3-200

Sénat de Belgique

Session ordinaire 2006-2007

Séances plénières

Jeudi 25 janvier 2007

Séance de l’après-midi

3-200

Belgische Senaat

Gewone Zitting 2006-2007

Plenaire vergaderingen

Donderdag 25 januari 2007

Namiddagvergadering

Annales

Handelingen

 

Sommaire

Inhoudsopgave

Commémoration de l’holocauste

Prise en considération de propositions

Projet de loi modifiant le Code judiciaire en ce qui concerne les contestations relatives à l’octroi, à la révision et le refus de l’aide matérielle (Doc. 3-1939)

Questions orales

Projet de loi modifiant la loi du 6 avril 1995 relative à la prévention de la pollution de la mer par les navires concernant des matières visées à l’article 77 de la Constitution (Doc. 3-1943)

Projet de loi modifiant la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l’exécution de leur travail, en ce qui concerne les procédures judiciaires (Doc. 3-1959)

Votes

Ordre des travaux

Demande d’explications de M. Christian Brotcorne au Premier ministre et au ministre des Affaires étrangères sur «le soutien belge à la volonté du Japon d’occuper un siège permanent au Conseil de Sécurité de l’ONU» (nº 3-2060)

Demande d’explications de Mme Christel Geerts à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur et au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «le changement de date, par l’Exécutif des musulmans, de la fête du sacrifice» (nº 3-2043)

Demande d’explications de Mme Anke Van dermeersch à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «le protocole additionnel à la convention signée entre les royaumes du Maroc et de la Belgique en matière d’assistance aux personnes détenues et le transfèrement de personnes incarcérées, de 1997» (nº 3-2048)

Demande d’explications de M. Luc Willems à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «l’abattage de moutons à domicile pour la fête du sacrifice» (nº 3-2046)

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «le combat contre les plantations de cannabis dans notre pays» (nº 3-2059)

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «les médicaments sans ordonnance» (nº 3-2052)

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre de la Mobilité sur «la panoplie de sécurité dans la voiture» (nº 3-2064)

Demande d’explications de Mme Clotilde Nyssens à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «l’application de la loi du 18 juillet 2006 tendant à privilégier l’hébergement égalitaire de l’enfant dont les parents sont séparés et réglementant l’exécution forcée en matière d’hébergement d’enfant» (nº 3-2063)

Demande d’explications de Mme Joëlle Kapompolé à la vice-première ministre et ministre du Budget et de la Protection de la consommation sur «la publicité pour le produit d’assurance Kids for Life» (nº 3-2055)

Demande d’explications de Mme Sabine de Bethune à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «les modifications des dispositions du Code civil relatives à l’établissement de la filiation et aux effets de celle-ci» (nº 3-2049)

Demande d’explications de Mme Sabine de Bethune à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «la double nationalité» (nº 3-2050)

Demande d’explications de M. Christian Brotcorne au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur et au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «l’étude de l’université de Cincinnati relative au risque élevé pour les pompiers de développer un cancer» (nº 3-2061)

Demande d’explications de M. Christian Brotcorne au ministre des Affaires étrangères sur «la prochaine rencontre entre le Président de la Fédération de Russie et les autorités belges» (nº 3-2062)

Demande d’explications de M. Josy Dubié au ministre de la Défense sur «l’accroissement de la présence militaire belge en Afghanistan» (nº 3-2054)

Demande d’explications de Mme Jacinta De Roeck au ministre de l’Économie, de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la Politique Scientifique sur «le tarif social pour les connexions internet à large bande» (nº 3-2051)

Demande d’explications de Mme Christel Geerts au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «le virus du papillome humain (HPV)» (nº 3-2047)

Demande d’explications de M. Berni Collas au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «l’Alzheimer Phone 0800 15 225 dans les trois langues nationales» (nº 3-2065)

Demande d’explications de M. Luc Willems au ministre de la Mobilité sur «l’acquisition de logiciels permettant le contrôle du tachygraphe digital» (nº 3-2044)

Demande d’explications de M. Luc Willems au ministre de l’Emploi sur «les différences régionales en ce qui concerne les mesures prises à l’encontre des chômeurs de longue durée» (nº 3-2045)

Demande d’explications de M. Patrik Vankrunkelsven au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «le rôle des organismes assureurs dans la reconnaissance d’un état d’invalidité» (nº 3-2058).

Excusés

Annexe

Votes nominatifs

Propositions prises en considération

Composition de commissions

Demandes d’explications

Évocation

Non-évocations

Messages de la Chambre

Dépôt de projets de loi

Cour d’arbitrage – Arrêts

Cour d’arbitrage – Questions préjudicielles

Cour d’arbitrage – Recours

Herdenking van de holocaust

Inoverwegingneming van voorstellen

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de geschillen inzake de toewijzing, de herziening en de weigering van de materiële hulp (Stuk 3-1939)

Mondelinge vragen

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 6 april 1995 betreffende de voorkoming van verontreiniging van de zee door schepen met betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet (Stuk 3-1943)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, wat de gerechtelijke procedures betreft (Stuk 3-1959)

Stemmingen

Regeling van de werkzaamheden

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de Eerste minister en aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de steun die België aan Japan verleent in het streven van dat land naar permanent lidmaatschap van de VN-Veiligheidsraad» (nr. 3-2060)

Vraag om uitleg van mevrouw Christel Geerts aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de wijziging van de datum van het offerfeest door de Moslimexecutieve» (nr. 3-2043)

Vraag om uitleg van mevrouw Anke Van dermeersch aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «het aanvullend protocol bij de overeenkomst tussen België en Marokko inzake bijstand aan gedetineerde personen en de overbrenging van gevonniste personen van 1997» (nr. 3-2048)

Vraag om uitleg van de heer Luc Willems aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het thuisslachten van schapen bij het offerfeest» (nr. 3-2046)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de strijd tegen de cannabisplantages in ons land» (nr. 3-2059)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de voorschriftvrije geneesmiddelen» (nr. 3-2052)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Mobiliteit over «het veiligheidspakket in de auto» (nr. 3-2064)

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de toepassing van de wet van 18 juli 2006 tot het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind» (nr. 3-2063)

Vraag om uitleg van mevrouw Joëlle Kapompolé aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken over «de reclame voor het verzekeringsproduct Kids for Life» (nr. 3-2055)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan» (nr. 3-2049)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de dubbele nationaliteit» (nr. 3-2050)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het onderzoek van de universiteit van Cincinnati over het hoge kankerrisico bij brandweerlui» (nr. 3-2061)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de volgende ontmoeting tussen de President van de Russische Federatie en de Belgische overheid» (nr. 3-2062)

Vraag om uitleg van de heer Josy Dubié aan de minister van Landsverdediging over «de toename van de militaire aanwezigheid van België in Afghanistan» (nr. 3-2054)

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «het sociale tarief voor breedbandinternet» (nr. 3-2051)

Vraag om uitleg van mevrouw Christel Geerts aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het Humaan Papillomavirus (HPV)» (nr. 3-2047)

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de Alzheimertelefoon 0800 15 225 in de drie landstalen» (nr. 3-2065)

Vraag om uitleg van de heer Luc Willems aan de minister van Mobiliteit over «de aanschaf van software voor de controle van de digitale tachograaf» (nr. 3-2044)

Vraag om uitleg van de heer Luc Willems aan de minister van Werk over «regionale verschillen in de aanpak van langdurig werklozen» (nr. 3-2045)

Vraag om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de rol van de verzekeringsinstellingen bij het erkennen van een staat van invaliditeit» (nr. 3-2058).

Berichten van verhindering

Bijlage

Naamstemmingen

In overweging genomen voorstellen

Samenstelling van commissies

Vragen om uitleg

Evocatie

Niet-evocaties

Boodschappen van de Kamer

Indiening van wetsontwerpen

Arbitragehof – Arresten

Arbitragehof – Prejudiciële vragen

Arbitragehof – Beroepen

 

Commémoration de l’holocauste

Herdenking van de holocaust

Mme la présidente. – Le 27 janvier 1945, le camp de concentration d’Auschwitz II (Birkenau) a été libéré. Aujourd’hui, nous commémorons le 62ème anniversaire de cette libération.

De voorzitter. – Op 27 januari 1945 werd het concentratiekamp van Auschwitz II (Birkenau) bevrijd. Vandaag herdenken wij de 62ste verjaardag van deze bevrijding.

Je vous propose d’observer une minute de silence à la mémoire des victimes de l’holocauste.

Ik stel voor om een minuut stilte in acht te nemen ter herdenking van de slachtoffers van de holocaust.

(L’assemblée debout observe une minute de silence.)

(De staande vergadering neemt een minuut stilte in acht.)

Prise en considération de propositions

Inoverwegingneming van voorstellen

Mme la présidente. – La liste des propositions à prendre en considération a été distribuée.

Je prie les membres qui auraient des observations à formuler de me les faire connaître avant la fin de la séance.

Sauf suggestion divergente, je considérerai ces propositions comme prises en considération et renvoyées à la commission indiquée par le Bureau. (Assentiment)

De voorzitter. – De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(La liste des propositions prises en considération figure en annexe.)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Projet de loi modifiant le Code judiciaire en ce qui concerne les contestations relatives à l’octroi, à la révision et le refus de l’aide matérielle (Doc. 3-1939)

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de geschillen inzake de toewijzing, de herziening en de weigering van de materiële hulp (Stuk 3-1939)

Proposition de renvoi

Voorstel tot terugzending

M. Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – Il a été convenu au Bureau de renvoyer ce projet de loi en commission.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – Op het Bureau is afgesproken dit wetsontwerp terug te zenden naar de commissie.

Le renvoi est ordonné.

Tot terugzending wordt besloten.

Questions orales

Mondelinge vragen

Question orale de M. Patrik Vankrunkelsven à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «la protection contre les mesures d’instruction relatives aux sources d’information des journalistes» (nº 3-1372)

Mondelinge vraag van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de bescherming tegen onderzoeksmaatregelen naar informatiebronnen van journalisten» (nr. 3-1372)

M. Patrik Vankrunkelsven (VLD). – Le 7 mai 2005, la loi relative à la protection des sources journalistiques est entrée en vigueur. Au départ, elle protège les journalistes et les collaborateurs de la rédaction contre l’obligation de dévoiler les sources d’information. Un arrêt de la Cour d’arbitrage a étendu cette protection à toute personne qui publie par le biais d’un média.

En vertu de la loi, les journalistes ont non seulement le droit de taire leurs sources d’information, ils sont également protégés contre toute sorte de mesures d’information ou d’instruction qui concernent des données relatives à ces sources d’information. Ils ne peuvent être tenus de livrer leurs sources qu’à la requête du juge si cela permet d’éviter une menace grave à l’intégrité physique d’une ou de plusieurs personnes.

L’article 5 de la loi dispose que les mesures d’information ou d’instruction ne peuvent concerner des données relatives aux sources d’information du journaliste. Il fait aussi une énumération non exhaustive de ces mesures, à savoir les fouilles, perquisitions, saisies, écoutes téléphoniques et enregistrements. L’examen rétroactif des communications entrantes et sortantes par GSM et par téléphone relève-t-il également de ces mesures ?

Le Comité P est chargé de l’enquête en cas de fuite dans les services de police, vers des journalistes par exemple. Auprès de qui le journaliste dupé, dont les intérêts peuvent être lésés par le contrôle de ses communications téléphoniques entrantes et sortantes, peut-il introduire une plainte sur le déroulement de l’instruction ? Outre la fuite recherchée, d’autres sources peuvent en effet aussi être dévoilées. Un problème ne se pose-t-il pas si cette plainte doit également être déposée auprès du Comité P, lequel est alors à la fois juge et partie ?

Quelle action la ministre peut-elle ou compte-t-elle entreprendre pour éviter ce genre de violation de la loi ?

De heer Patrik Vankrunkelsven (VLD). – Op 7 mei 2005 trad de wet tot bescherming van de journalistieke bronnen in werking. De wet beschermt in oorsprong journalisten en redactiemedewerkers tegen het verplichte vrijgeven van hun informatiebronnen. Een arrest van het Arbitragehof heeft die bescherming nog uitgebreid tot eenieder die publiceert via een medium.

Journalisten hebben krachtens de wet niet enkel het recht hun informatiebronnen te verzwijgen, ze zijn ook beschermd tegen allerlei opsporings- of onderzoeksmaatregelen die slaan op gegevens die betrekking hebben op die informatiebronnen. Ze kunnen enkel op vordering van de rechter worden gedwongen hun bronnen vrij te geven als daarmee een ernstige bedreiging van de fysieke integriteit van een of meer personen kan worden voorkomen.

Artikel 5 van de wet bepaalt dat opsporings- en onderzoeksmaatregelen niet mogen slaan op gegevens die betrekking hebben op de informatiebronnen van de journalist. Ook geeft het een niet-limitatieve opsomming van die maatregelen, namelijk fouilleren, huiszoekingen, inbeslagnemingen, het afluisteren en opnemen van telefoongesprekken. Valt het retroactieve screenen van in- en uitgaand gsm- en telefoonverkeer ook onder die maatregelen?

Het Comité P is belast met het onderzoek indien zich bij de politiediensten lekken voordoen, bijvoorbeeld naar journalisten. Bij wie kan de gedupeerde journalist, wiens belang kan zijn geschaad door het nagaan van zijn in- en uitgaande telefoonverkeer, een klacht indienen over de gang van het onderzoek? Niet alleen het gezochte lek, maar ook andere bronnen kunnen daarbij immers onthuld zijn. Rijst er geen probleem als die klacht ook bij het comité P moet worden ingediend, dat dan terzelfder tijd betrokken en beoordelende partij is?

Welke actie kan of wil de minister ondernemen om dit soort schending van de wet tegen te gaan?

Mme Laurette Onkelinx, vice-première ministre et ministre de la Justice. – En vertu de l’article 5 de la loi du 7 avril 2005 relative à la protection des sources journalistiques, les mesures d’information ou d’instruction telles que fouilles, saisies, écoutes téléphoniques et enregistrements ne peuvent concerner les sources d’information des personnes visées à l’article 2 que si ces données sont susceptibles de prévenir la commission des infractions visées à l’article 4, à savoir l’atteinte à l’intégrité physique et le terrorisme, et dans le respect des conditions définies dans cet article. En vertu de cette disposition légale, aucune mesure d’information ou d’instruction ne peut être prise à l’égard d’un journaliste en vue de violer le secret de ses sources d’information. Les mesures d’information ou d’instruction visées à l’article 5 sont mentionnées seulement à titre d’exemple. Les travaux parlementaires préparatoires à la loi du 27 décembre 2003, qui renforce le dispositif légal relatif au contrôle des méthodes particulières de recherche, le montrent clairement. Il n’est donc plus possible aujourd’hui d’appliquer quelque mesure d’information ou d’instruction que ce soit à l’égard d’un journaliste en vue de dévoiler ses sources. Cela vaut également pour la localisation des appels téléphoniques ou l’identification de numéros de GSM ou de téléphone, parce que ce sont des mesures d’instruction utilisées pendant les enquêtes judiciaires.

Étant donné que le Comité P relève du contrôle du parlement, je ne puis m’exprimer sur la question d’un éventuel conflit d’intérêt au Comité P lorsque, d’une part, celui-ci est désigné par l’autorité judiciaire comme service d’enquête sur le fonctionnement d’un service de police, et lorsque, d’autre part, un journaliste introduit une plainte auprès de ce Comité P concernant une violation de la loi du 7 avril 2005. Le Comité P étant un institution parlementaire, ce sont à mon avis les parlementaires eux-mêmes qui doivent répondre.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. – Krachtens artikel 5 van de wet van 7 april 2005 tot bescherming van de journalistieke bronnen mogen informatie- of onderzoeksmaatregelen zoals fouilleren, inbeslagnemingen, afluisteren en opnemen van telefoongesprekken, alleen betrekking hebben op de informatiebronnen van de personen bedoeld in artikel 2, indien de gegevens in aanmerking komen om het plegen van misdrijven bedoeld in artikel 4, met name aantasting van de fysieke integriteit en terrorisme, te vermijden en met inachtneming van de in dat artikel gedefinieerde voorwaarden. Uit die wettelijke bepaling volgt dat geen enkele informatie- of onderzoeksmaatregel mag worden genomen ten aanzien van een journalist met de bedoeling het geheim van zijn informatiebronnen te schenden. De in artikel 5 bedoelde informatie- of onderzoeksmaatregelen worden alleen als voorbeeld vermeld. Dat blijkt duidelijk uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 27 december 2005, die het wettelijke arsenaal betreffende de controle op de bijzondere opsporingsmethodes versterkt. Het is thans dus niet meer mogelijk om welke informatie- of onderzoeksmaatregelen dan ook aan te wenden ten aanzien van een journalist met de bedoeling zijn bronnen te onthullen. Dat geldt dus eveneens voor de lokalisering van telefoonoproepen of de identificatie van vaste of mobiele telefoonnummers, omdat deze maatregelen onderzoeksmaatregelen zijn die gebruikt worden tijdens gerechtelijke onderzoeken.

Over de vraag over een mogelijk belangenconflict bij het Comité P wanneer het door de gerechtelijke overheden enerzijds aangewezen wordt als enquêtedienst over de werking van een politiedienst, en wanneer anderzijds een journalist een klacht indient bij dat Comité P inzake een schending van de wet van 7 april 2005, kan ik me niet uitspreken aangezien het Comité P onder het toezicht van het Parlement valt. Het comité P is immers een parlementaire instelling en naar mijn mening moeten de parlementsleden zelf die vraag beantwoorden.

M. Patrik Vankrunkelsven (VLD). – Je demandais également si le journaliste pourrait s’adresser à un tribunal ordinaire ou à la ministre au lieu du Comité P. Si la ministre est informée du dossier d’un journaliste soupçonnant sérieusement que ses numéros de GSM sont contrôlés par le Comité P, peut-elle intervenir ?

De heer Patrik Vankrunkelsven (VLD). – Mijn vraag was ook of de journalist zich tot een gewone rechtbank of tot de minister zou kunnen wenden in plaats van tot het Comité P. Als de minister op de hoogte gebracht wordt van een concreet dossier waarin een journalist een sterk vermoeden heeft dat zijn gsm-nummers worden nagetrokken door het Comité P, kan zij dan tussenbeide komen?

Mme Laurette Onkelinx, vice-première ministre et ministre de la Justice. – Je pense effectivement que je peux démarrer une procédure judiciaire lorsque des journalistes sont victimes d’une méthode d’investigation inacceptable.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. – Ik denk inderdaad dat ik een gerechtelijke procedure kan opstarten als journalisten het slachtoffer zijn van een ontoelaatbare onderzoeksmethode.

Question orale de Mme Annemie Van de Casteele à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «le dopage» (nº 3-1381)

Mondelinge vraag van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «het dopinggebruik» (nr. 3-1381)

Mme Annemie Van de Casteele (VLD). – Au début de l’actuelle législature, la commission des Affaires sociales du Sénat avait procédé à de nombreuses auditions concernant le dopage dans le sport. À l’époque, ces travaux avaient suscité des railleries mais aujourd’hui l’actualité semble nous donner raison.

Le Sénat est toujours parti de l’idée que le dopage doit être combattu, non seulement par souci du fair-play et du respect de l’égalité des chances dans le sport, mais également pour des raisons de santé publique. Les pratiques dans le milieu sportif rejaillissent sur les jeunes, les centres de fitness, etc. Toutes les instances qui luttent contre le dopage doivent collaborer.

Parmi les recommandations adoptées le 27 avril 2005 en séance plénière, le Sénat demande que le ministre de la Justice applique pleinement la loi sur les substances stupéfiantes et la loi sur les médicaments par des enquêtes plus actives et une effectivité des poursuites. Il ressort de récents communiqués de presse qu’il n’est pas rare de passer du dopage aux drogues et inversement.

Voici quelques extraits de nos recommandations.

Il faut que la Justice concentre ses efforts en priorité sur les fournisseurs et les producteurs de produits dopants. Les parquets devront faire preuve d’une plus grande ouverture afin que tous les services concernés soient réunis autour de la table lorsqu’une information ou une instruction judiciaire est ouverte dans des dossiers importants et ce, en tenant compte des restrictions liées à la procédure pénale.

Il serait opportun que le ministre de la Justice, en concertation avec le collège des procureurs généraux, élargisse à tout le pays le champ d’application de la circulaire du 4 octobre 2004 des procureurs généraux d’Anvers et de Gand.

En vertu de cette circulaire, le fait d’avoir encouru une sanction disciplinaire pour fait de dopage ne peut entraîner systématiquement l’absence de poursuites pénales.

Il est vital d’identifier les producteurs et les fournisseurs de produits dopants. Les sportifs qui sont convaincus de dopage devraient se voir offrir la possibilité d’obtenir une réduction ou une remise de peine s’ils collaborent à l’instruction.

Madame la ministre, en octobre 2005, M. Germeaux vous avait demandé quelles recommandations avaient déjà été exécutées. Vous aviez répondu qu’une plus grande ouverture paraissait difficilement réalisable en raison du secret de l’instruction. Vous aviez déclaré aussi que la circulaire ne pouvait être appliquée qu’en Flandre.

Étant donné que le problème apparaît aujourd’hui bien plus vaste que prévu, j’aimerais savoir quelles démarches vous avez déjà entreprises pour intégrer les recommandations du Sénat dans votre politique.

Le ministre flamand des Sports a annoncé son intention de travailler à une réglementation relative aux repentis. Celle-ci nécessitera une concertation entre le niveau fédéral et les Communautés. Vous êtes-vous déjà concertée avec le ministre flamand des Sports ? Lors de la discussion de nos recommandations, vous aviez déclaré ne pas être favorable au système des repentis parce que la disposition relative à la réduction ou remise de peine figurant déjà dans la loi sur les drogues est peu appliquée dans la pratique. Êtes-vous disposée à collaborer à cette réglementation proposée par le ministre flamand des Sports ? Vous êtes-vous déjà concertée avec les ministres compétents pour les sports en Communauté française et en Communauté germanophone ?

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). – Bij het begin van deze regeerperiode heeft de commissie voor de Sociale Aangelegenheden van de Senaat talrijke hoorzittingen gehouden over doping in de sport. Men heeft toen nogal lacherig gedaan over onze werkzaamheden. Vandaag blijkt echter dat we misschien toch gelijk hadden.

Zonder mij uit te spreken over de berichtgeving van de voorbije dagen, wens ik toch enkele vragen te stellen. De Senaat is ervan uitgegaan dat dopinggebruik moet worden bestreden, niet alleen omwille van de fair play en de gelijke kansen in de sport, maar ook omwille van de volksgezondheid. Wat in het sportmilieu gebeurt, dijt uit naar jongeren, fitnessmilieus en zo meer. Alle instanties die doping bestrijden moeten samenwerken.

In de aanbevelingen die door de plenaire vergadering op 27 april 2005 werden goedgekeurd, vraagt de Senaat dat de minister van Justitie de drugswet en de geneesmiddelenwet onverkort zou toepassen door actiever onderzoek en effectieve vervolging.

Uit de recente persberichten blijkt overigens dat de overgang van doping naar drugs en vice versa, geen zeldzaamheid is. Op feestjes schakelen dopinggebruikers blijkbaar over op andere stimulerende middelen.

Ik citeer uit onze aanbevelingen: ‘De inspanningen van Justitie moeten er in de eerste plaats op gericht zijn bevoorraders en producenten van dopingproducten aan te pakken.’ ‘De parketten moeten een grotere openheid aan de dag leggen zodat alle betrokken diensten rond de tafel worden gebracht bij opsporings- of gerechtelijke onderzoeken in belangrijke dossiers en rekening houdend met de beperkingen inzake strafprocedure.’

Het is aangewezen dat de minister van Justitie, in overleg met het college van de procureurs-generaal, het toepassingsgebied van de omzendbrief van 4 oktober 2004 van de procureurs-generaal van Antwerpen, Brussel en Gent uitbreidt tot het hele land.’ Die circulaire stelt dat vermeden moet worden dat ‘een disciplinaire sanctie wegens doping systematisch een strafrechtelijke buitenvervolgingstelling met zich meebrengt.’

Verder: ‘Het is van vitaal belang zicht te krijgen op de producenten en leveranciers van dopingproducten. Daarom zouden sportbeoefenaars die worden betrapt op dopingproducten, moeten kunnen rekenen op strafvermindering of kwijtschelding van straf, indien ze meewerken aan het onderzoek.’

De heer Germeaux vroeg in oktober 2005 welke aanbevelingen de minister had uitgevoerd. De minister antwoordde dat een grotere openheid niet raadzaam is omwille van het geheim van het onderzoek. Zij zei ook dat de circulaire alleen in Vlaanderen kon worden toegepast.

Omdat nu blijkt dat het probleem groter is dan we hadden kunnen vermoeden, wens ik te weten welke stappen de minister al heeft gezet om in haar beleid rekening te houden met de aanbevelingen van de Senaat.

De Vlaamse minister van Sport heeft aangekondigd te zullen werken aan een regeling voor spijtoptanten. Daartoe zal overleg nodig zijn tussen het federale niveau en de gemeenschappen. Heeft de minister al overleg gepleegd met de Vlaamse minister van Sport? De minister liet bij de bespreking van onze aanbevelingen weten dat zij zelf geen voorstander was van pentiti omdat de schuldvermindering of -kwijtschelding die nu al in de drugswet is opgenomen, in de praktijk weinig wordt toegepast. Is de minister bereid mee te werken aan de regeling die door de Vlaamse minister van Sport wordt voorgesteld? Heeft de minister ook overleg gepleegd met de Waalse en Duitstalige ministers van Sport?

Mme Laurette Onkelinx, vice-première ministre et ministre de la Justice. – La plupart des recommandations faites par la commission du Sénat ne relèvent pas de mes compétences. Ma réponse portera sur les aspects pour lesquels je suis compétente.

La question du trafic des produits dopants est une priorité tant pour la police que pour la justice. La suggestion de la commission de réunir autour de la table tous les services concernés par les enquêtes de recherche et judiciaires me paraît difficilement réalisable en raison du secret de l’instruction.

Quand au champ d’application de la circulaire du 4 octobre 2004 des procureurs généraux d’Anvers, Bruxelles et Gand, son extension n’est pas si simple car cette circulaire ne peut par définition s’appliquer qu’à la Flandre et aux Bruxellois néerlandophones. J’ai déjà discuté de la question avec M. Eerdekens, ministre des Sports de la Communauté française. Celle-ci aussi est prête à rédiger une circulaire similaire sur le dopage, qui devra tenir compte des caractéristiques de sa législation propre. La Cellule interdépartementale de coordination pour le contrôle de la sécurité alimentaire se concerte actuellement avec la Communauté française. Une circulaire commune sera vraisemblablement rédigée sous peu.

Les médecins qui prescrivent des produits dopants sont en principe déjà punissables. Cependant, leur défense consiste toujours à dire qu’ils ont posé un diagnostic thérapeutique qui justifie la prescription de certains produits. Sur le plan légal, on ne peut rien contre cette argumentation puisque bon nombre de produits dopants sont aussi des médicament réguliers.

Le substitut du procureur général Sabbe, le coordinateur en chef du réseau d’expertise Déchets et sécurité alimentaire, procède régulièrement à des formations dans les écoles de police de Flandre orientale et occidentale. Il conviendra de juger, en concertation avec le département de l’Intérieur, dans quelle mesure il est possible d’améliorer encore cette formation. Les services de police qui sont confrontés à des dossiers de dopage difficiles peuvent dès à présent se renseigner et trouver du soutien après de la Cellule multidisciplinaires des hormones de la police fédérale.

Je reste opposée au système des repentis, pour des raisons de principe et d’ordre éthique. Le magistrat de référence a souligné lui aussi en commission du Sénat qu’il serait préférable de ne pas accepter le système parce que la cause d’excuse atténuante existante n’est quasiment jamais appliquée dans le cadre de loi sur la drogue et les hormones. Le ministre flamand des Sports n’a pas encore pris contact avec moi à ce sujet.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. – De meeste aanbevelingen van de Senaatscommissie vallen niet onder mijn bevoegdheid. Over de aspecten waarvoor ik wel bevoegd ben, kan ik het volgende zeggen.

Voor zowel politie als gerecht is de zwendel in dopingproducten een prioriteit. De suggestie van de commissie om bij opsporings- en gerechtelijke onderzoeken alle betrokken diensten rond de tafel te brengen is best interessant, maar lijkt me moeilijk realiseerbaar gelet op het geheim van het onderzoek.

Het toepassingsgebied van de rondzendbrief van 4 oktober 2004 van de procureurs-generaal van Antwerpen, Brussel en Gent kan niet zomaar worden uitgebreid, aangezien de brief per definitie enkel betrekking heeft op Vlaanderen en de Nederlandstalige Brusselaars. Ik heb reeds overlegd met de heer Claude Eerdekens, de Franse Gemeenschapsminister bevoegd voor Sport. Ook de Franse Gemeenschap is bereid een gelijkaardige rondzendbrief op te stellen, waarbij vanzelfsprekend met de wetgeving van de Franse Gemeenschap rekening zal moeten worden gehouden. De Interdepartementale Coördinatiecel Veiligheid van de Voedselketen overlegt reeds met de Franse Gemeenschap en wellicht zal binnenkort een gemeenschappelijke rondzendbrief worden opgesteld.

Artsen die dopingproducten voorschrijven kunnen in principe reeds strafbaar zijn. De artsen verweren zich echter altijd met de stelling dat ze een therapeutische diagnose hebben gesteld waarbij het voorschrift van bepaalde producten verantwoord is. Tegen dat verweer kan op wetgevend vlak niets worden ingebracht, aangezien veel dopingproducten ook reguliere geneesmiddelen zijn.

Substituut-procureur-generaal Sabbe, de hoofdcoördinator van het Expertisenetwerk Residuen en Voedselveiligheid, geeft regelmatig opleidingen in de politiescholen van Oost- en West-Vlaanderen. Er zal samen met Binnenlandse Zaken worden nagegaan in welke mate die opleiding nog kan worden verbeterd. Politiediensten die met moeilijke dopingdossiers worden geconfronteerd, kunnen nu reeds bij de Multidisciplinaire Hormonencel van de federale politie terecht voor inlichtingen en ondersteuning.

Ik blijf om principiële en ethische redenen tegen het systeem van de spijtoptanten gekant. Ook de referentiemagistraat heeft in de Senaatscommissie onderstreept dat het systeem best niet wordt aanvaard, omdat de bestaande strafverminderende verschoningsgrond in het kader van de drug- en hormonenwet bijna nooit wordt toegepast. De Vlaamse minister van Sport heeft met betrekking tot zijn idee nog geen contact met mij opgenomen.

Mme Annemie Van de Casteele (VLD). – C’est vraiment un dialogue de sourds. Je me suis référée à la réponse de la ministre à une demande d’explications similaire de M. Germeaux en date du 27 octobre 2005. Aujourd’hui, la ministre a littéralement repris cette réponse, à l’exception de la dernière phrase.

Nous pouvons en déduire qu’aucun progrès n’a été fait. Nous attendons toujours les mesures et la concertation annoncées à l’époque.

J’ai l’impression que la ministre ne comprend pas que la question du dopage provoque un vif émoi, particulièrement dans la presse flamande. En Flandre, on demande que le gouvernement prenne des mesures pour intensifier la lutte contre le dopage.

J’ai appris aujourd’hui que la ministre émet des objections d’ordre éthique contre les repentis. Dans sa précédente réponse, elle s’était limitée à dire que l’article de la loi pénale était rarement appliqué.

Je n’ai pas reçu de réponse à mes questions sur la réaction de la ministre à la proposition du ministre Anciaux et la concertation avec les ministres des Sports.

J’insiste pour que la ministre fasse preuve de plus de proactivité dans cette matière.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). – Dit noem ik naast elkaar praten. Ik heb in mijn vraag het antwoord van de minister van 27 oktober 2005 op een gelijkaardige vraag van de heer Germeaux aangehaald. Zij neemt dat antwoord nu letterlijk over, met uitzondering van de laatste zin.

Hieruit kunnen we afleiden dat inmiddels geen vooruitgang werd geboekt. De toen aangekondigde maatregelen en het in het vooruitzicht gesteld overleg werden nog steeds niet gerealiseerd.

Ik heb de indruk dat de minister niet begrijpt hoeveel heisa er met betrekking tot de dopingproblematiek is ontstaan, vooral in de Vlaamse pers. In Vlaanderen vraagt men de regering maatregelen te nemen om het dopinggebruik krachtiger te bestrijden.

Vandaag heb ik ook vernomen dat de minister ethische bezwaren heeft tegen spijtoptanten. In haar vorig antwoord beperkte ze zich tot het feit dat het artikel uit de strafwet weinig wordt toegepast.

Ik heb geen antwoord gekregen over haar reactie op het voorstel van minister Anciaux en of ze overleg zal plegen met de ministers van Sport.

Tot slot wil ik er bij de minister op aandringen iets proactiever te zijn in deze materie.

Question orale de M. Etienne Schouppe au vice-premier ministre et ministre des Finances sur «la gestion du personnel dans le SPF Finances» (nº 3-1376)

Mondelinge vraag van de heer Etienne Schouppe aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over «het personeelsbeleid binnen de FOD Financiën» (nr. 3-1376)

Question orale de M. Christian Brotcorne au vice-premier ministre et ministre des Finances sur «le malaise régnant au sein du SPF Finances» (nº 3-1383)

Mondelinge vraag van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over «de heersende malaise bij de FOD Financiën» (nr. 3-1383)

Mme la présidente. – Je vous propose de joindre ces questions orales. (Assentiment)

De voorzitter. – Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

M. Etienne Schouppe (CD&V). – Je présume que le ministre aura suivi avec attention la manifestation de ses fonctionnaires il y a quelques jours. Il n’a sans doute pas été heureux de constater qu’un quart de son personnel y participait.

Au SPF Finances, certains grades techniques spécifiques, par exemple les fonctionnaires des rangs A21 et A22, à savoir les contrôleurs et inspecteurs ainsi que les inspecteurs principaux, occupent des postes clés et font tourner le service, particulièrement dans les régions et les sous-régions. Ces fonctionnaires doivent impérativement avoir une bonne connaissance technique de la législation et de la réglementation fiscale. Le passage du rang A21 au rang A22 est d’ailleurs subordonné à la réussite d’une épreuve de qualification professionnelle longue et difficile. L’attribution correcte de ces fonctions est capitale pour le bon fonctionnement du département.

Le plan de personnel 2005 et 2006 prévoit suffisamment de places pour la promotion des lauréats. Jusqu’au 31 décembre 2004, ces emplois étaient pourvus rapidement et sans aucun problème.

Ces dernières années, la direction P&O a manifestement estimé qu’en l’absence de règlement organique, ces promotions n’avaient aucune base légale. C’est un fantastique parapluie qu’un ministre peut toujours utiliser. Nous constatons en effet que ce règlement organique inexistant est pourtant bel et bien utilisé par les services pour recruter de nouveaux contractuels venant de l’extérieur et leur faire occuper les fonctions qui reviennent en réalité aux lauréats des examens de promotion internes.

Quant publiera-t-on enfin à nouveau la liste des postes à pourvoir dans les bureaux régionaux en vue d’un recrutement rapide ?

Quand le SPF Finances disposera-t-il enfin d’un nouveau règlement organique et d’un nouveau cadre du personnel ?

Est-il exact que le ministre de la Fonction publique fait lanterner le ministre des Finances en ne lui transmettant pas le règlement organique et le cadre du personnel, autrement dit, qu’il le bloque de fait ?

Pendant combien de temps encore les postes clés des bureaux régionaux continueront-ils à être occupés par des contractuels ?

De heer Etienne Schouppe (CD&V). – Ik veronderstel dat de minister enkele dagen geleden een aandachtig toeschouwer was van de betoging van zijn ambetantenaren, zoals zijn collega Vincent Vankafkaborne ze heeft bestempeld. Allicht was het geen pretje te constateren dat een vierde van zijn personeel betoogde.

Binnen de FOD Financiën bezetten specifieke technische graden, zoals de ambtenaren van de rangen A21 en A22, zijnde de controleurs en de inspecteurs evenals de eerstaanwezende inspecteurs, sleutelfuncties. Voornamelijk in de regio’s en subregio’s houden ze de dienst draaiend. Een goede technische kennis van de fiscale wetgeving en reglementering is voor deze ambtenaren onontbeerlijk. De overgang van rang A21 naar A22 is overigens afhankelijk van het slagen in een moeilijke en omvangrijke proef over de beroepsbekwaamheid. De correcte bezetting van deze functies is cruciaal voor de goede werking van het ministerie naar de bevolking toe.

In het personeelsplan 2005 en 2006 zijn voldoende plaatsen voor het bevorderen van de geslaagde laureaten. Tot 31 december 2004 gebeurde het opvullen van de vacante betrekkingen snel en zonder problemen.

De jongste twee jaar oordeelt de directie P&O kennelijk dat er geen wettelijke basis bestaat voor die bevorderingen omdat er geen organiek reglement is. Dat is een fantastische paraplu die een minister altijd kan gebruiken. We stellen immers vast dat datzelfde organieke reglement, dat dus niet bestaat, door de diensten goed wordt gebruikt om op contractuele basis nieuwe personeelsleden van buitenaf aan te werven, precies voor die functies die eigenlijk toekomen aan mensen die geslaagd zijn voor interne bevorderingsexamens.

Wanneer wordt eindelijk opnieuw de lijst gepubliceerd van de vrije plaatsen in de regionale kantoren met het oog op een snelle aanwerving?

Wanneer krijgt de FOD Financiën eindelijk een nieuw organiek reglement en een nieuwe personeelsformatie?

Is het juist dat de minister van Ambtenarenzaken de minister van Financiën aan het lijntje houdt en hem het organiek reglement en de personeelsformatie niet doorspeelt, hem met andere woorden de facto blokkeert?

Hoe lang nog zullen de sleutelposten in de regionale kantoren door contractuele personeelsleden ingevuld blijven?

M. Christian Brotcorne (CDH). – Je partage les préoccupations de notre collègue Etienne Schouppe. La manifestation qui s’est déroulée le 23 janvier dernier n’est certainement pas un événement anodin, indépendamment du nombre de participants. Selon les organisateurs, les manifestants dénoncent un « projet incohérent » au niveau de la modernisation du département qui entraînerait « la désorganisation, la démotivation et le stress croissant du personnel ».

Les manifestants craignent en outre des nominations politiques. En effet, les emplois ne seront plus conférés sur la base des règles de classement objectives qui ont prévalu jusqu’à présent au sein du SPF Finances. Ces règles étaient basées par exemple sur l’ancienneté, combinée ou non avec le résultat d’un examen de carrière. Apparemment, seul le profil de la fonction serait désormais pris en compte. Pour les agents, cela cache un peu tout et n’importe quoi.

Si l’on en croit encore le front commun syndical, la pyramide des âges est aussi à la source d’une véritable hémorragie de départs à la retraite. D’ici 2012, on parle de départs naturels qui feront fondre l’effectif total de 30.000 à 20.000 fonctionnaires. Pour cinq départs en 2007, trois engagements sont prévus et, nous dit-on, à partir de 2009, une arrivée pour deux départs. Je sais que l’informatique permet de remplacer parfois des fonctionnaires dont le nombre ne doit pas nécessairement rester constant. Encore faut-il que l’informatique soit effectivement opérationnelle, ce qui est loin d’être le cas dans votre département, comme cela a déjà été démontré par le passé.

Par ailleurs, les organisations syndicales dénoncent l’absence totale de dialogue social entre elles-mêmes et le management dans une série de dossiers, notamment en ce qui concerne les formations certifiées, les mutations temporaires, les horaires d’été, etc.

Monsieur le ministre, je voudrais savoir si vous confirmez ce tableau tel qu’il est dressé par les organisations syndicales. Partagez-vous le sentiment de vos agents quant à l’existence de tensions au niveau de l’organisation du travail et à l’absence de dialogue social entre les organisations représentatives et le management ? Dans l’affirmative, comment comptez-vous y remédier ? Quelles sont les mesures que vous envisagez à cette fin ?

Quant aux engagements et à la problématique des nominations, j’aimerais que vous m’expliquiez les raisons qui justifient, à vos yeux, que dorénavant seul un profil de fonction soit pris en considération. Estimez-vous que ce profil permet de mieux garantir l’objectivité de la sélection ? Si oui, comment ?

Je pense que vous ne contesterez pas que votre département a besoin d’une structure claire, de processus de travail transparents, d’instructions réalistes et aisément applicables par les agents. À cet égard, il est important que vous puissiez préciser dans quel délai les agents de votre SPF pourront espérer quitter la cellule provisoire dans laquelle ils ont été versés depuis le 1er janvier 2003. Selon quelles modalités le transfert se fera-t-il ? Sera-ce uniquement sur la base du profil ou bien d’autres considérations interviendront-elles ? J’écouterai avec beaucoup d’intérêt votre réponse à ce sujet.

Enfin, de manière plus fondamentale peut-être, pouvez-vous nous indiquer comment vous envisagez la spécificité du département des Finances qui, jusqu’à présent, avait toujours été reconnue et comment l’envisagez-vous, notamment en ce qui concerne les carrières ? Autrement dit, comment comptez-vous maintenir la compétence technique de haut niveau, qui est souvent reconnue aux agents du SPF Finances et qui fait la réputation de votre département, à l’heure où certains envisagent de fondre les agents des Finances dans l’ensemble de la Fonction publique ?

De heer Christian Brotcorne (CDH). – Ik deel de bezorgdheid van de heer Schouppe. De betoging van 23 januari is zeker niet onbeduidend, ongeacht het aantal deelnemers. Volgens de organisatoren stellen de betogers de gebrekkige modernisering van het departement aan de kaak. Die zou leiden tot desorganisatie, demotivering en toenemende stress bij het personeel.

Bovendien vrezen de betogers politieke benoemingen. De ambten zullen immers niet langer worden toegewezen op basis van de regels van de objectieve rangschikking die tot nu toe golden in de FOD Financiën en die gebaseerd waren op de anciënniteit, al dan niet gekoppeld aan het resultaat van een loopbaanexamen. Voortaan zou alleen rekening worden gehouden met het functieprofiel. Voor de personeelsleden kan dit zowat alles en niets verhullen.

Nog volgens het gemeenschappelijk vakbondsfront ligt ook de leeftijdspiramide aan de basis van een ware leegloop door pensionering. Tot 2012 zal het aantal ambtenaren door natuurlijke afvloeiing dalen van 30.000 tot 20.000. In 2007 zullen per vijf personeelsleden die het ministerie verlaten, maar drie nieuwe personeelsleden in dienst worden genomen. Vanaf 2009, zo wordt ons gezegd, zou er maar één indienstneming staan tegenover twee afvloeiingen. Ik weet wel dat de informatica soms ambtenaren overbodig kan maken en dat het aantal ambtenaren ook niet noodzakelijk op hetzelfde peil moet blijven. Die informatica moet dan echter wel operationeel zijn, wat lang niet het geval is in het departement van de minister, zoals in het verleden al is gebleken.

De vakbondsorganisaties hekelen bovendien het totale gebrek aan sociale dialoog met het management in verband met een reeks dossiers, inzonderheid met betrekking tot de gecertificeerde opleidingen, de tijdelijke mutaties, de zomerregeling, enzovoort.

Kan de minister de door de vakbondsorganisaties beschreven situatie bevestigen? Deelt hij het gevoel van zijn personeelsleden in verband met de aanwezigheid van spanningen op het vlak van de organisatie van het werk en het ontbreken van een sociale dialoog tussen de representatieve organisaties en het management? Zo ja, hoe wil hij daar iets aan doen? Welke maatregelen overweegt hij daartoe te nemen?

Kan de minister mij in verband met de indienstnemingen en de benoemingen verklaren om welke redenen hij het verantwoord vindt dat voortaan alleen een functieprofiel in aanmerking zal worden genomen? Meent hij dat met dat profiel de objectiviteit bij de selectie beter wordt gegarandeerd? Zo ja, hoe?

De minister zal zeker niet betwisten dat zijn departement een duidelijke structuur nodig heeft, alsook transparante procedures en realistische instructies die gemakkelijk kunnen worden toegepast door de personeelsleden. In dat opzicht is het van belang dat hij kan zeggen binnen welke termijn de personeelsleden van zijn FOD de voorlopige cel zullen kunnen verlaten waarin ze sedert 1 januari 2003 werden ondergebracht. Volgens welke voorwaarden zal die overdracht plaatsvinden? Wordt alleen rekening gehouden met het profiel of spelen ook andere overwegingen mee?

Hoe ziet de minister het specifieke karakter van het departement Financiën, dat tot nog toe altijd werd erkend, vooral met betrekking tot de loopbanen? Hoe zal hij de hoogstaande technische vaardigheid vrijwaren die wordt toegeschreven aan de personeelsleden van de FOD Financiën, nu sommigen overwegen deze personeelsleden op te nemen in het geheel van het overheidspersoneel?

M. Didier Reynders, vice-premier ministre et ministre des Finances. – La restructuration d’une administration d’une certaine taille suscite évidemment un débat permanent. Je comprends dès lors très bien que d’aucuns soient préoccupés par les changements au sein d’un département comme celui des Finances. On entend ainsi régulièrement des commentaires sur la taille de ce département.

De heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën. – De herstructurering van een administratie van enige omvang lokt uiteraard voortdurend discussies uit. Ik begrijp dan ook zeer goed dat sommigen bezorgd zijn over de wijzingen binnen een departement als Financiën. We horen ook geregeld commentaar over de grootte van dat departement.

Le dégraissage d’un service public fédéral ou d’une entreprise publique est un processus de longue haleine. Il faut en outre trouver un équilibre entre les investissements et l’évolution du cadre du personnel.

Le SPF Finances a consenti de nombreux investissements. Le bâtiment North Galaxy, un progrès par rapport à l’ancienne tour des Finances, peut accueillir plus de 3.000 agents. Chaque année nous investissons plus de 100 millions dans l’informatique. En décembre 2006, nous avons payé des allocations de compétences à quelque 7.500 agents pour un montant total de 31 millions d’euros.

Les inspecteurs attachés à une administration fiscale et ayant réussi une épreuve de qualification professionnelle leur donnant accès au titre d’inspecteur principal auprès d’une administration fiscale sont d’ores et déjà rémunérés dans l’échelle de traitement A21

Het afslanken van een federale overheidsdienst of van een overheidsbedrijf is een proces van lange duur. Er moet bovendien een evenwicht zijn tussen de investeringen en de evolutie van het personeelsbestand.

De FOD Financiën heeft heel wat investeringen gedaan. Het North Galaxygebouw, een verbetering in vergelijking met de vroegere Financiëntoren, biedt plaats aan meer dan 3.000 personeelsleden. Jaarlijks wordt meer dan 100 miljoen euro in informatica geïnvesteerd. In december 2006 werd in totaal 31 miljoen euro competentietoelagen betaald aan ongeveer 7.500 personeelsleden.

De inspecteurs bij een fiscaal bestuur die geslaagd zijn voor een proef van beroepsbekwaamheid die toegang verleent tot de titel van eerstaanwezend inspecteur bij het fiscaal bestuur, worden op grond van de huidige regelgeving reeds bezoldigd in de weddenschaal A21.

Avant d’en revenir au règlement organique, je voudrais dire à M. Brotcorne que tout ce que je viens d’évoquer se situe dans le cadre d’un dialogue social. Il y a très régulièrement des rencontres avec les représentants du management et ceux du personnel. Je reçois aussi personnellement les représentants du personnel à mon cabinet. Il arrive qu’ils ne répondent pas à mes offres de les rencontrer et préfèrent aller voir l’un de mes collègues dans un autre département, comme cela a été le cas à la fin de la manifestation. Je ne peux évidemment pas les obliger mais la porte reste ouverte et je suppose qu’ils reviendront.

Je confirme que j’ai présenté au Conseil des ministres un projet d’arrêté royal adaptant le règlement organique de mon département, à la suite de l’introduction des carrières dans le niveau A. Nous avançons actuellement sur ce point. Comme je l’ai toujours affirmé, dans la première phase de la restructuration des carrières de ce niveau, il s’agit d’une transcription des règles anciennes aux nouvelles terminologies, sans modifications de fond. Cela ne devrait donc pas provoquer de perturbations importantes. On a simplement ajouté, pour les directeurs régionaux et les présidents des comités d’acquisition, l’analyse de la capacité à diriger. Dès lors qu’il y a une équipe à diriger, cela me paraît la moindre des choses.

Je confirme que le SPF Finances se trouve dans la cellule provisoire depuis le 1er janvier 2003. La structure n’est toujours pas claire mais le but est de réaliser cette structure juridique conformément à l’organigramme décidé par le gouvernement. Je proposerai dès lors très prochainement des textes réglementaires en la matière.

Le texte qui a été soumis au Conseil des ministres devrait être approuvé cette semaine, en concertation avec les organisations syndicales. J’espère d’ailleurs obtenir l’accord des ces dernières qui souhaitent que l’on avance sur les promotions au sein du département. Le texte sera ensuite soumis à l’avis du Conseil d’État pour, enfin, entrer en vigueur. Il devrait permettre de réaliser plusieurs centaines de promotions dans le cadre du règlement organique, sur la base des dispositions actuelles. Cela signifie que dans le courant de cette année, nous devrions pouvoir mettre fin, par exemple, à la présence d’un grand nombre de membres du personnel à caractère intérimaire aux fonctions supérieures, dans le cadre des directeurs régionaux. Un débat a effectivement toujours existé sur la nécessité de passer éventuellement à des systèmes de mandat pour ces fonctions, comme on l’a fait dans d’autres cadres. Nous y reviendrons aussi dans le plan du personnel 2008.

J’ai toujours défendu la spécificité des fonctions du SPF Finances là où elle se justifie. Il faut pouvoir démontrer qu’il y a une compétence particulière dans des domaines liés notamment à la fiscalité. C’est ce qui a entraîné une négociation avec mes collègues au sein du gouvernement, le ministre de la Fonction publique et la ministre du Budget, pour prévoir un certain nombre de situations dérogatoires mais également des budgets complémentaires. Je voudrais saluer le travail réalisé en commun. Ces statuts dérogatoires ont été transcrits dans la réalité, le niveau A restant à confirmer. Ces statuts dérogatoires ont entraîné des budgets complémentaires qui permettent de rémunérer à d’autres niveaux les agents du département des finances. Je répète qu’il faut pour cela pouvoir justifier une spécificité, toutes les fonctions au sein du département des Finances n’étant évidemment pas spécifiques, au sens où elles seraient différentes de celles d’autres départements. Des dossiers précis ont donc été introduits à chaque fois.

Nous allons donc continuer à investir en ce sens et je confirme que nous le ferons notamment en ce qui concerne la formation. Ce que j’ai dit en commençant le confirme déjà : la formation, c’est notamment la nécessité de vérifier les niveaux de compétence. Nous l’avons fait à travers des tests pendant l’année 2006. C’est ce qui a conduit au mois de décembre, un mois avant la manifestation, au paiement de 31 millions d’euros pour 7.500 agents, pour les allocations de compétence couvrant deux années de rémunération. J’ai toujours tenu à ce que l’on fasse jouer la rétroactivité afin que les retards qui pouvaient intervenir dans les négociations à l’échelon du gouvernement ne pénalisent pas les agents eux-mêmes. Il a été tenu compte de cette rétroactivité dans les paiements faits au mois de décembre.

Alles wat ik heb aangehaald, vindt plaats in het kader van een sociale dialoog. Er worden zeer geregeld ontmoetingen georganiseerd tussen de vertegenwoordigers van het management en die van het personeel. Ik ontvang ook persoonlijk vertegenwoordigers van het personeel op mijn kabinet. Soms gaan ze niet in op mijn voorstel om hen te ontmoeten en gaan ze liever naar één van mijn collega’s van een ander departement, zoals bij de ontbinding van de betoging. Ik kan hen uiteraard niet verplichten, maar mijn deur blijft open en ik veronderstel dat ze zullen terugkomen.

Ik heb de Ministerraad een ontwerp van koninklijk besluit voorgelegd tot aanpassing van het organiek reglement van mijn departement als gevolg van de invoering van loopbanen in niveau A. Op dat punt boeken we vooruitgang. In de eerste fase van de herstructurering van de loopbanen van dat niveau moeten de oude regels worden omgezet in nieuwe terminologieën, zonder ze fundamenteel te wijzigen. Dat zou niet voor veel onrust mogen zorgen. Voor de gewestelijk directeurs en de voorzitters van de aankoopcomités werd alleen de analyse van het leidinggevende vermogen toegevoegd. Dat lijkt mij het minimum wanneer een team moet worden geleid.

De FOD Financiën is inderdaad sedert 1 januari 2003 opgenomen in een voorlopige cel. De structuur is niet altijd even duidelijk, maar het is de bedoeling die juridische structuur uit te werken overeenkomstig het organogram waartoe de regering heeft beslist. Ik zal dan ook zeer binnenkort regelgevende teksten ter zake indienen.

De tekst die bij de Ministerraad werd ingediend, zou deze week moeten worden goedgekeurd, in overleg met de vakbondsorganisaties. Ik hoop overigens dat ze ermee instemmen, want zij willen vooruitgang boeken op het gebied van de bevorderingen in het departement. Daarna wordt de tekst voor advies aan de Raad van State voorgelegd, zodat hij in werking kan treden. Daarmee zouden honderden bevorderingen mogelijk moeten worden in het kader van het organiek reglement, op basis van de huidige bepalingen. Dat betekent dat we in de loop van het jaar een einde zouden kunnen maken aan de aanwezigheid van een groot aantal tijdelijke personeelsleden met hogere functies in de formatie van de gewestelijk directeurs. Er is immers altijd gediscussieerd over de noodzaak om eventueel over te gaan tot een mandaatregeling voor die ambten, zoals dat ook in andere formaties het geval is. We zullen daar ook op terugkomen in het personeelsplan 2008.

Ik heb altijd het specifieke karakter van de ambten van de FOD Financiën verdedigd waar dat verantwoord is. Er moet kunnen worden aangetoond dat een bijzondere competentie vereist is, vooral inzake fiscale aangelegenheden. Dat heeft geleid tot onderhandelingen met de minister van Ambtenarenzaken en de minister van Begroting, om te voorzien in een aantal uitzonderingen en extra middelen. Ik ben tevreden over het werk dat we gezamenlijk hebben gerealiseerd. De afwijkende statuten werden omgezet in de praktijk, al moet niveau A nog worden bevestigd. Die afwijkende statuten hebben geleid tot extra middelen, zodat de personeelsleden van het departement Financiën op andere niveaus kunnen worden bezoldigd. Daarvoor moet een specifiek karakter kunnen worden verantwoord. Niet alle ambten in het departement van Financiën hebben een specifiek karakter, in die zin dat ze zouden verschillen van die van de andere departementen. Er werden dus telkens specifieke dossiers ingediend.

We zullen blijven investeren in die zin, vooral wat de opleiding betreft. Wat ik in het begin zei, bevestigt dit reeds: de opleiding is een noodzaak om de competentieniveaus na te gaan. In 2006 hebben we daartoe tests georganiseerd. Dat heeft in december, één maand vóór de betoging, geleid tot de betaling van 31 miljoen euro aan 7.500 personeelsleden, voor de competentietoelagen die overeenstemmen met twee jaren bezoldiging. Ik stond altijd op een retroactieve toepassing opdat de personeelsleden geen nadeel zouden ondervinden van de vertragingen die zich mogelijk konden voordoen tijdens de onderhandelingen op regeringsniveau. Voor de betalingen van december werd rekening gehouden met die retoractiviteit.

La prochaine étape sera l’approbation d’un arrêté royal bien élaboré en conseil des ministres. Nous reprendrons ensuite les négociations avec les syndicats et nous demanderons l’avis du Conseil d’État. Dès que l’arrêté royal aura été publié, il sera possible de promouvoir 400 fonctionnaires, de sorte que nous ne devrons plus désigner des contractuels, en tout cas à des postes de directeur régional.

De eerstvolgende stap is de goedkeuring van een goed uitgewerkt koninklijk besluit in de ministerraad. Vervolgens hervatten we de onderhandelingen met de vakbonden en vragen we de Raad van State om advies. Zodra het koninklijk besluit gepubliceerd is, zal het mogelijk zijn 400 ambtenaren te bevorderen, zodat we niet langer moeten werken met contractuele personeelsleden, zeker voor de functies van gewestelijke directeur.

M. Etienne Schouppe (CD&V). – L’indemnisation financière destinée à compenser le retard pris dans les promotions peut éventuellement mettre du baume au cœur des fonctionnaires préjudiciés mais cela n’est pas très profitable au fonctionnement du département. Pour moi, l’important est que le département soit bien structuré et que les personnes qui doivent assurer le bon fonctionnement au niveau régional et sous-régional puissent travailler dans la stabilité et la continuité. Le département des Finances doit redevenir un exemple en matière d’interaction entre les citoyens et les entreprises, d’une part, et le SPF Finances, d’autre part.

Le ministre annonce à présent qu’il va soumettre au conseil des ministres un projet d’arrêté royal concernant le cadre moyen et supérieur. Il reste néanmoins particulièrement évasif quant à la date de la signature. Cette semaine encore ? Il ne nous reste qu’à attendre.

Il importe que nous ayons un calendrier précis et ce, non seulement pour les fonctionnaires concernés, mais également pour la bonne gestion des finances du pays. D’ici deux à trois mois, nous devons avoir partout « the right man in the right place » et les pratiques actuelles doivent avoir cessé. J’espère que cela se produira avant le départ du ministre, afin que son successeur n’hérite pas du problème.

Ce ne sont pas les 31 millions supplémentaires qui résoudront le problème. La seule solution est que tous les postes vacants soient pourvus de manière définitive et structurelle.

De heer Etienne Schouppe (CD&V). – De financiële vergoeding voor het uitblijven van de bevorderingen kan mogelijk wel balsem op de wonde zijn voor de benadeelde ambtenaren, maar voor de werking van het departement levert dat niet veel op. Mij is het er vooral om te doen dat het departement goed gestructureerd is en dat de mensen die op subregionaal en regionaal vlak de goede werking moeten verzekeren, op een stabiele, continue basis hun werk kunnen doen. Het departement van Financiën moet opnieuw als voorbeeld kunnen dienen inzake de wisselwerking tussen de burgers en de bedrijven, enerzijds, en de federale overheidsdienst Financiën, anderzijds.

De minister kondigt nu aan dat hij voor het midden- en topkader een ontwerp van koninklijk besluit bij de ministerraad indient. Hij blijft wel erg vaag over het tijdstip waarop het zal worden goedgekeurd. Is dat deze week? We kunnen het alleen maar hopen. Wanneer zal het met de sociale partners worden besproken? Ook nog deze week? We kunnen alleen maar uitkijken.

Er moet een duidelijk tijdschema komen. Dat is niet alleen belangrijk voor de betrokken ambtenaren, maar ook voor het goede beheer van de financiën van het land. Binnen twee of drie maanden moet overal the right man in the right place belanden en moet een einde worden gemaakt aan de wel zeer ongelukkige manier waarop de functies nu worden opgevuld. Ik hoop dat dit gebeurt nog vóór de minister het departement verlaat, zodat zijn opvolger het probleem niet moet oplossen.

Een bijkomende 31 miljoen zal het probleem niet oplossen. Alleen een definitieve structurele invulling van alle vacante functies kan dat.

M. Christian Brotcorne (CDH). – Je pense que l’on ne peut pas contester le malaise existant. Il provient peut-être du fait que le ministre est en quelque sorte adepte du principe « hâte-toi lentement ». Depuis le 1er janvier 2003, la situation des agents est insécurisée au terme de leur carrière, du fait que le système est provisoire.

J’entends que l’on pourra envisager de régulariser la situation dans le courant de 2007. Nous y serons attentifs dans le cadre d’un dialogue social qui me paraît absolument devoir être renoué ou en tout cas se dérouler sur des bases différents de celles qui prévalent aujourd’hui. En effet, certains considèrent que ce dialogue social n’est pas mené de manière parfaitement correcte.

Je retiens également l’engagement pris par le ministre de conserver une forme de spécificité pour des fonctions précises. Je suis certain, et je le rejoins sur ce point, que toutes les fonctions du SPF Finances ne sont pas spécifiques à ce département, mais qu’elles sont largement semblables à d’autres de la fonction publique.

Nous attendrons avec intérêt une liste de ces fonctions que l’on considère comme spécifiques, avec le statut et la carrière correspondants, de même que le financement dont le ministre fait état, mais dont on attend la concrétisation.

De heer Christian Brotcorne (CDH). – Er kan niet worden betwist dat er ongenoegen heerst. Het is misschien te wijten aan het feit dat de minister in zekere zin een aanhanger is van het principe ‘haast u langzaam’. Sedert 1 januari 2003 zijn de personeelsleden onzeker over hun loopbaan omdat ze in een voorlopige regeling zitten.

Ik hoor dat de situatie in de loop van 2007 kan worden geregulariseerd. We zullen daar aandachtig op toekijken in het kader van een sociale dialoog die volgens mij absoluut opnieuw moet worden aangevat of die in ieder geval op een andere basis moet verlopen dan thans het geval is. Sommigen menen immers dat de sociale dialoog niet geheel correct verloopt.

Ik onthoud ook dat de minister beloofd heeft een specifiek karakter te behouden voor welbepaalde functies. Ik ben het met hem eens dat niet alle functies binnen de FOD Financiën specifiek zijn voor dat departement, maar goed vergelijkbaar zijn met andere functies van het openbaar ambt.

We wachten met belangstelling op de lijst van de functies die als specifiek worden beschouwd, samen met het statuut en de loopbaan die ermee overeenstemmen, alsook op de financiering waarover de minister sprak, maar waarvan we de concretisering afwachten.

Question orale de M. Philippe Mahoux au ministre des Affaires étrangères sur «la conférence internationale à Oslo sur les bombes à sous-munitions» (nº 3-1373)

Mondelinge vraag van de heer Philippe Mahoux aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de internationale conferentie te Oslo over clusterbommen» (nr. 3-1373)

M. Philippe Mahoux (PS). – La Belgique participe aux sessions de la Convention de 1980 des Nations unies sur certaines armes classiques, la CCW, qui régit l’utilisation des explosifs de guerre.

La CCW est un instrument du droit international humanitaire qui cherche à réduire l’impact destructeur de certaines armes ayant des effets indiscriminés ou n’étant pas proportionnés aux menaces identifiées. Nonante-deux États sont parties à cette conférence et les décisions se prennent par consensus. Dans le cadre de cette convention, les experts gouvernementaux poursuivent actuellement leurs travaux et abordent plus spécifiquement la question des bombes à sous-munitions.

Malheureusement, les discussions concernant ce type de bombes ne semblent pas évoluer. Nous nous retrouvons aujourd’hui dans le même scénario que pour les mines antipersonnel. Ainsi, voyant que le débat n’évolue pas au sein de la CCW, certains pays décident d’aborder le sujet en dehors de celle-ci en organisant une conférence internationale sur le sujet. Le pays ayant pris le leadership en la matière est la Norvège. Le gouvernement norvégien organisera une conférence les 22 et 23 février prochains à Oslo afin d’avancer au plan international sur la problématique des bombes à sous-munitions.

Le même blocage existait sur le plan multilatéral dans le cadre de la problématique des mines antipersonnel. Des initiatives d’État ont été prises et ont permis d’aboutir à la Convention d’Ottawa. On ne peut donc privilégier a priori une technique par rapport à une autre. Je rappelle qu’à l’heure actuelle, il semble y avoir un blocage ou en tout cas une stagnation évidente, au plan de la CCW.

Monsieur le ministre, quelle est la position de la Belgique par rapport à cette initiative norvégienne ? Comptez-vous y participer personnellement ou vous y faire représenter ? Considérant que la Belgique est le premier pays à avoir adopté une législation interdisant les bombes à sous-munitions, comment comptez-vous promouvoir le savoir-faire belge en la matière ?

De heer Philippe Mahoux (PS). – België neemt deel aan de bijeenkomsten van de VN-Conventie van 1980 inzake bepaalde conventionele wapens, de CCW, die handelt over het gebruik van oorlogsexplosieven.

De CCW is een instrument van internationaal humanitair recht dat de vernietigende gevolgen wil terugdringen van wapens die een niet-onderscheidende werking hebben of die geen proportioneel antwoord bieden op de vastgestelde bedreigingen. Er nemen 92 staten deel aan die conferentie en de besluiten worden bij consensus genomen. In het kader van die conventie zetten de experts van de regeringen momenteel hun werkzaamheden voort en behandelen ze in het bijzonder het probleem van de clustermunitie.

Helaas lijken die besprekingen over dat soort bommen niet vooruit te gaan. We bevinden ons nu in hetzelfde scenario als voor de antipersoonsmijnen. Omdat het debat in de CCW niet opschiet, hebben bepaalde landen beslist het onderwerp buiten de CCW te behandelen via de organisatie van een internationale conferentie. Noorwegen heeft daarin het voortouw genomen. De Noorse regering zal op 22 en 23 februari eerstkomend in Oslo een conferentie organiseren om de aanpak van het probleem van de clusterbommen op internationaal vlak te stimuleren.

Op multilateraal niveau bestond dezelfde blokkering voor de antipersoonsmijnen. Een aantal staten hebben dan een initiatief genomen wat geleid heeft tot de Conventie van Ottawa. Een bepaalde techniek mag dus a priori geen voorrang krijgen op een andere. Ik onderstreep dat er momenteel binnen de CCW een blokkering lijkt te bestaan of in elk geval een stagnatie.

Wat is de houding van België tegenover het Noorse initiatief? Zal de minister er persoonlijk aan deelnemen of er zich laten vertegenwoordigen? België is het eerste land dat een wet goedkeurde om clusterbommen te verbieden. Hoe zal de minister de Belgische knowhow ter zake promoten?

M. Karel De Gucht, ministre des Affaires étrangères. – Lors de la clôture de la Conférence d’examen de la Convention sur certaines armes classiques en novembre 2006, la Norvège avait lancé l’idée de convoquer à Oslo une réunion internationale au sujet de la problématique des armes à sous-munitions.

La Belgique faisait partie d’un groupe de 25 pays, comprenant également la Norvège, qui a lancé un appel en faveur d’un accord qui interdirait l’utilisation des armes à sous-munitions dans des zones à concentration civile ainsi que les armes à sous-munitions non fiables et imprécises.

Les pays concernés, y compris le nôtre, ont depuis lors reçu une invitation à une conférence internationale qui se tiendra à Oslo les 22 et 23 février prochains. La Norvège demande la participation de hauts fonctionnaires et annonce l’envoi d’un ordre du jour détaillé.

J’ai décidé d’envoyer à Oslo notre directeur pour le désarmement et la non-prolifération, M. Bauwens, en tant qu’envoyé spécial. J’entends ainsi souligner toute l’importance et l’urgence que j’attache à poursuivre l’objectif que nous partageons notamment avec la Norvège. Nous voulons avancer à l’échelon international sur la problématique des bombes à sous-munitions. L’envoyé spécial est en contact avec les autorités norvégiennes en vue de préparer au mieux la Conférence d’Oslo.

Par ailleurs, la Belgique agira sur tous les fronts disponibles. Nous stimulons le débat au sein de l’Union européenne en vue d’arriver à une position commune qui ne pourra que renforcer le poids politique de notre démarche. Nous participerons activement aux conférences de format plus restreint, comme celle d’Oslo, ou à caractère plus technique, comme le séminaire sur les aspects humanitaires, organisé en avril prochain par le Comité international de la Croix-Rouge.

Nous continuerons aussi à faire entendre notre voix au sein de la Convention sur certaines armes classiques (CCW) qui réunira, en juin prochain, un groupe d’experts gouvernementaux qui se pencheront spécifiquement sur la question des restes explosifs de guerre, avec une attention toute particulière pour les armes à sous-munitions.

La Belgique avait ardemment plaidé pour une telle initiative afin de maintenir un large format multilatéral dans lequel tous les États parties peuvent être appelés à s’engager pour un instrument efficace et inclusif en matière d’armes à sous-munitions. Dans cet esprit, notre participation à la Conférence d’Oslo contribuera aussi à faire pression sur l’ensemble des États parties à la CCW pour que celle-ci assume sans plus tarder sa pleine responsabilité.

Comme je vous l’avais annoncé lors de notre dernier échange à ce sujet dans cette enceinte, mon département vient d’effectuer des démarches bilatérales, au niveau mondial, pour sensibiliser les États au contenu de la loi belge et pour les encourager à s’en inspirer et à s’engager dans des négociations internationales. Nous en avons profité également pour inciter les pays concernés à signer la CCW, agissant ainsi conformément au Plan d’action de l’Union européenne dans le domaine de l’universalisation des traités et conventions en matière de désarmement et de non-prolifération.

Je suis persuadé que les démarches belges ont effectivement contribué à une plus grande conscience internationale concernant la problématique des sous-munitions et je note avec intérêt que, depuis lors, plusieurs pays ont demandé à pouvoir participer également à la Conférence d’Oslo.

Par ailleurs, à la suite de nos démarches, bon nombre de pays ont fait part de leur estime pour la loi belge tandis que d’autres ont demandé de poursuivre nos échanges après étude du texte que nous leur avions transmis.

À titre confidentiel, je pourrais vous faire part des réactions des pays concernés mais il serait inapproprié de le faire en séance publique. Je puis cependant vous assurer que notre diplomatie se consacre pleinement à ce dossier.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. – Bij de sluiting van de conferentie van de Conventie inzake bepaalde conventionele wapens in november 2006, lanceerde Noorwegen de idee om in Oslo een internationale bijeenkomst te organiseren over de problematiek van de clustermunitie.

België maakte deel uit van een groep van 25 landen, waaronder ook Noorwegen, die aanstuurde op het sluiten van een akkoord dat het gebruik van clustermunitie in zones met een grote burgerbevolking en ook het gebruik van weinig betrouwbare clustermunitie zou verbieden.

De betrokken landen, ook het onze, hebben inmiddels een uitnodiging ontvangen voor een internationale conferentie die op 22 en 23 februari eerstkomend in Oslo zal plaatsvinden. Noorwegen vraagt dat hoge ambtenaren daaraan zouden deelnemen en zal een gedetailleerde agenda bezorgen.

Ik heb beslist om de heer Bauwens, onze directeur voor ontwapening en non-proliferatie, naar Oslo te sturen als speciaal gezant. Ik wil daarmee het belang en de dringende noodzaak van de doelstelling die wij met Noorwegen delen, onderstrepen. Wij willen op internationaal vlak vooruitgang boeken op het vlak van de problematiek van de clustermunitie. De speciale gezant houdt contact met de Noorse autoriteiten om de conferentie van Oslo zo goed mogelijk voor te bereiden.

België is actief op alle fronten. We stimuleren het debat binnen de EU om tot een gemeenschappelijke houding te komen, wat het politieke gewicht van onze demarche zal versterken. We nemen actief deel aan conferenties met een meer beperkt karakter, zoals die van Oslo, of met een meer technisch karakter, zoals het seminarie over de humanitaire aspecten dat in april eerstkomend door het Internationaal Comité van het Rode Kruis wordt georganiseerd.

Wij blijven ook onze stem laten horen binnen de Conventie inzake bepaalde conventionele wapens (CCW). In juni eerstkomend zal een groep van regeringsexperts bijeenkomen die zich specifiek zal buigen over het probleem van de explosieve oorlogsresten met een bijzondere aandacht voor clustermunitie.

België heeft sterk gepleit voor een dergelijk initiatief om een breed multilateraal forum te behouden waarin alle lidstaten kunnen worden opgeroepen om zich in te zetten voor een efficiënt en inclusief instrument inzake clustermunitie. In die geest zal ook onze deelname aan de conferentie in Oslo druk uitoefenen op alle lidstaten van de CCW opdat deze zonder verder dralen zijn verantwoordelijkheid op zich neemt.

Zoals ik aankondigde tijdens onze vorige gedachtewisseling over deze materie in deze zaal, heeft mijn departement op mondiaal niveau bilaterale initiatieven genomen om de staten te sensibiliseren voor de inhoud van de Belgische wetgeving ter zake en hen aan te sporen zich daarop te inspireren en zich te engageren in internationale onderhandelingen. Wij hebben de betrokken landen ook aangezet de CCW te ondertekenen. We handelen daarmee conform het actieplan van de EU om verdragen en conventies inzake ontwapening en non-proliferatie universeel geldig te maken.

Ik ben ervan overtuigd dat de Belgische stappen daadwerkelijk hebben bijgedragen aan een grotere internationale bewustwording over de problematiek van de clustermunitie. Ik stel met genoegen vast dat sindsdien verschillende landen hebben gevraagd om deel te nemen aan de conferentie te Oslo.

Na onze demarches hebben veel landen hun bewondering voor de Belgische wetgeving uitgesproken. Andere hebben gevraagd de gedachtewisseling voort te zetten na onderzoek van de tekst die we hun toestuurden.

Ik zou de reacties van de betrokken landen kunnen meedelen, maar dat zou ongepast zijn in een openbare vergadering. Ik kan echter verzekeren dat onze diplomatie zich ten volle met dit dossier bezighoudt.

M. Philippe Mahoux (PS). – J’avais craint que l’option de la CCW soit exclusive et entraîne une absence d’engagement à Oslo. Je constate, en écoutant votre réponse, que nous participons non seulement à la CCW mais aussi à la conférence d’Oslo et au séminaire du Comité internationale de la Croix-Rouge, sans oublier vos démarches bilatérales. C’est en utilisant tous les moyens diplomatiques dont nous disposons que nous ferons avancer le problème. Il serait intéressant que nous soit communiqué l’ordre du jour exact de la conférence d’Oslo afin de prendre connaissance avec exactitude de la manière dont le gouvernement norvégien envisage l’organisation de cette conférence. La Belgique a répondu par le biais de ses hauts fonctionnaires et de ses diplomates. C’est une bonne chose vis-à-vis de l’objectif que nous poursuivons tous.

De heer Philippe Mahoux (PS). – Ik vreesde dat de keuze van de CCW exclusief was en dat ertoe zou leiden dat er in Oslo geen engagementen zouden komen. Ik stel nu vast dat wij niet enkel aan de CCW deelnemen, maar ook aan de conferentie van Oslo en aan het seminarie van het Internationaal Comité van het Rode Kruis, zonder dan nog de bilaterale stappen te vergeten. Door gebruik te maken van al onze diplomatieke middelen kunnen we vooruitgang boeken. Het zou goed zijn mochten we de precieze agenda van de conferentie van Oslo kunnen krijgen zodat we kennis kunnen nemen van de manier waarop de Noorse regering die conferentie wil organiseren. België heeft gehandeld via zijn ambtenaren en diplomaten. Dat is een goede zaak voor het doel dat wij allen nastreven.

M. Karel De Gucht, ministre des Affaires étrangères. – Je ne peux que vous confirmer qu’en ce moment, nous menons une véritable campagne sur ce sujet.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. – Ik kan u bevestigen dat wij momenteel een echte campagne voeren over dit onderwerp.

Question orale de Mme Marie-Hélène Crombé-Berton au ministre des Affaires étrangères, au ministre de l’Économie, de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la Politique scientifique et à la ministre des Classes moyennes et de l’Agriculture sur «les négociations à l’Organisation mondiale du commerce» (nº 3-1375)

Mondelinge vraag van mevrouw Marie-Hélène Crombé-Berton aan de minister van Buitenlandse Zaken, de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid en aan de minister van Middenstand en Landbouw over «de onderhandelingen bij de Wereldhandelsorganisatie» (nr. 3-1375)

Mme Marie-Hélène Crombé-Berton (MR). – Le Sommet de Davos est une occasion unique de relancer les discussions multilatérales sur la libéralisation du commerce mondial et la poursuite d’objectifs de développement à travers le commerce.

Je désire d’abord connaître votre appréciation générale sur le climat des discussions actuelles et savoir si l’administration américaine a modifié ses positions à la suite de la victoire des démocrates lors des élections du mois de novembre dernier.

Si l’on en croit le Financial Times, l’Union européenne accepterait de baisser de 54% ses tarifs douaniers sur les produits agricoles et les États-Unis, de leur côté, abaisseraient le plafond de leurs subventions agricoles de 17 milliards de dollars.

Si l’on peut se réjouir de ces concessions réciproques qui permettraient de relancer l’ensemble de la négociation au-delà du volet agricole, les limites imposées aux négociateurs européens ne sont-elles pas dépassées, au détriment de nos agriculteurs ? La Belgique épouse-t-elle les vues françaises, jugées d’ailleurs passéistes par Mandelson, qui indiquent officieusement que la France ne pourrait accepter ces conditions ?

Un accord agricole entre l’Union européenne et les États-Unis permettrait d’obtenir des pays émergents – Brésil, Inde, Chine – une plus grande ouverture aux produits industriels et aux services des pays riches. Cette phase des négociations dans laquelle nous avons le plus d’intérêts est-elle déjà mûre pour un accord ? Quels seraient les délais requis pour boucler le cycle complet suite à un accord agricole ?

Enfin, Pascal Lamy vient de rencontrer à Addis-Abeba les ministres du Commerce de l’Union africaine. Où en est le dossier sur le coton, une des raisons de l’échec actuel de Doha ? Quelles sont les mesures favorables à la dimension de développement du round de Doha qui ont déjà été engrangées lors des négociations ? La Belgique a-t-elle identifié des mesures de ce type qu’elle désire encore défendre ?

Mevrouw Marie-Hélène Crombé-Berton (MR). – De Top van Davos biedt een unieke gelegenheid om de multilaterale onderhandelingen over de vrijmaking van de wereldhandel en de integratie van ontwikkelingsdoeleinden in het handelsbeleid opnieuw op te starten.

Wat is uw algemene indruk over het klimaat waarin de discussies verlopen en heeft de Amerikaanse administratie haar houding gewijzigd na de democratische verkiezingsoverwinning in november?

Volgens de Financial Times zou de Europese Unie bereid zijn de douanetarieven voor landbouwproducten met 54% te verminderen. De Verenigde Staten, van hun kant, zouden hun landbouwsubsidies met 17 miljard dollar verlagen.

Hoewel we die wederzijdse toegevingen toejuichen omdat ze de onderhandelingen opnieuw op gang kunnen brengen, vragen we ons af of de Europese onderhandelaars hun mandaat hierdoor niet hebben overschreden, ten koste van onze landbouwers. Sluit België zich aan bij de Franse standpunten, die door Mandelson als traditionalistisch worden omschreven en die er officieus op neerkomen dat Frankrijk die voorwaarden onaanvaardbaar acht?

Een akkoord over de landbouw tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten kan ertoe leiden dat opkomende landen als Brazilië, India en China hun grenzen meer zouden openstellen voor industrieproducten en diensten van de rijke landen. Is deze voor ons cruciale fase in de onderhandelingen al rijp voor een akkoord? Eens een akkoord over de landbouw is tot stand gekomen, binnen welke termijn kunnen alle onderhandelingen dan worden afgerond?

Onlangs had Pascal Lamy in Addis Abeba een ontmoeting met de ministers van Handel van de Afrikaanse Unie. Hoever staat het met het katoendossier, dat een van de redenen was van de mislukking van Doha? Welke maatregelen met betrekking tot de ontwikkelingsdimensie van de Doharonde, werden tijdens de onderhandelingen bekomen? Zal België nog maatregelen in die zin verdedigen?

M. Karel De Gucht, ministre des Affaires étrangères. – Notre position n’a pas changé : nous soutenons fermement la recherche d’un accord global et équilibré qui soit de nature à assurer une meilleure intégration des pays en développement dans le système multilatéral des échanges et qui offre à nos entreprises de véritables opportunités d’ouverture des marchés. La négociation est globale et il s’agit, comme vous le soulignez vous-même, de voir se dessiner un accord qui porte sur l’agriculture, les produits industriels, les services, la facilitation du commerce avec la dimension développement en fil rouge.

Ces dernières semaines, les contacts se sont multipliés à haut niveau pour connaître les positions des différents acteurs et leur degré d’engagement à reprendre les négociations. Dans ce cadre, il est nécessaire que notre partenaire américain définisse son attitude et indique ce qu’il est disposé à négocier notamment dans la question du soutien interne à l’agriculture.

Nous avions déjà exprimé cette opinion en juillet lors de la suspension des négociations à Genève.

Cela dit, il faut rappeler, et c’est important, que ces négociations ne concernent pas que l’UE et les États-Unis, ni le G4 ou G6, mais qu’il faut trouver un accord équilibré et acceptable par tous les États membres de l’OMC, en ce compris les pays en développement.

Je ne puis que me réjouir de voir un mouvement s’amorcer et j’espère que ce qui relève pour l’instant de déclarations de bonne volonté va se concrétiser dans les prochaines semaines.

Le commissaire Mandelson qui négocie au nom de l’Union européenne connaît nos limites et travaille avec un mandat que l’ensemble des États membres lui ont confié. La Belgique estime par ailleurs que l’unité de l’UE, qui doit parler d’une seule voix, est essentielle dans ces négociations.

Nous abordons une phase délicate : il nous faut rester fermes et déterminés. Du côté belge, nous travaillons à l’expression de la position belge au sein de l’UE en étroite collaboration notamment avec les régions compétentes en matière agricole. Nous sommes attentifs aux intérêts belges qui doivent être défendus.

Comme vous le savez, il s’agit d’une négociation globale : cela signifie que rien n’est acquis tant que tout n’est pas conclu. Cela étant, je suis très vigilant à ce que la dimension du développement soit bien prise en compte dans les différents sujets qui sont sur la table des négociations.

Nous avons d’ailleurs déjà adopté, indépendamment du cycle actuel de négociations, une décision sur l’aide au commerce qui devrait soutenir la participation effective des pays en développement. La mise en application de cette décision européenne est en cours.

Sur la question spécifique du coton, vous savez que nous avons appuyé et continuons à le faire les pays africains producteurs de coton, pour des raisons de principe mais également parce qu’ils sont les fournisseurs traditionnels et importants de notre industrie textile.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. – Onze houding is niet veranderd: wij wensen uitdrukkelijk dat wordt gezocht naar een algemeen en evenwichtig akkoord dat een betere integratie van de ontwikkelingslanden in de multilaterale handel verzekert en dat de markten kan openstellen voor onze ondernemingen. Het gaat om algemene onderhandelingen. Het is de bedoeling dat een akkoord tot stand komt over de landbouw, de industrieproducten en de diensten, met als rode draad de bevordering van handel met een ontwikkelingsdimensie

De jongste weken waren er talrijke contacten op hoog niveau om de houding te kennen van de verschillende spelers en na te gaan of zij de onderhandelingen wensen te hervatten. In dit opzicht is het belangrijk dat onze Amerikaanse partner zijn houding bepaalt en aangeeft of hij bereid is over de interne landbouwsteun te onderhandelen.

Wij hebben onze houding al duidelijk gemaakt in juli toen de onderhandelingen in Genève werden opgeschort.

Belangrijk is dat de onderhandelingen niet alleen betrekking hebben op de EU en de Verenigde Staten, de G4 of de G6. De overeenkomst moet evenwichtig en aanvaardbaar zijn voor alle lidstaten van de WTO, met inbegrip van de ontwikkelingslanden.

Het verheugt me dat er wat beweging komt en ik hoop dat de goede wil die thans uit de verklaringen blijkt, in de komende weken wordt geconcretiseerd.

Commissaris Mandelson, die namens de Europese Unie onderhandelt, kent onze limieten en heeft een mandaat van alle lidstaten. Voor België is het essentieel dat in deze onderhandelingen Europa met één stem spreekt.

We komen nu in een delicate fase: we moeten vastberaden en standvastig zijn. De Belgische houding binnen de EU wordt bepaald in nauwe samenwerking met de gewesten, die bevoegd zijn voor landbouw. We waken over de verdediging van de Belgische belangen.

Zoals u weet, gaat het om algemene onderhandelingen, wat wil zeggen dat niets is verworven zolang er geen akkoord is over het geheel. Ik let erop dat rekening wordt gehouden met de ontwikkelingsdimensie van de thema’s die op de onderhandelingstafel liggen.

Los van de huidige onderhandelingsronde hebben we overigens al een beslissing goedgekeurd voor de ondersteuning van de handel die een daadwerkelijke participatie van de ontwikkelingslanden beoogt. Die Europese beslissing wordt nu ten uitvoering gelegd.

Wat de katoenproblematiek betreft, blijven we de Afrikaanse katoenproducerende landen ondersteunen, niet alleen om principiële redenen, maar ook omdat ze altijd de traditionele en belangrijke leveranciers voor onze textielindustrie geweest zijn.

Question orale de M. François Roelants du Vivier au ministre des Affaires étrangères sur «la présidence européenne du processus de Kimberley» (nº 3-1377)

Mondelinge vraag van de heer François Roelants du Vivier aan de minister van Buitenlandse Zaken over «het Kimberleyproces dat door de Europese Commissie wordt voorgezeten» (nr. 3-1377)

M. François Roelants du Vivier (MR). – La lutte contre les diamants du sang ou les diamants de la guerre revient au premier plan de l’agenda international, non pas uniquement à travers l’actualité cinématographique, mais par le fait que la Commission européenne préside depuis le 1er janvier le processus de Kimberley.

Malgré une querelle sur les statistiques, on évalue encore à 0,2% le pourcentage des diamants de contrebande servant à financer des conflits armés en Afrique. Cela peut paraître peu, c’est tout de même, malgré tout, 0,2% de diamants bruts sales sur un commerce mondial qui atteint 11 milliards de dollars par an. C’est trop.

La Commission européenne a déclaré son intention d’encourager l’industrie à s’autoréglementer de manière active, en s’appuyant sur le système européen d’autoréglementation des entreprises. Ce processus nécessite la poursuite d’universalisation du processus de Kimberley, qui ne représente que plus ou moins septante pays : quels sont les incitants à l’extension géographique ? Comment mieux sensibiliser l’industrie internationale du diamant à cette problématique ?

Que faire pour rendre le processus de Kimberley plus efficace en portant un coup d’arrêt au commerce illicite de diamants ? Comment renforcer les mécanismes de contrôle interne et la surveillance mutuelle de leur application ? Quelles sont les sanctions prévues à l’encontre d’un pays ou d’une entreprise qui ne respecte pas ses obligations ? Comment mieux protéger des vies innocentes et les moyens d’existence de tous ceux qui dépendent de l’industrie diamantaire en Afrique et ailleurs dans le monde ?

Comment valoriser notre présence au Conseil de sécurité en tant que membre non permanent pour favoriser la prise de décisions qui permettront un meilleur respect des embargos sur les diamants ? Je pense en particulier au Liberia et à la Côte d’Ivoire. Quelle est l’attitude du Congo face au processus de Kimberley ? Ne serait-il pas préférable d’intégrer cette problématique – élargie aux bois précieux et aux autres ressources minérales – dans les situations post-conflits ?

Comment évaluez-vous le travail du groupe d’experts créé par la résolution 1607 du Conseil de sécurité et dont le mandat a été prolongé jusqu’au 20 juin 2007 ? C’est précisément pendant ce mois que la Belgique exercera la présidence du Conseil de sécurité.

Monsieur le ministre, notre pays s’étant engagé, début novembre au Botswana, à promouvoir des mesures relatives au contrôle des mines de taille réduite, quelles sont vos ambitions et le calendrier que vous vous êtes fixé ?

De heer François Roelants du Vivier (MR). – De strijd tegen bloed- of conflictdiamant staat weer hoog op de internationale agenda, niet alleen omwille van de filmactualiteit, maar ook omdat de Europese Commissie sinds 1 januari het Kimberleyproces voorzit.

Het aandeel van de smokkeldiamant die wordt gebruikt om gewapende conflicten in Afrika te financieren, wordt op 0,2% geraamd. Dat kan weinig lijken, maar het gaat toch om 0,2% vuile ruwe diamant op een wereldhandel die jaarlijks 11 miljard dollar beloopt. Dat is te veel.

De Europese Commissie verklaarde dat ze de industrie zou aansporen tot actieve zelfregulering steunend op het Europese stelsel voor zelfregulering van ondernemingen. Daartoe moet de geografische reikwijdte van het Kimberleyproces, dat maar een zeventigtal landen omvat, worden uitgebreid.

Op welke manier kan de geografische uitbreiding worden gestimuleerd?

Hoe kunnen we de internationale diamantsector voor deze problematiek sensibiliseren?

Wat kunnen we doen om ervoor te zorgen dat het Kimberleyproces erin slaagt de onwettige handel in diamant een halt toe te roepen? Hoe kunnen we de interne controle en het toezicht erop versterken? Welke sancties kunnen worden genomen tegen een staat of een onderneming die zijn of haar verplichtingen niet nakomt? Hoe kunnen we het leven van onschuldigen en de bestaansmiddelen van al degenen die afhangen van de diamantindustrie in Afrika en in de rest van wereld, beter beschermen?

Kunnen wij ons lidmaatschap als niet-permanent lid van de Veiligheidsraad niet aanwenden om de embargo’s op diamant beter te doen respecteren? Ik denk in het bijzonder aan Liberia en Ivoorkust. Hoe kijkt Congo tegen het Kimberleyproces aan? Moet deze problematiek, die kan worden uitgebreid tot de kostbare houtsoorten en andere minerale rijkdommen, niet worden geïntegreerd in de aanpak van postconflictsituaties?

Hoe evalueert u de werkgroep van experts die bij resolutie 1607 van de Veiligheidsraad werd opgericht en waarvan het mandaat tot 20 juni 2007 werd verlengd? Precies in die maand zal België het voorzitterschap van de Veiligheidsraad waarnemen.

Wat zijn de ambities en het tijdschema van de minister nu ons land zich begin november in Botswana ertoe verbonden heeft de controle van kleine mijnen te ondersteunen?

M. Karel De Gucht, ministre des Affaires étrangères. – Le processus de Kimberley a le grand mérite d’exister et doit servir d’exemple pour d’autres matières premières.

Ce processus a été lancé en 2000, à l’instigation de l’ONU, pour lutter contre les diamants des conflits, aussi appelés « diamants du sang », c’est-à-dire des diamants bruts utilisés par des mouvements rebelles ou leurs alliés afin de financer des conflits visant à renverser des gouvernements légitimes.

Les efforts des gouvernements, des industries diamantaires et des organisations non gouvernementales ont abouti en 2003 à la création d’un système de certification. Ce système requiert des pays participants un contrôle de la production et du commerce des diamants bruts. Sur la base de ces contrôles, les participants peuvent émettre des certificats du processus de Kimberley qui garantissent l’origine non conflictuelle des diamants bruts qu’ils exportent.

Actuellement, tous les grands centres de production, de taille et de commerce de diamants de quelque 70 pays participent au processus de Kimberley.

Le commerce de diamants avec des pays non participants qui n’appliquent pas les mêmes règles est interdit afin de préserver l’intégrité du commerce légal dans le cadre du processus de Kimberley.

Les résultats obtenus jusqu’ici sont très positifs : les diamants de conflits représentent aujourd’hui moins de 1% du commerce international de diamants bruts contre 4% dans les années 90. On peut estimer aujourd’hui que 99% des diamants sont « propres ». Ce mécanisme a contribué à la fin des conflits en Afrique de l’Ouest, en RDC et en Angola.

La véritable réussite du processus de Kimberley se mesure en réalité davantage par ses effets sur la vie des habitants de ces pays que par les données commerciales. La République démocratique du Congo, par exemple, a enregistré un niveau record d’exportation depuis la découverte de diamants en 1907, avec plus de 900 millions de dollars US en 2005. L’État congolais a ainsi récupéré par les taxes, grâce à l’application des règles du processus de Kimberley, des ressources qui lui échappaient auparavant.

Pour les pays participants, un système de sanctions a été mis en place. Si un pays membre ne respecte pas ses engagements, la sanction peut aller jusqu’à l’exclusion du processus de Kimberley et, par conséquent, du marché.

En vue de remédier à ce problème, plusieurs pays ont déjà été sanctionnés ou soumis à un régime temporaire et spécifique, à savoir le Congo-Brazzaville, le Liban et le Ghana. Les rapports des experts de l’ONU, examinés lors du sommet de Gaborone de novembre 2006, ont montré que des diamants provenant de Côte d’Ivoire étaient exportés illégalement via le Ghana. La dénonciation de ces faits a conduit le Ghana à cesser cette pratique.

Comme vous, je reconnais que le montant de 0,2% détourné par la contrebande et servant à financer des conflits armés en Afrique est encore trop élevé.

Le système tend nécessairement vers l’universalité. Sa réussite est un facteur d’attractivité pour les pays qui n’en sont pas encore membres. L’industrie diamantaire est très sensible à ce problème et coopère pleinement.

Le grand défi pour l’avenir est la mise en œuvre, de la manière la plus efficace possible, des règles du processus. Le contrôle interne des pays producteurs doit être amélioré. L’objectif est, notamment, de faire passer les creuseurs de diamants de l’économie informelle à l’économie formelle. La Belgique recherche activement une solution en ce sens. Elle finance, à cet effet, une étude internationale sur le contrôle interne dont les premiers résultats seront présentés lors de la conférence qui aura lieu à Bruxelles, en novembre prochain, sur le processus de Kimberley.

La Commission européenne assure la présidence du processus de Kimberley durant l’année 2007. Les règles du processus sont mises en œuvre par la Communauté européenne dans le cadre du règlement CE 2368/2002 qui définit les contrôles exercés sur les importations et les exportations de diamants ainsi que les règles d’émission des certificats du processus de Kimberley. Ce règlement définit clairement le système d’autorégulation des entreprises diamantaires. Les administrations nationales des États membres assurent la mise en œuvre de ces règles en collaboration avec les industries du diamant et sous le contrôle de la Commission européenne.

Les objectifs de la commission pour l’année 2007 sont les suivants :

intensifier la lutte contre les diamants des conflits en renforçant le processus de Kimberley par la mise en œuvre des recommandations issues de l’examen triennal réalisé en 2006 ;

promouvoir la paix et la sécurité en utilisant le processus de Kimberley en tant qu’instrument de prévention des conflits ;

soutenir le développement et la prospérité par une utilisation durable des ressources naturelles.

Notre pays occupe, pour deux ans, un siège non permanent au sein du Conseil de sécurité de l’ONU qui a déjà joué un rôle très positif en encourageant le processus. L’importance de la place d’Anvers dans l’industrie diamantaire et la présidence européenne du processus de Kimberley en 2007 expliquent pourquoi notre pays se sent particulièrement concerné par le suivi du processus de Kimberley à l’ONU.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. – Het Kimberleyproces heeft de grote verdienste dat het bestaat en tot voorbeeld strekt voor andere grondstoffen.

Het proces werd in 2000 opgestart op initiatief van de VN om de strijd aan te binden tegen de conflict- of bloeddiamant. Het gaat om ruwe diamant die door rebellenbewegingen of hun bondgenoten worden aangewend voor de financiering van conflicten met de bedoeling legitieme regeringen omver te werpen.

De inspanningen van regeringen, van de diamantsector en van niet-gouvernementele organisaties hebben geleid tot de oprichting in 2003 van een certificeringssysteem. De deelnemende landen moeten de productie en de handel in ruwe diamant controleren. Op basis van die controles kunnen ze Kimberleyprocescertificaten uitreiken die garanderen dat de uitgevoerde diamant niet uit conflictgebieden komt.

Op het ogenblik zijn alle grote centra voor de productie, het slijpen en de handel in diamant van een zeventigtal landen betrokken bij het Kimberleyproces.

De diamanthandel met niet deelnemende landen die niet dezelfde regels toepassen, is verboden om te vermijden dat de integriteit van de wettige handel in het kader van het Kimberleyproces wordt aangetast.

De bekomen resultaten zijn tot nog toe bijzonder positief: conflictdiamant vertegenwoordigt vandaag minder dan 1% van de internationale handel in ruwe diamant, tegenover 4% in de jaren ’90. Aangenomen wordt dat 99% van de diamant vandaag ‘clean’ is. Het stelsel heeft bijgedragen aan de beëindiging van conflicten in West-Afrika, de DRC en in Angola.

Het echte succes van het Kimberleyproces kan echter beter worden afgemeten aan de gevolgen ervan voor de inwoners van deze landen dan aan de handelsstatistieken. Zo heeft de Democratische Republiek Congo in 2005 diamant uitgevoerd voor meer dan 900 miljoen Amerikaanse dollar; het hoogste niveau sinds de ontdekking van diamant in 1906. Dank zij de toepassing van de regels van het Kimberleyproces kan de Congolese Staat, via belastingheffing, opnieuw aanspraak maken op zijn natuurlijke rijkdommen.

Voor de deelnemende landen werd een sanctiestelsel uitgewerkt. Als een land zijn verplichtingen niet nakomt, kan het worden uitgesloten van het Kimberleyproces en dus ook van de markt.

Meerdere landen kregen al sancties opgelegd of werden onderworpen aan een tijdelijk en specifiek stelsel, met name Congo-Brazzaville, Libanon en Ghana. De rapporten van de VN-experts die werden onderzocht op de top van Gaborone in november 2006, hebben aangetoond dat de diamanten uit Ivoorkust illegaal werden uitgevoerd via Ghana. Inmiddels heeft Ghana deze praktijk stopgezet.

Ik ben het ermee eens dat 0,2% smokkeldiamant voor de financiering van gewapende conflicten in Afrika, nog te veel is.

Het proces moet noodzakelijkerwijze tot alle landen worden uitgebreid. Het succes ervan moet de landen die nog geen lid zijn, ertoe aanzetten deel te nemen. De diamantsector is erg begaan met het probleem en werkt heel goed mee.

De grote uitdaging voor de toekomst bestaat erin de regels van het proces zo doeltreffend mogelijk toe te passen. De interne controle van de producerende landen moet worden verbeterd. België zoekt actief naar een oplossing om de diamantgravers van de informele naar de formele economie te leiden. Daartoe financieren wij een internationale studie over de interne controle waarvan de eerste resultaten zullen worden voorgesteld op een conferentie over het Kimberleyproces die in november in Brussel zal plaatsvinden.

De Europese Commissie zit in 2007 het Kimberleyproces voor. De regels van het proces worden door de Europese Gemeenschap uitgevoerd met Verordening (EG) 2368/2002 die de controle op de invoer en de invoer van diamant en de regels van de Kimberleyprocescertificering vastlegt. De verordening regelt ook het stelsel van zelfregulering van de diamantsector. De nationale administraties van de lidstaten moeten deze regels toepassen in samenwerking met de diamantsector en onder de controle van de Europese Commissie.

De doelstellingen van de Commissie voor 2007 zijn de volgende:

de strijd tegen conflictdiamant opvoeren door het Kimberleyproces te versterken via de uitvoering van de aanbevelingen die voortvloeien uit het driejaarlijkse onderzoek van 2006;

vrede en veiligheid bevorderen door het Kimberleyproces aan te wenden als een instrument voor conflictpreventie;

de ontwikkeling en de welvaart ondersteunen door het duurzaam gebruik van natuurlijke rijkdommen.

Ons land is gedurende twee jaar niet-permanent lid van de Veiligheidsraad van de VN die het proces altijd heeft aangemoedigd. De belangrijke plaats van Antwerpen in de diamantsector en het Europese voorzitterschap van het Kimberleyproces in 2007 verklaren waarom ons land zich bijzonder betrokken voelt bij de opvolging van het Kimberleyproces in de VN.

M. François Roelants du Vivier (MR). – Je suis particulièrement satisfait de la réponse très complète du ministre qui indique, d’une part, la volonté du gouvernement de poursuivre dans la voie qu’il a tracée et, d’autre part, la collaboration de l’industrie diamantaire.

S’il plaît au destin que le ministre et moi-même soyons à la même place dans quelques mois, je l’interrogerai évidemment sur l’étude qui est actuellement en préparation et qui doit être présentée en novembre de cette année.

De heer François Roelants du Vivier (MR). – Ik ben heel tevreden met het bijzonder volledige antwoord van de minister. Hij verklaarde dat de regering wenst voort te gaan op de ingeslagen weg en wees ook op de medewerking van de diamantsector.

Als het lot beschikt dat de minister en ikzelf over enkele maanden nog dezelfde functie hebben, zal ik hem uiteraard ondervragen over de studie die in november zal worden voorgesteld.

Question orale de Mme Isabelle Durant au ministre des Affaires étrangères sur «la visite en Belgique de Mme Consuelo Araújo, ministre des Relations Extérieures de la Colombie» (nº 3-1379)

Mondelinge vraag van mevrouw Isabelle Durant aan de minister van Buitenlandse Zaken over «het bezoek aan België van mevrouw Consuelo Araújo, minister van Buitenlandse Betrekkingen van Colombia» (nr. 3-1379)

Mme Isabelle Durant (ECOLO). – Mme Consuelo Araújo, ministre des relations extérieures de la Colombie entame une visite officielle en Europe à la fin du mois de janvier. Elle sera en Belgique au début du mois de février. Or, Mme Araújo est étroitement liée à des groupes paramilitaires colombiens, ainsi qu’à des réseaux de narcotrafiquants. La Cour suprême de Justice vient d’ouvrir une enquête sur les activités du frère de la ministre, le sénateur Álvaro Araújo, ainsi que sur son cousin, pour association avec des groupes paramilitaires.

Une rencontre ministérielle pourrait peut-être contribuer à la relance du dialogue avec les FARC en vue d’un processus de paix et d’une libération des milliers d’otages mais je me demande s’il est opportun de rencontrer Mme Araújo. Au vu de sa situation et de celle de sa famille, j’ai peine à croire qu’elle puisse amener un semblant de solution pacifique et démocratique dans un pays où la corruption, les trafics et la violence règnent en maître.

Le ministre a-t-il vraiment l’intention de rencontrer Mme Araújo ? Dans l’affirmative, quelle attitude prendra le gouvernement belge face à la Colombie en matière de libertés, de droits de l’homme, de lutte contre les groupuscules paramilitaires, de lutte contre le narcotrafic et de soutien à une politique négociée de libération des otages ? Le ministre estime-t-il opportun pour la Belgique d’accéder à une éventuelle demande d’aide financière de notre pays à la Colombie dans le cadre de la lutte contre ces fléaux ?

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). – Mevrouw Consuelo Araújo, minister van Buitenlandse Betrekkingen van Colombia, brengt eind januari een officieel bezoek aan Europa. Ze zal begin februari in België zijn. Mevrouw Araújo heeft nauwe banden met paramilitaire groepen in Colombia en met netwerken van drugstrafikanten. Het Hooggerechtshof heeft een onderzoek geopend naar de activiteiten van de broer van de minister, senator Álvaro Araújo, en van haar neef, wegens banden met paramilitaire groepen.

Een ontmoeting met de minister kan misschien bijdragen aan de hervatting van de dialoog met de FARC met het oog op het vredesproces en de vrijlating van duizenden gegijzelden, maar ik vraag me af of het opportuun is mevrouw Araújo te ontmoeten. Gelet op haar positie en die van haar familie kan ik moeilijk geloven dat zij kan bijdragen aan een vreedzame en democratische oplossing in een land waar corruptie, drugstrafiek en geweld hoogtij vieren.

Heeft de minister de bedoeling mevrouw Araújo te ontmoeten? Zo ja, welke houding zal de Belgische regering dan aannemen tegenover Colombia inzake de vrijheden, de mensenrechten, de strijd tegen de paramilitaire groepen en de drugstrafiek en de steun voor een beleid van onderhandelingen voor de bevrijding van de gegijzelden? Acht de minister het raadzaam dat België ingaat op een mogelijk verzoek om financiële hulp aan Colombia voor de strijd tegen die kwalen?

M. Karel De Gucht, ministre des Affaires étrangères. – La guerre civile sévit en Colombie depuis près de quarante ans. Les causes en sont les extrêmes inégalités socio-économiques, la corruption, l’absence de réforme agraire, ainsi que le faible niveau de collecte de l’impôt qui prive le gouvernement de moyens de fonctionnement.

Le président Uribe mène une politique de sécurité démocratique dont la priorité est de rétablir l’autorité de l’État sur tout le territoire colombien afin d’assurer la sécurité et la stabilité pour tous les citoyens. Cette politique est soutenue par une écrasante majorité de la population colombienne.

Les négociations avec les principaux groupes paramilitaires ont permis leur démobilisation et une baisse importante de la violence.

Des négociations avec l’ELN sont en cours, tandis que les négociations avec le principal mouvement de guérilla, les FARC, ont été interrompues à la suite d’un attentat survenu au mois d’octobre.

Je me suis rendu en Colombie au mois de novembre où j’ai rencontré mon homologue, d’autres représentants du gouvernement, ainsi que de nombreux représentants de l’opposition et de la société civile.

La politique de la Belgique vis-à-vis de la Colombie est une politique d’engagement constructif et critique. Nous encourageons les autorités colombiennes à poursuivre le processus de paix à travers les négociations, que ce soit avec les groupes paramilitaires ou avec la guérilla, à mener à bien la démobilisation et la réintégration des acteurs armés illégaux et à juger sans complaisance les responsables de crimes contre l’humanité tout en favorisant la réconciliation nationale.

La Belgique est active dans ce domaine. Nous finançons – sur le budget « diplomatie préventive » – des actions visant à la réinsertion d’enfants soldats ou cherchant à lutter contre le recrutement par les groupes armés illégaux dans les camps de réfugiés.

La Belgique est attentive à la situation catastrophique des droits de l’homme. Nous abordons cette question lors de chaque contact bilatéral et nous soutenons l’action du bureau du haut commissaire des Nations unies pour les droits de l’homme en Colombie.

Lors de ma visite en Colombie, j’ai abordé la question des otages en plaidant pour une solution négociée.

À la suite de cette visite, il a également été décidé de renforcer la coopération bilatérale en matière de lutte contre le trafic de drogue.

La société colombienne est extrêmement polarisée. Les liens entre les groupes armés illégaux, paramilitaires ou de la guérilla, et certains éléments de la classe politique sont malheureusement fréquents.

J’ai connaissance des accusations qui pèsent sur le frère de Mme Araújo et suis attentif à l’action de la justice colombienne. À ma connaissance, celle-ci ne s’est pas encore prononcée sur cette affaire. Je reste adepte du principe de la présomption d’innocence qui vaut pour le frère de Mme Araújo et a fortiori pour cette dernière. Je continue donc, jusqu’à preuve du contraire, à considérer Mme Araújo comme un interlocuteur valable.

Je dois ajouter que je ne pourrai en principe pas la rencontrer lors de sa visite en Belgique, le 1er février, car je serai à l’étranger, notamment en Serbie.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. – In Colombia heerst al sedert bijna veertig jaar een burgeroorlog. De oorzaken ervan zijn de extreme sociaal-economische ongelijkheid, de corruptie, het uitblijven van een landbouwhervorming en het lage niveau van belastinginning, waardoor de regering niet over de nodige middelen beschikt om iets te doen.

President Uribe voert een democratisch veiligheidsbeleid. Zijn prioriteit is het herstel van het staatsgezag op het gehele Colombiaanse grondgebied om veiligheid en stabiliteit voor alle burgers te garanderen. De overgrote meerderheid van de Colombiaanse bevolking steunt dit beleid.

De onderhandelingen met de belangrijkste paramilitaire groeperingen hebben geleid tot hun demobilisatie en een sterke daling van het geweld.

Onderhandelingen met de ELN zijn aan de gang. De onderhandelingen met de belangrijkste guerrillabeweging, de FARC, werden onderbroken na een aanslag in oktober.

Ik ben in november naar Colombia gereisd. Ik heb er mijn ambtgenoot en andere regeringsvertegenwoordigers ontmoet, alsook vele vertegenwoordigers van de oppositie en van de civiele maatschappij.

Het Belgische beleid ten opzichte van Colombia is er een van opbouwend en kritisch engagement. Wij moedigen de Colombiaanse autoriteiten aan om het vredesproces voort te zetten via onderhandelingen, zowel met de paramilitaire groeperingen, als met de guerrilla, om de demobilisatie en de reïntegratie van illegale gewapende actoren tot een goed einde te brengen, om de misdaden tegen de menselijkheid streng te veroordelen en tegelijkertijd de nationale verzoening aan te moedigen.

Op de begroting ‘preventieve diplomatie’ financieren wij acties om kindsoldaten te reïntegreren of de rekrutering door illegale gewapende groepen in vluchtelingenkampen te bestrijden.

België heeft aandacht voor de catastrofale mensenrechtensituatie. Wij snijden dit onderwerp aan tijdens elk bilateraal contact en ondersteunen de actie van het bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten in Colombia.

Tijdens mijn bezoek aan Colombia heb ik gepleit voor een onderhandelde oplossing voor de gegijzelden.

Er werd ook beslist de bilaterale samenwerking in de strijd tegen de drugstrafiek te versterken.

De Colombiaanse samenleving is uitermate gepolariseerd. Banden tussen illegale gewapende groepen, paramilitairen of guerrilla en bepaalde politici komen helaas veel voor.

Ik ken de beschuldigingen aan het adres van de broer van mevrouw Araújo en heb aandacht voor het optreden van de Colombiaanse justitie. Bij mijn weten heeft die zich nog niet over de zaak uitgesproken. Ik houd vast aan het principe van het vermoeden van onschuld. Dat geldt ook voor de broer van mevrouw Araújo en a fortiori voor haarzelf. Ik blijf mevrouw Araújo dan ook, tot bewijs van het tegendeel, als volwaardig gesprekspartner beschouwen.

Ik voeg eraan toe dat ik haar tijdens haar bezoek op 1 februari in België niet zal kunnen ontmoeten, aangezien ik dan in Servië ben.

Mme Isabelle Durant (ECOLO). – Je remercie le ministre de sa réponse. Je partage son opinion quant à la présomption d’innocence. J’espère que la Belgique qui a opté jusqu’à présent pour une politique à la fois prudente et constructive maintiendra cette attitude, quelle que soit l’issue des problèmes judiciaires de Mme Araújo et de son entourage.

Par ailleurs, la libération récente d’un otage doit nous inciter à poursuivre dans la logique d’une solution négociée. C’est la seule voie pour parvenir peut-être un jour à libérer les quelques milliers de personnes retenues en otages, dont Ingrid Betancourt.

Vous savez sans doute, monsieur le ministre, que nous sommes quelques femmes, dans ce parlement, à être très actives sur cette question. Voici un peu moins d’un an, une mission de femmes parlementaires, tous partis confondus – dont ma collègue d’origine colombienne, élue de la Chambre – s’est rendue en Colombie. Nous sommes également très attentives à collaborer avec vous, monsieur le ministre, afin d’apporter notre contribution à cette éventuelle libération qui pourrait elle aussi être le signe d’une certaine pacification ultérieure dans ce pays.

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). – Ik deel de mening van de minister inzake het vermoeden van onschuld. Ik hoop dat België zijn voorzichtige en constructieve beleid zal voortzetten, wat ook de uitkomst is van de gerechtelijke problemen van mevrouw Araújo en haar entourage.

De recente bevrijding van een gegijzelde moet ons ertoe aanzetten om verder te gaan in de richting van onderhandelde oplossingen. Dat is de enige manier om op een dag misschien de duizenden gegijzelden, onder wie Ingrid Betancourt, te kunnen bevrijden.

U weet, mijnheer de minister, dat een aantal vrouwen in dit parlement op dit vlak zeer actief zijn. Iets minder dan een jaar geleden zijn enkele vrouwelijke parlementsleden van alle partijen, onder wie mijn collega van Colombiaanse origine in de Kamer, naar Colombia gereisd. Wij willen ook nauw met u samenwerken om een bijdrage te leveren aan een mogelijke bevrijding van de gegijzelden. Dat kan ook een signaal zijn voor een latere pacificatie van het land.

M. Karel De Gucht, ministre des Affaires étrangères. – Lors de ma visite, j’ai évidemment parlé de Mme Betancourt. Les perspectives pour une solution négociée étaient alors plutôt favorables. Depuis, le gouvernement colombien a envisagé une action militaire. Je pense bien entendu que ce n’est pas une bonne démarche et qu’il faut absolument opter pour une solution négociée. J’insiste auprès des autorités colombiennes dans ce sens. Ce sont les propos qui seront tenus à la ministre des Affaires étrangères lors de sa visite.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. – Tijdens mijn bezoek heb ik uiteraard ook over mevrouw Betancourt gesproken. Het uitzicht op een onderhandelde oplossing was toen vrij gunstig. Sindsdien heeft de Colombiaanse regering een militaire actie overwogen. Uiteraard vind ik dat geen goede zet. Er moet absoluut voor een onderhandelde oplossing worden gekozen. Ik dring daarop aan bij de Colombiaanse autoriteiten. Dat zal ook worden gezegd aan de minister van Buitenlandse Betrekkingen tijdens haar bezoek.

Mme la présidente. – De manière plus générale, je vous signale que le Bureau du Sénat a accepté d’inviter M. Enrique Iglesias, secrétaire général du sommet ibéro-américain. Nous pourrons débattre des questions latino-américaines à cette occasion.

De voorzitter. – Ik wijs erop dat het Bureau van de Senaat de heer Enrique Iglesias, secretaris-generaal van de Ibero-Amerikaanse top, zal uitnodigen. Bij die gelegenheid kunnen we over de Latijns-Amerikaanse kwesties debatteren.

Question orale de M. Lionel Vandenberghe au ministre de l’Économie, de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la Politique scientifique sur «les rapports sur le commerce en matière d’armements que le gouvernement doit remettre au Parlement» (nº 3-1380)

Mondelinge vraag van de heer Lionel Vandenberghe aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «het rapporteren door de regering aan het Parlement over wapenhandel» (nr. 3-1380)

Mme la présidente. – M. Karel De Gucht, ministre des Affaires étrangères, répondra.

De voorzitter. – De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

M. Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Depuis la régionalisation, le gouvernement fédéral n’est plus responsable que des rapports relatifs à l’importation, à l’exportation et au transit d’armes de l’armée belge et de la police fédérale.

Au début de cette semaine, les membres de la commission des Affaires étrangères et de la Défense ont reçu une lettre du président de commission Roelants du Vivier les informant qu’ils pouvaient retirer le rapport relatif à la période allant du 1er septembre 2003 au 31 décembre 2005. Entre-temps, j’ai eu l’occasion de compulser ce rapport ainsi que celui du premier semestre 2006.

L’article 17 de la loi fédérale du 5 août 1991 relative au commerce des armes, modifiée en 2003, exige un rapport annuel détaillé et un rapport semestriel. L’article 17 fixe les informations qui doivent figurer dans les rapports susvisés. Le rapport semestriel doit donner un aperçu des « licences accordées et refusées pour les marchandises relevant de la présente loi avec, pays par pays, le montant total et le nombre de licences réparties par catégorie de destination et par catégorie de matériel ». En outre, il fera mention de manière distincte de la délivrance et du refus d’octroi de licences pour l’exportation de matériel visant le développement de la capacité de production militaire.

Étant donné la nature des données, je présume que les deux rapports sont compris comme étant les rapports semestriels de la période allant du 1er septembre 2003 au 30 juin 2006 et qu’aucun rapport annuel détaillé n’a encore été déposé au parlement.

1. Quand le ministre déposera-t-il au parlement fédéral les rapports annuels reprenant tous les éléments énumérés à l’article 17 et ce, pour les années 2003, 2004, 2005 et 2006 ?

2. Pourquoi ces rapports se font-ils tant attendre ?

3. Même s’il ne s’agit ici que de rapports semestriels, ils ne sont pas complets non plus. Ainsi, aucune information n’a été fournie quant aux refus de licences et le rapport ne mentionne pas de manière distincte la délivrance et le refus d’octroi de licences d’exportation visant le développement de la capacité de production militaire. En outre les rapports n’indiquent que sporadiquement la catégorie de destination et la catégorie de matériel, comme l’exige pourtant explicitement l’article 17 de la loi. Le ministre reconnaît-il ces manquements ? Est-il prêt à transmettre au plus vite des informations complètes pour la période allant du 1er septembre 2003 au 30 juin 2006 ?

4. Au niveau flamand, les rapports relatifs au commerce des armes sont remis plus rapidement et de manière plus transparente et plus complète. Le gouvernement flamand publie mensuellement sur son site un rapport reprenant toutes les licences accordées et refusées en indiquant respectivement pour chacune le pays de destination, le pays d’origine, la nature des marchandises réparties dans les 22 catégories de la liste de l’Union européenne, l’utilisateur final et la valeur de chaque transaction individuelle. Le ministre est-il disposé à pratiquer cette forme transparente de rapport au niveau fédéral ?

5. Est-il disposé à remettre régulièrement les rapports au parlement et à les publier sur le site web de son département ?

De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Sinds de gewesten bevoegd zijn voor de wapenexport, is de federale regering alleen nog verantwoordelijk voor de rapportering over de in-, uit- en doorvoer van wapenmateriaal van het Belgische leger en de federale politie.

Begin deze week ontvingen de leden van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en de Landsverdediging een brief van commissievoorzitter Roelants du Vivier met de mededeling dat ze het verslag over de periode van 1 september 2003 tot 31 december 2005 konden opvragen. Ondertussen heb ik dat verslag en ook het verslag met betrekking tot het eerste semester van 2006 kunnen inkijken.

Artikel 17 van de federale wapenwet van 5 augustus 1991, gewijzigd in 2003, vereist een jaarlijks uitgebreid verslag én een zesmaandelijks verslag. Artikel 17 bepaalt tevens welke elementen zeker in voorvernoemde verslagen moeten worden opgenomen. Het zesmaandelijks verslag moet een overzicht geven van ‘de verstrekte en geweigerde vergunningen voor de goederen die onder deze wet vallen, met land per land het totaal bedrag en het aantal vergunningen ingedeeld per categorie van bestemmeling en per categorie van materieel.’ Bovendien moet afzonderlijk melding worden gemaakt van de afgifte en weigering van exportvergunningen met de uitbouw van een militaire productiecapaciteit als doel.

Gezien de aard van de gegevens veronderstel ik dat beide verslagen bedoeld zijn als de zesmaandelijkse verslagen voor de periode van 1 september 2003 tot 30 juni 2006 en zijn er voor die periode nog geen uitgebreide jaarlijkse verslagen bij het parlement ingediend.

1. Wanneer zal de minister de jaarlijkse verslagen met alle elementen opgesomd in artikel 17 voor 2003, 2004, 2005 en 2006 bij het Federaal Parlement indienen?

2. Waarom laten die verslagen zo lang op zich wachten?

3. Zelfs als het hier alleen de halfjaarlijkse verslagen betreft, zijn ook die niet volledig. Zo werden geen gegevens verstrekt over de geweigerde vergunningen en worden de afgifte en weigering van exportvergunningen met de uitbouw van een militaire productiecapaciteit als doel niet afzonderlijk in het verslag vermeld. Bovendien worden de categorie van bestemmeling en de categorie van materieel slechts sporadisch in de verslagen vermeld. Nochtans is dat volgens het bewuste artikel 17 ondubbelzinnig verplicht.

Erkent de minister die tekortkomingen? Is hij bereid om zo snel mogelijk volledige gegevens voor de periode van 1 september 2003 tot 30 juni 2006 bekend te maken?

4. Op Vlaams niveau wordt over de wapenhandel veel sneller, transparanter en vollediger gerapporteerd. De Vlaamse regering publiceert maandelijks op haar webstek een verslag, waarin van alle toegekende en geweigerde vergunningen telkenmale het land van bestemming, respectievelijk van herkomst, de aard van de goederen ingedeeld in de 22 categorieën van de EU-lijst, het eindgebruik en de waarde van elke individuele transactie worden aangegeven.

Is de minister bereid om die Vlaamse transparante vorm van rapportering ook op het federaal niveau toe te passen?

5. Is de minister bereid om de verslagen op geregelde tijdstippen bij het parlement in te dienen en op de webstek van zijn departement te plaatsen?

M. Karel De Gucht, ministre des Affaires étrangères. – Je vous lis la réponse du ministre Verwilghen.

Les rapports qui peuvent être réclamés sont un rapport détaillé pour la période allant du 1er septembre 2003 au 31 décembre 2005 et un rapport pour le premier semestre 2006. Le commerce des armes étant dorénavant une compétence régionale, ce sont les Régions qui rédigent le rapport annuel détaillé. Éventuellement, les rapports des Régions peuvent également être remis au parlement fédéral.

Aucun rapport n’a été publié pour la période allant de 2003 à 2005 parce qu’on ne savait pas précisément qui devait le déposer : le ministre de la Défense, le ministre des Affaires étrangères ou celui de l’Économie. L’État fédéral n’est compétent que pour l’octroi ou le refus de licences d’importation, d’exportation et de transit d’armes, de munitions et de matériel devant servir spécialement à un usage militaire et de la technologie y afférente pour l’armée belge et la police fédérale. Le rapport relatif au deuxième semestre de 2006 sera déposé très prochainement.

Aucune licence d’importation, d’exportation ou de transit n’a été refusée. Depuis la régionalisation, les licences relatives à la capacité de production militaire ne relèvent plus des compétences fédérales.

À première vue, la pratique actuelle selon laquelle les rapports sont déposés au parlement répond aux exigences en matière de transparence. On étudie d’éventuelles corrections mais, à l’heure actuelle, rien de concret ne va dans ce sens.

Le ministre souhaite poursuivre la pratique en cours à condition que l’on puisse prendre connaissance, à la fin de chaque semestre, des licences octroyées et refusées à l’armée et à la police.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. – Ik lees het antwoord van minister Verwilghen.

De verslagen die kunnen worden opgevraagd, zijn een volledig verslag over de periode van 1 september 2003 tot 31 december 2005 en een verslag over het eerste semester van 2006. Aangezien de wapenhandel tegenwoordig een gewestelijke bevoegdheid is, maken de gewesten het uitgebreide jaarlijkse verslag op. Eventueel kunnen die verslagen van de gewesten ook aan het Federaal Parlement worden bezorgd.

Voor de periode 2003 tot 2005 werd geen verslag uitgebracht omdat het niet duidelijk was wie dat verslag moest indienen: de minister van Landsverdediging, de minister van Buitenlandse Zaken of de minister van Economie. De federale overheid is alleen bevoegd voor de afgifte of weigering van in-, uit- en doorvoervergunningen van wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik dienstig materiaal en de daaraan verbonden technologie voor het Belgisch leger en de politie. Zeer binnenkort wordt het verslag uitgebracht over het tweede semester van 2006.

Er werden geen in-, uit- of doorvoervergunningen geweigerd. Door de regionalisering zijn de vergunningen in verband met de militaire productiecapaciteit geen federale bevoegdheid meer.

De huidige praktijk waarbij de verslagen aan het parlement worden bezorgd, voldoet op het eerste gezicht aan de vereisten van transparantie. Mogelijke verbeteringen worden onderzocht, maar er zijn momenteel geen concrete plannen in de gesuggereerde richting.

De minister wenst de courante praktijk voort te zetten, met dien verstande dat kort na ieder semester kennis kan worden genomen van de afgeleverde en geweigerde vergunningen voor leger en politie.

M. Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Le rapport ne contient que trois pages avec des tableaux et cela pour une période de trois ans. Par contre, le rapport du gouvernement flamand compte une quinzaine de pages avec des tableaux détaillés. Dans le tableau du gouvernement fédéral, on trouve des produits qui coûtent à peine 10 euros et seuls le pays, le nombre de licences et la valeur sont mentionnés. Le rapport fédéral est ridicule. Je demanderai au ministre Verwilghen de donner une réponse plus détaillée et surtout de respecter l’article 17 de la loi, ce qui n’a pas été le cas à présent.

Je demande aux collègues wallons de consulter également les rapports de la Région wallonne. Je ne les ai pas trouvés : sans doute n’existent-ils même pas.

De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Het verslag bevat slechts drie bladzijden met tabellen voor een periode van drie jaar. Het verslag van de Vlaamse regering daarentegen telt een vijftiental bladzijden met uitgebreide tabellen. Op de tabel van de federale regering staan producten van amper 10 euro en alleen het land, het aantal vergunningen en de waarde worden vermeld. Het federale verslag is belachelijk. Ik zal minister Verwilghen vragen een uitgebreider antwoord te geven en vooral artikel 17 van de wet te respecteren, wat nu niet is gebeurd.

Ik vraag de Waalse collega’s ook de verslagen voor het Waalse Gewest te consulteren. Ik heb die niet gevonden, waarschijnlijk bestaan ze zelfs niet.

M. Karel De Gucht, ministre des Affaires étrangères. – J’informerai mon collègue Verwilghen des préoccupations de M. Lionel Vandenberghe en la matière.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. – Ik zal collega Verwilghen op de hoogte brengen van de bezorgdheid van de heer Lionel Vandenberghe.

Question orale de Mme Elke Tindemans au ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances sur «la politique du personnel des organes stratégiques fédéraux et des secrétariats ministériels» (nº 3-1382)

Mondelinge vraag van mevrouw Elke Tindemans aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «het personeelsbeleid bij de federale beleidsorganen en de ministeriële secretariaten» (nr. 3-1382)

Mme Elke Tindemans (CD&V). – Au début de la semaine, la Cour des comptes a publié un rapport critique concernant la politique du personnel menée par les organes stratégiques fédéraux et les secrétariats ministériels, épinglant plusieurs points litigieux. La Cour des comptes pointe en premier lieu le manque de transparence en matière budgétaire. Au quotidien, on ne respecte pas la différence des tâches confiées aux cellules stratégiques et aux secrétariats. Il y aurait en outre des abus dans l’affectation des crédits et le contrôle interne serait insuffisant. Il semble aussi que certains anciens ministres bénéficient d’avantages non réglementaires.

Le ministre est-il d’accord avec les observations de la Cour des comptes ? Quelles mesures entend-il prendre pour faire appliquer la législation ?

Mevrouw Elke Tindemans (CD&V). – In het begin van de week publiceerde het Rekenhof een kritisch verslag over het personeelsbeleid bij de federale beleidsorganen en de ministeriële secretariaten. Het Rekenhof heeft tijdens zijn onderzoek verschillende pijnpunten vastgesteld. Het Rekenhof wijst in de eerste plaats op een gebrek aan doorzichtigheid op het vlak van de begroting. Ook is er in de dagelijkse werking geen respect voor het onderscheid in het takenpakket van de beleidscellen en de secretariaten. Verder zouden kredieten op een oneigenlijke wijze worden aangewend en zou de interne controle ontoereikend zijn. Tot slot blijken enkele gewezen ministers gunsten te genieten die niet conform de regelgeving zijn.

Is de minister het eens met de vaststellingen van het Rekenhof?

Welke maatregelen zal de minister nemen om de regelgeving af te dwingen?

Mme la présidente. – Je félicite Madame Tindemans pour sa première intervention au sein de notre Assemblée.

De voorzitter. – Ik feliciteer mevrouw Tindemans met haar maidenspeech.

M. Christian Dupont, ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances. – Je ne conteste pas les remarques de la Cour des comptes mais je veux les replacer dans leur contexte.

Le traitement des fonctionnaires fédéraux détachés reste à charge du service dont ils sont issus ; seule leur prime est à charge de l’organe stratégique concerné. Le gouvernement essaie ainsi de rendre plus attirant le recours à l’expertise interne des fonctionnaires fédéraux.

La répartition du personnel entre les différentes cellules stratégiques et les secrétariats est respectée dans les grandes lignes. Il se peut que pour certains dossiers qui demandent de la polyvalence, des activités se recoupent temporairement mais cela ne se produit sûrement pas de manière structurelle.

Le contrôle interne en la matière est exercé par la chancellerie du premier ministre, qui prend les initiatives nécessaires pour procéder aux adaptations éventuelles qui s’imposent. En septembre, la chancellerie a constitué un groupe de travail chargé d’analyser les observations de la Cour et d’adapter la réglementation là où cela s’avère nécessaire. Les conclusions du groupe de travail seront prochainement présentées aux instances politiques en vue d’une décision.

La Cour des comptes, dans une recommandation figurant à la fin du rapport, conclut : « Si le contexte administratif actuel ne permet pas de respecter les conditions essentielles évoquées, il faut se demander si la réglementation ne doit pas plutôt être adaptée aux pratiques constatées ».

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. – Ik wil de opmerkingen van het Rekenhof niet betwisten, maar wens ze wel in hun juiste context te plaatsen.

Gedetacheerde federale ambtenaren blijven voor hun wedde ten laste van de dienst waar ze oorspronkelijk aangeworven zijn en enkel hun premie valt ten laste van het betrokken beleidsorgaan. Zo probeert de regering om een beroep op de interne expertise van de federale ambtenaren aantrekkelijk te maken.

In grote lijnen wordt de opdeling van het personeel tussen de diverse beleidscellen en secretariaten in acht genomen. Het kan soms wel gebeuren dat in sommige dossiers, omwille van de noodzaak aan polyvalentie, de activiteiten elkaar tijdelijk doorkruisen, maar dat gebeurt zeker niet op structurele wijze.

De interne controle ter zake wordt uitgevoerd door de kanselarij van de eerste minister, die de nodige initiatieven neemt om indien nodig bij te sturen. De kanselarij heeft daartoe in september een werkgroep opgericht die de vaststellingen van het Hof moet analyseren en, waar nodig, de reglementering kan aanpassen. De conclusies van die werkgroep zullen binnenkort voor beslissing worden voorgelegd aan de politieke instanties.

Ik wijs erop dat het Rekenhof in een aanbeveling in fine van het verslag stelt dat ‘zo de huidige administratieve context niet toelaat om de in het rapport aangehaalde essentiële voorwaarden in acht te nemen, men zich de vraag moet stellen of men niet veeleer de regelgeving moet aanpassen aan de vastgestelde praktijk’.

Mme Elke Tindemans (CD&V). – Je remercie le ministre pour sa réponse. Ce que nous craignons et que nous ne pouvons en aucun cas accepter, c’est précisément que la réglementation soit adaptée à une situation après que des abus aient été constatés et parce que cela profite à certains.

Mevrouw Elke Tindemans (CD&V). – Ik dank de minister voor het antwoord. Wat wij vrezen en waar we zeker niet mee akkoord kunnen gaan is precies dat laatste, namelijk dat de regelgeving wordt aangepast aan een situatie nadat er inbreuken zijn vastgesteld en omdat het sommigen zo beter uitkomt.

Question orale de M. Franco Seminara à la secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées sur «la rémunération des personnes handicapées» (nº 3-1374)

Mondelinge vraag van de heer Franco Seminara aan de staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap over «de bezoldiging van gehandicapte personen» (nr. 3-1374)

M. Franco Seminara (PS). – Pour ma première intervention, j’ai, pour contrebalancer l’émotion de la première fois, le privilège de connaître bien mon sujet, du moins, je le crois. En effet, les douleurs physiques et morales sont de vieilles camarades.

En débutant mon activité parlementaire au sein de la commission des Affaires sociales du Sénat, j’ai assisté avec beaucoup d’intérêt à la discussion relative à une proposition de résolution sur l’égalité de rémunération entre les hommes et les femmes.

La lutte contre toute forme de discrimination est à mes yeux une priorité et je me réjouis notamment qu’au niveau international Mme Arbour ait récemment donné un signal très clair.

En effet, le Haut commissaire aux droits de l’homme a souhaité que la prochaine convention internationale globale et intégrée pour la protection et la promotion des droits et de la dignité des personnes handicapées, actuellement en discussion au siège de l’ONU à New York, puisse pallier les insuffisances du système international en matière de droits des personnes handicapées.

Particulièrement, les délégations des différents pays ont affirmé leur volonté de mieux tenir compte des besoins spécifiques des enfants et des femmes handicapés.

Ainsi, ces dernières devraient pouvoir jouir de leur droit à l’égalité avec les hommes.

Je souhaiterais savoir, madame la secrétaire d’État, si le gouvernement en général et votre département, en particulier, ont été attentifs à cet aspect de la problématique relatif aux femmes handicapées et à leur intégration dans le milieu du travail.

En effet, je partage l’avis de Mme Arbour qui souligne que l’expérience des droits de l’homme montre bien que le respect des droits des personnes handicapées nécessite des délibérations plus approfondies au niveau national sur les besoins des personnes handicapées.

L’ancien secrétaire général des Nations unies, Kofi Annan, a qualifié cet événement d’historique en déclarant « qu’il s’agit là du nouveau premier texte du 21e siècle des droits de l’homme qui confère à la personne handicapée une position juridique ».

Je voudrais terminer, madame la secrétaire d’État, en disant que le handicap ne choisit pas son camp. Les hommes et les femmes sont également touchés mais les femmes sont les plus gravement atteintes. Les femmes handicapées, comme toutes les autres, ne doivent pas être exclues de l’avenir de l’humanité. Quel est l’état de la situation ?

De heer Franco Seminara (PS). – In mijn eerste interventie zal ik het hebben over een onderwerp dat ik goed ken. Ik weet immers al lang wat het betekent om fysiek en psychisch te lijden.

Als kersvers parlementslid heb ik in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden deelgenomen aan de bespreking van een voorstel van resolutie over de gelijke bezoldiging van mannen en vrouwen.

De strijd tegen elke vorm van discriminatie is voor mij een prioriteit. Het verheugt mij dan ook dat Louise Arbour onlangs een sterk signaal heeft gegeven.

Ze drukte als nieuwe hoge VN-commissaris voor de mensenrechten de wens uit dat de internationale VN-conventie ter bevordering en bescherming van de rechten en waardigheid van mensen met een beperking, die momenteel in New York wordt voorbereid, tegemoet zou komen aan de tekortkomingen van het internationale stelsel inzake rechten van gehandicapten.

De delegaties van de verschillende landen hebben verklaard dat ze beter rekening willen houden met de specifieke noden van gehandicapte vrouwen en kinderen.

Vrouwen met een handicap moeten op dezelfde wijze behandeld worden als mannen.

Houdt de regering in het algemeen en het departement van de staatsecretaris in het bijzonder rekening met dit aspect van de problematiek van vrouwen met een handicap en hun integratie op de arbeidsmarkt?

Ik deel de zienswijze van mevrouw Arbour, die vindt dat de ervaringen met mensenrechten aantoont dat voor de inachtneming van de rechten van personen met beperkingen er op nationaal niveau meer diepgaande gesprekken nodig zijn over de noden van gehandicapten.

Voormalig VN-secretaris-generaal Kofi Annan noemde dit een historische gebeurtenis omdat dit het eerste nieuwe mensenrechtenverdrag van de 21ste eeuw is dat een rechtspositie toekent aan de gehandicapte persoon.

De handicap kiest zijn doelwit niet. Mannen en vrouwen worden er in gelijke mate door getroffen, maar de gevolgen zijn erger voor vrouwen. Vrouwen met beperkingen moeten, net als alle andere vrouwen, deel kunnen hebben aan de toekomst van de mensheid en mogen niet worden uitgesloten. Wat is de stand van zaken?

Mme la présidente. – Je félicite également Monsieur Seminara pour sa première intervention au sein de notre Assemblée.

De voorzitter. – Ik feliciteer de heer Seminara met zijn maidenspeech.

Mme Gisèle Mandaila Malamba, secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées, adjointe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – La Convention relative aux droits des personnes handicapées, approuvée le 13 décembre dernier et ouverte à la signature des États dès le 30 mars prochain, est historique à plus d’un titre.

C’est la première fois que des organisations non gouvernementales sont associées à l’élaboration d’une convention des Nations unies. Les associations représentatives de personnes handicapées ont réellement pu faire entendre leur voix. C’est également la première fois que l’Union européenne ratifie un traité relatif aux droits de l’homme. C’est enfin le premier texte international en matière de droits des personnes handicapées.

Sur ce dernier point, la question de la nécessité d’une convention spéciale pour les personnes handicapées a été souvent posée : les personnes handicapées n’ont-elles pas les mêmes droits que n’importe qui d’autre ?

Dans un monde parfait, les droits énumérés dans la Déclaration universelle des droits de l’homme devraient suffire à protéger chacun d’entre nous. Mais, dans la pratique, certains groupes plus vulnérables ont réellement besoin d’une protection spécifique.

Ce constat a été posé par Louise Arbour, Commissaire aux droits de l’homme de l’ONU, que vous citez dans votre question. Mme Arbour a indiqué que « Le système actuel des droits de l’homme était censé protéger et promouvoir les droits des personnes handicapées mais les normes et mécanismes en place n’ont pas réussi à fournir une protection adéquate dans le cas particulier des personnes handicapées. Il est manifestement temps que l’ONU remédie à cette lacune. »

L’article 3 de la convention – relatif aux principes généraux – rappelle le principe d’égalité entre les hommes et les femmes.

L’article 6 de la convention porte une attention particulière aux femmes handicapées.

En droit belge, l’égalité entre les hommes et les femmes est garantie par l’article 10 de la Constitution.

L’égalité de rémunération entre les hommes et les femmes est consacrée par la loi du 7 mai 1999 sur l’égalité de traitement entre hommes et femmes en ce qui concerne les conditions de travail, l’accès à l’emploi et aux possibilités de promotion, l’accès à une profession indépendante et les régimes complémentaires de sécurité sociale.

La loi du 25 février 2003 règle la question de la non-discrimination en général.

Sans effectuer ici un rappel exhaustif de toutes les dispositions légales permettant d’assurer l’égalité entre hommes et femmes et l’égalité entre personnes handicapées et personnes valides en Belgique, il me semble que les bases légales afin de poursuivre l’intégration et l’égalité des femmes handicapées sur le marché du travail sont disponibles.

Lors de notre séance d’hier en commission des Affaires sociales, j’ai pu vous exposer les mesures prises par le gouvernement afin d’améliorer le taux d’emploi des personnes handicapées en général. Ces mesures se combinent avec celles qui sont adoptées par mes collègues du gouvernement pour assurer une meilleure égalité entre hommes et femmes sur le marché du travail : il s’agit des congés spéciaux qui, dans les faits, sont souvent utilisés par les femmes et des campagnes menées en faveur de l’égalité et de la non-discrimination.

Si des mesures complémentaires devaient être prises en ce qui concerne l’intégration des femmes handicapées sur le marché du travail, le gouvernement y répondrait de la façon la plus adéquate possible.

À cet égard, le suivi de la convention, assuré par le comité ad hoc et par les États permettra de mettre en lumière d’éventuels risques encourus par les femmes handicapées sur le marché du travail.

Mevrouw Gisèle Mandaila Malamba, staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – De Conventie voor gelijke rechten van personen met een handicap die op 13 december 2006 werd goedgekeurd en vanaf 30 maart door de Staten kan worden ondertekend, is in meer dan één opzicht historisch.

Het is de eerste keer dat niet-gouvernementele organisaties betrokken worden bij de opstelling van een VN-conventie. De verenigingen die gehandicapten vertegenwoordigen, hebben een stem in het kapittel gehad. Het is ook de eerste keer dat de Europese Unie een mensenrechtenverdrag ratificeert en het is de eerste internationale tekst die betrekking heeft op de rechten van personen met een handicap.

Vaak werd de vraag gesteld of een bijzondere conventie voor gehandicapten noodzakelijk was: hebben personen met beperkingen niet dezelfde rechten als alle andere?

In een volmaakte wereld, zouden de rechten die zijn opgesomd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens moeten volstaan voor de bescherming van elk van ons. In de praktijk blijkt dat voor sommige kwetsbare groepen een specifieke bescherming nodig is.

Die vaststelling werd vertolkt door VN-mensenrechtencommissaris Louise Arbour. Ze zei immers dat het huidige stelsel van mensenrechten geacht wordt de rechten van personen met beperkingen te beschermen en te bevorderen, maar aan de hand van de vigerende normen en mechanismen wordt er geen afdoende bescherming geboden aan personen met een handicap. Het is hoog tijd dat de VN die lacune invult.

Artikel 3 van de Conventie gaat over de algemene beginselen en brengt het principe van gelijkheid tussen mannen en vrouwen in herinnering.

Artikel 6 handelt in het bijzonder over vrouwen met een handicap.

In het Belgisch recht wordt de gelijkheid van mannen en vrouwen gewaarborgd door artikel 10 van de Grondwet.

Het recht op gelijk loon voor mannen en vrouwen wordt bevestigd door de wet van 7 mei 1999 op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid.

Het algemeen verbod op discriminatie wordt geregeld door de wet van 25 februari 2003.

Ik zal niet alle bepalingen opsommen die de gelijkheid van mannen en vrouwen en de gelijkheid van gehandicapte en valide personen in België garanderen, maar ik denk dat er voldoende wettelijke grondslagen zijn om de integratie en de gelijkheid van vrouwen met een handicap op de arbeidsmarkt na te streven.

In de vergadering van de commissie voor de Sociale Aangelegenheden van gisteren heb ik de maatregelen uiteengezet die de regering heeft genomen om de arbeidsparticipatie van personen met een handicap in het algemeen te verhogen. Daarnaast hebben mijn collega’s maatregelen genomen om meer gelijkheid tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt tot stand te brengen: bijzondere vormen van verlof die in de praktijk meestal door vrouwen worden opgenomen, en campagnes voor meer gelijkheid en tegen discriminatie.

Mochten er bijkomende maatregelen nodig zijn met betrekking tot de integratie van gehandicapte vrouwen op de arbeidsmarkt, dan zal de regering het nodige doen.

Het comité ad hoc en de Staten zullen zorgen voor de follow-up van de conventie, zodat duidelijk wordt met welke risico’s gehandicapte vrouwen op de arbeidsmarkt kunnen worden geconfronteerd.

M. Franco Seminara (PS). – Je voudrais poser une question complémentaire. Hier, en commission, j’ai souligné le travail remarquable effectué par le ministre de la Fonction publique, présent parmi nous. Il me revient du monde associatif que le taux de 3% n’est pas atteint. Il serait intéressant d’obtenir à cet égard des données chiffrées de la part des autres ministres qui devraient embrayer sur le mouvement car l’emploi des personnes handicapées dans la Fonction publique constitue à mes yeux une initiative très intéressante.

De heer Franco Seminara (PS). – Ik heb nog een aanvullende vraag. In de commissie heb ik gisteren gewezen op het voortreffelijke werk van de minister van Ambtenarenzaken, die hier vandaag aanwezig is. Volgens de verenigingen wordt het percentage van 3% niet gehaald. Het zou interessant zijn om ook van de andere ministers cijfergegevens te ontvangen. Ze zouden immers dit voorbeeld moeten volgen, want de indienstneming van gehandicapte personen in overheidsdiensten is volgen mij een interessant initiatief.

Question orale de Mme Nele Jansegers au secrétaire d’État aux Entreprises publiques sur «la qualité du service de La Poste et l’information donnée aux citoyens» (nº 3-1378)

Mondelinge vraag van mevrouw Nele Jansegers aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over «de kwaliteit van de dienstverlening van De Post en de informatie aan burgers» (nr. 3-1378)

Mme Nele Jansegers (VL. BELANG). – Le 24 novembre dernier, une de mes connaissances a demandé à La Poste des informations sur la fermeture du bureau de poste de Hofstade. Dans une lettre, La Poste la renvoie au bureau de poste le plus proche de la région, à savoir le bureau de poste d’Oudegem. Or, ce dernier fermera également ses portes début février. Cette information nous a été confirmée par le service clientèle de La Poste.

La Poste fait également référence à un point poste des environs auquel le client peut s’adresser pour les opérations les plus courantes comme l’achat de timbres postaux et fiscaux, l’enlèvement et le dépôt de petits colis et le versement d’argent sur des comptes de tiers.

Trouvez-vous normal que des clients soient renvoyés à un bureau de poste qui fermera également dans deux mois ?

Le bureau de poste le plus proche dans les environs est celui de Denderbelle. Pouvez-vous confirmer que ce bureau ne fermera pas dans les prochains mois ?

Dans sa lettre, La Poste indique que les moyens libérés par la fermeture du bureau de poste susvisé (Hofstade) seront répartis entre les bureaux de poste des environs et qu’en regroupant les gens et les moyens, elle peut offrir un meilleur service à ses clients.

À quel bureau de poste de la région le personnel et les moyens du bureau de poste de Hofstade sont-ils allés ?

Où les clients peuvent-ils trouver des informations sur les heures d’ouverture des points poste ? Le point poste auquel ce client a été renvoyé est une librairie. Le site web de La Poste ne précise ni les heures d’ouverture du point poste susvisé ni celle des autres points poste des environs.

Contrairement à ce qui est indiqué dans la lettre en ce qui concerne les opérations que l’on peut effectuer dans les points poste, le site web de La Poste précise que l’on peut uniquement acheter des timbres-poste dans les quatre points poste situés dans la région du client. Trouvez-vous normal que La Poste donne de mauvaises informations aux clients ?

Quel est le pourcentage de points poste dans lesquels on peut acheter des timbres postaux et fiscaux, enlever et déposer des petits colis et verser de l’argent sur des comptes de tiers ?

Mevrouw Nele Jansegers (VL. BELANG). – Op 24 november deed een kennis navraag bij De Post in verband met de sluiting van het postkantoor van Hofstade. In een brief verwijst De Post hem naar het dichtstbijzijnde postkantoor in de buurt, namelijk het postkantoor van Oudegem. Nu blijkt dat ook dit postkantoor begin februari gesloten wordt. De klantendienst van De Post bevestigde deze informatie.

De Post verwijst ook naar een postpunt in de buurt, waar de klant voor de meest courante verrichtingen terechtkan, zoals postzegels en fiscale zegels kopen, pakjes afhalen en bezorgen en geld op rekeningen van derden storten.

Vindt de staatssecretaris het normaal dat klanten doorverwezen worden naar een postkantoor dat twee maanden later ook sluit?

Het volgende postkantoor in de buurt, in orde van afstand tot de klant, is dat van Denderbelle. Kan de staatssecretaris bevestigen dat dit kantoor de komende maanden niet zal sluiten?

In de brief van De Post staat dat ‘de middelen die vrijkwamen door de sluiting van het bovenvermelde kantoor (Hofstade), verdeeld zullen worden onder de postkantoren in de buurt. Door mensen en middelen te groeperen, kunnen we onze klanten een betere dienstverlening aanbieden.’ Naar welk postkantoor in de buurt gingen de mensen en middelen van het postkantoor van Hofstade?

Waar vinden klanten informatie over de openingsuren van de postpunten? Het postpunt waar deze klant naar verwezen werd, is een dagbladhandel. Op de webstek van De Post komen de openingsuren van het vermelde postpunt en van de andere postpunten in de buurt alleszins niet voor.

In tegenstelling tot de verrichtingen die men volgens de brief in de postpunten kan doen, kan men volgens de webstek van De Post in de vier postpunten in de buurt van de klant uitsluitend terecht voor het kopen van postzegels. Vindt de staatssecretaris het normaal dat De Post de klanten informatie biedt die niet correct is?

In hoeveel procent van de bestaande postpunten kan men postzegels en fiscale zegels kopen, pakjes afhalen en bezorgen en geld storten op rekeningen van derden?

M. Bruno Tuybens, secrétaire d’État aux Entreprises publiques, adjoint à la ministre du Budget et de la Protection de la consommation. – Le regroupement des bureaux de poste s’étale sur une période de deux ans et se fait de manière graduelle. Le cas décrit par Mme Jansegers peut effectivement se produire. Lors de chaque fermeture, on distribue un plan des environs reprenant les bureaux de poste et les points poste opérationnels.

Le bureau de Denderbelle ne fermera pas ses portes au printemps 2007.

Les moyens libérés au bureau de poste d’Alost ne représentent que 0,6 équivalent temps plein.

Les heures d’ouverture des points poste figurent sur le site web mais non celles des magasins de timbres. Il va de soi que les heures d’ouverture sont précisées au point poste ou au magasin de timbres. Pour connaître les heures d’ouverture et la situation des points poste, le client peut également s’adresser au service clientèle.

Il existe manifestement une confusion entre points poste et magasins de timbres. Dans les magasins de timbre, on ne peut qu’acheter des timbres-poste. On peut se rendre dans tous les points poste pour l’achat de timbres postaux ou fiscaux, l’enlèvement ou l’envoi de plis recommandés et de petits colis et des versements de petits montants avec une communication structurée.

De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. – De hergroepering van de postkantoren is gespreid over twee jaar en gebeurt gradueel. De toestand die mevrouw Jansegers beschrijft, kan zich inderdaad voordoen. Bij elke sluiting wordt een overzichtsplannetje van de omgeving verspreid waarop de postkantoren en de postpunten zijn aangegeven die op dat ogenblik operationeel zijn.

Het kantoor van Denderbelle zal in het voorjaar van 2007 niet sluiten.

De vrijgekomen middelen in het kantoor van Aalst hebben betrekking op slechts 0,6 voltijds equivalenten.

De openingsuren van de postpunten staan op de website, die van de zegelwinkels echter niet. De openingsuren worden uiteraard vermeld aan het postpunt of de zegelwinkel. Voor de openingsuren en de ligging van de postpunten kan de klant ook terecht bij de klantendienst.

Er bestaat blijkbaar verwarring tussen postpunten en zegelwinkels. In de zegelwinkels kan men alleen postzegels kopen. In alle postpunten kan men terecht voor de aankoop van post- en fiscale zegels, het ophalen en versturen van aangetekende zendingen en pakjes en stortingen van kleine bedragen met een gestructureerde mededeling.

Mme Nele Jansegers (VL. BELANG). – La confusion a été créé par La Poste elle-même. Dans sa lettre, La Poste fait référence à un point poste situé dans les environs, une librairie, alors que, dans cette dernière, on ne peut qu’acheter des timbres-poste. La Poste donne donc de mauvaises informations.

Mevrouw Nele Jansegers (VL. BELANG). – De verwarring werd in het leven geroepen door De Post zelf. In de brief verwijst De Post naar ‘een postpunt in uw buurt, dagbladhandel…’, terwijl men in deze laatste alleen postzegels kan kopen. De Post geeft dus foute informatie.

Question orale de M. Joris Van Hauthem au secrétaire d’État aux Entreprises publiques sur «la décision d’utiliser seulement le nom officiel flamand des communes en ce qui concerne les gares de la SNCB» (nº 3-1384)

Mondelinge vraag van de heer Joris Van Hauthem aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over «het gebruik van alleen de officiële Nederlandstalige naam van gemeentes in de stations van de NMBS» (nr. 3-1384)

M. Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – Le 15 décembre 2006, le gouvernement flamand a décidé que désormais les communes flamandes n’auraient plus qu’un nom officiel néerlandais. Jusqu’à présent il y avait encore assez bien de communes flamandes qui avait aussi un nom officiel français.

Cette décision a évidemment des conséquences pour la communication de la SNCB par rapport à ces communes. Je songe aux panneaux indicatifs de lieux dans certaines stations des communes à facilités, aux mentions des ces communes sur le site web de la SNCB, tant en version française que néerlandaise, aux annonces des destinations et des arrêts, etc.

La SNCB prendra-t-elle les mesures nécessaires pour appliquer la décision du gouvernement flamand et utiliser les normes toponymiques qu’impose la décision flamande ?

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – Op 15 december 2006 besliste de Vlaamse regering dat de Vlaamse gemeenten voortaan nog louter een officiële Nederlandstalige benaming zullen hebben. Tot nog toe hadden nogal wat Vlaamse gemeenten ook een officiële Franstalige benaming.

Dat besluit heeft natuurlijk gevolgen voor de communicatie van de NMBS in verband met die gemeenten. Ik denk daarbij aan de plaatsnaamborden in een aantal stations in faciliteitengemeenten, de vermelding van die gemeenten op de webstek van de NMBS, zowel in de Nederlandstalige als in de Franstalige versie, het omroepen van de bestemmingen en de stopplaatsen enzovoort.

Zal de NMBS de nodige maatregelen nemen om de beslissing van de Vlaamse regering toe te passen en de schrijfwijze gebruiken die in het Vlaamse besluit wordt opgelegd?

M. Bruno Tuybens, secrétaire d’État aux Entreprises publiques, adjoint à la ministre du Budget et de la Protection de la consommation. – J’ai appris moi aussi par les médias que le gouvernement flamand avait pris un arrêté relatif au nom néerlandais des communes. Ni la SNCB, ni moi-même n’avons connaissance de la publication de cet arrêté au Moniteur belge. Il va de soi que nous attendons la publication officielle pour nous faire une image claire de la portée et du champ d’application de cet arrêté.

De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. – Ook ik heb via de media vernomen dat de Vlaamse regering een besluit met betrekking tot de Nederlandstalige naam van gemeenten heeft genomen. Noch ikzelf, noch de NMBS hebben er weet van dat de tekst van dat besluit in het Belgisch Staatsblad is gepubliceerd. Vanzelfsprekend wachten we de officiële publicatie af zodat we een duidelijk beeld krijgen van de draagwijdte en het toepassingsgebied van het besluit.

M. Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – Je comprends que le secrétaire d’État attende la publication au Moniteur belge avant de prendre des mesures. Il connaît cependant la teneur de l’avant-projet de décret. Peut-être peut-il déjà préparer l’adaptation de certaines dénominations.

S’il le faut, nous interrogerons à nouveau le secrétaire d’État sur cette affaire.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – Ik heb er begrip voor dat de staatsecretaris de publicatie in het Belgisch Staatsblad afwacht alvorens maatregelen te nemen. Hij kent echter de inhoud van het voorontwerp van decreet. Misschien kan hij de aanpassing van sommige benamingen al voorbereiden.

Indien nodig zullen we de staatssecretaris opnieuw over deze zaak ondervragen.

Question orale de M. Stefaan Noreilde au ministre de l’Emploi sur «la proposition pour étendre l’assouplissement de la réglementation pour le travail des étudiants» (nº 3-1367)

Mondelinge vraag van de heer Stefaan Noreilde aan de minister van Werk over «het voorstel tot verdere versoepeling van de regeling inzake studentenarbeid» (nr. 3-1367)

M. Stefaan Noreilde (VLD). – La nouvelle proposition de loi sur le travail des étudiants est un grand succès. J’ai appris que le ministre envisage d’étendre cette réglementation. En même temps, il plaide pour plus de flexibilité. J’appuie évidemment l’idée que les étudiants puissent travailler un maximum de 400 heures par an.

Quelle est la teneur exacte de la nouvelle réglementation ? Le ministre a-t-il opté pour le système basé sur des jours supplémentaires ou pour le système où le calcul s’effectue sur la base d’un certain nombre d’heures ?

Quel est l’état de la question ? Le ministre déposera-t-il un projet de loi en la matière durant cette législature encore, de sorte que la nouvelle réglementation puisse entrer en vigueur avant les vacances d’été ?

De heer Stefaan Noreilde (VLD). – Het nieuwe wetsvoorstel inzake studentenarbeid is een groot succes. Ik heb vernomen dat de minister plannen heeft om de regeling nog uit te breiden. Tevens pleit hij voor meer flexibiliteit. Vanzelfsprekend steun ik de idee dat studenten maximaal 400 uren op jaarbasis mogen werken.

Wat is de juiste inhoud van deze nieuwe regeling? Opteert de minister voor het systeem op basis van de extra dagen of het systeem waarbij de berekening verloopt op basis van een aantal uren?

Wat is de stand van zaken? Zal de minister nog voor het einde van deze regeerperiode een wetsontwerp ter zake indienen zodat de nieuwe regeling nog voor de zomervakantie kan ingaan?

M. Peter Vanvelthoven, ministre de l’Emploi. – Il y a un consensus entre le gouvernement et les partenaires sociaux sur la simplification de la réglementation du travail des étudiants, l’un des dossiers étudié lors du conseil des ministres thématique du 19 mai 2006. Les deux périodes ayant chacune leur propre tarif seront ramenées à une seule période à tarif unique. Les détails de cette adaptation sont encore en discussion mais le dossier sera achevé avant la fin de la législature.

De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk. – Over de vereenvoudiging van de regeling voor studentenarbeid, één van de dossiers van de themaministerraad van 19 mei 2006, bestaat een consensus binnen de regering en met de sociale partners. De twee periodes met elk een verschillend tarief zullen worden teruggebracht tot één periode met één tarief. De details van deze aanpassing worden nog besproken, maar het dossier zal nog voor het einde van de legislatuur worden afgerond.

M. Stefaan Noreilde (VLD). – Le dossier a-t-il déjà été discuté au Conseil national du Travail ? Si j’ai bien compris, une concertation informelle a eu lieu et a abouti à un accord.

De heer Stefaan Noreilde (VLD). – Werd het dossier al besproken in de Nationale Arbeidsraad? Als ik het goed begrepen heb, werd informeel overleg gepleegd en is men daar tot een akkoord gekomen.

M. Peter Vanvelthoven, ministre de l’Emploi. – Il y a eu une concertation informelle.

De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk. – Er werd informeel overleg gepleegd.

Projet de loi modifiant la loi du 6 avril 1995 relative à la prévention de la pollution de la mer par les navires concernant des matières visées à l’article 77 de la Constitution (Doc. 3-1943)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 6 april 1995 betreffende de voorkoming van verontreiniging van de zee door schepen met betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet (Stuk 3-1943)

Discussion générale

Algemene bespreking

Mme Nele Lijnen (VLD), rapporteuse. – Je me réfère à mon rapport écrit.

Mevrouw Nele Lijnen (VLD), rapporteur. – Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

La discussion générale est close.

De algemene bespreking is gesloten.

Discussion des articles

Artikelsgewijze bespreking

(Le texte adopté par la commission des Affaires sociales est identique au texte du projet transmis par la Chambre des représentants. Voir le document Chambre 51-2726/3.)

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2726/3.)

Les articles 1er et 2 sont adoptés sans observation.

Il sera procédé ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de loi.

De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Projet de loi modifiant la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l’exécution de leur travail, en ce qui concerne les procédures judiciaires (Doc. 3-1959)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, wat de gerechtelijke procedures betreft (Stuk 3-1959)

Discussion générale

Algemene bespreking

M. Wouter Beke (CD&V), rapporteur. – Le projet de loi à l’examen, qui relève de la procédure bicamérale obligatoire, a été déposé à la Chambre des représentants et y a été adopté à l’unanimité avant d’être transmis au Sénat.

Le projet modifie les mesures de prévention et les procédures externes prévues par la loi antiharcèlement et est examiné selon la procédure prévue à l’article 77 de la Constitution.

Le projet forme un tout avec un second projet qui modifie les procédures judiciaires prévues par la même loi et qui est examiné selon la procédure prévue à l’article 78 de la Constitution.

La loi du 4 août 1996 impose à tout employeur de désigner un conseiller en prévention spécialisé dans les aspects psychosociaux du travail, de mettre en place une procédure interne permettant d’examiner les faits dont les travailleurs se plaignent et de rechercher et de prendre toute autre mesure de prévention permettant d’éviter la survenance de tels comportements.

Lors de l’évaluation de cette loi, il est toutefois apparu clairement que certaines modifications devaient être apportées.

Ces modifications visent à accentuer la prévention primaire, à renforcer le statut de la personne de confiance, à donner la priorité aux procédures internes, à clarifier le rôle de l’inspection Contrôle du bien-être au travail, à clarifier les moyens du tribunal, à clarifier la disposition relative à la protection contre le licenciement, à porter une attention particulière aux travailleurs victimes de comportements excessifs de tiers, à clarifier l’accès aux pièces et aux informations et enfin, à transposer les directives européennes antidiscrimination.

Le projet de loi a été adopté à l’unanimité en commission.

De heer Wouter Beke (CD&V), rapporteur. – Dit verplicht bicameraal wetsontwerp werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers ingediend en eenparig aangenomen, waarna het werd overgezonden aan de Senaat.

Het ontwerp brengt wijzigingen aan in de preventiemaatregelen en de interne procedures van de antipestwet en wordt behandeld volgens artikel 77 van de Grondwet.

Het ontwerp vormt een geheel met een tweede ontwerp betreffende wijzigingen aan de gerechtelijke procedures van de antipestwet, dat wordt behandeld volgens artikel 78 van de Grondwet.

De wet van 4 augustus 1996 legt aan elke werkgever de verplichting op om een preventieadviseur aan te wijzen die deskundig is op het vlak van de psychosociale aspecten, om een interne procedure uit te werken die de mogelijkheid biedt de feiten waarover werknemers klagen, te onderzoeken en om alle preventiemaatregelen te treffen die nodig zijn om dergelijke gedragingen te voorkomen.

Bij de evaluatie van deze wet werd evenwel duidelijk dat een aantal wijzigingen moesten worden aangebracht.

Deze wijzigingen beogen meer nadruk te leggen op primaire preventie, het statuut van de vertrouwenspersoon te versterken, voorrang te verlenen aan de interne procedures, de rol van de inspectie Toezicht Welzijn op het werk te verduidelijken, de middelen van de rechtbank duidelijker te omschrijven, de bepaling betreffende de bescherming tegen ontslag te verduidelijken, bijzondere aandacht te geven aan de werknemers die het slachtoffer zijn van grensoverschrijdend gedrag gepleegd door derden, de toegang tot stukken en informatie te verduidelijken en, tot slot, de omzetting van de Europese richtlijnen inzake antidiscriminatie.

Het wetsontwerp werd in de commissie eenparig goedgekeurd.

La discussion générale est close.

De algemene bespreking is gesloten.

Discussion des articles

Artikelsgewijze bespreking

(Pour le texte corrigé par la commission des Affaires sociales, voir document 3-1959/3.)

(Voor de tekst verbeterd door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden, zie stuk 3-1959/3.)

Les articles 1er à 3 sont adoptés sans observation.

Il sera procédé ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de loi.

De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.

Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Votes

Stemmingen

(Les listes nominatives figurent en annexe.)

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Projet de loi modifiant la loi du 6 avril 1995 relative à la prévention de la pollution de la mer par les navires concernant des matières visées à l’article 77 de la Constitution (Doc. 3-1943)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 6 april 1995 betreffende de voorkoming van verontreiniging van de zee door schepen met betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet (Stuk 3-1943)

Vote nº 1

Stemming 1

Présents : 54
Pour : 54
Contre : 0
Abstentions : 0

Aanwezig: 54
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Le projet de loi est adopté.

Il sera soumis à la sanction royale.

Het wetsontwerp is aangenomen.

Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

Projet de loi modifiant la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l’exécution de leur travail, en ce qui concerne les procédures judiciaires (Doc. 3-1959)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, wat de gerechtelijke procedures betreft (Stuk 3-1959)

Vote nº 2

Stemming 2

Présents : 56
Pour : 56
Contre : 0
Abstentions : 0

Aanwezig: 56
Voor: 56
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Le projet de loi est adopté.

Il sera soumis à la sanction royale.

Het wetsontwerp is aangenomen.

Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

Ordre des travaux

Regeling van de werkzaamheden

Mme la présidente. – Le Bureau propose l’ordre du jour suivant pour la semaine prochaine :

De voorzitter. – Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Jeudi 1er février 2007

Donderdag 1 februari 2007

le matin à 10 heures

s ochtends om 10 uur

Procédure d’évocation

Evocatieprocedure

Projet de loi fixant le statut des militaires du cadre actif des Forces armées ; Doc. 3-2014/1 à 3. (Pour mémoire)

Wetsontwerp tot vaststelling van het statuut van de militairen van het actief kader van de Krijgsmacht; Stuk 3-2014/1 tot 3. (Pro memorie)

Proposition de loi portant création d’un Conseil supérieur de déontologie des professions des soins de santé et fixant les principes généraux pour la création et le fonctionnement des Ordres des professions des soins de santé (de M. Patrik Vankrunkelsven et consorts) ; Doc. 3-1519/1 à 14.

Wetsvoorstel tot oprichting van een Hoge Raad voor Deontologie van de gezondheidszorgberoepen en tot vaststelling van de algemene beginselen voor de oprichting en de werking van de Orden van de gezondheidszorgberoepen (van de heer Patrik Vankrunkelsven c.s.); Stuk 3-1519/1 tot 14.

Proposition de loi réglant une matière visée à l’article 77 de la Constitution concernant la déontologie des professions des soins de santé ; Doc. 3-2030/1 et 2.

Wetsvoorstel tot regeling van een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet inzake deontologie van de gezondheidszorgberoepen; Stuk 3-2030/1 en 2.

Proposition de loi créant un Ordre des médecins (de M. Patrik Vankrunkelsven et consorts) ; Doc. 3-373/1 à 10.

Wetsvoorstel tot oprichting van een Orde van artsen (van de heer Patrik Vankrunkelsven c.s.); Stuk 3-373/1 tot 10.

À joindre :

Toe te voegen:

Proposition de loi créant l’Ordre des médecins (de Mme Mia De Schamphelaere) ; Doc. 3-413/1 et 2 ;

Wetsvoorstel tot oprichting van de Orde van artsen (van mevrouw Mia De Schamphelaere); Stuk 3-413/1 en 2;

Proposition de loi modifiant l’arrêté royal nº 79 du 10 novembre 1967 relatif à l’Ordre des médecins (de MM. Alain Destexhe et Jacques Brotchi) ; Doc. 3-1035/1 et 2.

Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren (van de heren Alain Destexhe en Jacques Brotchi); Stuk 3-1035/1 en 2.

Proposition de loi créant un Ordre des pharmaciens (de Mme Annemie Van de Casteele et consorts) ; Doc. 3-675/1 à 10.

Wetsvoorstel tot oprichting van een Orde van apothekers (van mevrouw Annemie Van de Casteele c.s.); Stuk 3-675/1 tot 10.

Proposition de loi portant des dispositions relatives à l’Ordre des médecins et à l’Ordre des pharmaciens ; Doc. 3-2031/1 et 2.

Wetsvoorstel houdende bepalingen met betrekking tot de Orde van artsen en de Orde van apothekers; Stuk 3-2031/1 en 2.

Proposition de loi créant un Ordre des kinésithérapeutes (de Mme Annemie Van de Casteele et Mme Christel Geerts) ; Doc. 3-1777/1 à 5.

Wetsvoorstel tot oprichting van een Orde van kinesitherapeuten (van mevrouw Annemie Van de Casteele en mevrouw Christel Geerts); Stuk 3-1777/1 tot 5.

Proposition de résolution visant à rendre obligatoire l’immatriculation des cyclomoteurs (de M. Jan Steverlynck) ; Doc. 3-1764/1 et 2.

Voorstel van resolutie tot het verplicht maken van een nummerplaat voor bromfietsen (van de heer Jan Steverlynck); Stuk 3-1764/1 en 2.

Proposition de résolution sur l’accès indépendant de l’Europe à l’espace (de M. François Roelants du Vivier et consorts) ; Doc. 3-2023/1 à 4.

Voorstel van resolutie betreffende de onafhankelijke toegang van Europa tot de ruimte (van de heer François Roelants du Vivier c.s.); Stuk 3-2023/1 tot 4.

l’après-midi à 15 heures

s namiddags om 15 uur

Prise en considération de propositions.

Inoverwegingneming van voorstellen.

Débat d’actualité et questions orales.

Actualiteitendebat en mondelinge vragen.

Éventuellement, reprise de l’ordre du jour de la séance plénière du matin.

Eventueel, voortzetting van de agenda van de ochtendvergadering.

Proposition de loi relative à la répétibilité des honoraires et des frais d’avocat (de Mme Fauzaya Talhaoui et M. Flor Koninckx) ; Doc. 3-1686/1 à 6. (Pour mémoire)

Wetsvoorstel betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat (van mevrouw Fauzaya Talhaoui en de heer Flor Koninckx); Stuk 3-1686/1 tot 6. (Pro memorie)

À joindre :

Toe te voegen:

Proposition de loi modifiant le Code judiciaire et le Code d’instruction criminelle en ce qui concerne le remboursement des frais de justice (de Mme Clotilde Nyssens) ; Doc. 3-51/1 à 5 ;

Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van strafvordering in verband met de terugbetaling van de gerechtskosten (van mevrouw Clotilde Nyssens); Stuk 3-51/1 tot 5;

Proposition de loi modifiant le Code judiciaire et le Code d’instruction criminelle, en ce qui concerne le remboursement des frais non compris dans les dépens (de M. Alain Destexhe) ; Doc. 3-204/1 à 4 ;

Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van strafvordering, betreffende de terugbetaling van de uitgaven die niet bij de kosten inbegrepen zijn (van de heer Alain Destexhe); Stuk 3-204/1 tot 4;

Proposition de loi modifiant les articles 1018, 6º, et 1022 du Code judiciaire (de MM. Hugo Vandenberghe et Jan Steverlynck) ; Doc. 3-1342/1 à 6.

Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 1018, 6º, en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek (van de heren Hugo Vandenberghe en Jan Steverlynck); Stuk 3-1342/1 tot 6.

À partir de 17 heures : Votes nominatifs sur l’ensemble des points à l’ordre du jour dont la discussion est terminée.

Vanaf 17 uur: Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

Demandes d’explications :

Vragen om uitleg:

de M. Christian Brotcorne au Premier ministre sur « les conclusions de la rencontre avec les autorités russes » (nº 3-2084) ;

van de heer Christian Brotcorne aan de Eerste minister over “de conclusies na de ontmoeting met de Russische overheid” (nr. 3-2084);

de M. Berni Collas à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur « l’introduction du Traité de Prüm dans l’ordre juridique communautaire » (nº 3-2068) ;

van de heer Berni Collas aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over “het integreren van het Verdrag van Prüm in de communautaire rechtsorde” (nr. 3-2068);

de Mme Stéphanie Anseeuw à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur « les moyens supplémentaires pour poursuivre le racisme sur l’Internet » (nº 3-2078) ;

van mevrouw Stéphanie Anseeuw aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over “bijkomende middelen voor het vervolgen van racisme op het Internet” (nr. 3-2078);

de Mme Mia De Schamphelaere à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur « le dopage » (nº 3-2091) ;

van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over “dopinggebruik” (nr. 3-2091);

de Mme Mia De Schamphelaere au vice-premier ministre et ministre des Finances sur « le dopage » (nº 3-2092) ;

van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over “dopinggebruik” (nr. 3-2092);

de Mme Annemie Van de Casteele au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur « le dopage » (nº 3-2080) ;

van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over “dopinggebruik” (nr. 3-2080);

de Mme Mia De Schamphelaere au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur « le dopage » (nº 3-2094) ;

van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over “dopinggebruik” (nr. 3-2094);

de Mme Mia De Schamphelaere au ministre de l’Économie, de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la Politique scientifique sur « les courriels publicitaires non sollicités vantant les mérites de produits dopants » (nº 3-2093) ;

van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over “spammails om dopingproducten aan te prijzen” (nr. 3-2093);

de Mme Annemie Van de Casteele au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « le dopage » (nº 3-2081) ;

van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “dopinggebruik” (nr. 3-2081);

de Mme Mia De Schamphelaere au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « les recommandations du Sénat dans le cadre du dopage » (nº 3-2090) ;

van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “de aanbevelingen van de Senaat in het kader van dopinggebruik” (nr. 3-2090);

de M. Luc Willems au vice-premier ministre et ministre des Finances sur « le futur de la Monnaie Royale de Belgique » (nº 3-2067) ;

van de heer Luc Willems aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over “de toekomst van de Koninklijke Munt van België” (nr. 3-2067);

de Mme Margriet Hermans à la vice-première ministre et ministre du Budget et de la Protection de la consommation sur « les avantages et les désavantages d’un test HIV à effectuer soi-même » (nº 3-2069) ;

van mevrouw Margriet Hermans aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken over “de voor- en nadelen van een HIV-zelftest” (nr. 3-2069);

de Mme Clotilde Nyssens au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur « la commande d’une étude relative aux phénomènes migratoires ayant lieu sur le territoire belge à l’université de Rotterdam » (nº 3-2088) ;

van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over “de bestelling van een studie over migratiefenomenen op het Belgisch grondgebied bij de universiteit van Rotterdam” (nr. 3-2088);

de Mme Sabine de Bethune au ministre des Affaires étrangères sur « le conflit au Darfour » (nº 3-2071) ;

van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken over “het conflict in Darfoer” (nr. 3-2071);

de M. Christian Brotcorne au ministre des Affaires étrangères sur « la position belge sur l’évolution de la gestion de la crise irakienne » (nº 3-2083) ;

van de heer Christian Brotcorne aan de minister van Buitenlandse Zaken over “het Belgische standpunt over de ontwikkelingen in de aanpak van de Irakcrisis” (nr. 3-2083);

de M. Luc Willems au ministre de l’Économie, de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la Politique scientifique sur « le tarif réduit accordé par les compagnies de gaz aux personnes handicapées » (nº 3-2066) ;

van de heer Luc Willems aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over “het verminderd tarief van gasmaatschappijen voor personen met een handicap” (nr. 3-2066);

de Mme Sabine de Bethune au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « les allocations familiales majorées pour enfants handicapés » (nº 3-2070) ;

van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “de verhoogde kinderbijslag voor kinderen met een handicap” (nr. 3-2070);

de M. Wouter Beke au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « les revenus trop bas du personnel médical et paramédical » (nº 3-2073) ;

van de heer Wouter Beke aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “de te lage inkomsten van medisch en paramedisch personeel” (nr. 3-2073);

de Mme Margriet Hermans au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « le soutien au Narconon Info Center dans le cadre de la toxicodépendance » (nº 3-2074) ;

van mevrouw Margriet Hermans aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “de steun aan het Narconon Info Center in het kader van drugsverslavingen” (nr. 3-2074);

de Mme Mia De Schamphelaere au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « l’accès à la profession des kinésithérapeutes » (nº 3-2075) ;

van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “de toegang tot het beroep voor kinesitherapeuten” (nr. 3-2075);

de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « le taux d’emploi des personnes âgées de 55 ans et plus au sein de votre SPF » (nº 3-2076) ;

van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “de tewerkstellingsgraad van 55-plussers binnen uw FOD” (nr. 3-2076);

de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « les connaissances des Belges sur la grippe » (nº 3-2077) ;

van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “de kennis van de Belgen over de griep” (nr. 3-2077);

de Mme Annemie Van de Casteele au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « le nouveau système de rémunération pour les pharmaciens » (nº 3-2082) ;

van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “het nieuwe vergoedingssysteem voor de apothekers” (nr. 3-2082);

de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « l’interdiction de fumer dans les maisons de jeunes » (nº 3-2085) ;

van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “het rookverbod in jeugdhuizen” (nr. 3-2085);

de Mme Fauzaya Talhaoui au ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances sur « l’accessibilité des soins de santé » (nº 3-2072) ;

van mevrouw Fauzaya Talhaoui aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over “de toegang tot gezondheidszorg” (nr. 3-2072);

de Mme Mia De Schamphelaere au ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances sur « le Fonds Social européen » (nº 3-2086) ;

van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over “het Europees Sociaal Fonds” (nr. 3-2086);

de Mme Annemie Van de Casteele au ministre de l’Emploi sur « les problèmes qui se posent à VW Forest concernant le Pacte de solidarité entre les générations » (nº 3-2087) ;

van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Werk over “de problemen bij VW Vorst rond het Generatiepact” (nr. 3-2087);

de Mme Annemie Van de Casteele au ministre de l’Emploi sur « la prolongation du droit aux indemnités de chômage pour les indépendants débutants » (nº 3-2089) ;

van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Werk over “de verlenging van het recht op werkloosheidsvergoeding bij beginnende zelfstandigen” (nr. 3-2089);

de Mme Stéphanie Anseeuw au ministre de l’Emploi sur « le statut unique » (nº 3-2095) ;

van mevrouw Stéphanie Anseeuw aan de minister van Werk over “het eenheidsstatuut” (nr. 3-2095);

de Mme Stéphanie Anseeuw à la secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées sur « les temps d’attente pour personnes handicapées dans le cadre du traitement de leur dossier » (nº 3-2079).

van mevrouw Stéphanie Anseeuw aan de staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap over “de wachttijden voor gehandicapte personen in het kader van de behandeling van hun dossier” (nr. 3-2079).

Le Sénat est d’accord sur cet ordre des travaux.

De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Demande d’explications de M. Christian Brotcorne au Premier ministre et au ministre des Affaires étrangères sur «le soutien belge à la volonté du Japon d’occuper un siège permanent au Conseil de Sécurité de l’ONU» (nº 3-2060)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de Eerste minister en aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de steun die België aan Japan verleent in het streven van dat land naar permanent lidmaatschap van de VN-Veiligheidsraad» (nr. 3-2060)

Mme la présidente. – Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques, répondra.

De voorzitter. – Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.

M. Christian Brotcorne (CDH). – Mme la secrétaire d’État remplace le premier ministre, mais j’aurais aimé que ce dernier s’exprime lui-même au sujet des informations qu’il a données à la presse à l’issue d’un entretien avec M. Shinzo Abe, premier ministre du Japon.

Il a en effet déclaré que « la Belgique soutient la position japonaise et continuera à le faire » dans le cadre de la volonté du Japon d’occuper un siège permanent au Conseil de sécurité des Nations unies.

Cette attitude n’est pas anodine et il relève de notre responsabilité et de notre droit le plus strict de soutenir ceux que nous souhaitons voir siéger au Conseil de sécurité.

La Belgique y siège en tant que membre non permanent depuis le début de cette année et notre ministre des Affaires étrangères a insisté, à l’occasion d’une présentation des missions de la Belgique au sein de ce conseil, sur la nécessaire coordination qu’il convient d’établir avec les autres pays européens. Il a notamment dit : « Nous devons également le faire à partir d’un angle d’approche européen, ce qui implique que nous soyons en dialogue étroit avec nos partenaires de l’Union européenne qui siégeront en même temps que nous au Conseil de sécurité. »

Lorsque notre premier ministre dit au premier ministre du Japon qu’il soutient sa demande d’obtenir un siège permanent au Conseil de sécurité des Nations unies, parle-t-il au nom de la seule Belgique ? Si oui, pourquoi ? En vertu de quelle raison notre gouvernement est-il arrivé à cette décision ? Cette décision a-t-elle été prise après concertation avec nos alliés de l’Union européenne ? Peut-on admettre que la France et le Royaume-Uni, qui sont aujourd’hui membres permanents du Conseil de sécurité, approuvent cette prise de position de la Belgique ?

De heer Christian Brotcorne (CDH). – Ik had graag gehad dat de eerste minister zelf uitleg was komen geven over wat hij aan de pers heeft medegedeeld na een onderhoud met de heer Shinzo Abe, de eerste minister van Japan.

Hij heeft immers verklaard dat ‘België het standpunt van Japan verdedigt en dat zal blijven doen’ in het kader van het streven van Japan naar permanent lidmaatschap van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.

Die houding is niet onbeduidend. Het is onze verantwoordelijkheid en ons goed recht steun te verlenen aan diegenen die wij in de Veiligheidsraad willen zien zetelen.

België zetelt er als niet-permanent lid sinds begin dit jaar. Ter gelegenheid van een voorstelling van de opdrachten van België in de Veiligheidsraad heeft onze minister van Buitenlandse Zaken benadrukt dat coördinatie met de andere Europese landen noodzakelijk is. Hij heeft namelijk gezegd: ‘We moeten dat ook doen vanuit een Europese invalshoek, wat inhoudt dat we in nauwe samenspraak zijn met onze partners uit de Europese Unie die op hetzelfde ogenblik in de Veiligheidsraad zetelen’

Als onze eerste minister aan de eerste minister van Japan zegt dat hij zijn vraag naar permanent lidmaatschap in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties steunt, spreekt hij dan enkel uit naam van België? Zo ja, waarom? Hoe is de regering tot dat besluit gekomen? Is dat besluit in overleg met onze partners van de Europese Unie genomen? Kunnen we aannemen dat Frankrijk en Groot-Brittannië, permanente leden van de Veiligheidsraad, dat Belgische standpunt steunen?

Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques. – Je vous lis la réponse du premier ministre.

La Belgique est d’avis que le Conseil de sécurité doit être réformé pour l’adapter aux réalités géopolitiques d’aujourd’hui et pour renforcer sa représentativité et sa légitimité, notamment par un meilleur équilibre régional. Elle a aussi à cœur de préserver l’efficacité du conseil.

La réforme du Conseil de sécurité a fait l’objet de débats intenses dans le cadre de la préparation du sommet des Nations unies de 2005. Les diverses formules proposées n’ont pas permis de dégager un accord sur cette réforme. À l’heure actuelle, il n’existe aucun élément permettant de conclure que l’une ou l’autre formule d’élargissement du conseil serait susceptible de rallier l’adhésion nécessaire de la part des membres des Nations unies.

La Belgique souhaite renforcer la dimension européenne du Conseil de sécurité en exerçant ses responsabilités dans le cadre de l’article 19 du Traité de l’Union, en renforçant la coordination entre les membres européens du Conseil de sécurité et en encourageant une meilleure cohérence dans leurs prises de position sur des dossiers qui sont traités à la fois par l’Union européenne et par le Conseil de sécurité.

Il n’y a malheureusement pas d’unanimité entre les États membres de l’Union européenne sur les modes de réforme du Conseil de sécurité.

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. – Ik lees het antwoord van de eerste minister.

België is van mening dat de Veiligheidsraad moet worden hervormd: hij moet worden aangepast aan de hedendaagse geopolitieke realiteit en zijn representativiteit en legitimiteit moeten worden versterkt, meer bepaald door een beter regionaal evenwicht. Ook de efficiëntie van de Raad is voor België van het grootste belang.

Over de hervorming van de Veiligheidsraad werd intens gedebatteerd in het kader van de voorbereiding van de top van de Verenigde Naties van 2005. De verschillende voorgestelde oplossingen hebben niet tot een akkoord over die hervorming geleid. Op dit ogenblik valt uit geen enkel element af te leiden dat de een of de andere oplossing voor de uitbreiding van de Raad op de noodzakelijke instemming van de leden van de Verenigde Naties zou kunnen rekenen.

België wenst de Europese dimensie van de Veiligheidsraad te versterken door zijn verantwoordelijkheid in het kader van artikel 19 van het Verdrag van de Unie uit te oefenen, door de coördinatie tussen de Europese leden van de Veiligheidsraad te versterken en door meer coherentie aan te moedigen in de standpunten over dossiers die zowel door de Europese Unie als door de Veiligheidsraad worden behandeld.

Er is jammer genoeg geen eensgezindheid tussen de lidstaten van de Europese Unie over de wijze waarop de Veiligheidraad moet worden hervormd.

M. Christian Brotcorne (CDH). – Je regrette de devoir constater que la réponse lue par Mme Van Weert n’est pas du tout celle que j’attendais.

Ma question était la suivante : sur la base de quels critères la Belgique défend-elle la candidature du Japon au siège de candidat permanent au Conseil de sécurité ? C’est en tout cas ce qui a été annoncé au premier ministre japonais qui est venu en visite chez nous.

N’ayant reçu aucune réponse à la question que j’ai posée, je me réserve, le cas échéant, le droit de poser une question orale au premier ministre sur ce thème lors d’une prochaine séance de notre assemblée.

Nous sommes au courant du fait qu’il y a une réforme, mais qu’il n’y a pas d’accord. Nous ignorons qui siégera. Pourquoi la Belgique défend-elle unilatéralement la candidature du Japon ?

De heer Christian Brotcorne (CDH). – Het antwoord dat mevrouw Van Weert heeft voorgelezen, beantwoordt helemaal niet aan mijn verwachtingen.

Mijn vraag was: op basis van welke criteria verdedigt België de kandidatuur van Japan voor permanent lidmaatschap van de Veiligheidsraad? Tijdens het bezoek van de Japanse eerste minister aan België is in ieder geval gezegd dat België die kandidatuur steunt.

Aangezien ik geen antwoord gekregen heb op mijn vraag, behoud ik me het recht voor eventueel een mondelinge vraag over dat thema te stellen aan de eerste minister op een volgende vergadering van onze assemblee.

We zijn op de hoogte van het feit dat er een hervorming is, maar dat er geen akkoord is. We weten niet wie zal zetelen. Waarom verdedigt België eenzijdig de kandidatuur van Japan?

Demande d’explications de Mme Christel Geerts à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur et au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «le changement de date, par l’Exécutif des musulmans, de la fête du sacrifice» (nº 3-2043)

Vraag om uitleg van mevrouw Christel Geerts aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de wijziging van de datum van het offerfeest door de Moslimexecutieve» (nr. 3-2043)

Mme la présidente. – Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques, répondra.

De voorzitter. – Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.

Mme Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). – La fête annuelle du sacrifice des musulmans a de nombreuses conséquences pratiques dans notre pays. Heureusement de nombreuses villes et communes prennent à cœur d’exercer leur tâches légales à cette occasion et sont réellement prêtes à prendre les mesures d’organisation nécessaires. Il est en effet très important que la fête du sacrifice puisse être bien organisée.

Le 26 décembre, donc à une date très proche de la fête du sacrifice, l’Exécutif des musulmans a déplacé la date de la fête du 31 au 30 décembre. Nous avions déjà connu un tel déplacement de date il y a deux ans. Cette décision subite a obligé bien des administrations locales à revoir toute l’organisation. Certaines administrations ont organisé deux fêtes du sacrifice, l’une le 30, l’autre le 31 décembre pour satisfaire aux exigences des différentes communautés.

Certains parlent d’une décision irréfléchie prise in extremis. De telles décisions ne contribuent incontestablement pas à fournir une image positive de la fête du sacrifice.

Des négociations ou des procédures sont-elles convenues avec l’Exécutif des musulmans pour éviter pareilles modifications particulièrement tardives du calendrier et qui ont des conséquences sérieuses pour les administrations locales ?

Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). – Het jaarlijkse offerfeest van de moslims in ons land heeft heel wat praktische gevolgen. Gelukkig nemen vele steden en gemeenten hun wettelijke taken in dit verband echt ter harte en zijn ze echt bereid de nodige organisatorische maatregelen te nemen. Het is inderdaad erg belangrijk dat het offerfeest goed kan worden georganiseerd.

Op 26 december, dus zeer kort vóór het offerfeest, besliste de Moslimexecutieve dat de datum gewijzigd zou worden van 31 naar 30 december. Zo’n wijziging kenden we twee jaar geleden ook al. Die plotse beslissing bracht voor vele lokale besturen dan ook een hele reorganisatie mee. Sommige besturen organiseerden twee offerfeesten, één op 30 en één op 31 december, om tegemoet te komen aan de eis van de verschillende gemeenschappen.

Sommigen spreken over een vrij onbezonnen beslissing die op de valreep werd genomen. Dergelijke beslissingen dragen ontegensprekelijk niet bij tot een positieve beeldvorming rond het offerfeest.

Zijn er onderhandelingen of procedures afgesproken met de Moslimexecutieve om dergelijke bijzonder late datumwijzigingen, met ernstige gevolgen voor de lokale besturen, te vermijden?

Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques. – Il va de soi que bien avant la fête du sacrifice, des discussions sont menées avec l’Exécutif des musulmans pour mettre l’organisation en bonne voie. L’an dernier il y a eu des problèmes parce que la fête tombait durant le dernier week-end de décembre. À ces dates, il n’est évident ni pour les administrations ni pour le secteur privé de mobiliser du personnel supplémentaire.

La date de la fête du sacrifice se base sur un calendrier annuel islamique mobile. La fête du sacrifice a lieu deux mois et dix jours après la fête de l’Aïd el Fitr qui clôture le jeûne du Ramadan. Certaines communautés musulmanes s’appuient sur un calendrier fixe pour déterminer la date de la fête du sacrifice. D’autres la fixent par le constat visuel de l’aube quelques jours avant la fête du sacrifice. C’est pourquoi, dans certaines communautés, la date précise reste incertaine jusqu’à quelques jours avant la fête, ce qui n’est pas propice à une bonne organisation.

Pour un grand nombre de musulmans, y compris dans notre pays, ce constat de l’aube est effectué par le roi d’Arabie saoudite. Cette année cette décision a été prise très tardivement et ne peut donc être imputée à l’Exécutif des musulmans.

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. – Het spreekt vanzelf dat er lang vóór het Offerfeest al besprekingen zijn met de Moslimexecutieve om de organisatie in goede en wettige banen te leiden. Het afgelopen jaar kwam daar nog het probleem bij dat het Offerfeest tijdens het laatste weekend van december viel. Met deze feestdagen lag het dus niet voor de hand om bij overheid en privéfirma’s extra personeel te mobiliseren.

Het tijdstip van het Offerfeest wordt gebaseerd op de jaarlijks wisselende islamitische kalender. Het Offerfeest heeft plaats twee maanden en 10 dagen na het feest van Eid el Fitr, dat de vasten van de ramadan afsluit. Sommige moslimgemeenschappen baseren zich op een vaste kalender voor het bepalen van de datum van het Offerfeest. Andere bepalen de datum door de visuele vaststelling van de dageraad, enkele dagen vóór het Offerfeest plaatsheeft. Daarom kan voor bepaalde gemeenschappen het juiste tijdstip tot enkele dagen vóór het feest onzeker blijven, wat niet bevorderlijk is voor een goede organisatie.

Voor een belangrijk deel van de moslims, ook in ons land, gebeurt die vaststelling van de dageraad door de koning van Saudi-Arabië. Dit jaar viel inderdaad op dat die beslissing vrij laat is genomen. De laattijdigheid kan de Moslimexecutieve dus niet worden aangewreven.

Mme Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). – Je remercie la secrétaire d’État pour l’information. Comme elle le dit, les administrations qui ont à cœur de prendre en charge l’organisation de la fête se retrouvent parfois devant un dilemme.

Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). – Ik dank de staatssecretaris voor de informatie. Zoals ze zelf ook zegt, staan de besturen die de praktische organisatie van het feest echt ter harte willen nemen, soms echt wel voor een dilemma.

Demande d’explications de Mme Anke Van dermeersch à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «le protocole additionnel à la convention signée entre les royaumes du Maroc et de la Belgique en matière d’assistance aux personnes détenues et le transfèrement de personnes incarcérées, de 1997» (nº 3-2048)

Vraag om uitleg van mevrouw Anke Van dermeersch aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «het aanvullend protocol bij de overeenkomst tussen België en Marokko inzake bijstand aan gedetineerde personen en de overbrenging van gevonniste personen van 1997» (nr. 3-2048)

Mme la présidente. – Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques, répondra.

De voorzitter. – Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.

Mme Anke Van dermeersch (VL. BELANG). – Le 10 octobre 2006, il était prévu que le premier ministre se rende au Maroc pour la signature du protocole additionnel à la convention relative au transfèrement de personnes incarcérées, conclue en 1997. Ce protocole porte sur le transfèrement contre leur gré de détenus d’origine étrangère qui séjournent dans notre pays sans avoir d’attache durable avec la Belgique et qui y ont été condamnés à une peine d’emprisonnement, de sorte qu’ils puissent purger leur peine dans leur pays d’origine.

L’idée de ce protocole additionnel aurait été concrétisée en quelques mois à peine. Le voyage du premier ministre a cependant dû être annulé à la dernière minute. Selon les déclarations de la ministre, les autorités marocaines ont proposé deux ajouts au protocole la veille du jour où la signature était prévue. Le premier ajout était inacceptable pour la Belgique et la portée du second ajout était très imprécise. La ministre n’a cependant pas expliqué ce qu’il en était concrètement. Elle a néanmoins ajouté que la protocole additionnel ferait « prochainement » l’objet d’un nouvel examen bilatéral à Bruxelles.

La ministre peut-elle préciser les modalités et lignes de force du protocole ?

Peut-elle indiquer quel groupe de personnes le protocole additionnel concernera ? On ne peut pas dire avec certitude que les Marocains ayant « une attache durable avec la Belgique » en seront exclus. Combien de Marocains incarcérés en Belgique seraient-ils concernés par ce protocole ?

Quels ajouts les autorités marocaines ont-elles demandés et en quoi ne sont-ils pas acceptables pour la Belgique ?

Où en est le protocole ? L’examen bilatéral prévu à Bruxelles a-t-il eu lieu et quels en ont été les résultats ? Quelles difficultés subsiste-t-il encore ? Quand le protocole pourra-t-il être signé ?

Quelle aide la Belgique promet-elle au Maroc dans le cadre du protocole additionnel ?

Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BELANG). – Op 10 oktober 2006 was gepland dat de eerste minister, vergezeld van andere regeringsleden, naar Marokko zou afreizen voor de ondertekening van een aanvullend protocol bij een overeenkomst inzake de overbrenging van gevonniste personen, die in 1997 met Marokko was afgesloten. Het protocol heeft betrekking op de onvrijwillige overbrenging van gedetineerden van buitenlandse oorsprong die in ons land verblijven zonder er een duurzame band mee te onderhouden en hier tot een gevangenisstraf werden veroordeeld, zodat ze hun straf in hun land van oorsprong kunnen uitzitten. Voor die overbrenging moeten ze hun toestemming niet geven. Het protocol moest de modaliteiten van de overbrenging vastleggen.

Het idee voor een aanvullend protocol was vrij snel gerijpt en uitgewerkt. Volgens de minister zelf was het idee immers in juni 2006 ontstaan en werd er al in september 2006 een ontwerptekst aan de Marokkaanse overheden voorgelegd. Eind oktober werd het ontwerp door experts in Marokko verder bestudeerd en werd overeengekomen de zaak op 10 november in Rabat te ondertekenen.

De reis van de eerste minister en zijn gezelschap moest op het allerlaatste ogenblik blijkbaar worden afgelast omdat er een kink in de kabel was gekomen. Volgens de verklaringen van de minister stelden de Marokkaanse autoriteiten daags vóór de ondertekening immers twee toevoegingen aan het protocol voor. De eerste daarvan was voor België onaanvaardbaar en de betekenis van de tweede toevoeging was erg onduidelijk. Waar het concreet over ging, liet de minister echter in het midden. In elk geval waren de meningsverschillen dermate groot dat ze niet meer op één dag konden worden uitgeklaard. Toch zou, volgens de minister, het aanvullende protocol, ik citeer, ‘binnenkort’ het voorwerp zijn van een nieuw bilateraal onderzoek in Brussel.

Vandaar volgende vragen.

Kan de minister de modaliteiten en krachtlijnen van het protocol verduidelijken?

Kan de minister meer specifiek aangeven op welke groep personen het aanvullende protocol betrekking zou hebben? Het is namelijk niet duidelijk of Marokkanen met ‘een band met België’ of ‘een duurzame band met België’ al dan niet onder het protocol zullen vallen. Op hoeveel Marokkanen die in ons land gevangen zitten zou het protocol betrekking hebben?

Welke toevoegingen schoven de Marokkaanse autoriteiten in allerlaatste instantie naar voor en in welk opzicht zijn die niet aanvaardbaar voor de Belgische autoriteiten?

Hoever staat het nu met het protocol? Heeft het bewuste bilaterale onderzoek in Brussel al plaatsgehad en wat waren de resultaten ervan? Welke knelpunten blijven er momenteel nog over? Wanneer kan het protocol effectief worden ondertekend?

Welke hulp wordt aan Marokko toegezegd in het kader van het aanvullende protocol?

Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques. – Je vous lis la réponse de la vice-première ministre.

Le protocole actuellement négocié avec le Maroc porte sur le transfèrement de détenus contre leur gré. Il instaurerait une coopération entre le Maroc et la Belgique à un niveau semblable à celui de la collaboration qui existe entre la Belgique et ses partenaires du Conseil de l’Europe. Tant que le texte n’est pas signé, je me dois de faire preuve d’une certaine réserve quant à son contenu.

Conformément à la jurisprudence de la Cour européenne des droits de l’homme de Strasbourg, les détenus marocains qui ont une attache suffisante avec la Belgique ne peuvent pas faire l’objet d’un transfèrement selon les termes du protocole. Il convient de faire une distinction entre le transfèrement d’un détenu qui continue à purger, dans l’État d’exécution, la peine à laquelle il a été condamné dans l’État de condamnation et l’expulsion au terme de la peine purgée dans l’État de condamnation. Le nombre de détenus concernés par cette procédure pourra être précisé après la signature, la ratification et la mise en œuvre de ce protocole.

La discussion portait sur les modalités de concertation entre les parties.

Quant à l’état d’avancement des négociations, je peux vous dire que j’ai reçu une délégation marocaine les 10 et 11 janvier derniers. Les négociations se sont très bien déroulées. Le protocole pourra sans doute être conclu prochainement mais aucune date n’a encore été fixée.

Aucune aide n’a été promise au Maroc en échange de ce protocole additionnel. Il s’agit d’une coopération renforcée entre les deux pays visant à garantir une meilleure réinsertion des détenus au terme de leur peine.

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. – Ik lees het antwoord van de vice-eersteminister.

Het protocol waarover thans met Marokko wordt onderhandeld betreft de overbrenging van de gedetineerden zonder hun instemming. Er bestaat sedert 1997 een akkoord tussen België en Marokko over de overbrenging van de gedetineerden, maar dat gaat alleen over de overbrenging van gedetineerden met hun instemming. Het aanvullend protocol zou betrekking hebben op de samenwerking tussen Marokko en België op een niveau dat gelijk is aan de samenwerking die België heeft met zijn partners van de Raad van Europa. Eens het protocol ondertekend is, zou dat het eerste in het genre zijn tussen Marokko en een derde staat. Zolang de tekst niet ondertekend is, is een zekere terughoudendheid over de inhoud vereist.

In overeenstemming met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens in Straatsburg, komen de Marokkaanse gevangenen die voldoende banden met België hebben, zoals namelijk in het protocol is gedefinieerd, niet in aanmerking om volgens de termen van het protocol te worden overgebracht. Men moet ook een onderscheid maken tussen de overbrenging van een gedetineerde, die de straf die hij opliep in de staat waar hij veroordeeld werd verder uitzit in de staat van uitvoering, en de uitwijzing nadat de straf in de staat van veroordeling werd uitgezeten. Het protocol betreft alleen de overbrenging. Het aantal gedetineerden dat in aanmerking komt voor een dergelijke procedure zal kunnen worden gepreciseerd na ondertekening, ratificatie en uitvoering van dat protocol.

De discussie ging over de overlegmodaliteiten tussen de partijen.

Inzake de stand van zaken van de onderhandelingen, ontvingen wij op 10 en 11 januari jongstleden een Marokkaanse delegatie. De onderhandelingen zijn zeer goed verlopen. Wellicht zal het protocol binnenkort kunnen worden gesloten. Er is echter nog geen datum vastgelegd.

Er werd in ruil voor dit aanvullend protocol geen enkele hulp aan Marokko beloofd. Het gaat hier niet over een transactie, maar over een versterkte samenwerking tussen twee landen, teneinde een betere reïntegratie van de gedetineerden te garanderen na het einde van hun straf.

Demande d’explications de M. Luc Willems à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «l’abattage de moutons à domicile pour la fête du sacrifice» (nº 3-2046)

Vraag om uitleg van de heer Luc Willems aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het thuisslachten van schapen bij het offerfeest» (nr. 3-2046)

Mme la présidente. – Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques, répondra.

De voorzitter. – Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.

M. Luc Willems (VLD). – La fête du sacrifice a de nouveau été célébrée voici quelques semaines. Des moutons ont donc été abattus de manière rituelle et parfois illégale. L’abattage à domicile n’est en effet plus autorisé. Si cette interdiction n’est pas respectée, les moutons peuvent être saisis. Les chiffres indiquent toutefois que seule une minorité des infractions constatées lors de la fête du sacrifice de janvier 2006 a donné lieu à une condamnation. Les plaintes sont généralement classées sans suite, ce qui donne l’impression que l’on peut accomplir des abattages illégaux impunément.

Lors de la fête du sacrifice du 31 décembre 2006 et 1er janvier 2007, Bruxelles Propreté a ramassé de nombreuses peaux de moutons, ce qui témoigne à nouveau d’un grand nombre d’abattages illégaux à domicile. Il est possible de déceler et résoudre partiellement le problème en réglementant et contrôlant plus strictement le transport des moutons.

Est-il permis de transporter des moutons vivants dans sa voiture ? Dans l’affirmative, le ministre est-il prêt à modifier les règles pour mettre fin aux abus manifestes que constituent les abattages à domicile ? Dans la négative, combien d’infractions ont-elles été constatées par les services de police en décembre 2006 ?

Le ministre est-il disposé à rappeler à la communauté musulmane, par le biais d’une campagne d’information, que d’autres offrandes, notamment pécuniaires, sont possibles.

Quelles mesures le ministre envisage-t-il pour réduire le nombre d’infractions à l’avenir ?

De heer Luc Willems (VLD). – Enkele weken geleden werd het offerfeest opnieuw gevierd. Hierbij werden schapen ritueel geslacht, en dit soms illegaal. Thuisslachting mag immers niet. Als het toch gebeurt, kunnen de schapen in beslag worden genomen. Uit mijn eerder gestelde vragen bleek dat bij de bestraffing van deze misdrijven een en ander verkeerd gaat. Zo bleek uit de cijfers met het aantal overtredingen en het aantal processen- verbaal, dat bij het offerfeest van januari 2006 slechts een zeer kleine minderheid van de gevallen tot een effectieve veroordeling leidt. Doorgaans worden klachten dus zonder gevolg geklasseerd. Door dit gebrek aan vervolging ontstaat de indruk dat er straffeloos illegaal kan worden geslacht.

Bij het offerfeest van 31 december 2006 en 1 januari 2007 zou Net Brussel, de maatschappij die instaat voor het ophalen van het huisvuil in Brussel, vele schapenhuiden opgehaald hebben. Dit duidt er nogmaals op dat een groot aantal schapen illegaal thuis werd geslacht. Het probleem kan deels gedetecteerd en aangepakt worden door het vervoer van schapen strikter te reguleren en te controleren.

Is het toegelaten levende schapen in personenwagens te vervoeren? Indien ja, is de minister bereid hier iets aan te veranderen, teneinde de duidelijke misbruiken inzake illegale slachtingen te stoppen? Indien neen, hoeveel overtredingen werden door de politiediensten in december 2006 vastgesteld?

Is de minister bereid, gezien het duidelijke aantal inbreuken, de moslimgemeenschap middels een informatiecampagne te wijzen op de mogelijkheid van alternatieve giften en geldelijke schenkingen?

Welke maatregelen plant de minister om het aantal inbreuken in de toekomst te verminderen?

Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques. – Je vous lis la réponse de la vice-première ministre.

Il n’est pas interdit de transporter un mouton dans une voiture pour autant qu’on ne nuise pas au bien-être de l’animal. Il arrive aussi que les moutons soient transportés vers les lieux agréés d’abattage à bord de voitures. Il est donc simpliste de croire que l’interdiction de ce mode de transport réduira le nombre des abattages illégaux. Elle risque au contraire de l’accroître. Je ne dispose pas de données des services de police concernant le nombre d’infractions constatées.

Les différentes autorités concernées multiplient les efforts pour informer la communauté musulmane. Mes services ont organisé plusieurs réunions de concertation. Les services de l’AFSCA ont mis sur pied à l’intention des musulmans des après-midi et soirées d’information au niveau provincial.

L’AFSCA a par ailleurs élaboré et diffusé une brochure en quatre langues afin de mieux informer la population. Mes services ont également distribué un vade-mecum et les autres formes d’offrandes possibles ont été rappelées. On peut donc difficilement critiquer les autorités quant à l’information relative à la fête du sacrifice.

Comme chaque année, une évaluation des observations faites lors de la dernière fête du sacrifice est prévue. Une concertation sera organisée sur la nécessité et la possibilité de prendre des mesures pour améliorer le déroulement de la prochaine fête du sacrifice et réduire le nombre d’infractions.

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. – Ik lees het antwoord van de vice-eersteminister.

Het is niet verboden een schaap te vervoeren in een personenwagen, voor zover het welzijn van de dieren hierdoor niet geschaad wordt. Wel is het verboden om het dier in de kofferruimte te vervoeren of nog, met de poten samengebonden. Ook op de erkende slachtplaatsen wordt een deel van de schapen aangevoerd in personenwagens. Het is dan ook te simplistisch te denken dat een verbod op het gebruik van dit vervoermiddel de illegale slachtingen zou afremmen. Men zou zich integendeel ook de vraag kunnen stellen of strengere regels voor het vervoer niet zouden kunnen leiden tot een stijging van het aantal illegale slachtingen. Ik heb in dat verband geen gegevens van de politiediensten over het aantal vastgestelde overtredingen.

De verschillende bevoegde overheden doen tal van inspanningen om de moslimbevolking te informeren, teneinde het Offerfeest ordentelijk en met respect voor de wetgeving te doen verlopen. Mijn diensten organiseerden verschillende overlegvergaderingen, ook met de Gewestelijke overheden, met vertegenwoordigers van de moslimexecutieve en met sommige lokale overheden. De diensten van het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de Voedselketen belegden op provinciaal niveau informatienamiddagen en -avonden voor de moslims.

Het FAVV zorgde ook voor de opstelling en verspreiding van een folder in vier talen om de bevolking beter te informeren. Bovendien werd door mijn diensten een alomvattend vademecum ter beschikking gesteld. Waar mogelijk werd hierbij melding gemaakt van de alternatieven voor het slachten van een dier als offer. Er kan dus bezwaarlijk kritiek geuit worden op de overheid waar het gaat om informatieverstrekking rond het Offerfeest.

Zoals elk jaar is binnenkort een evaluatie gepland van de bevindingen en vaststellingen tijdens het laatste Offerfeest. In overleg zal nagegaan worden of de overheid maatregelen moet of kan nemen om de organisatie en het verloop van het volgende Offerfeest nog te verbeteren en tegelijkertijd het aantal inbreuken terug te dringen.

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «le combat contre les plantations de cannabis dans notre pays» (nº 3-2059)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de strijd tegen de cannabisplantages in ons land» (nr. 3-2059)

Mme la présidente. – Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques, répondra.

De voorzitter. – Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – L’usage du cannabis est un important phénomène social. Il ressort d’une étude de la Fondation Rodin et du CRIOC de 2006 que 14% des jeunes entre 10 et 17 ans ont déjà consommé du cannabis.

La consommation s’installe à l’âge de 15 ans. À cet âge un jeune sur quatre a déjà touché au cannabis. Les utilisateurs récents ont eu en moyenne cinq consommations par semaine en 2006, ce qui est le double de l’année précédente.

Le cannabis peut être nocif pour la santé et peut par exemple entraîner des dommages cérébraux, un cancer du poumon, la dépendance et le passage aux drogues dures.

Il y a de plus en plus de plantations de cannabis dans les maisons et les appartements, parfois au centre de la ville. Les producteurs de drogue ne cherchent donc plus des entrepôts isolés, mais optent pour des plantations de cannabis de plus petite taille. Les plantations dans les maisons et les appartements sont moins voyantes et le risque de perte de la récolte en cas de descente de police est également mieux réparti.

Ce sont surtout les Néerlandais qui viennent en Belgique. Ils donnent de l’argent aux locataires et construisent dans leur maison toute une installation de culture. La chasse aux producteurs de cannabis par la police néerlandais a fait baisser l’offre sur le marché néerlandais, avec toutes les conséquences qui en résultent pour la Belgique.

La ministre de la Justice a répondu à ma question orale du 19 janvier 2006 : « Actuellement, la police fédérale met la dernière main à l’analyse stratégique de la question. Un projet me sera présenté sous peu. Après la finalisation, des conclusions pourront être tirées et, si nécessaire, des mesures d’adaptation seront décidées sur le plan politique ».

La police fédérale a-t-elle déjà procédé à une analyse stratégique ?

Quelles conclusions la ministre tire-t-elle de cette analyse ?

Un plan d’action a-t-il déjà été établi sur la base de cette analyse ?

Quels sont les objectifs prévus dans ce plan d’action ?

Une concertation avec les autorités néerlandais a-t-elle régulièrement eu lieu l’année dernière au sujet de l’amplification du problème de la culture du cannabis ?

Quels éléments éventuellement positifs ont-ils résulté de ces discussions ?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Reeds meerdere keren heb ik deze legislatuur in de Senaat de cannabisproblematiek ter sprake gebracht. Cannabisgebruik is een belangrijk maatschappelijk fenomeen. Uit onderzoek van de Rodinstichting en OIVO in 2006 blijkt immers dat veertien procent van de jongeren tussen tien en zeventien jaar ooit cannabis heeft gebruikt.

De grote introductie begint op de leeftijd van vijftien jaar. Dan heeft een op de vier al eens cannabis gebruikt. De recente gebruikers gebruikten in 2006 gemiddeld vijf consumpties per week, een verdubbeling in vergelijking met het jaar voordien.

Cannabis kan schadelijk zijn voor de gezondheid en kan bijvoorbeeld leiden tot hersenschade, longkanker, verslaving en overstap op harddrugs.

Er worden steeds meer cannabisplantages opgericht in huizen en appartementen, soms in het midden van de stad. Drugstelers zoeken dus niet langer afgelegen loodsen op, maar kiezen voor kleinschaligere hennepplantages. Plantages in huizen en flats zijn minder opvallend en het risico op verlies van de oogst bij een politie-inval is ook beter gespreid.

Het zijn vooral Nederlanders die naar België afzakken. Ze geven geld aan huurders en bouwen in hun huis een hele kweekinstallatie. Door de jacht op cannabiskwekers door de Nederlandse politie daalt het wietaanbod op de Nederlandse markt, met alle gevolgen van dien voor België.

Op mijn mondelinge vraag van 19 januari 2006 antwoordde de minister van Justitie onder meer het volgende: ‘Momenteel legt de federale politie de laatste hand aan een strategische analyse van deze problematiek en binnenkort zal mij een ontwerp worden voorgelegd. Na de finalisering kunnen conclusies worden getrokken en, indien nodig, kunnen er beleidsmatig bijsturingen gebeuren’.

Graag kreeg ik van de minister een antwoord op volgende vragen.

Heeft de federale politie reeds een strategische analyse opgesteld?

Welke conclusies trekt de minister uit deze analyse?

Werd op basis van deze analyse reeds een actieplan uitgewerkt?

Welke doelstellingen worden in dit actieplan vooropgesteld?

Werd het voorbije jaar op regelmatige basis overleg gepleegd met de Nederlandse autoriteiten over het uitdijen van de problematiek van de cannabisteelt?

Welke eventueel positieve elementen kwamen uit deze gesprekken voort?

Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques. – Je vous lis la réponse de la ministre Onkelinx.

La police fédérale a procédé à une analyse stratégique du phénomène dans un rapport intitulé Analyse des plantations de cannabis en Belgique. Il s’agit principalement d’une analyse quantitative, qui mentionne également qu’une analyse qualitative est prévue. La police a toutefois indiqué qu’en raison d’un manque de personnel on n’avait pas encore pu y travailler.

Une des conclusions les plus importantes de cette analyse stratégique est que le nombre de plantations découvertes est en croissance. En outre, en 2006, on a découvert davantage de plantations dans des habitations et moins dans des entrepôts, mais cela n’implique nullement que les plantations soient devenues plus réduites, puisque l’on peut placer 300 à 600 plants dans un grenier ou une cave. Il est frappant que des techniques de plus en plus performantes sont utilisées pour augmenter la récolte et diminuer le risque d’être pris, comme l’utilisation de matériel de production nécessitant moins d’électricité et moins de place que les méthodes classiques de culture. En outre, il apparaît que la teneur en THC des cannabis belge et néerlandais est sensiblement plus élevée que celle du cannabis importé. Étant donné que ce sont essentiellement des personnes de nationalité néerlandaise qui sont concernées par les plantations à grande échelle, en tant que cultivateurs, organisateurs ou fournisseurs de matériel, il est clair que les efforts accomplis sur le plan de la consommation et du commerce, comme cela figure dans ma récente déclaration de politique, doivent être poursuivis, entre autres par le biais du développement et de l’intensification de la collaboration avec le Bureau de coopération eurégionale.

Sur la base de l’analyse stratégique, un plan d’action a été établi, dont les points essentiels découlent des recommandations de cette analyse. Ainsi, on s’occupe à l’heure actuelle d’adapter la table de codes de la Banque de données nationale générale car celle-ci est insuffisante pour donner une image correcte et complète de la nature et de l’ampleur des plantations de cannabis. Il manque par exemple une description de la plantation, de la culture intérieure/extérieure, etc.

Pour collecter des informations de manière uniforme, on développe aussi les contacts entre le service central Drogues et les zones de police locales qui sont régulièrement confrontées au phénomène.

Lorsque les cultivateurs de cannabis utilisent de l’électricité, le compteur peut montrer une consommation excessive. Une collaboration avec le gestionnaire du réseau et les fournisseurs d’électricité est certainement l’une des possibilités permettant de procéder à une meilleure détection. Les premiers contacts ont également été pris dans ce contexte. Il en va de même pour le développement d’un réseau avec les enquêteurs qui sont régulièrement confrontés au phénomène.

Quant à la coopération avec les services d’incendie et l’Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (société flamande de gestion des déchets), on procède de la même manière qu’en cas de découverte d’un laboratoire où sont fabriqués des stimulants de type amphétaminique (ATS) : une équipe multidisciplinaire et spécialement formée intervient. Le service central Drogues offre aux services de la police locale la même assistance en cas de découverte d’une importante plantation de cannabis que lors de la découverte d’un laboratoire d’ATS.

Les objectifs prévus dans le plan d’action au niveau de la police sont : l’affinement de l’image du phénomène, l’établissement de liens entre les différents faits en vue de l’identification des commanditaires et des installateurs, le développement par l’image d’actions en vue d’améliorer la détection des plantations de cannabis.

Au niveau central de la police fédérale, des contacts ont été pris avec les Pays-Bas, mais en raison de la mobilité de l’un des deux responsables de la problématique, ils ont provisoirement dû être reportés.

Outre les nombreux contacts transfrontaliers entre les zones frontalières et les collègues néerlandais, la police fédérale indique également que des discussions sont menées dans le cadre de l’Euregio. Les premiers accords ont été conclus et prévoient une meilleure collaboration et une circulation plus rapide de l’information. La collaboration judiciaire dans l’Euregio a été et sera encore intensifiée pour pouvoir lutter plus efficacement contre les problèmes de la criminalité transfrontalière en général et des drogues illégales en particulier.

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. – Minister Onkelinx heeft volgend antwoord bezorgd.

De federale politie heeft een strategische analyse over het fenomeen opgesteld onder de titel Analyse cannabisplantages in België. Het betreft voornamelijk een kwantitatieve analyse, waarin ook melding wordt gemaakt van een op stapel staande kwalitatieve analyse. Wegens personeelsgebrek kon daar echter nog niet aan worden gewerkt, zo liet de federale politie weten.

Een van de belangrijkste conclusies uit de strategische analyse is dat het aantal ontdekte plantages in stijgende lijn gaat. Bovendien werden in 2006 meer plantages aangetroffen in woningen en minder in loodsen, maar dit impliceert geenszins dat de plantages kleiner zijn geworden, aangezien op een zolder of in een kelder ook 300 tot 600 planten kunnen worden ondergebracht. Opvallend is dat steeds betere technieken worden aangewend om de opbrengst te verhogen en de pakkans te verkleinen, zoals het gebruik van kweekketels die veel minder elektriciteit verbruiken en minder plaats nodig hebben dan de klassieke kweekmethode. Daarnaast blijkt dat het THC-gehalte van de zogenaamde belgowiet en nederwiet aanzienlijk hoger ligt dan dat van geïmporteerde cannabis. Aangezien tevens bij de grootschalige plantages overwegend personen met de Nederlandse nationaliteit betrokken zijn, hetzij als kweker, als organisator, of als leverancier van materiaal, wordt duidelijk dat de inspanningen die werden geleverd op het vlak van consumptie en op het vlak van de handel, zoals herhaald in mijn recente beleidsverklaring, moeten worden voortgezet, onder meer via de uitbouw en intensivering van de samenwerking met het Bureau voor Euregionale samenwerking,

Er werd op basis van de strategische analyse een actieplan uitgewerkt, waarvan de hoofdpunten voortvloeien uit de aanbevelingen geformuleerd in de strategische analyse. Zo is men momenteel bezig met het aanpassen van de codetabel van de Algemene Nationale Gegevensbank, aangezien deze thans onvoldoende is om een correct en volledig beeld weer te geven van de aard en de omvang van de cannabisplantages. Er ontbreekt bijvoorbeeld een omschrijving van de plantage, binnenteelt/ buitenteelt, enzovoorts.

Om op een eenvormige manier informatie te verzamelen worden ook de contacten vanuit de centrale dienst Drugs met de lokale politiezones die regelmatig met het fenomeen worden geconfronteerd uitgebouwd.

Wanneer de hennepkwekers elektriciteit aftappen van de meter, kan een overmatig elektriciteitsgebruik vastgesteld worden. Een samenwerking met de netbeheerder en elektriciteitsleveranciers behoort dan ook zeker tot de mogelijkheden om een betere detectie na te streven. De eerste contacten werden in dat verband ook gelegd. Hetzelfde geldt voor het uitbouwen van een netwerk met onderzoekers die geregeld met het fenomeen worden geconfronteerd.

Wat de samenwerking met de brandweer en OVAM betreft, wil men op dezelfde manier werken als bij de ontdekking van een ATS-lab, namelijk met het inzetten van een multidisciplinair en specifiek opgeleid Lab Intervention Team. Dat impliceert dat de centrale dienst Drugs bij het afstappen ter plaatse in geval van een grootschalige cannabisplantage hetzelfde ondersteuningsaanbod aanbiedt aan de lokale politiediensten als bij de ontdekking van een ATS-lab.

De vooropgestelde doelstellingen in het actieplan op politieel niveau zijn: het verfijnen van het beeld van het fenomeen; het leggen van linken tussen verschillende feiten met het oog op de identificatie van de opdrachtgevers en installateurs; de ontwikkeling via het beeld van acties ter verhoging van de detectie van de cannabisplantages.

Op centraal niveau van de federale politie werden contacten gelegd met Nederland, maar ingevolge mobiliteit van één van de twee probleemverantwoordelijken dienden ze tijdelijk te worden uitgesteld.

Naast de talrijke grensoverschrijdende contacten tussen de grenszones en de Nederlandse collega’s, maakt de federale politie ook melding van de gesprekken die gevoerd worden in het kader van de Euregio. De eerste afspraken zijn gemaakt en omvatten een betere samenwerking en een snellere informatiedoorstroming. De justitiële samenwerking in de Euregio werd en zal verder worden geïntensiveerd om de problematiek van de grensoverschrijdende criminaliteit in het algemeen en van de illegale drugs in het bijzonder efficiënter te kunnen bestrijden.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Les résolutions de début 2006 ne sont que partiellement réalisées. L’augmentation du nombre de plantations découvertes était déjà mise en évidence dans la question. L’analyse qualitative se fait attendre. De même, la concertation régulière avec les autorités néerlandaises, que la ministre de la Justice avait annoncée début janvier 2006, n’a eu aucun caractère structurel. Entre-temps, selon la presse, on découvre toujours davantage de plantations de cannabis.

Cela signifie que, dans notre pays, on agit à deux vitesses. Lorsque dans un restaurant une personne fume une cigarette, la police fédérale y est envoyée toutes sirènes hurlantes pour dresser un procès-verbal. J’invite le gouvernement à agir contre le trafic de cannabis de la même manière que contre d’autres phénomènes de dépendance.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – De voornemens van begin 2006 zijn maar gedeeltelijk gerealiseerd. Dat het aantal aangetroffen plantages stijgt, bleek al uit de vraagstelling. De kwalitatieve analyse blijft in het dak zitten. Ook het regelmatig overleg met de Nederlandse autoriteiten dat de minister van Justitie begin januari 2006 had aangekondigd, heeft geen structureel karakter gekregen. Ondertussen, zo staat in persberichten, worden steeds meer cannabisplantages ontdekt.

Daaruit blijkt dat in ons land met twee snelheden wordt opgetreden. Wanneer iemand in een restaurant een sigaret rookt, wordt de federale politie met loeiende sirenes naar het restaurant in kwestie gestuurd om een proces verbaal op te stellen. Ik roep de regering op om met betrekking tot het dealen van cannabis op dezelfde wijze op te treden als bij andere verslavende fenomenen.

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «les médicaments sans ordonnance» (nº 3-2052)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de voorschriftvrije geneesmiddelen» (nr. 3-2052)

Mme la présidente. – Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques, répondra.

De voorzitter. – Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Une enquête menée par pharma.be montre que 37% des 2.000 et quelques personnes interrogées souhaitent que davantage de médicaments puissent être délivrés sans prescription.

Aujourd’hui, près de quatre médicaments sur dix sont vendus OTC (over the counter, sur le comptoir) et, pour les obtenir, le patient n’a pas besoin d’une prescription médicale.

Il s’agit le plus souvent de médicaments légers contre la toux, le mal de tête ou le refroidissement. Ils représentent 15% des recettes de l’industrie pharmaceutique.

Il ressort de l’enquête de pharma.be qu’un groupe important, surtout les jeunes, plaide pour une extension de la part des médicaments OTC.

Une conséquence possible de cette extension est la perte par les médecins d’une partie de leur « marché » au profit des patients qui pourraient eux-mêmes décider de leur consommation de médicaments. Les pharmaciens auraient alors davantage leur mot à dire.

Les patients font des économies sur leurs visites chez le médecin mais paient davantage pour les médicaments parce qu’aucun remboursement n’est prévu pour les médicaments OTC. Enfin, l’assurance maladie y trouverait son compte parce qu’elle devrait rembourser moins de médicaments.

Quelles conclusions le ministre tire-t-il de l’enquête de pharma.be ?

Le ministre estime-t-il souhaitable de prendre des mesures pour allonger la liste des médicaments OTC ?

Le ministre croit-il qu’il est indiqué de se concerter à court terme à ce sujet avec tous les acteurs concernés ?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Uit een enquête van pharma.be blijkt dat 37 procent van de ruim tweeduizend ondervraagden wenst dat er meer geneesmiddelen zonder voorschrift kunnen worden verkregen.

Vandaag zijn bijna vier op de tien verkochte geneesmiddelen zogenaamde OTC-geneesmiddelen, waarvoor de patiënt geen doktersvoorschrift nodig heeft.

Het gaat doorgaans om lichte medicijnen tegen hoesten, hoofdpijn of verkoudheid. Die geneesmiddelen vertegenwoordigen 15 procent van de inkomsten van de farmaceutische industrie.

Uit de enquête van pharma.be blijkt dat een aanzienlijke groep, vooral jongeren, pleit voor een uitbreiding van het aandeel OTC-geneesmiddelen.

Een mogelijk gevolg van een uitbreiding is dat artsen een deel van hun ‘markt’ verliezen aan patiënten die zelf over hun geneesmiddelenverbruik kunnen beslissen. Apothekers zouden dan weer meer inspraak krijgen.

Patiënten besparen op doktervisites, maar betalen wel meer aan medicijnen omdat voor OTC-geneesmiddelen niet in een terugbetaling is voorzien. De ziekteverzekering ten slotte zou winnen omdat ze minder geneesmiddelen moet terugbetalen.

Welke conclusies trekt de minister uit de enquête van pharma.be?

Acht de minister het wenselijk maatregelen te nemen om de lijst van OTC-geneesmiddelen uit te breiden?

Acht de minister het raadzaam hierover op korte termijn overleg te plegen met alle betrokken actoren?

Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques. – Je vous lis la réponse du ministre Demotte.

Je retiens deux points positifs de l’enquête : la confiance des patients dans le médecin et le pharmacien est à nouveau confirmée et le patient fait preuve d’une certaine maturité vis-à-vis des soins de santé.

Par ailleurs, l’élément principal n’apparaît pas dans l’enquête : le prix pour le patient, et il est dès lors impossible de l’analyser. L’enquête n’explique nulle part qu’un médicament qui coûte aujourd’hui 15 euros avec une prescription, coûtera au minimum 60 euros sans prescription. On ne dit rien du remboursement par l’assurance maladie bien, que ce facteur soit déterminant lors du choix d’un médicament.

L’augmentation du nombre de médicaments sans prescription et sans remboursement est selon moi totalement exclue. Je n’accepterai jamais que des médicaments nécessaires, tels que ceux pour l’hypertension et le diabète ou les antibiotiques – qui sont actuellement remboursés à 75 ou 85% par l’assurance maladie – ne soient plus remboursés sous le prétexte de libérer de nouveaux moyens pour de nouveaux médicaments. Il y a d’autres moyens pour cela.

D’ailleurs, un diagnostic posé par un médecin reste indispensable pour chaque maladie.

Je ne vois donc pas l’intérêt d’une concertation avec les acteurs concernés sur ce sujet.

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. – Ik lees het antwoord van minister Demotte.

Uit de enquête onthoud ik twee positieve punten, namelijk dat het vertrouwen van de patiënten in de arts en de apotheker opnieuw wordt bevestigd en dat de patiënt over een zekere maturiteit beschikt ten opzichte van de gezondheidszorg.

Verder ontbreekt in de enquête het belangrijkste element, namelijk de prijs voor de patiënt. Daardoor is ze onmogelijk te analyseren. De enquête legt nergens uit dat een geneesmiddel dat vandaag 15 euro kost met een voorschrift, minimum 60 euro zal kosten zonder voorschrift. Over de terugbetaling door de ziekteverzekering wordt niets vermeld, hoewel deze factor doorslaggevend is bij de keuze van een geneesmiddel.

De toename van het aantal geneesmiddelen zonder voorschrift en zonder terugbetaling is voor mij volledig uitgesloten. Ik zal nooit aanvaarden dat noodzakelijke geneesmidden, zoals geneesmiddelen voor hypertensie, diabetes of antibiotica – die momenteel voor 75% of 85% worden terugbetaald door de ziekteverzekering – niet meer zouden worden terugbetaald onder het voorwendsel nieuwe middelen vrij te maken voor nieuwe geneesmiddelen. Daar bestaan andere manieren voor.

Trouwens, een diagnose door een arts blijft onontbeerlijk voor iedere ziekte.

Ik zie dus het belang niet in van overleg met de betrokken actoren over dit onderwerp.

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre de la Mobilité sur «la panoplie de sécurité dans la voiture» (nº 3-2064)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Mobiliteit over «het veiligheidspakket in de auto» (nr. 3-2064)

Mme la présidente. – Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques, répondra.

De voorzitter. – Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Le site web de l’association d’automobilistes VAB publie une enquête sur l’utilité des équipements de sécurité imposés par la loi dans les véhicules belges. On demande aux utilisateurs s’ils estiment que le triangle de danger, la trousse de premiers soins, l’extincteur et la veste fluo sont « totalement inutiles, inutiles, utiles ou très utiles ».

Le VAB a établi, comme information de base, un relevé des avantages et des inconvénients des équipements de sécurité. Ainsi, le triangle de danger offre entre autres l’avantage de permettre le signalement d’obstacles inattendus, surtout la nuit, et d’être un symbole de danger international bien connu. Un inconvénient est que le triangle est trop petit pour être remarqué à une grande distance sur les autoroutes. En outre, il est trop peu utilisé.

La trousse de premiers soins est obligatoire en Belgique ou recommandée dans les pays européens. Cette trousse offre l’avantage de contenir le matériel rudimentaire pour les premiers soins en cas d’accident. Le VAB juge moins positif le fait que la composition de la trousse est insuffisante sur le plan de l’utilité et de la qualité.

Ensuite, selon le VAB, l’extincteur est trop petit et sa composition n’est pas adéquate pour éteindre tous les matériaux et les feux importants. La veste fluo, obligatoire à partir du 1er février, n’est encore que peu utilisée. Selon le VAB, 4 automobilistes en panne sur 10 la portent le long des autoroutes et 2 sur 10 le long des routes secondaires.

Quelles conclusions le ministre tire-t-il des remarques du VAB ? Estime-t-il opportun de prendre des mesures pour tenir compte de ces considérations ? Quelles mesures compte-t-il prendre pour veiller à ce que la veste fluo, obligatoire à partir du 1er février, soit utilisée par tous les conducteurs ? Estime-t-il souhaitable d’organiser à cet effet des campagnes d’information spéciales ? Estime-t-il opportun d’organiser, après le 1er février 2007, des contrôles spécifiques sur le port de la veste fluo ?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Op de website van de Automobilistenvereniging VAB staat een enquête naar het nut van de wettelijk verplichte veiligheidsvoorzieningen in Belgische auto’s. Aan de gebruikers wordt gevraagd of ze de gevarendriehoek, de EHBO-kit, de brandblusser en het fluojasje ‘totaal niet nuttig, niet nuttig, nuttig of zeer nuttig’ vinden.

Als achtergrondinformatie heeft de VAB de voor- en nadelen van de veiligheidsvoorzieningen op een rij gezet. Zo biedt een gevarendriehoek onder meer het voordeel dat er onverwachte obstakels mee kunnen worden gesignaleerd, zeker ’s nachts, en dat het een internationaal goed bekend gevarensymbool is. Een nadeel is dan weer dat de driehoek te klein is om op te vallen op een grotere afstand op autosnelwegen. Bovendien wordt hij te weinig gebruikt.

De EHBO-kit is verplicht in België of aanbevolen in de Europese landen. De EHBO-kit biedt het voordeel dat hij rudimentair materiaal biedt voor eerste hulp bij ongevallen. Minder positief is dat de samenstelling van de kit volgens de VAB ondermaats is wat de bruikbaarheid en de kwaliteit betreft.

Vervolgens is volgens de VAB de brandblusser te klein en heeft hij een verkeerde samenstelling om alle materialen en grote branden te blussen. Het fluojasje, dat vanaf 1 februari verplicht is, wordt tenslotte nog maar weinig gebruikt. Volgens de VAB zouden 4 op 10 pechvogels het vestje aantrekken langs de autosnelweg en 2 op 10 langs de secundaire wegen.

Welke conclusies trekt de minister uit de opmerkingen van de VAB? Acht hij het raadzaam maatregelen te nemen om aan die bedenkingen tegemoet te komen? Welke maatregelen wil hij nemen om ervoor te zorgen dat het vanaf 1 februari verplichte fluojasje door alle bestuurders wordt gebruikt? Acht hij het wenselijk hiervoor extra sensibilisatiecampagnes te organiseren? Acht hij het raadzaam om na 1 februari 2007 specifieke controles naar het dragen van het fluojasje te organiseren?

Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques. – Je vous lis la réponse du ministre Landuyt.

Les conclusions de l’enquête de l’association d’automobilistes ne sont pas une surprise. Ceux qui se trouvent régulièrement sur la route constatent qu’en cas de panne ou d’accident le triangle de danger n’est pas toujours placé et que la veste fluo n’est pas toujours portée.

La trousse de premiers soins et l’extincteur ne sont que des moyens de premier secours. Par conséquent, leur but n’est absolument pas de remplacer l’équipement professionnel des services de secours.

Les réponses sur la non-utilisation de la veste fluo doivent naturellement être nuancées, car l’obligation pour tous les conducteurs de la porter en cas d’accident ou de panne sur une autoroute ou une route ne s’applique qu’à partir du 1er février 2007. On ne place sans doute pas le triangle de danger parce qu’on préfère ne pas se mettre soi-même en danger en le plaçant, ne sachant pas exactement à quelle distance il doit être posé – à 100 mètres minimum sur une autoroute et à 30 mètres sur les autres routes – et parce que ce placement n’est pas une partie de plaisir.

La composition de la trousse de secours est réglée au niveau européen. Actuellement, le ministre ne prépare aucune modification de la législation relative à l’extincteur, au triangle de danger et à la trousse de secours. Si la réglementation internationale ou européenne était modifiée, des considérations comme celles du VAB constitueraient certainement une contribution utile. Une modification doit toutefois s’inscrire dans une adaptation globale de la réglementation.

Il y a différentes manières d’améliorer la sécurité routière. Il est surtout important que la population soit sensibilisée et informée des mesures. C’est pourquoi l’obligation à partir du 1er février 2007 est annoncée par le biais de différents canaux médiatiques, les journaux, le programme TV Kijk Uit, le périodique Via Secura et le site web de l’IBSR. En outre, le ministre examinera, en collaboration avec l’IBSR, quelles actions d’information peuvent être menées pour attirer l’attention sur les nouvelles obligations.

L’objectif de la nouvelle réglementation n’est pas que les services de police contrôlent si une veste fluo se trouve effectivement dans la voiture, mais bien qu’ils veillent à ce que les conducteurs assurent leur propre visibilité et par conséquent leur sécurité dans la circulation. Le ministre est persuadé que nos concitoyens accorderont toujours plus d’attention à leur visibilité dans la circulation parce qu’ils en comprennent la nécessité. La prise de conscience est un moyen bien meilleur d’améliorer la sécurité routière que les contrôles.

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. – Ik lees het antwoord van minister Landuyt.

De conclusies uit het onderzoek van de automobilistenvereniging zijn geen verrassing. Wie zich regelmatig op de weg bevindt, stelt vast dat bij pech of ongeval de gevarendriehoek niet altijd wordt geplaatst en dat het fluojasje niet steeds wordt gedragen.

De EHBO-kit en de brandblusser zijn slechts hulpmiddelen voor eerste hulp. Het kan bijgevolg nooit de bedoeling zijn dat ze de professionele uitrusting van de hulpdiensten vervangen.

De antwoorden over het niet dragen van het fluojasje moeten natuurlijk worden genuanceerd, want de verplichting voor alle bestuurders om het te dragen bij ongeval of pech op een autosnelweg of autoweg geldt pas vanaf 1 februari 2007. Men plaatst de gevarendriehoek vermoedelijk niet, omdat men zichzelf liever niet in gevaar brengt bij het plaatsen ervan, niet goed wetend op welke afstand dit moet gebeuren – minimaal 100 meter op een autosnelweg en 30 meter op de andere wegen – en omdat die plaatsing weinig gebruiksvriendelijk is.

De samenstelling van het veiligheidspakket wordt op Europees niveau geregeld. Momenteel bereidt de minister geen wijziging van de wetgeving betreffende blustoestel, gevarendriehoek en verbandkist voor. Indien de internationale of Europese regelgeving zou worden gewijzigd, dan zullen bevindingen zoals die van de VAB zeker een nuttige bijdrage betekenen. Een wijziging moet echter passen in een globale aanpassing van de reglementering.

Er zijn verschillende manieren om de verkeersveiligheid te verbeteren. Van belang is vooral dat de bevolking wordt geïnformeerd over en gesensibiliseerd voor de maatregel. Daarom wordt de verplichting vanaf 1 februari 2007 via verschillende mediakanalen, de kranten, het televisieprogramma ‘Kijk Uit’, het tijdschrift ‘Via Secura’ en de website van het BIVV bekendgemaakt. De minister zal bovendien samen met het BIVV nagaan welke extra bewustmakingsacties kunnen worden gevoerd om de nieuwe verplichting in de belangstelling te brengen.

Het doel van de nieuwe reglementering is niet dat de politiediensten controleren of er wel dan niet een fluojasje in de wagen ligt, maar dat ze erover waken of bestuurders hun eigen zichtbaarheid en bijgevolg hun veiligheid in het verkeer verzekeren. De minister is ervan overtuigd dat onze medeburgers steeds meer aandacht zullen besteden aan hun zichtbaarheid in het verkeer omdat ze de noodzaak ervan inzien. Bewustwording is een veel beter middel om de verkeersveiligheid te verbeteren dan controles.

Demande d’explications de Mme Clotilde Nyssens à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «l’application de la loi du 18 juillet 2006 tendant à privilégier l’hébergement égalitaire de l’enfant dont les parents sont séparés et réglementant l’exécution forcée en matière d’hébergement d’enfant» (nº 3-2063)

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de toepassing van de wet van 18 juli 2006 tot het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind» (nr. 3-2063)

Mme la présidente. – Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques, répondra.

De voorzitter. – Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.

Mme Clotilde Nyssens (CDH). – Il me revient que la loi du 18 juillet 2006 tendant à privilégier l’hébergement égalitaire de l’enfant dont les parents sont séparés et réglementant l’exécution forcée en matière d’hébergement d’enfant poserait déjà des problèmes dans la pratique.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). – Naar ik verneem, zou de wet van 18 juli 2006 tot het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind in de praktijk nu al problemen doen rijzen.

(M. Hugo Vandenberghe, vice-président, prend place au fauteuil présidentiel.)

(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, ondervoorzitter.)

Tout d’abord, l’objectif préconisé de ces dispositions, à savoir la réduction des tensions entre parties, ne se vérifie malheureusement pas sur le terrain, selon les praticiens. Avez-vous déjà une première évaluation provisoire de ces dispositions ? Peut-on déjà en tirer un certain enseignement ?

La question du respect des décisions judiciaires relatives à l’hébergement pose en outre problème dans la pratique : imposer un retour devant le tribunal de la jeunesse avant l’exécution forcée semble peu réaliste, selon les praticiens, eu égard aux délais de fixation devant beaucoup de tribunaux débordés.

Par ailleurs, l’article 4 de la loi prévoit que, lorsque des mesures de contrainte s’imposent, le juge désigne, s’il l’estime nécessaire, les personnes habilitées à accompagner l’huissier de justice pour l’exécution de sa décision. Cette disposition est-elle réellement mise en place et de quelle manière ? Selon quel financement ? Est-elle appliquée et avec quel succès ? Pourquoi ne pas prévoir une réelle organisation pluridisciplinaire systématiquement mise en place en cas de non-respect du droit d’hébergement ?

Le nombre de décisions judiciaires relatives à l’hébergement qui ne sont pas respectées en Belgique reste impressionnant. Disposez-vous de statistiques récentes à ce sujet qui confirment cette impression générale ?

De manière générale, on constate que les conflits ne sont pas résolus sur le terrain. Les difficultés subsistent et les avocats restent dépourvus pour aider les familles. Il n’existe certes pas de solution miracle pour faire exécuter des décisions relatives à la famille. Cette loi a-t-elle toutefois fait l’objet d’une évaluation ?

De met die bepalingen beoogde doelstelling, namelijk de vermindering van de spanningen tussen partijen, wordt volgens de praktijkmensen jammer genoeg niet bewaarheid op het terrein. Beschikt de minister al over een eerste voorlopige evaluatie van die bepalingen? Kunnen daar al lessen uit worden getrokken?

Bovendien rijzen in de praktijk problemen in verband met de naleving van de gerechtelijke beslissingen betreffende de huisvesting: volgens de praktijkmensen zou het weinig realistisch zijn zulke betwistingen opnieuw voor de jeugdrechtbank te brengen vóór de gedwongen tenuitvoerlegging, gelet op de termijnen voor de bepaling van de rechtsdag bij tal van overbelaste rechtbanken

Artikel 4 van de wet bepaalt overigens dat, indien dwangmaatregelen vereist zijn, de rechter, indien hij zulks nodig acht, de personen aanwijst die gemachtigd zijn de gerechtsdeurwaarder te vergezellen voor de tenuitvoerlegging van zijn beslissing. Word die bepaling echt uitgevoerd en op welke wijze? Hoe wordt dat gefinancierd? Wordt de bepaling toegepast en met welk resultaat? Waarom zouden we niet voorzien in een echte multidisciplinaire regeling die systematisch wordt toegepast wanneer het recht van huisvesting niet wordt gerespecteerd?

Het aantal gerechtelijke beslissingen betreffende de huisvesting die niet worden gerespecteerd, blijft in België indrukwekkend groot. Beschikt de minister in dat verband over recente statistieken die deze algemene indruk bevestigen?

Over het algemeen stellen we vast dat de conflicten op het terrein niet opgelost zijn. De moeilijkheden blijven bestaan en de advocaten zijn niet in staat de gezinnen te helpen. Er bestaat weliswaar geen wondermiddel om de beslissingen betreffende het gezin te doen naleven, maar werd deze wet al geëvalueerd?

Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques. – Je vous lis la réponse de la ministre de la Justice.

La loi du 18 juillet 2006 tendant à privilégier l’hébergement égalitaire de l’enfant dont les parents sont séparés et réglementant l’exécution forcée en matière d’hébergement d’enfant a été publiée au Moniteur Belge du 4 septembre 2006 et n’est donc en vigueur que depuis le 14 septembre 2006.

Il est trop tôt pour tirer des enseignements de l’application de cette nouvelle loi. Il n’y a pas à ma connaissance de jurisprudence publiée. J’ignore en vertu de quelle source il serait déjà possible de dire que l’objectif poursuivi – réduire les tensions entre les parties – ne se vérifierait pas sur le terrain.

Des praticiens font savoir que, si certains juges restent opposés au principe de l’hébergement égalitaire – la nouvelle loi leur permet de ne pas appliquer le modèle suggéré –, d’autres considèrent que le modèle législatif doit être appliqué.

Pour résoudre le problème de l’exécution des décisions, la solution adoptée dans la loi est la plus équilibrée possible. Permettre l’exécution pure et simple des décisions aurait été contraire à l’intérêt de l’enfant. Laisser subsister le vide juridique existant avant l’entrée en vigueur de la nouvelle loi n’était pas davantage tolérable. Si les délais de fixation sont trop longs, la loi laisse la possibilité de saisir le juge des référés en cas d’urgence.

La loi ne prévoit pas de financement particulier pour les personnes qui devront accompagner l’huissier de justice pour l’exécution forcée. Il y a lieu d’appliquer les règles habituelles en matière de dépens. Ceux-ci sont supportés par la partie qui succombe ou celle par la faute de laquelle les frais ont dû être exposés.

Il n’est pas envisagé de prévoir systématiquement une organisation pluridisciplinaire : cette possibilité a été débattue lors des travaux préparatoires de l’adoption de la loi et n’a pas été retenue par le parlement.

Quant aux statistiques récentes relatives à l’hébergement, j’interroge mon administration.

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. – Ik lees het antwoord van de minister van Justitie.

De wet van 18 juli 2006 tot het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 4 september 2006 en is dus nog maar sinds 14 september 2006 van kracht.

Het is te vroeg om lessen te trekken uit de toepassing van deze nieuwe wet. Voorzover ik weet, is er geen rechtspraak gepubliceerd. Ik weet niet op grond waarvan het al mogelijk zou zijn te zeggen dat de beoogde doelstelling – het verminderen van de spanningen tussen de partijen – op het terrein niet zou worden bewaarheid.

Praktijkmensen zeggen dat bepaalde rechters gekant blijven tegen het principe van de gelijkmatig verdeelde huisvesting – de nieuwe wet maakt het hun mogelijk de voorgestelde regeling niet toe te passen –, maar dat anderen vinden dat het model waarin de wet voorziet, moet worden toegepast.

Om het probleem inzake de uitvoering van de beslissingen op te lossen, is de in de wet opgenomen oplossing zo evenwichtig mogelijk. Het zou tegen het belang van het kind geweest zijn de strikte toepassing van de beslissingen toe te laten. Het was al evenmin aanvaardbaar om de juridische leemte die bestond vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet, te laten bestaan. Als de termijnen voor de bepaling van de rechtsdag te lang zijn, biedt de wet de mogelijkheid om in spoedgevallen het geding aanhangig te maken bij de rechter in kort geding.

De wet voorziet niet in een bijzondere financiering voor de personen die de gerechtsdeurwaarder moeten vergezellen bij de gedwongen tenuitvoerlegging. De gebruikelijke onkostenregeling moet worden toegepast. De onkosten worden gedragen door de partij die in het ongelijk wordt gesteld of door de partij door wiens schuld de onkosten moesten worden gemaakt.

Er wordt niet overwogen systematisch te voorzien in een multidisciplinaire regeling: over die mogelijkheid werd gediscussieerd tijdens de werkzaamheden ter voorbereiding van de aanneming van de wet, maar ze werd door het parlement niet in aanmerking genomen.

Ik zal bij mijn administratie navraag doen naar recente statistieken in verband met de huisvesting.

Mme Clotilde Nyssens (CDH). – Je comprends qu’il soit tôt pour procéder à une évaluation générale. Je souhaitais simplement mettre en exergue les réactions de nombreux praticiens qui critiquent la manière dont cette loi est appliquée ou applicable. J’ai voulu retransmettre l’intervention d’un avocat dans la lettre du barreau de Bruxelles. Je demanderai que soit publiée la réponse de la ministre. Je reviendrai ultérieurement sur les problèmes soulevés par les praticiens.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). – Ik begrijp dat het nog te vroeg is om over te gaan tot een algemene evaluatie. Ik wou alleen wijzen op de reacties van tal van praktijkmensen die kritiek uiten op de wijze waarop de wet wordt toegepast of van toepassing is. Ik wou melding maken van de bijdrage van een advocaat in de brief van de balie van Brussel. Ik zal vragen dat het antwoord van de minister gepubliceerd wordt. Ik kom later nog terug op de door de praktijkmensen opgeworpen problemen.

Demande d’explications de Mme Joëlle Kapompolé à la vice-première ministre et ministre du Budget et de la Protection de la consommation sur «la publicité pour le produit d’assurance Kids for Life» (nº 3-2055)

Vraag om uitleg van mevrouw Joëlle Kapompolé aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken over «de reclame voor het verzekeringsproduct Kids for Life» (nr. 3-2055)

M. le président. – Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques, répondra.

De voorzitter. – Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.

Mme Joëlle Kapompolé (PS). – Une célèbre compagnie d’assurance a lancé une campagne publicitaire pour son plan d’épargne « Kids for Life ». Un petit livre en carton, tels les livres d’images pour enfants, a été distribué dans les boîtes aux lettres.

Les illustrations que l’on retrouve dans ce livre sont des « limousines », du « caviar », des « jets privés », etc. Même si je comprends l’humour au second degré de cette publicité, je m’interroge sur les valeurs véhiculées.

Quelle est la position de la vice-première ministre sur cette campagne publicitaire ?

Cette question me permet de revenir sur le rôle et le statut du jury d’éthique publicitaire. Ce jury a pour mission d’examiner la conformité des messages publicitaires diffusés dans les médias avec les règles de l’éthique publicitaire, en se fondant sur les lois et les codes d’autodiscipline. Cependant, les décisions du jury sont souvent prises après la fin de la campagne publicitaire et sont non contraignantes.

De plus, ce jury a été mis en place par le Conseil de la publicité, il regroupe les associations représentatives des annonceurs, les agences de communication et des médias. Les consommateurs ne sont donc pas représentés dans l’instance décisionnelle, le rôle de leurs associations est exclusivement un rôle d’observateur.

À l’heure actuelle, les règles de conduite dans lesquelles les nouvelles formes de publicité et de manipulation s’inscrivent sont souvent peu efficaces. Seule, une instance indépendante et officielle – comme, par exemple, un conseil fédéral de la publicité – pourrait les réguler.

J’aimerais connaître la position de la vice-première ministre sur la mise en place d’une telle instance ?

Mevrouw Joëlle Kapompolé (PS). – Een bekende verzekeringsmaatschappij lanceerde een reclamecampagne voor haar spaarplan ‘Kids for Life’. Een klein boekje in karton, een soort prentenboekje voor kinderen, werd via de brievenbussen verdeeld.

De plaatjes in dit boekje zijn onder meer ‘limousines’, ‘kaviaar’, ‘privéjets’. Ik begrijp wel dat in deze reclame een zekere humor schuilt, maar ik heb toch vragen bij de waarden die hiermee worden overgebracht.

Hoe staat de minister tegenover deze reclamecampagne?

Ik heb ook vragen bij het statuut en de rol van de Jury voor Ethische Praktijken inzake Reclame. Die moet onderzoeken of de reclameboodschappen die verspreid worden via de media in overeenstemming zijn met de regels inzake reclame-ethiek. Zij baseert zich daarbij op de wetten en de zelfdisciplinaire codes. De jury neemt vaak beslissingen nadat de reclamecampagne is afgelopen. De besluiten zijn trouwens niet bindend.

Deze jury, opgericht door de Raad voor de Reclame, verenigt de representatieve verenigingen van de adverteerders, de reclamebureaus en de media. De consumentenorganisaties zijn dus niet vertegenwoordigd in het beslissingsorgaan, ze kunnen alleen maar observeren.

Momenteel zijn de gedragsregels voor de nieuwe reclamevormen niet efficiënt. Alleen een onafhankelijke officiële instantie zoals bijvoorbeeld een federale Raad voor de Reclame kan dit probleem oplossen.

Hoe staat de vice-eerste minister tegenover de oprichting van een dergelijke instantie?

Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques. – Je vous lis la réponse de la vice-première ministre et ministre du Budget.

Je me suis également interrogée sur cette campagne. Il faut des règles d’éthique pour l’ensemble des services financiers.

Pour l’instant, il n’existe des règles que pour le marketing bancaire à l’égard des jeunes, or la campagne publicitaire que vous mentionnez concerne des produits d’assurance. C’est pourquoi j’ai demandé, le 24 novembre dernier, au Conseil de la Consommation d’envisager l’extension de ce code aux produits d’assurances. J’ai également fait part à Assuralia des réactions à cette campagne, et ai demandé à cette fédération patronale de collaborer au travail du Conseil de la Consommation.

En ce qui concerne le Jury d’éthique publicitaire, vous savez que j’ai encouragé les professionnels et les consommateurs à améliorer le fonctionnement du JEP afin de le rendre plus indépendant et plus proche des préoccupations des consommateurs. Malheureusement, ces discussions n’ont pas encore pu aboutir.

Plutôt que de créer de nouveaux organes, il me paraît préférable de partir de ceux qui existent et d’améliorer leur efficacité pour la protection des consommateurs.

Si, à l’avenir, les difficultés subsistent, il faudra réfléchir à d’autres initiatives.

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. – Ik lees het antwoord van de vice-eerste minister en minister van begroting.

Ik had ook bedenkingen bij deze campagne. Er moeten ethische regels zijn voor alle financiële diensten.

Dat is momenteel alleen het geval voor de bankmarketing voor jongeren. De reclamecampagne waarnaar de senator verwees heeft betrekking op een verzekeringsproduct. Op 24 november jongstleden heb ik de Raad voor het Verbruik gevraagd de code uit te breiden tot de verzekeringsproducten. Ik heb ook de reacties op deze campagne doorgegeven aan Assuralia. Ik heb deze patroonsfederatie gevraagd samen te werken met de Raad voor het Verbruik.

De mensen uit de sector en de consumentenorganisaties heb ik aangespoord om de werking van de Jury voor Ethische Praktijken, JEP, te verbeteren, zodat deze onafhankelijker kan werken en meer rekening kan houden met de bezorgdheid van de consumenten. De besprekingen hebben spijtig genoeg nog niet tot een resultaat geleid.

Het is beter de bestaande organen efficiënter te maken op het vlak van de bescherming van de consumenten, dan nieuwe instellingen op te richten.

Als in de toekomst de problemen echter blijven bestaan, moeten we nadenken over andere initiatieven.

Mme Joëlle Kapompolé (PS). – Je remercie Mme la secrétaire d’État pour la lecture de la réponse.

Je relève tout d’abord qu’il y a eu plus qu’une simple interrogation dans l’esprit de la ministre de la Protection de la consommation puisqu’elle a exigé qu’on étende l’application du code de marketing bancaire aux produits d’assurances. C’est bien.

Je ne propose pas de créer une nouvelle instance. Le Conseil fédéral de la publicité serait simplement le résultat de la transformation du jury d’éthique publicitaire de sorte que les organisations de consommateurs aient leur place au niveau décisionnel. Il n’y a donc pas de création, juste un changement de nom et une composition modifiée.

Mevrouw Joëlle Kapompolé (PS). – Ik dank de staatssecretaris voor het voorlezen van het antwoord.

Ik noteer dat de minister van Consumentenzaken eist dat de gedragscode inzake bankmarketing wordt uitgebreid naar de verzekeringsproducten. Dat is goed.

Ik stel niet voor om een nieuwe instantie op te richten. De federale Raad voor de Reclame zou gewoon het resultaat zijn van de aanpassing van de Jury voor Ethische Praktijken inzake Reclame, met een plaats voor de consumentenorganisaties op beslissingsniveau. Het gaat dus niet om de oprichting van een nieuw orgaan, alleen om een naamswijziging en een andere samenstelling.

Demande d’explications de Mme Sabine de Bethune à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «les modifications des dispositions du Code civil relatives à l’établissement de la filiation et aux effets de celle-ci» (nº 3-2049)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan» (nr. 3-2049)

M. le président. – Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques, répondra.

De voorzitter. – Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.

Mme Sabine de Bethune (CD&V). – Après examen par la Chambre et le Sénat, la loi modifiant des dispositions du Code civil relatives à l’établissement de la filiation et aux effets de celle-ci a été publiée le 29 décembre 2006 au Moniteur Belge. Cette loi constitue une étape importante dans la modernisation et l’humanisation de la législation relative aux enfants mort-nés. Plus précisément, c’est la discrimination entre les pères mariés et non mariés qui est ainsi supprimée.

Je renvoie en particulier à l’article 3 qui complète le deuxième alinéa, 2º, de l’article 80bis du Code, ainsi qu’à l’article 13. La loi ne prévoit pas de mesures transitoires pour l’application de ces articles.

À la suite de la modification de la loi, des parents me demandent régulièrement comment ils peuvent faire valoir concrètement leurs droits.

La ministre peut-elle m’expliquer la portée de l’article 3 ? Quelle est, après cette modification de la loi, la procédure pour la reconnaissance posthume, par le père non marié, d’un enfant mort-né ? La reconnaissance doit-elle être faite dans un certain délai après la naissance de l’enfant mort-né ?

La loi a été publiée le 29 décembre 2006 et est par conséquent entrée en vigueur le 8 janvier 2007. Aucune mesure transitoire n’est prévue. Cette loi s’applique-t-elle si l’enfant mort-né est né avant le 8 janvier 2007 ?

La ministre peut-elle expliquer la portée de l’article 13 ?

Quelle est, après modification de la loi, la procédure pour la reconnaissance posthume d’un nouveau-né décédé peu après la naissance ?

Cette loi s’applique-t-elle si l’enfant décédé est né avant le 8 janvier 2007 mais est reconnu dans l’année suivant sa naissance par le père non marié ?

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). – Na behandeling in Kamer en Senaat werd de wet tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan, op 29 december 2006 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. In deze wet werd een belangrijke stap gezet in de modernisering en humanisering van de wettelijke regeling betreffende levenloos geboren kinderen. Zo wordt meer bepaald de discriminatie tussen gehuwde en ongehuwde vaders weggewerkt.

Ik verwijs in het bijzonder naar artikel 3 dat het tweede lid, 2º, van artikel 80bis van het Wetboek aanvult, alsook naar artikel 13. In de wet is niet voorzien in overgangsmaatregelen voor de toepassing van deze artikelen.

Naar aanleiding van de wetswijziging vragen ouders mij geregeld hoe ze hun rechten concreet kunnen laten gelden.

Kan de minister de draagwijdte van artikel 3 toelichten? Wat is de procedure voor de postume erkenning door de ongehuwde vader na deze wetswijziging in het geval van een levenloos geboren kind? Moet de erkenning gebeuren binnen een bepaalde termijn na de geboorte van het levenloos geboren kind?

De wet werd gepubliceerd op 29 december 2006 en is bijgevolg van kracht op 8 januari 2007. Er zijn geen overgangsmaatregelen. Is deze wet van toepassing indien het kind levenloos werd geboren vóór 8 januari 2007?

Kan de minister de draagwijdte van artikel 13 nader verklaren?

Wat is de procedure voor de postume erkenning na deze wetswijziging in het geval van een pasgeborene die kort na de geboorte overlijdt?

Is deze wet van toepassing indien het overleden kind werd geboren vóór 8 januari, maar binnen het jaar na de geboorte wordt erkend door de ongehuwde vader?

Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques. – Je vous lis la réponse de la ministre de la Justice.

Conformément à l’article 373 de la loi du 28 décembre 2006, la loi du 1er juillet 2006 entrera en vigueur le 1er juillet 2007. Elle ne prévoit aucune disposition transitoire relative aux enfants mort-nés. Les principes généraux prévus à l’article 2 du Code civil doivent donc être appliqués. La loi entre immédiatement en vigueur mais n’a aucun effet rétroactif.

L’article 80bis du Code civil ne prévoit aucun délai pour la rédaction d’un acte de déclaration d’enfant sans vie. Ce n’est pas un acte de naissance et il est consigné au registre des décès. Il doit néanmoins être rédigé pour obtenir l’autorisation d’inhumer l’enfant.

Dès que l’acte est rédigé, la loi en vigueur doit être appliquée. La reconnaissance n’est possible qu’à partir du 1er juillet 2007 pour un enfant décédé après cette date. La nouvelle loi impose un délai d’un an prenant cours à la date de la naissance. La reconnaissance peut donc avoir lieu si l’enfant est décédé moins d’un an avant le 1er juillet 2007. Pour les enfants nés avant le 1er juillet 2006, la reconnaissance ne sera pas possible car on donnerait alors un effet rétroactif à la nouvelle loi.

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. – Ik lees het antwoord van de minister van Justitie.

Krachtens artikel 373 van de wet van 28 december 2006 wordt de wet van 1 juli 2006 van kracht op 1 juli 2007. In de wet staat geen specifieke overgangsbepaling inzake de levenloos geboren kinderen. De algemene principes moeten dus worden toegepast, namelijk artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek. De wet is onmiddellijk van toepassing, maar heeft geen terugwerkende kracht.

Voor het opstellen van een akte van een levenloos geboren kind bepaalt artikel 80bis van het Burgerlijk Wetboek geen termijn. Het betreft geen geboorteakte en de akte wordt ingeschreven in het overlijdensregister. De akte moet niettemin worden opgesteld om toelating te krijgen voor de begraving van het kind.

Op het ogenblik dat de akte wordt opgesteld, moet de van kracht zijnde wet worden toegepast. Voor de erkenning kan dat pas vanaf 1 juli 2007 ten voordele van een posterieur overleden kind. De nieuwe wet legt een termijn van één jaar op vanaf de datum van de geboorte. De erkenning kan dus gebeuren indien het kind overleden is minder dan één jaar vóór 1 juli 2007. Voor de kinderen die vóór 1 juli 2006 geboren zijn, zal dat niet mogelijk zijn, want dan zou men de nieuwe wet terugwerkende kracht geven.

Demande d’explications de Mme Sabine de Bethune à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «la double nationalité» (nº 3-2050)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de dubbele nationaliteit» (nr. 3-2050)

M. le président. – Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques, répondra.

De voorzitter. – Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.

Mme Sabine de Bethune (CD&V). – L’article 386 de la loi portant des dispositions diverses adoptée fin décembre (Document Sénat 3-1988), règle la double nationalité pour les ressortissants belges, du moins en principe.

Malheureusement, la Belgique est encore tenue par la Convention du Conseil de l’Europe du 6 mai 1963. La Convention impose aux ressortissants des États Parties, dont la Belgique, la perte automatique de la nationalité lorsqu’ils acquièrent volontairement la nationalité d’un des États Parties. À l’occasion d’une demande d’explications antérieure (3-1603), la ministre a indiqué que seuls l’Irlande et le Luxembourg devaient encore marquer leur accord à la dénonciation de la Convention.

La Belgique n’a d’ailleurs pas encore ratifié la Convention européenne du 6 novembre 1997 sur la nationalité. Cette Convention offre aux États la faculté de prévoir dans leur droit interne soit l’abandon de la nationalité d’origine soit le maintien de celle-ci.

Jusqu’à présent, la modification introduite par la loi portant des dispositions diverses est dès lors sans objet.

1. Où en est la dénonciation de la Convention de 1963 ? Un accord a-t-il entre-temps été obtenu avec l’Irlande et le Luxembourg ?

2. Quand la Belgique signera-t-elle la Convention de 1997 ? Est-il possible de démarrer la procédure de signature de la Convention de 1997 avant que la Convention de 1963 n’ait été dénoncée ?

3. Si les dispositions relatives aux conventions sont prêtes, l’article concerné de la loi portant des dispositions diverses entre-t-il immédiatement en vigueur ou y a-t-il encore d’autres étapes légales ? Dans l’affirmative, quelles sont-elles ?

4. Lors de l’application de la double nationalité, des expatriés ayant antérieurement perdu leur nationalité belge en ayant acquis une nouvelle nationalité, pourront-ils de nouveau acquérir la nationalité belge, automatiquement ou par le biais d’une procédure simplifiée ?

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). – Artikel 386 van de wet houdende diverse bepalingen die eind december werd goedgekeurd (Stuk Senaat 3-1988), regelt de dubbele nationaliteit voor Belgische onderdanen, althans principieel.

België is spijtig genoeg nog steeds gebonden door het Verdrag van de Raad van Europa van 6 mei 1963. Het legt de onderdanen van de verdragsluitende staten, waaronder België, het automatische verlies van nationaliteit op als zij vrijwillig de nationaliteit van één van de verdragsluitende staten verwerven. In een vorige vraag om uitleg (3-1603) gaf de minister aan dat enkel nog Ierland en Luxemburg toestemming moeten geven om het verdrag op te zeggen.

Overigens heeft België het Europees Verdrag betreffende de nationaliteit van 6 november 1997 nog steeds niet geratificeerd. Dit verdrag geeft staten de mogelijkheid om in hun intern recht hetzij afstand te doen van de oorspronkelijk nationaliteit, hetzij die te behouden.

Tot op heden is de wetswijziging door de wet houdende diverse bepalingen dan ook zonder voorwerp.

1. Wat is de stand van zaken betreffende de opzegging van het verdrag van 1963? Werd ondertussen een overeenkomst bereikt met Ierland en Luxemburg?

2. Wanneer zal België het verdrag van 1997 ondertekenen? Is het mogelijk de procedure voor de ondertekening van het verdrag van 1997 al op te starten voordat het verdrag van 1963 is opgezegd?

3. Als de regelingen omtrent de verdragen voltooid zijn, wordt het betreffende artikel uit de wet diverse bepaling onmiddellijk van kracht of dienen er nog andere wettelijke stappen gedaan te worden? Zo ja, welke?

4. Is er een mogelijkheid bij de toepassing van dubbele nationaliteit dat expats, die in het verleden hun Belgische nationaliteit hebben verloren door het aannemen van een nieuwe nationaliteit, die automatisch of via een vereenvoudigde procedure kunnen terugkrijgen?

Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques. – Comme je l’ai expliqué pendant les discussions concernant cet article, la procédure de dénonciation de la Convention du Conseil de l’Europe du 6 mai 1963 est un peu particulière, étant donné que l’accord écrit est exigé de toutes les parties à la Convention, soit quinze États, conformément à l’article 44, §1er, de la Convention de Vienne qui constitue le droit commun des conventions. La République d’Irlande a dénoncé la Convention de 1963 fin de l’année dernière.

Comme je l’ai annoncé dans une réponse à une question parlementaire sur le même sujet, j’ai rencontré mon collègue luxembourgeois la semaine dernière hors du cadre direct du Sommet de Dresde. Il m’a confirmé une fois de plus que le Grand-Duché dénoncerait la Convention à bref délai.

J’ai reçu hier une copie d’une lettre dans laquelle le Représentant Permanent du Luxembourg communique au secrétaire général du Conseil de l’Europe la décision du ministre luxembourgeois de la Justice d’autoriser les autres États Parties, dont la Belgique, à dénoncer le Chapitre Ier de la Convention de 1963.

Conformément aux dispositions de la Convention, le secrétaire général du Conseil de l’Europe doit dès à présent rédiger un certificat comportant l’accord de tous les États Parties, de sorte que l’arrêté royal d’exécution visé à l’article 386, 1º, de la loi du 27 décembre 2006 puisse entrer en vigueur.

2. Au cours de la prochaine législature, la Belgique devra s’exprimer sur l’opportunité d’une éventuelle ratification de la Convention européenne du 6 novembre 1997, étant donné que cette ratification va de pair avec des modifications substantielles du Code de la nationalité belge. Cela concerne entre autres l’obligation de motiver les décisions en matière de naturalisation et l’obligation de prévoir une éventuelle procédure d’appel contre ces décisions. Le parlement examinera sans aucun doute en profondeur ces questions qui concernent une des compétences essentielles de la Chambre des représentants.

3. Comme cela a déjà été dit pendant les débats parlementaires concernant cette question, il est exact qu’en vertu de la Convention de 1963, cette entrée en vigueur n’est effective qu’un an après la dénonciation de cette Convention.

J’ai demandé à mes services d’examiner, avec le département de l’Intérieur, la possibilité d’anticiper cette entrée en vigueur, dans le respect de nos obligations internationales, par exemple en faisant courir le délai à partir de la date à laquelle la Belgique a marqué son accord à la dénonciation de la Convention, c’est-à-dire le 25 juillet 2005. Cette analyse est toujours en cours.

4. Les intéressés pourront de nouveau acquérir la nationalité belge en faisant une déclaration devant l’officier de l’état civil ou, s’ils séjournent à l’étranger, devant le chef de la mission diplomatique belge ou du poste consulaire de leur résidence. Pour les personnes qui n’avaient pas leur résidence principale en Belgique pendant les douze mois précédant leur déclaration, le procureur du Roi devra apprécier les circonstances dans lesquelles elles ont perdu la nationalité. Je pense qu’un avis négatif, exclusivement basé sur une disposition entre-temps supprimée, n’aurait aucun sens. Cette question sera abordée lors d’une prochaine réunion du Collège des procureurs généraux.

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. – Zoals ik heb uitgelegd tijdens de discussies over dit artikel, is de opzeggingsprocedure van het Verdrag van de Raad van Europa van 6 mei 1963 een beetje bijzonder, aangezien daarvoor het schriftelijk akkoord vereist is van alle partijen bij dit Verdrag, vijftien staten dus, in overeenstemming met artikel 44, §1, van het Verdrag van Wenen, dat het gemene recht vormt van de verdragen. De Ierse republiek heeft het Verdrag van 1963 eind vorig jaar opgezegd.

Zoals ik heb aangekondigd in een antwoord op een parlementaire vraag over hetzelfde onderwerp, heb ik vorige week buiten het rechtstreekse kader van de Top van Dresden mijn Luxemburgse collega ontmoet en die heeft me nogmaals bevestigd dat het Groothertogdom het Verdrag van 1963 op korte termijn zou opzeggen.

Gisteren kreeg ik een kopie van een brief van de Permanente Vertegenwoordiger van Luxemburg aan de secretaris-generaal van de Raad van Europa, waarbij aan die laatste de beslissing meegedeeld werd van de Luxemburgse minister van Justitie om aan de andere staten die partij zijn, waarbij met name België werd vernoemd, toe te staan om Hoofdstuk 1 van het Verdrag van 1963 op te zeggen.

In overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag, moet de secretaris-generaal van de Raad van Europa vanaf nu een certificaat opstellen met daarin het akkoord van alle staten die partij zijn, zodat het koninklijk besluit van inwerkingtreding bedoeld in artikel 386, 1º, van de wet van 27 december 2006 van kracht kan worden.

2. Tijdens de volgende regeerperiode zal België zich moeten uitspreken over de opportuniteit van een eventuele ratificatie van het Europees Verdrag van 6 november 1997, aangezien de ratificatie van dit Verdrag samengaat met substantiële wijzigingen van het Wetboek van de Belgische nationaliteit. Het betreft onder meer de verplichting om de naturalisatiebeslissingen te motiveren en de verplichting om een mogelijke beroepsprocedure tegen deze beslissingen te voorzien. Over deze vragen, die voornamelijk betrekking hebben op één van de essentiële bevoegdheden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, zal in het parlement vast en zeker grondig moeten worden nagedacht.

3. Zoals reeds werd aangehaald tijdens de parlementaire debatten over deze vraag, is het inderdaad juist dat, krachtens het Verdrag van 1963, deze inwerkingtreding pas effectief is, één jaar na het opzeggen van dit Verdrag.

Ik heb aan mijn diensten gevraagd om samen met het departement Buitenlandse Zaken na te gaan of het mogelijk is te anticiperen op deze inwerkingtreding, met inachtneming van onze internationale verplichtingen, bijvoorbeeld door als vertrekpunt van de termijn de datum te nemen waarop België zich akkoord verklaarde om dat Verdrag op te zeggen, namelijk op 25 juli 2005. Met deze analyse is men nog steeds bezig.

4. De betrokkenen zullen de Belgische nationaliteit kunnen terugkrijgen door een verklaring af te leggen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand of, indien ze in het buitenland verblijven, bij het hoofd van de Belgische diplomatieke of consulaire post van hun verblijfplaats. Voor wie zijn hoofdverblijfplaats niet in België had tijdens de twaalf maanden voorafgaand aan zijn verklaring, zal de procureur des Konings de omstandigheden moeten beoordelen aan de hand waarvan de persoon die de verklaring doet, zijn nationaliteit verloor. Ik ben van mening dat een negatief advies, dat uitsluitend zou zijn gebaseerd op een bepaling die inmiddels zou zijn opgeheven, geen zin zou hebben. Deze vraag zal aan bod komen tijdens een volgende vergadering van het College van procureurs-generaal.

Mme Sabine de Bethune (CD&V). – La réponse est précise. Lorsque j’entends ce qui doit encore être fait et qu’en outre on renvoie à la prochaine législature, je me demande pourquoi cet article de la loi-programme a été adopté en décembre 2006. Aujourd’hui, la disposition ne donne encore aucun droit aux ressortissants belges ou autres.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). – Het antwoord is duidelijk. Als ik echter hoor wat nog moet worden gedaan en ik bovendien merk dat verwezen wordt naar de volgende legislatuur, dan vraag ik mij af waarom wij dit artikel van de programmawet in december 2006 hebben goedgekeurd. Vandaag geeft de bepaling Belgische onderdanen of andere nog geen enkel recht.

Demande d’explications de M. Christian Brotcorne au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur et au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «l’étude de l’université de Cincinnati relative au risque élevé pour les pompiers de développer un cancer» (nº 3-2061)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het onderzoek van de universiteit van Cincinnati over het hoge kankerrisico bij brandweerlui» (nr. 3-2061)

M. le président. – Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques, répondra.

De voorzitter. – Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.

M. Christian Brotcorne (CDH). – Une équipe de l’université de Cincinnati vient de publier une étude soulignant le risque important pour les pompiers de développer certains cancers. L’inhalation et l’absorption cutanée de substances comme le benzène ou le chloroforme constitueraient une menace importante.

Les chercheurs ont analysé 32 études portant sur 110.000 pompiers et ont tenu compte de 21 types de cancer. Selon la BBC, le taux d’apparition de cancer des testicules est deux fois plus élevé chez les pompiers que dans la population générale ou dans d’autres catégories professionnelles. Le taux est de 28% supérieur pour le cancer de la prostate et de 50% supérieur pour le lymphome non-hodgkinien.

Toujours selon la BBC, les auteurs de l’étude soulignent la nécessité de fournir immédiatement un équipement de protection supplémentaire pour éviter l’exposition des pompiers aux substances connues ou suspectées comme étant cancérogènes. De plus, les pompiers devraient se laver méticuleusement pour enlever la suie et les autres résidus générés par le feu.

Le ministre responsable de nos sapeurs-pompiers a-t-il pris connaissance de cette étude ? Peut-il nous indiquer si l’équipement des pompiers belges les protège suffisamment contre les risques d’inhalation et d’absorption cutanée de substances toxiques ? Nos pompiers subissent-ils régulièrement des examens de santé propices à dépister ces types de cancers ? Sinon, comptez-vous en organiser rapidement ?

Dans un autre ordre d’idée, j’aimerais connaître la date de dépôt du projet de loi relatif à la réforme des services de secours qui a été promis avant la fin de cette législature. Ce projet doit en effet réorganiser le statut du sapeur-pompier et éventuellement considérer cette fonction comme un métier à risque. Le projet sera-t-il déposé au Sénat ou à la Chambre ?

De heer Christian Brotcorne (CDH). – Een team van de universiteit van Cincinnati heeft onlangs een studie gepubliceerd waarin gewezen wordt op het grote risico voor brandweerlui om bepaalde kankers te ontwikkelen. De inademing en de opname via de huid van stoffen als benzeen of chloroform zouden een belangrijke bedreiging vormen.

De onderzoekers hebben 32 studies betreffende 110.000 brandweerlui geanalyseerd en hebben rekening gehouden met 21 types kanker. Volgens de BBC komt teelbalkanker tweemaal zoveel voor bij brandweerlui als bij de bevolking in het algemeen of bij andere beroepscategorieën. Er zijn 28% meer gevallen van prostaatkanker en 50% meer gevallen van non-Hodgkinlymfoom (NHL).

Nog volgens de BBC onderstrepen de auteurs van de studie de noodzaak in een bijkomende beschermingsuitrusting te voorzien om te vermijden dat brandweerlui worden blootgesteld aan stoffen waarvan bekend is of vermoed wordt dat ze kankerverwekkend zijn. De brandweerlui zouden zich bovendien zorgvuldig moeten wassen om het roet en andere afvalstoffen die door het vuur worden veroorzaakt, weg te nemen.

Heeft de minister die verantwoordelijk is voor onze brandweerlui kennis genomen van die studie? Kan hij ons meedelen of de uitrusting van de Belgische brandweerlui hen voldoende beschermt tegen de risico’s op inademing en opname via de huid van giftige stoffen? Ondergaan onze brandweerlui geregeld medische onderzoeken om die types van kanker op te sporen? Indien niet, is hij van plan binnenkort dergelijke onderzoeken te organiseren?

Daarnaast zou ik willen weten wanneer het wetsontwerp met betrekking tot de hervorming van de hulpdiensten zal worden ingediend. Dat ontwerp werd beloofd vóór het einde van deze regeerperiode. Het ontwerp strekt ertoe het statuut van brandweerman te reorganiseren en die functie eventueel ook als een risicoberoep te beschouwen. Zal het ontwerp in de Kamer of in de Senaat worden ingediend?

Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques. – Je vous lis la réponse du ministre Demotte.

L’étude à laquelle M. Brotcorne fait référence a été publiée au mois de novembre 2006 et repose sur la méta-analyse de données déjà publiées sur l’existence de risques, probables, possibles ou improbables, de développer certains types de cancer. Il ne s’agit donc pas de nouvelles données mais bien d’une revue des données existantes publiées aux États-Unis, au Canada et en Europe durant les vingt dernières années. Ces données semblent confirmer la probabilité d’un risque majoré pour cette catégorie de travailleurs. Il faut noter que, selon deux études menées respectivement en Floride en 2006 et au Canada en 1993 sur le même sujet, la mortalité globale des pompiers, toutes causes confondues, était similaire à celle de la population générale. Les facteurs qui expliquent ces constatations ne sont pas établis avec certitude, et l’on continue à émettre des hypothèses liées à l’exposition à certains produits toxiques.

Il convient dès lors de continuer à recommander de respecter les mesures générales de protection prévues dans notre législation.

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. – Ik lees het antwoord van minister Demotte.

De studie waarnaar de heer Brotcorne verwijst werd gepubliceerd in november 2006 en berust op een meta-analyse van reeds gepubliceerde gegevens over de risicograad om bepaalde types kanker te ontwikkelen. Ze bevat dus geen nieuwe gegevens, maar wel een overzicht van bestaande gegevens die in de Verenigde staten, Canada en Europa gedurende de voorbije twintig jaar zijn gepubliceerd. Die gegevens lijken de waarschijnlijkheid van een verhoogd risico op kanker voor brandweerlui te bevestigen. Volgens twee studies over hetzelfde onderwerp, respectievelijk uitgevoerd in Florida in 2006 en in Canada in 1993, is het globale sterftecijfer bij de brandweerlui, zonder op te splitsen naargelang de doodsoorzaak, nagenoeg hetzelfde als bij de bevolking in het algemeen. De factoren waarop deze vaststellingen zijn gebaseerd, zijn niet met zekerheid aangetoond en er worden nog steeds hypothesen geuit met betrekking tot de blootstelling aan bepaalde toxische stoffen.

Het is dus belangrijk de naleving van de algemene beschermingsmaatregelen die in onze wetgeving zijn opgenomen na te streven.

M. Christian Brotcorne (CDH). – Cette réponse est de nouveau incomplète, comme celle que j’ai eue tout à l’heure à une autre question. Le ministre n’a pas répondu à la deuxième partie de ma demande d’explications. Pour la première partie, il dit simplement que des études existent, mais le principe de précaution parfois si cher à certains n’est manifestement pas appliqué. Dont acte.

De heer Christian Brotcorne (CDH). – Dit antwoord is nog maar eens onvolledig, zoals het antwoord van daarnet op mijn vorige vraag. De minister heeft niet geantwoord op het tweede deel van mijn vraag. Wat het eerste deel betreft, zegt hij gewoon dat er studies bestaan, maar het voorzorgsprincipe dat sommigen soms zo dierbaar is, wordt duidelijk niet toegepast, waarvan akte.

Demande d’explications de M. Christian Brotcorne au ministre des Affaires étrangères sur «la prochaine rencontre entre le Président de la Fédération de Russie et les autorités belges» (nº 3-2062)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de volgende ontmoeting tussen de President van de Russische Federatie en de Belgische overheid» (nr. 3-2062)

M. le président. – Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques, répondra.

De voorzitter. – Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.

M. Christian Brotcorne (CDH). – Même si cette visite a été remise à plusieurs reprises, je viens d’apprendre que le premier ministre se rendra malgré tout en Fédération de Russie, le 29 janvier prochain, pour y rencontrer M. Poutine. J’espère que votre réponse tient compte de cet élément.

En conclusion de l’année de présidence belge de l’OSCE, le ministre des Affaires étrangères a accordé une entrevue à Radio Free Europe/Radio Liberty. Lors de cette rencontre, il avait mis en avant la responsabilité des autorités russes dans la non-résolution des conflits en Asie Centrale. M. De Gucht déclarait que la seule raison de notre incapacité à résoudre les conflits de Transnistrie et d’Ossétie du Sud était l’absence de volonté de la Russie de les résoudre. Nous n’aurions donc aucun moyen de forcer la Russie à s’engager à résoudre ces conflits.

Lors de cette entrevue, M. De Gucht avait également dénoncé le refus catégorique de la Russie d’une implication de la communauté internationale, en particulier de l’OSCE, dans la résolution du conflit en Tchétchénie.

Par ailleurs, la Fédération de Russie fait actuellement l’objet de 19.300 affaires pendantes auprès de la Cour européenne des Droits de l’homme, soit 21,5% des affaires pendantes de cette Cour. En 2005, 17% des plaintes déposées auprès de la Cour européenne des Droits de l’homme l’étaient à l’encontre de la Russie, soit environ 300 plaintes par semaine. Cela démontre un réel problème de respect des droits de l’homme dans le chef des autorités russes. Ce problème est révélé au travers du conflit tchétchène, d’une part, et, d’autre part, de la loi anti-immigration adoptée au nom de la lutte contre le terrorisme entreprise par les autorités russes.

Pas plus tard qu’hier, l’ambassadeur d’Allemagne, M. Jessen, est venu présenter, à la commission des Relations internationales et de la Défense, le programme de la présidence allemande. Il est préoccupant, voire choquant, de constater que seules les questions énergétiques et de sécurité aient été abordées – même si celles-ci sont importantes avec la Fédération de Russie – alors que les questions relatives au respect des droits humains fondamentaux rencontrés dans ce pays ont été totalement laissées de côté.

Je souhaiterais obtenir des éclaircissements sur la position que défendra la Belgique en ce qui concerne la situation des droits humains en Russie lors de cette visite ? Quel message adressera-t-on à M. Poutine ?

Quelle est l’évolution du dialogue politique entre l’Union européenne et la Russie à ce sujet ? Quel bilan peut-on tirer de cet instrument de dialogue ? Attirera-t-on l’attention de la présidence allemande sur ce point ?

Dans quelles enceintes, autres que l’OSCE, pourrait-on envisager de résoudre les conflits en Tchétchénie, en Transnistrie et en Ossétie du Sud ?

De heer Christian Brotcorne (CDH). – Nadat het bezoek al meermaals werd uitgesteld, zal de eerste minister alsnog op 29 januari de Russische Federatie bezoeken en er president Poetin ontmoeten. Ik hoop dat in het antwoord daar ook rekening mee wordt gehouden.

België nam het afgelopen jaar het voorzitterschap van de OVSE waar en naar aanleiding daarvan werd de minister van Buitenlandse zaken geïnterviewd door Radio Free Europe/Radio Liberty. Hij wees daarin op de verantwoordelijkheid van de Russische overheid voor de onopgeloste conflicten in Centraal-Azië. Minister De Gucht verklaarde dat de Russische onwil de enige reden is waarom de conflicten in Transnistrië en Zuid-Ossetië niet opgelost raken. We zouden de Russen op geen enkele manier kunnen dwingen om die conflicten bij te leggen.

De minister hekelde ook de Russische weigering om de internationale gemeenschap en met name de OVSE te betrekken bij de oplossing van het conflict in Tsjetsjenië.

Tegen de Russische Federatie zijn momenteel 19.300 zaken aanhangig voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, hetzij 21,5% van de zaken die door het Hof worden behandeld. In 2005 waren 17% van de klachten die bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens werden ingediend tegen Rusland gericht, hetzij 300 klachten per week. Dat geeft aan dat de naleving van de rechten van de mens door de Russische overheid problematisch is. Dat blijkt niet alleen uit het conflict in Tsjetsjenië, maar ook uit de goedkeuring van een anti-immigratiewet die de Russische overheid in het kader van de strijd tegen het terrorisme heeft aangenomen.

De Duitse ambassadeur Jessen heeft gisteren in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging het programma van het Duitse voorzitterschap toegelicht. Het is zorgwekkend en zelfs ergerlijk dat enkel gesproken is over energie en veiligheid, hoe belangrijk deze thema’s voor Rusland ook mogen zijn, terwijl de problematische naleving van de fundamentele mensenrechten in Rusland helemaal niet ter sprake is gekomen.

Welke houding zal België tijdens dit bezoek aannemen met betrekking tot de mensenrechten in Rusland? Welke boodschap zal men aan de heer Poetin overbrengen?

Hoe evolueert de politieke dialoog tussen de EU en Rusland wat dit betreft? Wat is de balans van die dialoog? Zal men de aandacht van het Duitse voorzitterschap hierop vestigen?

In welk ander forum dan de OVSE kan gepoogd worden om de conflicten in Tsjetsjenië, Transnistrië en Zuid-Ossetië op te lossen?

M. Josy Dubié (ECOLO). – La situation en Russie est extrêmement préoccupante. Or, notre premier ministre n’a inscrit que des sujets de stratégie économique à l’agenda de sa rencontre avec M. Poutine.

Bien sûr, l’énergie est importante mais il me semble que la dégradation accélérée de la situation des droits de l’homme et de la démocratie l’est aussi. Ma remarque vaut également pour la liberté de la presse. Je rappelle l’assassinat de Mme Politkovskaïa, sur lequel nous ne voyons aucun progrès. Souvenons-nous aussi de l’assassinat de M. Litvinenko à Londres. Apparemment, là aussi, l’enquête ne progresse pas. Je viens de passer une dizaine de jours en Russie et j’ai été frappé par le racisme incroyable qui se manifeste à l’égard de tout ce qui n’est pas Russe blanc, autrement dit tous les Caucasiens et tous les étudiants étrangers, qu’ils soient africains, indiens ou chinois. Il n’y a aucune prise de conscience des autorités, bien au contraire. La plupart des gens issus du Caucase tenaient des petits commerces clandestins. Une loi récente a permis de les liquider, de manière très autoritaire, avec des conséquences souvent dramatiques pour les personnes qui vivent là-bas.

En conclusion, j’insiste pour que les graves problèmes de dégradation des droits de l’homme et de liberté de la presse soient mis à l’ordre du jour de la rencontre entre M. Poutine et notre premier ministre.

De heer Josy Dubié (ECOLO). – De toestand in Rusland is uitermate zorgwekkend, maar onze eerste minister heeft enkel economische beleidsonderwerpen op de agenda van zijn ontmoeting met de heer Poetin geplaatst.

Energie is uiteraard belangrijk, maar de snelle afbrokkeling van de mensenrechten en de democratie is dat ook. Hetzelfde geldt voor de persvrijheid. Denken we maar aan de moorden op Anna Politkovskaja en Alexandr Litvinenko. Het onderzoek naar die misdrijven schiet niet op. Tijdens een recent verblijf in Rusland heb ik zelf kunnen vaststellen hoe groot het racisme er is tegenover iedereen die niet blank of geen Rus is, of anders gezegd tegenover alle mensen uit de Kaukasus en alle buitenlandse studenten uit Afrika, India of China. De overheid doet daar niets aan, integendeel zelfs. De meeste mensen die afkomstig zijn uit de Kaukasus hadden clandestiene handeltjes. Door een recente wetswijziging werden ze op autoritaire wijze uitgerangeerd, vaak met dramatische gevolgen voor de betrokkenen.

Daarom wil ik erop aandringen dat de snelle achteruitgang van de mensenrechtensituatie en van de persvrijheid aan bod komen tijdens de ontmoeting tussen president Poetin en onze eerste minister.

Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques. – Je vous lis la réponse du ministre, même si la rencontre prévue sera reportée.

Dans l’ensemble, il est vrai que la situation des droits de l’homme demeure préoccupante en Russie, en particulier en ce qui concerne la Tchétchénie, la législation relative aux ONG, le respect de l’État de droit, la liberté d’expression et la protection des droits des miliciens. En outre, le racisme et la xénophobie augmentent.

L’Union européenne suit de près la situation des droits de l’homme en Russie. C’est un point récurrent de l’ordre du jour au cours des contacts fréquents entre l’Union européenne et la Russie à tous niveaux, car tant l’Union européenne que le gouvernement russe considèrent le dialogue relatif aux droits de l’homme comme un élément essentiel de leurs relations bilatérales.

Les questions touchant aux droits de l’homme sont débattues de manière approfondie lors des consultations semestrielles qui ont lieu depuis mars 2005.

La quatrième et plus récente consultation, le 8 novembre 2006, à Bruxelles, a abordé un grand nombre de sujets, entre autres l’État de droit, la législation russe relative aux ONG, la loi russe contre l’extrémisme, la liberté des médias et les conditions de travail des journalistes, la lutte contre le racisme, la xénophobie et l’intolérance en Russie et dans l’Union européenne, les minorités nationales dans les États baltes, la migration et la politique d’asile de l’Union européenne, la coopération dans les forums internationaux – le Conseil de l’Europe et les Nations unies. Cette consultation a été suivie d’une démarche de la Troïka de l’Union européenne. Le 21 décembre 2006, à Moscou, une multitude de cas individuels ont été débattus. La prochaine consultation est prévue pour début mai 2007.

En ce qui concerne les efforts entrepris pour imposer le respect des droits de l’homme, aucune enceinte ne doit bénéficier d’une exclusive au détriment des autres. Bien sûr, l’OSCE est un lieu de dialogue privilégié, mais je constate que le Conseil de l’Europe et les Nations unies peuvent apporter des progrès en la matière.

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. – Ik lees het antwoord van de minister, ook al is het geplande bezoek uitgesteld.

Algemeen klopt het dat de mensenrechtensituatie in Rusland zorgwekkend blijft, in het bijzonder wat betreft Tsjetsjenië, de ngo-wetgeving, de rechtsstaat, de vrijheid van meningsuiting en de bescherming van de rechten van dienstplichtigen. Bovendien nemen racisme en xenofobie hand over hand toe.

De Europese Unie volgt de toestand van de mensenrechten in Rusland op de voet. Dat punt komt telkens weer aan bod tijdens de frequente contacten tussen de EU en Rusland op alle niveaus, want zowel de EU als Rusland beschouwen de dialoog over de mensenrechten als een essentieel onderdeel van hun bilaterale relaties.

Over die materie wordt grondig gedebatteerd tijdens de halfjaarlijkse besprekingen die sedert maart 2005 plaatsvinden.

Op het vierde en meest recente overleg dat op 8 november 2006 in Brussel plaatsvond werd een groot aantal onderwerpen besproken, waaronder de rechtsstaat, de Russische ngo-wetgeving en anti-extremismewetgeving, de persvrijheid en de arbeidsvoorwaarden van de journalisten, de strijd tegen racisme, xenofobie en onverdraagzaamheid in Rusland en in de Europese Unie, de nationale minderheden in de Baltische Staten, migratie en asielbeleid in de Europese Unie, de samenwerking in internationale fora zoals de Raad van Europa en de Verenigde Naties. Dat overleg werd gevolgd door een initiatief van de EU-trojka. Op 21 december 2006 werden in Moskou talrijke individuele gevallen besproken. Het volgende overleg zou begin mei 2007 moeten plaatsvinden.

Wat de inspanningen betreft om de naleving van de rechten van de mens af te dwingen moet geen enkele instantie voorrang krijgen op een andere. De OVSE is natuurlijk een bevoorrecht forum voor dialoog, maar ik stel vast dat de Raad van Europa en de Verenigde Naties ter zake ook voor vooruitgang kunnen zorgen.

M. Christian Brotcorne (CDH). – Le ministre des Affaires étrangères n’est pas très explicite en ce qui le concerne personnellement. Il se contente de faire référence à la concertation entre l’Union européenne et la Fédération de Russie. Moi, ce qui m’intéresse, c’est de savoir de quel message notre premier ministre et notre ministre des Affaires étrangères seront porteurs le 29 janvier lors de leur entrevue avec M. Poutine. À ce propos, nous n’avons reçu aucun élément de réponse.

Rappelleront-ils au moins la position de l’Union européenne ? Nous n’en savons rien. Ces questions seront-elles écartées au seul bénéfice des questions d’ordre économique ? À l’échelon européen, la Belgique mène une politique étrangère qui essaie d’être la plus commune possible. Par ailleurs, elle siège au Conseil de sécurité des Nations unies. Nous ne pouvons décemment faire l’impasse sur ce genre de question, même dans le cadre de relations bilatérales.

De heer Christian Brotcorne (CDH). – De minister van Buitenlandse zaken is niet erg expliciet over zijn eigen inspanningen. Hij verwijst naar het overleg tussen de Europese Unie en de Russische Federatie. Ik wil vooral weten welke boodschap de eerste minister en de minister van Buitenlandse zaken op 29 januari zullen overbrengen aan de heer Poetin. Op die vraag hebben we geen enkel antwoord gekregen.

Zullen ze minstens het standpunt van de Europese Unie vertolken? Dat is niet duidelijk. Zullen die aspecten onder de mat worden geveegd, zodat er enkel over economische onderwerpen wordt gepraat? Op Europees niveau probeert België een beleid te voeren waar zoveel mogelijk lidstaten achter staan. We zetelen bovendien in de VN-Veiligheidsraad. We kunnen het ons niet veroorloven om over dit soort zaken te struikelen, zelfs niet in het kader van bilaterale betrekkingen.

Demande d’explications de M. Josy Dubié au ministre de la Défense sur «l’accroissement de la présence militaire belge en Afghanistan» (nº 3-2054)

Vraag om uitleg van de heer Josy Dubié aan de minister van Landsverdediging over «de toename van de militaire aanwezigheid van België in Afghanistan» (nr. 3-2054)

M. le président. – Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques, répondra.

De voorzitter. – Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.

M. Josy Dubié (ECOLO). – Selon des informations parues récemment dans la presse, le dernier conseil des ministres aurait décidé d’accroître substantiellement la présence militaire belge en Afghanistan, en y déployant notamment des avions de combat de type F16.

La même source indique que le nombre de militaires belges engagés sur le terrain pourrait aussi augmenter sensiblement et passer de 310 aujourd’hui à 420, soit une augmentation de 35% de notre effectif militaire présent en Afghanistan.

Le ministre peut-il confirmer ces informations ? Si celles-ci sont exactes, qu’est-ce qui motive l’augmentation de notre contingent ?

À quelles tâches nos nouveaux militaires sur place seront-ils affectés ?

La dégradation rapide de la situation militaire face à l’activisme croissant d’opposants armés au régime du président Hamid Karzaï a-t-elle été prise en compte ?

Quelle analyse le gouvernement fait-il de la dégradation de cette situation militaire et quelles mesures préconise-t-il pour y faire face ?

Le gouvernement ne craint-il pas l’enlisement des forces armées étrangères – donc, belges également – dans la défense d’un gouvernement afghan de plus en plus impopulaire ?

Quelle limite dans le temps le gouvernement prévoit-il pour la présence de nos soldats sur place ?

Enfin, quel sera l’impact budgétaire de la décision d’augmenter notre présence militaire en Afghanistan ?

De heer Josy Dubié (ECOLO). – Volgens berichten die onlangs in de pers verschenen zou de jongste Ministerraad hebben besloten de aanwezigheid van Belgische militairen in Afghanistan aanzienlijk uit te breiden, meer bepaald door het inzetten van F16-gevechtsvliegtuigen.

Volgens dezelfde bron zou het aantal Belgische militairen op het terrein eveneens worden uitgebreid van 310 naar 420. Dat betekent dus 35% meer Belgische militairen in Afghanistan.

Kan de minister die informatie bevestigen? Als ze juist is, wat is de reden voor deze uitbreiding van het contingent?

Welke taken zullen de nieuwe militairen ter plaatse moeten uitvoeren?

Heeft men rekening gehouden met de snelle verslechtering van de militaire situatie ingevolge het toenemende gewapende verzet tegen het regime van president Hamid Karzai?

Hoe staat de regering tegenover deze verslechtering van de militaire situatie en welke maatregelen zullen worden genomen?

Vreest de regering niet dat de buitenlandse troepen, waaronder de Belgische, verstrikt raken in de verdediging van de Afghaanse regering, die steeds minder geliefd is?

Hoe lang zullen onze soldaten in Afghanistan blijven?

Wat zal de kostprijs zijn van de beslissing om onze aanwezigheid in Afghanistan te versterken?

Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques. – Je vous lis la réponse du ministre.

Vous faites référence à la note d’orientation « Engagement opérationnel en 2007 » qui figurait à l’agenda du conseil des ministres du 12 janvier 2007. Cette note ne contient que des propositions de planification. Pour chaque opération en cours, un dossier séparé sera soumis au conseil des ministres.

L’effort principal de l’engagement opérationnel en Afghanistan durant l’année 2007 restera axé sur la sécurisation et le fonctionnement de l’aéroport international de