|
Commémoration
de l’holocauste
|
Herdenking
van de holocaust
|
|
Mme la présidente.
– Le 27 janvier 1945, le camp de concentration
d’Auschwitz II (Birkenau) a été libéré.
Aujourd’hui, nous commémorons le 62ème
anniversaire de cette libération.
|
De voorzitter. – Op
27 januari 1945 werd het concentratiekamp van
Auschwitz II (Birkenau) bevrijd. Vandaag herdenken wij de
62ste verjaardag van deze bevrijding.
|
|
Je vous propose d’observer une
minute de silence à la mémoire des victimes de
l’holocauste.
|
Ik stel voor om een minuut stilte in
acht te nemen ter herdenking van de slachtoffers van de
holocaust.
|
|
(L’assemblée debout
observe une minute de silence.)
|
(De staande vergadering neemt een
minuut stilte in acht.)
|
|
Prise
en considération de propositions
|
Inoverwegingneming
van voorstellen
|
|
Mme la présidente.
– La liste des propositions à prendre en
considération a été distribuée.
Je prie les membres qui auraient des
observations à formuler de me les faire connaître
avant la fin de la séance.
Sauf suggestion divergente, je
considérerai ces propositions comme prises en
considération et renvoyées à la commission
indiquée par le Bureau. (Assentiment)
|
De voorzitter. – De
lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.
Leden die opmerkingen mochten
hebben, kunnen die vóór het einde van de
vergadering mededelen.
Tenzij er afwijkende suggesties
zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen
en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn
aangewezen. (Instemming)
|
|
(La liste des propositions prises
en considération figure en annexe.)
|
(De lijst van de in overweging
genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)
|
|
Projet
de loi modifiant le Code judiciaire en ce qui concerne les
contestations relatives à l’octroi, à la
révision et le refus de l’aide matérielle
(Doc. 3-1939)
|
Wetsontwerp
tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de
geschillen inzake de toewijzing, de herziening en de weigering
van de materiële hulp (Stuk 3-1939)
|
|
Proposition
de renvoi
|
Voorstel
tot terugzending
|
|
M. Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – Il a été
convenu au Bureau de renvoyer ce projet de loi en commission.
|
De heer Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – Op het Bureau is
afgesproken dit wetsontwerp terug te zenden naar de commissie.
|
|
– Le renvoi est ordonné.
|
– Tot terugzending wordt
besloten.
|
|
Questions
orales
|
Mondelinge
vragen
|
|
Question
orale de M. Patrik Vankrunkelsven à la vice-première
ministre et ministre de la Justice sur «la protection
contre les mesures d’instruction relatives aux sources
d’information des journalistes» (nº 3-1372)
|
Mondelinge
vraag van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie over «de
bescherming tegen onderzoeksmaatregelen naar informatiebronnen
van journalisten» (nr. 3-1372)
|
|
M. Patrik
Vankrunkelsven (VLD). – Le 7 mai 2005, la loi
relative à la protection des sources journalistiques est
entrée en vigueur. Au départ, elle protège
les journalistes et les collaborateurs de la rédaction
contre l’obligation de dévoiler les sources
d’information. Un arrêt de la Cour d’arbitrage
a étendu cette protection à toute personne qui
publie par le biais d’un média.
En vertu de la
loi, les journalistes ont non seulement le droit de taire leurs
sources d’information, ils sont également protégés
contre toute sorte de mesures d’information ou
d’instruction qui concernent des données relatives à
ces sources d’information. Ils ne peuvent être tenus
de livrer leurs sources qu’à la requête du
juge si cela permet d’éviter une menace grave à
l’intégrité physique d’une ou de
plusieurs personnes.
L’article 5
de la loi dispose que les mesures d’information ou
d’instruction ne peuvent concerner des données
relatives aux sources d’information du journaliste. Il fait
aussi une énumération non exhaustive de ces
mesures, à savoir les fouilles, perquisitions, saisies,
écoutes téléphoniques et enregistrements.
L’examen rétroactif des communications entrantes et
sortantes par GSM et par téléphone relève-t-il
également de ces mesures ?
Le Comité P
est chargé de l’enquête en cas de fuite dans
les services de police, vers des journalistes par exemple. Auprès
de qui le journaliste dupé, dont les intérêts
peuvent être lésés par le contrôle de
ses communications téléphoniques entrantes et
sortantes, peut-il introduire une plainte sur le déroulement
de l’instruction ? Outre la fuite recherchée,
d’autres sources peuvent en effet aussi être
dévoilées. Un problème ne se pose-t-il pas
si cette plainte doit également être déposée
auprès du Comité P, lequel est alors à
la fois juge et partie ?
Quelle action
la ministre peut-elle ou compte-t-elle entreprendre pour éviter
ce genre de violation de la loi ?
|
De heer Patrik
Vankrunkelsven (VLD). – Op 7 mei 2005 trad de
wet tot bescherming van de journalistieke bronnen in werking. De
wet beschermt in oorsprong journalisten en redactiemedewerkers
tegen het verplichte vrijgeven van hun informatiebronnen. Een
arrest van het Arbitragehof heeft die bescherming nog uitgebreid
tot eenieder die publiceert via een medium.
Journalisten hebben krachtens de wet
niet enkel het recht hun informatiebronnen te verzwijgen, ze zijn
ook beschermd tegen allerlei opsporings- of onderzoeksmaatregelen
die slaan op gegevens die betrekking hebben op die
informatiebronnen. Ze kunnen enkel op vordering van de rechter
worden gedwongen hun bronnen vrij te geven als daarmee een
ernstige bedreiging van de fysieke integriteit van een of meer
personen kan worden voorkomen.
Artikel 5 van de wet bepaalt
dat opsporings- en onderzoeksmaatregelen niet mogen slaan op
gegevens die betrekking hebben op de informatiebronnen van de
journalist. Ook geeft het een niet-limitatieve opsomming van die
maatregelen, namelijk fouilleren, huiszoekingen,
inbeslagnemingen, het afluisteren en opnemen van
telefoongesprekken. Valt het retroactieve screenen van in- en
uitgaand gsm- en telefoonverkeer ook onder die maatregelen?
Het Comité P is belast
met het onderzoek indien zich bij de politiediensten lekken
voordoen, bijvoorbeeld naar journalisten. Bij wie kan de
gedupeerde journalist, wiens belang kan zijn geschaad door het
nagaan van zijn in- en uitgaande telefoonverkeer, een klacht
indienen over de gang van het onderzoek? Niet alleen het gezochte
lek, maar ook andere bronnen kunnen daarbij immers onthuld zijn.
Rijst er geen probleem als die klacht ook bij het comité P
moet worden ingediend, dat dan terzelfder tijd betrokken en
beoordelende partij is?
Welke actie kan of wil de minister
ondernemen om dit soort schending van de wet tegen te gaan?
|
|
Mme Laurette
Onkelinx, vice-première ministre et ministre de la
Justice. – En vertu de l’article 5 de la loi du
7 avril 2005 relative à la protection des
sources journalistiques, les mesures d’information ou
d’instruction telles que fouilles, saisies, écoutes
téléphoniques et enregistrements ne peuvent
concerner les sources d’information des personnes visées
à l’article 2 que si ces données sont
susceptibles de prévenir la commission des infractions
visées à l’article 4, à savoir
l’atteinte à l’intégrité
physique et le terrorisme, et dans le respect des conditions
définies dans cet article. En vertu de cette disposition
légale, aucune mesure d’information ou d’instruction
ne peut être prise à l’égard d’un
journaliste en vue de violer le secret de ses sources
d’information. Les mesures d’information ou
d’instruction visées à l’article 5
sont mentionnées seulement à titre d’exemple.
Les travaux parlementaires préparatoires à la loi
du 27 décembre 2003, qui renforce le dispositif
légal relatif au contrôle des méthodes
particulières de recherche, le montrent clairement. Il
n’est donc plus possible aujourd’hui d’appliquer
quelque mesure d’information ou d’instruction que ce
soit à l’égard d’un journaliste en vue
de dévoiler ses sources. Cela vaut également pour
la localisation des appels téléphoniques ou
l’identification de numéros de GSM ou de téléphone,
parce que ce sont des mesures d’instruction utilisées
pendant les enquêtes judiciaires.
Étant
donné que le Comité P relève du
contrôle du parlement, je ne puis m’exprimer sur la
question d’un éventuel conflit d’intérêt
au Comité P lorsque, d’une part, celui-ci est
désigné par l’autorité judiciaire
comme service d’enquête sur le fonctionnement d’un
service de police, et lorsque, d’autre part, un journaliste
introduit une plainte auprès de ce Comité P
concernant une violation de la loi du 7 avril 2005. Le
Comité P étant un institution parlementaire,
ce sont à mon avis les parlementaires eux-mêmes qui
doivent répondre.
|
Mevrouw Laurette Onkelinx,
vice-eersteminister en minister van Justitie. – Krachtens
artikel 5 van de wet van 7 april 2005 tot
bescherming van de journalistieke bronnen mogen informatie- of
onderzoeksmaatregelen zoals fouilleren, inbeslagnemingen,
afluisteren en opnemen van telefoongesprekken, alleen betrekking
hebben op de informatiebronnen van de personen bedoeld in
artikel 2, indien de gegevens in aanmerking komen om het
plegen van misdrijven bedoeld in artikel 4, met name
aantasting van de fysieke integriteit en terrorisme, te vermijden
en met inachtneming van de in dat artikel gedefinieerde
voorwaarden. Uit die wettelijke bepaling volgt dat geen enkele
informatie- of onderzoeksmaatregel mag worden genomen ten aanzien
van een journalist met de bedoeling het geheim van zijn
informatiebronnen te schenden. De in artikel 5 bedoelde
informatie- of onderzoeksmaatregelen worden alleen als voorbeeld
vermeld. Dat blijkt duidelijk uit de parlementaire voorbereiding
van de wet van 27 december 2005, die het wettelijke
arsenaal betreffende de controle op de bijzondere
opsporingsmethodes versterkt. Het is thans dus niet meer mogelijk
om welke informatie- of onderzoeksmaatregelen dan ook aan te
wenden ten aanzien van een journalist met de bedoeling zijn
bronnen te onthullen. Dat geldt dus eveneens voor de lokalisering
van telefoonoproepen of de identificatie van vaste of mobiele
telefoonnummers, omdat deze maatregelen onderzoeksmaatregelen
zijn die gebruikt worden tijdens gerechtelijke onderzoeken.
Over de vraag over een mogelijk
belangenconflict bij het Comité P wanneer het door de
gerechtelijke overheden enerzijds aangewezen wordt als
enquêtedienst over de werking van een politiedienst, en
wanneer anderzijds een journalist een klacht indient bij dat
Comité P inzake een schending van de wet van
7 april 2005, kan ik me niet uitspreken aangezien het
Comité P onder het toezicht van het Parlement valt.
Het comité P is immers een parlementaire instelling
en naar mijn mening moeten de parlementsleden zelf die vraag
beantwoorden.
|
|
M. Patrik
Vankrunkelsven (VLD). – Je demandais également
si le journaliste pourrait s’adresser à un tribunal
ordinaire ou à la ministre au lieu du Comité P.
Si la ministre est informée du dossier d’un
journaliste soupçonnant sérieusement que ses
numéros de GSM sont contrôlés par le
Comité P, peut-elle intervenir ?
|
De heer Patrik
Vankrunkelsven (VLD). – Mijn vraag was ook of de
journalist zich tot een gewone rechtbank of tot de minister zou
kunnen wenden in plaats van tot het Comité P. Als de
minister op de hoogte gebracht wordt van een concreet dossier
waarin een journalist een sterk vermoeden heeft dat zijn
gsm-nummers worden nagetrokken door het Comité P, kan
zij dan tussenbeide komen?
|
|
Mme Laurette
Onkelinx, vice-première ministre et ministre de la
Justice. – Je pense effectivement que je peux démarrer
une procédure judiciaire lorsque des journalistes sont
victimes d’une méthode d’investigation
inacceptable.
|
Mevrouw Laurette Onkelinx,
vice-eersteminister en minister van Justitie. – Ik denk
inderdaad dat ik een gerechtelijke procedure kan opstarten als
journalisten het slachtoffer zijn van een ontoelaatbare
onderzoeksmethode.
|
|
Question
orale de Mme Annemie Van de Casteele à la
vice-première ministre et ministre de la Justice sur «le
dopage» (nº 3-1381)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie over «het
dopinggebruik» (nr. 3-1381)
|
|
Mme Annemie
Van de Casteele (VLD). – Au début de l’actuelle
législature, la commission des Affaires sociales du Sénat
avait procédé à de nombreuses auditions
concernant le dopage dans le sport. À l’époque,
ces travaux avaient suscité des railleries mais
aujourd’hui l’actualité semble nous donner
raison.
Le Sénat
est toujours parti de l’idée que le dopage doit être
combattu, non seulement par souci du fair-play et du respect de
l’égalité des chances dans le sport, mais
également pour des raisons de santé publique. Les
pratiques dans le milieu sportif rejaillissent sur les jeunes,
les centres de fitness, etc. Toutes les instances qui luttent
contre le dopage doivent collaborer.
Parmi les
recommandations adoptées le 27 avril 2005 en
séance plénière, le Sénat demande que
le ministre de la Justice applique pleinement la loi sur les
substances stupéfiantes et la loi sur les médicaments
par des enquêtes plus actives et une effectivité des
poursuites. Il ressort de récents communiqués de
presse qu’il n’est pas rare de passer du dopage aux
drogues et inversement.
Voici quelques
extraits de nos recommandations.
Il faut que la
Justice concentre ses efforts en priorité sur les
fournisseurs et les producteurs de produits dopants. Les parquets
devront faire preuve d’une plus grande ouverture afin que
tous les services concernés soient réunis autour de
la table lorsqu’une information ou une instruction
judiciaire est ouverte dans des dossiers importants et ce, en
tenant compte des restrictions liées à la procédure
pénale.
Il serait
opportun que le ministre de la Justice, en concertation avec le
collège des procureurs généraux, élargisse
à tout le pays le champ d’application de la
circulaire du 4 octobre 2004 des procureurs généraux
d’Anvers et de Gand.
En vertu de
cette circulaire, le fait d’avoir encouru une sanction
disciplinaire pour fait de dopage ne peut entraîner
systématiquement l’absence de poursuites pénales.
Il est vital
d’identifier les producteurs et les fournisseurs de
produits dopants. Les sportifs qui sont convaincus de dopage
devraient se voir offrir la possibilité d’obtenir
une réduction ou une remise de peine s’ils
collaborent à l’instruction.
Madame la
ministre, en octobre 2005, M. Germeaux vous avait
demandé quelles recommandations avaient déjà
été exécutées. Vous aviez répondu
qu’une plus grande ouverture paraissait difficilement
réalisable en raison du secret de l’instruction.
Vous aviez déclaré aussi que la circulaire ne
pouvait être appliquée qu’en Flandre.
Étant
donné que le problème apparaît aujourd’hui
bien plus vaste que prévu, j’aimerais savoir quelles
démarches vous avez déjà entreprises pour
intégrer les recommandations du Sénat dans votre
politique.
Le ministre
flamand des Sports a annoncé son intention de travailler à
une réglementation relative aux repentis. Celle-ci
nécessitera une concertation entre le niveau fédéral
et les Communautés. Vous êtes-vous déjà
concertée avec le ministre flamand des Sports ? Lors
de la discussion de nos recommandations, vous aviez déclaré
ne pas être favorable au système des repentis parce
que la disposition relative à la réduction ou
remise de peine figurant déjà dans la loi sur les
drogues est peu appliquée dans la pratique. Êtes-vous
disposée à collaborer à cette réglementation
proposée par le ministre flamand des Sports ? Vous
êtes-vous déjà concertée avec les
ministres compétents pour les sports en Communauté
française et en Communauté germanophone ?
|
Mevrouw Annemie Van de
Casteele (VLD). – Bij het begin van deze regeerperiode
heeft de commissie voor de Sociale Aangelegenheden van de Senaat
talrijke hoorzittingen gehouden over doping in de sport. Men
heeft toen nogal lacherig gedaan over onze werkzaamheden. Vandaag
blijkt echter dat we misschien toch gelijk hadden.
Zonder mij uit te spreken over de
berichtgeving van de voorbije dagen, wens ik toch enkele vragen
te stellen. De Senaat is ervan uitgegaan dat dopinggebruik moet
worden bestreden, niet alleen omwille van de fair play en de
gelijke kansen in de sport, maar ook omwille van de
volksgezondheid. Wat in het sportmilieu gebeurt, dijt uit naar
jongeren, fitnessmilieus en zo meer. Alle instanties die doping
bestrijden moeten samenwerken.
In de aanbevelingen die door de
plenaire vergadering op 27 april 2005 werden
goedgekeurd, vraagt de Senaat dat de minister van Justitie de
drugswet en de geneesmiddelenwet onverkort zou toepassen door
actiever onderzoek en effectieve vervolging.
Uit de recente persberichten blijkt
overigens dat de overgang van doping naar drugs en vice versa,
geen zeldzaamheid is. Op feestjes schakelen dopinggebruikers
blijkbaar over op andere stimulerende middelen.
Ik citeer uit onze aanbevelingen:
‘De inspanningen van Justitie moeten er in de eerste plaats
op gericht zijn bevoorraders en producenten van dopingproducten
aan te pakken.’ ‘De parketten moeten een grotere
openheid aan de dag leggen zodat alle betrokken diensten rond de
tafel worden gebracht bij opsporings- of gerechtelijke
onderzoeken in belangrijke dossiers en rekening houdend met de
beperkingen inzake strafprocedure.’
‘Het is aangewezen dat de
minister van Justitie, in overleg met het college van de
procureurs-generaal, het toepassingsgebied van de omzendbrief van
4 oktober 2004 van de procureurs-generaal van
Antwerpen, Brussel en Gent uitbreidt tot het hele land.’
Die circulaire stelt dat vermeden moet worden dat ‘een
disciplinaire sanctie wegens doping systematisch een
strafrechtelijke buitenvervolgingstelling met zich meebrengt.’
Verder: ‘Het is van vitaal
belang zicht te krijgen op de producenten en leveranciers van
dopingproducten. Daarom zouden sportbeoefenaars die worden
betrapt op dopingproducten, moeten kunnen rekenen op
strafvermindering of kwijtschelding van straf, indien ze
meewerken aan het onderzoek.’
De heer Germeaux vroeg in
oktober 2005 welke aanbevelingen de minister had uitgevoerd.
De minister antwoordde dat een grotere openheid niet raadzaam is
omwille van het geheim van het onderzoek. Zij zei ook dat de
circulaire alleen in Vlaanderen kon worden toegepast.
Omdat nu blijkt dat het probleem
groter is dan we hadden kunnen vermoeden, wens ik te weten welke
stappen de minister al heeft gezet om in haar beleid rekening te
houden met de aanbevelingen van de Senaat.
De Vlaamse minister van Sport heeft
aangekondigd te zullen werken aan een regeling voor
spijtoptanten. Daartoe zal overleg nodig zijn tussen het federale
niveau en de gemeenschappen. Heeft de minister al overleg
gepleegd met de Vlaamse minister van Sport? De minister liet bij
de bespreking van onze aanbevelingen weten dat zij zelf geen
voorstander was van pentiti omdat de schuldvermindering of
-kwijtschelding die nu al in de drugswet is opgenomen, in de
praktijk weinig wordt toegepast. Is de minister bereid mee te
werken aan de regeling die door de Vlaamse minister van Sport
wordt voorgesteld? Heeft de minister ook overleg gepleegd met de
Waalse en Duitstalige ministers van Sport?
|
|
Mme Laurette
Onkelinx, vice-première ministre et ministre de la
Justice. – La plupart des recommandations faites par la
commission du Sénat ne relèvent pas de mes
compétences. Ma réponse portera sur les aspects
pour lesquels je suis compétente.
La question du
trafic des produits dopants est une priorité tant pour la
police que pour la justice. La suggestion de la commission de
réunir autour de la table tous les services concernés
par les enquêtes de recherche et judiciaires me paraît
difficilement réalisable en raison du secret de
l’instruction.
Quand au champ
d’application de la circulaire du 4 octobre 2004
des procureurs généraux d’Anvers, Bruxelles
et Gand, son extension n’est pas si simple car cette
circulaire ne peut par définition s’appliquer qu’à
la Flandre et aux Bruxellois néerlandophones. J’ai
déjà discuté de la question avec
M. Eerdekens, ministre des Sports de la Communauté
française. Celle-ci aussi est prête à rédiger
une circulaire similaire sur le dopage, qui devra tenir compte
des caractéristiques de sa législation propre. La
Cellule interdépartementale de coordination pour le
contrôle de la sécurité alimentaire se
concerte actuellement avec la Communauté française.
Une circulaire commune sera vraisemblablement rédigée
sous peu.
Les médecins
qui prescrivent des produits dopants sont en principe déjà
punissables. Cependant, leur défense consiste toujours à
dire qu’ils ont posé un diagnostic thérapeutique
qui justifie la prescription de certains produits. Sur le plan
légal, on ne peut rien contre cette argumentation puisque
bon nombre de produits dopants sont aussi des médicament
réguliers.
Le substitut
du procureur général Sabbe, le coordinateur en chef
du réseau d’expertise Déchets et sécurité
alimentaire, procède régulièrement à
des formations dans les écoles de police de Flandre
orientale et occidentale. Il conviendra de juger, en concertation
avec le département de l’Intérieur, dans
quelle mesure il est possible d’améliorer encore
cette formation. Les services de police qui sont confrontés
à des dossiers de dopage difficiles peuvent dès à
présent se renseigner et trouver du soutien après
de la Cellule multidisciplinaires des hormones de la police
fédérale.
Je reste
opposée au système des repentis, pour des raisons
de principe et d’ordre éthique. Le magistrat de
référence a souligné lui aussi en commission
du Sénat qu’il serait préférable de ne
pas accepter le système parce que la cause d’excuse
atténuante existante n’est quasiment jamais
appliquée dans le cadre de loi sur la drogue et les
hormones. Le ministre flamand des Sports n’a pas encore
pris contact avec moi à ce sujet.
|
Mevrouw Laurette Onkelinx,
vice-eersteminister en minister van Justitie. – De meeste
aanbevelingen van de Senaatscommissie vallen niet onder mijn
bevoegdheid. Over de aspecten waarvoor ik wel bevoegd ben, kan ik
het volgende zeggen.
Voor zowel politie als gerecht is de
zwendel in dopingproducten een prioriteit. De suggestie van de
commissie om bij opsporings- en gerechtelijke onderzoeken alle
betrokken diensten rond de tafel te brengen is best interessant,
maar lijkt me moeilijk realiseerbaar gelet op het geheim van het
onderzoek.
Het toepassingsgebied van de
rondzendbrief van 4 oktober 2004 van de
procureurs-generaal van Antwerpen, Brussel en Gent kan niet
zomaar worden uitgebreid, aangezien de brief per definitie enkel
betrekking heeft op Vlaanderen en de Nederlandstalige
Brusselaars. Ik heb reeds overlegd met de heer Claude
Eerdekens, de Franse Gemeenschapsminister bevoegd voor Sport. Ook
de Franse Gemeenschap is bereid een gelijkaardige rondzendbrief
op te stellen, waarbij vanzelfsprekend met de wetgeving van de
Franse Gemeenschap rekening zal moeten worden gehouden. De
Interdepartementale Coördinatiecel Veiligheid van de
Voedselketen overlegt reeds met de Franse Gemeenschap en wellicht
zal binnenkort een gemeenschappelijke rondzendbrief worden
opgesteld.
Artsen die dopingproducten
voorschrijven kunnen in principe reeds strafbaar zijn. De artsen
verweren zich echter altijd met de stelling dat ze een
therapeutische diagnose hebben gesteld waarbij het voorschrift
van bepaalde producten verantwoord is. Tegen dat verweer kan op
wetgevend vlak niets worden ingebracht, aangezien veel
dopingproducten ook reguliere geneesmiddelen zijn.
Substituut-procureur-generaal Sabbe,
de hoofdcoördinator van het Expertisenetwerk Residuen en
Voedselveiligheid, geeft regelmatig opleidingen in de
politiescholen van Oost- en West-Vlaanderen. Er zal samen met
Binnenlandse Zaken worden nagegaan in welke mate die opleiding
nog kan worden verbeterd. Politiediensten die met moeilijke
dopingdossiers worden geconfronteerd, kunnen nu reeds bij de
Multidisciplinaire Hormonencel van de federale politie terecht
voor inlichtingen en ondersteuning.
Ik blijf om principiële en
ethische redenen tegen het systeem van de spijtoptanten gekant.
Ook de referentiemagistraat heeft in de Senaatscommissie
onderstreept dat het systeem best niet wordt aanvaard, omdat de
bestaande strafverminderende verschoningsgrond in het kader van
de drug- en hormonenwet bijna nooit wordt toegepast. De Vlaamse
minister van Sport heeft met betrekking tot zijn idee nog geen
contact met mij opgenomen.
|
|
Mme Annemie
Van de Casteele (VLD). – C’est vraiment un
dialogue de sourds. Je me suis référée à
la réponse de la ministre à une demande
d’explications similaire de M. Germeaux en date du
27 octobre 2005. Aujourd’hui, la ministre a
littéralement repris cette réponse, à
l’exception de la dernière phrase.
Nous pouvons
en déduire qu’aucun progrès n’a été
fait. Nous attendons toujours les mesures et la concertation
annoncées à l’époque.
J’ai
l’impression que la ministre ne comprend pas que la
question du dopage provoque un vif émoi, particulièrement
dans la presse flamande. En Flandre, on demande que le
gouvernement prenne des mesures pour intensifier la lutte contre
le dopage.
J’ai
appris aujourd’hui que la ministre émet des
objections d’ordre éthique contre les repentis. Dans
sa précédente réponse, elle s’était
limitée à dire que l’article de la loi pénale
était rarement appliqué.
Je n’ai
pas reçu de réponse à mes questions sur la
réaction de la ministre à la proposition du
ministre Anciaux et la concertation avec les ministres des
Sports.
J’insiste
pour que la ministre fasse preuve de plus de proactivité
dans cette matière.
|
Mevrouw Annemie Van de
Casteele (VLD). – Dit noem ik naast elkaar praten. Ik
heb in mijn vraag het antwoord van de minister van
27 oktober 2005 op een gelijkaardige vraag van
de heer Germeaux aangehaald. Zij neemt dat antwoord nu
letterlijk over, met uitzondering van de laatste zin.
Hieruit kunnen we afleiden dat
inmiddels geen vooruitgang werd geboekt. De toen aangekondigde
maatregelen en het in het vooruitzicht gesteld overleg werden nog
steeds niet gerealiseerd.
Ik heb de indruk dat de minister
niet begrijpt hoeveel heisa er met betrekking tot de
dopingproblematiek is ontstaan, vooral in de Vlaamse pers. In
Vlaanderen vraagt men de regering maatregelen te nemen om het
dopinggebruik krachtiger te bestrijden.
Vandaag heb ik ook vernomen dat de
minister ethische bezwaren heeft tegen spijtoptanten. In haar
vorig antwoord beperkte ze zich tot het feit dat het artikel uit
de strafwet weinig wordt toegepast.
Ik heb geen antwoord gekregen over
haar reactie op het voorstel van minister Anciaux en of ze
overleg zal plegen met de ministers van Sport.
Tot slot wil ik er bij de minister
op aandringen iets proactiever te zijn in deze materie.
|
|
Question
orale de M. Etienne Schouppe au vice-premier ministre et
ministre des Finances sur «la gestion du personnel dans le
SPF Finances» (nº 3-1376)
|
Mondelinge
vraag van de heer Etienne Schouppe aan de
vice-eersteminister en minister van Financiën over «het
personeelsbeleid binnen de FOD Financiën»
(nr. 3-1376)
|
|
Question
orale de M. Christian Brotcorne au vice-premier ministre et
ministre des Finances sur «le malaise régnant au
sein du SPF Finances» (nº 3-1383)
|
Mondelinge
vraag van de heer Christian Brotcorne aan de
vice-eersteminister en minister van Financiën over «de
heersende malaise bij de FOD Financiën»
(nr. 3-1383)
|
|
Mme la présidente.
– Je vous propose de joindre ces questions orales.
(Assentiment)
|
De voorzitter. – Ik
stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)
|
|
M. Etienne
Schouppe (CD&V). – Je présume que le
ministre aura suivi avec attention la manifestation de ses
fonctionnaires il y a quelques jours. Il n’a sans doute pas
été heureux de constater qu’un quart de son
personnel y participait.
Au SPF
Finances, certains grades techniques spécifiques, par
exemple les fonctionnaires des rangs A21 et A22, à savoir
les contrôleurs et inspecteurs ainsi que les inspecteurs
principaux, occupent des postes clés et font tourner le
service, particulièrement dans les régions et les
sous-régions. Ces fonctionnaires doivent impérativement
avoir une bonne connaissance technique de la législation
et de la réglementation fiscale. Le passage du rang A21 au
rang A22 est d’ailleurs subordonné à la
réussite d’une épreuve de qualification
professionnelle longue et difficile. L’attribution correcte
de ces fonctions est capitale pour le bon fonctionnement du
département.
Le plan de
personnel 2005 et 2006 prévoit suffisamment de places pour
la promotion des lauréats. Jusqu’au
31 décembre 2004, ces emplois étaient
pourvus rapidement et sans aucun problème.
Ces dernières
années, la direction P&O a manifestement estimé
qu’en l’absence de règlement organique, ces
promotions n’avaient aucune base légale. C’est
un fantastique parapluie qu’un ministre peut toujours
utiliser. Nous constatons en effet que ce règlement
organique inexistant est pourtant bel et bien utilisé par
les services pour recruter de nouveaux contractuels venant de
l’extérieur et leur faire occuper les fonctions qui
reviennent en réalité aux lauréats des
examens de promotion internes.
Quant
publiera-t-on enfin à nouveau la liste des postes à
pourvoir dans les bureaux régionaux en vue d’un
recrutement rapide ?
Quand le SPF
Finances disposera-t-il enfin d’un nouveau règlement
organique et d’un nouveau cadre du personnel ?
Est-il exact
que le ministre de la Fonction publique fait lanterner le
ministre des Finances en ne lui transmettant pas le règlement
organique et le cadre du personnel, autrement dit, qu’il le
bloque de fait ?
Pendant
combien de temps encore les postes clés des bureaux
régionaux continueront-ils à être occupés
par des contractuels ?
|
De heer Etienne
Schouppe (CD&V). – Ik veronderstel dat de minister
enkele dagen geleden een aandachtig toeschouwer was van de
betoging van zijn ambetantenaren, zoals zijn collega
Vincent Vankafkaborne ze heeft bestempeld. Allicht was het geen
pretje te constateren dat een vierde van zijn personeel betoogde.
Binnen de FOD Financiën
bezetten specifieke technische graden, zoals de ambtenaren van de
rangen A21 en A22, zijnde de controleurs en de inspecteurs
evenals de eerstaanwezende inspecteurs, sleutelfuncties.
Voornamelijk in de regio’s en subregio’s houden ze de
dienst draaiend. Een goede technische kennis van de fiscale
wetgeving en reglementering is voor deze ambtenaren
onontbeerlijk. De overgang van rang A21 naar A22 is overigens
afhankelijk van het slagen in een moeilijke en omvangrijke proef
over de beroepsbekwaamheid. De correcte bezetting van deze
functies is cruciaal voor de goede werking van het ministerie
naar de bevolking toe.
In het personeelsplan 2005 en 2006
zijn voldoende plaatsen voor het bevorderen van de geslaagde
laureaten. Tot 31 december 2004 gebeurde het opvullen
van de vacante betrekkingen snel en zonder problemen.
De jongste twee jaar oordeelt de
directie P&O kennelijk dat er geen wettelijke basis bestaat
voor die bevorderingen omdat er geen organiek reglement is. Dat
is een fantastische paraplu die een minister altijd kan
gebruiken. We stellen immers vast dat datzelfde organieke
reglement, dat dus niet bestaat, door de diensten goed wordt
gebruikt om op contractuele basis nieuwe personeelsleden van
buitenaf aan te werven, precies voor die functies die eigenlijk
toekomen aan mensen die geslaagd zijn voor interne
bevorderingsexamens.
Wanneer wordt eindelijk opnieuw de
lijst gepubliceerd van de vrije plaatsen in de regionale kantoren
met het oog op een snelle aanwerving?
Wanneer krijgt de FOD Financiën
eindelijk een nieuw organiek reglement en een nieuwe
personeelsformatie?
Is het juist dat de minister van
Ambtenarenzaken de minister van Financiën aan het lijntje
houdt en hem het organiek reglement en de personeelsformatie niet
doorspeelt, hem met andere woorden de facto blokkeert?
Hoe lang nog zullen de sleutelposten
in de regionale kantoren door contractuele personeelsleden
ingevuld blijven?
|
|
M. Christian Brotcorne
(CDH). – Je partage les préoccupations de notre
collègue Etienne Schouppe. La manifestation qui s’est
déroulée le 23 janvier dernier n’est
certainement pas un événement anodin,
indépendamment du nombre de participants. Selon les
organisateurs, les manifestants dénoncent un « projet
incohérent » au niveau de la modernisation du
département qui entraînerait « la
désorganisation, la démotivation et le stress
croissant du personnel ».
Les manifestants craignent en outre
des nominations politiques. En effet, les emplois ne seront plus
conférés sur la base des règles de
classement objectives qui ont prévalu jusqu’à
présent au sein du SPF Finances. Ces règles étaient
basées par exemple sur l’ancienneté, combinée
ou non avec le résultat d’un examen de carrière.
Apparemment, seul le profil de la fonction serait désormais
pris en compte. Pour les agents, cela cache un peu tout et
n’importe quoi.
Si l’on en croit encore le
front commun syndical, la pyramide des âges est aussi à
la source d’une véritable hémorragie de
départs à la retraite. D’ici 2012, on parle
de départs naturels qui feront fondre l’effectif
total de 30.000 à 20.000 fonctionnaires. Pour cinq départs
en 2007, trois engagements sont prévus et, nous dit-on, à
partir de 2009, une arrivée pour deux départs. Je
sais que l’informatique permet de remplacer parfois des
fonctionnaires dont le nombre ne doit pas nécessairement
rester constant. Encore faut-il que l’informatique soit
effectivement opérationnelle, ce qui est loin d’être
le cas dans votre département, comme cela a déjà
été démontré par le passé.
Par ailleurs, les organisations
syndicales dénoncent l’absence totale de dialogue
social entre elles-mêmes et le management dans une série
de dossiers, notamment en ce qui concerne les formations
certifiées, les mutations temporaires, les horaires d’été,
etc.
Monsieur le ministre, je voudrais
savoir si vous confirmez ce tableau tel qu’il est dressé
par les organisations syndicales. Partagez-vous le sentiment de
vos agents quant à l’existence de tensions au niveau
de l’organisation du travail et à l’absence de
dialogue social entre les organisations représentatives et
le management ? Dans l’affirmative, comment
comptez-vous y remédier ? Quelles sont les mesures
que vous envisagez à cette fin ?
Quant aux engagements et à la
problématique des nominations, j’aimerais que vous
m’expliquiez les raisons qui justifient, à vos yeux,
que dorénavant seul un profil de fonction soit pris en
considération. Estimez-vous que ce profil permet de mieux
garantir l’objectivité de la sélection ?
Si oui, comment ?
Je pense que vous ne contesterez pas
que votre département a besoin d’une structure
claire, de processus de travail transparents, d’instructions
réalistes et aisément applicables par les agents. À
cet égard, il est important que vous puissiez préciser
dans quel délai les agents de votre SPF pourront espérer
quitter la cellule provisoire dans laquelle ils ont été
versés depuis le 1er janvier 2003.
Selon quelles modalités le transfert se fera-t-il ?
Sera-ce uniquement sur la base du profil ou bien d’autres
considérations interviendront-elles ? J’écouterai
avec beaucoup d’intérêt votre réponse à
ce sujet.
Enfin, de manière plus
fondamentale peut-être, pouvez-vous nous indiquer comment
vous envisagez la spécificité du département
des Finances qui, jusqu’à présent, avait
toujours été reconnue et comment l’envisagez-vous,
notamment en ce qui concerne les carrières ?
Autrement dit, comment comptez-vous maintenir la compétence
technique de haut niveau, qui est souvent reconnue aux agents du
SPF Finances et qui fait la réputation de votre
département, à l’heure où certains
envisagent de fondre les agents des Finances dans l’ensemble
de la Fonction publique ?
|
De heer Christian
Brotcorne (CDH). – Ik deel de bezorgdheid van
de heer Schouppe. De betoging van 23 januari is
zeker niet onbeduidend, ongeacht het aantal deelnemers. Volgens
de organisatoren stellen de betogers de gebrekkige modernisering
van het departement aan de kaak. Die zou leiden tot
desorganisatie, demotivering en toenemende stress bij het
personeel.
Bovendien
vrezen de betogers politieke benoemingen. De ambten zullen immers
niet langer worden toegewezen op basis van de regels van de
objectieve rangschikking die tot nu toe golden in de FOD
Financiën en die gebaseerd waren op de anciënniteit, al
dan niet gekoppeld aan het resultaat van een loopbaanexamen.
Voortaan zou alleen rekening worden gehouden met het
functieprofiel. Voor de personeelsleden kan dit zowat alles en
niets verhullen.
Nog volgens
het gemeenschappelijk vakbondsfront ligt ook de leeftijdspiramide
aan de basis van een ware leegloop door pensionering. Tot 2012
zal het aantal ambtenaren door natuurlijke afvloeiing dalen van
30.000 tot 20.000. In 2007 zullen per vijf personeelsleden die
het ministerie verlaten, maar drie nieuwe personeelsleden in
dienst worden genomen. Vanaf 2009, zo wordt ons gezegd, zou er
maar één indienstneming staan tegenover twee
afvloeiingen. Ik weet wel dat de informatica soms ambtenaren
overbodig kan maken en dat het aantal ambtenaren ook niet
noodzakelijk op hetzelfde peil moet blijven. Die informatica moet
dan echter wel operationeel zijn, wat lang niet het geval is in
het departement van de minister, zoals in het verleden al is
gebleken.
De
vakbondsorganisaties hekelen bovendien het totale gebrek aan
sociale dialoog met het management in verband met een reeks
dossiers, inzonderheid met betrekking tot de gecertificeerde
opleidingen, de tijdelijke mutaties, de zomerregeling, enzovoort.
Kan de
minister de door de vakbondsorganisaties beschreven situatie
bevestigen? Deelt hij het gevoel van zijn personeelsleden in
verband met de aanwezigheid van spanningen op het vlak van de
organisatie van het werk en het ontbreken van een sociale dialoog
tussen de representatieve organisaties en het management? Zo ja,
hoe wil hij daar iets aan doen? Welke maatregelen overweegt hij
daartoe te nemen?
Kan de
minister mij in verband met de indienstnemingen en de benoemingen
verklaren om welke redenen hij het verantwoord vindt dat voortaan
alleen een functieprofiel in aanmerking zal worden genomen? Meent
hij dat met dat profiel de objectiviteit bij de selectie beter
wordt gegarandeerd? Zo ja, hoe?
De minister
zal zeker niet betwisten dat zijn departement een duidelijke
structuur nodig heeft, alsook transparante procedures en
realistische instructies die gemakkelijk kunnen worden toegepast
door de personeelsleden. In dat opzicht is het van belang dat hij
kan zeggen binnen welke termijn de personeelsleden van zijn FOD
de voorlopige cel zullen kunnen verlaten waarin ze sedert
1 januari 2003 werden ondergebracht. Volgens welke
voorwaarden zal die overdracht plaatsvinden? Wordt alleen
rekening gehouden met het profiel of spelen ook andere
overwegingen mee?
Hoe ziet de
minister het specifieke karakter van het departement Financiën,
dat tot nog toe altijd werd erkend, vooral met betrekking tot de
loopbanen? Hoe zal hij de hoogstaande technische vaardigheid
vrijwaren die wordt toegeschreven aan de personeelsleden van de
FOD Financiën, nu sommigen overwegen deze personeelsleden op
te nemen in het geheel van het overheidspersoneel?
|
|
M. Didier Reynders,
vice-premier ministre et ministre des Finances. – La
restructuration d’une administration d’une certaine
taille suscite évidemment un débat permanent. Je
comprends dès lors très bien que d’aucuns
soient préoccupés par les changements au sein d’un
département comme celui des Finances. On entend ainsi
régulièrement des commentaires sur la taille de ce
département.
|
De heer Didier
Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën.
– De herstructurering van een administratie van enige
omvang lokt uiteraard voortdurend discussies uit. Ik begrijp dan
ook zeer goed dat sommigen bezorgd zijn over de wijzingen binnen
een departement als Financiën. We horen ook geregeld
commentaar over de grootte van dat departement.
|
|
Le dégraissage
d’un service public fédéral ou d’une
entreprise publique est un processus de longue haleine. Il faut
en outre trouver un équilibre entre les investissements et
l’évolution du cadre du personnel.
Le SPF
Finances a consenti de nombreux investissements. Le bâtiment
North Galaxy, un progrès par rapport à
l’ancienne tour des Finances, peut accueillir plus de 3.000
agents. Chaque année nous investissons plus de 100
millions dans l’informatique. En décembre 2006,
nous avons payé des allocations de compétences à
quelque 7.500 agents pour un montant total de 31 millions
d’euros.
Les
inspecteurs attachés à une administration fiscale
et ayant réussi une épreuve de qualification
professionnelle leur donnant accès au titre d’inspecteur
principal auprès d’une administration fiscale sont
d’ores et déjà rémunérés
dans l’échelle de traitement A21
|
Het afslanken van een federale
overheidsdienst of van een overheidsbedrijf is een proces van
lange duur. Er moet bovendien een evenwicht zijn tussen de
investeringen en de evolutie van het personeelsbestand.
De FOD Financiën heeft heel wat
investeringen gedaan. Het North Galaxygebouw, een
verbetering in vergelijking met de vroegere Financiëntoren,
biedt plaats aan meer dan 3.000 personeelsleden. Jaarlijks wordt
meer dan 100 miljoen euro in informatica geïnvesteerd. In
december 2006 werd in totaal 31 miljoen euro
competentietoelagen betaald aan ongeveer 7.500 personeelsleden.
De inspecteurs bij een fiscaal
bestuur die geslaagd zijn voor een proef van beroepsbekwaamheid
die toegang verleent tot de titel van eerstaanwezend inspecteur
bij het fiscaal bestuur, worden op grond van de huidige
regelgeving reeds bezoldigd in de weddenschaal A21.
|
|
Avant d’en revenir au
règlement organique, je voudrais dire à
M. Brotcorne que tout ce que je viens d’évoquer
se situe dans le cadre d’un dialogue social. Il y a très
régulièrement des rencontres avec les représentants
du management et ceux du personnel. Je reçois aussi
personnellement les représentants du personnel à
mon cabinet. Il arrive qu’ils ne répondent pas à
mes offres de les rencontrer et préfèrent aller
voir l’un de mes collègues dans un autre
département, comme cela a été le cas à
la fin de la manifestation. Je ne peux évidemment pas les
obliger mais la porte reste ouverte et je suppose qu’ils
reviendront.
Je confirme que j’ai présenté
au Conseil des ministres un projet d’arrêté
royal adaptant le règlement organique de mon département,
à la suite de l’introduction des carrières
dans le niveau A. Nous avançons actuellement sur ce
point. Comme je l’ai toujours affirmé, dans la
première phase de la restructuration des carrières
de ce niveau, il s’agit d’une transcription des
règles anciennes aux nouvelles terminologies, sans
modifications de fond. Cela ne devrait donc pas provoquer de
perturbations importantes. On a simplement ajouté, pour
les directeurs régionaux et les présidents des
comités d’acquisition, l’analyse de la
capacité à diriger. Dès lors qu’il y a
une équipe à diriger, cela me paraît la
moindre des choses.
Je confirme que le SPF Finances se
trouve dans la cellule provisoire depuis le 1er janvier 2003.
La structure n’est toujours pas claire mais le but est de
réaliser cette structure juridique conformément à
l’organigramme décidé par le gouvernement. Je
proposerai dès lors très prochainement des textes
réglementaires en la matière.
Le texte qui a été
soumis au Conseil des ministres devrait être approuvé
cette semaine, en concertation avec les organisations syndicales.
J’espère d’ailleurs obtenir l’accord des
ces dernières qui souhaitent que l’on avance sur les
promotions au sein du département. Le texte sera ensuite
soumis à l’avis du Conseil d’État pour,
enfin, entrer en vigueur. Il devrait permettre de réaliser
plusieurs centaines de promotions dans le cadre du règlement
organique, sur la base des dispositions actuelles. Cela signifie
que dans le courant de cette année, nous devrions pouvoir
mettre fin, par exemple, à la présence d’un
grand nombre de membres du personnel à caractère
intérimaire aux fonctions supérieures, dans le
cadre des directeurs régionaux. Un débat a
effectivement toujours existé sur la nécessité
de passer éventuellement à des systèmes de
mandat pour ces fonctions, comme on l’a fait dans d’autres
cadres. Nous y reviendrons aussi dans le plan du personnel 2008.
J’ai toujours défendu
la spécificité des fonctions du SPF Finances là
où elle se justifie. Il faut pouvoir démontrer
qu’il y a une compétence particulière dans
des domaines liés notamment à la fiscalité.
C’est ce qui a entraîné une négociation
avec mes collègues au sein du gouvernement, le ministre de
la Fonction publique et la ministre du Budget, pour prévoir
un certain nombre de situations dérogatoires mais
également des budgets complémentaires. Je voudrais
saluer le travail réalisé en commun. Ces statuts
dérogatoires ont été transcrits dans la
réalité, le niveau A restant à
confirmer. Ces statuts dérogatoires ont entraîné
des budgets complémentaires qui permettent de rémunérer
à d’autres niveaux les agents du département
des finances. Je répète qu’il faut pour cela
pouvoir justifier une spécificité, toutes les
fonctions au sein du département des Finances n’étant
évidemment pas spécifiques, au sens où elles
seraient différentes de celles d’autres
départements. Des dossiers précis ont donc été
introduits à chaque fois.
Nous allons donc continuer à
investir en ce sens et je confirme que nous le ferons notamment
en ce qui concerne la formation. Ce que j’ai dit en
commençant le confirme déjà : la
formation, c’est notamment la nécessité de
vérifier les niveaux de compétence. Nous l’avons
fait à travers des tests pendant l’année
2006. C’est ce qui a conduit au mois de décembre, un
mois avant la manifestation, au paiement de 31 millions d’euros
pour 7.500 agents, pour les allocations de compétence
couvrant deux années de rémunération. J’ai
toujours tenu à ce que l’on fasse jouer la
rétroactivité afin que les retards qui pouvaient
intervenir dans les négociations à l’échelon
du gouvernement ne pénalisent pas les agents eux-mêmes.
Il a été tenu compte de cette rétroactivité
dans les paiements faits au mois de décembre.
|
Alles wat ik
heb aangehaald, vindt plaats in het kader van een sociale
dialoog. Er worden zeer geregeld ontmoetingen georganiseerd
tussen de vertegenwoordigers van het management en die van het
personeel. Ik ontvang ook persoonlijk vertegenwoordigers van het
personeel op mijn kabinet. Soms gaan ze niet in op mijn voorstel
om hen te ontmoeten en gaan ze liever naar één van
mijn collega’s van een ander departement, zoals bij de
ontbinding van de betoging. Ik kan hen uiteraard niet
verplichten, maar mijn deur blijft open en ik veronderstel dat ze
zullen terugkomen.
Ik heb de
Ministerraad een ontwerp van koninklijk besluit voorgelegd tot
aanpassing van het organiek reglement van mijn departement als
gevolg van de invoering van loopbanen in niveau A. Op dat
punt boeken we vooruitgang. In de eerste fase van de
herstructurering van de loopbanen van dat niveau moeten de oude
regels worden omgezet in nieuwe terminologieën, zonder ze
fundamenteel te wijzigen. Dat zou niet voor veel onrust mogen
zorgen. Voor de gewestelijk directeurs en de voorzitters van de
aankoopcomités werd alleen de analyse van het
leidinggevende vermogen toegevoegd. Dat lijkt mij het minimum
wanneer een team moet worden geleid.
De FOD
Financiën is inderdaad sedert 1 januari 2003
opgenomen in een voorlopige cel. De structuur is niet altijd even
duidelijk, maar het is de bedoeling die juridische structuur uit
te werken overeenkomstig het organogram waartoe de regering heeft
beslist. Ik zal dan ook zeer binnenkort regelgevende teksten ter
zake indienen.
De tekst die
bij de Ministerraad werd ingediend, zou deze week moeten worden
goedgekeurd, in overleg met de vakbondsorganisaties. Ik hoop
overigens dat ze ermee instemmen, want zij willen vooruitgang
boeken op het gebied van de bevorderingen in het departement.
Daarna wordt de tekst voor advies aan de Raad van State
voorgelegd, zodat hij in werking kan treden. Daarmee zouden
honderden bevorderingen mogelijk moeten worden in het kader van
het organiek reglement, op basis van de huidige bepalingen. Dat
betekent dat we in de loop van het jaar een einde zouden kunnen
maken aan de aanwezigheid van een groot aantal tijdelijke
personeelsleden met hogere functies in de formatie van de
gewestelijk directeurs. Er is immers altijd gediscussieerd over
de noodzaak om eventueel over te gaan tot een mandaatregeling
voor die ambten, zoals dat ook in andere formaties het geval is.
We zullen daar ook op terugkomen in het personeelsplan 2008.
Ik heb altijd
het specifieke karakter van de ambten van de FOD Financiën
verdedigd waar dat verantwoord is. Er moet kunnen worden
aangetoond dat een bijzondere competentie vereist is, vooral
inzake fiscale aangelegenheden. Dat heeft geleid tot
onderhandelingen met de minister van Ambtenarenzaken en de
minister van Begroting, om te voorzien in een aantal
uitzonderingen en extra middelen. Ik ben tevreden over het werk
dat we gezamenlijk hebben gerealiseerd. De afwijkende statuten
werden omgezet in de praktijk, al moet niveau A nog worden
bevestigd. Die afwijkende statuten hebben geleid tot extra
middelen, zodat de personeelsleden van het departement Financiën
op andere niveaus kunnen worden bezoldigd. Daarvoor moet een
specifiek karakter kunnen worden verantwoord. Niet alle ambten in
het departement van Financiën hebben een specifiek karakter,
in die zin dat ze zouden verschillen van die van de andere
departementen. Er werden dus telkens specifieke dossiers
ingediend.
We zullen
blijven investeren in die zin, vooral wat de opleiding betreft.
Wat ik in het begin zei, bevestigt dit reeds: de opleiding is een
noodzaak om de competentieniveaus na te gaan. In 2006 hebben we
daartoe tests georganiseerd. Dat heeft in december, één
maand vóór de betoging, geleid tot de betaling van
31 miljoen euro aan 7.500 personeelsleden, voor de
competentietoelagen die overeenstemmen met twee jaren
bezoldiging. Ik stond altijd op een retroactieve toepassing opdat
de personeelsleden geen nadeel zouden ondervinden van de
vertragingen die zich mogelijk konden voordoen tijdens de
onderhandelingen op regeringsniveau. Voor de betalingen van
december werd rekening gehouden met die retoractiviteit.
|
|
La prochaine
étape sera l’approbation d’un arrêté
royal bien élaboré en conseil des ministres. Nous
reprendrons ensuite les négociations avec les syndicats et
nous demanderons l’avis du Conseil d’État. Dès
que l’arrêté royal aura été
publié, il sera possible de promouvoir 400 fonctionnaires,
de sorte que nous ne devrons plus désigner des
contractuels, en tout cas à des postes de directeur
régional.
|
De eerstvolgende stap is de
goedkeuring van een goed uitgewerkt koninklijk besluit in de
ministerraad. Vervolgens hervatten we de onderhandelingen met de
vakbonden en vragen we de Raad van State om advies. Zodra het
koninklijk besluit gepubliceerd is, zal het mogelijk zijn 400
ambtenaren te bevorderen, zodat we niet langer moeten werken met
contractuele personeelsleden, zeker voor de functies van
gewestelijke directeur.
|
|
M. Etienne
Schouppe (CD&V). – L’indemnisation financière
destinée à compenser le retard pris dans les
promotions peut éventuellement mettre du baume au cœur
des fonctionnaires préjudiciés mais cela n’est
pas très profitable au fonctionnement du département.
Pour moi, l’important est que le département soit
bien structuré et que les personnes qui doivent assurer le
bon fonctionnement au niveau régional et sous-régional
puissent travailler dans la stabilité et la continuité.
Le département des Finances doit redevenir un exemple en
matière d’interaction entre les citoyens et les
entreprises, d’une part, et le SPF Finances, d’autre
part.
Le ministre
annonce à présent qu’il va soumettre au
conseil des ministres un projet d’arrêté royal
concernant le cadre moyen et supérieur. Il reste néanmoins
particulièrement évasif quant à la date de
la signature. Cette semaine encore ? Il ne nous reste qu’à
attendre.
Il importe que
nous ayons un calendrier précis et ce, non seulement pour
les fonctionnaires concernés, mais également pour
la bonne gestion des finances du pays. D’ici deux à
trois mois, nous devons avoir partout « the right
man in the right place » et les pratiques
actuelles doivent avoir cessé. J’espère que
cela se produira avant le départ du ministre, afin que son
successeur n’hérite pas du problème.
Ce ne sont pas
les 31 millions supplémentaires qui résoudront le
problème. La seule solution est que tous les postes
vacants soient pourvus de manière définitive et
structurelle.
|
De heer Etienne
Schouppe (CD&V). – De financiële vergoeding
voor het uitblijven van de bevorderingen kan mogelijk wel balsem
op de wonde zijn voor de benadeelde ambtenaren, maar voor de
werking van het departement levert dat niet veel op. Mij is het
er vooral om te doen dat het departement goed gestructureerd is
en dat de mensen die op subregionaal en regionaal vlak de goede
werking moeten verzekeren, op een stabiele, continue basis hun
werk kunnen doen. Het departement van Financiën moet opnieuw
als voorbeeld kunnen dienen inzake de wisselwerking tussen de
burgers en de bedrijven, enerzijds, en de federale
overheidsdienst Financiën, anderzijds.
De minister kondigt nu aan dat hij
voor het midden- en topkader een ontwerp van koninklijk besluit
bij de ministerraad indient. Hij blijft wel erg vaag over het
tijdstip waarop het zal worden goedgekeurd. Is dat deze week? We
kunnen het alleen maar hopen. Wanneer zal het met de sociale
partners worden besproken? Ook nog deze week? We kunnen alleen
maar uitkijken.
Er moet een duidelijk tijdschema
komen. Dat is niet alleen belangrijk voor de betrokken
ambtenaren, maar ook voor het goede beheer van de financiën
van het land. Binnen twee of drie maanden moet overal the
right man in the right place belanden en moet een einde
worden gemaakt aan de wel zeer ongelukkige manier waarop de
functies nu worden opgevuld. Ik hoop dat dit gebeurt nog vóór
de minister het departement verlaat, zodat zijn opvolger het
probleem niet moet oplossen.
Een bijkomende 31 miljoen zal het
probleem niet oplossen. Alleen een definitieve structurele
invulling van alle vacante functies kan dat.
|
|
M. Christian Brotcorne
(CDH). – Je pense que l’on ne peut pas contester
le malaise existant. Il provient peut-être du fait que le
ministre est en quelque sorte adepte du principe « hâte-toi
lentement ». Depuis le 1er janvier 2003, la
situation des agents est insécurisée au terme de
leur carrière, du fait que le système est
provisoire.
J’entends que l’on
pourra envisager de régulariser la situation dans le
courant de 2007. Nous y serons attentifs dans le cadre d’un
dialogue social qui me paraît absolument devoir être
renoué ou en tout cas se dérouler sur des bases
différents de celles qui prévalent aujourd’hui.
En effet, certains considèrent que ce dialogue social
n’est pas mené de manière parfaitement
correcte.
Je retiens également
l’engagement pris par le ministre de conserver une forme de
spécificité pour des fonctions précises. Je
suis certain, et je le rejoins sur ce point, que toutes les
fonctions du SPF Finances ne sont pas spécifiques à
ce département, mais qu’elles sont largement
semblables à d’autres de la fonction publique.
Nous attendrons avec intérêt
une liste de ces fonctions que l’on considère comme
spécifiques, avec le statut et la carrière
correspondants, de même que le financement dont le ministre
fait état, mais dont on attend la concrétisation.
|
De heer Christian
Brotcorne (CDH). – Er kan niet worden betwist dat er
ongenoegen heerst. Het is misschien te wijten aan het feit dat de
minister in zekere zin een aanhanger is van het principe ‘haast
u langzaam’. Sedert 1 januari 2003 zijn de
personeelsleden onzeker over hun loopbaan omdat ze in een
voorlopige regeling zitten.
Ik hoor dat de
situatie in de loop van 2007 kan worden geregulariseerd. We
zullen daar aandachtig op toekijken in het kader van een sociale
dialoog die volgens mij absoluut opnieuw moet worden aangevat of
die in ieder geval op een andere basis moet verlopen dan thans
het geval is. Sommigen menen immers dat de sociale dialoog niet
geheel correct verloopt.
Ik onthoud ook
dat de minister beloofd heeft een specifiek karakter te behouden
voor welbepaalde functies. Ik ben het met hem eens dat niet alle
functies binnen de FOD Financiën specifiek zijn voor dat
departement, maar goed vergelijkbaar zijn met andere functies van
het openbaar ambt.
We wachten met
belangstelling op de lijst van de functies die als specifiek
worden beschouwd, samen met het statuut en de loopbaan die ermee
overeenstemmen, alsook op de financiering waarover de minister
sprak, maar waarvan we de concretisering afwachten.
|
|
Question
orale de M. Philippe Mahoux au ministre des Affaires
étrangères sur «la conférence
internationale à Oslo sur les bombes à
sous-munitions» (nº 3-1373)
|
Mondelinge
vraag van de heer Philippe Mahoux aan de minister van
Buitenlandse Zaken over «de internationale conferentie te
Oslo over clusterbommen» (nr. 3-1373)
|
|
M. Philippe Mahoux (PS).
– La Belgique participe aux sessions de la Convention de
1980 des Nations unies sur certaines armes classiques, la CCW,
qui régit l’utilisation des explosifs de guerre.
La CCW est un instrument du droit
international humanitaire qui cherche à réduire
l’impact destructeur de certaines armes ayant des effets
indiscriminés ou n’étant pas proportionnés
aux menaces identifiées. Nonante-deux États sont
parties à cette conférence et les décisions
se prennent par consensus. Dans le cadre de cette convention, les
experts gouvernementaux poursuivent actuellement leurs travaux et
abordent plus spécifiquement la question des bombes à
sous-munitions.
Malheureusement, les discussions
concernant ce type de bombes ne semblent pas évoluer. Nous
nous retrouvons aujourd’hui dans le même scénario
que pour les mines antipersonnel. Ainsi, voyant que le débat
n’évolue pas au sein de la CCW, certains pays
décident d’aborder le sujet en dehors de celle-ci en
organisant une conférence internationale sur le sujet. Le
pays ayant pris le leadership en la matière est la
Norvège. Le gouvernement norvégien organisera une
conférence les 22 et 23 février prochains à
Oslo afin d’avancer au plan international sur la
problématique des bombes à sous-munitions.
Le même blocage existait sur
le plan multilatéral dans le cadre de la problématique
des mines antipersonnel. Des initiatives d’État ont
été prises et ont permis d’aboutir à
la Convention d’Ottawa. On ne peut donc privilégier
a priori une technique par rapport à une autre. Je
rappelle qu’à l’heure actuelle, il semble y
avoir un blocage ou en tout cas une stagnation évidente,
au plan de la CCW.
Monsieur le ministre, quelle est la
position de la Belgique par rapport à cette initiative
norvégienne ? Comptez-vous y participer
personnellement ou vous y faire représenter ?
Considérant que la Belgique est le premier pays à
avoir adopté une législation interdisant les bombes
à sous-munitions, comment comptez-vous promouvoir le
savoir-faire belge en la matière ?
|
De heer Philippe
Mahoux (PS). – België neemt deel aan de
bijeenkomsten van de VN-Conventie van 1980 inzake bepaalde
conventionele wapens, de CCW, die handelt over het gebruik van
oorlogsexplosieven.
De CCW is een
instrument van internationaal humanitair recht dat de
vernietigende gevolgen wil terugdringen van wapens die een
niet-onderscheidende werking hebben of die geen proportioneel
antwoord bieden op de vastgestelde bedreigingen. Er nemen 92
staten deel aan die conferentie en de besluiten worden bij
consensus genomen. In het kader van die conventie zetten de
experts van de regeringen momenteel hun werkzaamheden voort en
behandelen ze in het bijzonder het probleem van de
clustermunitie.
Helaas lijken
die besprekingen over dat soort bommen niet vooruit te gaan. We
bevinden ons nu in hetzelfde scenario als voor de
antipersoonsmijnen. Omdat het debat in de CCW niet opschiet,
hebben bepaalde landen beslist het onderwerp buiten de CCW te
behandelen via de organisatie van een internationale conferentie.
Noorwegen heeft daarin het voortouw genomen. De Noorse regering
zal op 22 en 23 februari eerstkomend in Oslo een conferentie
organiseren om de aanpak van het probleem van de clusterbommen op
internationaal vlak te stimuleren.
Op
multilateraal niveau bestond dezelfde blokkering voor de
antipersoonsmijnen. Een aantal staten hebben dan een initiatief
genomen wat geleid heeft tot de Conventie van Ottawa. Een
bepaalde techniek mag dus a priori geen voorrang krijgen op een
andere. Ik onderstreep dat er momenteel binnen de CCW een
blokkering lijkt te bestaan of in elk geval een stagnatie.
Wat is de
houding van België tegenover het Noorse initiatief? Zal de
minister er persoonlijk aan deelnemen of er zich laten
vertegenwoordigen? België is het eerste land dat een wet
goedkeurde om clusterbommen te verbieden. Hoe zal de minister de
Belgische knowhow ter zake promoten?
|
|
M. Karel De Gucht,
ministre des Affaires étrangères. – Lors de
la clôture de la Conférence d’examen de la
Convention sur certaines armes classiques en novembre 2006,
la Norvège avait lancé l’idée de
convoquer à Oslo une réunion internationale au
sujet de la problématique des armes à
sous-munitions.
La Belgique faisait partie d’un
groupe de 25 pays, comprenant également la Norvège,
qui a lancé un appel en faveur d’un accord qui
interdirait l’utilisation des armes à sous-munitions
dans des zones à concentration civile ainsi que les armes
à sous-munitions non fiables et imprécises.
Les pays concernés, y compris
le nôtre, ont depuis lors reçu une invitation à
une conférence internationale qui se tiendra à Oslo
les 22 et 23 février prochains. La Norvège
demande la participation de hauts fonctionnaires et annonce
l’envoi d’un ordre du jour détaillé.
J’ai décidé
d’envoyer à Oslo notre directeur pour le désarmement
et la non-prolifération, M. Bauwens, en tant
qu’envoyé spécial. J’entends ainsi
souligner toute l’importance et l’urgence que
j’attache à poursuivre l’objectif que nous
partageons notamment avec la Norvège. Nous voulons avancer
à l’échelon international sur la
problématique des bombes à sous-munitions. L’envoyé
spécial est en contact avec les autorités
norvégiennes en vue de préparer au mieux la
Conférence d’Oslo.
Par ailleurs, la Belgique agira sur
tous les fronts disponibles. Nous stimulons le débat au
sein de l’Union européenne en vue d’arriver à
une position commune qui ne pourra que renforcer le poids
politique de notre démarche. Nous participerons activement
aux conférences de format plus restreint, comme celle
d’Oslo, ou à caractère plus technique, comme
le séminaire sur les aspects humanitaires, organisé
en avril prochain par le Comité international de la
Croix-Rouge.
Nous continuerons aussi à
faire entendre notre voix au sein de la Convention sur certaines
armes classiques (CCW) qui réunira, en juin prochain, un
groupe d’experts gouvernementaux qui se pencheront
spécifiquement sur la question des restes explosifs de
guerre, avec une attention toute particulière pour les
armes à sous-munitions.
La Belgique avait ardemment plaidé
pour une telle initiative afin de maintenir un large format
multilatéral dans lequel tous les États parties
peuvent être appelés à s’engager pour
un instrument efficace et inclusif en matière d’armes
à sous-munitions. Dans cet esprit, notre participation à
la Conférence d’Oslo contribuera aussi à
faire pression sur l’ensemble des États parties à
la CCW pour que celle-ci assume sans plus tarder sa pleine
responsabilité.
Comme je vous l’avais annoncé
lors de notre dernier échange à ce sujet dans cette
enceinte, mon département vient d’effectuer des
démarches bilatérales, au niveau mondial, pour
sensibiliser les États au contenu de la loi belge et pour
les encourager à s’en inspirer et à s’engager
dans des négociations internationales. Nous en avons
profité également pour inciter les pays concernés
à signer la CCW, agissant ainsi conformément au
Plan d’action de l’Union européenne dans le
domaine de l’universalisation des traités et
conventions en matière de désarmement et de
non-prolifération.
Je suis persuadé que les
démarches belges ont effectivement contribué à
une plus grande conscience internationale concernant la
problématique des sous-munitions et je note avec intérêt
que, depuis lors, plusieurs pays ont demandé à
pouvoir participer également à la Conférence
d’Oslo.
Par ailleurs, à la suite de
nos démarches, bon nombre de pays ont fait part de leur
estime pour la loi belge tandis que d’autres ont demandé
de poursuivre nos échanges après étude du
texte que nous leur avions transmis.
À titre confidentiel, je
pourrais vous faire part des réactions des pays concernés
mais il serait inapproprié de le faire en séance
publique. Je puis cependant vous assurer que notre diplomatie se
consacre pleinement à ce dossier.
|
De heer Karel
De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. – Bij
de sluiting van de conferentie van de Conventie inzake bepaalde
conventionele wapens in november 2006, lanceerde Noorwegen
de idee om in Oslo een internationale bijeenkomst te organiseren
over de problematiek van de clustermunitie.
België
maakte deel uit van een groep van 25 landen, waaronder ook
Noorwegen, die aanstuurde op het sluiten van een akkoord dat het
gebruik van clustermunitie in zones met een grote burgerbevolking
en ook het gebruik van weinig betrouwbare clustermunitie zou
verbieden.
De betrokken
landen, ook het onze, hebben inmiddels een uitnodiging ontvangen
voor een internationale conferentie die op 22 en 23 februari
eerstkomend in Oslo zal plaatsvinden. Noorwegen vraagt dat hoge
ambtenaren daaraan zouden deelnemen en zal een gedetailleerde
agenda bezorgen.
Ik heb beslist
om de heer Bauwens, onze directeur voor ontwapening en
non-proliferatie, naar Oslo te sturen als speciaal gezant. Ik wil
daarmee het belang en de dringende noodzaak van de doelstelling
die wij met Noorwegen delen, onderstrepen. Wij willen op
internationaal vlak vooruitgang boeken op het vlak van de
problematiek van de clustermunitie. De speciale gezant houdt
contact met de Noorse autoriteiten om de conferentie van Oslo zo
goed mogelijk voor te bereiden.
België is
actief op alle fronten. We stimuleren het debat binnen de EU om
tot een gemeenschappelijke houding te komen, wat het politieke
gewicht van onze demarche zal versterken. We nemen actief deel
aan conferenties met een meer beperkt karakter, zoals die van
Oslo, of met een meer technisch karakter, zoals het seminarie
over de humanitaire aspecten dat in april eerstkomend door het
Internationaal Comité van het Rode Kruis wordt
georganiseerd.
Wij blijven
ook onze stem laten horen binnen de Conventie inzake bepaalde
conventionele wapens (CCW). In juni eerstkomend zal een groep van
regeringsexperts bijeenkomen die zich specifiek zal buigen over
het probleem van de explosieve oorlogsresten met een bijzondere
aandacht voor clustermunitie.
België
heeft sterk gepleit voor een dergelijk initiatief om een breed
multilateraal forum te behouden waarin alle lidstaten kunnen
worden opgeroepen om zich in te zetten voor een efficiënt en
inclusief instrument inzake clustermunitie. In die geest zal ook
onze deelname aan de conferentie in Oslo druk uitoefenen op alle
lidstaten van de CCW opdat deze zonder verder dralen zijn
verantwoordelijkheid op zich neemt.
Zoals ik
aankondigde tijdens onze vorige gedachtewisseling over deze
materie in deze zaal, heeft mijn departement op mondiaal niveau
bilaterale initiatieven genomen om de staten te sensibiliseren
voor de inhoud van de Belgische wetgeving ter zake en hen aan te
sporen zich daarop te inspireren en zich te engageren in
internationale onderhandelingen. Wij hebben de betrokken landen
ook aangezet de CCW te ondertekenen. We handelen daarmee conform
het actieplan van de EU om verdragen en conventies inzake
ontwapening en non-proliferatie universeel geldig te maken.
Ik ben ervan
overtuigd dat de Belgische stappen daadwerkelijk hebben
bijgedragen aan een grotere internationale bewustwording over de
problematiek van de clustermunitie. Ik stel met genoegen vast dat
sindsdien verschillende landen hebben gevraagd om deel te nemen
aan de conferentie te Oslo.
Na onze
demarches hebben veel landen hun bewondering voor de Belgische
wetgeving uitgesproken. Andere hebben gevraagd de
gedachtewisseling voort te zetten na onderzoek van de tekst die
we hun toestuurden.
Ik zou de
reacties van de betrokken landen kunnen meedelen, maar dat zou
ongepast zijn in een openbare vergadering. Ik kan echter
verzekeren dat onze diplomatie zich ten volle met dit dossier
bezighoudt.
|
|
M. Philippe Mahoux (PS).
– J’avais craint que l’option de la CCW soit
exclusive et entraîne une absence d’engagement à
Oslo. Je constate, en écoutant votre réponse, que
nous participons non seulement à la CCW mais aussi à
la conférence d’Oslo et au séminaire du
Comité internationale de la Croix-Rouge, sans oublier vos
démarches bilatérales. C’est en utilisant
tous les moyens diplomatiques dont nous disposons que nous ferons
avancer le problème. Il serait intéressant que nous
soit communiqué l’ordre du jour exact de la
conférence d’Oslo afin de prendre connaissance avec
exactitude de la manière dont le gouvernement norvégien
envisage l’organisation de cette conférence. La
Belgique a répondu par le biais de ses hauts
fonctionnaires et de ses diplomates. C’est une bonne chose
vis-à-vis de l’objectif que nous poursuivons tous.
|
De heer Philippe
Mahoux (PS). – Ik vreesde dat de keuze van de CCW
exclusief was en dat ertoe zou leiden dat er in Oslo geen
engagementen zouden komen. Ik stel nu vast dat wij niet enkel aan
de CCW deelnemen, maar ook aan de conferentie van Oslo en aan het
seminarie van het Internationaal Comité van het Rode
Kruis, zonder dan nog de bilaterale stappen te vergeten. Door
gebruik te maken van al onze diplomatieke middelen kunnen we
vooruitgang boeken. Het zou goed zijn mochten we de precieze
agenda van de conferentie van Oslo kunnen krijgen zodat we kennis
kunnen nemen van de manier waarop de Noorse regering die
conferentie wil organiseren. België heeft gehandeld via zijn
ambtenaren en diplomaten. Dat is een goede zaak voor het doel dat
wij allen nastreven.
|
|
M. Karel De Gucht,
ministre des Affaires étrangères. – Je ne
peux que vous confirmer qu’en ce moment, nous menons une
véritable campagne sur ce sujet.
|
De heer Karel
De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. – Ik
kan u bevestigen dat wij momenteel een echte campagne voeren over
dit onderwerp.
|
|
Question
orale de Mme Marie-Hélène Crombé-Berton
au ministre des Affaires étrangères, au ministre de
l’Économie, de l’Énergie, du Commerce
extérieur et de la Politique scientifique et à la
ministre des Classes moyennes et de l’Agriculture sur «les
négociations à l’Organisation mondiale du
commerce» (nº 3-1375)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Marie-Hélène Crombé-Berton
aan de minister van Buitenlandse Zaken, de minister van Economie,
Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid en aan de
minister van Middenstand en Landbouw over «de
onderhandelingen bij de Wereldhandelsorganisatie»
(nr. 3-1375)
|
|
Mme Marie-Hélène
Crombé-Berton (MR). – Le Sommet de Davos est une
occasion unique de relancer les discussions multilatérales
sur la libéralisation du commerce mondial et la poursuite
d’objectifs de développement à travers le
commerce.
Je désire d’abord
connaître votre appréciation générale
sur le climat des discussions actuelles et savoir si
l’administration américaine a modifié ses
positions à la suite de la victoire des démocrates
lors des élections du mois de novembre dernier.
Si l’on en croit le Financial
Times, l’Union européenne accepterait de baisser
de 54% ses tarifs douaniers sur les produits agricoles et les
États-Unis, de leur côté, abaisseraient le
plafond de leurs subventions agricoles de 17 milliards de
dollars.
Si l’on peut se réjouir
de ces concessions réciproques qui permettraient de
relancer l’ensemble de la négociation au-delà
du volet agricole, les limites imposées aux négociateurs
européens ne sont-elles pas dépassées, au
détriment de nos agriculteurs ? La Belgique
épouse-t-elle les vues françaises, jugées
d’ailleurs passéistes par Mandelson, qui indiquent
officieusement que la France ne pourrait accepter ces
conditions ?
Un accord agricole entre l’Union
européenne et les États-Unis permettrait d’obtenir
des pays émergents – Brésil, Inde, Chine –
une plus grande ouverture aux produits industriels et aux
services des pays riches. Cette phase des négociations
dans laquelle nous avons le plus d’intérêts
est-elle déjà mûre pour un accord ?
Quels seraient les délais requis pour boucler le cycle
complet suite à un accord agricole ?
Enfin, Pascal Lamy vient de
rencontrer à Addis-Abeba les ministres du Commerce de
l’Union africaine. Où en est le dossier sur le
coton, une des raisons de l’échec actuel de Doha ?
Quelles sont les mesures favorables à la dimension de
développement du round de Doha qui ont déjà
été engrangées lors des négociations ?
La Belgique a-t-elle identifié des mesures de ce type
qu’elle désire encore défendre ?
|
Mevrouw Marie-Hélène
Crombé-Berton (MR). – De Top van Davos biedt een
unieke gelegenheid om de multilaterale onderhandelingen over de
vrijmaking van de wereldhandel en de integratie van
ontwikkelingsdoeleinden in het handelsbeleid opnieuw op te
starten.
Wat is uw
algemene indruk over het klimaat waarin de discussies verlopen en
heeft de Amerikaanse administratie haar houding gewijzigd na de
democratische verkiezingsoverwinning in november?
Volgens de
Financial Times zou de Europese Unie bereid zijn de
douanetarieven voor landbouwproducten met 54% te verminderen. De
Verenigde Staten, van hun kant, zouden hun landbouwsubsidies met
17 miljard dollar verlagen.
Hoewel we die
wederzijdse toegevingen toejuichen omdat ze de onderhandelingen
opnieuw op gang kunnen brengen, vragen we ons af of de Europese
onderhandelaars hun mandaat hierdoor niet hebben overschreden,
ten koste van onze landbouwers. Sluit België zich aan bij de
Franse standpunten, die door Mandelson als traditionalistisch
worden omschreven en die er officieus op neerkomen dat Frankrijk
die voorwaarden onaanvaardbaar acht?
Een akkoord
over de landbouw tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten
kan ertoe leiden dat opkomende landen als Brazilië, India en
China hun grenzen meer zouden openstellen voor industrieproducten
en diensten van de rijke landen. Is deze voor ons cruciale fase
in de onderhandelingen al rijp voor een akkoord? Eens een akkoord
over de landbouw is tot stand gekomen, binnen welke termijn
kunnen alle onderhandelingen dan worden afgerond?
Onlangs had
Pascal Lamy in Addis Abeba een ontmoeting met de ministers van
Handel van de Afrikaanse Unie. Hoever staat het met het
katoendossier, dat een van de redenen was van de mislukking van
Doha? Welke maatregelen met betrekking tot de
ontwikkelingsdimensie van de Doharonde, werden tijdens de
onderhandelingen bekomen? Zal België nog maatregelen in die
zin verdedigen?
|
|
M. Karel De Gucht,
ministre des Affaires étrangères. – Notre
position n’a pas changé : nous soutenons
fermement la recherche d’un accord global et équilibré
qui soit de nature à assurer une meilleure intégration
des pays en développement dans le système
multilatéral des échanges et qui offre à nos
entreprises de véritables opportunités d’ouverture
des marchés. La négociation est globale et il
s’agit, comme vous le soulignez vous-même, de voir se
dessiner un accord qui porte sur l’agriculture, les
produits industriels, les services, la facilitation du commerce
avec la dimension développement en fil rouge.
Ces dernières semaines, les
contacts se sont multipliés à haut niveau pour
connaître les positions des différents acteurs et
leur degré d’engagement à reprendre les
négociations. Dans ce cadre, il est nécessaire que
notre partenaire américain définisse son attitude
et indique ce qu’il est disposé à négocier
notamment dans la question du soutien interne à
l’agriculture.
Nous avions déjà
exprimé cette opinion en juillet lors de la suspension des
négociations à Genève.
Cela dit, il faut rappeler, et c’est
important, que ces négociations ne concernent pas que l’UE
et les États-Unis, ni le G4 ou G6, mais qu’il faut
trouver un accord équilibré et acceptable par tous
les États membres de l’OMC, en ce compris les pays
en développement.
Je ne puis que me réjouir de
voir un mouvement s’amorcer et j’espère que ce
qui relève pour l’instant de déclarations de
bonne volonté va se concrétiser dans les prochaines
semaines.
Le commissaire Mandelson qui négocie
au nom de l’Union européenne connaît nos
limites et travaille avec un mandat que l’ensemble des
États membres lui ont confié. La Belgique estime
par ailleurs que l’unité de l’UE, qui doit
parler d’une seule voix, est essentielle dans ces
négociations.
Nous abordons une phase délicate :
il nous faut rester fermes et déterminés. Du côté
belge, nous travaillons à l’expression de la
position belge au sein de l’UE en étroite
collaboration notamment avec les régions compétentes
en matière agricole. Nous sommes attentifs aux intérêts
belges qui doivent être défendus.
Comme vous le savez, il s’agit
d’une négociation globale : cela signifie que
rien n’est acquis tant que tout n’est pas conclu.
Cela étant, je suis très vigilant à ce que
la dimension du développement soit bien prise en compte
dans les différents sujets qui sont sur la table des
négociations.
Nous avons d’ailleurs déjà
adopté, indépendamment du cycle actuel de
négociations, une décision sur l’aide au
commerce qui devrait soutenir la participation effective des pays
en développement. La mise en application de cette décision
européenne est en cours.
Sur la question spécifique du
coton, vous savez que nous avons appuyé et continuons à
le faire les pays africains producteurs de coton, pour des
raisons de principe mais également parce qu’ils sont
les fournisseurs traditionnels et importants de notre industrie
textile.
|
De heer Karel
De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. – Onze
houding is niet veranderd: wij wensen uitdrukkelijk dat wordt
gezocht naar een algemeen en evenwichtig akkoord dat een betere
integratie van de ontwikkelingslanden in de multilaterale handel
verzekert en dat de markten kan openstellen voor onze
ondernemingen. Het gaat om algemene onderhandelingen. Het is de
bedoeling dat een akkoord tot stand komt over de landbouw, de
industrieproducten en de diensten, met als rode draad de
bevordering van handel met een ontwikkelingsdimensie
De jongste
weken waren er talrijke contacten op hoog niveau om de houding te
kennen van de verschillende spelers en na te gaan of zij de
onderhandelingen wensen te hervatten. In dit opzicht is het
belangrijk dat onze Amerikaanse partner zijn houding bepaalt en
aangeeft of hij bereid is over de interne landbouwsteun te
onderhandelen.
Wij hebben
onze houding al duidelijk gemaakt in juli toen de
onderhandelingen in Genève werden opgeschort.
Belangrijk is
dat de onderhandelingen niet alleen betrekking hebben op de EU en
de Verenigde Staten, de G4 of de G6. De overeenkomst moet
evenwichtig en aanvaardbaar zijn voor alle lidstaten van de WTO,
met inbegrip van de ontwikkelingslanden.
Het verheugt
me dat er wat beweging komt en ik hoop dat de goede wil die thans
uit de verklaringen blijkt, in de komende weken wordt
geconcretiseerd.
Commissaris
Mandelson, die namens de Europese Unie onderhandelt, kent onze
limieten en heeft een mandaat van alle lidstaten. Voor België
is het essentieel dat in deze onderhandelingen Europa met één
stem spreekt.
We komen nu in
een delicate fase: we moeten vastberaden en standvastig zijn. De
Belgische houding binnen de EU wordt bepaald in nauwe
samenwerking met de gewesten, die bevoegd zijn voor landbouw. We
waken over de verdediging van de Belgische belangen.
Zoals u weet,
gaat het om algemene onderhandelingen, wat wil zeggen dat niets
is verworven zolang er geen akkoord is over het geheel. Ik let
erop dat rekening wordt gehouden met de ontwikkelingsdimensie van
de thema’s die op de onderhandelingstafel liggen.
Los van de
huidige onderhandelingsronde hebben we overigens al een
beslissing goedgekeurd voor de ondersteuning van de handel die
een daadwerkelijke participatie van de ontwikkelingslanden
beoogt. Die Europese beslissing wordt nu ten uitvoering gelegd.
Wat de
katoenproblematiek betreft, blijven we de Afrikaanse
katoenproducerende landen ondersteunen, niet alleen om
principiële redenen, maar ook omdat ze altijd de
traditionele en belangrijke leveranciers voor onze
textielindustrie geweest zijn.
|
|
Question
orale de M. François Roelants du Vivier au
ministre des Affaires étrangères sur «la
présidence européenne du processus de Kimberley»
(nº 3-1377)
|
Mondelinge
vraag van de heer François Roelants du Vivier
aan de minister van Buitenlandse Zaken over «het
Kimberleyproces dat door de Europese Commissie wordt voorgezeten»
(nr. 3-1377)
|
|
M. François
Roelants du Vivier (MR). – La lutte contre
les diamants du sang ou les diamants de la guerre revient au
premier plan de l’agenda international, non pas uniquement
à travers l’actualité cinématographique,
mais par le fait que la Commission européenne préside
depuis le 1er janvier le processus de Kimberley.
Malgré une querelle sur les
statistiques, on évalue encore à 0,2% le
pourcentage des diamants de contrebande servant à financer
des conflits armés en Afrique. Cela peut paraître
peu, c’est tout de même, malgré tout, 0,2% de
diamants bruts sales sur un commerce mondial qui atteint 11
milliards de dollars par an. C’est trop.
La Commission européenne a
déclaré son intention d’encourager
l’industrie à s’autoréglementer de
manière active, en s’appuyant sur le système
européen d’autoréglementation des
entreprises. Ce processus nécessite la poursuite
d’universalisation du processus de Kimberley, qui ne
représente que plus ou moins septante pays : quels
sont les incitants à l’extension géographique ?
Comment mieux sensibiliser l’industrie internationale du
diamant à cette problématique ?
Que faire pour rendre le processus
de Kimberley plus efficace en portant un coup d’arrêt
au commerce illicite de diamants ? Comment renforcer les
mécanismes de contrôle interne et la surveillance
mutuelle de leur application ? Quelles sont les sanctions
prévues à l’encontre d’un pays ou d’une
entreprise qui ne respecte pas ses obligations ? Comment
mieux protéger des vies innocentes et les moyens
d’existence de tous ceux qui dépendent de
l’industrie diamantaire en Afrique et ailleurs dans le
monde ?
Comment valoriser notre présence
au Conseil de sécurité en tant que membre non
permanent pour favoriser la prise de décisions qui
permettront un meilleur respect des embargos sur les diamants ?
Je pense en particulier au Liberia et à la Côte
d’Ivoire. Quelle est l’attitude du Congo face au
processus de Kimberley ? Ne serait-il pas préférable
d’intégrer cette problématique –
élargie aux bois précieux et aux autres ressources
minérales – dans les situations post-conflits ?
Comment évaluez-vous le
travail du groupe d’experts créé par la
résolution 1607 du Conseil de sécurité et
dont le mandat a été prolongé jusqu’au
20 juin 2007 ? C’est précisément
pendant ce mois que la Belgique exercera la présidence du
Conseil de sécurité.
Monsieur le ministre, notre pays
s’étant engagé, début novembre au
Botswana, à promouvoir des mesures relatives au contrôle
des mines de taille réduite, quelles sont vos ambitions et
le calendrier que vous vous êtes fixé ?
|
De heer François
Roelants du Vivier (MR). – De strijd tegen
bloed- of conflictdiamant staat weer hoog op de internationale
agenda, niet alleen omwille van de filmactualiteit, maar ook
omdat de Europese Commissie sinds 1 januari het
Kimberleyproces voorzit.
Het aandeel
van de smokkeldiamant die wordt gebruikt om gewapende conflicten
in Afrika te financieren, wordt op 0,2% geraamd. Dat kan weinig
lijken, maar het gaat toch om 0,2% vuile ruwe diamant op een
wereldhandel die jaarlijks 11 miljard dollar beloopt. Dat is te
veel.
De Europese
Commissie verklaarde dat ze de industrie zou aansporen tot
actieve zelfregulering steunend op het Europese stelsel voor
zelfregulering van ondernemingen. Daartoe moet de geografische
reikwijdte van het Kimberleyproces, dat maar een zeventigtal
landen omvat, worden uitgebreid.
Op welke
manier kan de geografische uitbreiding worden gestimuleerd?
Hoe kunnen we
de internationale diamantsector voor deze problematiek
sensibiliseren?
Wat kunnen we
doen om ervoor te zorgen dat het Kimberleyproces erin slaagt de
onwettige handel in diamant een halt toe te roepen? Hoe kunnen we
de interne controle en het toezicht erop versterken? Welke
sancties kunnen worden genomen tegen een staat of een onderneming
die zijn of haar verplichtingen niet nakomt? Hoe kunnen we het
leven van onschuldigen en de bestaansmiddelen van al degenen die
afhangen van de diamantindustrie in Afrika en in de rest van
wereld, beter beschermen?
Kunnen wij ons
lidmaatschap als niet-permanent lid van de Veiligheidsraad niet
aanwenden om de embargo’s op diamant beter te doen
respecteren? Ik denk in het bijzonder aan Liberia en Ivoorkust.
Hoe kijkt Congo tegen het Kimberleyproces aan? Moet deze
problematiek, die kan worden uitgebreid tot de kostbare
houtsoorten en andere minerale rijkdommen, niet worden
geïntegreerd in de aanpak van postconflictsituaties?
Hoe evalueert
u de werkgroep van experts die bij resolutie 1607 van de
Veiligheidsraad werd opgericht en waarvan het mandaat tot
20 juni 2007 werd verlengd? Precies in die maand zal
België het voorzitterschap van de Veiligheidsraad waarnemen.
Wat zijn de
ambities en het tijdschema van de minister nu ons land zich begin
november in Botswana ertoe verbonden heeft de controle van kleine
mijnen te ondersteunen?
|
|
M. Karel De Gucht,
ministre des Affaires étrangères. – Le
processus de Kimberley a le grand mérite d’exister
et doit servir d’exemple pour d’autres matières
premières.
Ce processus a été
lancé en 2000, à l’instigation de l’ONU,
pour lutter contre les diamants des conflits, aussi appelés
« diamants du sang », c’est-à-dire
des diamants bruts utilisés par des mouvements rebelles ou
leurs alliés afin de financer des conflits visant à
renverser des gouvernements légitimes.
Les efforts des gouvernements, des
industries diamantaires et des organisations non gouvernementales
ont abouti en 2003 à la création d’un système
de certification. Ce système requiert des pays
participants un contrôle de la production et du commerce
des diamants bruts. Sur la base de ces contrôles, les
participants peuvent émettre des certificats du processus
de Kimberley qui garantissent l’origine non conflictuelle
des diamants bruts qu’ils exportent.
Actuellement, tous les grands
centres de production, de taille et de commerce de diamants de
quelque 70 pays participent au processus de Kimberley.
Le commerce de diamants avec des
pays non participants qui n’appliquent pas les mêmes
règles est interdit afin de préserver l’intégrité
du commerce légal dans le cadre du processus de Kimberley.
Les résultats obtenus
jusqu’ici sont très positifs : les diamants de
conflits représentent aujourd’hui moins de 1% du
commerce international de diamants bruts contre 4% dans les
années 90. On peut estimer aujourd’hui que 99% des
diamants sont « propres ». Ce mécanisme
a contribué à la fin des conflits en Afrique de
l’Ouest, en RDC et en Angola.
La véritable réussite
du processus de Kimberley se mesure en réalité
davantage par ses effets sur la vie des habitants de ces pays que
par les données commerciales. La République
démocratique du Congo, par exemple, a enregistré un
niveau record d’exportation depuis la découverte de
diamants en 1907, avec plus de 900 millions de dollars US en
2005. L’État congolais a ainsi récupéré
par les taxes, grâce à l’application des
règles du processus de Kimberley, des ressources qui lui
échappaient auparavant.
Pour les pays participants, un
système de sanctions a été mis en place. Si
un pays membre ne respecte pas ses engagements, la sanction peut
aller jusqu’à l’exclusion du processus de
Kimberley et, par conséquent, du marché.
En vue de remédier à
ce problème, plusieurs pays ont déjà été
sanctionnés ou soumis à un régime temporaire
et spécifique, à savoir le Congo-Brazzaville, le
Liban et le Ghana. Les rapports des experts de l’ONU,
examinés lors du sommet de Gaborone de novembre 2006,
ont montré que des diamants provenant de Côte
d’Ivoire étaient exportés illégalement
via le Ghana. La dénonciation de ces faits a conduit le
Ghana à cesser cette pratique.
Comme vous, je reconnais que le
montant de 0,2% détourné par la contrebande et
servant à financer des conflits armés en Afrique
est encore trop élevé.
Le système tend
nécessairement vers l’universalité. Sa
réussite est un facteur d’attractivité pour
les pays qui n’en sont pas encore membres. L’industrie
diamantaire est très sensible à ce problème
et coopère pleinement.
Le grand défi pour l’avenir
est la mise en œuvre, de la manière la plus efficace
possible, des règles du processus. Le contrôle
interne des pays producteurs doit être amélioré.
L’objectif est, notamment, de faire passer les creuseurs de
diamants de l’économie informelle à
l’économie formelle. La Belgique recherche
activement une solution en ce sens. Elle finance, à cet
effet, une étude internationale sur le contrôle
interne dont les premiers résultats seront présentés
lors de la conférence qui aura lieu à Bruxelles, en
novembre prochain, sur le processus de Kimberley.
La Commission européenne
assure la présidence du processus de Kimberley durant
l’année 2007. Les règles du processus sont
mises en œuvre par la Communauté européenne
dans le cadre du règlement CE 2368/2002 qui définit
les contrôles exercés sur les importations et les
exportations de diamants ainsi que les règles d’émission
des certificats du processus de Kimberley. Ce règlement
définit clairement le système d’autorégulation
des entreprises diamantaires. Les administrations nationales des
États membres assurent la mise en œuvre de ces
règles en collaboration avec les industries du diamant et
sous le contrôle de la Commission européenne.
Les objectifs de la commission pour
l’année 2007 sont les suivants :
– intensifier la lutte contre
les diamants des conflits en renforçant le processus de
Kimberley par la mise en œuvre des recommandations issues
de l’examen triennal réalisé en 2006 ;
– promouvoir la paix et la
sécurité en utilisant le processus de Kimberley en
tant qu’instrument de prévention des conflits ;
– soutenir le développement
et la prospérité par une utilisation durable des
ressources naturelles.
Notre pays occupe, pour deux ans, un
siège non permanent au sein du Conseil de sécurité
de l’ONU qui a déjà joué un rôle
très positif en encourageant le processus. L’importance
de la place d’Anvers dans l’industrie diamantaire et
la présidence européenne du processus de Kimberley
en 2007 expliquent pourquoi notre pays se sent particulièrement
concerné par le suivi du processus de Kimberley à
l’ONU.
|
De heer Karel
De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. – Het
Kimberleyproces heeft de grote verdienste dat het bestaat en tot
voorbeeld strekt voor andere grondstoffen.
Het proces
werd in 2000 opgestart op initiatief van de VN om de strijd aan
te binden tegen de conflict- of bloeddiamant. Het gaat om ruwe
diamant die door rebellenbewegingen of hun bondgenoten worden
aangewend voor de financiering van conflicten met de bedoeling
legitieme regeringen omver te werpen.
De
inspanningen van regeringen, van de diamantsector en van
niet-gouvernementele organisaties hebben geleid tot de oprichting
in 2003 van een certificeringssysteem. De deelnemende landen
moeten de productie en de handel in ruwe diamant controleren. Op
basis van die controles kunnen ze Kimberleyprocescertificaten
uitreiken die garanderen dat de uitgevoerde diamant niet uit
conflictgebieden komt.
Op het
ogenblik zijn alle grote centra voor de productie, het slijpen en
de handel in diamant van een zeventigtal landen betrokken bij het
Kimberleyproces.
De
diamanthandel met niet deelnemende landen die niet dezelfde
regels toepassen, is verboden om te vermijden dat de integriteit
van de wettige handel in het kader van het Kimberleyproces wordt
aangetast.
De bekomen
resultaten zijn tot nog toe bijzonder positief: conflictdiamant
vertegenwoordigt vandaag minder dan 1% van de internationale
handel in ruwe diamant, tegenover 4% in de jaren ’90.
Aangenomen wordt dat 99% van de diamant vandaag ‘clean’
is. Het stelsel heeft bijgedragen aan de beëindiging van
conflicten in West-Afrika, de DRC en in Angola.
Het echte
succes van het Kimberleyproces kan echter beter worden afgemeten
aan de gevolgen ervan voor de inwoners van deze landen dan aan de
handelsstatistieken. Zo heeft de Democratische Republiek Congo in
2005 diamant uitgevoerd voor meer dan 900 miljoen Amerikaanse
dollar; het hoogste niveau sinds de ontdekking van diamant in
1906. Dank zij de toepassing van de regels van het
Kimberleyproces kan de Congolese Staat, via belastingheffing,
opnieuw aanspraak maken op zijn natuurlijke rijkdommen.
Voor de
deelnemende landen werd een sanctiestelsel uitgewerkt. Als een
land zijn verplichtingen niet nakomt, kan het worden uitgesloten
van het Kimberleyproces en dus ook van de markt.
Meerdere
landen kregen al sancties opgelegd of werden onderworpen aan een
tijdelijk en specifiek stelsel, met name Congo-Brazzaville,
Libanon en Ghana. De rapporten van de VN-experts die werden
onderzocht op de top van Gaborone in november 2006, hebben
aangetoond dat de diamanten uit Ivoorkust illegaal werden
uitgevoerd via Ghana. Inmiddels heeft Ghana deze praktijk
stopgezet.
Ik ben het
ermee eens dat 0,2% smokkeldiamant voor de financiering van
gewapende conflicten in Afrika, nog te veel is.
Het proces
moet noodzakelijkerwijze tot alle landen worden uitgebreid. Het
succes ervan moet de landen die nog geen lid zijn, ertoe
aanzetten deel te nemen. De diamantsector is erg begaan met het
probleem en werkt heel goed mee.
De grote
uitdaging voor de toekomst bestaat erin de regels van het proces
zo doeltreffend mogelijk toe te passen. De interne controle van
de producerende landen moet worden verbeterd. België zoekt
actief naar een oplossing om de diamantgravers van de informele
naar de formele economie te leiden. Daartoe financieren wij een
internationale studie over de interne controle waarvan de eerste
resultaten zullen worden voorgesteld op een conferentie over het
Kimberleyproces die in november in Brussel zal plaatsvinden.
De Europese
Commissie zit in 2007 het Kimberleyproces voor. De regels van het
proces worden door de Europese Gemeenschap uitgevoerd met
Verordening (EG) 2368/2002 die de controle op de invoer en de
invoer van diamant en de regels van de
Kimberleyprocescertificering vastlegt. De verordening regelt ook
het stelsel van zelfregulering van de diamantsector. De nationale
administraties van de lidstaten moeten deze regels toepassen in
samenwerking met de diamantsector en onder de controle van de
Europese Commissie.
De
doelstellingen van de Commissie voor 2007 zijn de volgende:
– de
strijd tegen conflictdiamant opvoeren door het Kimberleyproces te
versterken via de uitvoering van de aanbevelingen die
voortvloeien uit het driejaarlijkse onderzoek van 2006;
– vrede
en veiligheid bevorderen door het Kimberleyproces aan te wenden
als een instrument voor conflictpreventie;
– de
ontwikkeling en de welvaart ondersteunen door het duurzaam
gebruik van natuurlijke rijkdommen.
Ons land is
gedurende twee jaar niet-permanent lid van de Veiligheidsraad van
de VN die het proces altijd heeft aangemoedigd. De belangrijke
plaats van Antwerpen in de diamantsector en het Europese
voorzitterschap van het Kimberleyproces in 2007 verklaren waarom
ons land zich bijzonder betrokken voelt bij de opvolging van het
Kimberleyproces in de VN.
|
|
M. François
Roelants du Vivier (MR). – Je suis
particulièrement satisfait de la réponse très
complète du ministre qui indique, d’une part, la
volonté du gouvernement de poursuivre dans la voie qu’il
a tracée et, d’autre part, la collaboration de
l’industrie diamantaire.
S’il plaît au destin que
le ministre et moi-même soyons à la même place
dans quelques mois, je l’interrogerai évidemment sur
l’étude qui est actuellement en préparation
et qui doit être présentée en novembre de
cette année.
|
De heer François
Roelants du Vivier (MR). – Ik ben heel
tevreden met het bijzonder volledige antwoord van de minister.
Hij verklaarde dat de regering wenst voort te gaan op de
ingeslagen weg en wees ook op de medewerking van de
diamantsector.
Als het lot
beschikt dat de minister en ikzelf over enkele maanden nog
dezelfde functie hebben, zal ik hem uiteraard ondervragen over de
studie die in november zal worden voorgesteld.
|
|
Question
orale de Mme Isabelle Durant au ministre des Affaires
étrangères sur «la visite en Belgique de
Mme Consuelo Araújo, ministre des Relations
Extérieures de la Colombie» (nº 3-1379)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Isabelle Durant aan de minister van
Buitenlandse Zaken over «het bezoek aan België van
mevrouw Consuelo Araújo, minister van Buitenlandse
Betrekkingen van Colombia» (nr. 3-1379)
|
|
Mme Isabelle Durant (ECOLO).
– Mme Consuelo Araújo, ministre des
relations extérieures de la Colombie entame une visite
officielle en Europe à la fin du mois de janvier. Elle
sera en Belgique au début du mois de février. Or,
Mme Araújo est étroitement liée à
des groupes paramilitaires colombiens, ainsi qu’à
des réseaux de narcotrafiquants. La Cour suprême de
Justice vient d’ouvrir une enquête sur les activités
du frère de la ministre, le sénateur Álvaro Araújo,
ainsi que sur son cousin, pour association avec des groupes
paramilitaires.
Une rencontre ministérielle
pourrait peut-être contribuer à la relance du
dialogue avec les FARC en vue d’un processus de paix et
d’une libération des milliers d’otages mais
je me demande s’il est opportun de rencontrer
Mme Araújo. Au vu de sa situation et de celle de sa
famille, j’ai peine à croire qu’elle puisse
amener un semblant de solution pacifique et démocratique
dans un pays où la corruption, les trafics et la violence
règnent en maître.
Le ministre a-t-il vraiment
l’intention de rencontrer Mme Araújo ?
Dans l’affirmative, quelle attitude prendra le gouvernement
belge face à la Colombie en matière de libertés,
de droits de l’homme, de lutte contre les groupuscules
paramilitaires, de lutte contre le narcotrafic et de soutien à
une politique négociée de libération des
otages ? Le ministre estime-t-il opportun pour la Belgique
d’accéder à une éventuelle demande
d’aide financière de notre pays à la Colombie
dans le cadre de la lutte contre ces fléaux ?
|
Mevrouw Isabelle
Durant (ECOLO). – Mevrouw Consuelo Araújo,
minister van Buitenlandse Betrekkingen van Colombia, brengt eind
januari een officieel bezoek aan Europa. Ze zal begin februari in
België zijn. Mevrouw Araújo heeft nauwe banden
met paramilitaire groepen in Colombia en met netwerken van
drugstrafikanten. Het Hooggerechtshof heeft een onderzoek geopend
naar de activiteiten van de broer van de minister, senator Álvaro
Araújo, en van haar neef, wegens banden met paramilitaire
groepen.
Een ontmoeting
met de minister kan misschien bijdragen aan de hervatting van de
dialoog met de FARC met het oog op het vredesproces en de
vrijlating van duizenden gegijzelden, maar ik vraag me af of het
opportuun is mevrouw Araújo te ontmoeten. Gelet op
haar positie en die van haar familie kan ik moeilijk geloven dat
zij kan bijdragen aan een vreedzame en democratische oplossing in
een land waar corruptie, drugstrafiek en geweld hoogtij vieren.
Heeft de
minister de bedoeling mevrouw Araújo te ontmoeten? Zo
ja, welke houding zal de Belgische regering dan aannemen
tegenover Colombia inzake de vrijheden, de mensenrechten, de
strijd tegen de paramilitaire groepen en de drugstrafiek en de
steun voor een beleid van onderhandelingen voor de bevrijding van
de gegijzelden? Acht de minister het raadzaam dat België
ingaat op een mogelijk verzoek om financiële hulp aan
Colombia voor de strijd tegen die kwalen?
|
|
M. Karel De Gucht,
ministre des Affaires étrangères. – La guerre
civile sévit en Colombie depuis près de quarante
ans. Les causes en sont les extrêmes inégalités
socio-économiques, la corruption, l’absence de
réforme agraire, ainsi que le faible niveau de collecte de
l’impôt qui prive le gouvernement de moyens de
fonctionnement.
Le président Uribe mène
une politique de sécurité démocratique dont
la priorité est de rétablir l’autorité
de l’État sur tout le territoire colombien afin
d’assurer la sécurité et la stabilité
pour tous les citoyens. Cette politique est soutenue par une
écrasante majorité de la population colombienne.
Les négociations avec les
principaux groupes paramilitaires ont permis leur démobilisation
et une baisse importante de la violence.
Des négociations avec l’ELN
sont en cours, tandis que les négociations avec le
principal mouvement de guérilla, les FARC, ont été
interrompues à la suite d’un attentat survenu au
mois d’octobre.
Je me suis rendu en Colombie au mois
de novembre où j’ai rencontré mon homologue,
d’autres représentants du gouvernement, ainsi que de
nombreux représentants de l’opposition et de la
société civile.
La politique de la Belgique
vis-à-vis de la Colombie est une politique d’engagement
constructif et critique. Nous encourageons les autorités
colombiennes à poursuivre le processus de paix à
travers les négociations, que ce soit avec les groupes
paramilitaires ou avec la guérilla, à mener à
bien la démobilisation et la réintégration
des acteurs armés illégaux et à juger sans
complaisance les responsables de crimes contre l’humanité
tout en favorisant la réconciliation nationale.
La Belgique est active dans ce
domaine. Nous finançons – sur le budget « diplomatie
préventive » – des actions visant à
la réinsertion d’enfants soldats ou cherchant à
lutter contre le recrutement par les groupes armés
illégaux dans les camps de réfugiés.
La Belgique est attentive à
la situation catastrophique des droits de l’homme. Nous
abordons cette question lors de chaque contact bilatéral
et nous soutenons l’action du bureau du haut commissaire
des Nations unies pour les droits de l’homme en Colombie.
Lors de ma visite en Colombie, j’ai
abordé la question des otages en plaidant pour une
solution négociée.
À la suite de cette visite,
il a également été décidé de
renforcer la coopération bilatérale en matière
de lutte contre le trafic de drogue.
La société colombienne
est extrêmement polarisée. Les liens entre les
groupes armés illégaux, paramilitaires ou de la
guérilla, et certains éléments de la classe
politique sont malheureusement fréquents.
J’ai connaissance des
accusations qui pèsent sur le frère de Mme Araújo
et suis attentif à l’action de la justice
colombienne. À ma connaissance, celle-ci ne s’est
pas encore prononcée sur cette affaire. Je reste adepte du
principe de la présomption d’innocence qui vaut pour
le frère de Mme Araújo et a fortiori pour
cette dernière. Je continue donc, jusqu’à
preuve du contraire, à considérer Mme Araújo
comme un interlocuteur valable.
Je dois ajouter que je ne pourrai en
principe pas la rencontrer lors de sa visite en Belgique, le
1er février, car je serai à l’étranger,
notamment en Serbie.
|
De heer Karel
De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. – In
Colombia heerst al sedert bijna veertig jaar een burgeroorlog. De
oorzaken ervan zijn de extreme sociaal-economische ongelijkheid,
de corruptie, het uitblijven van een landbouwhervorming en het
lage niveau van belastinginning, waardoor de regering niet over
de nodige middelen beschikt om iets te doen.
President
Uribe voert een democratisch veiligheidsbeleid. Zijn prioriteit
is het herstel van het staatsgezag op het gehele Colombiaanse
grondgebied om veiligheid en stabiliteit voor alle burgers te
garanderen. De overgrote meerderheid van de Colombiaanse
bevolking steunt dit beleid.
De
onderhandelingen met de belangrijkste paramilitaire groeperingen
hebben geleid tot hun demobilisatie en een sterke daling van het
geweld.
Onderhandelingen
met de ELN zijn aan de gang. De onderhandelingen met de
belangrijkste guerrillabeweging, de FARC, werden onderbroken na
een aanslag in oktober.
Ik ben in
november naar Colombia gereisd. Ik heb er mijn ambtgenoot en
andere regeringsvertegenwoordigers ontmoet, alsook vele
vertegenwoordigers van de oppositie en van de civiele
maatschappij.
Het Belgische
beleid ten opzichte van Colombia is er een van opbouwend en
kritisch engagement. Wij moedigen de Colombiaanse autoriteiten
aan om het vredesproces voort te zetten via onderhandelingen,
zowel met de paramilitaire groeperingen, als met de guerrilla, om
de demobilisatie en de reïntegratie van illegale gewapende
actoren tot een goed einde te brengen, om de misdaden tegen de
menselijkheid streng te veroordelen en tegelijkertijd de
nationale verzoening aan te moedigen.
Op de
begroting ‘preventieve diplomatie’ financieren wij
acties om kindsoldaten te reïntegreren of de rekrutering
door illegale gewapende groepen in vluchtelingenkampen te
bestrijden.
België
heeft aandacht voor de catastrofale mensenrechtensituatie. Wij
snijden dit onderwerp aan tijdens elk bilateraal contact en
ondersteunen de actie van het bureau van de Hoge Commissaris van
de VN voor de mensenrechten in Colombia.
Tijdens mijn
bezoek aan Colombia heb ik gepleit voor een onderhandelde
oplossing voor de gegijzelden.
Er werd ook
beslist de bilaterale samenwerking in de strijd tegen de
drugstrafiek te versterken.
De
Colombiaanse samenleving is uitermate gepolariseerd. Banden
tussen illegale gewapende groepen, paramilitairen of guerrilla en
bepaalde politici komen helaas veel voor.
Ik ken de
beschuldigingen aan het adres van de broer van mevrouw Araújo
en heb aandacht voor het optreden van de Colombiaanse justitie.
Bij mijn weten heeft die zich nog niet over de zaak uitgesproken.
Ik houd vast aan het principe van het vermoeden van onschuld. Dat
geldt ook voor de broer van mevrouw Araújo en a
fortiori voor haarzelf. Ik blijf mevrouw Araújo dan
ook, tot bewijs van het tegendeel, als volwaardig gesprekspartner
beschouwen.
Ik voeg eraan
toe dat ik haar tijdens haar bezoek op 1 februari in België
niet zal kunnen ontmoeten, aangezien ik dan in Servië ben.
|
|
Mme Isabelle Durant (ECOLO).
– Je remercie le ministre de sa réponse. Je partage
son opinion quant à la présomption d’innocence.
J’espère que la Belgique qui a opté jusqu’à
présent pour une politique à la fois prudente et
constructive maintiendra cette attitude, quelle que soit l’issue
des problèmes judiciaires de Mme Araújo et de
son entourage.
Par ailleurs, la libération
récente d’un otage doit nous inciter à
poursuivre dans la logique d’une solution négociée.
C’est la seule voie pour parvenir peut-être un jour à
libérer les quelques milliers de personnes retenues en
otages, dont Ingrid Betancourt.
Vous savez sans doute, monsieur le
ministre, que nous sommes quelques femmes, dans ce parlement, à
être très actives sur cette question. Voici un peu
moins d’un an, une mission de femmes parlementaires, tous
partis confondus – dont ma collègue d’origine
colombienne, élue de la Chambre – s’est rendue
en Colombie. Nous sommes également très attentives
à collaborer avec vous, monsieur le ministre, afin
d’apporter notre contribution à cette éventuelle
libération qui pourrait elle aussi être le signe
d’une certaine pacification ultérieure dans ce pays.
|
Mevrouw Isabelle
Durant (ECOLO). – Ik deel de mening van de minister
inzake het vermoeden van onschuld. Ik hoop dat België zijn
voorzichtige en constructieve beleid zal voortzetten, wat ook de
uitkomst is van de gerechtelijke problemen van mevrouw Araújo
en haar entourage.
De recente
bevrijding van een gegijzelde moet ons ertoe aanzetten om verder
te gaan in de richting van onderhandelde oplossingen. Dat is de
enige manier om op een dag misschien de duizenden gegijzelden,
onder wie Ingrid Betancourt, te kunnen bevrijden.
U weet,
mijnheer de minister, dat een aantal vrouwen in dit parlement op
dit vlak zeer actief zijn. Iets minder dan een jaar geleden zijn
enkele vrouwelijke parlementsleden van alle partijen, onder wie
mijn collega van Colombiaanse origine in de Kamer, naar Colombia
gereisd. Wij willen ook nauw met u samenwerken om een bijdrage te
leveren aan een mogelijke bevrijding van de gegijzelden. Dat kan
ook een signaal zijn voor een latere pacificatie van het land.
|
|
M. Karel De Gucht,
ministre des Affaires étrangères. – Lors de
ma visite, j’ai évidemment parlé de
Mme Betancourt. Les perspectives pour une solution négociée
étaient alors plutôt favorables. Depuis, le
gouvernement colombien a envisagé une action militaire. Je
pense bien entendu que ce n’est pas une bonne démarche
et qu’il faut absolument opter pour une solution négociée.
J’insiste auprès des autorités colombiennes
dans ce sens. Ce sont les propos qui seront tenus à la
ministre des Affaires étrangères lors de sa visite.
|
De heer Karel
De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. –
Tijdens mijn bezoek heb ik uiteraard ook over mevrouw Betancourt
gesproken. Het uitzicht op een onderhandelde oplossing was toen
vrij gunstig. Sindsdien heeft de Colombiaanse regering een
militaire actie overwogen. Uiteraard vind ik dat geen goede zet.
Er moet absoluut voor een onderhandelde oplossing worden gekozen.
Ik dring daarop aan bij de Colombiaanse autoriteiten. Dat zal ook
worden gezegd aan de minister van Buitenlandse Betrekkingen
tijdens haar bezoek.
|
|
Mme la présidente.
– De manière plus générale, je vous
signale que le Bureau du Sénat a accepté d’inviter
M. Enrique Iglesias, secrétaire général
du sommet ibéro-américain. Nous pourrons débattre
des questions latino-américaines à cette occasion.
|
De
voorzitter. – Ik wijs erop dat het Bureau van de Senaat
de heer Enrique Iglesias, secretaris-generaal van de
Ibero-Amerikaanse top, zal uitnodigen. Bij die gelegenheid kunnen
we over de Latijns-Amerikaanse kwesties debatteren.
|
|
Question
orale de M. Lionel Vandenberghe au ministre de l’Économie,
de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la
Politique scientifique sur «les rapports sur le commerce en
matière d’armements que le gouvernement doit
remettre au Parlement» (nº 3-1380)
|
Mondelinge
vraag van de heer Lionel Vandenberghe aan de minister
van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid
over «het rapporteren door de regering aan het Parlement
over wapenhandel» (nr. 3-1380)
|
|
Mme la présidente.
– M. Karel De Gucht, ministre des Affaires
étrangères, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse
Zaken, antwoordt.
|
|
M. Lionel
Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Depuis la
régionalisation, le gouvernement fédéral
n’est plus responsable que des rapports relatifs à
l’importation, à l’exportation et au transit
d’armes de l’armée belge et de la police
fédérale.
Au début
de cette semaine, les membres de la commission des Affaires
étrangères et de la Défense ont reçu
une lettre du président de commission Roelants du Vivier
les informant qu’ils pouvaient retirer le rapport relatif à
la période allant du 1er septembre 2003 au
31 décembre 2005. Entre-temps, j’ai eu
l’occasion de compulser ce rapport ainsi que celui du
premier semestre 2006.
L’article 17
de la loi fédérale du 5 août 1991
relative au commerce des armes, modifiée en 2003, exige un
rapport annuel détaillé et un rapport semestriel.
L’article 17 fixe les informations qui doivent figurer
dans les rapports susvisés. Le rapport semestriel doit
donner un aperçu des « licences accordées
et refusées pour les marchandises relevant de la présente
loi avec, pays par pays, le montant total et le nombre de
licences réparties par catégorie de destination et
par catégorie de matériel ». En outre,
il fera mention de manière distincte de la délivrance
et du refus d’octroi de licences pour l’exportation
de matériel visant le développement de la capacité
de production militaire.
Étant
donné la nature des données, je présume que
les deux rapports sont compris comme étant les rapports
semestriels de la période allant du 1er septembre 2003
au 30 juin 2006 et qu’aucun rapport annuel
détaillé n’a encore été déposé
au parlement.
1. Quand le
ministre déposera-t-il au parlement fédéral
les rapports annuels reprenant tous les éléments
énumérés à l’article 17 et
ce, pour les années 2003, 2004, 2005 et 2006 ?
2. Pourquoi
ces rapports se font-ils tant attendre ?
3. Même
s’il ne s’agit ici que de rapports semestriels, ils
ne sont pas complets non plus. Ainsi, aucune information n’a
été fournie quant aux refus de licences et le
rapport ne mentionne pas de manière distincte la
délivrance et le refus d’octroi de licences
d’exportation visant le développement de la capacité
de production militaire. En outre les rapports n’indiquent
que sporadiquement la catégorie de destination et la
catégorie de matériel, comme l’exige pourtant
explicitement l’article 17 de la loi. Le ministre
reconnaît-il ces manquements ? Est-il prêt à
transmettre au plus vite des informations complètes pour
la période allant du 1er septembre 2003 au
30 juin 2006 ?
4. Au niveau
flamand, les rapports relatifs au commerce des armes sont remis
plus rapidement et de manière plus transparente et plus
complète. Le gouvernement flamand publie mensuellement sur
son site un rapport reprenant toutes les licences accordées
et refusées en indiquant respectivement pour chacune le
pays de destination, le pays d’origine, la nature des
marchandises réparties dans les 22 catégories de la
liste de l’Union européenne, l’utilisateur
final et la valeur de chaque transaction individuelle. Le
ministre est-il disposé à pratiquer cette forme
transparente de rapport au niveau fédéral ?
5. Est-il
disposé à remettre régulièrement les
rapports au parlement et à les publier sur le site web de
son département ?
|
De heer Lionel
Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Sinds de gewesten bevoegd
zijn voor de wapenexport, is de federale regering alleen nog
verantwoordelijk voor de rapportering over de in-, uit- en
doorvoer van wapenmateriaal van het Belgische leger en de
federale politie.
Begin deze week ontvingen de leden
van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en de
Landsverdediging een brief van commissievoorzitter Roelants du
Vivier met de mededeling dat ze het verslag over de periode van
1 september 2003 tot 31 december 2005 konden
opvragen. Ondertussen heb ik dat verslag en ook het verslag met
betrekking tot het eerste semester van 2006 kunnen inkijken.
Artikel 17 van de federale
wapenwet van 5 augustus 1991, gewijzigd in 2003,
vereist een jaarlijks uitgebreid verslag én een
zesmaandelijks verslag. Artikel 17 bepaalt tevens welke
elementen zeker in voorvernoemde verslagen moeten worden
opgenomen. Het zesmaandelijks verslag moet een overzicht geven
van ‘de verstrekte en geweigerde vergunningen voor de
goederen die onder deze wet vallen, met land per land het totaal
bedrag en het aantal vergunningen ingedeeld per categorie van
bestemmeling en per categorie van materieel.’ Bovendien
moet afzonderlijk melding worden gemaakt van de afgifte en
weigering van exportvergunningen met de uitbouw van een militaire
productiecapaciteit als doel.
Gezien de aard van de gegevens
veronderstel ik dat beide verslagen bedoeld zijn als de
zesmaandelijkse verslagen voor de periode van 1 september 2003
tot 30 juni 2006 en zijn er voor die periode nog geen
uitgebreide jaarlijkse verslagen bij het parlement ingediend.
1. Wanneer zal de minister de
jaarlijkse verslagen met alle elementen opgesomd in artikel 17
voor 2003, 2004, 2005 en 2006 bij het Federaal Parlement
indienen?
2. Waarom laten die verslagen zo
lang op zich wachten?
3. Zelfs als het hier alleen de
halfjaarlijkse verslagen betreft, zijn ook die niet volledig. Zo
werden geen gegevens verstrekt over de geweigerde vergunningen en
worden de afgifte en weigering van exportvergunningen met de
uitbouw van een militaire productiecapaciteit als doel niet
afzonderlijk in het verslag vermeld. Bovendien worden de
categorie van bestemmeling en de categorie van materieel slechts
sporadisch in de verslagen vermeld. Nochtans is dat volgens het
bewuste artikel 17 ondubbelzinnig verplicht.
Erkent de minister die
tekortkomingen? Is hij bereid om zo snel mogelijk volledige
gegevens voor de periode van 1 september 2003 tot
30 juni 2006 bekend te maken?
4. Op Vlaams niveau wordt over de
wapenhandel veel sneller, transparanter en vollediger
gerapporteerd. De Vlaamse regering publiceert maandelijks op haar
webstek een verslag, waarin van alle toegekende en geweigerde
vergunningen telkenmale het land van bestemming, respectievelijk
van herkomst, de aard van de goederen ingedeeld in de 22
categorieën van de EU-lijst, het eindgebruik en de waarde
van elke individuele transactie worden aangegeven.
Is de minister bereid om die Vlaamse
transparante vorm van rapportering ook op het federaal niveau toe
te passen?
5. Is de minister bereid om de
verslagen op geregelde tijdstippen bij het parlement in te dienen
en op de webstek van zijn departement te plaatsen?
|
|
M. Karel
De Gucht, ministre des Affaires étrangères.
– Je vous lis la réponse du ministre Verwilghen.
Les rapports
qui peuvent être réclamés sont un rapport
détaillé pour la période allant du
1er septembre 2003 au 31 décembre 2005
et un rapport pour le premier semestre 2006. Le commerce des
armes étant dorénavant une compétence
régionale, ce sont les Régions qui rédigent
le rapport annuel détaillé. Éventuellement,
les rapports des Régions peuvent également être
remis au parlement fédéral.
Aucun rapport
n’a été publié pour la période
allant de 2003 à 2005 parce qu’on ne savait pas
précisément qui devait le déposer : le
ministre de la Défense, le ministre des Affaires
étrangères ou celui de l’Économie.
L’État fédéral n’est compétent
que pour l’octroi ou le refus de licences d’importation,
d’exportation et de transit d’armes, de munitions et
de matériel devant servir spécialement à un
usage militaire et de la technologie y afférente pour
l’armée belge et la police fédérale.
Le rapport relatif au deuxième semestre de 2006 sera
déposé très prochainement.
Aucune licence
d’importation, d’exportation ou de transit n’a
été refusée. Depuis la régionalisation,
les licences relatives à la capacité de production
militaire ne relèvent plus des compétences
fédérales.
À
première vue, la pratique actuelle selon laquelle les
rapports sont déposés au parlement répond
aux exigences en matière de transparence. On étudie
d’éventuelles corrections mais, à l’heure
actuelle, rien de concret ne va dans ce sens.
Le ministre
souhaite poursuivre la pratique en cours à condition que
l’on puisse prendre connaissance, à la fin de chaque
semestre, des licences octroyées et refusées à
l’armée et à la police.
|
De heer Karel De Gucht,
minister van Buitenlandse Zaken. – Ik lees het antwoord van
minister Verwilghen.
De verslagen die kunnen worden
opgevraagd, zijn een volledig verslag over de periode van
1 september 2003 tot 31 december 2005 en een
verslag over het eerste semester van 2006. Aangezien de
wapenhandel tegenwoordig een gewestelijke bevoegdheid is, maken
de gewesten het uitgebreide jaarlijkse verslag op. Eventueel
kunnen die verslagen van de gewesten ook aan het Federaal
Parlement worden bezorgd.
Voor de periode 2003 tot 2005 werd
geen verslag uitgebracht omdat het niet duidelijk was wie dat
verslag moest indienen: de minister van Landsverdediging, de
minister van Buitenlandse Zaken of de minister van Economie. De
federale overheid is alleen bevoegd voor de afgifte of weigering
van in-, uit- en doorvoervergunningen van wapens, munitie en
speciaal voor militair gebruik dienstig materiaal en de daaraan
verbonden technologie voor het Belgisch leger en de politie. Zeer
binnenkort wordt het verslag uitgebracht over het tweede semester
van 2006.
Er werden geen in-, uit- of
doorvoervergunningen geweigerd. Door de regionalisering zijn de
vergunningen in verband met de militaire productiecapaciteit geen
federale bevoegdheid meer.
De huidige praktijk waarbij de
verslagen aan het parlement worden bezorgd, voldoet op het eerste
gezicht aan de vereisten van transparantie. Mogelijke
verbeteringen worden onderzocht, maar er zijn momenteel geen
concrete plannen in de gesuggereerde richting.
De minister wenst de courante
praktijk voort te zetten, met dien verstande dat kort na ieder
semester kennis kan worden genomen van de afgeleverde en
geweigerde vergunningen voor leger en politie.
|
|
M. Lionel
Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Le rapport ne contient
que trois pages avec des tableaux et cela pour une période
de trois ans. Par contre, le rapport du gouvernement flamand
compte une quinzaine de pages avec des tableaux détaillés.
Dans le tableau du gouvernement fédéral, on trouve
des produits qui coûtent à peine 10 euros et seuls
le pays, le nombre de licences et la valeur sont mentionnés.
Le rapport fédéral est ridicule. Je demanderai au
ministre Verwilghen de donner une réponse plus détaillée
et surtout de respecter l’article 17 de la loi, ce qui
n’a pas été le cas à présent.
Je demande aux
collègues wallons de consulter également les
rapports de la Région wallonne. Je ne les ai pas trouvés :
sans doute n’existent-ils même pas.
|
De heer Lionel
Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Het verslag bevat slechts
drie bladzijden met tabellen voor een periode van drie jaar. Het
verslag van de Vlaamse regering daarentegen telt een vijftiental
bladzijden met uitgebreide tabellen. Op de tabel van de federale
regering staan producten van amper 10 euro en alleen het land,
het aantal vergunningen en de waarde worden vermeld. Het federale
verslag is belachelijk. Ik zal minister Verwilghen vragen een
uitgebreider antwoord te geven en vooral artikel 17 van de
wet te respecteren, wat nu niet is gebeurd.
Ik vraag de Waalse collega’s
ook de verslagen voor het Waalse Gewest te consulteren. Ik heb
die niet gevonden, waarschijnlijk bestaan ze zelfs niet.
|
|
M. Karel
De Gucht, ministre des Affaires étrangères.
– J’informerai mon collègue Verwilghen des
préoccupations de M. Lionel Vandenberghe en la
matière.
|
De heer Karel De Gucht,
minister van Buitenlandse Zaken. – Ik zal collega
Verwilghen op de hoogte brengen van de bezorgdheid van
de heer Lionel Vandenberghe.
|
|
Question
orale de Mme Elke Tindemans au ministre de la Fonction
publique, de l’Intégration sociale, de la Politique
des grandes villes et de l’Égalité des
chances sur «la politique du personnel des organes
stratégiques fédéraux et des secrétariats
ministériels» (nº 3-1382)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Elke Tindemans aan de minister van
Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid
en Gelijke Kansen over «het personeelsbeleid bij de
federale beleidsorganen en de ministeriële secretariaten»
(nr. 3-1382)
|
|
Mme Elke
Tindemans (CD&V). – Au début de la semaine,
la Cour des comptes a publié un rapport critique
concernant la politique du personnel menée par les organes
stratégiques fédéraux et les secrétariats
ministériels, épinglant plusieurs points litigieux.
La Cour des comptes pointe en premier lieu le manque de
transparence en matière budgétaire. Au quotidien,
on ne respecte pas la différence des tâches confiées
aux cellules stratégiques et aux secrétariats. Il y
aurait en outre des abus dans l’affectation des crédits
et le contrôle interne serait insuffisant. Il semble aussi
que certains anciens ministres bénéficient
d’avantages non réglementaires.
Le ministre
est-il d’accord avec les observations de la Cour des
comptes ? Quelles mesures entend-il prendre pour faire
appliquer la législation ?
|
Mevrouw Elke Tindemans
(CD&V). – In het begin van de week publiceerde het
Rekenhof een kritisch verslag over het personeelsbeleid bij de
federale beleidsorganen en de ministeriële secretariaten.
Het Rekenhof heeft tijdens zijn onderzoek verschillende
pijnpunten vastgesteld. Het Rekenhof wijst in de eerste plaats op
een gebrek aan doorzichtigheid op het vlak van de begroting. Ook
is er in de dagelijkse werking geen respect voor het onderscheid
in het takenpakket van de beleidscellen en de secretariaten.
Verder zouden kredieten op een oneigenlijke wijze worden
aangewend en zou de interne controle ontoereikend zijn. Tot slot
blijken enkele gewezen ministers gunsten te genieten die niet
conform de regelgeving zijn.
Is de minister het eens met de
vaststellingen van het Rekenhof?
Welke maatregelen zal de minister
nemen om de regelgeving af te dwingen?
|
|
Mme la présidente.
– Je félicite Madame Tindemans pour sa première
intervention au sein de notre Assemblée.
|
De voorzitter. – Ik
feliciteer mevrouw Tindemans met haar maidenspeech.
|
|
M. Christian
Dupont, ministre de la Fonction publique, de l’Intégration
sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité
des chances. – Je ne conteste pas les remarques de la Cour
des comptes mais je veux les replacer dans leur contexte.
Le traitement
des fonctionnaires fédéraux détachés
reste à charge du service dont ils sont issus ; seule
leur prime est à charge de l’organe stratégique
concerné. Le gouvernement essaie ainsi de rendre plus
attirant le recours à l’expertise interne des
fonctionnaires fédéraux.
La répartition
du personnel entre les différentes cellules stratégiques
et les secrétariats est respectée dans les grandes
lignes. Il se peut que pour certains dossiers qui demandent de la
polyvalence, des activités se recoupent temporairement
mais cela ne se produit sûrement pas de manière
structurelle.
Le contrôle
interne en la matière est exercé par la
chancellerie du premier ministre, qui prend les initiatives
nécessaires pour procéder aux adaptations
éventuelles qui s’imposent. En septembre, la
chancellerie a constitué un groupe de travail chargé
d’analyser les observations de la Cour et d’adapter
la réglementation là où cela s’avère
nécessaire. Les conclusions du groupe de travail seront
prochainement présentées aux instances politiques
en vue d’une décision.
La Cour des
comptes, dans une recommandation figurant à la fin du
rapport, conclut : « Si le contexte administratif
actuel ne permet pas de respecter les conditions essentielles
évoquées, il faut se demander si la réglementation
ne doit pas plutôt être adaptée aux pratiques
constatées ».
|
De heer Christian
Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke
Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. – Ik wil
de opmerkingen van het Rekenhof niet betwisten, maar wens ze wel
in hun juiste context te plaatsen.
Gedetacheerde federale ambtenaren
blijven voor hun wedde ten laste van de dienst waar ze
oorspronkelijk aangeworven zijn en enkel hun premie valt ten
laste van het betrokken beleidsorgaan. Zo probeert de regering om
een beroep op de interne expertise van de federale ambtenaren
aantrekkelijk te maken.
In grote lijnen wordt de opdeling
van het personeel tussen de diverse beleidscellen en
secretariaten in acht genomen. Het kan soms wel gebeuren dat in
sommige dossiers, omwille van de noodzaak aan polyvalentie, de
activiteiten elkaar tijdelijk doorkruisen, maar dat gebeurt zeker
niet op structurele wijze.
De interne controle ter zake wordt
uitgevoerd door de kanselarij van de eerste minister, die de
nodige initiatieven neemt om indien nodig bij te sturen. De
kanselarij heeft daartoe in september een werkgroep opgericht die
de vaststellingen van het Hof moet analyseren en, waar nodig, de
reglementering kan aanpassen. De conclusies van die werkgroep
zullen binnenkort voor beslissing worden voorgelegd aan de
politieke instanties.
Ik wijs erop dat het Rekenhof in een
aanbeveling in fine van het verslag stelt dat ‘zo de
huidige administratieve context niet toelaat om de in het rapport
aangehaalde essentiële voorwaarden in acht te nemen, men
zich de vraag moet stellen of men niet veeleer de regelgeving
moet aanpassen aan de vastgestelde praktijk’.
|
|
Mme Elke
Tindemans (CD&V). – Je remercie le ministre pour sa
réponse. Ce que nous craignons et que nous ne pouvons en
aucun cas accepter, c’est précisément que la
réglementation soit adaptée à une situation
après que des abus aient été constatés
et parce que cela profite à certains.
|
Mevrouw Elke Tindemans
(CD&V). – Ik dank de minister voor het antwoord.
Wat wij vrezen en waar we zeker niet mee akkoord kunnen gaan is
precies dat laatste, namelijk dat de regelgeving wordt aangepast
aan een situatie nadat er inbreuken zijn vastgesteld en omdat het
sommigen zo beter uitkomt.
|
|
Question
orale de M. Franco Seminara à la secrétaire
d’État aux Familles et aux Personnes handicapées
sur «la rémunération des personnes
handicapées» (nº 3-1374)
|
Mondelinge
vraag van de heer Franco Seminara aan de
staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap over
«de bezoldiging van gehandicapte personen»
(nr. 3-1374)
|
|
M. Franco Seminara (PS).
– Pour ma première intervention, j’ai, pour
contrebalancer l’émotion de la première fois,
le privilège de connaître bien mon sujet, du moins,
je le crois. En effet, les douleurs physiques et morales sont de
vieilles camarades.
En débutant mon activité
parlementaire au sein de la commission des Affaires sociales du
Sénat, j’ai assisté avec beaucoup d’intérêt
à la discussion relative à une proposition de
résolution sur l’égalité de
rémunération entre les hommes et les femmes.
La lutte contre toute forme de
discrimination est à mes yeux une priorité et je me
réjouis notamment qu’au niveau international
Mme Arbour ait récemment donné un signal très
clair.
En effet, le Haut commissaire aux
droits de l’homme a souhaité que la prochaine
convention internationale globale et intégrée pour
la protection et la promotion des droits et de la dignité
des personnes handicapées, actuellement en discussion au
siège de l’ONU à New York, puisse pallier les
insuffisances du système international en matière
de droits des personnes handicapées.
Particulièrement, les
délégations des différents pays ont affirmé
leur volonté de mieux tenir compte des besoins spécifiques
des enfants et des femmes handicapés.
Ainsi, ces dernières
devraient pouvoir jouir de leur droit à l’égalité
avec les hommes.
Je souhaiterais savoir, madame la
secrétaire d’État, si le gouvernement en
général et votre département, en
particulier, ont été attentifs à cet aspect
de la problématique relatif aux femmes handicapées
et à leur intégration dans le milieu du travail.
En effet, je partage l’avis de
Mme Arbour qui souligne que l’expérience des
droits de l’homme montre bien que le respect des droits des
personnes handicapées nécessite des délibérations
plus approfondies au niveau national sur les besoins des
personnes handicapées.
L’ancien secrétaire
général des Nations unies, Kofi Annan, a qualifié
cet événement d’historique en déclarant
« qu’il s’agit là du nouveau
premier texte du 21e siècle des droits de
l’homme qui confère à la personne handicapée
une position juridique ».
Je voudrais terminer, madame la
secrétaire d’État, en disant que le handicap
ne choisit pas son camp. Les hommes et les femmes sont également
touchés mais les femmes sont les plus gravement atteintes.
Les femmes handicapées, comme toutes les autres, ne
doivent pas être exclues de l’avenir de l’humanité.
Quel est l’état de la situation ?
|
De heer Franco
Seminara (PS). – In mijn eerste interventie zal ik het
hebben over een onderwerp dat ik goed ken. Ik weet immers al lang
wat het betekent om fysiek en psychisch te lijden.
Als kersvers
parlementslid heb ik in de commissie voor de Sociale
Aangelegenheden deelgenomen aan de bespreking van een voorstel
van resolutie over de gelijke bezoldiging van mannen en vrouwen.
De strijd
tegen elke vorm van discriminatie is voor mij een prioriteit. Het
verheugt mij dan ook dat Louise Arbour onlangs een sterk signaal
heeft gegeven.
Ze drukte als
nieuwe hoge VN-commissaris voor de mensenrechten de wens uit dat
de internationale VN-conventie ter bevordering en bescherming van
de rechten en waardigheid van mensen met een beperking, die
momenteel in New York wordt voorbereid, tegemoet zou komen aan de
tekortkomingen van het internationale stelsel inzake rechten van
gehandicapten.
De delegaties
van de verschillende landen hebben verklaard dat ze beter
rekening willen houden met de specifieke noden van gehandicapte
vrouwen en kinderen.
Vrouwen met
een handicap moeten op dezelfde wijze behandeld worden als
mannen.
Houdt de
regering in het algemeen en het departement van de
staatsecretaris in het bijzonder rekening met dit aspect van de
problematiek van vrouwen met een handicap en hun integratie op de
arbeidsmarkt?
Ik deel de
zienswijze van mevrouw Arbour, die vindt dat de ervaringen
met mensenrechten aantoont dat voor de inachtneming van de
rechten van personen met beperkingen er op nationaal niveau meer
diepgaande gesprekken nodig zijn over de noden van gehandicapten.
Voormalig
VN-secretaris-generaal Kofi Annan noemde dit een historische
gebeurtenis omdat dit het eerste nieuwe mensenrechtenverdrag van
de 21ste eeuw is dat een rechtspositie toekent aan de
gehandicapte persoon.
De handicap
kiest zijn doelwit niet. Mannen en vrouwen worden er in gelijke
mate door getroffen, maar de gevolgen zijn erger voor vrouwen.
Vrouwen met beperkingen moeten, net als alle andere vrouwen, deel
kunnen hebben aan de toekomst van de mensheid en mogen niet
worden uitgesloten. Wat is de stand van zaken?
|
|
Mme la présidente.
– Je félicite également Monsieur Seminara
pour sa première intervention au sein de notre Assemblée.
|
De voorzitter. – Ik
feliciteer de heer Seminara met zijn maidenspeech.
|
|
Mme Gisèle Mandaila
Malamba, secrétaire d’État aux Familles
et aux Personnes handicapées, adjointe au ministre des
Affaires sociales et de la Santé publique. – La
Convention relative aux droits des personnes handicapées,
approuvée le 13 décembre dernier et ouverte à
la signature des États dès le 30 mars
prochain, est historique à plus d’un titre.
C’est la première fois
que des organisations non gouvernementales sont associées
à l’élaboration d’une convention des
Nations unies. Les associations représentatives de
personnes handicapées ont réellement pu faire
entendre leur voix. C’est également la première
fois que l’Union européenne ratifie un traité
relatif aux droits de l’homme. C’est enfin le premier
texte international en matière de droits des personnes
handicapées.
Sur ce dernier point, la question de
la nécessité d’une convention spéciale
pour les personnes handicapées a été souvent
posée : les personnes handicapées n’ont-elles
pas les mêmes droits que n’importe qui d’autre ?
Dans un monde parfait, les droits
énumérés dans la Déclaration
universelle des droits de l’homme devraient suffire à
protéger chacun d’entre nous. Mais, dans la
pratique, certains groupes plus vulnérables ont réellement
besoin d’une protection spécifique.
Ce constat a été posé
par Louise Arbour, Commissaire aux droits de l’homme de
l’ONU, que vous citez dans votre question. Mme Arbour
a indiqué que « Le système actuel
des droits de l’homme était censé protéger
et promouvoir les droits des personnes handicapées mais
les normes et mécanismes en place n’ont pas réussi
à fournir une protection adéquate dans le cas
particulier des personnes handicapées. Il est
manifestement temps que l’ONU remédie à cette
lacune. »
L’article 3 de la
convention – relatif aux principes généraux –
rappelle le principe d’égalité entre les
hommes et les femmes.
L’article 6 de la
convention porte une attention particulière aux femmes
handicapées.
En droit belge, l’égalité
entre les hommes et les femmes est garantie par l’article 10
de la Constitution.
L’égalité de
rémunération entre les hommes et les femmes est
consacrée par la loi du 7 mai 1999 sur l’égalité
de traitement entre hommes et femmes en ce qui concerne les
conditions de travail, l’accès à l’emploi
et aux possibilités de promotion, l’accès à
une profession indépendante et les régimes
complémentaires de sécurité sociale.
La loi du 25 février 2003
règle la question de la non-discrimination en général.
Sans effectuer ici un rappel
exhaustif de toutes les dispositions légales permettant
d’assurer l’égalité entre hommes et
femmes et l’égalité entre personnes
handicapées et personnes valides en Belgique, il me semble
que les bases légales afin de poursuivre l’intégration
et l’égalité des femmes handicapées
sur le marché du travail sont disponibles.
Lors de notre séance d’hier
en commission des Affaires sociales, j’ai pu vous exposer
les mesures prises par le gouvernement afin d’améliorer
le taux d’emploi des personnes handicapées en
général. Ces mesures se combinent avec celles qui
sont adoptées par mes collègues du gouvernement
pour assurer une meilleure égalité entre hommes et
femmes sur le marché du travail : il s’agit des
congés spéciaux qui, dans les faits, sont souvent
utilisés par les femmes et des campagnes menées en
faveur de l’égalité et de la
non-discrimination.
Si des mesures complémentaires
devaient être prises en ce qui concerne l’intégration
des femmes handicapées sur le marché du travail, le
gouvernement y répondrait de la façon la plus
adéquate possible.
À cet égard, le suivi
de la convention, assuré par le comité ad hoc
et par les États permettra de mettre en lumière
d’éventuels risques encourus par les femmes
handicapées sur le marché du travail.
|
Mevrouw Gisèle
Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen
met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid. – De Conventie voor gelijke rechten van
personen met een handicap die op 13 december 2006 werd
goedgekeurd en vanaf 30 maart door de Staten kan worden
ondertekend, is in meer dan één opzicht historisch.
Het is de
eerste keer dat niet-gouvernementele organisaties betrokken
worden bij de opstelling van een VN-conventie. De verenigingen
die gehandicapten vertegenwoordigen, hebben een stem in het
kapittel gehad. Het is ook de eerste keer dat de Europese Unie
een mensenrechtenverdrag ratificeert en het is de eerste
internationale tekst die betrekking heeft op de rechten van
personen met een handicap.
Vaak werd de
vraag gesteld of een bijzondere conventie voor gehandicapten
noodzakelijk was: hebben personen met beperkingen niet dezelfde
rechten als alle andere?
In een
volmaakte wereld, zouden de rechten die zijn opgesomd in de
Universele Verklaring van de Rechten van de Mens moeten volstaan
voor de bescherming van elk van ons. In de praktijk blijkt dat
voor sommige kwetsbare groepen een specifieke bescherming nodig
is.
Die
vaststelling werd vertolkt door VN-mensenrechtencommissaris
Louise Arbour. Ze zei immers dat het huidige stelsel van
mensenrechten geacht wordt de rechten van personen met
beperkingen te beschermen en te bevorderen, maar aan de hand van
de vigerende normen en mechanismen wordt er geen afdoende
bescherming geboden aan personen met een handicap. Het is hoog
tijd dat de VN die lacune invult.
Artikel 3
van de Conventie gaat over de algemene beginselen en brengt het
principe van gelijkheid tussen mannen en vrouwen in herinnering.
Artikel 6
handelt in het bijzonder over vrouwen met een handicap.
In het
Belgisch recht wordt de gelijkheid van mannen en vrouwen
gewaarborgd door artikel 10 van de Grondwet.
Het recht op
gelijk loon voor mannen en vrouwen wordt bevestigd door de wet
van 7 mei 1999 op de gelijke behandeling van mannen en
vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het
arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een
zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale
zekerheid.
Het algemeen
verbod op discriminatie wordt geregeld door de wet van
25 februari 2003.
Ik zal niet
alle bepalingen opsommen die de gelijkheid van mannen en vrouwen
en de gelijkheid van gehandicapte en valide personen in België
garanderen, maar ik denk dat er voldoende wettelijke grondslagen
zijn om de integratie en de gelijkheid van vrouwen met een
handicap op de arbeidsmarkt na te streven.
In de
vergadering van de commissie voor de Sociale Aangelegenheden van
gisteren heb ik de maatregelen uiteengezet die de regering heeft
genomen om de arbeidsparticipatie van personen met een handicap
in het algemeen te verhogen. Daarnaast hebben mijn collega’s
maatregelen genomen om meer gelijkheid tussen mannen en vrouwen
op de arbeidsmarkt tot stand te brengen: bijzondere vormen van
verlof die in de praktijk meestal door vrouwen worden opgenomen,
en campagnes voor meer gelijkheid en tegen discriminatie.
Mochten er
bijkomende maatregelen nodig zijn met betrekking tot de
integratie van gehandicapte vrouwen op de arbeidsmarkt, dan zal
de regering het nodige doen.
Het comité
ad hoc en de Staten zullen zorgen voor de follow-up van de
conventie, zodat duidelijk wordt met welke risico’s
gehandicapte vrouwen op de arbeidsmarkt kunnen worden
geconfronteerd.
|
|
M. Franco Seminara (PS).
– Je voudrais poser une question complémentaire.
Hier, en commission, j’ai souligné le travail
remarquable effectué par le ministre de la Fonction
publique, présent parmi nous. Il me revient du monde
associatif que le taux de 3% n’est pas atteint. Il serait
intéressant d’obtenir à cet égard des
données chiffrées de la part des autres ministres
qui devraient embrayer sur le mouvement car l’emploi des
personnes handicapées dans la Fonction publique constitue
à mes yeux une initiative très intéressante.
|
De heer Franco
Seminara (PS). – Ik heb nog een aanvullende vraag. In
de commissie heb ik gisteren gewezen op het voortreffelijke werk
van de minister van Ambtenarenzaken, die hier vandaag aanwezig
is. Volgens de verenigingen wordt het percentage van 3% niet
gehaald. Het zou interessant zijn om ook van de andere ministers
cijfergegevens te ontvangen. Ze zouden immers dit voorbeeld
moeten volgen, want de indienstneming van gehandicapte personen
in overheidsdiensten is volgen mij een interessant initiatief.
|
|
Question
orale de Mme Nele Jansegers au secrétaire d’État
aux Entreprises publiques sur «la qualité du service
de La Poste et l’information donnée aux
citoyens» (nº 3-1378)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Nele Jansegers aan de staatssecretaris
voor Overheidsbedrijven over «de kwaliteit van de
dienstverlening van De Post en de informatie aan burgers»
(nr. 3-1378)
|
|
Mme Nele
Jansegers (VL. BELANG). – Le 24 novembre
dernier, une de mes connaissances a demandé à La
Poste des informations sur la fermeture du bureau de poste de
Hofstade. Dans une lettre, La Poste la renvoie au bureau de poste
le plus proche de la région, à savoir le bureau de
poste d’Oudegem. Or, ce dernier fermera également
ses portes début février. Cette information nous a
été confirmée par le service clientèle
de La Poste.
La Poste fait
également référence à un point poste
des environs auquel le client peut s’adresser pour les
opérations les plus courantes comme l’achat de
timbres postaux et fiscaux, l’enlèvement et le dépôt
de petits colis et le versement d’argent sur des comptes de
tiers.
Trouvez-vous
normal que des clients soient renvoyés à un bureau
de poste qui fermera également dans deux mois ?
Le bureau de
poste le plus proche dans les environs est celui de Denderbelle.
Pouvez-vous confirmer que ce bureau ne fermera pas dans les
prochains mois ?
Dans sa
lettre, La Poste indique que les moyens libérés par
la fermeture du bureau de poste susvisé (Hofstade) seront
répartis entre les bureaux de poste des environs et qu’en
regroupant les gens et les moyens, elle peut offrir un meilleur
service à ses clients.
À quel
bureau de poste de la région le personnel et les moyens du
bureau de poste de Hofstade sont-ils allés ?
Où les
clients peuvent-ils trouver des informations sur les heures
d’ouverture des points poste ? Le point poste auquel
ce client a été renvoyé est une librairie.
Le site web de La Poste ne précise ni les heures
d’ouverture du point poste susvisé ni celle des
autres points poste des environs.
Contrairement
à ce qui est indiqué dans la lettre en ce qui
concerne les opérations que l’on peut effectuer dans
les points poste, le site web de La Poste précise que l’on
peut uniquement acheter des timbres-poste dans les quatre points
poste situés dans la région du client. Trouvez-vous
normal que La Poste donne de mauvaises informations aux clients ?
Quel est le
pourcentage de points poste dans lesquels on peut acheter des
timbres postaux et fiscaux, enlever et déposer des petits
colis et verser de l’argent sur des comptes de tiers ?
|
Mevrouw Nele Jansegers
(VL. BELANG). – Op 24 november deed een
kennis navraag bij De Post in verband met de sluiting van het
postkantoor van Hofstade. In een brief verwijst De Post hem naar
het dichtstbijzijnde postkantoor in de buurt, namelijk het
postkantoor van Oudegem. Nu blijkt dat ook dit postkantoor begin
februari gesloten wordt. De klantendienst van De Post bevestigde
deze informatie.
De Post verwijst ook naar een
postpunt in de buurt, waar de klant voor de meest courante
verrichtingen terechtkan, zoals postzegels en fiscale zegels
kopen, pakjes afhalen en bezorgen en geld op rekeningen van
derden storten.
Vindt de staatssecretaris het
normaal dat klanten doorverwezen worden naar een postkantoor dat
twee maanden later ook sluit?
Het volgende postkantoor in de
buurt, in orde van afstand tot de klant, is dat van Denderbelle.
Kan de staatssecretaris bevestigen dat dit kantoor de komende
maanden niet zal sluiten?
In de brief van De Post staat dat
‘de middelen die vrijkwamen door de sluiting van het
bovenvermelde kantoor (Hofstade), verdeeld zullen worden onder de
postkantoren in de buurt. Door mensen en middelen te groeperen,
kunnen we onze klanten een betere dienstverlening aanbieden.’
Naar welk postkantoor in de buurt gingen de mensen en middelen
van het postkantoor van Hofstade?
Waar vinden klanten informatie over
de openingsuren van de postpunten? Het postpunt waar deze klant
naar verwezen werd, is een dagbladhandel. Op de webstek van De
Post komen de openingsuren van het vermelde postpunt en van de
andere postpunten in de buurt alleszins niet voor.
In tegenstelling tot de
verrichtingen die men volgens de brief in de postpunten kan doen,
kan men volgens de webstek van De Post in de vier postpunten in
de buurt van de klant uitsluitend terecht voor het kopen van
postzegels. Vindt de staatssecretaris het normaal dat De Post de
klanten informatie biedt die niet correct is?
In hoeveel procent van de bestaande
postpunten kan men postzegels en fiscale zegels kopen, pakjes
afhalen en bezorgen en geld storten op rekeningen van derden?
|
|
M. Bruno
Tuybens, secrétaire d’État aux
Entreprises publiques, adjoint à la ministre du Budget et
de la Protection de la consommation. – Le regroupement des
bureaux de poste s’étale sur une période de
deux ans et se fait de manière graduelle. Le cas décrit
par Mme Jansegers peut effectivement se produire. Lors de
chaque fermeture, on distribue un plan des environs reprenant les
bureaux de poste et les points poste opérationnels.
Le bureau de
Denderbelle ne fermera pas ses portes au printemps 2007.
Les moyens
libérés au bureau de poste d’Alost ne
représentent que 0,6 équivalent temps plein.
Les heures
d’ouverture des points poste figurent sur le site web mais
non celles des magasins de timbres. Il va de soi que les heures
d’ouverture sont précisées au point poste ou
au magasin de timbres. Pour connaître les heures
d’ouverture et la situation des points poste, le client
peut également s’adresser au service clientèle.
Il existe
manifestement une confusion entre points poste et magasins de
timbres. Dans les magasins de timbre, on ne peut qu’acheter
des timbres-poste. On peut se rendre dans tous les points poste
pour l’achat de timbres postaux ou fiscaux, l’enlèvement
ou l’envoi de plis recommandés et de petits colis et
des versements de petits montants avec une communication
structurée.
|
De heer Bruno Tuybens,
staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de
minister van Begroting en Consumentenzaken. – De
hergroepering van de postkantoren is gespreid over twee jaar en
gebeurt gradueel. De toestand die mevrouw Jansegers
beschrijft, kan zich inderdaad voordoen. Bij elke sluiting wordt
een overzichtsplannetje van de omgeving verspreid waarop de
postkantoren en de postpunten zijn aangegeven die op dat ogenblik
operationeel zijn.
Het kantoor van Denderbelle zal in
het voorjaar van 2007 niet sluiten.
De vrijgekomen middelen in het
kantoor van Aalst hebben betrekking op slechts 0,6 voltijds
equivalenten.
De openingsuren van de postpunten
staan op de website, die van de zegelwinkels echter niet. De
openingsuren worden uiteraard vermeld aan het postpunt of de
zegelwinkel. Voor de openingsuren en de ligging van de postpunten
kan de klant ook terecht bij de klantendienst.
Er bestaat blijkbaar verwarring
tussen postpunten en zegelwinkels. In de zegelwinkels kan men
alleen postzegels kopen. In alle postpunten kan men terecht voor
de aankoop van post- en fiscale zegels, het ophalen en versturen
van aangetekende zendingen en pakjes en stortingen van kleine
bedragen met een gestructureerde mededeling.
|
|
Mme Nele
Jansegers (VL. BELANG). – La confusion a été
créé par La Poste elle-même. Dans sa lettre,
La Poste fait référence à un point poste
situé dans les environs, une librairie, alors que, dans
cette dernière, on ne peut qu’acheter des
timbres-poste. La Poste donne donc de mauvaises informations.
|
Mevrouw Nele Jansegers
(VL. BELANG). – De verwarring werd in het leven
geroepen door De Post zelf. In de brief verwijst De Post naar
‘een postpunt in uw buurt, dagbladhandel…’,
terwijl men in deze laatste alleen postzegels kan kopen. De Post
geeft dus foute informatie.
|
|
Question
orale de M. Joris Van Hauthem au secrétaire
d’État aux Entreprises publiques sur «la
décision d’utiliser seulement le nom officiel
flamand des communes en ce qui concerne les gares de la SNCB»
(nº 3-1384)
|
Mondelinge
vraag van de heer Joris Van Hauthem aan de
staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over «het gebruik
van alleen de officiële Nederlandstalige naam van gemeentes
in de stations van de NMBS» (nr. 3-1384)
|
|
M. Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – Le
15 décembre 2006, le gouvernement flamand a
décidé que désormais les communes flamandes
n’auraient plus qu’un nom officiel néerlandais.
Jusqu’à présent il y avait encore assez bien
de communes flamandes qui avait aussi un nom officiel français.
Cette décision
a évidemment des conséquences pour la communication
de la SNCB par rapport à ces communes. Je songe aux
panneaux indicatifs de lieux dans certaines stations des communes
à facilités, aux mentions des ces communes sur le
site web de la SNCB, tant en version française que
néerlandaise, aux annonces des destinations et des arrêts,
etc.
La SNCB
prendra-t-elle les mesures nécessaires pour appliquer la
décision du gouvernement flamand et utiliser les normes
toponymiques qu’impose la décision flamande ?
|
De heer Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – Op
15 december 2006 besliste de Vlaamse regering dat de
Vlaamse gemeenten voortaan nog louter een officiële
Nederlandstalige benaming zullen hebben. Tot nog toe hadden nogal
wat Vlaamse gemeenten ook een officiële Franstalige
benaming.
Dat besluit heeft natuurlijk
gevolgen voor de communicatie van de NMBS in verband met die
gemeenten. Ik denk daarbij aan de plaatsnaamborden in een aantal
stations in faciliteitengemeenten, de vermelding van die
gemeenten op de webstek van de NMBS, zowel in de Nederlandstalige
als in de Franstalige versie, het omroepen van de bestemmingen en
de stopplaatsen enzovoort.
Zal de NMBS de nodige maatregelen
nemen om de beslissing van de Vlaamse regering toe te passen en
de schrijfwijze gebruiken die in het Vlaamse besluit wordt
opgelegd?
|
|
M. Bruno
Tuybens, secrétaire d’État aux
Entreprises publiques, adjoint à la ministre du Budget et
de la Protection de la consommation. – J’ai appris
moi aussi par les médias que le gouvernement flamand avait
pris un arrêté relatif au nom néerlandais des
communes. Ni la SNCB, ni moi-même n’avons
connaissance de la publication de cet arrêté au
Moniteur belge. Il va de soi que nous attendons la
publication officielle pour nous faire une image claire de la
portée et du champ d’application de cet arrêté.
|
De heer Bruno Tuybens,
staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de
minister van Begroting en Consumentenzaken. – Ook ik heb
via de media vernomen dat de Vlaamse regering een besluit met
betrekking tot de Nederlandstalige naam van gemeenten heeft
genomen. Noch ikzelf, noch de NMBS hebben er weet van dat de
tekst van dat besluit in het Belgisch Staatsblad is
gepubliceerd. Vanzelfsprekend wachten we de officiële
publicatie af zodat we een duidelijk beeld krijgen van de
draagwijdte en het toepassingsgebied van het besluit.
|
|
M. Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – Je comprends que
le secrétaire d’État attende la publication
au Moniteur belge avant de prendre des mesures. Il connaît
cependant la teneur de l’avant-projet de décret.
Peut-être peut-il déjà préparer
l’adaptation de certaines dénominations.
S’il le
faut, nous interrogerons à nouveau le secrétaire
d’État sur cette affaire.
|
De heer Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – Ik heb er begrip
voor dat de staatsecretaris de publicatie in het Belgisch
Staatsblad afwacht alvorens maatregelen te nemen. Hij kent
echter de inhoud van het voorontwerp van decreet. Misschien kan
hij de aanpassing van sommige benamingen al voorbereiden.
Indien nodig zullen we de
staatssecretaris opnieuw over deze zaak ondervragen.
|
|
Question
orale de M. Stefaan Noreilde au ministre de l’Emploi
sur «la proposition pour étendre l’assouplissement
de la réglementation pour le travail des étudiants»
(nº 3-1367)
|
Mondelinge
vraag van de heer Stefaan Noreilde aan de minister van
Werk over «het voorstel tot verdere versoepeling van de
regeling inzake studentenarbeid» (nr. 3-1367)
|
|
M. Stefaan
Noreilde (VLD). – La nouvelle proposition de loi sur le
travail des étudiants est un grand succès. J’ai
appris que le ministre envisage d’étendre cette
réglementation. En même temps, il plaide pour plus
de flexibilité. J’appuie évidemment l’idée
que les étudiants puissent travailler un maximum de 400
heures par an.
Quelle est la
teneur exacte de la nouvelle réglementation ? Le
ministre a-t-il opté pour le système basé
sur des jours supplémentaires ou pour le système où
le calcul s’effectue sur la base d’un certain nombre
d’heures ?
Quel est
l’état de la question ? Le ministre
déposera-t-il un projet de loi en la matière durant
cette législature encore, de sorte que la nouvelle
réglementation puisse entrer en vigueur avant les vacances
d’été ?
|
De heer Stefaan
Noreilde (VLD). – Het nieuwe wetsvoorstel inzake
studentenarbeid is een groot succes. Ik heb vernomen dat de
minister plannen heeft om de regeling nog uit te breiden. Tevens
pleit hij voor meer flexibiliteit. Vanzelfsprekend steun ik de
idee dat studenten maximaal 400 uren op jaarbasis mogen werken.
Wat is de juiste inhoud van deze
nieuwe regeling? Opteert de minister voor het systeem op basis
van de extra dagen of het systeem waarbij de berekening verloopt
op basis van een aantal uren?
Wat is de stand van zaken? Zal de
minister nog voor het einde van deze regeerperiode een
wetsontwerp ter zake indienen zodat de nieuwe regeling nog voor
de zomervakantie kan ingaan?
|
|
M. Peter
Vanvelthoven, ministre de l’Emploi. – Il y a un
consensus entre le gouvernement et les partenaires sociaux sur la
simplification de la réglementation du travail des
étudiants, l’un des dossiers étudié
lors du conseil des ministres thématique du 19 mai 2006.
Les deux périodes ayant chacune leur propre tarif seront
ramenées à une seule période à tarif
unique. Les détails de cette adaptation sont encore en
discussion mais le dossier sera achevé avant la fin de la
législature.
|
De heer Peter
Vanvelthoven, minister van Werk. – Over de
vereenvoudiging van de regeling voor studentenarbeid, één
van de dossiers van de themaministerraad van 19 mei 2006,
bestaat een consensus binnen de regering en met de sociale
partners. De twee periodes met elk een verschillend tarief zullen
worden teruggebracht tot één periode met één
tarief. De details van deze aanpassing worden nog besproken, maar
het dossier zal nog voor het einde van de legislatuur worden
afgerond.
|
|
M. Stefaan
Noreilde (VLD). – Le dossier a-t-il déjà
été discuté au Conseil national du Travail ?
Si j’ai bien compris, une concertation informelle a eu lieu
et a abouti à un accord.
|
De heer Stefaan
Noreilde (VLD). – Werd het dossier al besproken in de
Nationale Arbeidsraad? Als ik het goed begrepen heb, werd
informeel overleg gepleegd en is men daar tot een akkoord
gekomen.
|
|
M. Peter
Vanvelthoven, ministre de l’Emploi. – Il y a eu
une concertation informelle.
|
De heer Peter
Vanvelthoven, minister van Werk. – Er werd informeel
overleg gepleegd.
|
|
Projet
de loi modifiant la loi du 6 avril 1995 relative à
la prévention de la pollution de la mer par les navires
concernant des matières visées à
l’article 77 de la Constitution (Doc. 3-1943)
|
Wetsontwerp
tot wijziging van de wet van 6 april 1995 betreffende
de voorkoming van verontreiniging van de zee door schepen met
betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in artikel 77 van
de Grondwet (Stuk 3-1943)
|
|
Discussion
générale
|
Algemene
bespreking
|
|
Mme Nele
Lijnen (VLD), rapporteuse. – Je me réfère
à mon rapport écrit.
|
Mevrouw Nele Lijnen (VLD),
rapporteur. – Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.
|
|
– La discussion générale
est close.
|
– De algemene bespreking is
gesloten.
|
|
Discussion
des articles
|
Artikelsgewijze
bespreking
|
|
(Le texte adopté par la
commission des Affaires sociales est identique au texte du projet
transmis par la Chambre des représentants. Voir le
document Chambre 51-2726/3.)
|
(De tekst aangenomen door de
commissie voor de Sociale Aangelegenheden is dezelfde als de
tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers
overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2726/3.)
|
|
– Les articles 1er
et 2 sont adoptés sans observation.
– Il sera procédé
ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de
loi.
|
– De artikelen 1 en 2
worden zonder opmerking aangenomen.
– Over het wetsontwerp in
zijn geheel wordt later gestemd.
|
|
Projet
de loi modifiant la loi du 4 août 1996 relative
au bien-être des travailleurs lors de l’exécution
de leur travail, en ce qui concerne les procédures
judiciaires (Doc. 3-1959)
|
Wetsontwerp
tot wijziging van de wet van 4 augustus 1996
betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van
hun werk, wat de gerechtelijke procedures betreft (Stuk 3-1959)
|
|
Discussion
générale
|
Algemene
bespreking
|
|
M. Wouter
Beke (CD&V), rapporteur. – Le projet de loi à
l’examen, qui relève de la procédure
bicamérale obligatoire, a été déposé
à la Chambre des représentants et y a été
adopté à l’unanimité avant d’être
transmis au Sénat.
Le projet
modifie les mesures de prévention et les procédures
externes prévues par la loi antiharcèlement et est
examiné selon la procédure prévue à
l’article 77 de la Constitution.
Le projet
forme un tout avec un second projet qui modifie les procédures
judiciaires prévues par la même loi et qui est
examiné selon la procédure prévue à
l’article 78 de la Constitution.
La loi du
4 août 1996 impose à tout employeur de
désigner un conseiller en prévention spécialisé
dans les aspects psychosociaux du travail, de mettre en place une
procédure interne permettant d’examiner les faits
dont les travailleurs se plaignent et de rechercher et de prendre
toute autre mesure de prévention permettant d’éviter
la survenance de tels comportements.
Lors de
l’évaluation de cette loi, il est toutefois apparu
clairement que certaines modifications devaient être
apportées.
Ces
modifications visent à accentuer la prévention
primaire, à renforcer le statut de la personne de
confiance, à donner la priorité aux procédures
internes, à clarifier le rôle de l’inspection
Contrôle du bien-être au travail, à clarifier
les moyens du tribunal, à clarifier la disposition
relative à la protection contre le licenciement, à
porter une attention particulière aux travailleurs
victimes de comportements excessifs de tiers, à clarifier
l’accès aux pièces et aux informations et
enfin, à transposer les directives européennes
antidiscrimination.
Le projet de
loi a été adopté à l’unanimité
en commission.
|
De heer Wouter Beke
(CD&V), rapporteur. – Dit verplicht bicameraal
wetsontwerp werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers
ingediend en eenparig aangenomen, waarna het werd overgezonden
aan de Senaat.
Het ontwerp brengt wijzigingen aan
in de preventiemaatregelen en de interne procedures van de
antipestwet en wordt behandeld volgens artikel 77 van de
Grondwet.
Het ontwerp vormt een geheel met een
tweede ontwerp betreffende wijzigingen aan de gerechtelijke
procedures van de antipestwet, dat wordt behandeld volgens
artikel 78 van de Grondwet.
De wet van 4 augustus 1996
legt aan elke werkgever de verplichting op om een
preventieadviseur aan te wijzen die deskundig is op het vlak van
de psychosociale aspecten, om een interne procedure uit te werken
die de mogelijkheid biedt de feiten waarover werknemers klagen,
te onderzoeken en om alle preventiemaatregelen te treffen die
nodig zijn om dergelijke gedragingen te voorkomen.
Bij de evaluatie van deze wet werd
evenwel duidelijk dat een aantal wijzigingen moesten worden
aangebracht.
Deze wijzigingen beogen meer nadruk
te leggen op primaire preventie, het statuut van de
vertrouwenspersoon te versterken, voorrang te verlenen aan de
interne procedures, de rol van de inspectie Toezicht Welzijn op
het werk te verduidelijken, de middelen van de rechtbank
duidelijker te omschrijven, de bepaling betreffende de
bescherming tegen ontslag te verduidelijken, bijzondere aandacht
te geven aan de werknemers die het slachtoffer zijn van
grensoverschrijdend gedrag gepleegd door derden, de toegang tot
stukken en informatie te verduidelijken en, tot slot, de
omzetting van de Europese richtlijnen inzake antidiscriminatie.
Het wetsontwerp werd in de commissie
eenparig goedgekeurd.
|
|
– La discussion générale
est close.
|
– De algemene bespreking is
gesloten.
|
|
Discussion
des articles
|
Artikelsgewijze
bespreking
|
|
(Pour le texte corrigé par
la commission des Affaires sociales, voir document 3-1959/3.)
|
(Voor de tekst verbeterd door de
commissie voor de Sociale Aangelegenheden, zie stuk 3-1959/3.)
|
|
– Les articles 1er
à 3 sont adoptés sans observation.
– Il sera procédé
ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de
loi.
|
– De artikelen 1 tot 3
worden zonder opmerking aangenomen.
– Over het wetsontwerp in
zijn geheel wordt later gestemd.
|
|
Votes
|
Stemmingen
|
|
(Les listes nominatives figurent
en annexe.)
|
(De naamlijsten worden in de
bijlage opgenomen.)
|
|
Projet
de loi modifiant la loi du 6 avril 1995 relative à
la prévention de la pollution de la mer par les navires
concernant des matières visées à
l’article 77 de la Constitution (Doc. 3-1943)
|
Wetsontwerp
tot wijziging van de wet van 6 april 1995 betreffende
de voorkoming van verontreiniging van de zee door schepen met
betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in artikel 77 van
de Grondwet (Stuk 3-1943)
|
|
Vote nº 1
|
Stemming 1
|
|
Présents : 54 Pour :
54 Contre : 0 Abstentions : 0
|
Aanwezig: 54 Voor: 54 Tegen:
0 Onthoudingen: 0
|
|
– Le projet de loi est
adopté.
– Il sera soumis à
la sanction royale.
|
– Het wetsontwerp is
aangenomen.
– Het zal aan de Koning ter
bekrachtiging worden voorgelegd.
|
|
Projet
de loi modifiant la loi du 4 août 1996 relative
au bien-être des travailleurs lors de l’exécution
de leur travail, en ce qui concerne les procédures
judiciaires (Doc. 3-1959)
|
Wetsontwerp
tot wijziging van de wet van 4 augustus 1996
betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van
hun werk, wat de gerechtelijke procedures betreft (Stuk 3-1959)
|
|
Vote nº 2
|
Stemming 2
|
|
Présents : 56 Pour :
56 Contre : 0 Abstentions : 0
|
Aanwezig: 56 Voor: 56 Tegen:
0 Onthoudingen: 0
|
|
– Le projet de loi est
adopté.
– Il sera soumis à
la sanction royale.
|
– Het wetsontwerp is
aangenomen.
– Het zal aan de Koning ter
bekrachtiging worden voorgelegd.
|
|
Ordre
des travaux
|
Regeling
van de werkzaamheden
|
|
Mme la présidente.
– Le Bureau propose l’ordre du jour suivant pour la
semaine prochaine :
|
De voorzitter. – Het
Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:
|
|
Jeudi 1er février 2007
|
Donderdag 1 februari 2007
|
|
le matin à 10 heures
|
’s ochtends om 10 uur
|
|
Procédure d’évocation
|
Evocatieprocedure
|
|
Projet de loi fixant le statut des
militaires du cadre actif des Forces armées ;
Doc. 3-2014/1 à 3. (Pour mémoire)
|
Wetsontwerp tot vaststelling van het
statuut van de militairen van het actief kader van de
Krijgsmacht; Stuk 3-2014/1 tot 3. (Pro memorie)
|
|
Proposition de loi portant création
d’un Conseil supérieur de déontologie des
professions des soins de santé et fixant les principes
généraux pour la création et le
fonctionnement des Ordres des professions des soins de santé
(de M. Patrik Vankrunkelsven et consorts) ;
Doc. 3-1519/1 à 14.
|
Wetsvoorstel tot oprichting van een
Hoge Raad voor Deontologie van de gezondheidszorgberoepen en tot
vaststelling van de algemene beginselen voor de oprichting en de
werking van de Orden van de gezondheidszorgberoepen (van
de heer Patrik Vankrunkelsven c.s.); Stuk 3-1519/1
tot 14.
|
|
Proposition de loi réglant
une matière visée à l’article 77
de la Constitution concernant la déontologie des
professions des soins de santé ; Doc. 3-2030/1
et 2.
|
Wetsvoorstel tot regeling van een
aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet
inzake deontologie van de gezondheidszorgberoepen; Stuk 3-2030/1
en 2.
|
|
Proposition de loi créant un
Ordre des médecins (de M. Patrik Vankrunkelsven et
consorts) ; Doc. 3-373/1 à 10.
|
Wetsvoorstel tot oprichting van een
Orde van artsen (van de heer Patrik Vankrunkelsven
c.s.); Stuk 3-373/1 tot 10.
|
|
À joindre :
|
Toe te voegen:
|
|
Proposition de loi créant
l’Ordre des médecins (de Mme Mia
De Schamphelaere) ; Doc. 3-413/1 et 2 ;
|
Wetsvoorstel tot oprichting van de
Orde van artsen (van mevrouw Mia De Schamphelaere);
Stuk 3-413/1 en 2;
|
|
Proposition de loi modifiant
l’arrêté royal nº 79 du
10 novembre 1967 relatif à l’Ordre des
médecins (de MM. Alain Destexhe et Jacques Brotchi) ;
Doc. 3-1035/1 et 2.
|
Wetsvoorstel tot wijziging van het
koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967
betreffende de Orde der geneesheren (van de heren Alain
Destexhe en Jacques Brotchi); Stuk 3-1035/1 en 2.
|
|
Proposition de loi créant un
Ordre des pharmaciens (de Mme Annemie Van de Casteele
et consorts) ; Doc. 3-675/1 à 10.
|
Wetsvoorstel tot oprichting van een
Orde van apothekers (van mevrouw Annemie Van de Casteele
c.s.); Stuk 3-675/1 tot 10.
|
|
Proposition de loi portant des
dispositions relatives à l’Ordre des médecins
et à l’Ordre des pharmaciens ; Doc. 3-2031/1
et 2.
|
Wetsvoorstel houdende bepalingen met
betrekking tot de Orde van artsen en de Orde van apothekers;
Stuk 3-2031/1 en 2.
|
|
Proposition de loi créant un
Ordre des kinésithérapeutes (de Mme Annemie
Van de Casteele et Mme Christel Geerts) ; Doc. 3-1777/1
à 5.
|
Wetsvoorstel tot oprichting van een
Orde van kinesitherapeuten (van mevrouw Annemie Van de
Casteele en mevrouw Christel Geerts); Stuk 3-1777/1 tot
5.
|
|
Proposition de résolution
visant à rendre obligatoire l’immatriculation des
cyclomoteurs (de M. Jan Steverlynck) ; Doc. 3-1764/1
et 2.
|
Voorstel van resolutie tot het
verplicht maken van een nummerplaat voor bromfietsen (van
de heer Jan Steverlynck); Stuk 3-1764/1 en 2.
|
|
Proposition de résolution sur
l’accès indépendant de l’Europe à
l’espace (de M. François Roelants du Vivier
et consorts) ; Doc. 3-2023/1 à 4.
|
Voorstel van resolutie betreffende
de onafhankelijke toegang van Europa tot de ruimte (van
de heer François Roelants du Vivier
c.s.); Stuk 3-2023/1 tot 4.
|
|
l’après-midi à
15 heures
|
’s namiddags om 15 uur
|
|
Prise en considération de
propositions.
|
Inoverwegingneming van voorstellen.
|
|
Débat d’actualité
et questions orales.
|
Actualiteitendebat en mondelinge
vragen.
|
|
Éventuellement, reprise de
l’ordre du jour de la séance plénière
du matin.
|
Eventueel, voortzetting van de
agenda van de ochtendvergadering.
|
|
Proposition de loi relative à
la répétibilité des honoraires et des frais
d’avocat (de Mme Fauzaya Talhaoui et M. Flor
Koninckx) ; Doc. 3-1686/1 à 6. (Pour mémoire)
|
Wetsvoorstel betreffende de
verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de
bijstand van een advocaat (van mevrouw Fauzaya Talhaoui en
de heer Flor Koninckx); Stuk 3-1686/1 tot 6.
(Pro memorie)
|
|
À joindre :
|
Toe te voegen:
|
|
Proposition de loi modifiant le Code
judiciaire et le Code d’instruction criminelle en ce qui
concerne le remboursement des frais de justice (de Mme Clotilde
Nyssens) ; Doc. 3-51/1 à 5 ;
|
Wetsvoorstel tot wijziging van het
Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van strafvordering in verband
met de terugbetaling van de gerechtskosten (van mevrouw Clotilde
Nyssens); Stuk 3-51/1 tot 5;
|
|
Proposition de loi modifiant le Code
judiciaire et le Code d’instruction criminelle, en ce qui
concerne le remboursement des frais non compris dans les dépens
(de M. Alain Destexhe) ; Doc. 3-204/1 à 4 ;
|
Wetsvoorstel tot wijziging van het
Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van strafvordering,
betreffende de terugbetaling van de uitgaven die niet bij de
kosten inbegrepen zijn (van de heer Alain Destexhe);
Stuk 3-204/1 tot 4;
|
|
Proposition de loi modifiant les
articles 1018, 6º, et 1022 du Code judiciaire (de
MM. Hugo Vandenberghe et Jan Steverlynck) ;
Doc. 3-1342/1 à 6.
|
Wetsvoorstel tot wijziging van de
artikelen 1018, 6º, en 1022 van het Gerechtelijk
Wetboek (van de heren Hugo Vandenberghe en Jan
Steverlynck); Stuk 3-1342/1 tot 6.
|
|
À partir de 17 heures :
Votes nominatifs sur l’ensemble des points à
l’ordre du jour dont la discussion est terminée.
|
Vanaf 17 uur:
Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun
geheel.
|
|
Demandes d’explications :
|
Vragen om uitleg:
|
|
– de M. Christian
Brotcorne au Premier ministre sur « les conclusions de
la rencontre avec les autorités russes »
(nº 3-2084) ;
|
– van de heer Christian
Brotcorne aan de Eerste minister over “de conclusies na de
ontmoeting met de Russische overheid” (nr. 3-2084);
|
|
– de M. Berni Collas à
la vice-première ministre et ministre de la Justice et au
vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur
« l’introduction du Traité de Prüm
dans l’ordre juridique communautaire »
(nº 3-2068) ;
|
– van de heer Berni
Collas aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan
de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over
“het integreren van het Verdrag van Prüm in de
communautaire rechtsorde” (nr. 3-2068);
|
|
– de Mme Stéphanie
Anseeuw à la vice-première ministre et ministre de
la Justice sur « les moyens supplémentaires
pour poursuivre le racisme sur l’Internet »
(nº 3-2078) ;
|
– van mevrouw Stéphanie
Anseeuw aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over
“bijkomende middelen voor het vervolgen van racisme op het
Internet” (nr. 3-2078);
|
|
– de Mme Mia
De Schamphelaere à la vice-première ministre
et ministre de la Justice sur « le dopage »
(nº 3-2091) ;
|
– van mevrouw Mia
De Schamphelaere aan de vice-eersteminister en minister van
Justitie over “dopinggebruik” (nr. 3-2091);
|
|
– de Mme Mia
De Schamphelaere au vice-premier ministre et ministre des
Finances sur « le dopage » (nº 3-2092) ;
|
– van mevrouw Mia
De Schamphelaere aan de vice-eersteminister en minister van
Financiën over “dopinggebruik” (nr. 3-2092);
|
|
– de Mme Annemie
Van de Casteele au vice-premier ministre et ministre de
l’Intérieur sur « le dopage »
(nº 3-2080) ;
|
– van mevrouw Annemie
Van de Casteele aan de vice-eersteminister en minister
van Binnenlandse Zaken over “dopinggebruik”
(nr. 3-2080);
|
|
– de Mme Mia
De Schamphelaere au vice-premier ministre et ministre de
l’Intérieur sur « le dopage »
(nº 3-2094) ;
|
– van mevrouw Mia
De Schamphelaere aan de vice-eersteminister en minister van
Binnenlandse Zaken over “dopinggebruik” (nr. 3-2094);
|
|
– de Mme Mia
De Schamphelaere au ministre de l’Économie, de
l’Énergie, du Commerce extérieur et de la
Politique scientifique sur « les courriels
publicitaires non sollicités vantant les mérites de
produits dopants » (nº 3-2093) ;
|
– van mevrouw Mia
De Schamphelaere aan de minister van Economie, Energie,
Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over “spammails om
dopingproducten aan te prijzen” (nr. 3-2093);
|
|
– de Mme Annemie
Van de Casteele au ministre des Affaires sociales et de
la Santé publique sur « le dopage »
(nº 3-2081) ;
|
– van mevrouw Annemie
Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid over “dopinggebruik” (nr. 3-2081);
|
|
– de Mme Mia
De Schamphelaere au ministre des Affaires sociales et de la
Santé publique sur « les recommandations du
Sénat dans le cadre du dopage » (nº 3-2090) ;
|
– van mevrouw Mia
De Schamphelaere aan de minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid over “de aanbevelingen van de Senaat in het
kader van dopinggebruik” (nr. 3-2090);
|
|
– de M. Luc Willems au
vice-premier ministre et ministre des Finances sur « le
futur de la Monnaie Royale de Belgique » (nº 3-2067) ;
|
– van de heer Luc
Willems aan de vice-eersteminister en minister van Financiën
over “de toekomst van de Koninklijke Munt van België”
(nr. 3-2067);
|
|
– de Mme Margriet Hermans
à la vice-première ministre et ministre du Budget
et de la Protection de la consommation sur « les
avantages et les désavantages d’un test HIV à
effectuer soi-même » (nº 3-2069) ;
|
– van mevrouw Margriet
Hermans aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en
Consumentenzaken over “de voor- en nadelen van een
HIV-zelftest” (nr. 3-2069);
|
|
– de Mme Clotilde Nyssens
au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur
sur « la commande d’une étude relative
aux phénomènes migratoires ayant lieu sur le
territoire belge à l’université de
Rotterdam » (nº 3-2088) ;
|
– van mevrouw Clotilde
Nyssens aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse
Zaken over “de bestelling van een studie over
migratiefenomenen op het Belgisch grondgebied bij de universiteit
van Rotterdam” (nr. 3-2088);
|
|
– de Mme Sabine
de Bethune au ministre des Affaires étrangères
sur « le conflit au Darfour » (nº 3-2071) ;
|
– van mevrouw Sabine
de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken over “het
conflict in Darfoer” (nr. 3-2071);
|
|
– de M. Christian
Brotcorne au ministre des Affaires étrangères sur
« la position belge sur l’évolution de la
gestion de la crise irakienne » (nº 3-2083) ;
|
– van de heer Christian
Brotcorne aan de minister van Buitenlandse Zaken over “het
Belgische standpunt over de ontwikkelingen in de aanpak van de
Irakcrisis” (nr. 3-2083);
|
|
– de M. Luc Willems au
ministre de l’Économie, de l’Énergie,
du Commerce extérieur et de la Politique scientifique sur
« le tarif réduit accordé par les
compagnies de gaz aux personnes handicapées »
(nº 3-2066) ;
|
– van de heer Luc
Willems aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse
Handel en Wetenschapsbeleid over “het verminderd tarief van
gasmaatschappijen voor personen met een handicap”
(nr. 3-2066);
|
|
– de Mme Sabine
de Bethune au ministre des Affaires sociales et de la Santé
publique sur « les allocations familiales majorées
pour enfants handicapés » (nº 3-2070) ;
|
– van mevrouw Sabine
de Bethune aan de minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid over “de verhoogde kinderbijslag voor
kinderen met een handicap” (nr. 3-2070);
|
|
– de M. Wouter Beke au
ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur
« les revenus trop bas du personnel médical et
paramédical » (nº 3-2073) ;
|
– van de heer Wouter
Beke aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over
“de te lage inkomsten van medisch en paramedisch personeel”
(nr. 3-2073);
|
|
– de Mme Margriet Hermans
au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique
sur « le soutien au Narconon Info Center dans le cadre
de la toxicodépendance » (nº 3-2074) ;
|
– van mevrouw Margriet
Hermans aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over
“de steun aan het Narconon Info Center in het kader van
drugsverslavingen” (nr. 3-2074);
|
|
– de Mme Mia
De Schamphelaere au ministre des Affaires sociales et de la
Santé publique sur « l’accès à
la profession des kinésithérapeutes »
(nº 3-2075) ;
|
– van mevrouw Mia
De Schamphelaere aan de minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid over “de toegang tot het beroep voor
kinesitherapeuten” (nr. 3-2075);
|
|
– de M. Hugo Vandenberghe
au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique
sur « le taux d’emploi des personnes âgées
de 55 ans et plus au sein de votre SPF » (nº 3-2076) ;
|
– van de heer Hugo
Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
over “de tewerkstellingsgraad van 55-plussers binnen uw
FOD” (nr. 3-2076);
|
|
– de M. Hugo Vandenberghe
au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique
sur « les connaissances des Belges sur la grippe »
(nº 3-2077) ;
|
– van de heer Hugo
Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
over “de kennis van de Belgen over de griep”
(nr. 3-2077);
|
|
– de Mme Annemie
Van de Casteele au ministre des Affaires sociales et de
la Santé publique sur « le nouveau système
de rémunération pour les pharmaciens »
(nº 3-2082) ;
|
– van mevrouw Annemie
Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid over “het nieuwe vergoedingssysteem voor de
apothekers” (nr. 3-2082);
|
|
– de M. Hugo Vandenberghe
au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique
sur « l’interdiction de fumer dans les maisons
de jeunes » (nº 3-2085) ;
|
– van de heer Hugo
Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
over “het rookverbod in jeugdhuizen” (nr. 3-2085);
|
|
– de Mme Fauzaya Talhaoui
au ministre de la Fonction publique, de l’Intégration
sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité
des chances sur « l’accessibilité des
soins de santé » (nº 3-2072) ;
|
– van mevrouw Fauzaya
Talhaoui aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke
Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over “de
toegang tot gezondheidszorg” (nr. 3-2072);
|
|
– de Mme Mia
De Schamphelaere au ministre de la Fonction publique, de
l’Intégration sociale, de la Politique des grandes
villes et de l’Égalité des chances sur « le
Fonds Social européen » (nº 3-2086) ;
|
– van mevrouw Mia
De Schamphelaere aan de minister van Ambtenarenzaken,
Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen
over “het Europees Sociaal Fonds” (nr. 3-2086);
|
|
– de Mme Annemie
Van de Casteele au ministre de l’Emploi sur « les
problèmes qui se posent à VW Forest concernant le
Pacte de solidarité entre les générations »
(nº 3-2087) ;
|
– van mevrouw Annemie
Van de Casteele aan de minister van Werk over “de
problemen bij VW Vorst rond het Generatiepact”
(nr. 3-2087);
|
|
– de Mme Annemie
Van de Casteele au ministre de l’Emploi sur « la
prolongation du droit aux indemnités de chômage pour
les indépendants débutants »
(nº 3-2089) ;
|
– van mevrouw Annemie
Van de Casteele aan de minister van Werk over “de
verlenging van het recht op werkloosheidsvergoeding bij
beginnende zelfstandigen” (nr. 3-2089);
|
|
– de Mme Stéphanie
Anseeuw au ministre de l’Emploi sur « le statut
unique » (nº 3-2095) ;
|
– van mevrouw Stéphanie
Anseeuw aan de minister van Werk over “het eenheidsstatuut”
(nr. 3-2095);
|
|
– de Mme Stéphanie
Anseeuw à la secrétaire d’État aux
Familles et aux Personnes handicapées sur « les
temps d’attente pour personnes handicapées dans le
cadre du traitement de leur dossier » (nº 3-2079).
|
– van mevrouw Stéphanie
Anseeuw aan de staatssecretaris voor het Gezin en Personen met
een handicap over “de wachttijden voor gehandicapte
personen in het kader van de behandeling van hun dossier”
(nr. 3-2079).
|
|
– Le Sénat est
d’accord sur cet ordre des travaux.
|
– De Senaat is het eens met
deze regeling van de werkzaamheden.
|
|
Demande
d’explications de M. Christian Brotcorne au Premier
ministre et au ministre des Affaires étrangères sur
«le soutien belge à la volonté du Japon
d’occuper un siège permanent au Conseil de Sécurité
de l’ONU» (nº 3-2060)
|
Vraag
om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de Eerste
minister en aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de
steun die België aan Japan verleent in het streven van dat
land naar permanent lidmaatschap van de VN-Veiligheidsraad»
(nr. 3-2060)
|
|
Mme la présidente.
– Mme Els Van Weert, secrétaire d’État
au Développement durable et à l’Économie
sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises
publiques, répondra.
|
De voorzitter. –
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame
Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van
Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.
|
|
M. Christian Brotcorne
(CDH). – Mme la secrétaire d’État
remplace le premier ministre, mais j’aurais aimé que
ce dernier s’exprime lui-même au sujet des
informations qu’il a données à la presse à
l’issue d’un entretien avec M. Shinzo Abe,
premier ministre du Japon.
Il a en effet déclaré
que « la Belgique soutient la position japonaise et
continuera à le faire » dans le cadre de la
volonté du Japon d’occuper un siège permanent
au Conseil de sécurité des Nations unies.
Cette attitude n’est pas
anodine et il relève de notre responsabilité et de
notre droit le plus strict de soutenir ceux que nous souhaitons
voir siéger au Conseil de sécurité.
La Belgique y siège en tant
que membre non permanent depuis le début de cette année
et notre ministre des Affaires étrangères a
insisté, à l’occasion d’une
présentation des missions de la Belgique au sein de ce
conseil, sur la nécessaire coordination qu’il
convient d’établir avec les autres pays européens.
Il a notamment dit : « Nous devons également
le faire à partir d’un angle d’approche
européen, ce qui implique que nous soyons en dialogue
étroit avec nos partenaires de l’Union européenne
qui siégeront en même temps que nous au Conseil de
sécurité. »
Lorsque notre premier ministre dit
au premier ministre du Japon qu’il soutient sa demande
d’obtenir un siège permanent au Conseil de sécurité
des Nations unies, parle-t-il au nom de la seule Belgique ?
Si oui, pourquoi ? En vertu de quelle raison notre
gouvernement est-il arrivé à cette décision ?
Cette décision a-t-elle été prise après
concertation avec nos alliés de l’Union européenne ?
Peut-on admettre que la France et le Royaume-Uni, qui sont
aujourd’hui membres permanents du Conseil de sécurité,
approuvent cette prise de position de la Belgique ?
|
De heer Christian
Brotcorne (CDH). – Ik had graag gehad dat de eerste
minister zelf uitleg was komen geven over wat hij aan de pers
heeft medegedeeld na een onderhoud met de heer Shinzo
Abe, de eerste minister van Japan.
Hij heeft
immers verklaard dat ‘België het standpunt van Japan
verdedigt en dat zal blijven doen’ in het kader van het
streven van Japan naar permanent lidmaatschap van de
Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.
Die houding is
niet onbeduidend. Het is onze verantwoordelijkheid en ons goed
recht steun te verlenen aan diegenen die wij in de
Veiligheidsraad willen zien zetelen.
België
zetelt er als niet-permanent lid sinds begin dit jaar. Ter
gelegenheid van een voorstelling van de opdrachten van België
in de Veiligheidsraad heeft onze minister van Buitenlandse Zaken
benadrukt dat coördinatie met de andere Europese landen
noodzakelijk is. Hij heeft namelijk gezegd: ‘We moeten dat
ook doen vanuit een Europese invalshoek, wat inhoudt dat we in
nauwe samenspraak zijn met onze partners uit de Europese Unie die
op hetzelfde ogenblik in de Veiligheidsraad zetelen’
Als onze
eerste minister aan de eerste minister van Japan zegt dat hij
zijn vraag naar permanent lidmaatschap in de Veiligheidsraad van
de Verenigde Naties steunt, spreekt hij dan enkel uit naam van
België? Zo ja, waarom? Hoe is de regering tot dat besluit
gekomen? Is dat besluit in overleg met onze partners van de
Europese Unie genomen? Kunnen we aannemen dat Frankrijk en
Groot-Brittannië, permanente leden van de Veiligheidsraad,
dat Belgische standpunt steunen?
|
|
Mme Els Van Weert,
secrétaire d’État au Développement
durable et à l’Économie sociale, adjointe au
ministre du Budget et des Entreprises publiques. – Je vous
lis la réponse du premier ministre.
La Belgique est d’avis que le
Conseil de sécurité doit être réformé
pour l’adapter aux réalités géopolitiques
d’aujourd’hui et pour renforcer sa représentativité
et sa légitimité, notamment par un meilleur
équilibre régional. Elle a aussi à cœur
de préserver l’efficacité du conseil.
La réforme du Conseil de
sécurité a fait l’objet de débats
intenses dans le cadre de la préparation du sommet des
Nations unies de 2005. Les diverses formules proposées
n’ont pas permis de dégager un accord sur cette
réforme. À l’heure actuelle, il n’existe
aucun élément permettant de conclure que l’une
ou l’autre formule d’élargissement du conseil
serait susceptible de rallier l’adhésion nécessaire
de la part des membres des Nations unies.
La Belgique souhaite renforcer la
dimension européenne du Conseil de sécurité
en exerçant ses responsabilités dans le cadre de
l’article 19 du Traité de l’Union, en
renforçant la coordination entre les membres européens
du Conseil de sécurité et en encourageant une
meilleure cohérence dans leurs prises de position sur des
dossiers qui sont traités à la fois par l’Union
européenne et par le Conseil de sécurité.
Il n’y a malheureusement pas
d’unanimité entre les États membres de
l’Union européenne sur les modes de réforme
du Conseil de sécurité.
|
Mevrouw Els
Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling
en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en
Overheidsbedrijven. – Ik lees het antwoord van de eerste
minister.
België is
van mening dat de Veiligheidsraad moet worden hervormd: hij moet
worden aangepast aan de hedendaagse geopolitieke realiteit en
zijn representativiteit en legitimiteit moeten worden versterkt,
meer bepaald door een beter regionaal evenwicht. Ook de
efficiëntie van de Raad is voor België van het grootste
belang.
Over de
hervorming van de Veiligheidsraad werd intens gedebatteerd in het
kader van de voorbereiding van de top van de Verenigde Naties van
2005. De verschillende voorgestelde oplossingen hebben niet tot
een akkoord over die hervorming geleid. Op dit ogenblik valt uit
geen enkel element af te leiden dat de een of de andere oplossing
voor de uitbreiding van de Raad op de noodzakelijke instemming
van de leden van de Verenigde Naties zou kunnen rekenen.
België
wenst de Europese dimensie van de Veiligheidsraad te versterken
door zijn verantwoordelijkheid in het kader van artikel 19
van het Verdrag van de Unie uit te oefenen, door de coördinatie
tussen de Europese leden van de Veiligheidsraad te versterken en
door meer coherentie aan te moedigen in de standpunten over
dossiers die zowel door de Europese Unie als door de
Veiligheidsraad worden behandeld.
Er is jammer
genoeg geen eensgezindheid tussen de lidstaten van de Europese
Unie over de wijze waarop de Veiligheidraad moet worden hervormd.
|
|
M. Christian Brotcorne
(CDH). – Je regrette de devoir constater que la réponse
lue par Mme Van Weert n’est pas du tout celle que
j’attendais.
Ma question était la
suivante : sur la base de quels critères la Belgique
défend-elle la candidature du Japon au siège de
candidat permanent au Conseil de sécurité ?
C’est en tout cas ce qui a été annoncé
au premier ministre japonais qui est venu en visite chez nous.
N’ayant reçu aucune
réponse à la question que j’ai posée,
je me réserve, le cas échéant, le droit de
poser une question orale au premier ministre sur ce thème
lors d’une prochaine séance de notre assemblée.
Nous sommes au courant du fait qu’il
y a une réforme, mais qu’il n’y a pas
d’accord. Nous ignorons qui siégera. Pourquoi la
Belgique défend-elle unilatéralement la candidature
du Japon ?
|
De heer Christian
Brotcorne (CDH). – Het antwoord dat mevrouw Van Weert
heeft voorgelezen, beantwoordt helemaal niet aan mijn
verwachtingen.
Mijn vraag
was: op basis van welke criteria verdedigt België de
kandidatuur van Japan voor permanent lidmaatschap van de
Veiligheidsraad? Tijdens het bezoek van de Japanse eerste
minister aan België is in ieder geval gezegd dat België
die kandidatuur steunt.
Aangezien ik
geen antwoord gekregen heb op mijn vraag, behoud ik me het recht
voor eventueel een mondelinge vraag over dat thema te stellen aan
de eerste minister op een volgende vergadering van onze
assemblee.
We zijn op de
hoogte van het feit dat er een hervorming is, maar dat er geen
akkoord is. We weten niet wie zal zetelen. Waarom verdedigt
België eenzijdig de kandidatuur van Japan?
|
|
Demande
d’explications de Mme Christel Geerts à la
vice-première ministre et ministre de la Justice et au
vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur et
au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique
sur «le changement de date, par l’Exécutif des
musulmans, de la fête du sacrifice» (nº 3-2043)
|
Vraag
om uitleg van mevrouw Christel Geerts aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de
minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de
wijziging van de datum van het offerfeest door de
Moslimexecutieve» (nr. 3-2043)
|
|
Mme la présidente.
– Mme Els Van Weert, secrétaire d’État
au Développement durable et à l’Économie
sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises
publiques, répondra.
|
De voorzitter. –
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame
Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van
Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.
|
|
Mme Christel
Geerts (SP.A-SPIRIT). – La fête annuelle du
sacrifice des musulmans a de nombreuses conséquences
pratiques dans notre pays. Heureusement de nombreuses villes et
communes prennent à cœur d’exercer leur tâches
légales à cette occasion et sont réellement
prêtes à prendre les mesures d’organisation
nécessaires. Il est en effet très important que la
fête du sacrifice puisse être bien organisée.
Le
26 décembre, donc à une date très
proche de la fête du sacrifice, l’Exécutif des
musulmans a déplacé la date de la fête du 31
au 30 décembre. Nous avions déjà connu
un tel déplacement de date il y a deux ans. Cette décision
subite a obligé bien des administrations locales à
revoir toute l’organisation. Certaines administrations ont
organisé deux fêtes du sacrifice, l’une le 30,
l’autre le 31 décembre pour satisfaire aux
exigences des différentes communautés.
Certains
parlent d’une décision irréfléchie
prise in extremis. De telles décisions ne
contribuent incontestablement pas à fournir une image
positive de la fête du sacrifice.
Des
négociations ou des procédures sont-elles convenues
avec l’Exécutif des musulmans pour éviter
pareilles modifications particulièrement tardives du
calendrier et qui ont des conséquences sérieuses
pour les administrations locales ?
|
Mevrouw Christel Geerts
(SP.A-SPIRIT). – Het jaarlijkse offerfeest van de
moslims in ons land heeft heel wat praktische gevolgen. Gelukkig
nemen vele steden en gemeenten hun wettelijke taken in dit
verband echt ter harte en zijn ze echt bereid de nodige
organisatorische maatregelen te nemen. Het is inderdaad erg
belangrijk dat het offerfeest goed kan worden georganiseerd.
Op 26 december, dus zeer kort
vóór het offerfeest, besliste de Moslimexecutieve
dat de datum gewijzigd zou worden van 31 naar 30 december.
Zo’n wijziging kenden we twee jaar geleden ook al. Die
plotse beslissing bracht voor vele lokale besturen dan ook een
hele reorganisatie mee. Sommige besturen organiseerden twee
offerfeesten, één op 30 en één op
31 december, om tegemoet te komen aan de eis van de
verschillende gemeenschappen.
Sommigen spreken over een vrij
onbezonnen beslissing die op de valreep werd genomen. Dergelijke
beslissingen dragen ontegensprekelijk niet bij tot een positieve
beeldvorming rond het offerfeest.
Zijn er onderhandelingen of
procedures afgesproken met de Moslimexecutieve om dergelijke
bijzonder late datumwijzigingen, met ernstige gevolgen voor de
lokale besturen, te vermijden?
|
|
Mme Els
Van Weert, secrétaire d’État au
Développement durable et à l’Économie
sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises
publiques. – Il va de soi que bien avant la fête du
sacrifice, des discussions sont menées avec l’Exécutif
des musulmans pour mettre l’organisation en bonne voie.
L’an dernier il y a eu des problèmes parce que la
fête tombait durant le dernier week-end de décembre.
À ces dates, il n’est évident ni pour les
administrations ni pour le secteur privé de mobiliser du
personnel supplémentaire.
La date de la
fête du sacrifice se base sur un calendrier annuel
islamique mobile. La fête du sacrifice a lieu deux mois et
dix jours après la fête de l’Aïd el
Fitr qui clôture le jeûne du Ramadan. Certaines
communautés musulmanes s’appuient sur un calendrier
fixe pour déterminer la date de la fête du
sacrifice. D’autres la fixent par le constat visuel de
l’aube quelques jours avant la fête du sacrifice.
C’est pourquoi, dans certaines communautés, la date
précise reste incertaine jusqu’à quelques
jours avant la fête, ce qui n’est pas propice à
une bonne organisation.
Pour un grand
nombre de musulmans, y compris dans notre pays, ce constat de
l’aube est effectué par le roi d’Arabie
saoudite. Cette année cette décision a été
prise très tardivement et ne peut donc être imputée
à l’Exécutif des musulmans.
|
Mevrouw Els Van Weert,
staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie,
toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. –
Het spreekt vanzelf dat er lang vóór het Offerfeest
al besprekingen zijn met de Moslimexecutieve om de organisatie in
goede en wettige banen te leiden. Het afgelopen jaar kwam daar
nog het probleem bij dat het Offerfeest tijdens het laatste
weekend van december viel. Met deze feestdagen lag het dus niet
voor de hand om bij overheid en privéfirma’s extra
personeel te mobiliseren.
Het tijdstip van het Offerfeest
wordt gebaseerd op de jaarlijks wisselende islamitische kalender.
Het Offerfeest heeft plaats twee maanden en 10 dagen na het feest
van Eid el Fitr, dat de vasten van de ramadan afsluit. Sommige
moslimgemeenschappen baseren zich op een vaste kalender voor het
bepalen van de datum van het Offerfeest. Andere bepalen de datum
door de visuele vaststelling van de dageraad, enkele dagen vóór
het Offerfeest plaatsheeft. Daarom kan voor bepaalde
gemeenschappen het juiste tijdstip tot enkele dagen vóór
het feest onzeker blijven, wat niet bevorderlijk is voor een
goede organisatie.
Voor een belangrijk deel van de
moslims, ook in ons land, gebeurt die vaststelling van de
dageraad door de koning van Saudi-Arabië. Dit jaar viel
inderdaad op dat die beslissing vrij laat is genomen. De
laattijdigheid kan de Moslimexecutieve dus niet worden
aangewreven.
|
|
Mme Christel
Geerts (SP.A-SPIRIT). – Je remercie la secrétaire
d’État pour l’information. Comme elle le dit,
les administrations qui ont à cœur de prendre en
charge l’organisation de la fête se retrouvent
parfois devant un dilemme.
|
Mevrouw Christel Geerts
(SP.A-SPIRIT). – Ik dank de staatssecretaris voor de
informatie. Zoals ze zelf ook zegt, staan de besturen die de
praktische organisatie van het feest echt ter harte willen nemen,
soms echt wel voor een dilemma.
|
|
Demande
d’explications de Mme Anke Van dermeersch à
la vice-première ministre et ministre de la Justice sur
«le protocole additionnel à la convention signée
entre les royaumes du Maroc et de la Belgique en matière
d’assistance aux personnes détenues et le
transfèrement de personnes incarcérées, de
1997» (nº 3-2048)
|
Vraag
om uitleg van mevrouw Anke Van dermeersch aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie over «het
aanvullend protocol bij de overeenkomst tussen België en
Marokko inzake bijstand aan gedetineerde personen en de
overbrenging van gevonniste personen van 1997» (nr. 3-2048)
|
|
Mme la présidente.
– Mme Els Van Weert, secrétaire d’État
au Développement durable et à l’Économie
sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises
publiques, répondra.
|
De voorzitter. –
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame
Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van
Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.
|
|
Mme Anke
Van dermeersch (VL. BELANG). – Le 10 octobre 2006,
il était prévu que le premier ministre se rende au
Maroc pour la signature du protocole additionnel à la
convention relative au transfèrement de personnes
incarcérées, conclue en 1997. Ce protocole porte
sur le transfèrement contre leur gré de détenus
d’origine étrangère qui séjournent
dans notre pays sans avoir d’attache durable avec la
Belgique et qui y ont été condamnés à
une peine d’emprisonnement, de sorte qu’ils puissent
purger leur peine dans leur pays d’origine.
L’idée
de ce protocole additionnel aurait été concrétisée
en quelques mois à peine. Le voyage du premier ministre a
cependant dû être annulé à la dernière
minute. Selon les déclarations de la ministre, les
autorités marocaines ont proposé deux ajouts au
protocole la veille du jour où la signature était
prévue. Le premier ajout était inacceptable pour la
Belgique et la portée du second ajout était très
imprécise. La ministre n’a cependant pas expliqué
ce qu’il en était concrètement. Elle a
néanmoins ajouté que la protocole additionnel
ferait « prochainement » l’objet d’un
nouvel examen bilatéral à Bruxelles.
La ministre
peut-elle préciser les modalités et lignes de force
du protocole ?
Peut-elle
indiquer quel groupe de personnes le protocole additionnel
concernera ? On ne peut pas dire avec certitude que les
Marocains ayant « une attache durable avec la
Belgique » en seront exclus. Combien de Marocains
incarcérés en Belgique seraient-ils concernés
par ce protocole ?
Quels ajouts
les autorités marocaines ont-elles demandés et en
quoi ne sont-ils pas acceptables pour la Belgique ?
Où en
est le protocole ? L’examen bilatéral prévu
à Bruxelles a-t-il eu lieu et quels en ont été
les résultats ? Quelles difficultés
subsiste-t-il encore ? Quand le protocole pourra-t-il être
signé ?
Quelle aide la
Belgique promet-elle au Maroc dans le cadre du protocole
additionnel ?
|
Mevrouw Anke Van dermeersch
(VL. BELANG). – Op 10 oktober 2006 was
gepland dat de eerste minister, vergezeld van andere
regeringsleden, naar Marokko zou afreizen voor de ondertekening
van een aanvullend protocol bij een overeenkomst inzake de
overbrenging van gevonniste personen, die in 1997 met Marokko was
afgesloten. Het protocol heeft betrekking op de onvrijwillige
overbrenging van gedetineerden van buitenlandse oorsprong die in
ons land verblijven zonder er een duurzame band mee te
onderhouden en hier tot een gevangenisstraf werden veroordeeld,
zodat ze hun straf in hun land van oorsprong kunnen uitzitten.
Voor die overbrenging moeten ze hun toestemming niet geven. Het
protocol moest de modaliteiten van de overbrenging vastleggen.
Het idee voor een aanvullend
protocol was vrij snel gerijpt en uitgewerkt. Volgens de minister
zelf was het idee immers in juni 2006 ontstaan en werd er al
in september 2006 een ontwerptekst aan de Marokkaanse
overheden voorgelegd. Eind oktober werd het ontwerp door experts
in Marokko verder bestudeerd en werd overeengekomen de zaak op
10 november in Rabat te ondertekenen.
De reis van de eerste minister en
zijn gezelschap moest op het allerlaatste ogenblik blijkbaar
worden afgelast omdat er een kink in de kabel was gekomen.
Volgens de verklaringen van de minister stelden de Marokkaanse
autoriteiten daags vóór de ondertekening immers
twee toevoegingen aan het protocol voor. De eerste daarvan was
voor België onaanvaardbaar en de betekenis van de tweede
toevoeging was erg onduidelijk. Waar het concreet over ging, liet
de minister echter in het midden. In elk geval waren de
meningsverschillen dermate groot dat ze niet meer op één
dag konden worden uitgeklaard. Toch zou, volgens de minister, het
aanvullende protocol, ik citeer, ‘binnenkort’ het
voorwerp zijn van een nieuw bilateraal onderzoek in Brussel.
Vandaar volgende vragen.
Kan de minister de modaliteiten en
krachtlijnen van het protocol verduidelijken?
Kan de minister meer specifiek
aangeven op welke groep personen het aanvullende protocol
betrekking zou hebben? Het is namelijk niet duidelijk of
Marokkanen met ‘een band met België’ of ‘een
duurzame band met België’ al dan niet onder het
protocol zullen vallen. Op hoeveel Marokkanen die in ons land
gevangen zitten zou het protocol betrekking hebben?
Welke toevoegingen schoven de
Marokkaanse autoriteiten in allerlaatste instantie naar voor en
in welk opzicht zijn die niet aanvaardbaar voor de Belgische
autoriteiten?
Hoever staat het nu met het
protocol? Heeft het bewuste bilaterale onderzoek in Brussel al
plaatsgehad en wat waren de resultaten ervan? Welke knelpunten
blijven er momenteel nog over? Wanneer kan het protocol effectief
worden ondertekend?
Welke hulp wordt aan Marokko
toegezegd in het kader van het aanvullende protocol?
|
|
Mme Els
Van Weert, secrétaire d’État au
Développement durable et à l’Économie
sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises
publiques. – Je vous lis la réponse de la
vice-première ministre.
Le protocole
actuellement négocié avec le Maroc porte sur le
transfèrement de détenus contre leur gré. Il
instaurerait une coopération entre le Maroc et la Belgique
à un niveau semblable à celui de la collaboration
qui existe entre la Belgique et ses partenaires du Conseil de
l’Europe. Tant que le texte n’est pas signé,
je me dois de faire preuve d’une certaine réserve
quant à son contenu.
Conformément
à la jurisprudence de la Cour européenne des droits
de l’homme de Strasbourg, les détenus marocains qui
ont une attache suffisante avec la Belgique ne peuvent pas faire
l’objet d’un transfèrement selon les termes du
protocole. Il convient de faire une distinction entre le
transfèrement d’un détenu qui continue à
purger, dans l’État d’exécution, la
peine à laquelle il a été condamné
dans l’État de condamnation et l’expulsion au
terme de la peine purgée dans l’État de
condamnation. Le nombre de détenus concernés par
cette procédure pourra être précisé
après la signature, la ratification et la mise en œuvre
de ce protocole.
La discussion
portait sur les modalités de concertation entre les
parties.
Quant à
l’état d’avancement des négociations,
je peux vous dire que j’ai reçu une délégation
marocaine les 10 et 11 janvier derniers. Les négociations
se sont très bien déroulées. Le protocole
pourra sans doute être conclu prochainement mais aucune
date n’a encore été fixée.
Aucune aide
n’a été promise au Maroc en échange de
ce protocole additionnel. Il s’agit d’une coopération
renforcée entre les deux pays visant à garantir une
meilleure réinsertion des détenus au terme de leur
peine.
|
Mevrouw Els Van Weert,
staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie,
toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. –
Ik lees het antwoord van de vice-eersteminister.
Het protocol waarover thans met
Marokko wordt onderhandeld betreft de overbrenging van de
gedetineerden zonder hun instemming. Er bestaat sedert 1997 een
akkoord tussen België en Marokko over de overbrenging van de
gedetineerden, maar dat gaat alleen over de overbrenging van
gedetineerden met hun instemming. Het aanvullend protocol zou
betrekking hebben op de samenwerking tussen Marokko en België
op een niveau dat gelijk is aan de samenwerking die België
heeft met zijn partners van de Raad van Europa. Eens het protocol
ondertekend is, zou dat het eerste in het genre zijn tussen
Marokko en een derde staat. Zolang de tekst niet ondertekend is,
is een zekere terughoudendheid over de inhoud vereist.
In overeenstemming met de
jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens
in Straatsburg, komen de Marokkaanse gevangenen die voldoende
banden met België hebben, zoals namelijk in het protocol is
gedefinieerd, niet in aanmerking om volgens de termen van het
protocol te worden overgebracht. Men moet ook een onderscheid
maken tussen de overbrenging van een gedetineerde, die de straf
die hij opliep in de staat waar hij veroordeeld werd verder
uitzit in de staat van uitvoering, en de uitwijzing nadat de
straf in de staat van veroordeling werd uitgezeten. Het protocol
betreft alleen de overbrenging. Het aantal gedetineerden dat in
aanmerking komt voor een dergelijke procedure zal kunnen worden
gepreciseerd na ondertekening, ratificatie en uitvoering van dat
protocol.
De discussie ging over de
overlegmodaliteiten tussen de partijen.
Inzake de stand van zaken van de
onderhandelingen, ontvingen wij op 10 en 11 januari
jongstleden een Marokkaanse delegatie. De onderhandelingen zijn
zeer goed verlopen. Wellicht zal het protocol binnenkort kunnen
worden gesloten. Er is echter nog geen datum vastgelegd.
Er werd in ruil voor dit aanvullend
protocol geen enkele hulp aan Marokko beloofd. Het gaat hier niet
over een transactie, maar over een versterkte samenwerking tussen
twee landen, teneinde een betere reïntegratie van de
gedetineerden te garanderen na het einde van hun straf.
|
|
Demande
d’explications de M. Luc Willems à la
vice-première ministre et ministre de la Justice et au
ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur
«l’abattage de moutons à domicile pour la fête
du sacrifice» (nº 3-2046)
|
Vraag
om uitleg van de heer Luc Willems aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de minister
van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het
thuisslachten van schapen bij het offerfeest» (nr. 3-2046)
|
|
Mme la présidente.
– Mme Els Van Weert, secrétaire d’État
au Développement durable et à l’Économie
sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises
publiques, répondra.
|
De voorzitter. –
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame
Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van
Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.
|
|
M. Luc
Willems (VLD). – La fête du sacrifice a de
nouveau été célébrée voici
quelques semaines. Des moutons ont donc été abattus
de manière rituelle et parfois illégale. L’abattage
à domicile n’est en effet plus autorisé. Si
cette interdiction n’est pas respectée, les moutons
peuvent être saisis. Les chiffres indiquent toutefois que
seule une minorité des infractions constatées lors
de la fête du sacrifice de janvier 2006 a donné
lieu à une condamnation. Les plaintes sont généralement
classées sans suite, ce qui donne l’impression que
l’on peut accomplir des abattages illégaux
impunément.
Lors de la
fête du sacrifice du 31 décembre 2006 et
1er janvier 2007, Bruxelles Propreté
a ramassé de nombreuses peaux de moutons, ce qui témoigne
à nouveau d’un grand nombre d’abattages
illégaux à domicile. Il est possible de déceler
et résoudre partiellement le problème en
réglementant et contrôlant plus strictement le
transport des moutons.
Est-il permis
de transporter des moutons vivants dans sa voiture ? Dans
l’affirmative, le ministre est-il prêt à
modifier les règles pour mettre fin aux abus manifestes
que constituent les abattages à domicile ? Dans la
négative, combien d’infractions ont-elles été
constatées par les services de police en décembre 2006 ?
Le ministre
est-il disposé à rappeler à la communauté
musulmane, par le biais d’une campagne d’information,
que d’autres offrandes, notamment pécuniaires, sont
possibles.
Quelles
mesures le ministre envisage-t-il pour réduire le nombre
d’infractions à l’avenir ?
|
De heer Luc Willems
(VLD). – Enkele weken geleden werd het offerfeest
opnieuw gevierd. Hierbij werden schapen ritueel geslacht, en dit
soms illegaal. Thuisslachting mag immers niet. Als het toch
gebeurt, kunnen de schapen in beslag worden genomen. Uit mijn
eerder gestelde vragen bleek dat bij de bestraffing van deze
misdrijven een en ander verkeerd gaat. Zo bleek uit de cijfers
met het aantal overtredingen en het aantal processen- verbaal,
dat bij het offerfeest van januari 2006 slechts een zeer
kleine minderheid van de gevallen tot een effectieve veroordeling
leidt. Doorgaans worden klachten dus zonder gevolg geklasseerd.
Door dit gebrek aan vervolging ontstaat de indruk dat er
straffeloos illegaal kan worden geslacht.
Bij het offerfeest van
31 december 2006 en 1 januari 2007 zou Net
Brussel, de maatschappij die instaat voor het ophalen van het
huisvuil in Brussel, vele schapenhuiden opgehaald hebben. Dit
duidt er nogmaals op dat een groot aantal schapen illegaal thuis
werd geslacht. Het probleem kan deels gedetecteerd en aangepakt
worden door het vervoer van schapen strikter te reguleren en te
controleren.
Is het toegelaten levende schapen in
personenwagens te vervoeren? Indien ja, is de minister bereid
hier iets aan te veranderen, teneinde de duidelijke misbruiken
inzake illegale slachtingen te stoppen? Indien neen, hoeveel
overtredingen werden door de politiediensten in december 2006
vastgesteld?
Is de minister bereid, gezien het
duidelijke aantal inbreuken, de moslimgemeenschap middels een
informatiecampagne te wijzen op de mogelijkheid van alternatieve
giften en geldelijke schenkingen?
Welke maatregelen plant de minister
om het aantal inbreuken in de toekomst te verminderen?
|
|
Mme Els
Van Weert, secrétaire d’État au
Développement durable et à l’Économie
sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises
publiques. – Je vous lis la réponse de la
vice-première ministre.
Il n’est
pas interdit de transporter un mouton dans une voiture pour
autant qu’on ne nuise pas au bien-être de l’animal.
Il arrive aussi que les moutons soient transportés vers
les lieux agréés d’abattage à bord de
voitures. Il est donc simpliste de croire que l’interdiction
de ce mode de transport réduira le nombre des abattages
illégaux. Elle risque au contraire de l’accroître.
Je ne dispose pas de données des services de police
concernant le nombre d’infractions constatées.
Les
différentes autorités concernées multiplient
les efforts pour informer la communauté musulmane. Mes
services ont organisé plusieurs réunions de
concertation. Les services de l’AFSCA ont mis sur pied à
l’intention des musulmans des après-midi et soirées
d’information au niveau provincial.
L’AFSCA
a par ailleurs élaboré et diffusé une
brochure en quatre langues afin de mieux informer la population.
Mes services ont également distribué un vade-mecum
et les autres formes d’offrandes possibles ont été
rappelées. On peut donc difficilement critiquer les
autorités quant à l’information relative à
la fête du sacrifice.
Comme chaque
année, une évaluation des observations faites lors
de la dernière fête du sacrifice est prévue.
Une concertation sera organisée sur la nécessité
et la possibilité de prendre des mesures pour améliorer
le déroulement de la prochaine fête du sacrifice et
réduire le nombre d’infractions.
|
Mevrouw Els Van Weert,
staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie,
toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. –
Ik lees het antwoord van de vice-eersteminister.
Het is niet verboden een schaap te
vervoeren in een personenwagen, voor zover het welzijn van de
dieren hierdoor niet geschaad wordt. Wel is het verboden om het
dier in de kofferruimte te vervoeren of nog, met de poten
samengebonden. Ook op de erkende slachtplaatsen wordt een deel
van de schapen aangevoerd in personenwagens. Het is dan ook te
simplistisch te denken dat een verbod op het gebruik van dit
vervoermiddel de illegale slachtingen zou afremmen. Men zou zich
integendeel ook de vraag kunnen stellen of strengere regels voor
het vervoer niet zouden kunnen leiden tot een stijging van het
aantal illegale slachtingen. Ik heb in dat verband geen gegevens
van de politiediensten over het aantal vastgestelde
overtredingen.
De verschillende bevoegde overheden
doen tal van inspanningen om de moslimbevolking te informeren,
teneinde het Offerfeest ordentelijk en met respect voor de
wetgeving te doen verlopen. Mijn diensten organiseerden
verschillende overlegvergaderingen, ook met de Gewestelijke
overheden, met vertegenwoordigers van de moslimexecutieve en met
sommige lokale overheden. De diensten van het Federaal Agentschap
voor de veiligheid van de Voedselketen belegden op provinciaal
niveau informatienamiddagen en -avonden voor de moslims.
Het FAVV zorgde ook voor de
opstelling en verspreiding van een folder in vier talen om de
bevolking beter te informeren. Bovendien werd door mijn diensten
een alomvattend vademecum ter beschikking gesteld. Waar mogelijk
werd hierbij melding gemaakt van de alternatieven voor het
slachten van een dier als offer. Er kan dus bezwaarlijk kritiek
geuit worden op de overheid waar het gaat om
informatieverstrekking rond het Offerfeest.
Zoals elk jaar is binnenkort een
evaluatie gepland van de bevindingen en vaststellingen tijdens
het laatste Offerfeest. In overleg zal nagegaan worden of de
overheid maatregelen moet of kan nemen om de organisatie en het
verloop van het volgende Offerfeest nog te verbeteren en
tegelijkertijd het aantal inbreuken terug te dringen.
|
|
Demande
d’explications de M. Hugo Vandenberghe à la
vice-première ministre et ministre de la Justice sur «le
combat contre les plantations de cannabis dans notre pays»
(nº 3-2059)
|
Vraag
om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie over «de
strijd tegen de cannabisplantages in ons land» (nr. 3-2059)
|
|
Mme la présidente.
– Mme Els Van Weert, secrétaire d’État
au Développement durable et à l’Économie
sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises
publiques, répondra.
|
De voorzitter. –
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame
Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van
Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – L’usage du cannabis
est un important phénomène social. Il ressort d’une
étude de la Fondation Rodin et du CRIOC de 2006 que 14%
des jeunes entre 10 et 17 ans ont déjà consommé
du cannabis.
La
consommation s’installe à l’âge de 15
ans. À cet âge un jeune sur quatre a déjà
touché au cannabis. Les utilisateurs récents ont eu
en moyenne cinq consommations par semaine en 2006, ce qui est le
double de l’année précédente.
Le cannabis
peut être nocif pour la santé et peut par exemple
entraîner des dommages cérébraux, un cancer
du poumon, la dépendance et le passage aux drogues dures.
Il y a de plus
en plus de plantations de cannabis dans les maisons et les
appartements, parfois au centre de la ville. Les producteurs de
drogue ne cherchent donc plus des entrepôts isolés,
mais optent pour des plantations de cannabis de plus petite
taille. Les plantations dans les maisons et les appartements sont
moins voyantes et le risque de perte de la récolte en cas
de descente de police est également mieux réparti.
Ce sont
surtout les Néerlandais qui viennent en Belgique. Ils
donnent de l’argent aux locataires et construisent dans
leur maison toute une installation de culture. La chasse aux
producteurs de cannabis par la police néerlandais a fait
baisser l’offre sur le marché néerlandais,
avec toutes les conséquences qui en résultent pour
la Belgique.
La ministre de
la Justice a répondu à ma question orale du
19 janvier 2006 : « Actuellement, la
police fédérale met la dernière main à
l’analyse stratégique de la question. Un projet me
sera présenté sous peu. Après la
finalisation, des conclusions pourront être tirées
et, si nécessaire, des mesures d’adaptation seront
décidées sur le plan politique ».
La police
fédérale a-t-elle déjà procédé
à une analyse stratégique ?
Quelles
conclusions la ministre tire-t-elle de cette analyse ?
Un plan
d’action a-t-il déjà été établi
sur la base de cette analyse ?
Quels sont les
objectifs prévus dans ce plan d’action ?
Une
concertation avec les autorités néerlandais
a-t-elle régulièrement eu lieu l’année
dernière au sujet de l’amplification du problème
de la culture du cannabis ?
Quels éléments
éventuellement positifs ont-ils résulté de
ces discussions ?
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Reeds meerdere keren heb ik
deze legislatuur in de Senaat de cannabisproblematiek ter sprake
gebracht. Cannabisgebruik is een belangrijk maatschappelijk
fenomeen. Uit onderzoek van de Rodinstichting en OIVO in 2006
blijkt immers dat veertien procent van de jongeren tussen tien en
zeventien jaar ooit cannabis heeft gebruikt.
De grote introductie begint op de
leeftijd van vijftien jaar. Dan heeft een op de vier al eens
cannabis gebruikt. De recente gebruikers gebruikten in 2006
gemiddeld vijf consumpties per week, een verdubbeling in
vergelijking met het jaar voordien.
Cannabis kan schadelijk zijn voor de
gezondheid en kan bijvoorbeeld leiden tot hersenschade,
longkanker, verslaving en overstap op harddrugs.
Er worden steeds meer
cannabisplantages opgericht in huizen en appartementen, soms in
het midden van de stad. Drugstelers zoeken dus niet langer
afgelegen loodsen op, maar kiezen voor kleinschaligere
hennepplantages. Plantages in huizen en flats zijn minder
opvallend en het risico op verlies van de oogst bij een
politie-inval is ook beter gespreid.
Het zijn vooral Nederlanders die
naar België afzakken. Ze geven geld aan huurders en bouwen
in hun huis een hele kweekinstallatie. Door de jacht op
cannabiskwekers door de Nederlandse politie daalt het wietaanbod
op de Nederlandse markt, met alle gevolgen van dien voor België.
Op mijn mondelinge vraag van
19 januari 2006 antwoordde de minister van Justitie
onder meer het volgende: ‘Momenteel legt de federale
politie de laatste hand aan een strategische analyse van deze
problematiek en binnenkort zal mij een ontwerp worden voorgelegd.
Na de finalisering kunnen conclusies worden getrokken en, indien
nodig, kunnen er beleidsmatig bijsturingen gebeuren’.
Graag kreeg ik van de minister een
antwoord op volgende vragen.
Heeft de federale politie reeds een
strategische analyse opgesteld?
Welke conclusies trekt de minister
uit deze analyse?
Werd op basis van deze analyse reeds
een actieplan uitgewerkt?
Welke doelstellingen worden in dit
actieplan vooropgesteld?
Werd het voorbije jaar op
regelmatige basis overleg gepleegd met de Nederlandse
autoriteiten over het uitdijen van de problematiek van de
cannabisteelt?
Welke eventueel positieve elementen
kwamen uit deze gesprekken voort?
|
|
Mme Els
Van Weert, secrétaire d’État au
Développement durable et à l’Économie
sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises
publiques. – Je vous lis la réponse de la ministre
Onkelinx.
La police
fédérale a procédé à une
analyse stratégique du phénomène dans un
rapport intitulé Analyse des plantations de cannabis en
Belgique. Il s’agit principalement d’une analyse
quantitative, qui mentionne également qu’une analyse
qualitative est prévue. La police a toutefois indiqué
qu’en raison d’un manque de personnel on n’avait
pas encore pu y travailler.
Une des
conclusions les plus importantes de cette analyse stratégique
est que le nombre de plantations découvertes est en
croissance. En outre, en 2006, on a découvert davantage de
plantations dans des habitations et moins dans des entrepôts,
mais cela n’implique nullement que les plantations soient
devenues plus réduites, puisque l’on peut placer 300
à 600 plants dans un grenier ou une cave. Il est frappant
que des techniques de plus en plus performantes sont utilisées
pour augmenter la récolte et diminuer le risque d’être
pris, comme l’utilisation de matériel de production
nécessitant moins d’électricité et
moins de place que les méthodes classiques de culture. En
outre, il apparaît que la teneur en THC des cannabis belge
et néerlandais est sensiblement plus élevée
que celle du cannabis importé. Étant donné
que ce sont essentiellement des personnes de nationalité
néerlandaise qui sont concernées par les
plantations à grande échelle, en tant que
cultivateurs, organisateurs ou fournisseurs de matériel,
il est clair que les efforts accomplis sur le plan de la
consommation et du commerce, comme cela figure dans ma récente
déclaration de politique, doivent être poursuivis,
entre autres par le biais du développement et de
l’intensification de la collaboration avec le Bureau de
coopération eurégionale.
Sur la base de
l’analyse stratégique, un plan d’action a été
établi, dont les points essentiels découlent des
recommandations de cette analyse. Ainsi, on s’occupe à
l’heure actuelle d’adapter la table de codes de la
Banque de données nationale générale car
celle-ci est insuffisante pour donner une image correcte et
complète de la nature et de l’ampleur des
plantations de cannabis. Il manque par exemple une description de
la plantation, de la culture intérieure/extérieure,
etc.
Pour collecter
des informations de manière uniforme, on développe
aussi les contacts entre le service central Drogues et les zones
de police locales qui sont régulièrement
confrontées au phénomène.
Lorsque les
cultivateurs de cannabis utilisent de l’électricité,
le compteur peut montrer une consommation excessive. Une
collaboration avec le gestionnaire du réseau et les
fournisseurs d’électricité est certainement
l’une des possibilités permettant de procéder
à une meilleure détection. Les premiers contacts
ont également été pris dans ce contexte. Il
en va de même pour le développement d’un
réseau avec les enquêteurs qui sont régulièrement
confrontés au phénomène.
Quant à
la coopération avec les services d’incendie et
l’Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse
Gewest (société flamande de gestion des
déchets), on procède de la même manière
qu’en cas de découverte d’un laboratoire où
sont fabriqués des stimulants de type amphétaminique
(ATS) : une équipe multidisciplinaire et spécialement
formée intervient. Le service central Drogues offre aux
services de la police locale la même assistance en cas de
découverte d’une importante plantation de cannabis
que lors de la découverte d’un laboratoire d’ATS.
Les objectifs
prévus dans le plan d’action au niveau de la police
sont : l’affinement de l’image du phénomène,
l’établissement de liens entre les différents
faits en vue de l’identification des commanditaires et des
installateurs, le développement par l’image
d’actions en vue d’améliorer la détection
des plantations de cannabis.
Au niveau
central de la police fédérale, des contacts ont été
pris avec les Pays-Bas, mais en raison de la mobilité de
l’un des deux responsables de la problématique, ils
ont provisoirement dû être reportés.
Outre les
nombreux contacts transfrontaliers entre les zones frontalières
et les collègues néerlandais, la police fédérale
indique également que des discussions sont menées
dans le cadre de l’Euregio. Les premiers accords ont été
conclus et prévoient une meilleure collaboration et une
circulation plus rapide de l’information. La collaboration
judiciaire dans l’Euregio a été et sera
encore intensifiée pour pouvoir lutter plus efficacement
contre les problèmes de la criminalité
transfrontalière en général et des drogues
illégales en particulier.
|
Mevrouw Els Van Weert,
staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie,
toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. –
Minister Onkelinx heeft volgend antwoord bezorgd.
De federale politie heeft een
strategische analyse over het fenomeen opgesteld onder de titel
Analyse cannabisplantages in België. Het betreft
voornamelijk een kwantitatieve analyse, waarin ook melding wordt
gemaakt van een op stapel staande kwalitatieve analyse. Wegens
personeelsgebrek kon daar echter nog niet aan worden gewerkt, zo
liet de federale politie weten.
Een van de belangrijkste conclusies
uit de strategische analyse is dat het aantal ontdekte plantages
in stijgende lijn gaat. Bovendien werden in 2006 meer plantages
aangetroffen in woningen en minder in loodsen, maar dit
impliceert geenszins dat de plantages kleiner zijn geworden,
aangezien op een zolder of in een kelder ook 300 tot 600 planten
kunnen worden ondergebracht. Opvallend is dat steeds betere
technieken worden aangewend om de opbrengst te verhogen en de
pakkans te verkleinen, zoals het gebruik van kweekketels die veel
minder elektriciteit verbruiken en minder plaats nodig hebben dan
de klassieke kweekmethode. Daarnaast blijkt dat het THC-gehalte
van de zogenaamde belgowiet en nederwiet aanzienlijk hoger ligt
dan dat van geïmporteerde cannabis. Aangezien tevens bij de
grootschalige plantages overwegend personen met de Nederlandse
nationaliteit betrokken zijn, hetzij als kweker, als organisator,
of als leverancier van materiaal, wordt duidelijk dat de
inspanningen die werden geleverd op het vlak van consumptie en op
het vlak van de handel, zoals herhaald in mijn recente
beleidsverklaring, moeten worden voortgezet, onder meer via de
uitbouw en intensivering van de samenwerking met het Bureau voor
Euregionale samenwerking,
Er werd op basis van de strategische
analyse een actieplan uitgewerkt, waarvan de hoofdpunten
voortvloeien uit de aanbevelingen geformuleerd in de strategische
analyse. Zo is men momenteel bezig met het aanpassen van de
codetabel van de Algemene Nationale Gegevensbank, aangezien deze
thans onvoldoende is om een correct en volledig beeld weer te
geven van de aard en de omvang van de cannabisplantages. Er
ontbreekt bijvoorbeeld een omschrijving van de plantage,
binnenteelt/ buitenteelt, enzovoorts.
Om op een eenvormige manier
informatie te verzamelen worden ook de contacten vanuit de
centrale dienst Drugs met de lokale politiezones die regelmatig
met het fenomeen worden geconfronteerd uitgebouwd.
Wanneer de hennepkwekers
elektriciteit aftappen van de meter, kan een overmatig
elektriciteitsgebruik vastgesteld worden. Een samenwerking met de
netbeheerder en elektriciteitsleveranciers behoort dan ook zeker
tot de mogelijkheden om een betere detectie na te streven. De
eerste contacten werden in dat verband ook gelegd. Hetzelfde
geldt voor het uitbouwen van een netwerk met onderzoekers die
geregeld met het fenomeen worden geconfronteerd.
Wat de samenwerking met de brandweer
en OVAM betreft, wil men op dezelfde manier werken als bij de
ontdekking van een ATS-lab, namelijk met het inzetten van een
multidisciplinair en specifiek opgeleid Lab Intervention Team.
Dat impliceert dat de centrale dienst Drugs bij het afstappen ter
plaatse in geval van een grootschalige cannabisplantage hetzelfde
ondersteuningsaanbod aanbiedt aan de lokale politiediensten als
bij de ontdekking van een ATS-lab.
De vooropgestelde doelstellingen in
het actieplan op politieel niveau zijn: het verfijnen van het
beeld van het fenomeen; het leggen van linken tussen
verschillende feiten met het oog op de identificatie van de
opdrachtgevers en installateurs; de ontwikkeling via het beeld
van acties ter verhoging van de detectie van de
cannabisplantages.
Op centraal niveau van de federale
politie werden contacten gelegd met Nederland, maar ingevolge
mobiliteit van één van de twee
probleemverantwoordelijken dienden ze tijdelijk te worden
uitgesteld.
Naast de talrijke
grensoverschrijdende contacten tussen de grenszones en de
Nederlandse collega’s, maakt de federale politie ook
melding van de gesprekken die gevoerd worden in het kader van de
Euregio. De eerste afspraken zijn gemaakt en omvatten een betere
samenwerking en een snellere informatiedoorstroming. De
justitiële samenwerking in de Euregio werd en zal verder
worden geïntensiveerd om de problematiek van de
grensoverschrijdende criminaliteit in het algemeen en van de
illegale drugs in het bijzonder efficiënter te kunnen
bestrijden.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Les résolutions de
début 2006 ne sont que partiellement réalisées.
L’augmentation du nombre de plantations découvertes
était déjà mise en évidence dans la
question. L’analyse qualitative se fait attendre. De même,
la concertation régulière avec les autorités
néerlandaises, que la ministre de la Justice avait
annoncée début janvier 2006, n’a eu
aucun caractère structurel. Entre-temps, selon la presse,
on découvre toujours davantage de plantations de cannabis.
Cela signifie
que, dans notre pays, on agit à deux vitesses. Lorsque
dans un restaurant une personne fume une cigarette, la police
fédérale y est envoyée toutes sirènes
hurlantes pour dresser un procès-verbal. J’invite le
gouvernement à agir contre le trafic de cannabis de la
même manière que contre d’autres phénomènes
de dépendance.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – De voornemens van begin 2006
zijn maar gedeeltelijk gerealiseerd. Dat het aantal aangetroffen
plantages stijgt, bleek al uit de vraagstelling. De kwalitatieve
analyse blijft in het dak zitten. Ook het regelmatig overleg met
de Nederlandse autoriteiten dat de minister van Justitie begin
januari 2006 had aangekondigd, heeft geen structureel
karakter gekregen. Ondertussen, zo staat in persberichten, worden
steeds meer cannabisplantages ontdekt.
Daaruit blijkt dat in ons land met
twee snelheden wordt opgetreden. Wanneer iemand in een restaurant
een sigaret rookt, wordt de federale politie met loeiende sirenes
naar het restaurant in kwestie gestuurd om een proces verbaal op
te stellen. Ik roep de regering op om met betrekking tot het
dealen van cannabis op dezelfde wijze op te treden als bij andere
verslavende fenomenen.
|
|
Demande
d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre des
Affaires sociales et de la Santé publique sur «les
médicaments sans ordonnance» (nº 3-2052)
|
Vraag
om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister
van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de
voorschriftvrije geneesmiddelen» (nr. 3-2052)
|
|
Mme la présidente.
– Mme Els Van Weert, secrétaire d’État
au Développement durable et à l’Économie
sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises
publiques, répondra.
|
De voorzitter. –
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame
Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van
Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Une enquête menée
par pharma.be montre que 37% des 2.000 et quelques personnes
interrogées souhaitent que davantage de médicaments
puissent être délivrés sans prescription.
Aujourd’hui,
près de quatre médicaments sur dix sont vendus OTC
(over the counter, sur le comptoir) et, pour les obtenir,
le patient n’a pas besoin d’une prescription
médicale.
Il s’agit
le plus souvent de médicaments légers contre la
toux, le mal de tête ou le refroidissement. Ils
représentent 15% des recettes de l’industrie
pharmaceutique.
Il ressort de
l’enquête de pharma.be qu’un groupe important,
surtout les jeunes, plaide pour une extension de la part des
médicaments OTC.
Une
conséquence possible de cette extension est la perte par
les médecins d’une partie de leur « marché »
au profit des patients qui pourraient eux-mêmes décider
de leur consommation de médicaments. Les pharmaciens
auraient alors davantage leur mot à dire.
Les patients
font des économies sur leurs visites chez le médecin
mais paient davantage pour les médicaments parce qu’aucun
remboursement n’est prévu pour les médicaments
OTC. Enfin, l’assurance maladie y trouverait son compte
parce qu’elle devrait rembourser moins de médicaments.
Quelles
conclusions le ministre tire-t-il de l’enquête de
pharma.be ?
Le ministre
estime-t-il souhaitable de prendre des mesures pour allonger la
liste des médicaments OTC ?
Le ministre
croit-il qu’il est indiqué de se concerter à
court terme à ce sujet avec tous les acteurs concernés ?
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Uit een enquête van
pharma.be blijkt dat 37 procent van de ruim tweeduizend
ondervraagden wenst dat er meer geneesmiddelen zonder voorschrift
kunnen worden verkregen.
Vandaag zijn bijna vier op de tien
verkochte geneesmiddelen zogenaamde OTC-geneesmiddelen, waarvoor
de patiënt geen doktersvoorschrift nodig heeft.
Het gaat doorgaans om lichte
medicijnen tegen hoesten, hoofdpijn of verkoudheid. Die
geneesmiddelen vertegenwoordigen 15 procent van de inkomsten van
de farmaceutische industrie.
Uit de enquête van pharma.be
blijkt dat een aanzienlijke groep, vooral jongeren, pleit voor
een uitbreiding van het aandeel OTC-geneesmiddelen.
Een mogelijk gevolg van een
uitbreiding is dat artsen een deel van hun ‘markt’
verliezen aan patiënten die zelf over hun
geneesmiddelenverbruik kunnen beslissen. Apothekers zouden dan
weer meer inspraak krijgen.
Patiënten besparen op
doktervisites, maar betalen wel meer aan medicijnen omdat voor
OTC-geneesmiddelen niet in een terugbetaling is voorzien. De
ziekteverzekering ten slotte zou winnen omdat ze minder
geneesmiddelen moet terugbetalen.
Welke conclusies trekt de minister
uit de enquête van pharma.be?
Acht de minister het wenselijk
maatregelen te nemen om de lijst van OTC-geneesmiddelen uit te
breiden?
Acht de minister het raadzaam
hierover op korte termijn overleg te plegen met alle betrokken
actoren?
|
|
Mme Els
Van Weert, secrétaire d’État au
Développement durable et à l’Économie
sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises
publiques. – Je vous lis la réponse du ministre
Demotte.
Je retiens
deux points positifs de l’enquête : la confiance
des patients dans le médecin et le pharmacien est à
nouveau confirmée et le patient fait preuve d’une
certaine maturité vis-à-vis des soins de santé.
Par ailleurs,
l’élément principal n’apparaît
pas dans l’enquête : le prix pour le patient, et
il est dès lors impossible de l’analyser. L’enquête
n’explique nulle part qu’un médicament qui
coûte aujourd’hui 15 euros avec une prescription,
coûtera au minimum 60 euros sans prescription. On ne dit
rien du remboursement par l’assurance maladie bien, que ce
facteur soit déterminant lors du choix d’un
médicament.
L’augmentation
du nombre de médicaments sans prescription et sans
remboursement est selon moi totalement exclue. Je n’accepterai
jamais que des médicaments nécessaires, tels que
ceux pour l’hypertension et le diabète ou les
antibiotiques – qui sont actuellement remboursés à
75 ou 85% par l’assurance maladie – ne soient plus
remboursés sous le prétexte de libérer de
nouveaux moyens pour de nouveaux médicaments. Il y a
d’autres moyens pour cela.
D’ailleurs,
un diagnostic posé par un médecin reste
indispensable pour chaque maladie.
Je ne vois
donc pas l’intérêt d’une concertation
avec les acteurs concernés sur ce sujet.
|
Mevrouw Els Van Weert,
staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie,
toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. –
Ik lees het antwoord van minister Demotte.
Uit de enquête onthoud ik twee
positieve punten, namelijk dat het vertrouwen van de patiënten
in de arts en de apotheker opnieuw wordt bevestigd en dat de
patiënt over een zekere maturiteit beschikt ten opzichte van
de gezondheidszorg.
Verder ontbreekt in de enquête
het belangrijkste element, namelijk de prijs voor de patiënt.
Daardoor is ze onmogelijk te analyseren. De enquête legt
nergens uit dat een geneesmiddel dat vandaag 15 euro kost met een
voorschrift, minimum 60 euro zal kosten zonder voorschrift. Over
de terugbetaling door de ziekteverzekering wordt niets vermeld,
hoewel deze factor doorslaggevend is bij de keuze van een
geneesmiddel.
De toename van het aantal
geneesmiddelen zonder voorschrift en zonder terugbetaling is voor
mij volledig uitgesloten. Ik zal nooit aanvaarden dat
noodzakelijke geneesmidden, zoals geneesmiddelen voor
hypertensie, diabetes of antibiotica – die momenteel voor
75% of 85% worden terugbetaald door de ziekteverzekering –
niet meer zouden worden terugbetaald onder het voorwendsel nieuwe
middelen vrij te maken voor nieuwe geneesmiddelen. Daar bestaan
andere manieren voor.
Trouwens, een diagnose door een arts
blijft onontbeerlijk voor iedere ziekte.
Ik zie dus het belang niet in van
overleg met de betrokken actoren over dit onderwerp.
|
|
Demande
d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre de
la Mobilité sur «la panoplie de sécurité
dans la voiture» (nº 3-2064)
|
Vraag
om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister
van Mobiliteit over «het veiligheidspakket in de auto»
(nr. 3-2064)
|
|
Mme la présidente.
– Mme Els Van Weert, secrétaire d’État
au Développement durable et à l’Économie
sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises
publiques, répondra.
|
De voorzitter. –
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame
Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van
Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Le site web de l’association
d’automobilistes VAB publie une enquête sur l’utilité
des équipements de sécurité imposés
par la loi dans les véhicules belges. On demande aux
utilisateurs s’ils estiment que le triangle de danger, la
trousse de premiers soins, l’extincteur et la veste fluo
sont « totalement inutiles, inutiles, utiles ou très
utiles ».
Le VAB a
établi, comme information de base, un relevé des
avantages et des inconvénients des équipements de
sécurité. Ainsi, le triangle de danger offre entre
autres l’avantage de permettre le signalement d’obstacles
inattendus, surtout la nuit, et d’être un symbole de
danger international bien connu. Un inconvénient est que
le triangle est trop petit pour être remarqué à
une grande distance sur les autoroutes. En outre, il est trop peu
utilisé.
La trousse de
premiers soins est obligatoire en Belgique ou recommandée
dans les pays européens. Cette trousse offre l’avantage
de contenir le matériel rudimentaire pour les premiers
soins en cas d’accident. Le VAB juge moins positif le fait
que la composition de la trousse est insuffisante sur le plan de
l’utilité et de la qualité.
Ensuite, selon
le VAB, l’extincteur est trop petit et sa composition n’est
pas adéquate pour éteindre tous les matériaux
et les feux importants. La veste fluo, obligatoire à
partir du 1er février, n’est encore
que peu utilisée. Selon le VAB, 4 automobilistes en panne
sur 10 la portent le long des autoroutes et 2 sur 10 le long des
routes secondaires.
Quelles
conclusions le ministre tire-t-il des remarques du VAB ?
Estime-t-il opportun de prendre des mesures pour tenir compte de
ces considérations ? Quelles mesures compte-t-il
prendre pour veiller à ce que la veste fluo, obligatoire à
partir du 1er février, soit utilisée
par tous les conducteurs ? Estime-t-il souhaitable
d’organiser à cet effet des campagnes d’information
spéciales ? Estime-t-il opportun d’organiser,
après le 1er février 2007, des
contrôles spécifiques sur le port de la veste fluo ?
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Op de website van de
Automobilistenvereniging VAB staat een enquête naar het nut
van de wettelijk verplichte veiligheidsvoorzieningen in Belgische
auto’s. Aan de gebruikers wordt gevraagd of ze de
gevarendriehoek, de EHBO-kit, de brandblusser en het fluojasje
‘totaal niet nuttig, niet nuttig, nuttig of zeer nuttig’
vinden.
Als achtergrondinformatie heeft de
VAB de voor- en nadelen van de veiligheidsvoorzieningen op een
rij gezet. Zo biedt een gevarendriehoek onder meer het voordeel
dat er onverwachte obstakels mee kunnen worden gesignaleerd,
zeker ’s nachts, en dat het een internationaal goed
bekend gevarensymbool is. Een nadeel is dan weer dat de driehoek
te klein is om op te vallen op een grotere afstand op
autosnelwegen. Bovendien wordt hij te weinig gebruikt.
De EHBO-kit is verplicht in België
of aanbevolen in de Europese landen. De EHBO-kit biedt het
voordeel dat hij rudimentair materiaal biedt voor eerste hulp bij
ongevallen. Minder positief is dat de samenstelling van de kit
volgens de VAB ondermaats is wat de bruikbaarheid en de kwaliteit
betreft.
Vervolgens is volgens de VAB de
brandblusser te klein en heeft hij een verkeerde samenstelling om
alle materialen en grote branden te blussen. Het fluojasje, dat
vanaf 1 februari verplicht is, wordt tenslotte nog maar
weinig gebruikt. Volgens de VAB zouden 4 op 10 pechvogels het
vestje aantrekken langs de autosnelweg en 2 op 10 langs de
secundaire wegen.
Welke conclusies trekt de minister
uit de opmerkingen van de VAB? Acht hij het raadzaam maatregelen
te nemen om aan die bedenkingen tegemoet te komen? Welke
maatregelen wil hij nemen om ervoor te zorgen dat het vanaf
1 februari verplichte fluojasje door alle bestuurders wordt
gebruikt? Acht hij het wenselijk hiervoor extra
sensibilisatiecampagnes te organiseren? Acht hij het raadzaam om
na 1 februari 2007 specifieke controles naar het dragen
van het fluojasje te organiseren?
|
|
Mme Els
Van Weert, secrétaire d’État au
Développement durable et à l’Économie
sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises
publiques. – Je vous lis la réponse du ministre
Landuyt.
Les
conclusions de l’enquête de l’association
d’automobilistes ne sont pas une surprise. Ceux qui se
trouvent régulièrement sur la route constatent
qu’en cas de panne ou d’accident le triangle de
danger n’est pas toujours placé et que la veste fluo
n’est pas toujours portée.
La trousse de
premiers soins et l’extincteur ne sont que des moyens de
premier secours. Par conséquent, leur but n’est
absolument pas de remplacer l’équipement
professionnel des services de secours.
Les réponses
sur la non-utilisation de la veste fluo doivent naturellement
être nuancées, car l’obligation pour tous les
conducteurs de la porter en cas d’accident ou de panne sur
une autoroute ou une route ne s’applique qu’à
partir du 1er février 2007. On ne
place sans doute pas le triangle de danger parce qu’on
préfère ne pas se mettre soi-même en danger
en le plaçant, ne sachant pas exactement à quelle
distance il doit être posé – à 100
mètres minimum sur une autoroute et à 30 mètres
sur les autres routes – et parce que ce placement n’est
pas une partie de plaisir.
La composition
de la trousse de secours est réglée au niveau
européen. Actuellement, le ministre ne prépare
aucune modification de la législation relative à
l’extincteur, au triangle de danger et à la trousse
de secours. Si la réglementation internationale ou
européenne était modifiée, des
considérations comme celles du VAB constitueraient
certainement une contribution utile. Une modification doit
toutefois s’inscrire dans une adaptation globale de la
réglementation.
Il y a
différentes manières d’améliorer la
sécurité routière. Il est surtout important
que la population soit sensibilisée et informée des
mesures. C’est pourquoi l’obligation à partir
du 1er février 2007 est annoncée
par le biais de différents canaux médiatiques, les
journaux, le programme TV Kijk Uit, le périodique
Via Secura et le site web de l’IBSR. En outre, le
ministre examinera, en collaboration avec l’IBSR, quelles
actions d’information peuvent être menées pour
attirer l’attention sur les nouvelles obligations.
L’objectif
de la nouvelle réglementation n’est pas que les
services de police contrôlent si une veste fluo se trouve
effectivement dans la voiture, mais bien qu’ils veillent à
ce que les conducteurs assurent leur propre visibilité et
par conséquent leur sécurité dans la
circulation. Le ministre est persuadé que nos concitoyens
accorderont toujours plus d’attention à leur
visibilité dans la circulation parce qu’ils en
comprennent la nécessité. La prise de conscience
est un moyen bien meilleur d’améliorer la sécurité
routière que les contrôles.
|
Mevrouw Els Van Weert,
staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie,
toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. –
Ik lees het antwoord van minister Landuyt.
De conclusies uit het onderzoek van
de automobilistenvereniging zijn geen verrassing. Wie zich
regelmatig op de weg bevindt, stelt vast dat bij pech of ongeval
de gevarendriehoek niet altijd wordt geplaatst en dat het
fluojasje niet steeds wordt gedragen.
De EHBO-kit en de brandblusser zijn
slechts hulpmiddelen voor eerste hulp. Het kan bijgevolg nooit de
bedoeling zijn dat ze de professionele uitrusting van de
hulpdiensten vervangen.
De antwoorden over het niet dragen
van het fluojasje moeten natuurlijk worden genuanceerd, want de
verplichting voor alle bestuurders om het te dragen bij ongeval
of pech op een autosnelweg of autoweg geldt pas vanaf
1 februari 2007. Men plaatst de gevarendriehoek
vermoedelijk niet, omdat men zichzelf liever niet in gevaar
brengt bij het plaatsen ervan, niet goed wetend op welke afstand
dit moet gebeuren – minimaal 100 meter op een
autosnelweg en 30 meter op de andere wegen – en omdat
die plaatsing weinig gebruiksvriendelijk is.
De samenstelling van het
veiligheidspakket wordt op Europees niveau geregeld. Momenteel
bereidt de minister geen wijziging van de wetgeving betreffende
blustoestel, gevarendriehoek en verbandkist voor. Indien de
internationale of Europese regelgeving zou worden gewijzigd, dan
zullen bevindingen zoals die van de VAB zeker een nuttige
bijdrage betekenen. Een wijziging moet echter passen in een
globale aanpassing van de reglementering.
Er zijn verschillende manieren om de
verkeersveiligheid te verbeteren. Van belang is vooral dat de
bevolking wordt geïnformeerd over en gesensibiliseerd voor
de maatregel. Daarom wordt de verplichting vanaf 1 februari 2007
via verschillende mediakanalen, de kranten, het
televisieprogramma ‘Kijk Uit’, het tijdschrift ‘Via
Secura’ en de website van het BIVV bekendgemaakt. De
minister zal bovendien samen met het BIVV nagaan welke extra
bewustmakingsacties kunnen worden gevoerd om de nieuwe
verplichting in de belangstelling te brengen.
Het doel van de nieuwe
reglementering is niet dat de politiediensten controleren of er
wel dan niet een fluojasje in de wagen ligt, maar dat ze erover
waken of bestuurders hun eigen zichtbaarheid en bijgevolg hun
veiligheid in het verkeer verzekeren. De minister is ervan
overtuigd dat onze medeburgers steeds meer aandacht zullen
besteden aan hun zichtbaarheid in het verkeer omdat ze de
noodzaak ervan inzien. Bewustwording is een veel beter middel om
de verkeersveiligheid te verbeteren dan controles.
|
|
Demande
d’explications de Mme Clotilde Nyssens à la
vice-première ministre et ministre de la Justice sur
«l’application de la loi du 18 juillet 2006
tendant à privilégier l’hébergement
égalitaire de l’enfant dont les parents sont séparés
et réglementant l’exécution forcée en
matière d’hébergement d’enfant»
(nº 3-2063)
|
Vraag
om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie over «de
toepassing van de wet van 18 juli 2006 tot het
bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het
kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de
gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind»
(nr. 3-2063)
|
|
Mme la présidente.
– Mme Els Van Weert, secrétaire d’État
au Développement durable et à l’Économie
sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises
publiques, répondra.
|
De voorzitter. –
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame
Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van
Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.
|
|
Mme Clotilde Nyssens (CDH).
– Il me revient que la loi du 18 juillet 2006
tendant à privilégier l’hébergement
égalitaire de l’enfant dont les parents sont séparés
et réglementant l’exécution forcée en
matière d’hébergement d’enfant poserait
déjà des problèmes dans la pratique.
|
Mevrouw Clotilde
Nyssens (CDH). – Naar ik verneem, zou de wet van
18 juli 2006 tot het bevoorrechten van een gelijkmatig
verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden
zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake
huisvesting van het kind in de praktijk nu al problemen doen
rijzen.
|
|
(M. Hugo Vandenberghe,
vice-président, prend place au fauteuil présidentiel.)
|
(Voorzitter:
de heer Hugo Vandenberghe, ondervoorzitter.)
|
|
Tout d’abord, l’objectif
préconisé de ces dispositions, à savoir la
réduction des tensions entre parties, ne se vérifie
malheureusement pas sur le terrain, selon les praticiens.
Avez-vous déjà une première évaluation
provisoire de ces dispositions ? Peut-on déjà
en tirer un certain enseignement ?
La question du respect des décisions
judiciaires relatives à l’hébergement pose en
outre problème dans la pratique : imposer un retour
devant le tribunal de la jeunesse avant l’exécution
forcée semble peu réaliste, selon les praticiens,
eu égard aux délais de fixation devant beaucoup de
tribunaux débordés.
Par ailleurs, l’article 4
de la loi prévoit que, lorsque des mesures de contrainte
s’imposent, le juge désigne, s’il l’estime
nécessaire, les personnes habilitées à
accompagner l’huissier de justice pour l’exécution
de sa décision. Cette disposition est-elle réellement
mise en place et de quelle manière ? Selon quel
financement ? Est-elle appliquée et avec quel
succès ? Pourquoi ne pas prévoir une réelle
organisation pluridisciplinaire systématiquement mise en
place en cas de non-respect du droit d’hébergement ?
Le nombre de décisions
judiciaires relatives à l’hébergement qui ne
sont pas respectées en Belgique reste impressionnant.
Disposez-vous de statistiques récentes à ce sujet
qui confirment cette impression générale ?
De manière générale,
on constate que les conflits ne sont pas résolus sur le
terrain. Les difficultés subsistent et les avocats restent
dépourvus pour aider les familles. Il n’existe
certes pas de solution miracle pour faire exécuter des
décisions relatives à la famille. Cette loi
a-t-elle toutefois fait l’objet d’une évaluation ?
|
De met die
bepalingen beoogde doelstelling, namelijk de vermindering van de
spanningen tussen partijen, wordt volgens de praktijkmensen
jammer genoeg niet bewaarheid op het terrein. Beschikt de
minister al over een eerste voorlopige evaluatie van die
bepalingen? Kunnen daar al lessen uit worden getrokken?
Bovendien
rijzen in de praktijk problemen in verband met de naleving van de
gerechtelijke beslissingen betreffende de huisvesting: volgens de
praktijkmensen zou het weinig realistisch zijn zulke betwistingen
opnieuw voor de jeugdrechtbank te brengen vóór de
gedwongen tenuitvoerlegging, gelet op de termijnen voor de
bepaling van de rechtsdag bij tal van overbelaste rechtbanken
Artikel 4
van de wet bepaalt overigens dat, indien dwangmaatregelen vereist
zijn, de rechter, indien hij zulks nodig acht, de personen
aanwijst die gemachtigd zijn de gerechtsdeurwaarder te
vergezellen voor de tenuitvoerlegging van zijn beslissing. Word
die bepaling echt uitgevoerd en op welke wijze? Hoe wordt dat
gefinancierd? Wordt de bepaling toegepast en met welk resultaat?
Waarom zouden we niet voorzien in een echte multidisciplinaire
regeling die systematisch wordt toegepast wanneer het recht van
huisvesting niet wordt gerespecteerd?
Het aantal
gerechtelijke beslissingen betreffende de huisvesting die niet
worden gerespecteerd, blijft in België indrukwekkend groot.
Beschikt de minister in dat verband over recente statistieken die
deze algemene indruk bevestigen?
Over het
algemeen stellen we vast dat de conflicten op het terrein niet
opgelost zijn. De moeilijkheden blijven bestaan en de advocaten
zijn niet in staat de gezinnen te helpen. Er bestaat weliswaar
geen wondermiddel om de beslissingen betreffende het gezin te
doen naleven, maar werd deze wet al geëvalueerd?
|
|
Mme Els Van Weert,
secrétaire d’État au Développement
durable et à l’Économie sociale, adjointe au
ministre du Budget et des Entreprises publiques. – Je vous
lis la réponse de la ministre de la Justice.
La loi du 18 juillet 2006
tendant à privilégier l’hébergement
égalitaire de l’enfant dont les parents sont séparés
et réglementant l’exécution forcée en
matière d’hébergement d’enfant a été
publiée au Moniteur Belge du 4 septembre 2006
et n’est donc en vigueur que depuis le 14 septembre 2006.
Il est trop tôt pour tirer des
enseignements de l’application de cette nouvelle loi. Il
n’y a pas à ma connaissance de jurisprudence
publiée. J’ignore en vertu de quelle source il
serait déjà possible de dire que l’objectif
poursuivi – réduire les tensions entre les parties –
ne se vérifierait pas sur le terrain.
Des praticiens font savoir que, si
certains juges restent opposés au principe de
l’hébergement égalitaire – la nouvelle
loi leur permet de ne pas appliquer le modèle suggéré –,
d’autres considèrent que le modèle législatif
doit être appliqué.
Pour résoudre le problème
de l’exécution des décisions, la solution
adoptée dans la loi est la plus équilibrée
possible. Permettre l’exécution pure et simple des
décisions aurait été contraire à
l’intérêt de l’enfant. Laisser subsister
le vide juridique existant avant l’entrée en vigueur
de la nouvelle loi n’était pas davantage tolérable.
Si les délais de fixation sont trop longs, la loi laisse
la possibilité de saisir le juge des référés
en cas d’urgence.
La loi ne prévoit pas de
financement particulier pour les personnes qui devront
accompagner l’huissier de justice pour l’exécution
forcée. Il y a lieu d’appliquer les règles
habituelles en matière de dépens. Ceux-ci sont
supportés par la partie qui succombe ou celle par la faute
de laquelle les frais ont dû être exposés.
Il n’est pas envisagé
de prévoir systématiquement une organisation
pluridisciplinaire : cette possibilité a été
débattue lors des travaux préparatoires de
l’adoption de la loi et n’a pas été
retenue par le parlement.
Quant aux statistiques récentes
relatives à l’hébergement, j’interroge
mon administration.
|
Mevrouw Els
Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling
en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en
Overheidsbedrijven. – Ik lees het antwoord van de minister
van Justitie.
De wet van
18 juli 2006 tot het bevoorrechten van een gelijkmatig
verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden
zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake
huisvesting van het kind werd bekendgemaakt in het Belgisch
Staatsblad van 4 september 2006 en is dus nog maar
sinds 14 september 2006 van kracht.
Het is te
vroeg om lessen te trekken uit de toepassing van deze nieuwe wet.
Voorzover ik weet, is er geen rechtspraak gepubliceerd. Ik weet
niet op grond waarvan het al mogelijk zou zijn te zeggen dat de
beoogde doelstelling – het verminderen van de spanningen
tussen de partijen – op het terrein niet zou worden
bewaarheid.
Praktijkmensen
zeggen dat bepaalde rechters gekant blijven tegen het principe
van de gelijkmatig verdeelde huisvesting – de nieuwe wet
maakt het hun mogelijk de voorgestelde regeling niet toe te
passen –, maar dat anderen vinden dat het model waarin
de wet voorziet, moet worden toegepast.
Om het
probleem inzake de uitvoering van de beslissingen op te lossen,
is de in de wet opgenomen oplossing zo evenwichtig mogelijk. Het
zou tegen het belang van het kind geweest zijn de strikte
toepassing van de beslissingen toe te laten. Het was al evenmin
aanvaardbaar om de juridische leemte die bestond vóór
de inwerkingtreding van de nieuwe wet, te laten bestaan. Als de
termijnen voor de bepaling van de rechtsdag te lang zijn, biedt
de wet de mogelijkheid om in spoedgevallen het geding aanhangig
te maken bij de rechter in kort geding.
De wet
voorziet niet in een bijzondere financiering voor de personen die
de gerechtsdeurwaarder moeten vergezellen bij de gedwongen
tenuitvoerlegging. De gebruikelijke onkostenregeling moet worden
toegepast. De onkosten worden gedragen door de partij die in het
ongelijk wordt gesteld of door de partij door wiens schuld de
onkosten moesten worden gemaakt.
Er wordt niet
overwogen systematisch te voorzien in een multidisciplinaire
regeling: over die mogelijkheid werd gediscussieerd tijdens de
werkzaamheden ter voorbereiding van de aanneming van de wet, maar
ze werd door het parlement niet in aanmerking genomen.
Ik zal bij
mijn administratie navraag doen naar recente statistieken in
verband met de huisvesting.
|
|
Mme Clotilde Nyssens (CDH).
– Je comprends qu’il soit tôt pour procéder
à une évaluation générale. Je
souhaitais simplement mettre en exergue les réactions de
nombreux praticiens qui critiquent la manière dont cette
loi est appliquée ou applicable. J’ai voulu
retransmettre l’intervention d’un avocat dans la
lettre du barreau de Bruxelles. Je demanderai que soit publiée
la réponse de la ministre. Je reviendrai ultérieurement
sur les problèmes soulevés par les praticiens.
|
Mevrouw Clotilde
Nyssens (CDH). – Ik begrijp dat het nog te vroeg is om
over te gaan tot een algemene evaluatie. Ik wou alleen wijzen op
de reacties van tal van praktijkmensen die kritiek uiten op de
wijze waarop de wet wordt toegepast of van toepassing is. Ik wou
melding maken van de bijdrage van een advocaat in de brief van de
balie van Brussel. Ik zal vragen dat het antwoord van de minister
gepubliceerd wordt. Ik kom later nog terug op de door de
praktijkmensen opgeworpen problemen.
|
|
Demande
d’explications de Mme Joëlle Kapompolé à
la vice-première ministre et ministre du Budget et de la
Protection de la consommation sur «la publicité pour
le produit d’assurance Kids for Life» (nº 3-2055)
|
Vraag
om uitleg van mevrouw Joëlle Kapompolé aan de
vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken
over «de reclame voor het verzekeringsproduct Kids for
Life» (nr. 3-2055)
|
|
M. le président.
– Mme Els Van Weert, secrétaire d’État
au Développement durable et à l’Économie
sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises
publiques, répondra.
|
De voorzitter. –
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame
Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van
Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.
|
|
Mme Joëlle Kapompolé
(PS). – Une célèbre compagnie d’assurance
a lancé une campagne publicitaire pour son plan d’épargne
« Kids for Life ». Un petit livre en
carton, tels les livres d’images pour enfants, a été
distribué dans les boîtes aux lettres.
Les illustrations que l’on
retrouve dans ce livre sont des « limousines »,
du « caviar », des « jets
privés », etc. Même si je comprends
l’humour au second degré de cette publicité,
je m’interroge sur les valeurs véhiculées.
Quelle est la position de la
vice-première ministre sur cette campagne publicitaire ?
Cette question me permet de revenir
sur le rôle et le statut du jury d’éthique
publicitaire. Ce jury a pour mission d’examiner la
conformité des messages publicitaires diffusés dans
les médias avec les règles de l’éthique
publicitaire, en se fondant sur les lois et les codes
d’autodiscipline. Cependant, les décisions du jury
sont souvent prises après la fin de la campagne
publicitaire et sont non contraignantes.
De plus, ce jury a été
mis en place par le Conseil de la publicité, il regroupe
les associations représentatives des annonceurs, les
agences de communication et des médias. Les consommateurs
ne sont donc pas représentés dans l’instance
décisionnelle, le rôle de leurs associations est
exclusivement un rôle d’observateur.
À l’heure actuelle, les
règles de conduite dans lesquelles les nouvelles formes de
publicité et de manipulation s’inscrivent sont
souvent peu efficaces. Seule, une instance indépendante et
officielle – comme, par exemple, un conseil fédéral
de la publicité – pourrait les réguler.
J’aimerais connaître la
position de la vice-première ministre sur la mise en place
d’une telle instance ?
|
Mevrouw Joëlle
Kapompolé (PS). – Een bekende
verzekeringsmaatschappij lanceerde een reclamecampagne voor haar
spaarplan ‘Kids for Life’. Een klein boekje in
karton, een soort prentenboekje voor kinderen, werd via de
brievenbussen verdeeld.
De plaatjes in
dit boekje zijn onder meer ‘limousines’, ‘kaviaar’,
‘privéjets’. Ik begrijp wel dat in deze
reclame een zekere humor schuilt, maar ik heb toch vragen bij de
waarden die hiermee worden overgebracht.
Hoe staat de
minister tegenover deze reclamecampagne?
Ik heb ook
vragen bij het statuut en de rol van de Jury voor Ethische
Praktijken inzake Reclame. Die moet onderzoeken of de
reclameboodschappen die verspreid worden via de media in
overeenstemming zijn met de regels inzake reclame-ethiek. Zij
baseert zich daarbij op de wetten en de zelfdisciplinaire codes.
De jury neemt vaak beslissingen nadat de reclamecampagne is
afgelopen. De besluiten zijn trouwens niet bindend.
Deze jury,
opgericht door de Raad voor de Reclame, verenigt de
representatieve verenigingen van de adverteerders, de
reclamebureaus en de media. De consumentenorganisaties zijn dus
niet vertegenwoordigd in het beslissingsorgaan, ze kunnen alleen
maar observeren.
Momenteel zijn
de gedragsregels voor de nieuwe reclamevormen niet efficiënt.
Alleen een onafhankelijke officiële instantie zoals
bijvoorbeeld een federale Raad voor de Reclame kan dit probleem
oplossen.
Hoe staat de
vice-eerste minister tegenover de oprichting van een dergelijke
instantie?
|
|
Mme Els Van Weert,
secrétaire d’État au Développement
durable et à l’Économie sociale, adjointe au
ministre du Budget et des Entreprises publiques. – Je vous
lis la réponse de la vice-première ministre et
ministre du Budget.
Je me suis également
interrogée sur cette campagne. Il faut des règles
d’éthique pour l’ensemble des services
financiers.
Pour l’instant, il n’existe
des règles que pour le marketing bancaire à l’égard
des jeunes, or la campagne publicitaire que vous mentionnez
concerne des produits d’assurance. C’est pourquoi
j’ai demandé, le 24 novembre dernier, au
Conseil de la Consommation d’envisager l’extension de
ce code aux produits d’assurances. J’ai également
fait part à Assuralia des réactions à cette
campagne, et ai demandé à cette fédération
patronale de collaborer au travail du Conseil de la Consommation.
En ce qui concerne le Jury d’éthique
publicitaire, vous savez que j’ai encouragé les
professionnels et les consommateurs à améliorer le
fonctionnement du JEP afin de le rendre plus indépendant
et plus proche des préoccupations des consommateurs.
Malheureusement, ces discussions n’ont pas encore pu
aboutir.
Plutôt que de créer de
nouveaux organes, il me paraît préférable de
partir de ceux qui existent et d’améliorer leur
efficacité pour la protection des consommateurs.
Si, à l’avenir, les
difficultés subsistent, il faudra réfléchir
à d’autres initiatives.
|
Mevrouw Els
Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling
en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en
Overheidsbedrijven. – Ik lees het antwoord van de
vice-eerste minister en minister van begroting.
Ik had ook
bedenkingen bij deze campagne. Er moeten ethische regels zijn
voor alle financiële diensten.
Dat is
momenteel alleen het geval voor de bankmarketing voor jongeren.
De reclamecampagne waarnaar de senator verwees heeft betrekking
op een verzekeringsproduct. Op 24 november jongstleden heb
ik de Raad voor het Verbruik gevraagd de code uit te breiden tot
de verzekeringsproducten. Ik heb ook de reacties op deze campagne
doorgegeven aan Assuralia. Ik heb deze patroonsfederatie gevraagd
samen te werken met de Raad voor het Verbruik.
De mensen uit
de sector en de consumentenorganisaties heb ik aangespoord om de
werking van de Jury voor Ethische Praktijken, JEP, te verbeteren,
zodat deze onafhankelijker kan werken en meer rekening kan houden
met de bezorgdheid van de consumenten. De besprekingen hebben
spijtig genoeg nog niet tot een resultaat geleid.
Het is beter
de bestaande organen efficiënter te maken op het vlak van de
bescherming van de consumenten, dan nieuwe instellingen op te
richten.
Als in de
toekomst de problemen echter blijven bestaan, moeten we nadenken
over andere initiatieven.
|
|
Mme Joëlle Kapompolé
(PS). – Je remercie Mme la secrétaire
d’État pour la lecture de la réponse.
Je relève tout d’abord
qu’il y a eu plus qu’une simple interrogation dans
l’esprit de la ministre de la Protection de la consommation
puisqu’elle a exigé qu’on étende
l’application du code de marketing bancaire aux produits
d’assurances. C’est bien.
Je ne propose pas de créer
une nouvelle instance. Le Conseil fédéral de la
publicité serait simplement le résultat de la
transformation du jury d’éthique publicitaire de
sorte que les organisations de consommateurs aient leur place au
niveau décisionnel. Il n’y a donc pas de création,
juste un changement de nom et une composition modifiée.
|
Mevrouw Joëlle
Kapompolé (PS). – Ik dank de staatssecretaris
voor het voorlezen van het antwoord.
Ik noteer dat
de minister van Consumentenzaken eist dat de gedragscode inzake
bankmarketing wordt uitgebreid naar de verzekeringsproducten. Dat
is goed.
Ik stel niet
voor om een nieuwe instantie op te richten. De federale Raad voor
de Reclame zou gewoon het resultaat zijn van de aanpassing van de
Jury voor Ethische Praktijken inzake Reclame, met een plaats voor
de consumentenorganisaties op beslissingsniveau. Het gaat dus
niet om de oprichting van een nieuw orgaan, alleen om een
naamswijziging en een andere samenstelling.
|
|
Demande
d’explications de Mme Sabine de Bethune à
la vice-première ministre et ministre de la Justice sur
«les modifications des dispositions du Code civil relatives
à l’établissement de la filiation et aux
effets de celle-ci» (nº 3-2049)
|
Vraag
om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie over «de
wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek tot het vaststellen van de
afstamming en de gevolgen ervan» (nr. 3-2049)
|
|
M. le président.
– Mme Els Van Weert, secrétaire d’État
au Développement durable et à l’Économie
sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises
publiques, répondra.
|
De voorzitter. –
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame
Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van
Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.
|
|
Mme Sabine
de Bethune (CD&V). – Après examen par
la Chambre et le Sénat, la loi modifiant des dispositions
du Code civil relatives à l’établissement de
la filiation et aux effets de celle-ci a été
publiée le 29 décembre 2006 au Moniteur
Belge. Cette loi constitue une étape importante dans
la modernisation et l’humanisation de la législation
relative aux enfants mort-nés. Plus précisément,
c’est la discrimination entre les pères mariés
et non mariés qui est ainsi supprimée.
Je renvoie en
particulier à l’article 3 qui complète
le deuxième alinéa, 2º, de l’article 80bis
du Code, ainsi qu’à l’article 13. La loi
ne prévoit pas de mesures transitoires pour l’application
de ces articles.
À la
suite de la modification de la loi, des parents me demandent
régulièrement comment ils peuvent faire valoir
concrètement leurs droits.
La ministre
peut-elle m’expliquer la portée de l’article 3 ?
Quelle est, après cette modification de la loi, la
procédure pour la reconnaissance posthume, par le père
non marié, d’un enfant mort-né ? La
reconnaissance doit-elle être faite dans un certain délai
après la naissance de l’enfant mort-né ?
La loi a été
publiée le 29 décembre 2006 et est par
conséquent entrée en vigueur le 8 janvier 2007.
Aucune mesure transitoire n’est prévue. Cette loi
s’applique-t-elle si l’enfant mort-né est né
avant le 8 janvier 2007 ?
La ministre
peut-elle expliquer la portée de l’article 13 ?
Quelle est,
après modification de la loi, la procédure pour la
reconnaissance posthume d’un nouveau-né décédé
peu après la naissance ?
Cette loi
s’applique-t-elle si l’enfant décédé
est né avant le 8 janvier 2007 mais est reconnu
dans l’année suivant sa naissance par le père
non marié ?
|
Mevrouw Sabine de Bethune
(CD&V). – Na behandeling in Kamer en Senaat werd de
wet tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek
met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de
gevolgen ervan, op 29 december 2006 gepubliceerd in het
Belgisch Staatsblad. In deze wet werd een belangrijke stap
gezet in de modernisering en humanisering van de wettelijke
regeling betreffende levenloos geboren kinderen. Zo wordt meer
bepaald de discriminatie tussen gehuwde en ongehuwde vaders
weggewerkt.
Ik verwijs in het bijzonder naar
artikel 3 dat het tweede lid, 2º, van artikel 80bis
van het Wetboek aanvult, alsook naar artikel 13. In de wet
is niet voorzien in overgangsmaatregelen voor de toepassing van
deze artikelen.
Naar aanleiding van de wetswijziging
vragen ouders mij geregeld hoe ze hun rechten concreet kunnen
laten gelden.
Kan de minister de draagwijdte van
artikel 3 toelichten? Wat is de procedure voor de postume
erkenning door de ongehuwde vader na deze wetswijziging in het
geval van een levenloos geboren kind? Moet de erkenning gebeuren
binnen een bepaalde termijn na de geboorte van het levenloos
geboren kind?
De wet werd gepubliceerd op
29 december 2006 en is bijgevolg van kracht op
8 januari 2007. Er zijn geen overgangsmaatregelen. Is
deze wet van toepassing indien het kind levenloos werd geboren
vóór 8 januari 2007?
Kan de minister de draagwijdte van
artikel 13 nader verklaren?
Wat is de procedure voor de postume
erkenning na deze wetswijziging in het geval van een pasgeborene
die kort na de geboorte overlijdt?
Is deze wet van toepassing indien
het overleden kind werd geboren vóór 8 januari,
maar binnen het jaar na de geboorte wordt erkend door de
ongehuwde vader?
|
|
Mme Els
Van Weert, secrétaire d’État au
Développement durable et à l’Économie
sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises
publiques. – Je vous lis la réponse de la ministre
de la Justice.
Conformément
à l’article 373 de la loi du 28 décembre 2006,
la loi du 1er juillet 2006 entrera en
vigueur le 1er juillet 2007. Elle ne prévoit
aucune disposition transitoire relative aux enfants mort-nés.
Les principes généraux prévus à
l’article 2 du Code civil doivent donc être
appliqués. La loi entre immédiatement en vigueur
mais n’a aucun effet rétroactif.
L’article 80bis
du Code civil ne prévoit aucun délai pour la
rédaction d’un acte de déclaration d’enfant
sans vie. Ce n’est pas un acte de naissance et il est
consigné au registre des décès. Il doit
néanmoins être rédigé pour obtenir
l’autorisation d’inhumer l’enfant.
Dès que
l’acte est rédigé, la loi en vigueur doit
être appliquée. La reconnaissance n’est
possible qu’à partir du 1er juillet 2007
pour un enfant décédé après cette
date. La nouvelle loi impose un délai d’un an
prenant cours à la date de la naissance. La reconnaissance
peut donc avoir lieu si l’enfant est décédé
moins d’un an avant le 1er juillet 2007.
Pour les enfants nés avant le 1er juillet 2006,
la reconnaissance ne sera pas possible car on donnerait alors un
effet rétroactif à la nouvelle loi.
|
Mevrouw Els Van Weert,
staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie,
toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. –
Ik lees het antwoord van de minister van Justitie.
Krachtens artikel 373 van de
wet van 28 december 2006 wordt de wet van 1 juli 2006
van kracht op 1 juli 2007. In de wet staat geen
specifieke overgangsbepaling inzake de levenloos geboren
kinderen. De algemene principes moeten dus worden toegepast,
namelijk artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek. De wet is
onmiddellijk van toepassing, maar heeft geen terugwerkende
kracht.
Voor het opstellen van een akte van
een levenloos geboren kind bepaalt artikel 80bis van
het Burgerlijk Wetboek geen termijn. Het betreft geen
geboorteakte en de akte wordt ingeschreven in het
overlijdensregister. De akte moet niettemin worden opgesteld om
toelating te krijgen voor de begraving van het kind.
Op het ogenblik dat de akte wordt
opgesteld, moet de van kracht zijnde wet worden toegepast. Voor
de erkenning kan dat pas vanaf 1 juli 2007 ten voordele
van een posterieur overleden kind. De nieuwe wet legt een termijn
van één jaar op vanaf de datum van de geboorte. De
erkenning kan dus gebeuren indien het kind overleden is minder
dan één jaar vóór 1 juli 2007.
Voor de kinderen die vóór 1 juli 2006
geboren zijn, zal dat niet mogelijk zijn, want dan zou men de
nieuwe wet terugwerkende kracht geven.
|
|
Demande
d’explications de Mme Sabine de Bethune à
la vice-première ministre et ministre de la Justice sur
«la double nationalité» (nº 3-2050)
|
Vraag
om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie over «de
dubbele nationaliteit» (nr. 3-2050)
|
|
M. le président.
– Mme Els Van Weert, secrétaire d’État
au Développement durable et à l’Économie
sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises
publiques, répondra.
|
De voorzitter. –
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame
Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van
Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.
|
|
Mme Sabine
de Bethune (CD&V). – L’article 386
de la loi portant des dispositions diverses adoptée fin
décembre (Document Sénat 3-1988), règle la
double nationalité pour les ressortissants belges, du
moins en principe.
Malheureusement,
la Belgique est encore tenue par la Convention du Conseil de
l’Europe du 6 mai 1963. La Convention impose aux
ressortissants des États Parties, dont la Belgique, la
perte automatique de la nationalité lorsqu’ils
acquièrent volontairement la nationalité d’un
des États Parties. À l’occasion d’une
demande d’explications antérieure (3-1603), la
ministre a indiqué que seuls l’Irlande et le
Luxembourg devaient encore marquer leur accord à la
dénonciation de la Convention.
La Belgique
n’a d’ailleurs pas encore ratifié la
Convention européenne du 6 novembre 1997 sur la
nationalité. Cette Convention offre aux États la
faculté de prévoir dans leur droit interne soit
l’abandon de la nationalité d’origine soit le
maintien de celle-ci.
Jusqu’à
présent, la modification introduite par la loi portant des
dispositions diverses est dès lors sans objet.
1. Où
en est la dénonciation de la Convention de 1963 ? Un
accord a-t-il entre-temps été obtenu avec l’Irlande
et le Luxembourg ?
2. Quand la
Belgique signera-t-elle la Convention de 1997 ? Est-il
possible de démarrer la procédure de signature de
la Convention de 1997 avant que la Convention de 1963 n’ait
été dénoncée ?
3. Si les
dispositions relatives aux conventions sont prêtes,
l’article concerné de la loi portant des
dispositions diverses entre-t-il immédiatement en vigueur
ou y a-t-il encore d’autres étapes légales ?
Dans l’affirmative, quelles sont-elles ?
4. Lors de
l’application de la double nationalité, des
expatriés ayant antérieurement perdu leur
nationalité belge en ayant acquis une nouvelle
nationalité, pourront-ils de nouveau acquérir la
nationalité belge, automatiquement ou par le biais d’une
procédure simplifiée ?
|
Mevrouw Sabine de Bethune
(CD&V). – Artikel 386 van de wet houdende
diverse bepalingen die eind december werd goedgekeurd (Stuk
Senaat 3-1988), regelt de dubbele nationaliteit voor Belgische
onderdanen, althans principieel.
België is spijtig genoeg nog
steeds gebonden door het Verdrag van de Raad van Europa van
6 mei 1963. Het legt de onderdanen van de
verdragsluitende staten, waaronder België, het automatische
verlies van nationaliteit op als zij vrijwillig de nationaliteit
van één van de verdragsluitende staten verwerven.
In een vorige vraag om uitleg (3-1603) gaf de minister aan dat
enkel nog Ierland en Luxemburg toestemming moeten geven om het
verdrag op te zeggen.
Overigens heeft België het
Europees Verdrag betreffende de nationaliteit van 6 november 1997
nog steeds niet geratificeerd. Dit verdrag geeft staten de
mogelijkheid om in hun intern recht hetzij afstand te doen van de
oorspronkelijk nationaliteit, hetzij die te behouden.
Tot op heden is de wetswijziging
door de wet houdende diverse bepalingen dan ook zonder voorwerp.
1. Wat is de stand van zaken
betreffende de opzegging van het verdrag van 1963? Werd
ondertussen een overeenkomst bereikt met Ierland en Luxemburg?
2. Wanneer zal België het
verdrag van 1997 ondertekenen? Is het mogelijk de procedure voor
de ondertekening van het verdrag van 1997 al op te starten
voordat het verdrag van 1963 is opgezegd?
3. Als de regelingen omtrent de
verdragen voltooid zijn, wordt het betreffende artikel uit de wet
diverse bepaling onmiddellijk van kracht of dienen er nog andere
wettelijke stappen gedaan te worden? Zo ja, welke?
4. Is er een mogelijkheid bij de
toepassing van dubbele nationaliteit dat expats, die in het
verleden hun Belgische nationaliteit hebben verloren door het
aannemen van een nieuwe nationaliteit, die automatisch of via een
vereenvoudigde procedure kunnen terugkrijgen?
|
|
Mme Els
Van Weert, secrétaire d’État au
Développement durable et à l’Économie
sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises
publiques. – Comme je l’ai expliqué pendant
les discussions concernant cet article, la procédure de
dénonciation de la Convention du Conseil de l’Europe
du 6 mai 1963 est un peu particulière, étant
donné que l’accord écrit est exigé de
toutes les parties à la Convention, soit quinze États,
conformément à l’article 44, §1er,
de la Convention de Vienne qui constitue le droit commun des
conventions. La République d’Irlande a dénoncé
la Convention de 1963 fin de l’année dernière.
Comme je l’ai
annoncé dans une réponse à une question
parlementaire sur le même sujet, j’ai rencontré
mon collègue luxembourgeois la semaine dernière
hors du cadre direct du Sommet de Dresde. Il m’a confirmé
une fois de plus que le Grand-Duché dénoncerait la
Convention à bref délai.
J’ai
reçu hier une copie d’une lettre dans laquelle le
Représentant Permanent du Luxembourg communique au
secrétaire général du Conseil de l’Europe
la décision du ministre luxembourgeois de la Justice
d’autoriser les autres États Parties, dont la
Belgique, à dénoncer le Chapitre Ier de
la Convention de 1963.
Conformément
aux dispositions de la Convention, le secrétaire général
du Conseil de l’Europe doit dès à présent
rédiger un certificat comportant l’accord de tous
les États Parties, de sorte que l’arrêté
royal d’exécution visé à
l’article 386, 1º, de la loi du 27 décembre 2006
puisse entrer en vigueur.
2. Au cours de
la prochaine législature, la Belgique devra s’exprimer
sur l’opportunité d’une éventuelle
ratification de la Convention européenne du
6 novembre 1997, étant donné que cette
ratification va de pair avec des modifications substantielles du
Code de la nationalité belge. Cela concerne entre autres
l’obligation de motiver les décisions en matière
de naturalisation et l’obligation de prévoir une
éventuelle procédure d’appel contre ces
décisions. Le parlement examinera sans aucun doute en
profondeur ces questions qui concernent une des compétences
essentielles de la Chambre des représentants.
3. Comme cela
a déjà été dit pendant les débats
parlementaires concernant cette question, il est exact qu’en
vertu de la Convention de 1963, cette entrée en vigueur
n’est effective qu’un an après la dénonciation
de cette Convention.
J’ai
demandé à mes services d’examiner, avec le
département de l’Intérieur, la possibilité
d’anticiper cette entrée en vigueur, dans le respect
de nos obligations internationales, par exemple en faisant courir
le délai à partir de la date à laquelle la
Belgique a marqué son accord à la dénonciation
de la Convention, c’est-à-dire le 25 juillet 2005.
Cette analyse est toujours en cours.
4. Les
intéressés pourront de nouveau acquérir la
nationalité belge en faisant une déclaration devant
l’officier de l’état civil ou, s’ils
séjournent à l’étranger, devant le
chef de la mission diplomatique belge ou du poste consulaire de
leur résidence. Pour les personnes qui n’avaient pas
leur résidence principale en Belgique pendant les douze
mois précédant leur déclaration, le
procureur du Roi devra apprécier les circonstances dans
lesquelles elles ont perdu la nationalité. Je pense qu’un
avis négatif, exclusivement basé sur une
disposition entre-temps supprimée, n’aurait aucun
sens. Cette question sera abordée lors d’une
prochaine réunion du Collège des procureurs
généraux.
|
Mevrouw Els Van Weert,
staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie,
toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. –
Zoals ik heb uitgelegd tijdens de discussies over dit artikel, is
de opzeggingsprocedure van het Verdrag van de Raad van Europa van
6 mei 1963 een beetje bijzonder, aangezien daarvoor het
schriftelijk akkoord vereist is van alle partijen bij dit
Verdrag, vijftien staten dus, in overeenstemming met artikel 44,
§1, van het Verdrag van Wenen, dat het gemene recht vormt
van de verdragen. De Ierse republiek heeft het Verdrag van 1963
eind vorig jaar opgezegd.
Zoals ik heb aangekondigd in een
antwoord op een parlementaire vraag over hetzelfde onderwerp, heb
ik vorige week buiten het rechtstreekse kader van de Top van
Dresden mijn Luxemburgse collega ontmoet en die heeft me nogmaals
bevestigd dat het Groothertogdom het Verdrag van 1963 op korte
termijn zou opzeggen.
Gisteren kreeg ik een kopie van een
brief van de Permanente Vertegenwoordiger van Luxemburg aan de
secretaris-generaal van de Raad van Europa, waarbij aan die
laatste de beslissing meegedeeld werd van de Luxemburgse minister
van Justitie om aan de andere staten die partij zijn, waarbij met
name België werd vernoemd, toe te staan om Hoofdstuk 1 van
het Verdrag van 1963 op te zeggen.
In overeenstemming met de bepalingen
van het Verdrag, moet de secretaris-generaal van de Raad van
Europa vanaf nu een certificaat opstellen met daarin het akkoord
van alle staten die partij zijn, zodat het koninklijk besluit van
inwerkingtreding bedoeld in artikel 386, 1º, van de wet
van 27 december 2006 van kracht kan worden.
2. Tijdens de volgende regeerperiode
zal België zich moeten uitspreken over de opportuniteit van
een eventuele ratificatie van het Europees Verdrag van
6 november 1997, aangezien de ratificatie van dit
Verdrag samengaat met substantiële wijzigingen van het
Wetboek van de Belgische nationaliteit. Het betreft onder meer de
verplichting om de naturalisatiebeslissingen te motiveren en de
verplichting om een mogelijke beroepsprocedure tegen deze
beslissingen te voorzien. Over deze vragen, die voornamelijk
betrekking hebben op één van de essentiële
bevoegdheden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, zal in het
parlement vast en zeker grondig moeten worden nagedacht.
3. Zoals reeds werd aangehaald
tijdens de parlementaire debatten over deze vraag, is het
inderdaad juist dat, krachtens het Verdrag van 1963, deze
inwerkingtreding pas effectief is, één jaar na het
opzeggen van dit Verdrag.
Ik heb aan mijn diensten gevraagd om
samen met het departement Buitenlandse Zaken na te gaan of het
mogelijk is te anticiperen op deze inwerkingtreding, met
inachtneming van onze internationale verplichtingen, bijvoorbeeld
door als vertrekpunt van de termijn de datum te nemen waarop
België zich akkoord verklaarde om dat Verdrag op te zeggen,
namelijk op 25 juli 2005. Met deze analyse is men nog
steeds bezig.
4. De betrokkenen zullen de
Belgische nationaliteit kunnen terugkrijgen door een verklaring
af te leggen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand of, indien
ze in het buitenland verblijven, bij het hoofd van de Belgische
diplomatieke of consulaire post van hun verblijfplaats. Voor wie
zijn hoofdverblijfplaats niet in België had tijdens de
twaalf maanden voorafgaand aan zijn verklaring, zal de procureur
des Konings de omstandigheden moeten beoordelen aan de hand
waarvan de persoon die de verklaring doet, zijn nationaliteit
verloor. Ik ben van mening dat een negatief advies, dat
uitsluitend zou zijn gebaseerd op een bepaling die inmiddels zou
zijn opgeheven, geen zin zou hebben. Deze vraag zal aan bod komen
tijdens een volgende vergadering van het College van
procureurs-generaal.
|
|
Mme Sabine
de Bethune (CD&V). – La réponse est
précise. Lorsque j’entends ce qui doit encore être
fait et qu’en outre on renvoie à la prochaine
législature, je me demande pourquoi cet article de la
loi-programme a été adopté en décembre 2006.
Aujourd’hui, la disposition ne donne encore aucun droit aux
ressortissants belges ou autres.
|
Mevrouw Sabine de Bethune
(CD&V). – Het antwoord is duidelijk. Als ik echter
hoor wat nog moet worden gedaan en ik bovendien merk dat verwezen
wordt naar de volgende legislatuur, dan vraag ik mij af waarom
wij dit artikel van de programmawet in december 2006 hebben
goedgekeurd. Vandaag geeft de bepaling Belgische onderdanen of
andere nog geen enkel recht.
|
|
Demande
d’explications de M. Christian Brotcorne au
vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur et
au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique
sur «l’étude de l’université de
Cincinnati relative au risque élevé pour les
pompiers de développer un cancer» (nº 3-2061)
|
Vraag
om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de
minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het
onderzoek van de universiteit van Cincinnati over het hoge
kankerrisico bij brandweerlui» (nr. 3-2061)
|
|
M. le président.
– Mme Els Van Weert, secrétaire d’État
au Développement durable et à l’Économie
sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises
publiques, répondra.
|
De voorzitter. –
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame
Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van
Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.
|
|
M. Christian Brotcorne
(CDH). – Une équipe de l’université
de Cincinnati vient de publier une étude soulignant le
risque important pour les pompiers de développer certains
cancers. L’inhalation et l’absorption cutanée
de substances comme le benzène ou le chloroforme
constitueraient une menace importante.
Les chercheurs ont analysé 32
études portant sur 110.000 pompiers et ont tenu compte de
21 types de cancer. Selon la BBC, le taux d’apparition de
cancer des testicules est deux fois plus élevé chez
les pompiers que dans la population générale ou
dans d’autres catégories professionnelles. Le taux
est de 28% supérieur pour le cancer de la prostate et de
50% supérieur pour le lymphome non-hodgkinien.
Toujours selon la BBC, les auteurs
de l’étude soulignent la nécessité de
fournir immédiatement un équipement de protection
supplémentaire pour éviter l’exposition des
pompiers aux substances connues ou suspectées comme étant
cancérogènes. De plus, les pompiers devraient se
laver méticuleusement pour enlever la suie et les autres
résidus générés par le feu.
Le ministre responsable de nos
sapeurs-pompiers a-t-il pris connaissance de cette étude ?
Peut-il nous indiquer si l’équipement des pompiers
belges les protège suffisamment contre les risques
d’inhalation et d’absorption cutanée de
substances toxiques ? Nos pompiers subissent-ils
régulièrement des examens de santé propices
à dépister ces types de cancers ? Sinon,
comptez-vous en organiser rapidement ?
Dans un autre ordre d’idée,
j’aimerais connaître la date de dépôt du
projet de loi relatif à la réforme des services de
secours qui a été promis avant la fin de cette
législature. Ce projet doit en effet réorganiser le
statut du sapeur-pompier et éventuellement considérer
cette fonction comme un métier à risque. Le projet
sera-t-il déposé au Sénat ou à la
Chambre ?
|
De heer Christian
Brotcorne (CDH). – Een team van de universiteit van
Cincinnati heeft onlangs een studie gepubliceerd waarin gewezen
wordt op het grote risico voor brandweerlui om bepaalde kankers
te ontwikkelen. De inademing en de opname via de huid van stoffen
als benzeen of chloroform zouden een belangrijke bedreiging
vormen.
De
onderzoekers hebben 32 studies betreffende 110.000 brandweerlui
geanalyseerd en hebben rekening gehouden met 21 types kanker.
Volgens de BBC komt teelbalkanker tweemaal zoveel voor bij
brandweerlui als bij de bevolking in het algemeen of bij andere
beroepscategorieën. Er zijn 28% meer gevallen van
prostaatkanker en 50% meer gevallen van non-Hodgkinlymfoom (NHL).
Nog volgens de
BBC onderstrepen de auteurs van de studie de noodzaak in een
bijkomende beschermingsuitrusting te voorzien om te vermijden dat
brandweerlui worden blootgesteld aan stoffen waarvan bekend is of
vermoed wordt dat ze kankerverwekkend zijn. De brandweerlui
zouden zich bovendien zorgvuldig moeten wassen om het roet en
andere afvalstoffen die door het vuur worden veroorzaakt, weg te
nemen.
Heeft de
minister die verantwoordelijk is voor onze brandweerlui kennis
genomen van die studie? Kan hij ons meedelen of de uitrusting van
de Belgische brandweerlui hen voldoende beschermt tegen de
risico’s op inademing en opname via de huid van giftige
stoffen? Ondergaan onze brandweerlui geregeld medische
onderzoeken om die types van kanker op te sporen? Indien niet, is
hij van plan binnenkort dergelijke onderzoeken te organiseren?
Daarnaast zou
ik willen weten wanneer het wetsontwerp met betrekking tot de
hervorming van de hulpdiensten zal worden ingediend. Dat ontwerp
werd beloofd vóór het einde van deze regeerperiode.
Het ontwerp strekt ertoe het statuut van brandweerman te
reorganiseren en die functie eventueel ook als een risicoberoep
te beschouwen. Zal het ontwerp in de Kamer of in de Senaat worden
ingediend?
|
|
Mme Els Van Weert,
secrétaire d’État au Développement
durable et à l’Économie sociale, adjointe au
ministre du Budget et des Entreprises publiques. – Je vous
lis la réponse du ministre Demotte.
L’étude à
laquelle M. Brotcorne fait référence a été
publiée au mois de novembre 2006 et repose sur la
méta-analyse de données déjà publiées
sur l’existence de risques, probables, possibles ou
improbables, de développer certains types de cancer. Il ne
s’agit donc pas de nouvelles données mais bien d’une
revue des données existantes publiées aux
États-Unis, au Canada et en Europe durant les vingt
dernières années. Ces données semblent
confirmer la probabilité d’un risque majoré
pour cette catégorie de travailleurs. Il faut noter que,
selon deux études menées respectivement en Floride
en 2006 et au Canada en 1993 sur le même sujet, la
mortalité globale des pompiers, toutes causes confondues,
était similaire à celle de la population générale.
Les facteurs qui expliquent ces constatations ne sont pas établis
avec certitude, et l’on continue à émettre
des hypothèses liées à l’exposition à
certains produits toxiques.
Il convient dès lors de
continuer à recommander de respecter les mesures générales
de protection prévues dans notre législation.
|
Mevrouw Els
Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling
en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en
Overheidsbedrijven. – Ik lees het antwoord van minister
Demotte.
De studie
waarnaar de heer Brotcorne verwijst werd gepubliceerd
in november 2006 en berust op een meta-analyse van reeds
gepubliceerde gegevens over de risicograad om bepaalde types
kanker te ontwikkelen. Ze bevat dus geen nieuwe gegevens, maar
wel een overzicht van bestaande gegevens die in de Verenigde
staten, Canada en Europa gedurende de voorbije twintig jaar zijn
gepubliceerd. Die gegevens lijken de waarschijnlijkheid van een
verhoogd risico op kanker voor brandweerlui te bevestigen.
Volgens twee studies over hetzelfde onderwerp, respectievelijk
uitgevoerd in Florida in 2006 en in Canada in 1993, is het
globale sterftecijfer bij de brandweerlui, zonder op te splitsen
naargelang de doodsoorzaak, nagenoeg hetzelfde als bij de
bevolking in het algemeen. De factoren waarop deze vaststellingen
zijn gebaseerd, zijn niet met zekerheid aangetoond en er worden
nog steeds hypothesen geuit met betrekking tot de blootstelling
aan bepaalde toxische stoffen.
Het is dus
belangrijk de naleving van de algemene beschermingsmaatregelen
die in onze wetgeving zijn opgenomen na te streven.
|
|
M. Christian Brotcorne
(CDH). – Cette réponse est de nouveau
incomplète, comme celle que j’ai eue tout à
l’heure à une autre question. Le ministre n’a
pas répondu à la deuxième partie de ma
demande d’explications. Pour la première partie, il
dit simplement que des études existent, mais le principe
de précaution parfois si cher à certains n’est
manifestement pas appliqué. Dont acte.
|
De heer Christian
Brotcorne (CDH). – Dit antwoord is nog maar eens
onvolledig, zoals het antwoord van daarnet op mijn vorige vraag.
De minister heeft niet geantwoord op het tweede deel van mijn
vraag. Wat het eerste deel betreft, zegt hij gewoon dat er
studies bestaan, maar het voorzorgsprincipe dat sommigen soms zo
dierbaar is, wordt duidelijk niet toegepast, waarvan akte.
|
|
Demande
d’explications de M. Christian Brotcorne au ministre
des Affaires étrangères sur «la prochaine
rencontre entre le Président de la Fédération
de Russie et les autorités belges» (nº 3-2062)
|
Vraag
om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de
minister van Buitenlandse Zaken over «de volgende
ontmoeting tussen de President van de Russische Federatie en de
Belgische overheid» (nr. 3-2062)
|
|
M. le président.
– Mme Els Van Weert, secrétaire d’État
au Développement durable et à l’Économie
sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises
publiques, répondra.
|
De voorzitter. –
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame
Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van
Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.
|
|
M. Christian Brotcorne
(CDH). – Même si cette visite a été
remise à plusieurs reprises, je viens d’apprendre
que le premier ministre se rendra malgré tout en
Fédération de Russie, le 29 janvier prochain,
pour y rencontrer M. Poutine. J’espère que
votre réponse tient compte de cet élément.
En conclusion de l’année
de présidence belge de l’OSCE, le ministre des
Affaires étrangères a accordé une entrevue à
Radio Free Europe/Radio Liberty. Lors de cette rencontre, il
avait mis en avant la responsabilité des autorités
russes dans la non-résolution des conflits en Asie
Centrale. M. De Gucht déclarait que la seule
raison de notre incapacité à résoudre les
conflits de Transnistrie et d’Ossétie du Sud était
l’absence de volonté de la Russie de les résoudre.
Nous n’aurions donc aucun moyen de forcer la Russie à
s’engager à résoudre ces conflits.
Lors de cette entrevue, M. De
Gucht avait également dénoncé le refus
catégorique de la Russie d’une implication de la
communauté internationale, en particulier de l’OSCE,
dans la résolution du conflit en Tchétchénie.
Par ailleurs, la Fédération
de Russie fait actuellement l’objet de 19.300 affaires
pendantes auprès de la Cour européenne des Droits
de l’homme, soit 21,5% des affaires pendantes de cette
Cour. En 2005, 17% des plaintes déposées auprès
de la Cour européenne des Droits de l’homme
l’étaient à l’encontre de la Russie,
soit environ 300 plaintes par semaine. Cela démontre un
réel problème de respect des droits de l’homme
dans le chef des autorités russes. Ce problème est
révélé au travers du conflit tchétchène,
d’une part, et, d’autre part, de la loi
anti-immigration adoptée au nom de la lutte contre le
terrorisme entreprise par les autorités russes.
Pas plus tard qu’hier,
l’ambassadeur d’Allemagne, M. Jessen, est venu
présenter, à la commission des Relations
internationales et de la Défense, le programme de la
présidence allemande. Il est préoccupant, voire
choquant, de constater que seules les questions énergétiques
et de sécurité aient été abordées
– même si celles-ci sont importantes avec la
Fédération de Russie – alors que les
questions relatives au respect des droits humains fondamentaux
rencontrés dans ce pays ont été totalement
laissées de côté.
Je souhaiterais obtenir des
éclaircissements sur la position que défendra la
Belgique en ce qui concerne la situation des droits humains en
Russie lors de cette visite ? Quel message adressera-t-on à
M. Poutine ?
Quelle est l’évolution
du dialogue politique entre l’Union européenne et la
Russie à ce sujet ? Quel bilan peut-on tirer de cet
instrument de dialogue ? Attirera-t-on l’attention de
la présidence allemande sur ce point ?
Dans quelles enceintes, autres que
l’OSCE, pourrait-on envisager de résoudre les
conflits en Tchétchénie, en Transnistrie et en
Ossétie du Sud ?
|
De heer Christian
Brotcorne (CDH). – Nadat het bezoek al meermaals werd
uitgesteld, zal de eerste minister alsnog op 29 januari de
Russische Federatie bezoeken en er president Poetin ontmoeten. Ik
hoop dat in het antwoord daar ook rekening mee wordt gehouden.
België
nam het afgelopen jaar het voorzitterschap van de OVSE waar en
naar aanleiding daarvan werd de minister van Buitenlandse zaken
geïnterviewd door Radio Free Europe/Radio Liberty.
Hij wees daarin op de verantwoordelijkheid van de Russische
overheid voor de onopgeloste conflicten in Centraal-Azië.
Minister De Gucht verklaarde dat de Russische onwil de enige
reden is waarom de conflicten in Transnistrië en
Zuid-Ossetië niet opgelost raken. We zouden de Russen op
geen enkele manier kunnen dwingen om die conflicten bij te
leggen.
De minister
hekelde ook de Russische weigering om de internationale
gemeenschap en met name de OVSE te betrekken bij de oplossing van
het conflict in Tsjetsjenië.
Tegen de
Russische Federatie zijn momenteel 19.300 zaken aanhangig voor
het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, hetzij 21,5% van de
zaken die door het Hof worden behandeld. In 2005 waren 17% van de
klachten die bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
werden ingediend tegen Rusland gericht, hetzij 300 klachten per
week. Dat geeft aan dat de naleving van de rechten van de mens
door de Russische overheid problematisch is. Dat blijkt niet
alleen uit het conflict in Tsjetsjenië, maar ook uit de
goedkeuring van een anti-immigratiewet die de Russische overheid
in het kader van de strijd tegen het terrorisme heeft aangenomen.
De Duitse
ambassadeur Jessen heeft gisteren in de commissie voor de
Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging het
programma van het Duitse voorzitterschap toegelicht. Het is
zorgwekkend en zelfs ergerlijk dat enkel gesproken is over
energie en veiligheid, hoe belangrijk deze thema’s voor
Rusland ook mogen zijn, terwijl de problematische naleving van de
fundamentele mensenrechten in Rusland helemaal niet ter sprake is
gekomen.
Welke houding
zal België tijdens dit bezoek aannemen met betrekking tot de
mensenrechten in Rusland? Welke boodschap zal men aan
de heer Poetin overbrengen?
Hoe evolueert
de politieke dialoog tussen de EU en Rusland wat dit betreft? Wat
is de balans van die dialoog? Zal men de aandacht van het Duitse
voorzitterschap hierop vestigen?
In welk ander
forum dan de OVSE kan gepoogd worden om de conflicten in
Tsjetsjenië, Transnistrië en Zuid-Ossetië op te
lossen?
|
|
M. Josy Dubié
(ECOLO). – La situation en Russie est extrêmement
préoccupante. Or, notre premier ministre n’a inscrit
que des sujets de stratégie économique à
l’agenda de sa rencontre avec M. Poutine.
Bien sûr, l’énergie
est importante mais il me semble que la dégradation
accélérée de la situation des droits de
l’homme et de la démocratie l’est aussi. Ma
remarque vaut également pour la liberté de la
presse. Je rappelle l’assassinat de Mme Politkovskaïa,
sur lequel nous ne voyons aucun progrès. Souvenons-nous
aussi de l’assassinat de M. Litvinenko à
Londres. Apparemment, là aussi, l’enquête ne
progresse pas. Je viens de passer une dizaine de jours en Russie
et j’ai été frappé par le racisme
incroyable qui se manifeste à l’égard de tout
ce qui n’est pas Russe blanc, autrement dit tous les
Caucasiens et tous les étudiants étrangers, qu’ils
soient africains, indiens ou chinois. Il n’y a aucune prise
de conscience des autorités, bien au contraire. La plupart
des gens issus du Caucase tenaient des petits commerces
clandestins. Une loi récente a permis de les liquider, de
manière très autoritaire, avec des conséquences
souvent dramatiques pour les personnes qui vivent là-bas.
En conclusion, j’insiste pour
que les graves problèmes de dégradation des droits
de l’homme et de liberté de la presse soient mis à
l’ordre du jour de la rencontre entre M. Poutine et
notre premier ministre.
|
De heer Josy
Dubié (ECOLO). – De toestand in Rusland is
uitermate zorgwekkend, maar onze eerste minister heeft enkel
economische beleidsonderwerpen op de agenda van zijn ontmoeting
met de heer Poetin geplaatst.
Energie is
uiteraard belangrijk, maar de snelle afbrokkeling van de
mensenrechten en de democratie is dat ook. Hetzelfde geldt voor
de persvrijheid. Denken we maar aan de moorden op Anna
Politkovskaja en Alexandr Litvinenko. Het onderzoek naar die
misdrijven schiet niet op. Tijdens een recent verblijf in Rusland
heb ik zelf kunnen vaststellen hoe groot het racisme er is
tegenover iedereen die niet blank of geen Rus is, of anders
gezegd tegenover alle mensen uit de Kaukasus en alle buitenlandse
studenten uit Afrika, India of China. De overheid doet daar niets
aan, integendeel zelfs. De meeste mensen die afkomstig zijn uit
de Kaukasus hadden clandestiene handeltjes. Door een recente
wetswijziging werden ze op autoritaire wijze uitgerangeerd, vaak
met dramatische gevolgen voor de betrokkenen.
Daarom wil ik
erop aandringen dat de snelle achteruitgang van de
mensenrechtensituatie en van de persvrijheid aan bod komen
tijdens de ontmoeting tussen president Poetin en onze eerste
minister.
|
|
Mme Els Van Weert,
secrétaire d’État au Développement
durable et à l’Économie sociale, adjointe au
ministre du Budget et des Entreprises publiques. – Je vous
lis la réponse du ministre, même si la rencontre
prévue sera reportée.
Dans l’ensemble, il est vrai
que la situation des droits de l’homme demeure préoccupante
en Russie, en particulier en ce qui concerne la Tchétchénie,
la législation relative aux ONG, le respect de l’État
de droit, la liberté d’expression et la protection
des droits des miliciens. En outre, le racisme et la xénophobie
augmentent.
L’Union européenne suit
de près la situation des droits de l’homme en
Russie. C’est un point récurrent de l’ordre du
jour au cours des contacts fréquents entre l’Union
européenne et la Russie à tous niveaux, car tant
l’Union européenne que le gouvernement russe
considèrent le dialogue relatif aux droits de l’homme
comme un élément essentiel de leurs relations
bilatérales.
Les questions touchant aux droits de
l’homme sont débattues de manière approfondie
lors des consultations semestrielles qui ont lieu depuis
mars 2005.
La quatrième et plus récente
consultation, le 8 novembre 2006, à Bruxelles, a
abordé un grand nombre de sujets, entre autres l’État
de droit, la législation russe relative aux ONG, la loi
russe contre l’extrémisme, la liberté des
médias et les conditions de travail des journalistes, la
lutte contre le racisme, la xénophobie et l’intolérance
en Russie et dans l’Union européenne, les minorités
nationales dans les États baltes, la migration et la
politique d’asile de l’Union européenne, la
coopération dans les forums internationaux – le
Conseil de l’Europe et les Nations unies. Cette
consultation a été suivie d’une démarche
de la Troïka de l’Union européenne. Le
21 décembre 2006, à Moscou, une multitude
de cas individuels ont été débattus. La
prochaine consultation est prévue pour début
mai 2007.
En ce qui concerne les efforts
entrepris pour imposer le respect des droits de l’homme,
aucune enceinte ne doit bénéficier d’une
exclusive au détriment des autres. Bien sûr, l’OSCE
est un lieu de dialogue privilégié, mais je
constate que le Conseil de l’Europe et les Nations unies
peuvent apporter des progrès en la matière.
|
Mevrouw Els
Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling
en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en
Overheidsbedrijven. – Ik lees het antwoord van de minister,
ook al is het geplande bezoek uitgesteld.
Algemeen klopt
het dat de mensenrechtensituatie in Rusland zorgwekkend blijft,
in het bijzonder wat betreft Tsjetsjenië, de ngo-wetgeving,
de rechtsstaat, de vrijheid van meningsuiting en de bescherming
van de rechten van dienstplichtigen. Bovendien nemen racisme en
xenofobie hand over hand toe.
De Europese
Unie volgt de toestand van de mensenrechten in Rusland op de
voet. Dat punt komt telkens weer aan bod tijdens de frequente
contacten tussen de EU en Rusland op alle niveaus, want zowel de
EU als Rusland beschouwen de dialoog over de mensenrechten als
een essentieel onderdeel van hun bilaterale relaties.
Over die
materie wordt grondig gedebatteerd tijdens de halfjaarlijkse
besprekingen die sedert maart 2005 plaatsvinden.
Op het vierde
en meest recente overleg dat op 8 november 2006 in
Brussel plaatsvond werd een groot aantal onderwerpen besproken,
waaronder de rechtsstaat, de Russische ngo-wetgeving en
anti-extremismewetgeving, de persvrijheid en de
arbeidsvoorwaarden van de journalisten, de strijd tegen racisme,
xenofobie en onverdraagzaamheid in Rusland en in de Europese
Unie, de nationale minderheden in de Baltische Staten, migratie
en asielbeleid in de Europese Unie, de samenwerking in
internationale fora zoals de Raad van Europa en de Verenigde
Naties. Dat overleg werd gevolgd door een initiatief van de
EU-trojka. Op 21 december 2006 werden in Moskou
talrijke individuele gevallen besproken. Het volgende overleg zou
begin mei 2007 moeten plaatsvinden.
Wat de
inspanningen betreft om de naleving van de rechten van de mens af
te dwingen moet geen enkele instantie voorrang krijgen op een
andere. De OVSE is natuurlijk een bevoorrecht forum voor dialoog,
maar ik stel vast dat de Raad van Europa en de Verenigde Naties
ter zake ook voor vooruitgang kunnen zorgen.
|
|
M. Christian Brotcorne
(CDH). – Le ministre des Affaires étrangères
n’est pas très explicite en ce qui le concerne
personnellement. Il se contente de faire référence
à la concertation entre l’Union européenne et
la Fédération de Russie. Moi, ce qui m’intéresse,
c’est de savoir de quel message notre premier ministre et
notre ministre des Affaires étrangères seront
porteurs le 29 janvier lors de leur entrevue avec
M. Poutine. À ce propos, nous n’avons reçu
aucun élément de réponse.
Rappelleront-ils au moins la
position de l’Union européenne ? Nous n’en
savons rien. Ces questions seront-elles écartées au
seul bénéfice des questions d’ordre
économique ? À l’échelon
européen, la Belgique mène une politique étrangère
qui essaie d’être la plus commune possible. Par
ailleurs, elle siège au Conseil de sécurité
des Nations unies. Nous ne pouvons décemment faire
l’impasse sur ce genre de question, même dans le
cadre de relations bilatérales.
|
De heer Christian
Brotcorne (CDH). – De minister van Buitenlandse zaken
is niet erg expliciet over zijn eigen inspanningen. Hij verwijst
naar het overleg tussen de Europese Unie en de Russische
Federatie. Ik wil vooral weten welke boodschap de eerste minister
en de minister van Buitenlandse zaken op 29 januari zullen
overbrengen aan de heer Poetin. Op die vraag hebben we
geen enkel antwoord gekregen.
Zullen ze
minstens het standpunt van de Europese Unie vertolken? Dat is
niet duidelijk. Zullen die aspecten onder de mat worden geveegd,
zodat er enkel over economische onderwerpen wordt gepraat? Op
Europees niveau probeert België een beleid te voeren waar
zoveel mogelijk lidstaten achter staan. We zetelen bovendien in
de VN-Veiligheidsraad. We kunnen het ons niet veroorloven om over
dit soort zaken te struikelen, zelfs niet in het kader van
bilaterale betrekkingen.
|
|
Demande
d’explications de M. Josy Dubié au ministre de
la Défense sur «l’accroissement de la présence
militaire belge en Afghanistan» (nº 3-2054)
|
Vraag
om uitleg van de heer Josy Dubié aan de minister
van Landsverdediging over «de toename van de militaire
aanwezigheid van België in Afghanistan» (nr. 3-2054)
|
|
M. le président.
– Mme Els Van Weert, secrétaire d’État
au Développement durable et à l’Économie
sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises
publiques, répondra.
|
De voorzitter. –
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame
Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van
Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.
|
|
M. Josy Dubié
(ECOLO). – Selon des informations parues récemment
dans la presse, le dernier conseil des ministres aurait décidé
d’accroître substantiellement la présence
militaire belge en Afghanistan, en y déployant notamment
des avions de combat de type F16.
La même source indique que le
nombre de militaires belges engagés sur le terrain
pourrait aussi augmenter sensiblement et passer de 310
aujourd’hui à 420, soit une augmentation de 35% de
notre effectif militaire présent en Afghanistan.
Le ministre peut-il confirmer ces
informations ? Si celles-ci sont exactes, qu’est-ce
qui motive l’augmentation de notre contingent ?
À quelles tâches nos
nouveaux militaires sur place seront-ils affectés ?
La dégradation rapide de la
situation militaire face à l’activisme croissant
d’opposants armés au régime du président
Hamid Karzaï a-t-elle été prise en compte ?
Quelle analyse le gouvernement
fait-il de la dégradation de cette situation militaire et
quelles mesures préconise-t-il pour y faire face ?
Le gouvernement ne craint-il pas
l’enlisement des forces armées étrangères
– donc, belges également – dans la défense
d’un gouvernement afghan de plus en plus impopulaire ?
Quelle limite dans le temps le
gouvernement prévoit-il pour la présence de nos
soldats sur place ?
Enfin, quel sera l’impact
budgétaire de la décision d’augmenter notre
présence militaire en Afghanistan ?
|
De heer Josy
Dubié (ECOLO). – Volgens berichten die onlangs
in de pers verschenen zou de jongste Ministerraad hebben besloten
de aanwezigheid van Belgische militairen in Afghanistan
aanzienlijk uit te breiden, meer bepaald door het inzetten van
F16-gevechtsvliegtuigen.
Volgens
dezelfde bron zou het aantal Belgische militairen op het terrein
eveneens worden uitgebreid van 310 naar 420. Dat betekent dus 35%
meer Belgische militairen in Afghanistan.
Kan de
minister die informatie bevestigen? Als ze juist is, wat is de
reden voor deze uitbreiding van het contingent?
Welke taken
zullen de nieuwe militairen ter plaatse moeten uitvoeren?
Heeft men
rekening gehouden met de snelle verslechtering van de militaire
situatie ingevolge het toenemende gewapende verzet tegen het
regime van president Hamid Karzai?
Hoe staat de
regering tegenover deze verslechtering van de militaire situatie
en welke maatregelen zullen worden genomen?
Vreest de
regering niet dat de buitenlandse troepen, waaronder de
Belgische, verstrikt raken in de verdediging van de Afghaanse
regering, die steeds minder geliefd is?
Hoe lang
zullen onze soldaten in Afghanistan blijven?
Wat zal de
kostprijs zijn van de beslissing om onze aanwezigheid in
Afghanistan te versterken?
|
|
Mme Els Van Weert,
secrétaire d’État au Développement
durable et à l’Économie sociale, adjointe au
ministre du Budget et des Entreprises publiques. – Je vous
lis la réponse du ministre.
Vous faites référence
à la note d’orientation « Engagement
opérationnel en 2007 » qui figurait à
l’agenda du conseil des ministres du 12 janvier 2007.
Cette note ne contient que des propositions de planification.
Pour chaque opération en cours, un dossier séparé
sera soumis au conseil des ministres.
L’effort principal de
l’engagement opérationnel en Afghanistan durant
l’année 2007 restera axé sur la sécurisation
et le fonctionnement de l’aéroport international de
|