39 Tegen:
19 Onthoudingen: 1
|
|
– La proposition de
loi est adoptée.
– Le projet de loi
sera transmis à la Chambre des représentants.
|
– Het wetsvoorstel is
aangenomen.
– Het wetsontwerp zal
aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
|
|
Proposition
de loi réglant une matière visée à
l’article 77 de la Constitution concernant la
déontologie des professions des soins de santé
(Doc. 3-2030)
|
Wetsvoorstel
tot regeling van een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77
van de Grondwet inzake deontologie van de gezondheidszorgberoepen
(Stuk 3-2030)
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 1 de
Mme De Schamphelaere et M. Beke.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 1 van mevrouw De Schamphelaere
en de heer Beke.
|
|
Vote nº 32
|
Stemming 32
|
|
Présents : 59 Pour :
19 Contre : 40 Abstentions : 0
|
Aanwezig: 59 Voor: 19 Tegen:
40 Onthoudingen: 0
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons à présent sur l’article 2.
|
De voorzitter. – We
stemmen nu over artikel 2.
|
|
Vote nº 33
|
Stemming 33
|
|
Présents : 58 Pour :
38 Contre : 19 Abstentions : 1
|
Aanwezig: 58 Voor: 38 Tegen:
19 Onthoudingen: 1
|
|
– L’article 2
est adopté.
|
– Artikel 2 is
aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 2 de
Mme De Schamphelaere et M. Beke.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 2 van mevrouw De Schamphelaere
en de heer Beke.
|
|
Vote nº 34
|
Stemming 34
|
|
Présents : 59 Pour :
19 Contre : 40 Abstentions : 0
|
Aanwezig: 59 Voor: 19 Tegen:
40 Onthoudingen: 0
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
– Le même
résultat de vote est accepté pour les amendements
nos 3 et 4 de Mme De Schamphelaere et
M. Beke. Ces amendements ne sont donc pas adoptés.
|
– Dezelfde
stemuitslag wordt aanvaard voor de amendementen 3 en 4 van
mevrouw De Schamphelaere en de heer Beke. Deze
amendementen zijn dus niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons à présent sur l’article 21.
|
De voorzitter. – We
stemmen nu over artikel 21.
|
|
Vote nº 35
|
Stemming 35
|
|
Présents : 59 Pour :
39 Contre : 19 Abstentions : 1
|
Aanwezig: 59 Voor: 39 Tegen:
19 Onthoudingen: 1
|
|
– L’article 21
est adopté.
|
– Artikel 21 is
aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons à présent sur l’ensemble
de la proposition de loi.
|
De voorzitter. – We
stemmen nu over het wetsvoorstel in zijn geheel.
|
|
Vote nº 36
|
Stemming 36
|
|
Présents : 59 Pour :
39 Contre : 18 Abstentions : 2
|
Aanwezig: 59 Voor: 39 Tegen:
18 Onthoudingen: 2
|
|
– La proposition de
loi est adoptée.
– Le projet de loi
sera transmis à la Chambre des représentants.
|
– Het wetsvoorstel is
aangenomen.
– Het wetsontwerp zal
aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
|
|
Proposition
de loi créant un Ordre des médecins (de M. Patrik
Vankrunkelsven et consorts, Doc. 3-373)
|
Wetsvoorstel
tot oprichting van een Orde van artsen (van de heer Patrik
Vankrunkelsven c.s., Stuk 3-373)
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 17 de
M. Beke et Mme De Schamphelaere.
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 17 van de heer Beke en
mevrouw De Schamphelaere.
|
|
Vote nº 37
|
Stemming 37
|
|
Présents : 59 Pour :
16 Contre : 40 Abstentions : 3
|
Aanwezig: 59 Voor: 16 Tegen:
40 Onthoudingen: 3
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
M. Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – Contrairement à
la proposition de loi précédente, celle-ci ne règle
rien pour Bruxelles. Les amendements à la proposition de
loi précédente portaient sur la réglementation
pour Bruxelles telle qu’elle est réglée dans
la proposition et à laquelle nous sommes opposés.
Les amendements à cette proposition ont pour but de
prévoir une réglementation pour Bruxelles. Si ces
amendements ne sont pas adoptés, je ne sais pas comment
cette loi pourra être mise en œuvre pratiquement.
|
De heer Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – In tegenstelling
tot het vorige wetsvoorstel wordt in dit wetsvoorstel niets
geregeld voor Brussel. De amendementen op het vorige wetsvoorstel
gingen over de regeling voor Brussel zoals die in het voorstel is
geregeld en waar wij tegen zijn. De amendementen op dit voorstel
hebben tot doel een regeling voor Brussel te voorzien. Indien
deze amendementen niet worden aangenomen, weet ik niet hoe de wet
in de praktijk kan worden toegepast.
|
|
M. Patrik
Vankrunkelsven (VLD). – Tout cela est réglé
dans la proposition qui vient d’être adoptée.
|
De heer Patrik
Vankrunkelsven (VLD). – Dat is geregeld in het voorstel
dat zonet werd goedgekeurd.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 18 de
MM. Creyelman en Van Hauthem
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 18 van de heren Creyelman
en Van Hauthem.
|
|
Vote nº 38
|
Stemming 38
|
|
Présents : 59 Pour :
8 Contre : 51 Abstentions : 0
|
Aanwezig: 59 Voor: 8 Tegen:
51 Onthoudingen: 0
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons à présent sur l’article 6.
|
De voorzitter. – We
stemmen nu over artikel 6.
|
|
Vote nº 39
|
Stemming 39
|
|
Présents : 59 Pour :
39 Contre : 19 Abstentions : 1
|
Aanwezig: 59 Voor: 39 Tegen:
19 Onthoudingen: 1
|
|
– L’article 6
est adopté.
|
– Artikel 6 is
aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur l’amendement nº 16 de
MM. Creyelman en Van Hauthem
|
De voorzitter. – We
stemmen over amendement 16 van de heren Creyelman
en Van Hauthem.
|
|
Vote nº 40
|
Stemming 40
|
|
Présents : 59 Pour :
17 Contre : 42 Abstentions : 0
|
Aanwezig: 59 Voor: 17 Tegen:
42 Onthoudingen: 0
|
|
– L’amendement
n’est pas adopté.
|
– Het amendement is
niet aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons à présent sur l’article 8.
|
De voorzitter. – We
stemmen nu over artikel 8.
|
|
Vote nº 41
|
Stemming 41
|
|
Présents : 59 Pour :
39 Contre : 19 Abstentions : 1
|
Aanwezig: 59 Voor: 39 Tegen:
19 Onthoudingen: 1
|
|
– L’article 8
est adopté.
|
– Artikel 8 is
aangenomen.
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons à présent sur l’ensemble
de la proposition de loi.
|
De voorzitter. – We
stemmen nu over het wetsvoorstel in zijn geheel.
|
|
Vote nº 42
|
Stemming 42
|
|
Présents : 59 Pour :
39 Contre : 16 Abstentions : 4
|
Aanwezig: 59 Voor: 39 Tegen:
16 Onthoudingen: 4
|
|
– La proposition de
loi est adoptée.
– Le projet de loi
sera transmis à la Chambre des représentants.
|
– Het wetsvoorstel is
aangenomen.
– Het wetsontwerp zal
aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
|
|
– À la suite
de ce vote, les propositions de loi suivantes deviennent sans
objet :
|
– De goedkeuring van
dit wetsvoorstel impliceert dat volgende wetsvoorstellen
vervallen:
|
|
– Proposition de loi
créant l’Ordre des médecins (de Mme Mia
De Schamphelaere, Doc. 3-413)
|
– Wetsvoorstel tot
oprichting van de Orde van artsen (van mevrouw Mia De
Schamphelaere, Stuk 3-413)
|
|
– Proposition de loi
modifiant l’arrêté royal nº 79 du
10 novembre 1967 relatif à l’Ordre des
médecins (de MM. Alain Destexhe et Jacques Brotchi,
Doc. 3-1035)
|
– Wetsvoorstel tot
wijziging van het koninklijk besluit nr. 79 van
10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren
(van de heren Alain Destexhe en Jacques Brotchi,
Stuk 3-1035)
|
|
Proposition
de loi créant un Ordre des pharmaciens (de Mme Annemie
Van de Casteele et consorts, Doc. 3-675)
|
Wetsvoorstel
tot oprichting van een Orde van apothekers (van mevrouw Annemie
Van de Casteele c.s., Stuk 3-675)
|
|
Vote nº 43
|
Stemming 43
|
|
Présents : 59 Pour :
39 Contre : 18 Abstentions : 2
|
Aanwezig: 59 Voor: 39 Tegen:
18 Onthoudingen: 2
|
|
– La proposition de
loi est adoptée.
– Le projet de loi
sera transmis à la Chambre des représentants.
|
– Het wetsvoorstel is
aangenomen.
– Het wetsontwerp zal
aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
|
|
Proposition
de loi portant des dispositions relatives à l’Ordre
des médecins et à l’Ordre des pharmaciens
(Doc. 3-2031)
|
Wetsvoorstel
houdende bepalingen met betrekking tot de Orde van artsen en de
Orde van apothekers (Stuk 3-2031)
|
|
Vote nº 44
|
Stemming 44
|
|
Présents : 59 Pour :
39 Contre : 18 Abstentions : 2
|
Aanwezig: 59 Voor: 39 Tegen:
18 Onthoudingen: 2
|
|
– La proposition de
loi est adoptée.
– Le projet de loi
sera transmis à la Chambre des représentants.
|
– Het wetsvoorstel is
aangenomen.
– Het wetsontwerp zal
aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
|
|
Proposition
de loi créant un Ordre des kinésithérapeutes
(de Mme Annemie Van de Casteele et Mme Christel Geerts,
Doc. 3-1777)
|
Wetsvoorstel
tot oprichting van een Orde van kinesitherapeuten (van
mevrouw Annemie Van de Casteele en mevrouw Christel
Geerts, Stuk 3-1777)
|
|
Vote nº 45
|
Stemming 45
|
|
Présents : 59 Pour :
39 Contre : 18 Abstentions : 2
|
Aanwezig: 59 Voor: 39 Tegen:
18 Onthoudingen: 2
|
|
– La proposition de
loi est adoptée.
– Le projet de loi
sera transmis à la Chambre des représentants.
|
– Het wetsvoorstel is
aangenomen.
– Het wetsontwerp zal
aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
|
|
Proposition
de résolution visant à rendre obligatoire
l’immatriculation des cyclomoteurs (de M. Jan
Steverlynck, Doc. 3-1764)
|
Voorstel
van resolutie tot het verplicht maken van een nummerplaat voor
bromfietsen (van de heer Jan Steverlynck, Stuk 3-1764)
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur les conclusions de la commission qui
propose le rejet de cette proposition de résolution.
|
De voorzitter. – Wij
stemmen over de conclusie van de commissie die voorstelt dit
voorstel van resolutie te verwerpen.
|
|
Vote nº 46
|
Stemming 46
|
|
Présents : 59 Pour :
37 Contre : 22 Abstentions : 0
|
Aanwezig: 59 Voor: 37 Tegen:
22 Onthoudingen: 0
|
|
– Les conclusions
sont adoptées.
|
– De conclusie is
aangenomen.
|
|
– Par conséquence,
la proposition de résolution est rejetée.
|
– Bijgevolg is het
voorstel van resolutie verworpen.
|
|
Proposition
de résolution sur l’accès indépendant
de l’Europe à l’espace (de M. François
Roelants du Vivier et consorts, Doc. 3-2023)
|
Voorstel
van resolutie betreffende de onafhankelijke toegang van Europa
tot de ruimte (van de heer François Roelants du
Vivier c.s., Stuk 3-2023)
|
|
Vote nº 47
|
Stemming 47
|
|
Présents : 59 Pour :
59 Contre : 0 Abstentions : 0
|
Aanwezig: 59 Voor: 59 Tegen:
0 Onthoudingen: 0
|
|
– La proposition de
résolution est adoptée.
– La résolution
sera transmise au premier ministre, au ministre des Affaires
étrangères, au ministre de l’Économie,
de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la
Politique scientifique et au secrétaire d’État
aux Affaires européennes.
|
– Het voorstel van
resolutie is aangenomen.
– De resolutie zal
aan de eerste minister, aan de minister van Buitenlandse Zaken,
aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en
Wetenschapsbeleid en aan de staatssecretaris voor Europese Zaken
worden meegedeeld.
|
|
Proposition
de résolution sur la situation au Darfour (Doc. 3-2043)
|
Voorstel
van resolutie betreffende de toestand in Darfoer (Stuk 3-2043)
|
|
Vote nº 48
|
Stemming 48
|
|
Présents : 58 Pour :
58 Contre : 0 Abstentions : 0
|
Aanwezig: 58 Voor: 58 Tegen:
0 Onthoudingen: 0
|
|
– La proposition de
résolution est adoptée.
– La résolution
sera transmise au premier ministre, au ministre des Affaires
étrangères, au ministre de la Défense et au
ministre de la Coopération au développement.
|
– Het voorstel van
resolutie is aangenomen.
– De resolutie zal
aan de eerste minister, aan de minister van Buitenlandse Zaken,
aan de minister van Landsverdediging en aan de minister van
Ontwikkelingssamenwerking worden meegedeeld.
|
|
– À la suite
de ce vote, les propositions de résolutions suivantes
deviennent sans objet :
|
– De goedkeuring van
dit voorstel van resolutie impliceert dat volgende voorstellen
van resolutie vervallen:
|
|
– Proposition de
résolution sur la situation au Darfour (de M. Philippe
Mahoux, Doc. 3-2012)
|
– Voorstel van
resolutie betreffende de toestand in Darfoer (van
de heer Philippe Mahoux, Stuk 3-2012)
|
|
– Proposition de
résolution sur le conflit au Darfour (de M. Alain
Destexhe et consorts, Doc. 3-2013)
|
– Voorstel van
resolutie betreffende het conflict in Darfoer (van de heer Alain
Destexhe c.s., Stuk 3-2013)
|
|
Proposition
de loi relative à la répétibilité des
honoraires et des frais d’avocat (de Mme Fauzaya
Talhaoui et M. Flor Koninckx, Doc. 3-1686)
|
Wetsvoorstel
betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten
verbonden aan de bijstand van een advocaat (van mevrouw Fauzaya
Talhaoui en de heer Flor Koninckx, Stuk 3-1686)
|
|
Vote nº 49
|
Stemming 49
|
|
Présents : 59 Pour :
59 Contre : 0 Abstentions : 0
|
Aanwezig: 59 Voor: 59 Tegen:
0 Onthoudingen: 0
|
|
– La proposition de
loi est adoptée.
– Le projet de loi
sera transmis à la Chambre des représentants.
|
– Het wetsvoorstel is
aangenomen.
– Het wetsontwerp zal
aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
|
|
– À la suite
de ce vote, les propositions de loi suivantes deviennent sans
objet :
|
– De goedkeuring van
dit wetsvoorstel impliceert dat volgende wetsvoorstellen
vervallen:
|
|
– Proposition de loi
modifiant le Code judiciaire et le Code d’instruction
criminelle en ce qui concerne le remboursement des frais de
justice (de Mme Clotilde Nyssens, Doc. 3-51)
|
– Wetsvoorstel tot
wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van
strafvordering in verband met de terugbetaling van de
gerechtskosten (van mevrouw Clotilde Nyssens, Stuk 3-51)
|
|
– Proposition de loi
modifiant le Code judiciaire et le Code d’instruction
criminelle, en ce qui concerne le remboursement des frais non
compris dans les dépens (de M. Alain Destexhe,
Doc. 3-204)
|
– Wetsvoorstel tot
wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van
strafvordering, betreffende de terugbetaling van de uitgaven die
niet bij de kosten inbegrepen zijn (van de heer Alain
Destexhe, Stuk 3-204)
|
|
– Proposition de loi
modifiant les articles 1018, 6º, et 1022 du Code
judiciaire (de MM. Hugo Vandenberghe et Jan Steverlynck,
Doc. 3-1342)
|
– Wetsvoorstel tot
wijziging van de artikelen 1018, 6º, en 1022 van het
Gerechtelijk Wetboek (van de heren Hugo Vandenberghe en
Jan Steverlynck, Stuk 3-1342)
|
|
Ordre
des travaux
|
Regeling
van de werkzaamheden
|
|
Mme la présidente.
– Le Bureau propose l’ordre du jour suivant pour la
semaine prochaine :
|
De voorzitter. – Het
Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:
|
|
Jeudi 8 février 2007
à 15 heures
|
Donderdag 8 februari 2007
om 15 uur
|
|
Prise en considération de
propositions.
|
Inoverwegingneming van voorstellen.
|
|
Débat d’actualité
et questions orales.
|
Actualiteitendebat en mondelinge
vragen.
|
|
Projet de loi portant assentiment à
l’Accord entre l’Union économique
belgo-luxembourgeoise, d’une part, et la République
de l’Ouganda, d’autre part, concernant
l’encouragement et la protection réciproques des
investissements, signé à Kampala le
1er février 2005 ; Doc. 3-1523/1
et 2.
|
Wetsontwerp houdende instemming met
de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie,
enerzijds, en de Republiek Uganda, anderzijds, inzake de
wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen,
ondertekend te Kampala op 1 februari 2005;
Stuk 3-1523/1 en 2.
|
|
Projet de loi portant assentiment
aux Actes internationaux suivants :
|
Wetsontwerp houdende instemming met
de volgende Internationale Akten:
|
|
1º l’Instrument
d’amendement à la Constitution de l’Union
internationale des télécommunications (Genève,
1992) ;
|
1º de Amendementsoorkonde bij
de Stichtingsakte van de Internationale Telecommunicatie Unie
(Genève, 1992);
|
|
2º l’Instrument
d’amendement à la Convention de l’Union
internationale des télécommunications (Genève,
1992),
|
2º de Amendementsoorkonde bij
de Overeenkomst van de Internationale Telecommunicatie Unie
(Genève, 1992),
|
|
faits à Marrakech le
18 octobre 2002 ; Doc. 3-1884/1 et 2.
|
gedaan te Marrakech op
18 oktober 2002; Stuk 3-1884/1 en 2.
|
|
Projet de loi portant assentiment à
l’Accord, conclu par échange de lettres datées
du 23 mai 2005, entre le Gouvernement du Royaume de
Belgique avec la Région wallonne, la Communauté
française et la Communauté germanophone, le
Gouvernement de la République fédérale
d’Allemagne, le Gouvernement de la République
française et le Gouvernement du Grand-Duché de
Luxembourg relatif à la coopération dans les
régions frontalières ; Doc. 3-1894/1 et
2.
|
Wetsontwerp houdende instemming met
het Akkoord, gesloten bij uitwisseling van brieven op
23 mei 2005, tussen de Regering van het Koninkrijk
België met het Waalse Gewest, de Franse Gemeenschap en de
Duitstalige Gemeenschap, de Regering van de Bondsrepubliek
Duitsland, de Regering van de Republiek Frankrijk en de Regering
van het Groothertogdom Luxemburg inzake de samenwerking in de
grensgebieden; Stuk 3-1894/1 en 2.
|
|
Projet de loi portant assentiment à
l’Acte portant révision de la Convention sur la
délivrance de brevets européens (Convention sur le
brevet européen) du 5 octobre 1973, révisée
en dernier lieu le 17 décembre 1991, fait à
Munich le 29 novembre 2000 ; Doc. 3-1909/1 et
2.
|
Wetsontwerp houdende instemming met
de Akte van herziening van het Verdrag inzake de verlening van
Europese octrooien (Verdrag inzake het Europees octrooi) van
5 oktober 1973, laatst gewijzigd op 17 december 1991,
gedaan te München op 29 november 2000;
Stuk 3-1909/1 en 2.
|
|
Projet de loi portant assentiment à
l’Accord d’assistance administrative mutuelle en
matière douanière entre le Gouvernement du Royaume
de Belgique et le Gouvernement de la République de
Turquie, signé à Ankara le 3 novembre 2003 ;
Doc. 3-1924/1 et 2.
|
Wetsontwerp houdende instemming met
het Akkoord betreffende wederzijdse administratieve bijstand
inzake douane tussen de Regering van het Koninkrijk België
en de Regering van de Republiek Turkije, ondertekend te Ankara op
3 november 2003; Stuk 3-1924/1 en 2.
|
|
Projet de loi portant assentiment à
la Convention d’assistance mutuelle administrative entre le
Royaume de Belgique et le Royaume du Maroc en vue de prévenir,
de rechercher et de réprimer les infractions douanières,
et à l’Annexe, signées à Bruxelles le
4 octobre 2002 ; Doc. 3-1925/1 et 2.
|
Wetsontwerp houdende instemming met
de Bilaterale Overeenkomst inzake wederzijdse administratieve
bijstand tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk
Marokko met het oog op het voorkomen, opsporen en bestraffen van
inbreuken op de douanewetten, en met de Bijlage, ondertekend te
Brussel op 4 oktober 2002; Stuk 3-1925/1 en 2.
|
|
Projet de loi portant assentiment à
l’Accord bilatéral d’assistance administrative
mutuelle en matière douanière entre le Gouvernement
du Royaume de Belgique et le Gouvernement de la République
d’Azerbaïdjan, signé à Bruxelles le
18 mai 2004 ; Doc. 3-1926/1 et 2.
|
Wetsontwerp houdende instemming met
het Bilateraal Akkoord over wederzijdse administratieve bijstand
op het gebied van de douane tussen de Regering van het Koninkrijk
België en de Regering van de Republiek Azerbeidzjan,
ondertekend te Brussel op 18 mei 2004; Stuk 3-1926/1
en 2.
|
|
Projet de loi portant assentiment à
l’Accord bilatéral d’assistance administrative
mutuelle en matière douanière entre le Gouvernement
du Royaume de Belgique et le Cabinet des Ministres de l’Ukraine,
signé à Bruxelles le 1er juillet 2002 ;
Doc. 3-1927/1 et 2.
|
Wetsontwerp houdende instemming met
het Bilateraal Akkoord over wederzijdse administratieve bijstand
op het gebied van de douane tussen de Regering van het Koninkrijk
België en het Kabinet van Ministers van Oekraïne,
ondertekend te Brussel op 1 juli 2002; Stuk 3-1927/1
en 2.
|
|
Projet de loi portant assentiment à
la Convention générale de coopération au
développement entre le Royaume de Belgique et la
République du Rwanda, signée à Kigali le
18 mai 2004 ; Doc. 3-1928/1 et 2.
|
Wetsontwerp houdende instemming met
de Algemene Ontwikkelingssamenwerkingsovereenkomst tussen het
Koninkrijk België en de Republiek Rwanda, ondertekend te
Kigali op 18 mei 2004; Stuk 3-1928/1 en 2.
|
|
Projet de loi portant assentiment à
la Convention générale de coopération
bilatérale directe entre le Royaume de Belgique et la
République de l’Ouganda, signée à
Kampala le 1er février 2005 ;
Doc. 3-1929/1 et 2.
|
Wetsontwerp houdende instemming met
de Algemene Overeenkomst inzake directe bilaterale samenwerking
tussen het Koninkrijk België en de Republiek Oeganda,
ondertekend te Kampala op 1 februari 2005;
Stuk 3-1929/1 en 2.
|
|
Projet de loi portant assentiment à
l’Accord d’assistance administrative mutuelle en
matière douanière entre le Royaume de Belgique et
le Burkina Faso, signé à Bruxelles le
24 novembre 2003 ; Doc. 3-1946/1 et 2.
|
Wetsontwerp houdende instemming met
het Akkoord over wederzijdse administratieve bijstand in
douanezaken tussen het Koninkrijk België en Burkina Faso,
ondertekend te Brussel op 24 november 2003;
Stuk 3-1946/1 en 2.
|
|
Projet de loi portant assentiment à
la Convention entre le Gouvernement du Royaume de Belgique et le
Gouvernement de la République d’Albanie relative à
la coopération policière, signée à
Bruxelles le 22 mars 2005 ; Doc. 3-1947/1 et
2.
|
Wetsontwerp houdende instemming met
het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en
de Regering van de Republiek Albanië inzake
politiesamenwerking, ondertekend te Brussel op 22 maart 2005;
Stuk 3-1947/1 en 2.
|
|
Projet de loi modifiant le Code
judiciaire en ce qui concerne les contestations relatives à
l’octroi, à la révision et le refus de l’aide
matérielle ; Doc. 3-1939/1 à 6. (Pour
mémoire)
|
Wetsontwerp tot wijziging van het
Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de geschillen inzake de
toewijzing, de herziening en de weigering van de materiële
hulp; Stuk 3-1939/1 tot 6. (Pro memorie)
|
|
À partir de 17 heures :
Votes nominatifs sur l’ensemble des points à
l’ordre du jour dont la discussion est terminée.
|
Vanaf 17 uur:
Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun
geheel.
|
|
Demandes d’explications :
|
Vragen om uitleg:
|
|
– de M. Luc Willems
à la vice-première ministre et ministre de la
Justice et au vice-premier ministre et ministre des Finances et
au ministre de l’Économie, de l’Énergie,
du Commerce extérieur et de la Politique scientifique sur
« l’application de la loi relative à la
saisie de montants crédités sur un compte »
(nº 3-2097) ;
|
– van de heer Luc
Willems aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en
aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en aan
de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en
Wetenschapsbeleid over “de uitvoering van de wet inzake het
beslag leggen op rekeningen” (nr. 3-2097);
|
|
– de M. Wouter Beke
au vice-premier ministre et ministre des Finances sur « les
effets de retour du système des titres-services »
(nº 3-2101) ;
|
– van de heer Wouter
Beke aan de vice-eersteminister en minister van Financiën
over “de terugverdieneffecten van de dienstencheques”
(nr. 3-2101);
|
|
– de M. Christian
Brotcorne au vice-premier ministre et ministre des Finances sur
« la création d’un service de presse au
sein du SPF Finances » (nº 3-2106) ;
|
– van de heer Christian
Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Financiën
over “de oprichting van een persdienst binnen de FOD
Financiën” (nr. 3-2106);
|
|
– de M. Christian
Brotcorne au vice-premier ministre et ministre des Finances sur
« le droit d’expression des agents du SPF
Finances » (nº 3-2107) ;
|
– van de heer Christian
Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Financiën
over “het recht van de ambtenaren van de FOD Financiën
op vrijheid van meningsuiting” (nr. 3-2107);
|
|
– de M. Joris Van
Hauthem au vice-premier ministre et ministre des Finances et au
ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur
« les allocations de maternité pour
conseillères communales » (nº 3-2109) ;
|
– van de heer Joris
Van Hauthem aan de vice-eersteminister en minister van
Financiën en aan de minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid over “de zwangerschapsuitkering voor
gemeenteraadsleden” (nr. 3-2109);
|
|
– de M. Berni
Collas à la vice-première ministre et ministre du
Budget et de la Protection de la consommation sur « la
commission des litiges dans le secteur des voyages »
(nº 3-2099) ;
|
– van de heer Berni
Collas aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en
Consumentenzaken over “de geschillencommissie in de
reissector” (nr. 3-2099);
|
|
– de M. Christian
Brotcorne à la vice-première ministre et ministre
du Budget et de la Protection de la consommation sur
« l’évolution du financement du fonds de
traitement du surendettement et le paiement des arriérés
des honoraires des médiateurs de dettes »
(nº 3-2108) ;
|
– van de heer Christian
Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en
Consumentenzaken over “de stand van zaken met betrekking
tot de financiering van het Fonds ter bestrijding van de
overmatige schuldenlast en de betaling van de achterstallige
honoraria van de schuldbemiddelaars” (nr. 3-2108);
|
|
– de M. Hugo
Vandenberghe au ministre des Affaires étrangères et
au secrétaire d’État aux Entreprises
publiques sur « les communications ferroviaires vers
l’Allemagne » (nº 3-2113) ;
|
– van de heer Hugo
Vandenberghe aan de minister van Buitenlandse Zaken en aan de
staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over “de
treinverbindingen naar Duitsland” (nr. 3-2113);
|
|
– de M. Luc Willems
au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique
sur « la non-perception du ticket modérateur »
(nº 3-2096) ;
|
– van de heer Luc
Willems aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over
“het niet innen van remgeld” (nr. 3-2096);
|
|
– de M. Wouter Beke
au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique
sur « la note adoptée par le Vlaamse
Gezondheidsraad » (nº 3-2100) ;
|
– van de heer Wouter
Beke aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over
“de nota van de Vlaamse Gezondheidsraad”
(nr. 3-2100);
|
|
– de M. Wouter Beke
au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique
sur « les procédures lancées par l’INAMI
dans le cadre du modèle kiwi » (nº 3-2103) ;
|
– van de heer Wouter
Beke aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over
“de ‘kiwiprocedure’ bij het RIZIV”
(nr. 3-2103);
|
|
– de M. Hugo
Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé
publique sur « la saisie d’animaux à
l’aéroport de Bruxelles-National dans le cadre de la
réglementation CITES » (nº 3-2104) ;
|
– van de heer Hugo
Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
over “de inbeslagname van dieren op de luchthaven van
Zaventem in het kader van de CITES-regelgeving”
(nr. 3-2104);
|
|
– de M. Franco
Seminara au ministre des Affaires sociales et de la Santé
publique et à la secrétaire d’État aux
Familles et aux Personnes handicapées sur « les
difficultés administratives dans le cadre des demandes
d’allocations pour personnes handicapées »
(nº 3-2105) ;
|
– van de heer Franco
Seminara aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en
aan de staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een
handicap over “de administratieve problemen bij het
aanvragen van een toelage voor gehandicapten” (nr. 3-2105);
|
|
– de M. Hugo
Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé
publique sur « le diabète chez les enfants »
(nº 3-2110) ;
|
– van de heer Hugo
Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
over “kinderdiabetes” (nr. 3-2110);
|
|
– de M. Patrik
Vankrunkelsven au ministre des Affaires sociales et de la Santé
publique sur « le don d’organes »
(nº 3-2111) ;
|
– van de heer Patrik
Vankrunkelsven aan de minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid over “organendonatie” (nr. 3-2111);
|
|
– de M. Patrik
Vankrunkelsven au ministre des Affaires sociales et de la Santé
publique sur « les banques de sang de cordon »
(nº 3-2112) ;
|
– van de heer Patrik
Vankrunkelsven aan de minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid over “navelstrengbloedbanken”
(nr. 3-2112);
|
|
– de Mme Jacinta De
Roeck au ministre de la Fonction publique, de l’Intégration
sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité
des chances sur « le tarif social pour l’internet »
(nº 3-2098) ;
|
– van mevrouw Jacinta
De Roeck aan de minister van Ambtenarenzaken,
Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen
over “het sociaal tarief voor het internet”
(nr. 3-2098);
|
|
– de M. Wouter Beke
au ministre de l’Emploi sur « le statut unique »
(nº 3-2102).
|
– van de heer Wouter
Beke aan de minister van Werk over “het eenheidsstatuut”
(nr. 3-2102).
|
|
– Le Sénat est
d’accord sur cet ordre des travaux.
|
– De Senaat is het
eens met deze regeling van de werkzaamheden.
|
|
Demande
d’explications de M. Berni Collas à la
vice-première ministre et ministre de la Justice et au
vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur
«l’introduction du Traité de Prüm dans
l’ordre juridique communautaire» (nº 3-2068)
|
Vraag
om uitleg van de heer Berni Collas aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «het
integreren van het Verdrag van Prüm in de communautaire
rechtsorde» (nr. 3-2068)
|
|
Mme la présidente.
– M. Didier Donfut, secrétaire d’État
aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires
étrangères, répondra.
|
De voorzitter. –
de heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese
Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken,
antwoordt.
|
|
M. Berni Collas (MR). –
J’ai de la chance que ce soit le Secrétaire d’État
qui réponde aux questions que je vais poser à ce
sujet, lui qui est un spécialiste en matières
européennes.
Lors de la réunion informelle
des ministres de la Justice et de l’Intérieur de
l’Union européenne, la présidence allemande
de l’Union a proposé d’étendre le
Traité de Prüm aux autres membres de l’Union.
Ses collègues européens auraient marqué leur
assentiment à cette proposition.
Le Traité de Prüm étant
censé entrer en vigueur au plus tard au printemps 2007, je
désirerais connaître l’état
d’avancement du processus de ratification de ce traité
par la Belgique. Dans quel délai pouvons-nous espérer
rejoindre l’Allemagne, l’Autriche et l’Espagne
qui l’ont déjà ratifié ?
Lors de la ratification définitive,
nos services de police seront-ils prêts, sur le plan
technique et humain, à utiliser pleinement les
possibilités de coopération permises par ce
Traité ? En un mois, l’Allemagne et l’Autriche
ont effectué 1500 recoupements de traces ADN permettant
ainsi de trouver des indices concordants dans 1/30ème des
crimes.
Le coût de la mise en place
d’un tel système semble inquiéter certains
pays membres. Quel est le coût de la mise en œuvre de
ce Traité pour notre pays avec sept pays signataires ?
Quels seraient les coûts supplémentaires s’il
était étendu aux 27 ?
Enfin, si le Traité de Prüm
était intégré dans l’ordre juridique
communautaire, quelles seraient les parties qui rentreraient dans
le cadre du premier pilier et celles qui seraient incluses dans
le troisième pilier ?
Face à l’arrêt du
processus de ratification de la Constitution et à
l’impossibilité d’utiliser la clause
passerelle pour les matières Justice et Affaires
intérieures, devons-nous nous résoudre à
l’immobilisme à 27 et à la négociation
de traités intergouvernementaux pour avancer en matière
de coopération policière et judiciaire ?
D’autres thèmes relevant de vos compétences
seraient-ils propices à ce type de coopération
intraeuropéenne ?
|
De heer Berni
Collas (MR). – Het is een geluk dat de
staatssecretaris, een specialist in Europese aangelegenheden,
mijn vragen zal beantwoorden.
Tijdens de
informele vergadering van de EU-ministers van Justitie en
Binnenlandse Zaken heeft het Duitse voorzitterschap voorgesteld
om het Verdrag van Prüm uit te breiden tot de andere
EU-lidstaten. De andere Europese leiders zouden zich ermee
akkoord hebben verklaard.
Het Verdrag
van Prüm werd geacht ten laatste in de lente van 2007 in
werking te treden en ik zou graag weten hoe ver het staat met de
ratificatie ervan door België. Binnen welke termijn kunnen
we verwachten dat ons land zich aansluit bij Duitsland,
Oostenrijk en Spanje, die het verdrag al geratificeerd hebben?
Zullen onze
politiediensten bij de definitieve ratificatie vanuit technisch
en personeelsoogpunt klaar zijn om alle
samenwerkingsmogelijkheden die het Verdrag biedt, te benutten? Op
een maand tijd hebben Duitsland en Oostenrijk 1500 DNA-sporen
getoetst en voor 1 misdaad op 30 overeenstemmende indices
gevonden.
Sommige landen
laten zich blijkbaar afschrikken door de kosten die de invoering
van een dergelijk systeem met zich brengt. Hoeveel kost ons de
tenuitvoerlegging van het Verdrag met zeven ondertekenende
landen? Hoeveel bedragen de meerkosten als het Verdrag wordt
uitgebreid tot de 27 lidstaten?
Mocht het
Verdrag van Prüm worden opgenomen in de gemeenschappelijke
gerechtelijke orde, welke onderdelen ervan zouden dan in de
eerste pijler passen en welke in de derde?
De
ratificering van de Europese Grondwet ligt stil en voor
aangelegenheden van Justitie en Binnenlandse Zaken is het
onmogelijk om een beroep te doen op de speciale
overgangsclausule. Betekent dat dan dat we ons moeten neerleggen
bij het immobilisme met 27 en dat we inzake politiële en
gerechtelijke samenwerking uitsluitend via intergouvernementele
verdragen vooruitgang kunnen boeken? Komen andere thema’s
waarvoor u bevoegd bent, in aanmerking voor die vorm van
intra-Europese samenwerking?
|
|
M. Didier Donfut,
secrétaire d’État aux Affaires européennes,
adjoint au ministre des Affaires étrangères. –
Heureusement, monsieur Collas, je ne suis pas compétent
dans toutes les matières européennes. Les tâches
sont réparties au sein du gouvernement et des entités
fédérées afin d’assister à
l’ensemble des conseils européens. Nous coordonnons
nos positions et l’ensemble du gouvernement traite des
matières européennes.
Je vous lis la réponse du
ministre Dewael préparée en son nom et au nom de la
ministre de la Justice.
Lors de la réunion informelle
des ministres de la Justice et de l’Intérieur de
l’Union européenne organisée à Dresde
les 15 et 16 janvier derniers, j’ai constaté un
large consensus en faveur de l’introduction du Traité
de Prüm dans le cadre juridique de l’Union européenne.
La manière dont doit être introduit le Traité
fait actuellement l’objet d’un examen approfondi par
des experts. Cette question figurera à nouveau à
l’ordre du jour de la réunion du conseil Justice et
Affaires Intérieures du 15 février prochain.
Le traité de Prüm entre
l’Autriche, l’Espagne et l’Allemagne est entré
en vigueur au cours du deuxième semestre 2006.
La Belgique a terminé sa
procédure de ratification parlementaire. Le projet de loi
portant approbation du traité a été approuvé
le 9 novembre 2006 et l’instrument de
ratification a été transmis le 19 janvier 2007.
Le traité entrera en vigueur 90 jours après le
dépôt de l’instrument de ratification, soit
dans la seconde moitié du mois d’avril 2007.
Les services des États
parties au traité travaillent actuellement à sa
mise en œuvre technique. Les pays coopèrent
intensivement afin que les échanges d’informations
prévus par le traité se déroulent dans les
meilleures conditions. La mise en œuvre est graduelle.
À la fin de l’année
dernière, l’Allemagne et l’Autriche ont
développé un prototype en matière d’échanges
de données ADN auquel les autres pays pourront en principe
se raccorder dans les prochains mois.
En ce qui concerne l’échange
d’empreintes digitales, la plupart des pays sont déjà
en mesure d’échanger des données par la voie
électronique. Pour effectuer des consultations entièrement
automatisées, il faudra acquérir un nouveau système
nommé Automated Fingerprint Identification System.
Compte tenu de la procédure d’adjudication
publique, le nouveau AFIS devrait être réceptionné
dans le courant de l’année 2008.
Les échanges automatisés
relatifs aux plaques d’immatriculation se feront au moyen
d’une version actualisée du système européen
EUCARIS. Le logiciel devrait être réceptionné
fin mars 2007. La phase de test pourra alors débuter.
Les frais relatifs à
l’adaptation des systèmes d’information sont
estimés à 500.000 euros. Qu’il s’agisse
d’un système à sept ou à vingt-sept
pays n’a, en soi, pas grande importance. Les surcoûts
annuels qu’engendreront les nouveaux systèmes sont
estimés à 100.000 euros.
Il existe un large consensus pour
transférer uniquement des dispositions du traité de
Prüm relevant du troisième pilier du traité de
l’Union européenne, à savoir les chapitres
relatifs à l’échange d’informations, à
la coopération policière transfrontalière et
à la protection des données. Les dispositions de
Prüm relevant du premier pilier – Air Marshals,
coopération en matière de réadmission et
coopération entre les conseillers en faux documents –
ne seront pas transposées. Dans une large mesure, la
réglementation concernant ces matières est déjà
prévue par l’acquis européen. La
transposition n’apporterait donc aucune amélioration.
La Belgique est ouverte à
toutes les suggestions visant à garantir la dynamique de
coopération au sein de l’Union. J’ai à
plusieurs reprises fait état de mon insatisfaction quant à
la lenteur des travaux au sein du Conseil JAI, surtout en ce qui
concerne la coopération policière. Lors des
Conseils, j’entends souvent de beaux discours, mais force
est de constater que les résultats concrets se font
souvent attendre. Si pour accélérer les choses, il
faut recourir dans un premier temps à des coopérations
renforcées ou à des coopérations de type
intergouvernemental, je suis preneur. Les traités Bénélux
et de Prüm constituent à ce titre des exemples
encourageants. Devant l’absence de progrès au niveau
européen, un groupe d’États a décidé
de renforcer la coopération au niveau régional.
Notre but était également de démontrer à
l’ensemble des États membres qu’avec de la
détermination et de la volonté politique, il était
possible de dépasser les législations nationales
pour aboutir à un modèle de coopération
concret et opérationnel entre services de police. La
dynamique était ainsi lancée. Les autres pays
européens ont très vite mesuré l’apport
d’un tel traité. J’en veux pour preuve le
consensus atteint à Dresde.
|
De heer Didier
Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan
de minister van Buitenlandse Zaken. – Mijnheer Collas, ik
ben gelukkig niet bevoegd voor alle Europese aangelegenheden. De
federale regering en de deelregeringen verdelen de taken zo dat
hun aanwezigheid op alle Europese raden verzekerd is. Wij zorgen
ervoor dat onze standpunten met elkaar overeenstemmen en de
regering is collegiaal bevoegd voor de Europese Aangelegenheden.
Ik lees het
antwoord dat minister Dewael heeft opgesteld namens de minister
van Justitie en namens zichzelf.
Op de
informele vergadering van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken
te Dresden op 15 en 16 januari jongstleden heb ik
vastgesteld dat er een brede consensus bestaat om het Verdrag van
Prüm in het gemeenschapsrecht op te nemen. De manier waarop
dat dient te gebeuren, wordt momenteel grondig door experts
bestudeerd. De kwestie zal opnieuw op de agenda staan van de Raad
Justitie en Binnenlandse Zaken van 15 februari aanstaande.
Het Verdrag
van Prüm tussen Duitsland, Spanje en Oostenrijk is in
werking getreden in de loop van het tweede semester van 2006.
België
heeft de parlementaire ratificatieprocedure afgerond. Het
wetsontwerp houdende goedkeuring van het verdrag werd op
9 november 2006 goedgekeurd en de akte van
bekrachtiging werd op 19 januari 2007 overgezonden. Het
verdrag zal 90 dagen na de neerlegging van de akte van
bekrachtiging, hetzij in de tweede helft van de maand april 2007
in werking treden.
De diensten
van de verdragsluitende Staten werken momenteel aan de technische
tenuitvoerlegging ervan. De landen werken nauw samen om de
informatie-uitwisseling waarin het Verdrag voorziet, in de beste
omstandigheden te laten verlopen. Het verdrag wordt trapsgewijs
ten uitvoer gelegd.
Op het einde
van vorig jaar hebben Duitsland en Oostenrijk een prototype
ontwikkeld voor de uitwisseling van DNA-gegevens waarbij de
andere landen zich de komende maanden in principe kunnen
aansluiten.
De meeste
landen kunnen overigens al vingerafdrukken elektronisch
uitwisselen. Om te kunnen overgaan tot een volledig automatische
raadpleging, moet een nieuw systeem worden aangeschaft, het
Automated Fingerprint Identification System. Gezien de
openbare aanbestedingsprocedure wordt het nieuwe AFIS wellicht in
de loop van 2008 opgeleverd.
De
elektronische uitwisseling van nummerplaten zal plaatsvinden via
een geüpdatete versie van het Europese EUCARIS-systeem. De
software wordt eind maart 2007 opgeleverd. Dan kan de
testfase aanvatten.
De kosten voor
de aanpassing van de informaticasystemen worden op 500.000 euro
geschat. Of er nu zeven of zevenentwintig landen aan het systeem
deelnemen maakt op zich weinig uit. De jaarlijkse meerkosten van
de nieuwe systemen worden op 100.000 euro geschat.
Er bestaat
ruime eensgezindheid om uitsluitend die bepalingen van het
Verdrag van Prüm over te dragen die betrekking hebben op de
derde pijler van het EU-Verdrag, met name de hoofstukken met
betrekking tot de uitwisseling van inlichtingen, de
grensoverschrijdende politiesamenwerking en de bescherming van
gegevens. De bepalingen van Prüm die onder de derde pijler
vallen – Air Marshals, samenwerking inzake terug- en
overnamebeleid en samenwerking tussen documentadviseurs –
zullen niet worden omgezet. De regelgeving betreffende die
aangelegenheden maakt reeds in ruime mate deel uit van het
EU-acquis. De omzetting zou dus geen enkele verbetering met zich
brengen.
België
staat open voor alle suggesties die de samenwerkingsdynamiek in
de Unie kunnen verzekeren. Ik heb meermaals mijn ongenoegen laten
blijken over de trage werking van de JBZ-Raad, vooral inzake
politiesamenwerking. Tijdens de Raden hoor ik vaak mooie
redevoeringen, maar ik moet vaststellen dat het vaak wachten is
op concrete resultaten. Als we om schot te maken eerst onze
toevlucht moeten nemen tot nauwere of intergouvernementele
samenwerkingsvormen, dan ben ik daarvoor gewonnen. Het
Beneluxverdrag en het Verdrag van Prüm zijn in dat opzicht
stichtende voorbeelden. Aangezien er op Europees niveau geen
voortgang wordt gemaakt, heeft een groep van Staten besloten hun
regionale samenwerking te versterken. We wilden tevens aantonen
dat we met vastberadenheid en politieke wil de nationale
wetgevingen kunnen overstijgen en een concreet en operationeel
model van politiesamenwerking kunnen verwezenlijken. Zo werd die
dynamiek op gang getrokken. Andere Europese landen wisten zeer
snel de positieve weerslag van een dergelijke verdrag in te
schatten. De eensgezindheid in Dresden is daarvan volgens mij het
bewijs.
|
|
M. Berni Collas (MR). –
Je remercie M. le secrétaire d’État pour
cette réponse circonstanciée. Le traité de
Prüm servira de modèle. Nous devons nous inscrire
dans cette dynamique de coopération renforcée. À
terme, j’espère que tous les États membres
participeront au système. Nous devons absolument mettre en
place l’arsenal nécessaire pour lutter contre la
criminalité transfrontalière. À cet égard,
le caractère multilatéral du traité en
matière d’échanges d’information et de
coopération policière représente une réelle
valeur ajoutée.
|
De heer Berni
Collas (MR). – Ik dank de staatssecretaris voor zijn
omstandig antwoord. Het Verdrag van Prüm zal model staan. We
moeten ons in die dynamiek van nauwere samenwerking inpassen. Ik
hoop dat alle lidstaten op termijn aan het systeem deelnemen. Wij
moeten absoluut het vereiste arsenaal aanleggen om de
grensoverschrijdende misdaad te bestrijden. In dat opzicht
betekent het multilaterale karakter van het Verdrag inzake de
uitwisseling van inlichtingen een reële meerwaarde.
|
|
Demande
d’explications de Mme Sabine de Bethune au
ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur
«les allocations familiales majorées pour enfants
handicapés» (nº 3-2070)
|
Vraag
om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister
van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de verhoogde
kinderbijslag voor kinderen met een handicap» (nr. 3-2070)
|
|
Mme la présidente.
– M. Didier Donfut, secrétaire d’État
aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires
étrangères, répondra.
|
De voorzitter. –
de heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese
Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken,
antwoordt.
|
|
Mme Sabine
de Bethune (CD&V). – Dans le régime des
travailleurs salariés, les enfants handicapés âgés
de 0 à 21 ans peuvent bénéficier d’un
supplément à leurs allocations familiales.
Il existe
actuellement deux systèmes, basés sur la date de
naissance de l’enfant. Les enfants nés avant le
2 janvier 1996 ont droit à un supplément
lorsqu’ils sont atteints d’un handicap de 66% au
moins. Le 1er mai 2003, un nouveau système
a été instauré pour les enfants nés
après le 2 janvier 1996, afin d’élaborer
un système plus honnête et d’abandonner la
règle arbitraire des 66%. Désormais on tiendra
compte des conséquences aux niveaux physique et psychique,
de celles aux niveaux de l’activité et de la
participation de l’enfant et de celles pour l’entourage
familial.
L’accord
de gouvernement prévoit une adaptation de la limite d’âge
de manière à ce que davantage d’enfants
puissent bénéficier du nouveau système plus
équitable. Le ministre a répondu à une
question orale de juin 2006 (3-1190) qu’à
partir du 1er janvier 2007, les ayants droit
nés après le 1er janvier 2003
pourront faire appel au nouveau système. Plusieurs parents
m’ont toutefois indiqué que leur demande n’est
toujours pas possible. L’Office national d’allocations
familiales et donc peut-être aussi les autres caisses
d’allocations familiales n’ont toujours pas reçu
la moindre directive.
Pourquoi le
nouveau régime n’est-il toujours pas applicable ?
À partir de quand les ayants droit peuvent-ils introduire
une demande ?
Le nouveau
régime aura-t-il un effet rétroactif ? En
d’autres termes, les ayants droit pourront-ils bénéficier
du nouveau système également pour le mois de
janvier 2007 ?
|
Mevrouw Sabine de Bethune
(CD&V). – Kinderen van 0 tot 21 jaar met een
handicap kunnen in de regeling voor werknemers een toeslag
krijgen bij hun kinderbijslag.
Vandaag zijn er twee systemen
volgens de geboortedatum van het kind. Kinderen geboren voor
2 januari 1996 hebben recht op een toeslag als ze
minstens 66% gehandicapt zijn. Voorts werd er een nieuw systeem
ingevoerd op 1 mei 2003, voor kinderen geboren vanaf
2 januari 1996. Bedoeling was om tot een eerlijker
systeem te komen zodat men niet enkel afhankelijk is van de
arbitraire 66%-regel. Voortaan wordt rekening gehouden met:
1. de gevolgen op lichamelijk en
psychisch vlak,
2. de gevolgen op het vlak van de
activiteit en de participatie van het kind,
3. de gevolgen voor de familiale
omgeving.
Het regeerakkoord bepaalde dat de
leeftijdsgrens aangepast zou worden zodat meer kinderen zouden
kunnen genieten van het nieuwe en billijker systeem. Op een
mondelinge vraag van juni 2006 (3-1190) antwoordde de
minister dat vanaf 1 januari 2007 alle rechthebbenden
die geboren werden na 1 januari 1993 een beroep kunnen
doen op het nieuwe systeem. Ik krijg echter het bericht van
meerdere ouders dat hun aanvraag nog niet mogelijk is. De
Rijksdienst voor Kinderbijslag en dus wellicht ook de andere
kinderbijslagfondsen hebben nog geen richtlijnen gekregen.
Waarom is de nieuwe regeling nog
niet toepasbaar? Vanaf wanneer kunnen rechthebbenden wel een
aanvraag indienen?
Zal de nieuwe regeling met
terugwerkende kracht ingang vinden, m.a.w. zullen de
rechthebbenden ook voor de maand januari 2007 kunnen
genieten van het nieuwe systeem?
|
|
M. Didier
Donfut, secrétaire d’État aux Affaires
européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères.
– Le 3 janvier 2007 s’est terminée,
avec l’avis rendu par le Conseil d’État, la
procédure d’avis relative à l’arrêté
royal prévoyant une extension de l’application du
nouveau régime d’évaluation aux enfants nés
après le 31 décembre 1992 et avant le
2 janvier 1996, à savoir l’arrêté
royal modifiant les articles 56septies et 63 des lois
coordonnées relatives aux allocations familiales pour
travailleurs salariés, et l’arrêté
royal du 28 mars 2003 portant exécution des
articles 47, 56septies et 63 des lois coordonnées
relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés
et de l’article 88 de la loi-programme du
24 décembre 2002.
La publication
au Moniteur Belge peut être attendue pour les
prochains jours.
L’arrêté
royal s’appliquera à toutes les demandes introduites
dès le 1er janvier 2007. Les
décisions auront un effet rétroactif jusqu’en
mai 2003. La rétroactivité était
nécessaire parce qu’à l’époque,
le nouveau régime d’évaluation s’appliquait
aussi à partir de cette date aux enfants nés après
le 1er janvier 1996.
Les caisses
d’allocations familiales ont été informées
le 21 décembre 2006 de cet arrêté
royal. Nous leur avons également transmis certaines
directives conviviales à ce sujet. Puisque les réexamens
d’office n’ont par définition aucun effet
rétroactif, j’ai demandé aux caisses
d’allocations familiales de veiller à ce que, s’il
apparaît à l’occasion d’un réexamen
d’office qu’un montant plus important peut être
attribué aux allocations familiales complémentaires,
la famille concernée puisse être informée
qu’elle peut introduire une demande de réexamen de
manière à ce que, le cas échéant, le
nouveau régime d’évaluation soit appliqué
rétroactivement.
J’ai
aussi demandé aux caisses d’allocations familiales
d’adresser, en janvier 2007, une lettre aux familles
comptant un enfant né après le 31 décembre 1992
et avant le 2 janvier 1996, lettre contenant des
informations détaillées sur le nouveau régime
d’évaluation dans le cas où l’enfant
ouvrait déjà droit, dès le 1er janvier 2007,
à des allocations familiales complémentaires sur la
base de l’ancien régime d’évaluation.
La même chose doit se produire si l’enfant ne donnait
pas droit, au 1er janvier 2007, aux
allocations familiales complémentaires parce qu’elles
avaient été refusées auparavant sur la base
de l’ancien régime d’évaluation.
Par
conséquent, les conditions sont remplies pour permettre
l’extension de la catégorie d’âge d’une
manière favorable à la famille.
|
De heer Didier Donfut,
staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister
van Buitenlandse Zaken. – Ten aanzien van het koninklijk
besluit dat voorziet in de uitbreiding van de toepassing van de
nieuwe evaluatieregeling tot de kinderen die geboren zijn na
31 december 1992 en uiterlijk op 1 januari 1996,
namelijk het koninklijk besluit tot wijziging van de
artikelen 56septies en 63 van de samengeordende
wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van het
koninklijk besluit van 28 maart 2003 tot uitvoering van
de artikelen 47, 56septies en 63 van de
samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor
loonarbeiders en van artikel 88 van de programmawet van
24 december 2002, werd de adviesprocedure afgerond met
het advies van de Raad van State, dat verstrekt werd op
3 januari 2007.
De publicatie in het Belgisch
Staatsblad mag eerstdaags worden verwacht.
Het koninklijk besluit zal van
toepassing zijn op alle aanvragen die vanaf 1 januari 2007
worden ingediend. De beslissingen hebben terugwerkende kracht tot
mei 2003. De terugwerkende kracht was nodig omdat de nieuwe
evaluatieregeling voor kinderen geboren na 1 januari 1996,
destijds eveneens vanaf deze datum van toepassing was.
De kinderbijslaginstellingen werden
op 21 december 2006 over dit koninklijk besluit
ingelicht. Wij hebben hierover ook een aantal klantvriendelijke
richtlijnen verstrekt. Daar ambtshalve herzieningen per definitie
|