3-191

Sénat de Belgique

Session ordinaire 2006-2007

Séances plénières

Jeudi 30 novembre 2006

Séance de l’après-midi

3-191

Belgische Senaat

Gewone Zitting 2006-2007

Plenaire vergaderingen

Donderdag 30 november 2006

Namiddagvergadering

Annales

Handelingen

 

Sommaire

Inhoudsopgave

Démission de sénateurs

Prise en considération de propositions

Questions orales

Projet de loi relatif à l’adhésion de la Belgique au Protocole de 1988 relatif à la Convention internationale de 1966 sur les lignes de charge, fait à Londres le 11 novembre 1988 (Doc. 3-1845)

Projet de loi portant assentiment au Protocole d’application de l’Accord entre la Communauté européenne et la République d’Albanie concernant la réadmission des personnes en séjour irrégulier dans la République d’Albanie ou les États du Benelux (le Royaume de Belgique, le Grand-Duché de Luxembourg, le Royaume des Pays-Bas), signé à La Haye le 9 juin 2005 (Doc. 3-1848)

Projet de loi portant assentiment à l’Accord sur les privilèges et immunités du Tribunal international du Droit de la Mer, fait à New York le 23 mai 1997 (Doc. 3-1861)

Questions orales

Présentation de candidats pour un mandat de membre de la Commission fédérale de contrôle et d’évaluation de l’application de la loi du 28 mai 2002 relative à l’euthanasie (Doc. 3-1885)

Votes

Ordre des travaux

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au vice-premier ministre et ministre des Finances sur «la fraude aux cartes bancaires» (nº 3-1940)

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur «le rapatriement de prisonniers étrangers» (nº 3-1941)

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur et au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «le risque accru que courent les pompiers de souffrir de certaines formes de cancer» (nº 3-1952)

Présentation de candidats pour un mandat de membre de la Commission fédérale de contrôle et d’évaluation de l’application de la loi du 28 mai 2002 relative à l’euthanasie (Doc. 3-1885)

Demande d’explications de M. Yves Buysse à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur «la possibilité dont dispose la police fédérale d’utiliser les véhicules confisqués comme voiture de service» (nº 3-1943)

Demande d’explications de Mme Mia De Schamphelaere au vice-premier ministre et ministre des Finances sur «l’application de la nouvelle convention préventive de la double imposition conclue avec les Pays-Bas» (nº 3-1939)

Demande d’explications de Mme Fauzaya Talhaoui au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur «la journée internationale pour l’élimination de la violence à l’égard des femmes et les missions de la police» (nº 3-1948)

Demande d’explications de Mme Erika Thijs au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur «le rapport d’activités 2005 de la police fédérale» (nº 3-1928)

Excusés

Annexe

Votes nominatifs

Présentation de candidats pour un mandat de membre de la Commission fédérale de contrôle et d’évaluation de l’application de la loi du 28 mai 2002 relative à l’euthanasie

Propositions prises en considération

Demandes d’explications

Évocation

Non-évocations

Messages de la Chambre

Dépôt de projets de loi

Cour d’arbitrage – Arrêts

Cour d’arbitrage – Questions préjudicielles

Cour d’arbitrage – Recours

Conseil central de l’économie et Conseil national du travail

Communication informelle d’un traité

Ontslag van senatoren

Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Wetsontwerp betreffende de toetreding van België tot het Protocol van 1988 aangaande het Internationaal Verdrag van 1966 betreffende de uitwatering van schepen, gedaan te Londen op 11 november 1988 (Stuk 3-1845)

Wetsontwerp houdende instemming met het Uitvoeringsprotocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Albanië inzake de overname van personen die zonder vergunning in de Republiek Albanië of de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden) verblijven, ondertekend te Den Haag op 9 juni 2005 (Stuk 3-1848)

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag betreffende de voorrechten en immuniteiten van het Internationaal Hof voor het Recht van de Zee, gedaan te New York op 23 mei 1997 (Stuk 3-1861)

Mondelinge vragen

Voordracht van kandidaten voor een mandaat van lid van de Federale Controle- en Evaluatiecommissie inzake de toepassing van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie (Stuk 3-1885)

Stemmingen

Regeling van de werkzaamheden

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over «de oplichting met bankkaarten» (nr. 3-1940)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de repatriëring van buitenlandse gevangenen» (nr. 3-1941)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het hoger risico van brandweerlui op bepaalde kankers» (nr. 3-1952)

Voordracht van kandidaten voor een mandaat van lid van de Federale Controle- en Evaluatiecommissie inzake de toepassing van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie (Stuk 3-1885)

Vraag om uitleg van de heer Yves Buysse aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de mogelijkheid voor de federale politie om in beslag genomen voertuigen als dienstvoertuig te kunnen gebruiken» (nr. 3-1943)

Vraag om uitleg van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over «de toepassing van het nieuwe verdrag met Nederland inzake de dubbele belasting» (nr. 3-1939)

Vraag om uitleg van mevrouw Fauzaya Talhaoui aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de dag tegen huishoudelijk geweld en de taken van de politie» (nr. 3-1948)

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «het activiteitenverslag 2005 van de federale politie» (nr. 3-1928)

Berichten van verhindering

Bijlage

Naamstemmingen

Voordracht van kandidaten voor een mandaat van lid van de Federale Controle- en Evaluatiecommissie inzake de toepassing van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie

In overweging genomen voorstellen

Vragen om uitleg

Evocatie

Niet-evocaties

Boodschappen van de Kamer

Indiening van wetsontwerpen

Arbitragehof – Arresten

Arbitragehof – Prejudiciële vragen

Arbitragehof – Beroepen

Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en Nationale Arbeidsraad

Informele mededeling van een verdrag

 

Présidence de Mme Anne-Marie Lizin

(La séance est ouverte à 15 h 10.)

Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin

(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)

Démission de sénateurs

Ontslag van senatoren

Mme la présidente. – Par lettre du 10 novembre 2006, Monsieur Jean-François Istasse m’a communiqué qu’il renonce à son mandat de sénateur de communauté à partir du 1er décembre 2006.

De voorzitter. – Bij brief van 10 november 2006 heeft de heer Jean-François Istasse mij medegedeeld dat hij met ingang van 1 december 2006 verzaakt aan zijn mandaat van gemeenschapssenator.

Par lettre du 22 novembre 2006, Madame Erika Thijs m’a communiqué qu’elle renonce à son mandat de sénatrice élue direct à partir du 1er décembre 2006.

Bij brief van 22 november 2006 heeft mevrouw Erika Thijs mij medegedeeld dat zij met ingang van 1 december 2006 verzaakt aan haar mandaat van rechtstreeks verkozen senator.

Pris pour notification.

Voor kennisgeving aangenomen.

Prise en considération de propositions

Inoverwegingneming van voorstellen

Mme la présidente. – La liste des propositions à prendre en considération a été distribuée.

Je prie les membres qui auraient des observations à formuler de me les faire connaître avant la fin de la séance.

Sauf suggestion divergente, je considérerai ces propositions comme prises en considération et renvoyées à la commission indiquée par le Bureau. (Assentiment)

De voorzitter. – De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(La liste des propositions prises en considération figure en annexe.)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Questions orales

Mondelinge vragen

Question orale de Mme Stéphanie Anseeuw au Premier ministre, à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au ministre de l’Économie, de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la Politique scientifique sur «les faux diplômes délivrés par des universités et écoles supérieures» (nº 3-1299)

Mondelinge vraag van mevrouw Stéphanie Anseeuw aan de Eerste minister, aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de valse diploma’s van universiteiten en hogescholen» (nr. 3-1299)

Mme Stéphanie Anseeuw (VLD). – Nous savions depuis un certain temps déjà que l’on pouvait facilement se procurer, par internet, des diplômes d’universités « américaines » inexistantes. De plus nous voyons aujourd’hui que, par un simple clic de souris et contre paiement, on peut acheter sur le web un diplôme belge, et même un doctorat. Le site web que j’ai visité proposait même de fausses listes de résultats à l’encre thermostable.

Le problème est que chaque établissement d’enseignement détermine lui-même les marques de sécurité de ses diplômes. Les directeurs du personnel font état d’une augmentation du nombre de faux diplômes. Le contrôle est difficile parce que la structure bachelor/master entraîne une mobilité accrue et que les escrocs opèrent généralement depuis l’étranger. À ce jour, il n’existe pas de registre centralisé des diplômes belges. En 2007, les Pays-Bas mettront sur pied un registre des diplômes où figureront les noms de tous les diplômés. On pourrait également imposer une série de marques de sécurité concernant l’encre, la mise en page, le papier ou un timbre, créer une banque des diplômes ou travailler via l’eID.

À quelle échelle ces falsifications se produisent-elles et a-t-on déjà trouvé de faux diplômes belges ? Si oui, combien et quand ?

Des falsificateurs de diplômes ont-ils fait l’objet de poursuites judiciaires ces dernières années ? Combien, pour quels faits, et quelles peines ont-il encourues ?

Dans le cadre de la lutte contre les faux diplômes, la ministre prône-t-elle un registre central des diplômes belges, une inscription à l’eID ou une banque de diplômes ? La ministre pourrait-elle détailler sa réponse ?

La lutte contre la falsification de diplômes est-elle une priorité pour la ministre et si oui, pourrait-elle illustrer sa réponse ?

Mevrouw Stéphanie Anseeuw (VLD). – Dat men via het internet gemakkelijk aan diploma’s van niet-bestaande ‘Amerikaanse’ universiteiten kan komen, wisten we al enige tijd. Vandaag stellen we daarenboven vast dat men via een eenvoudige muisklik en tegen betaling een Belgisch diploma of zelfs doctoraat kan aankopen via het web. De webstek die ik bezocht, kon zelfs valse resultatenlijsten voorleggen met warmtebestendige inkt.

Het probleem is dat elke onderwijsinstelling zelf de veiligheidskenmerken van haar diploma’s bepaalt. Personeelsmanagers maken gewag van een stijging van het aantal valse diploma’s. De controle is moeilijk omdat de bachelor/masterstructuur tot een grotere studentenmobiliteit leidt en ook omdat de zwendelaars dikwijls vanuit het buitenland opereren. Tot op heden bestaat er in ons land geen centrale registratie van de Belgische diploma’s. In Nederland voert men in 2007 een diplomaregister in, waarin de namen zullen staan van al wie een diploma heeft behaald. Een andere mogelijkheid is het opleggen van een reeks beveiligingskenmerken die betrekking hebben op de inkt, de lay-out, het papier of een zegel, de uitbouw van een diplomabank of werken via de eID.

Op welke schaal komen vervalsingen van diploma’s voor en werden er reeds valse Belgische diploma’s aangetroffen? Zo ja, hoeveel en wanneer?

Werden er de jongste jaren diplomafraudeurs strafrechtelijk vervolgd? Hoeveel, voor welke feiten en welke straffen hebben ze gekregen?

Is de minister in de strijd tegen valse diploma’s voorstander van een centrale registratie van Belgische diploma’s, een inschrijving op de eID of een diplomadatabank? Kan de minister dat uitvoerig toelichten?

Is de strijd tegen diplomavervalsing voor de minister prioritair en zo ja, kan de minister dat illustreren?

Mme Laurette Onkelinx, vice-première ministre et ministre de la Justice. – Ni les services de la Justice ni ceux de l’Économie ne disposent des chiffres demandés par Mme Anseeuw.

La reconnaissance des diplômes, la manière dont on obtient un diplôme et le contrôle des diplômes étrangers sont des compétences communautaires. La création d’une banque des diplômes est donc également du ressort des communautés.

Le niveau fédéral n’est compétent que pour régler l’accès aux fonctions et aux professions, à savoir la reconnaissance des qualifications professionnelles et l’accès aux professions réglementées.

En ce qui concerne les statistiques des poursuites et des condamnations, il n’existe pas de code d’infraction distinct pour les faux en écritures ou l’usage de faux lorsque ceux-ci concernent des diplômes. Le collège des procureurs généraux a toutefois communiqué que dans tous les dossiers où il est question de faux en écritures ou d’usage de faux, les tribunaux poursuivent. Il en va donc de même pour les dossiers portant sur les faux diplômes. Ces délits sont punis d’une réclusion de cinq à dix ans. Il s’agit donc d’ores et déjà d’une priorité.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. – Noch de diensten van Justitie, noch die van Economie beschikken over de door mevrouw Anseeuw gevraagde cijfergegevens.

De erkenning van diploma’s, de manier waarop men een diploma verwerft en de controle op de buitenlandse diploma’s zijn gemeenschapsbevoegdheden. Ook de oprichting van een diplomadatabank is bijgevolg een bevoegdheid van de gemeenschappen.

Het federale niveau is louter bevoegd voor de regeling van de toegang tot ambten en beroepen, namelijk de erkenning van beroepskwalificaties en de toegang tot de gereglementeerde beroepen.

Wat de vervolgings- en veroordelingsstatistieken betreft, bestaat er geen aparte misdrijfcode voor valsheid in geschrifte of gebruik van valse stukken wanneer die betrekking hebben op diploma’s. Evenwel heeft het college van procureurs-generaal meegedeeld dat men in alle dossiers waarin sprake is van valsheid in geschrifte of gebruik van valse stukken in principe overgaat tot effectieve vervolging voor de rechtbanken. Dat geldt dus ook voor de dossiers in verband met valse diploma’s. Die misdrijven worden bestraft met opsluiting van vijf tot tien jaar. In die zin is de vervolging van valse diploma’s nu al prioritair.

Question orale de M. Berni Collas à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «l’arrêté royal sur la liste des armes soumises à autorisation pour les tireurs sportifs» (nº 3-1303)

Mondelinge vraag van de heer Berni Collas aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «het koninklijk besluit inzake de lijst van vergunningsplichtige wapens voor sportschutters» (nr. 3-1303)

M. Berni Collas (MR). – Madame la ministre, vous avez été soumise à un feu nourri de questions avant-hier en commission de la Justice de la Chambre. Je souhaiterais poser des questions complémentaires à celles posées par les députés Bex et Bellot.

La loi du 8 juin 2006 réglant des activités économiques et individuelles avec des armes prévoit, à l’article 12, que les tireurs sportifs bénéficient d’un régime spécial concernant les autorisations pour des armes à feu.

Comme vous l’avez indiqué dans votre réponse, le Parlement de la Communauté germanophone a voté, le 20 novembre dernier, un décret pour l’utilisation des armes pour les tireurs sportifs. Je me permets toutefois de signaler que l’entrée en vigueur est prévue non pas en 2007, mais à la date d’entrée en vigueur de la loi susdite, et ce, en vertu de l’article 15 de notre décret.

Nous avons donc accompli notre devoir en ce qui concerne l’utilisation des armes par les tireurs sportifs, comme l’a fait la Communauté française. Cependant, il me paraît important de disposer de la liste des armes sportives, arrêtée par le ministre.

Dès lors, où en est-on au niveau de l’établissement de la liste des armes sportives soumises à autorisation ? Je pense, madame la ministre, que vous devez y procéder via un arrêté ministériel.

Qu’en est-il des arrêtés royaux d’exécution, notamment en ce qui concerne le modèle officiel des nouvelles autorisations et également les conditions d’accès au « banc d’épreuves » en vue de la neutralisation des armes ?

De heer Berni Collas (MR). – Mevrouw de minister, eergisteren lag u in de Kamercommissie voor de Justitie onder een spervuur van vragen. Ik zou graag enkele vragen stellen die aansluiten bij die van volksvertegenwoordigers Bex en Bellot.

Artikel 12 van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens bepaalt dat sportschutters een bijzondere regeling inzake vuurwapenvergunningen genieten.

Zoals u in uw antwoord hebt aangegeven, heeft het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap op 20 november jongstleden een decreet over het gebruik van wapens door sportschutters goedgekeurd. Krachtens artikel 15 treedt het decreet niet in werking in 2007, maar op de datum die in de bovengenoemde wet is bepaald.

Inzake het gebruik van wapens door sportschutters hebben we dus net als de Franse Gemeenschap onze plicht vervuld. Desalniettemin vind ik het belangrijk om over de lijst van sportwapens te beschikken zoals die door de minister werd vastgesteld.

Hoe ver staat het met het opstellen van de lijst van sportwapens waarvoor een vergunning is vereist? Mevrouw de minister, ik denk dat u die lijst bij ministerieel besluit moet vastleggen.

Hoe ver staat het met de uitvoeringsbesluiten betreffende het officiële formulier voor de nieuwe vergunningen en betreffende de voorwaarden waaronder men een beroep kan doen op de Proefbank om vuurwapens te laten neutraliseren?

Mme Laurette Onkelinx, vice-première ministre et ministre de la Justice. – Premièrement, mes services ont rédigé un projet d’arrêté ministériel contenant la liste des armes que les tireurs sportifs pourront acquérir librement. Ce projet d’arrêté pourra être transmis dans les prochains jours au Conseil d’État.

Deuxièmement, les modalités d’acquisition de ces armes seront décrites dans un arrêté royal qui sera publié sous peu. Il précisera que, comme c’est déjà le cas pour les armes des chasseurs, chaque vente d’une arme de tir sportif à un détenteur de la licence de tireur sportif doit être enregistrée au registre central des armes au moyen d’un document modèle 9 à envoyer au gouverneur.

Troisièmement, un arrêté d’exécution « principal » de la loi est prêt. Il sera cosigné dans les prochains jours par mon collègue de l’Intérieur et moi-même. Pour les autres arrêtés, je devrai attendre l’installation du Conseil consultatif des armes qui a fait l’objet d’un accord au sein du gouvernement. Il sera installé avant la fin de l’année pour prendre des arrêtés complémentaires d’exécution puisque l’avis du Conseil consultatif est nécessaire.

Enfin, il n’y a pas de modification de l’arrêté royal du 20 septembre 1991 relatif à la neutralisation des armes par le « banc d’épreuves » de Liège. Ce dernier relève par ailleurs de la compétence de mon collègue, le ministre de l’Économie.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. – Ten eerste hebben mijn diensten een ontwerp van ministerieel besluit opgesteld met een lijst van vuurwapens die sportschutters zich vrij kunnen aanschaffen. Dat ontwerp van besluit kan eerstdaags aan de Raad van State worden overgezonden.

Ten tweede zullen de voorwaarden waaronder men zich die wapens kan aanschaffen, binnenkort bij koninklijk besluit worden bekendgemaakt. Zoals reeds geldt voor jachtwapens, moet elke verkoop van een sportvuurwapen aan een houder van een sportschutterslicentie geregistreerd worden in een centraal wapenregister middels overzending van een document model 9 aan de gouverneur.

Ten derde is het hoofduitvoeringsbesluit bij de wet klaar. Eerstdaags zal ik het samen met mijn collega van Binnenlandse Zaken ondertekenen. Voor de andere besluiten moet ik wachten tot de Adviesraad voor wapens is opgericht; de regering heeft daarover een akkoord bereikt. Voor het einde van het jaar zal de Adviesraad bijkomende uitvoeringsbesluiten nemen.

Tot slot werd het koninklijk besluit van 20 september 1991 betreffende de neutralisaties van wapens door de proefbank te Luik niet gewijzigd. Dat behoort overigens tot de bevoegdheid van mijn collega, de minister van Economie.

M. Berni Collas (MR). – Je remercie Mme la ministre de ses réponses. Je voudrais poser une question complémentaire. Je connais une personne qui détient une arme de par ses fonctions passées, et de manière tout à fait légale, je crois. L’intéressé voudrait la conserver en état de fonctionnement, mais il me semble que la loi actuelle l’oblige soit à la neutraliser, soit à la remettre.

Il n’a plus aucun motif de détenir cette arme. Il devrait sans doute justifier concrètement la légitimité de la détention.

De heer Berni Collas (MR). – Ik dank de minister voor haar antwoorden. Ik zou een bijkomende vraag willen stellen. Ik ken iemand die een wapen bezit uit hoofde van een vroegere functie en mijns inziens is dat bezit volkomen legaal. De betrokkene zou graag hebben dat het wapen nog kan blijven functioneren, maar het komt me voor dat hij het krachtens de huidige wet moet laten neutraliseren of het moet afgeven.

Hij heeft geen enkel motief meer om dat wapen in zijn bezit te houden. Wellicht moet hij een concrete verantwoording geven om het bezit ervan te legitimeren.

Mme Laurette Onkelinx, vice-première ministre et ministre de la Justice. – Pour les tireurs sportifs, en tout cas en Communauté française et en Communauté germanophone, cela ne pose aucun problème. Les décrets ont été pris. Le permis de tireur sportif vaut autorisation de détention d’armes de tir. Pour les armes de chasse, c’est la même chose. Le permis de chasse vaut autorisation de détention d’armes de chasse. Pour les autres, il faut un des motifs légitimes prévus par la loi. La personne qui veut conserver une arme sans motif légitime doit la faire neutraliser.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. – Voor de sportschutters in de Franse en de Duitstalige Gemeenschap rijst er geen enkel probleem. De decreten zijn er. Met een sportschuttersvergunning mag men een sportwapen in zijn bezit hebben. Voor jachtwapens geldt hetzelfde. Met een jachtvergunning mag men een jachtwapen in zijn bezit hebben. Voor andere wapens moet men zich kunnen beroepen op één van de wettige redenen waarin de wet voorziet. Wie een wapen zonder wettige reden in zijn bezit wil houden, moet het laten neutraliseren.

M. Berni Collas (MR). – En fait, il s’agit d’un ancien employé de banque qui, autrefois, possédait une autorisation de détention. Si je comprends bien, il devra la remettre ou la neutraliser.

De heer Berni Collas (MR). – Het betreft hier een gewezen bankbediende die destijds een vergunning had. Als ik het goed begrijp moet hij dat wapen afgeven of laten neutraliseren.

Mme Laurette Onkelinx, vice-première ministre et ministre de la Justice. – C’est exact.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. – Dat klopt.

Question orale de Mme Mia De Schamphelaere à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au ministre des Affaires étrangères sur «l’affaire Erdal» (nº 3-1307)

Mondelinge vraag van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de zaak-Erdal» (nr. 3-1307)

Mme Mia De Schamphelaere (CD&V). – L’affaire Erdal a fait couler beaucoup d’encre l’an dernier avec en point d’orgue la mystérieuse disparition de Mme Erdal sous les yeux de nos services de sécurité. Ces derniers ne parviennent manifestement pas à retrouver sa trace. Quel fut dès lors l’étonnement général lorsque Emre Taner, le chef des services de renseignements turcs MİT, a déclaré devant une commission parlementaire turque qu’on sait parfaitement où séjourne Erdal. Il est quand même surprenant qu’une terroriste condamnée, contre laquelle un mandat d’arrêt international a été lancé, puisse se promener en liberté sous les yeux des services de sécurité d’une nation amie.

Cette information a-t-elle aussi été communiquée aux autorités compétentes de notre pays ? Dans la négative, la Belgique a-t-elle eu entre-temps des contacts par voie diplomatique avec les autorités turques à propos de cette déclaration des services de sécurité turcs ? Quel a été le résultat de ces contacts ?

Si notre pays a reçu les informations utiles, la ministre peut-elle en confirmer formellement l’exactitude ? Dans la négative, n’est-il pas étrange que de telles informations soient diffusées publiquement au parlement turc ?

Le chef des services de renseignements turcs déclare qu’il ne peut arrêter Mme Erdal parce que cela irait à l’encontre des accords internationaux. Quels accords internationaux vise-t-il ? Cela ne va-t-il pas à l’encontre du mandat d’arrêt international lancé par notre pays le 28 février 2006 ?

Si Mme Erdal n’est ni en Turquie ni en Belgique et si les services de renseignements de ces pays savent où elle se cache, qu’est-ce qui empêche son arrestation ?

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). – De zaak Erdal heeft het voorbije jaar heel wat stof doen opwaaien met als apotheose haar mysterieuze verdwijning onder de ogen van onze veiligheidsdiensten. Die diensten slagen er blijkbaar niet in om enig spoor van haar terug te vinden. Groot is eenieders verbazing dan ook als Emre Taner, het hoofd van de Turkse inlichtingendienst MİT aan een Turkse parlementscommissie verklaart dat men wel degelijk weet waar Erdal vertoeft. Het is toch verbazingwekkend dat een veroordeelde terroriste, waartegen een internationaal aanhoudingsmandaat loopt, vrij kan rondlopen onder de ogen van een inlichtingendienst van een bevriende natie.

Werd deze informatie ook doorgespeeld aan de bevoegde autoriteiten in ons land? Zo neen, heeft België langs diplomatieke weg intussen contact gehad met de Turkse autoriteiten omtrent deze verklaring van de Turkse inlichtingendienst? Wat was het resultaat van deze contacten?

Indien ons land de nodige informatie heeft gekregen, kan de minister dan formeel bevestigen dat deze inlichtingen correct zijn? Zo neen, is het niet vreemd dat dergelijke informatie publiekelijk wordt verspreid in het Turkse parlement?

De baas van de Turkse inlichtingendiensten verklaart dat hij mevrouw Erdal niet kan laten arresteren omdat dit in strijd zou zijn met internationale afspraken. Welke internationale afspraken bedoelt hij? Is dit niet strijdig met het internationaal aanhoudingsmandaat dat door ons land werd uitgevaardigd op 28 februari 2006?

Indien mevrouw Erdal zich buiten Turkije en België zou bevinden en de inlichtingendiensten van voornoemde landen weten waar zij zich schuilhoudt, wat verhindert dan haar arrestatie?

Mme Laurette Onkelinx, vice-première ministre et ministre de la Justice. – Si les services de renseignements turcs disposaient d’informations pertinentes sur la présence Mme Erdal à un endroit déterminé, je pense qu’ils les auraient communiquées à la Sûreté de l’État.

Les informations dont je dispose révèlent toutefois que la Sûreté de l’État n’a pas été contactée à ce sujet par les services de renseignements turcs.

Lorsque ces informations ont paru dans la presse, la Sûreté de l’État a elle-même explicitement demandé davantage d’informations aux services de renseignement turcs. À ce jour, ces derniers n’ont pas réagi à cette demande.

Pour le reste, j’estime que, si de telles informations sont exactes, il n’est pas normal qu’elles soient diffusées de cette manière.

Si Mme Erdal était retrouvée sur notre territoire, elle serait immédiatement arrêtée puisque son mandat d’arrêt a été confirmé par l’arrêt de la Cour d’appel de Gand du 7 novembre 2006.

Si Mme Erdal était retrouvé sur le territoire d’un autre État membre de l’Union européenne, les autorités judiciaires belges demanderaient son arrestation sur la base d’un mandat d’arrêt européen pour qu’elle purge sa peine de prison en Belgique.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. – Indien de Turkse inlichtingendiensten over relevante informatie zouden beschikken over de aanwezigheid van mevrouw Erdal op een bepaalde plaats, denk ik dat ze die aan de Staatsveiligheid zouden hebben meegedeeld.

Uit de informatie waarover ik beschik, blijkt echter dat de Staatsveiligheid hierover niet door de Turkse inlichtingendiensten is benaderd.

Toen deze informatie in de pers verscheen, heeft de Staatsveiligheid zelf de Turkse inlichtingendiensten nadrukkelijk om meer informatie verzocht. Tot op heden werd op dit verzoek niet gereageerd.

Voorts vind ik dat, als dergelijke informatie juist zou zijn, het niet normaal is dat ze op die manier wordt verspreid.

Indien mevrouw Erdal op ons grondgebied zou worden teruggevonden, zou ze onmiddellijk worden aangehouden, aangezien haar aanhouding bevestigd werd door het arrest van het Hof van Beroep van Gent van 7 november 2006.

Indien mevrouw Erdal zou worden teruggevonden op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie, zouden de Belgische gerechtelijke autoriteiten haar aanhouding vragen op grond van een Europees aanhoudingsbevel, met het oog op de uitvoering van haar gevangenisstraf in België.

Mme Mia De Schamphelaere (CD&V). – Il est intéressant de savoir que la Sûreté de l’État s’est informée auprès des services de renseignements turcs. Les informations doivent être exactes puisqu’elles ont été communiquées au sein du parlement turc.

Combien de temps supportera-t-on l’absence de réaction à cette demande concrète faisant suite à des propos tenus au parlement turc ? Ne faut-il pas recourir à d’autres moyens qu’une simple demande de la Sûreté de l’État ? Combien de temps le gouvernement pense-t-il pouvoir attendre une réponse concrète ?

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). – Het is interessant te weten dat onze Staatsveiligheid navraag heeft gedaan bij de Turkse inlichtingendiensten. De informatie zal wel correct zijn, daar zij in het Turkse parlement werd meegedeeld.

Hoe lang zal men gedogen dat op deze concrete vraag naar aanleiding van een uitspraak in het Turkse parlement niet wordt gereageerd? Moeten geen andere middelen worden ingezet dan een eenvoudig verzoek van de Staatsveiligheid? Hoe lang denkt de regering op een concreet antwoord te kunnen wachten?

Projet de loi relatif à l’adhésion de la Belgique au Protocole de 1988 relatif à la Convention internationale de 1966 sur les lignes de charge, fait à Londres le 11 novembre 1988 (Doc. 3-1845)

Wetsontwerp betreffende de toetreding van België tot het Protocol van 1988 aangaande het Internationaal Verdrag van 1966 betreffende de uitwatering van schepen, gedaan te Londen op 11 november 1988 (Stuk 3-1845)

Discussion générale

Algemene bespreking

Mme la présidente. – M. Lionel Vandenberghe se réfère à son rapport écrit.

De voorzitter. – De heer Lionel Vandenberghe verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

La discussion générale est close.

De algemene bespreking is gesloten.

Discussion des articles

Artikelsgewijze bespreking

(Le texte adopté par la commission des Relations extérieures et de la Défense est identique au texte du projet de loi. Voir document 3-1845/1.)

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-1845/1.)

Les articles 1er et 2 sont adoptés sans observation.

Il sera procédé ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de loi.

De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Projet de loi portant assentiment au Protocole d’application de l’Accord entre la Communauté européenne et la République d’Albanie concernant la réadmission des personnes en séjour irrégulier dans la République d’Albanie ou les États du Benelux (le Royaume de Belgique, le Grand-Duché de Luxembourg, le Royaume des Pays-Bas), signé à La Haye le 9 juin 2005 (Doc. 3-1848)

Wetsontwerp houdende instemming met het Uitvoeringsprotocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Albanië inzake de overname van personen die zonder vergunning in de Republiek Albanië of de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden) verblijven, ondertekend te Den Haag op 9 juni 2005 (Stuk 3-1848)

Discussion générale

Algemene bespreking

M. Paul Wille (VLD), rapporteur. – Je me réfère à mon rapport écrit.

De heer Paul Wille (VLD), rapporteur. – Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

La discussion générale est close.

De algemene bespreking is gesloten.

Discussion des articles

Artikelsgewijze bespreking

(Le texte adopté par la commission des Relations extérieures et de la Défense est identique au texte du projet de loi. Voir document 3-1848/1.)

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-1848/1.)

Les articles 1er et 2 sont adoptés sans observation.

Il sera procédé ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de loi.

De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Projet de loi portant assentiment à l’Accord sur les privilèges et immunités du Tribunal international du Droit de la Mer, fait à New York le 23 mai 1997 (Doc. 3-1861)

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag betreffende de voorrechten en immuniteiten van het Internationaal Hof voor het Recht van de Zee, gedaan te New York op 23 mei 1997 (Stuk 3-1861)

Discussion générale

Algemene bespreking

Mme la présidente. – Mme Zrihen se réfère à son rapport écrit.

De voorzitter. – Mevrouw Zrihen verwijst naar haar schriftelijk verslag.

La discussion générale est close.

De algemene bespreking is gesloten.

Discussion des articles

Artikelsgewijze bespreking

(Le texte adopté par la commission des Relations extérieures et de la Défense est identique au texte du projet de loi. Voir document 3-1861/1.)

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-1861/1.)

Les articles 1er et 2 sont adoptés sans observation.

Il sera procédé ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de loi.

De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Questions orales

Mondelinge vragen

Question orale de M. Marc Van Peel au ministre de l’Économie, de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la Politique scientifique sur «la composition des archives du roi Baudouin» (nº 3-1304)

Mondelinge vraag van de heer Marc Van Peel aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de samenstelling van het archief van koning Boudewijn» (nr. 3-1304)

M. Marc Van Peel (CD&V). – Je pose cette question non pas en tant qu’homme politique, mais plutôt en tant qu’historien. En effet, il me revient que les nombreuses notes intéressantes et historiquement très importantes prises par feu le roi Baudouin lors de ses audiences privées ne sont pas encore déposées aux Archives du royaume ni ailleurs.

Un trésor risque donc d’être perdu. L’objectif n’est bien entendu pas que ces notes soient utilisées dès demain pour écrire des livres. La loi relative aux archives prévoit une période d’embargo. Je constate cependant que personne ne souhaite que ce trésor d’informations soit perdu.

Ces renseignements sont-ils exacts ?

De heer Marc Van Peel (CD&V). – Ik stel deze vraag niet zozeer als politicus, maar als historicus. Ik heb immers berichten ontvangen dat de talrijke interessante en historisch zeer belangrijke notities die wijlen koning Boudewijn tijdens zijn privéaudiënties heeft gemaakt noch in het Rijksarchief, noch elders zijn gedeponeerd.

Er dreigt dus een schat verloren te gaan. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat die aantekeningen morgen reeds worden gebruikt om boeken te schrijven. De archiefwet voorziet in een embargoperiode. Ik neem echter aan dat niemand wil dat die schat aan informatie verloren gaat.

Kloppen die berichten?

M. Marc Verwilghen, ministre de l’Économie, de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la Politique scientifique. – Les archives officielles du cabinet du roi Baudouin se trouvent aux archives du cabinet du Roi. Après un certain temps, elles pourront dès lors être consultées.

Les archives privées du roi Baudouin, y compris les notes privées, se trouvent chez sa veuve, la reine Fabiola. Il n’existe aucune obligation légale de transférer des documents privés au service des archives.

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. – Het ambtelijk archief van het kabinet van koning Boudewijn bevindt zich in het archief van het kabinet van de Koning. Na verloop van tijd zal het dan ook kunnen worden geconsulteerd.

Het privéarchief van koning Boudewijn, met inbegrip van de privéaantekeningen bevinden zich bij zijn weduwe, koningin Fabiola. Er bestaat geen wettelijke verplichting om privédocumenten aan de archiefdienst over te dragen.

M. Marc Van Peel (CD&V). – Lors des audiences, le Roi n’est pas intervenu en tant que personne privée mais comme Chef d’État. Les générations futures doivent pouvoir se faire une idée exacte de ce qui s’est passé durant son règne. C’est pourquoi ces archives sont très importantes.

Je comprends que les notes en question aient une valeur particulièrement émotionnelle, mais il ne s’agit nullement d’archives privées. Les pouvoirs publics doivent veiller à ce que les document soient versés aux Archives du royaume.

De heer Marc Van Peel (CD&V). – Tijdens de audiënties is de Koning niet als privépersoon, maar als staatshoofd opgetreden. Latere generaties moeten zich een correct beeld kunnen vormen over wat tijdens zijn regeerperiode is gebeurd. Om die reden zijn die archieven van enorm belang.

Ik begrijp dat de betrokken aantekeningen een bijzondere emotionele waarde hebben, maar het gaat geenszins om een privéarchief. De overheid moet ervoor zorgen dat de documenten in het Rijksarchief terechtkomen.

Question orale de Mme Sfia Bouarfa au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur et au ministre des Affaires étrangères sur «les passeports biométriques» (nº 3-1297)

Mondelinge vraag van mevrouw Sfia Bouarfa aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de biometrische paspoorten» (nr. 3-1297)

Mme Sfia Bouarfa (PS). – Deux ans après une première interpellation, je reviens sur les données biométriques contenues dans les nouveaux passeports belges et les risques d’atteinte à la vie privée. Il semblerait que mes craintes de l’époque soient aujourd’hui partagées par certains scientifiques. Les passeports qui utilisent la technologie de la puce RFID – Radio Frequency Identification – pourraient à long terme poser de sérieux problèmes en matière de protection de la vie privée.

Selon les professeurs Quisquater, de l’UCL, et Poullet, des Facultés universitaires de Namur, cette puce qui comprend tant des informations telles que l’identité, la signature et la photo, que des données biométriques comme les empreintes digitales, serait loin d’être suffisamment protégée pour éviter des atteintes à la vie privée. Ces scientifiques estiment que les passeports biométriques belges « ne sont pas sûrs et sont la porte ouverte à tous les piratages possibles. Le système de cryptage utilisé dans la technologie RFID est basique et ne présente pas suffisamment de garanties de sécurité ». Il faut surtout craindre une possibilité de traçabilité des personnes qui pourrait survenir à long terme ou encore le fait que certaines données biométriques pourraient se retrouver sur internet. Pour rappel, ce système de traçabilité est utilisé pour les animaux. Les deux professeurs s’appuient sur plusieurs documents qui attestent de la non-sécurité de cette technologie et notamment sur : « ce document émanant de la Smart Card Alliance, qui regroupe les fabricants de ce genre de puce. Ce document a été envoyé au président Bush, en lui expliquant que par l’introduction de cette technologie, cela allait amener plus d’insécurité ».

Au vu du risque de telles intrusions dans la sphère de la vie privée, je pense qu’une remise en question de ce système de puce utilisé sur nos passeports s’impose. À tout le moins, une étude approfondie ne devrait-elle pas être menée afin d’envisager un renforcement de la protection de ces données biométriques à caractère exclusivement personnel ?

Quelle est votre opinion et celle du ministre de l’Intérieur sur cette analyse ? Quelles mesures comptez-vous prendre ? Quelle est la position de la Commission de la protection de la vie privée ?

Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). – Twee jaar na een eerste interpellatie over dit onderwerp wil ik het opnieuw hebben over de biometrische gegevens op de nieuwe Belgische paspoorten en over het risico op inbreuken op de persoonlijke levenssfeer. Sommige wetenschappers schijnen vandaag mijn vrees van weleer te delen. De paspoorten met een RFID-chip – Radio Frequency Identification – zouden op lange termijn ernstige problemen voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer met zich mee kunnen brengen.

Volgens de professoren Quisquater van de UCL en Poullet van de Naamse universiteit is die chip met inlichtingen over zowel identiteit, handtekening en foto, als biometrische gegevens zoals vingerafdrukken lang niet afdoende beschermd om inbreuken op de persoonlijke levenssfeer tegen te gaan. De wetenschappers denken dat de Belgische paspoorten niet veilig zijn en de deur openen voor alle mogelijke vormen van ongeoorloofd gebruik. Volgens hen is het coderingssysteem van de RFID-technologie dermate elementair dat het onvoldoende veiligheidswaarborgen biedt. Op lange termijn bestaat het risico dat personen kunnen worden getraceerd en dat biometrische gegevens via het internet worden verspreid. Dieren worden nu immers al op die manier getraceerd. Beide professoren baseren zich op verschillende documenten die wijzen op de bedenkelijke betrouwbaarheid van de gebruikte technologie, meer bepaald op een document van de Smart Card Alliance, een groepering van fabrikanten van dat soort chips. Het document werd naar president Bush gestuurd met de uitleg dat die technologie de onveiligheid zou verhogen.

Gezien de bedreiging voor de persoonlijke levenssfeer, denk ik dat we het gebruik van die technologie opnieuw ter discussie moeten stellen. Zou er niet op zijn minst een diepgaande studie moeten worden gemaakt om die biometrische gegevens met een exclusief persoonlijk karakter beter te beveiligen?

Wat denken de minister van Binnenlandse Zaken en uzelf over die benadering? Welke maatregelen bent u van plan te nemen? Welk standpunt neemt de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in?

M. Karel De Gucht, ministre des Affaires étrangères. – Je déplore que les critiques formulées l’aient été sans qu’aucun contact préalable ait été pris avec les sources informées. De telles manifestations de la part de spécialistes ont pour effet de susciter le doute et l’inquiétude dans l’esprit du public et, accessoirement, d’assurer une certaine publicité à celui qui les formule. Des informations préalables auraient permis d’éviter de lancer un signal inadéquat.

En ce qui concerne la sécurité du passeport belge, je commencerai par rappeler que le document en question a été réalisé en conformité avec les spécifications techniques de l’OACI – Organisation de l’Aviation Civile Internationale – et de l’Union européenne, auxquelles tous les passeports électroniques européens doivent répondre.

Ces spécifications techniques ont été établies par des groupes de travail constitués de spécialistes de l’informatique et des questions de sécurité.

Ensuite, il existe une différence fondamentale entre l’usage qui peut être fait d’une puce électronique sans contact, destinée à assurer la traçabilité des bestiaux, et son application au passeport. En effet, il faut savoir qu’un passeport électronique n’est pas destiné à être lu « lors du passage à proximité d’une borne ». Bien au contraire, ce document doit être posé sur un lecteur installé généralement au contrôle frontière. En outre, les données contenues dans la puce sont protégées par deux sécurités : le Basic Access Control et l’Active Authentication.

La première sert à protéger les données contre la lecture à l’insu du titulaire (ou skimming). Son fonctionnement suppose que le passeport soit d’abord ouvert, que les données imprimées en page 2 dans les deux lignes de caractères OCR-B (que l’on appelle la zone lisible machine ou MRZ) soient lues pour enfin donner accès aux données de la puce.

L’Active Authentication a pour but de garantir que les données lues le sont au départ d’une puce authentique. Elle protège donc contre le clonage d’une puce. Cette sécurité repose sur une paire supplémentaire de clés (clé publique et clé privée). Je tiens d’ailleurs à souligner que cette mesure est une sécurité supplémentaire que la Belgique a volontairement ajoutée dans son passeport, bien qu’elle soit facultative. Le passeport belge est donc encore mieux protégé que les autres. J’estime par conséquent qu’il n’y a pas lieu de remettre en question le processus d’émission des passeports électroniques européens.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. – Ik betreur dat men kritiek formuleert zonder vooraf contact op te nemen met de welingelichte bronnen. Zulke kritiek van specialisten is bedoeld om twijfel en ongerustheid te zaaien bij het publiek en daarnaast ook om bekendheid te verwerven. Voorafgaand onderzoek had een ongepast signaal kunnen voorkomen.

Het Belgische paspoort werd gerealiseerd conform de technische voorschriften van de Internationale Organisatie voor de Burgerluchtvaart (ICAO) en van de Europese Unie, waaraan alle Europese elektronische paspoorten moeten beantwoorden.

De technische voorschriften werden opgesteld door werkgroepen van informatica- en veiligheidsspecialisten.

Voorts is er een fundamenteel verschil tussen een elektronische chip die dient om vee te traceren en de toepassing ervan in een paspoort. Een elektronisch paspoort dient niet om te worden ingelezen wanneer men een detectiepaal passeert. Integendeel, dat document moet op een leesapparaat worden geplaatst, meestal aan een grenscontrolepost. Bovendien zijn de gegevens in die chip dubbel beveiligd door Basic Access Control en door Active Authentication.

Het eerste systeem dient om de gegevens tegen skimming of ongecontroleerd lezen te beschermen. Dat systeem werkt als het paspoort open is, dat wil zeggen nadat de twee regels in OCR-B-tekens, de zogenaamde MRZ of machineleesbare strook, machinaal zijn uitgelezen om toegang te kunnen krijgen tot de gegevens in de chip.

Active Authentication biedt de garantie dat de ingelezen gegevens afkomstig zijn van een authentieke chip. Dat systeem beschermt dus tegen chip cloning. Die beveiliging berust op een extra paar sleutels, een openbare en een privésleutel.

Ik wens te beklemtonen dat België die facultatieve extra beveiliging vrijwillig aan zijn paspoort heeft toegevoegd. Het Belgische paspoort is dus beter beveiligd dan de andere. Mijns inziens moet de uitgifte van Europese elektronische paspoorten dus niet ter discussie worden gesteld.

Mme Sfia Bouarfa (PS). – Je ne demande qu’à croire la réponse du ministre quant à la fiabilité de nos passeport et à la protection de la vie privée. Cependant, je ne peux partager son scepticisme à l’égard des scientifiques qui n’ont a priori aucune raison de dénoncer des failles dans nos passeports. J’estime donc que la Commission de la protection de la vie privée devrait se prononcer sur cette question après avoir entendu ces experts. Cela permettrait peut-être de conforter les propos rassurants que le ministre a tenus concernant notamment les deux systèmes de sécurité.

Selon le ministre, l’un de ces systèmes empêche la lecture des données à l’insu du titulaire du passeport. Cela veut-il dire qu’il est impossible de lire ces données sans employer un appareil de lecture dont l’usage serait réservé aux services de douane ou de police ?

Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). – Ik vraag niet beter dan dat het antwoord van de minister over de betrouwbaarheid van onze paspoorten en over de bescherming van de persoonlijke levenssfeer klopt. Zijn scepticisme ten aanzien van de wetenschappers deel ik evenwel niet, want zij hebben geen redenen a priori om de gebreken in onze paspoorten aan de kaak te stellen. Ik ben dus van oordeel dat de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer die experts moet horen en vervolgens in deze kwestie een uitspraak moet doen. Zodoende kunnen de geruststellende beweringen van de minister over beide beveiligingssystemen misschien worden bevestigd.

Volgens de minister belet een van beide systemen dat de gegevens buiten het weten van de titularis worden ingelezen. Betekent dit dat de gegevens onmogelijk kunnen worden gelezen zonder het leesapparaat waarover alleen de politie en de douane beschikken?

M. Karel De Gucht, ministre des Affaires étrangères. – Je ne suis pas un technicien mais je pense que le passeport doit absolument être placé sur un lecteur.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. – Ik ben geen technicus, maar ik denk dat het paspoort absoluut op een leesapparaat moet worden geplaatst.

Mme Sfia Bouarfa (PS). – Je ne demande qu’à être rassurée mais il semblerait que cette puce utilise le même système que celui qui est employé pour le comptage des bestiaux. Je n’ai aucune raison de douter des mises en garde adressées par les deux scientifiques et j’invite donc le ministre à les rencontrer et à commander un rapport à ce sujet à la Commission de la protection de la vie privée.

Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). – Ik wil alleen gerustgesteld worden, maar het schijnt dat dezelfde chip gebruikt wordt om vee te tellen. Ik heb geen enkele reden om aan de waarschuwingen van de wetenschappers te twijfelen en daarom verzoek ik de minister om ze te ontmoeten en om ter zake het advies in te winnen van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levensfeer.

Question orale de M. Joris Van Hauthem au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur «l’emploi des langues dans les lettres de convocation pour les prochaines élections dans les communes périphériques et les communes de la frontière linguistique» (nº 3-1310)

Mondelinge vraag van de heer Joris Van Hauthem aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «het gebruik der talen in de oproepingsbrieven voor de komende verkiezingen wat betreft de rand- en taalgrensgemeenten» (nr. 3-1310)

Mme la présidente. – M. Karel De Gucht, ministre des Affaires étrangères, répondra.

De voorzitter. – De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

M. Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – Lors des élections de 2003, deux circulaires sur l’emploi des langues dans les lettres de convocation furent diffusées dans les communes à facilités. La première, émanant du ministre fédéral de l’Intérieur, M. Duquesne, imposait que les lettres de convocation soient rédigées dans la langue du destinataire. La deuxième circulaire, émanant du ministre flamand des Affaires intérieures de l’époque, M. Van Grembergen, lequel estimait que la circulaire Peeters devait être appliquée, imposait que les lettres de convocation soient adressées en néerlandais, avec traduction pour ceux qui en faisaient expressément la demande.

Lors des élections en 2004, le ministre de l’Intérieur, M. Dewael, avait déclaré qu’il suivrait la Commission permanente de contrôle linguistique et que sa circulaire aux communes imposerait donc que dans les communes à facilités, les lettres de convocation soient rédigées dans la langue du destinataire.

En date du 23 décembre 2004, le Conseil d’État s’est prononcé sur la question dans cinq arrêts et a confirmé la légalité et la validité de la circulaire Peeters. Sur le plan juridique, cela ne peut plus être contesté. D’où ma question, qui est très simple. La circulaire Peeters sera-t-elle désormais respectée dans la circulaire aux communes concernant les lettres de convocation ?

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – De vraag is eenvoudig. Naar aanleiding van de verkiezingen van 2003 werd met betrekking tot het gebruik van de taal van de oproepingsbrieven in de faciliteitengemeenten twee omzendbrieven verspreid. De eerste ging uit van federaal minister van Binnenlandse Zaken Duquesne, die oplegde dat de oproepingsbrieven moesten worden opgesteld in de taal van de aanhorige. De tweede omzendbrief ging uit van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, toen de heer Van Grembergen, die van oordeel was dat de omzendbrief-Peeters moest worden toegepast, en volgens welke de oproepingsbrieven in het Nederlands moesten worden verstuurd met een vertaling voor wie dat uitdrukkelijk wenste.

Naar aanleiding van de verkiezingen in 2004 liet de minister van Binnenlandse Zaken, de heer Dewael, die ik daarover op 4 maart 2004 ondervroeg, weten dat hij de Vaste Commissie voor Taaltoezicht volgt en dat zijn omzendbrief aan de gemeenten bijgevolg bepaalde dat in de faciliteitengemeenten voor de oproepingsbrieven de taal van de aanhorige moet worden gebruikt.

Inmiddels heeft de Raad van State zich op 23 december 2004 in vijf arresten over die aangelegenheid uitgesproken en de wettelijkheid en dus de geldigheid van de omzendbrief-Peeters bevestigd. Daarover mag op juridisch vlak dus geen betwisting meer bestaan. Vandaar mijn eenvoudige vraag. Zal in de omzendbrieven naar de gemeenten over de oproepingsbrieven voortaan het standpunt van de omzendbrief-Peeters worden gevolgd?

M. Karel De Gucht, ministre des Affaires étrangères. – Je vous lis la réponse du ministre Dewael.

La réponse est également très simple. Étant donné que la validité de la circulaire Peeters a été confirmée par le Conseil d’État dans ses arrêts du 23 décembre 2004, les lettres de convocation pour les élections dans les six communes périphériques de Bruxelles et dans les communes de la frontière linguistique doivent être rédigées en néerlandais.

Il ressort également de ces arrêt que les électeurs francophones desdites communes peuvent demander une lettre de convocation en français, après avoir reçu celle rédigée en néerlandais.

Les instructions aux communes pour les prochaines élections législatives seront rédigées en ce sens.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. – Ik lees het antwoord van minister Dewael.

Het antwoord is eveneens eenvoudig. Aangezien de geldigheid van de omzendbrief-Peeters bevestigd werd door de Raad van State in zijn arresten van 23 december 2004, moeten de oproepingsbrieven voor de verkiezingen in de zes Brusselse randgemeenten, evenals in de taalgrensgemeenten die in het Nederlandse taalgebied gelegen zijn, in het Nederlands worden opgesteld.

Uit die arresten blijkt ook dat de Franstalige kiezers van die gemeenten een oproepingsbrief in het Frans kunnen aanvragen, nadat ze die eerst in het Nederlands ontvangen hebben.

De onderrichtingen aan de gemeenten voor de volgende parlementsverkiezingen zullen in die zin worden opgesteld.

Question orale de M. Philippe Mahoux au ministre des Affaires étrangères sur «la troisième Conférence d’examen de la Convention sur certaines armes classiques» (nº 3-1298)

Mondelinge vraag van de heer Philippe Mahoux aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de derde Onderzoeksconferentie over het Verdrag voor bepaalde conventionele wapens» (nr. 3-1298)

M. Philippe Mahoux (PS). – Monsieur le ministre, il y a un mois, je vous interrogeais à propos de la troisième Conférence d’examen de la Convention sur certaines armes classiques. La Belgique, qui prépare pour l’instant la ratification du cinquième protocole relatif aux restes explosifs de guerre, qui est entré en vigueur le 12 novembre, y a bien entendu participé.

Je souhaite des informations sur le déroulement de cette conférence et sur les suites du dialogue entamé voici un mois.

Pouvez-vous nous détailler les mesures adoptées lors de cette conférence ? Le problème des sous-munitions a-t-il été évoqué par la Belgique ?

Le deuxième volet de ma question concerne l’Europe. La Belgique a-t-elle eu l’occasion d’agir pour que l’Union européenne présente une position commune lors de la Conférence ? L’Union a-t-elle présenté, comme prévu, un projet de décision visant à améliorer les mécanismes de vérification de l’application effective de la convention ? Ce point était l’un des sujets de notre dialogue, il y a un mois. Une décision a-t-elle été adoptée et, le cas échéant, quelles en sont les modalités ?

Enfin, la Belgique a-t-elle profité de la conférence pour entretenir des contacts diplomatiques particuliers avec d’autres pays déjà engagés en faveur d’une interdiction des sous-munitions ? Je pense en particulier à la Norvège, qui a annoncé son intention d’ouvrir des négociations en vue d’un traité international interdisant les bombes à sous-munitions.

Comme j’ai déjà eu l’occasion de le souligner, la future présidence au Conseil de sécurité constituera l’occasion pour la Belgique de faire avancer cette hypothèse. Aux Nations unies, il est de tradition, semble-t-il, de faire une fleur au pays qui a exercé la présidence en lui permettant d’inscrire un point à l’ordre du jour du Conseil de sécurité. Il serait bénéfique, à la fois pour la Belgique et pour le monde, que notre pays soit à l’origine de l’élaboration d’une convention s’apparentant à la Convention d’Ottawa et qui concernerait non plus les mines antipersonnel mais les bombes à sous-munitions.

De heer Philippe Mahoux (PS). – Een maand geleden heb ik de minister een vraag gesteld over de derde Onderzoeksconferentie over het Verdrag voor bepaalde conventionele wapens. België, dat thans de ratificatie voorbereidt van het vijfde protocol inzake ontplofbare oorlogsresten, dat op 12 november in werking is getreden, heeft daar uiteraard aan deelgenomen.

Ik zou graag informatie krijgen over het verloop van die conferentie en over de voortzetting van de dialoog die een maand geleden is aangevat.

Graag kreeg ik gedetailleerde informatie over de maatregelen die werden goedgekeurd op die conferentie. Heeft België het probleem van de submunitie aangekaart?

Heeft België ervoor kunnen zorgen dat de Europese Unie op die Conferentie een gemeenschappelijk standpunt heeft voorgesteld? Heeft de Unie, zoals gepland, een ontwerpbeslissing kunnen voorstellen ter verbetering van de controlemechanismen inzake de effectieve toepassing van het verdrag? Werd een beslissing aangenomen en zo ja, onder welke voorwaarden?

Heeft België op de conferentie bijzondere diplomatieke contacten gelegd met andere landen die reeds voorstander zijn van het verbod op submunitie? Ik denk meer bepaald aan Noorwegen, dat aangekondigd heeft van plan te zijn onderhandelingen te beginnen met het oog op een internationaal verdrag houdende verbod op clusterbommen met submunitie.

Het toekomstig voorzitterschap van de Veiligheidsraad zal België de kans geven daar werk van te maken. Bij de Verenigde Naties is het immers de traditie dat het land dat het voorzitterschap heeft uitgeoefend een punt op de agenda van de Veiligheidsraad mag zetten. Het zou een goede zaak zijn, zowel voor België als voor de hele wereld, dat ons land het initiatief neemt voor de uitwerking van een verdrag dat verwant is met het Verdrag van Ottawa en dat niet meer betrekking zou hebben op de antipersoonsmijnen, maar op de clusterbommen met submunitie.

M. Karel De Gucht, ministre des Affaires étrangères. – La problématique des armes à sous-munitions a été au centre des débats de la troisième Conférence d’examen de la Convention sur certaines armes classiques.

Contrairement à ce que l’on pouvait craindre, la conférence est arrivée finalement à un consensus sur la décision à adopter. D’une part, comme le demandait l’Union européenne en tant que minimum à atteindre, le mandat du groupe d’experts gouvernementaux sur les restes explosifs de guerre a été reconduit. D’autre part, et c’est là que réside la principale avancée, ce groupe est désormais chargé d’examiner de manière spécifique la question des armes à sous-munitions sous l’angle humanitaire et de faire rapport sur ce point à la prochaine Conférence des États parties.

Un cadre est donc créé, au sein duquel les travaux devraient pouvoir progresser rapidement, puisque l’échéance est fixée à novembre 2007. L’idée d’assujettir les sous-munitions à des règles juridiques spécifiques ne figure pas textuellement dans le mandat, mais il y est fait référence au séminaire qui sera organisé précisément à ce propos par le Comité international de la Croix-Rouge.

La Belgique est intervenue à deux reprises en séance plénière pour défendre la position que je vous avais exposée ici même voici quelques semaines. Elle a plaidé pour que l’Union européenne s’accorde sur une position coordonnée, de manière à peser sur le résultat des négociations. Ces efforts ont produit leurs fruits, puisque deux propositions de l’Union européenne et de tous ses États membres ont été déposées. Ces deux documents ont constitué dans une large mesure la base du compromis final.

En même temps, la Belgique a fait connaître sans ambiguïté ses objectifs à plus long terme en lançant, au sein d’un groupe de vingt-quatre États parties comprenant également la Norvège, un appel en faveur d’un accord qui interdirait l’utilisation des armes à sous-munitions dans des zones à concentration civile ainsi que les armes à sous-munitions non fiables et imprécises. Un tel accord assurerait également la destruction des armes interdites.

J’ai donné instruction à nos ambassades bilatérales d’effectuer des démarches pour sensibiliser leurs interlocuteurs au contenu de la loi belge – c’est ce que vous m’avez demandé – et pour les encourager à participer activement au groupe d’experts gouvernementaux en juin 2007.

Nous voulons arriver rapidement à des résultats tangibles, en premier lieu en faveur des populations civiles concernées. Il va de soi que cette action diplomatique constitue un processus permanent, qui sera développé et affiné en tenant compte des résultats de la première série de démarches. Je ne manquerai pas de vous tenir informé à cet égard.

Vous avez également demandé des informations sur la suite réservée à l’initiative de l’Union européenne relative au processus de vérification de l’application effective de la convention et de ses protocoles. C’est effectivement un autre acquis de la conférence puisqu’une décision a été prise en la matière.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. – Het probleem van de wapens met submunitie was het centrale thema van de debatten van de derde Onderzoeksconferentie over het Verdrag over bepaalde conventionele wapens.

In tegenstelling tot wat kon worden gevreesd, heeft de conferentie uiteindelijk een consensus bereikt over de te nemen beslissing. Enerzijds werd de opdracht van de groep van regeringsexperts inzake de ontplofbare oorlogsresten verlengd, wat de Europese Unie als minimum had gevraagd. Anderzijds kreeg die groep nu ook de opdracht om specifiek het probleem van de wapens met submunitie te onderzoeken vanuit het humanitaire standpunt en daarover verslag uit te brengen op de volgende Conferentie van de verdragsluitende Staten. Dat is de belangrijkste vooruitgang.

Er werd dus een kader gecreëerd binnen hetwelk de werkzaamheden snel zouden kunnen vorderen, want de termijn werd vastgesteld op november 2007. De idee om submunitie te onderwerpen aan specifieke juridische regels staat niet letterlijk in de opdracht, maar er wordt naar verwezen op het seminarie dat in dat verband wordt georganiseerd door het Internationaal Comité van het Rode Kruis.

België heeft op de plenaire vergadering tweemaal het standpunt verdedigd dat ik hier enkele weken geleden heb uiteengezet. Ons land heeft ervoor gepleit dat de Europese Unie een gecoördineerd standpunt zou innemen om te kunnen wegen op het resultaat van de onderhandelingen. Die inspanningen hebben resultaat opgeleverd, want er werden twee voorstellen ingediend van de Europese Unie en van al haar lidstaten. Die twee documenten lagen in grote mate aan de basis van het slotcompromis.

België heeft ook ondubbelzinnig zijn doelstellingen op langere termijn bekendgemaakt door, binnen de groep van vierentwintig verdragsluitende Staten, waartoe ook Noorwegen behoort, een oproep te doen ten gunste van een akkoord dat het gebruik van wapens met submunitie in burgerzones alsook van onbetrouwbare en onnauwkeurige munitie zou verbieden. Een dergelijk akkoord zou ook de vernietiging van de verboden wapens verzekeren.

Ik heb onze bilaterale ambassades de opdracht gegeven stappen te ondernemen om hun gesprekspartners bewust te maken van de inhoud van de Belgische wet – dat had de heer Mahoux mij gevraagd – en ze aan te moedigen actief deel te nemen aan de groep van regeringsexperts in juni 2007.

Wij willen snel tastbare resultaten, in de eerste plaats ten gunste van de betrokken burgerbevolking. Deze diplomatieke actie is uiteraard een permanent proces dat zal worden ontwikkeld en verfijnd, rekening houdend met de resultaten van de eerste reeks demarches. Ik zal u daarvan zeker op de hoogte houden.

De heer Mahoux informeerde ook naar het gevolg dat zal worden gegeven aan het initiatief van de Europese Unie met betrekking tot de controle op de effectieve toepassing van het verdrag en de protocollen. Dat is inderdaad een andere verworvenheid van de conferentie, want daarover werd een beslissing genomen.

M. Philippe Mahoux (PS). – Il serait peut-être intéressant, monsieur le ministre, que l’on puisse disposer des conclusions de cette conférence, si elles existent. J’ignore si c’est le cas.

Vous vous engagez à apporter des réponses sur le suivi de ces deux dossiers, à savoir la vérification et le contrôle, ainsi que l’évolution de l’interdiction des bombes à sous-munitions.

Vous savez que ma position est celle de l’interdiction. J’imagine que de larges discussions sont menées à cet égard. Je prends note de votre engagement, mais je puis également vous assurer du mien pour vous interroger à ce propos.

De heer Philippe Mahoux (PS). – Het zou interessant zijn dat we over de conclusies van die conferentie kunnen beschikken, als die bestaan. Ik weet niet of dat het geval is.

De minister belooft dat hij verslag zal uitbrengen over de voortzetting van beide dossiers, namelijk de controle op alsook de evolutie van het verbod op clusterbommen met submunitie.

Ik ben voorstander van een verbod. Ik veronderstel dat daarover uitvoerig wordt gediscussieerd. Ik neem akte van de belofte van de minister, maar ik verzeker hem ook dat ik hem hierover vragen zal blijven stellen.

Question orale de Mme Sabine de Bethune au ministre des Affaires étrangères sur «la ratification de la Convention européenne sur les droits de l’homme et la biomédecine» (nº 3-1300)

Mondelinge vraag van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de ratificatie van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de biogeneeskunde» (nr. 3-1300)

Mme Sabine de Bethune (CD&V). – J’ai abordé à plusieurs reprises, ces derniers mois, le problème du trafic d’organes en provenance de la Chine. Les organes de jeunes gens condamnés à mort sont vendus après l’exécution. En Belgique, le trafic d’organes est évidemment interdit par la loi de 1986 relative à la transplantation d’organes.

Bien entendu, on peut contourner la loi en s’adressant à l’étranger, raison pour laquelle un cadre international interdisant de telles pratiques s’impose. La Convention sur les droits de l’homme et la biomédecine a été signée à Oviedo le 4 avril 1997 dans le cadre du Conseil de l’Europe. L’article 21 de cette convention interdit expressément le trafic d’organes. En 2002 a été conclu le protocole additionnel à cette convention, relatif à la transplantation d’organes et dont l’article 22 interdit également le trafic d’organes.

Dans l’attente d’une loi fédérale autorisant la recherche scientifique sur les embryons in vitro, notre pays n’a pas signé cette convention. Cette loi a été votée en 2003. Pourquoi, dès lors, notre pays n’a-t-il toujours pas signé cette convention ? Une autre raison explique-t-elle ce retard ?

Pourquoi notre pays n’a-t-il pas non plus signé le protocole relatif à la transplantation d’organes ?

L’an dernier, le ministre Demotte a expliqué devant le parlement qu’il fallait vérifier si la convention n’était pas en contradiction avec nos propres textes légaux. A-t-on procédé à cette vérification ? Dans la négative, quand pouvons-nous espérer obtenir le résultat de cette analyse ? Entre-temps, les pratiques internationales – voire nationales – de trafic d’organes se poursuivent.

Le ministre connaît-il d’autres moyens, à l’échelon international, d’interdire, voire de poursuivre en justice, le trafic d’organes ?

Quelles démarches diplomatiques a-t-il entreprises jusqu’à ce jour pour mettre fin à ces pratiques de trafic d’organes en provenance de Chine ? A-t-il abordé cette question au Conseil des ministres européen ? Une concertation bilatérale a-t-elle eu lieu avec les autorités chinoises à ce sujet ?

J’ai déjà posé des questions à plusieurs reprises sur ce sujet mais l’actualité montre qu’elles sont encore toujours pertinentes.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). – De voorbije maanden heb ik al meerdere malen het probleem van de orgaanhandel vanuit China aangekaart. Van jonge mensen die ter dood veroordeeld werden, worden de organen na de terechtstelling verkocht. In België is orgaanhandel vanzelfsprekend verboden door de wet op de orgaantransplantatie van 1986.

Uiteraard kan dat via het buitenland worden omzeild. Daarom is er nood aan een internationaal kader dat dergelijke praktijken verbiedt. In het kader van de Raad van Europa werd op 4 april 1997 te Oviedo het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de biogeneeskunde ondertekend. Artikel 21 van dit verdrag verbiedt uitdrukkelijk de handel in organen. In 2002 werd het Protocol op de transplantatie van organen toegevoegd. Artikel 22 van dit protocol verbiedt orgaanhandel nogmaals.

Ons land heeft dit verdrag niet ondertekend in afwachting van een federale wet die het wetenschappelijk onderzoek met embryo’s in vitro mogelijk maakt. Deze wet is in 2003 tot stand gekomen. Waarom heeft ons land het verdrag dan nog altijd niet ondertekend? Is er nog een reden voor het uitblijven van de ondertekening?

Waarom heeft ons land het protocol met betrekking tot orgaantransplantatie ook niet ondertekend?

Vorig jaar heeft minister Demotte in het parlement verklaard dat er onderzocht moest worden of het verdrag niet in tegenspraak is met de eigen wetteksten? Is dit intussen gebeurd? Zo neen, wanneer mogen we het resultaat van dit onderzoek verwachten? Intussen gaan de internationale praktijken immers door en kan ook bij ons de zwendel met organen blijven bestaan.

Ziet de minister naast het verdrag andere internationale middelen om orgaanhandel te verbieden en zelfs juridisch te vervolgen?

Welke diplomatieke stappen heeft hij tot op heden gedaan om een einde te maken aan deze praktijken van orgaanhandel vanuit China? Heeft hij dit thema ook aangekaart in de Europese ministerraad? Is er enig bilateraal overleg geweest met de Chinese autoriteiten over dit onderwerp?

Ik heb hierover al meermaals vragen gesteld, maar de actualiteit toont aan dat ze nog altijd pertinent zijn.

M. Karel De Gucht, ministre des Affaires étrangères. – D’un point de vue technique, le département des Affaires étrangères n’est pas compétent pour signer la Convention européenne sur les droits de l’homme et la biodiversité. Lorsque nous avons pris connaissance de la question, nous avons donc immédiatement contacté les services du ministre Demotte qui exerce cette compétence. Je n’ai pas encore reçu d’informations au sujet de la signature mais j’espère en recevoir la semaine prochaine.

Les Affaires étrangères n’interviennent dans la ratification d’un traité que lorsque les services compétents ont renvoyé le dossier, en d’autres termes lorsque le texte doit être ratifié par le parlement. Le dossier se trouve maintenant dans la phase préparatoire et, comme je l’ai dit, nous attendons des informations du cabinet du ministre Demotte.

Le département des Affaires étrangères accorde une grande importance à la résorption du retard dans les dossiers de ratification. On dénombrait 350 traités à ratifier au début de la législature, contre 100 à l’heure actuelle, et j’espère que ce retard diminuera encore. Nous attachons également une grande importance au raccourcissement des procédures. La commission du Sénat joue d’ailleurs un rôle essentiel à cet égard, car c’est principalement là qu’est réalisé le travail portant sur le contenu. Je sais que Mme de Bethune y est très active. J’espère donc que la procédure de ratification de cette convention par le Sénat pourra commencer dès que possible.

J’en viens au fond du dossier. Le trafic d’organes est interdit tant en Chine qu’au Japon, ainsi que nous l’ont officiellement confirmé les ambassades de ces pays. Pourquoi aussi le Japon ? Il ressortirait d’un récent dossier du sénateur Vankrunkelsven que l’intermédiaire opérait à partir du Japon.

Nous avons en effet accompli des démarches diplomatiques, et cela immédiatement. Nous avons demandé des informations à M. Vankrunkelsven et, avec son accord, nous les avons transmises aux ambassadeurs de Chine et du Japon en leur demandant expressément une réponse et les éclaircissements nécessaires. Nous avons reçu l’assurance que l’affaire serait examinée et que nous serions tenus au courant. Lorsque cela se fera, je ne manquerai pas d’informer à mon tour le parlement.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. – Technisch gezien is Buitenlandse Zaken niet bevoegd voor de ondertekening van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de biogeneeskunde. Bij ontvangst van de vraag hebben we dan ook onmiddellijk contact opgenomen met de diensten van minister Demotte, die daarvoor wel bevoegd. Ik heb nog geen informatie over de ondertekening gekregen, maar hoop die volgende week te ontvangen.

Bij de ratificatie van een verdrag komt Buitenlandse Zaken pas in actie wanneer de technisch bevoegde diensten het dossier hebben doorgestuurd, met andere woorden op het ogenblik dat de ratificatie door het Parlement moet worden gestart. Het dossier bevindt zich nu in de voorbereidende fase en we wachten, zoals gezegd, op informatie van het kabinet van minister Demotte.

Buitenlandse Zaken hecht veel belang aan het wegwerken van de achterstand in de ratificatiedossiers. Bij het begin van de legislatuur was er een achterstand van 350 te ratificeren verdragen, nu bedraagt die nog 100 en ik hoop dat die achterstand nog zal verminderen. We hechten ook veel belang aan het verkorten van de proceduretijd. Daarin speelt de senaatscommissie trouwens een zeer belangrijke rol, omdat vooral daar het inhoudelijke werk wordt gedaan. Ik weet dat mevrouw de Bethune er een zeer actieve rol in speelt. Ik hoop dus dat we de ratificatieprocedure van het betreffende verdrag in het Parlement zo vlug mogelijk kunnen starten.

Dan kom ik bij de grond van de zaak. Handel in organen is zowel in China als in Japan verboden. Zo is ons officieel medegedeeld door de Chinese en de Japanse ambassade. Waarom ook Japan? Uit een recent dossier, van senator Vankrunkelsven, zou blijken dat de tussenpersoon vanuit Japan opereerde.

We hebben inderdaad diplomatieke stappen gedaan en wel onmiddellijk. We hebben de informatie van de heer Vankrunkelsven opgevraagd en op basis daarvan hebben we gisteren de Chinese en Japanse ambassadeur geroepen. Met de goedkeuring van de betrokken senator hebben we hen de informatie doorgegeven, met de uitdrukkelijke vraag om een antwoord en de nodige opheldering. We kregen de verzekering dat de zaak onderzocht zal worden en dat we op de hoogte worden gehouden. Als dat gebeurt, zal ik zeker niet nalaten het Parlement daarover te informeren.

Mme Sabine de Bethune (CD&V). – Je ne puis qu’encourager le ministre à suivre attentivement le dossier.

Le trafic d’organes est inacceptable en soi ; le lien avec la peine de mort – certain, dans le cas de la Chine – est encore plus grave. J’ai à plusieurs reprises signalé au ministre des cas semblables à celui que M. Vankrunkelsven a révélé à la presse la semaine dernière.

On trouve de tels cas en Ouzbékistan, où la peine de mort est toujours d’application. Voici un an ou deux, une association de mères de condamnés à mort m’a expliqué que les familles concernées ne récupéraient jamais le corps de la personne exécutée. Il semblerait que le trafic d’organes prospère aussi dans ce pays et qu’il s’agit souvent d’organes de jeunes gens. De plus, du fait des pratiques mafieuses en cours dans ce pays, on y serait parfois condamné à mort pour des délits mineurs.

Je plaide dès lors pour que nous nous opposions fermement au trafic d’organes et pour que la Belgique se positionne dans la communauté internationale comme un partenaire proactif en signant les traités concernant cette matière. Nous devons en outre nous atteler, en Belgique, à la recherche des réseaux existants. Je voudrais enfin encourager le ministre à étendre son action diplomatique en la matière dans le sens d’une interdiction de la peine de mort, également dans d’autres pays. La Belgique peut mener une action crédible à cet égard.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). – Ik kan de minister alleen maar aanmoedigen om de zaak op de voet te blijven volgen.

Orgaanhandel op zich is onaanvaardbaar en nog erger is dat die, zeker in het geval van China, verband houdt met de doodstraf. Ik heb de minister al meermaals een geval gesignaleerd, gelijkaardig aan hetgeen collega Vankrunkelsven vorige week in de pers bracht. Ik had daarvoor heel geloofwaardige getuigen.

In Oezbekistan, een land waar de doodstraf nog bestaat, doen zich ook dergelijke gevallen voor. Een jaar of twee geleden heeft een vereniging van moeders van ter dood veroordeelden mij uitgelegd dat de betrokken gezinnen nooit het lichaam krijgen van het gezinslid dat werd terechtgesteld. Intussen blijkt dat ook daar de orgaanhandel floreert en dat de organen vaak van jonge mensen afkomstig zijn. Bovendien zouden mensen soms voor heel lichte vergrijpen ter dood worden veroordeeld, omdat er maffiose praktijken achter schuilgaan.

Ik pleit er dan ook voor dat we heel sterk opkomen tegen orgaanhandel en dat België zich in de internationale gemeenschap als een proactieve partner opstelt bij het ondertekenen van de verdragen ter zake. Verder moeten we in eigen land proactief de recherche inzetten om na te gaan welke netwerken er bij ons bestaan. Ten slotte wil ik de minister aanmoedigen om zijn diplomatie tegen orgaanhandel uit te breiden tot een actieve diplomatie voor een verbod op de doodstraf, ook in andere landen. België kan ter zake geloofwaardig optreden.

Question orale de Mme Isabelle Durant au ministre de la Coopération au Développement sur «la république d’Haïti» (nº 3-1306)

Mondelinge vraag van mevrouw Isabelle Durant aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «de republiek Haïti» (nr. 3-1306)

Mme la présidente. – M. Karel De Gucht, ministre des Affaires étrangères, répondra.

De voorzitter. – De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mme Isabelle Durant (ECOLO). – Je vous pose une question que mon collègue Josy Dubié aurait voulu poser à M. De Decker à propos d’Haïti.

Alors que toutes les forces politiques belges et européennes ont soutenu le processus électoral au Congo et se sont engagées unanimement à participer à la reconstruction de ce pays, un autre pays, Haïti, mérite notre attention.

Aujourd’hui 30 novembre se tient à Madrid la conférence des donateurs dont ce pays a largement besoin. Les difficultés sont énormes, les moyens de l’État sont extrêmement faibles, les institutions – un peu comme au Congo – presque inexistantes et le budget de l’État dépend à plus de 60% de l’aide internationale. Autrement dit, ce pays – et surtout ses habitants – sont dans l’attente.

Lors de la visite du président Préval en Belgique, des engagements avaient été pris par le ministre de la Coopération ainsi que par vous-même.

Je souhaiterais donc savoir, à l’occasion de la Conférence des donateurs, où nous en sommes dans les engagements qui ont été pris et en particulier, dans la réalisation de ceux-ci. Il s’agit en effet d’une priorité à laquelle nous ne pouvons pas nous soustraire.

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). – Ik stel een vraag over Haïti die mijn collega Josy Dubié aan de heer De Decker had willen stellen.

Alle Belgische en Europese politieke krachten hebben het electorale proces in Congo ondersteund en hebben zich unaniem geëngageerd om deel te nemen aan de heropbouw van dat land, maar een ander land, met name Haïti, verdient onze aandacht.

Vandaag, 30 november, vindt in Madrid de donorconferentie plaats. Haïti heeft de donoren hard nodig. Het wordt geconfronteerd met enorme moeilijkheden, de staatsmiddelen zijn uiterst gering, de instellingen zijn – een beetje zoals in Congo – bijna onbestaande en de staatsbegroting hangt voor meer dan 60% af van internationale steun. Met andere woorden, dit land, en vooral zijn inwoners, wachten hoopvol af.

Tijdens het bezoek van president Préval in België hebben de minister van Ontwikkelingssamenwerking en de minister van Buitenlandse Zaken beloften gedaan.

Hoe ver staat het met het naleven van die beloften? Ze vormen immers een prioriteit waaraan we ons niet mogen onttrekken.

M. Karel De Gucht, ministre des Affaires étrangères. – Je vous lis la réponse du ministre.

Lors de la visite du président Préval, je me suis en effet engagé à appuyer Haïti au niveau du paiement des arriérés de salaires des professeurs. La demande officielle du gouvernement haïtien y afférente ne nous est parvenue que le mois dernier.

Actuellement, le dossier se trouve à mon administration pour examen avant de me parvenir pour un éventuel accord définitif.

Pour votre information, un membre du service Amérique latine de la DGCD s’est rendu, hier, à Madrid pour la réunion des bailleurs de fonds, en qualité d’observateur.

Pour rappel, il avait été signalé à M. Préval, lors de son passage en Belgique, que la coopération a été suspendue avec Haïti en 2002 compte tenu de la situation politique et qu’en l’état actuel des choses, différentes voies pouvaient être envisagées pour appuyer les initiatives du gouvernement :

La coopération gouvernementale : Haïti ne fait plus partie de la liste des pays partenaires depuis 2000. Néanmoins, il subsiste un solde d’environ 1,8 million de dollars qui pourrait être réaffecté pour répondre à des besoins hautement prioritaires de la population.

La coopération multilatérale : la Belgique pourrait envisager de s’inscrire dans le « programme d’apaisement social » du PNUD.

Le prêt d’État à État : nous avons également attiré l’attention de la délégation haïtienne sur la possibilité d’obtenir un prêt d’État à État sur la base des critères en vigueur.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. – Ik lees het antwoord van minister De Decker.

Tijdens het bezoek van president Préval heb ik me inderdaad geëngageerd om Haïti te ondersteunen op het vlak van de betaling van de achterstallen van de leraarswedden. Pas vorige maand hebben wij de officiële vraag daartoe van de Haïtiaanse regering gekregen.

Het dossier wordt momenteel door mijn bestuur onderzocht alvorens het mij voor eventueel definitief akkoord wordt voorgelegd.

Een lid van de dienst Latijns Amerika van de DGOS heeft gisteren in Madrid de donorenconferentie als waarnemer bijgewoond.

Tijdens zijn bezoek aan België hebben we de heer Préval eraan herinnerd dat de samenwerking met Haïti in oktober 2002 werd geschorst vanwege de politieke toestand en dat in de huidige stand van zaken meerdere mogelijkheden openliggen om de initiatieven van de nieuwe regering te ondersteunen.

Officiële ontwikkelingssamenwerking: Haïti is sinds 2000 niet meer geselecteerd als partnerland. Niettemin is er nog een overschot van 1,8 miljoen dollar dat opnieuw kan worden toegewezen voor het lenigen van de belangrijkste noden van de bevolking.

Multilaterale samenwerking: België zou kunnen deelnemen aan een UNDP-programma dat de sociale rust moet herstellen.

Lening van staat tot staat: we hebben de aandacht van de Haïtiaanse delegatie ook gevestigd op de mogelijkheid om een lening van staat tot staat te krijgen volgens de geldende criteria.

Mme Isabelle Durant (ECOLO). – La stratégie de paiement des fonctionnaires que vous aviez déjà mise en œuvre apporte une aide directe particulièrement utile et intéressante.

J’espère donc que ce dossier aboutira et je vous remercie de l’attention que vous voudrez bien lui accorder. Nous reviendrons certainement sur les différents autres aspects que vous avez soulevés. Haïti le mérite.

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). – Het beleid inzake de betaling van de ambtenaren betekent een rechtstreekse hulp die bijzonder nuttig is.

Ik hoop dus dat dit dossier tot een goed einde komt en ik dank u voor de aandacht die u eraan besteedt. We zullen zeker nog terugkomen op de verschillende andere aspecten die u hebt aangeraakt. Haïti verdient dat.

Question orale de M. Jacques Brotchi au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique et au ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances sur «le manque d’accessibilité aux soins de santé pour les ‘illégaux’ et les ‘sans-papiers’» (nº 3-1296)

Mondelinge vraag van de heer Jacques Brotchi aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de gebrekkige toegang van illegalen en mensen zonder papieren tot de gezondheidszorg» (nr. 3-1296)

Mme la présidente. – Je profite de cette occasion pour vous dire à quel point nous sommes tristes que vous quittiez notre assemblée.

De voorzitter. – Ik maak van de gelegenheid gebruik om te zeggen hoezeer het ons spijt dat u onze assemblee verlaat.

M. Jacques Brotchi (MR). – Je suis encore là pour quelques semaines, avec plusieurs questions.

Je voudrais demander au ministre de l’Intégration sociale son opinion sur l’accessibilité aux soins de santé pour les illégaux et les sans-papiers.

En principe, la personne en demande d’asile ou sans papiers devrait pouvoir se rendre directement chez le médecin pour obtenir des soins. En pratique, cela se passe difficilement.

Concrètement, le CPAS délivre aux sans-papiers en état de besoin un réquisitoire de prise en charge : c’est ce que l’on appelle l’aide médicale urgente (AMU). Elle doit être fournie pour chaque prestation par le CPAS, ce qui pose de nombreux problèmes au patient. Par exemple, une mère de famille qui a plusieurs enfants malades dans la même semaine doit s’adresser au CPAS pour chaque consultation médicale.

Si le patient n’a pas reçu de réquisitoire et se présente chez un médecin, celui-ci lui délivre un certificat de soins médicaux urgents. Le patient introduit ensuite une demande d’aide médicale urgente auprès du CPAS. Celui-ci apprécie le caractère urgent de l’aide sollicitée – ce qui m’étonne en tant que médecin – et décide de délivrer ou non un réquisitoire au patient. C’est seulement à ce stade de la procédure que le médecin peut espérer être payé.

En outre, le système d’application de l’AMU varie radicalement d’un CPAS à l’autre. Des réquisitoires, des attestations de détresse, des attestations d’aide médicale urgente, le tout à remplir en deux exemplaires, à envoyer ou à conserver en fonction des modalités de chaque CPAS, alourdissent le quotidien du médecin et l’empêchent d’avoir une vision claire sur les étapes administratives qu’il doit effectuer. Qui plus est, il perd du temps à remplir des documents au lieu de soigner des malades.

Les politiques de remboursement varient également d’un CPAS à l’autre : remboursement partiel ou intégral, possibilité d’un suivi par un généraliste ou uniquement hospitalisation. Vous comprendrez que les lourdeurs administratives et les délais qu’elles engendrent nécessairement peuvent avoir des conséquences graves pour les patients.

Pourriez-vous m’éclairer sur les points suivants ? À la suite d’une concertation avec les acteurs de terrain, vous avez déclaré vouloir mettre en place un système unique de paiement des médecins qui prennent en charge des personnes illégales ou sans papiers. C’est à mon sens une bonne idée qui encouragera les médecins à participer à ce système. Mais quid des difficultés rencontrées par ces patients ? L’idée de la carte médicale a fait son chemin auprès des médecins et des CPAS. Il s’agit d’un document délivré par le CPAS au patient qui donne la garantie aux médecins que le CPAS prendra à sa charge les frais médicaux, et ce pour une période à déterminer. Qu’en pensez-vous ? Si vous y êtes favorable, ne serait-il pas opportun d’encourager l’utilisation de cette carte médicale en même temps que celle du système unique de paiement des médecins afin d’envisager une solution globale et cohérente à ce problème de société et permettre aux sans-papiers, aux illégaux et aux médecins de rencontrer moins de tracasseries administratives ? Cela permettrait également aux médecins de remplir leur rôle et aux sans-papiers d’avoir accès aux soins médicaux.

De heer Jacques Brotchi (MR). – Ik blijf nog enkele weken en ik zal nog verscheidene vragen stellen.

Ik zou graag weten wat de minister van Maatschappelijke Integratie vindt over de toegang van illegalen en mensen zonder papieren tot de gezondheidszorg.

In principe zouden asielzoekers of mensen zonder papieren rechtreeks naar de arts moeten kunnen gaan om zich te laten verzorgen. In de praktijk verloopt dat moeilijk.

Het OCMW overhandigt aan de mensen zonder papieren die behoeftig zijn een betalingsverbintenis die betrekking heeft op de dringende medische hulp (DMH). Dat document, dat nodig is voor elke uitkering van het OCMW, bezorgt de patiënt veel problemen. Zo moet een moeder die in één week verschillende zieke kinderen heeft, voor elk medisch consult naar het OCMW.

Als de patiënt geen betalingsverbintenis heeft ontvangen en naar een arts gaat, geeft de arts hem een attest van dringende medische hulp. De patiënt dient vervolgens een aanvraag tot dringende medische hulp in bij het OCMW. Het OCMW beoordeelt de urgentie van de gevraagde hulp – wat ik als arts vreemd vind – en beslist om al dan niet een betalingsverbintenis aan de patiënt te overhandigen. Pas in dat stadium van de procedure kan de arts rekenen op betaling.

Bovendien verschilt de wijze waarop het systeem van de dringende medische hulp wordt toegepast van het ene OCMW tot het andere. De verbintenissen, de attesten van behoeftigheid, de attesten van dringende medische hulp, alles in tweevoud in te vullen, te versturen of bij te houden, afhankelijk van de regels van elk OCMW, verzwaren het dagelijkse werk van de arts en maken het hem onmogelijk een duidelijk zicht te hebben op de administratieve stappen die hij moet uitvoeren. Hij verliest bovendien tijd met het invullen van documenten in plaats van zieken te verzorgen.

Het terugbetalingsbeleid verschilt ook van het ene OCMW tot het andere: gedeeltelijke of volledige terugbetaling, mogelijkheid tot een follow-up door een huisarts of enkel hospitalisatie. De administratieve rompslomp en de daarmee gepaard gaande vertragingen kunnen ernstige gevolgen hebben voor de patiënten.

Na overleg tussen de actoren op het terrein, verklaarde u dat u een uniek systeem wou invoeren voor de betaling van artsen die zorg verlenen aan illegalen of mensen zonder papieren. Dat is een goed idee en het zal de artsen aanmoedigen om dat systeem toe te passen. Maar hoe staat het met de moeilijkheden die deze patiënten ondervinden? Het idee van de medische kaart is inmiddels bekend bij de artsen en de OCMW’s. Het betreft een document dat het OCMW aan de patiënt overhandigt en dat de artsen de betaling van de medische kosten door het OCMW voor bepaalde tijd waarborgt. Wat denkt u daarvan? Indien u dat idee steunt, is het dan niet opportuun het gebruik van de medische kaart alsook het unieke systeem van betaling van de artsen aan te moedigen opdat er een totale en coherente oplossing voor dit maatschappelijk probleem wordt gevonden en de mensen zonder papieren, illegalen en artsen minder administratieve pesterijen moeten ondergaan? Dan kunnen de artsen hun rol vervullen en krijgen de mensen zonder papieren toegang tot de medische zorg.

M. Christian Dupont, ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances. – Il existe une différence entre l’aide médicale et l’aide médicale urgente. La première est due à ceux qui suivent une procédure régulière de demande d’asile et qui bénéficient de l’aide financière d’une commune. Ces personnes doivent normalement solliciter un réquisitoire auprès du CPAS et disposeront d’une carte médicale pour se faire soigner.

Parmi ces personnes, on trouve une catégorie plus problématique. Dans le langage administratif international de Fedasil, nous les appelons les no-shows. Ce sont des personnes qui se sont présentées régulièrement au dispatching de Fedasil pour s’inscrire régulièrement comme demandeurs d’asile, à qui a été octroyé un code 207, c’est-à-dire une affectation dans un centre, et qui ne s’y sont pas présentées.

Ces derniers peuvent poser quelque difficulté. Ils ne sont en effet pas sans papiers, mais ils sont sans affectation. Pour ces personnes, à partir du moment où l’on aura constaté que leur demande d’asile est toujours en traitement et qu’elles ne se sont pas présentées dans le centre qu’on leur avait désigné, nous travaillons actuellement à leur donner un code national pour faire en sorte qu’en cas de soins médicaux, la demande de remboursement arrive directement chez Fedasil.

Nous avons donc une ébauche de solution. Il reste cependant un problème : puisque ces personnes ne se sont pas présentées au centre qui leur était désigné, et qu’elles ne nous l’ont pas fait savoir, il est difficile de leur remettre un document ou une carte.

Quant aux illégaux, la Cour d’arbitrage a arrêté qu’ils avaient droit à l’aide médicale urgente. Les nombreux problèmes administratifs que rencontrent ces personnes et les médecins sont bien réels. Cependant, je ne vous ferai pas l’injure de vous expliquer pourquoi il en est ainsi. Du fait de leur situation dans l’illégalité, ils ont évidemment une propension à éviter le contact avec les autorités.

Le droit à l’aide médicale urgente est garantie dans notre pays. Quiconque se présente aux services d’urgence ou s’adresse à un médecin est assuré de recevoir des soins. Jamais on ne refuse des soins urgents. La démarche pour la personne, qui sort quelque peu de la clandestinité, n’est pas simple, j’en conviens, mais je connais très peu de cas de refus de soins. Dans leur situation, leur octroyer une carte médicale est délicat. Dès lors, comment faire en sorte que les prestataires de soins soient remboursés rapidement tout en gardant un contrôle sur ce type de dépenses ?

Nous avons confié la réflexion sur ce sujet à la Commission fédérale de l’aide sociale qui réunit tous les partenaires de l’aide, de manière à dégager une solution humaine, efficace et médicalement correcte qui respecte notre sens de l’obligation constitutionnelle d’assister les personnes malades présentes sur notre territoire.

Je conviens bien volontiers qu’il y a un problème. Je vais d’ailleurs me rendre dans une ville pour y rencontrer les différents acteurs qui gèrent ce problème au quotidien, dont MSF, pour voir comment je puis apporter des éléments de solution à la Commission fédérale de l’aide sociale.

Pour les personnes qui bénéficient d’une aide financière, on peut utiliser un réquisitoire ou leur délivrer une carte temporaire, ce qui est plus facile.

Pour les personnes qui ne se sont pas présentées à leur centre et qui se trouvent en situation irrégulière, un problème se pose, que l’on peut régler en leur affectant un autre code fictif. Encore faut-il que l’information circule bien puisque ces personnes ne déclarent pas spontanément qu’elles ne se rendront pas au centre qui leur a été désigné. On dira à tout demandeur d’asile que si, pour une raison ou une autre, il ne se trouve pas dans un centre, il pourra utiliser le code médical fictif qu’on lui remet.

Pour les illégaux, il reste un problème, non d’accès aux soins, qui est, je crois, assuré, mais de remboursement des prestataires de soins. Il nous faut en effet trouver une voie administrative pour ce remboursement.

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. – Er is een verschil tussen medische hulp en dringende medische hulp. De eerste wordt verleend aan degenen die zich in een wettige asielprocedure bevinden en die financiële hulp van een gemeente krijgen. Die personen moeten normaal gezien een betalingsverbintenis bij het OCMW vragen en zullen over een medische kaart beschikken om zich te laten verzorgen.

Binnen die groep personen is er een categorie die meer problematisch is. In de internationale administratieve taal van Fedasil worden ze no-shows genoemd. Het zijn mensen die zich volgens de regels bij de dispatching van Fedasil hebben aangeboden om zich te laten inschrijven als asielzoeker, aan wie een code 207 werd toegekend, wat betekent dat ze worden toegewezen aan een centrum, en die er zich niet hebben aangeboden.

Voor hen kunnen er moeilijkheden rijzen. Het zijn immers geen mensen zonder papieren, maar ze hebben geen standplaats. Voor die mensen wordt momenteel een methode uitgewerkt om een nationale code toe te kennen zodra wordt vastgesteld dat hun asielaanvraag nog in behandeling is en ze zich niet hebben aangemeld in het centrum dat hun werd toegewezen. Op die manier komt in geval van dringende medische hulp de aanvraag tot terugbetaling rechtstreeks bij Fedasil terecht.

We hebben dus een begin van een oplossing. Er blijft evenwel een probleem: aangezien die mensen zich niet hebben aangemeld in het centrum dat hun werd toegewezen, en zij ons dat niet hebben laten weten, is het moeilijk hun een document of een kaart te bezorgen.

Wat de illegalen betreft, heeft het Arbitragehof besloten dat ze recht hebben op dringende medische hulp. Deze mensen en de dokters ondervinden inderdaad talrijke administratieve problemen. Wegens hun illegaliteit trachten ze uiteraard elk contact met de autoriteiten te vermijden.

Het recht op dringende medische hulp wordt in ons land gewaarborgd. Al wie zich tot de hulpdiensten of tot een dokter wendt, wordt gegarandeerd verzorgd. Er wordt nooit dringende hulp geweigerd. Het is moeilijk de stap te zetten om enigszins uit de clandestiniteit te treden, maar ik ken zeer weinig gevallen waarin zorg werd geweigerd. Het is een delicate aangelegenheid om illegalen een medische kaart te geven. Hoe kan men de zorgverstrekkers snel terugbetalen en terzelfder tijd een controle behouden op dat soort uitgaven?

We hebben de Federale Adviescommissie voor Maatschappelijk Welzijn, die alle partners verenigt die hulp verlenen, gevraagd daarover na te denken. Dat moet leiden tot het vinden van een menselijke, efficiënte en medisch correcte oplossing die in overeenstemming is met de betekenis die we geven aan de grondwettelijke plicht om zieke personen op ons grondgebied te helpen.

Ik geef grif toe dat er een probleem is. Ik zal trouwens een stad bezoeken om er de verschillende actoren te ontmoeten die dagelijks met dit probleem te maken hebben, onder meer AZG. Het is mijn bedoeling de Federale Adviescommissie voor Maatschappelijk Welzijn te helpen bij het vinden van een oplossing.

Voor de mensen die financiële hulp krijgen, kan een betalingsverbintenis of een tijdelijke kaart worden gebruikt.

Voor de mensen die zich niet hebben aangemeld bij hun centrum en die zich in een onwettige situatie bevinden, rijst een probleem dat geregeld kan worden door hun een andere fictieve code toe te kennen. De informatie moet ook goed doorstromen aangezien die personen niet spontaan zullen verklaren dat ze niet naar het centrum zullen gaan dat hun werd toegewezen. Er zal aan elke asielzoeker worden gezegd, dat ze, als ze om een of andere reden niet in een centrum zijn, de fictieve medische code kunnen gebruiken die hun wordt gegeven.

Voor de illegalen blijft er een probleem. Het gaat daarbij niet om de toegang tot de zorgen, die volgens mij verzekerd is, maar om de terugbetaling van de zorgverlening. We moeten inderdaad een administratieve oplossing vinden voor die terugbetaling.

Question orale de M. Staf Nimmegeers au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «l’enquête de Test-Achats sur les soins palliatifs» (nº 3-1301)

Mondelinge vraag van de heer Staf Nimmegeers aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het onderzoek van Test-Aankoop over de palliatieve zorg» (nr. 3-1301)

Question orale de Mme Clotilde Nyssens au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «l’enquête de Test-Achats sur les soins palliatifs» (nº 3-1305)

Mondelinge vraag van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het onderzoek van Test-Aankoop over palliatieve zorg» (nr. 3-1305)

Mme la présidente. – Je vous propose de joindre ces questions orales. (Assentiment)

M. Christian Dupont, ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances, répondra.

De voorzitter. – Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen antwoordt.

M. Staf Nimmegeers (SP.A-SPIRIT). – Test-Achats a enquêté sur la qualité des soins palliatifs et sur la satisfaction à l’égard de l’offre actuelle de ces soins. Nous n’attendons pas directement ce genre de démarche de la part de Test-Achats mais le fait d’avoir fait une enquête à ce sujet honore cet organisme. Test-Achats a mené son enquête par le biais d’un questionnaire écrit auquel environ 1.250 familles, 800 médecins et 1.000 infirmiers ont répondu.

Voici les principales constatations de cette enquête. Bien que la plupart des personnes veulent mourir chez elles, ce n’est pas le cas dans la pratique. Les soins palliatifs offerts sont jugés de manière très positive. Ceci vaut en premier lieu pour les soins médicaux et paramédicaux prestés par les médecins et les infirmiers. Les personnes interrogées sont toutefois bien moins satisfaites de l’accompagnement psychosocial. C’est un mal ancien qui touche l’ensemble du secteur médical : les médecins sont trop techniques ; ce sont peut-être même d’excellents techniciens mais pas de vrais « guérisseurs ». Test-Achats constate également que les ministres du culte et les consultants moraux ne jouent pas leur rôle lors de l’accompagnement tant des patients que de leur famille et de leurs amis.

Test-Achats constate enfin que le remboursement des soins palliatifs est limité aux trois derniers mois de vie. Sur la base de son enquête, Test-Achats plaide pour une intervention financière pour l’ensemble de la durée des soins palliatifs, même lorsque certains patients se rétablissent temporairement.

Que pense le ministre du fait qu’un organisme comme Test-Achats enquête sur un domaine tel que celui des soins palliatifs et que pense-t-il de la méthode utilisée à cet effet ?

Quelle est sa première réaction aux constatations et aux conclusions ?

Quelle initiatives le ministre prendra-t-il pour faire soigner à leur domicile les patients en phase terminale, comme ils le souhaitent expressément, au lieu de recourir aux soins – plus onéreux – à l’hôpital ?

On se plaint principalement de la qualité de l’accompagnement psychosocial. Que doit-on faire dans ce domaine, selon le ministre, et quelles initiatives envisage-t-il de prendre lui-même ?

Le ministre juge-t-il possible d’octroyer une intervention financière durant toute la durée des soins palliatifs et de ne pas limiter cette intervention, comme c’est le cas actuellement, à une période maximale de trois mois ?

De heer Staf Nimmegeers (SP.A-SPIRIT). – Test-Aankoop heeft de kwaliteit van en de tevredenheid over het huidige aanbod inzake palliatieve zorg bevraagd. Dat item verwachten we niet direct van Test-Aankoop, maar het siert deze organisatie dat ze over dit onderwerp onderzoek heeft verricht. Test-Aankoop heeft het onderzoek uitgevoerd via een schriftelijke enquête bij een 1.250-tal familieleden, 800 artsen en 1.000 verpleegkundigen.

Ik geef de belangrijkste vaststellingen van dit onderzoek. Alhoewel de meeste mensen thuis willen sterven, is dat in de praktijk niet het geval. De geboden palliatieve zorg wordt als zeer positief beoordeeld. Dat geldt in eerste instantie voor de medische en paramedische zorg door artsen en verpleegkundigen. Over de psychosociale begeleiding zijn de bevraagden echter veel minder tevreden. Dat is een oud zeer in de hele medische sector: artsen zijn te veel technici, misschien wel uitstekende technici, maar geen echte ‘genees’-heren of -dames. Test-Aankoop stelt ook vast dat de bedienaren van de eredienst en de morele consulenten erg in gebreke blijven, zowel in de begeleiding van de patiënten als van de familie en vrienden.

Test-Aankoop stelt ten slotte vast dat de terugbetaling van palliatieve zorg beperkt is tot de laatste drie levensmaanden. Op basis van haar onderzoek pleit Test-Aankoop voor een financiële tussenkomst voor de volledige duur van de palliatieve zorg, zelfs als bepaalde zieken tijdelijk zouden herstellen.

Wat vindt de minister van het feit dat een organisatie als Test-Aankoop een gegeven als palliatieve zorg onderzoekt en van de methode die daarvoor werd gehanteerd?

Wat is zijn eerste algemene reactie op de bevindingen en conclusies?

Welke initiatieven zal de minister nemen om terminale patiënten thuis te laten verzorgen, zoals hun uitdrukkelijke wens is, in plaats van een beroep te doen op de – duurdere – verzorging in een ziekenhuis?

Er wordt vooral geklaagd over de kwaliteit van de psychosociale begeleiding. Wat moet volgens de minister op dat vlak gebeuren en welke initiatieven is hij van plan zelf te nemen?

Acht de minister het haalbaar een financiële tegemoetkoming te geven gedurende de volledige duur van de palliatieve zorg en de tegemoetkoming dus niet, zoals nu, te beperken tot een maximum periode van drie maanden?

Mme Clotilde Nyssens (CDH). – Je souhaite également évoquer l’enquête très intéressante réalisée par Test-Achats. On peut notamment lire que : « Dans l’enquête, on a fait usage d’un instrument de mesure spécifique pour mesurer la qualité du processus de fin de vie et de l’agonie. Sur la base de cet instrument de mesure est calculé un indice de qualité de fin de vie de 0 à 100. Les meilleurs résultats concernent la Belgique et l’Italie, avec respectivement des indices de 56 et 54. Suivent d’autres pays… »

Il est souligné que le décès plus supportable grâce aux soins palliatifs est réellement attesté et que le remboursement des soins palliatifs peut être amélioré. Il y a d’autres besoins, comme le soutien psychologique ou l’assistance morale et spirituelle, laquelle est jugée insuffisante.

Test-Achats souligne que de nombreuses personnes aimeraient mourir à domicile et que les soins palliatifs à domicile ont fait leurs preuves. Dès lors, j’aimerais demander au ministre Demotte si l’on ne pourrait envisager d’améliorer le remboursement des soins palliatifs à domicile. Pour l’instant, ces soins sont limités à une durée de trois mois au maximum et de 24 heures au minimum. Cette fourchette est trop étroite, il faudrait pouvoir l’élargir.

Je voudrais également savoir si le ministre prévoit dans sa politique de 2007 un remboursement plus important des soins palliatifs à domicile, avec tous les points soulignés par l’enquête de Test-Achats.

Cette dernière est réalisée de manière originale et est très complète alors que ce magazine n’a pas l’habitude de faire ce genre d’enquête. Outre l’assistance médicale, on y parle également des infirmiers et des médecins généralistes. On dit aussi que l’assistance psychologique, sociale, morale et spirituelle est loin d’être suffisante.

Le ministre Demotte peut-il nous communiquer ses intentions en matière de remboursement des soins palliatifs à domicile ?

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). – Ik verwijs eveneens naar het zeer interessante onderzoek van Test-Aankoop. Daarin kan men vooral lezen: ‘In het onderzoek werd gebruik gemaakt van een specifiek meetinstrument om de kwaliteit van het stervensproces en de kwaliteit van het doodgaan zélf te meten. Op basis van dit meetinstrument is vervolgens een index berekend (0 tot 100) die een betrouwbare indicatie geeft van de stervenskwaliteit. Uit de resultaten blijkt dat België (samen met Italië) de beste stervensindex vertoont: Belgische index = 56; Italiaanse index = 54). Daarna volgen andere landen.’

Er wordt op gewezen dat werd aangetoond dat palliatieve zorg het heengaan werkelijk draaglijker maakt en dat de terugbetaling van de palliatieve zorg kan worden verbeterd. Andere noden, zoals de psychologische ondersteuning of de morele en geestelijke bijstand, scoren ondermaats.

Test-Aankoop wijst erop dat velen liever thuis sterven en dat de ambulante palliatieve zorg zijn nut heeft bewezen. Zou minister Demotte dan ook kunnen overwegen om de terugbetaling van palliatieve thuiszorg te verbeteren? Momenteel is de terugbetaling beperkt tot maximaal drie maanden en minimaal 24 uur. Die marge is te klein, ze zou moeten worden verruimd.

Voorziet de minister in zijn beleid voor 2007 in een ruimere terugbetaling van de palliatieve thuiszorg, met alle punten waarop in het onderzoek van Test-Aankoop werd gewezen?

Dat onderzoek werd op een originele wijze gevoerd en is zeer volledig, hoewel dat tijdschrift niet de gewoonte heeft zulke onderzoeken te doen. Naast de medische bijstand komen tevens de verpleegkundigen en artsen ter sprake. Er wordt ook gezegd dat de psychologische, sociale, morele en spirituele bijstand te wensen overlaat.

Welke plannen heeft minister Demotte inzake de terugbetaling van de palliatieve thuiszorg?

M. Christian Dupont, ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances. – Je vous lis la réponse du ministre Demotte.

Je ne souhaite pas m’exprimer sur la méthode utilisée par Test-Achats pour cette enquête. Je ne m’exprimerai pas davantage sur la question de savoir si Test-Achats est compétent pour mener ce genre d’enquête.

Je constate que les conclusions de l’enquête portent en premier lieu sur des lacunes dans l’information des patients et des membres de leur famille. L’offre de soins palliatifs à domicile est en général considérée comme positive même si, comme dans tous les domaines, certaines choses peuvent être améliorées.

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. – Ik lees het antwoord van minister Demotte.

Ik wens me niet uit te spreken over de methode die Test-Aankoop voor dit onderzoek heeft gebruikt. Ik ga me er evenmin over uitspreken of Test-Aankoop bevoegd is dat soort van onderzoek te voeren.

Wat de conclusies van het onderzoek betreft, stel ik vast dat ze in de eerste plaats betrekking hebben op de lacunes inzake informatieverstrekking aan patiënten en hun familieleden. Het aanbod van palliatieve thuisverzorging wordt over het algemeen positief ervaren, zelfs al zijn, zoals in alle domeinen, een aantal zaken voor verbetering vatbaar.

La décision de dégager des budgets en 2007 qui sont ciblés sur la fonction palliative en milieu hospitalier a été prise en concertation avec les fédérations représentatives du secteur. Celles-ci m’ont alerté dès l’an dernier sur l’urgence de réaliser des progrès dans ce domaine. Le montant octroyé en 2007, quatre millions d’euros, est appréciable.

L’étude de Test-Achats n’est pas de nature à modifier cette décision puisque ses conclusions ne remettent nullement en question la qualité de l’offre de soins palliatifs au domicile du patient.

De beslissing om in 2007 middelen vrij te maken voor de intramurale palliatieve zorg werd genomen in overleg met de representatieve federaties van de sector. Die hebben mij vorig jaar al gewezen op de noodzaak om op dat gebied vooruitgang te boeken. Voor 2007 werd het aanzienlijke bedrag van vier miljoen euro toegekend.

De studie van Test-Aankoop zal die beslissing niet veranderen, want de conclusies ervan trekken de kwaliteit van de aan de patiënt verleende palliatieve thuiszorg geenszins in twijfel.

En ce qui concerne les soins à domicile, le ticket modérateur a été supprimé pour les visites des généralistes, des kinésithérapeutes et des infirmiers. Il existe en outre un large forfait pour les dépenses qui ne sont pas remboursées par l’assurance-maladie. Enfin, l’INAMI subsidie les équipes de soutien dans les soins de deuxième ligne. Je ne vois pas très bien ce qui peut encore être fait mais je reste ouvert à toute proposition.

Il ressort de l’enquête de Test-Achats que les deux critiques principales portent sur la limitation de l’intervention dans les soins palliatifs à trois mois et sur le remboursement des soins psychosociaux.

La durée de trois mois n’a pas été fixée arbitrairement. Il y a un consensus dans le monde médical quant à la possibilité de déterminer la durée de vie espérée et les soins palliatifs sont aujourd’hui réservés aux personnes en fin de vie.

Cela ne signifie bien entendu pas que nous ne devons pas être attentifs aux soins des patients durant la période antérieure au diagnostic de patient palliatif. À ce stade, les soins relèvent toutefois de l’enveloppe relative aux soins chroniques pour laquelle j’ai débloqué, pour 2007, un montant important dans le cadre du maximum à facturer pour les patients chroniques, et de l’enveloppe relative à la protection des patients. Je continuerai à soutenir les soins chroniques et palliatifs. Les différents types de soins ne doivent toutefois pas être confondus car ce n’est profitable pour personne.

Quant aux soins psychosociaux, je suis disposé à ouvrir le débat. Je souligne que le pouvoir fédéral n’est compétent que de manière limitée à ce sujet. Il agit dans le cadre de sa compétence de la Santé publique alors que le soutien psychosocial aux proches des malades relève davantage de la compétence des Communautés. Dans ce domaine, je travaille également avec mes collègues à la conférence interministérielle de la Santé.

In de thuisverzorging werd het remgeld voor het bezoek van huisartsen, kinesitherapeuten en verpleegkundigen afgeschaft. Daarnaast is er een ruim forfait voor uitgaven die niet door de ziekteverzekering worden terugbetaald. Tot slot subsidieert het RIZIV ondersteunende equipes in de tweedelijnszorg. Ik zie niet goed in wat nog meer kan worden gedaan, maar ik sta open voor elk voorstel.

Uit het onderzoek van Test-Aankoop blijkt dat de twee belangrijkste punten van kritiek betrekking hebben op de beperking van de tussenkomst bij palliatieve verzorging tot drie maanden en op de terugbetaling van de psychosociale verzorging.

De duur van drie maanden werd niet willekeurig bepaald. In de medische wereld bestaat een consensus over de mogelijkheid om de te verwachten levensduur te bepalen en palliatieve zorg wordt nu eenmaal voorbehouden aan personen op het einde van hun leven.

Dat betekent uiteraard niet dat we geen aandacht moeten schenken aan de verzorging van patiënten in de periode vóór de diagnose van palliatieve patiënt wordt gesteld. In dat stadium valt de verzorging echter onder de enveloppe inzake chronische zorg, waarvoor ik voor het jaar 2007 in het kader van de maximumfactuur voor chronisch zieken een groot bedrag heb vrijgemaakt, en onder de enveloppe van patiëntenbescherming. Ik zal de chronische en de palliatieve zorgverlening blijven ondersteunen. De verschillende types van zorgverlening mogen echter niet door elkaar worden gehaald, want daar wordt niemand beter van.

Over de psychosociale zorgverlening ben ik bereid het debat aan te gaan. Ik wijs er wel op dat de federale overheid hiervoor slechts in beperkte mate bevoegd is. De federale overheid handelt in het kader van haar bevoegdheid voor volksgezondheid, terwijl de psychosociale ondersteuning aan de naasten van de zieke veeleer onder de bevoegdheid van de gemeenschappen valt. Ik werk op dit vlak dan ook samen met mijn collega’s in de interministeriële conferentie voor Gezondheid.

M. Staf Nimmegeers (SP.A-SPIRIT). – Le ministre Demotte demande des propositions créatives en faveur d’une meilleure subsidiation de l’ensemble, tout en respectant les disciplines médicales concernées. Je me permettrai donc de déposer sous peu quelques propositions et j’espère pouvoir entendre la réaction du ministre de sa propre bouche.

L’accompagnement par les ministres du culte et par les consultants moraux me tient à cœur et mérite, tout comme l’accompagnement psychosocial, une grande attention. Cet accompagnement est sous-estimé et sous-évalué. Dans certains cas, il est peut-être même plus important que le traitement médical.

De heer Staf Nimmegeers (SP.A-SPIRIT). – Minister Demotte vraagt creatieve voorstellen voor een verregaande subsidiëring van het geheel met respect voor de betrokken medische disciplines. Ik zal zo vrij zijn hiervoor binnen afzienbare tijd een paar voorstellen te doen en hoop dan de reactie daarop van de minister zelf te mogen horen.

De begeleiding door bedienaren van de erediensten en door de morele consulenten ligt me na aan het hart en verdient samen met de psychologische begeleiding heel veel aandacht. Die begeleiding wordt onderschat en ondergewaardeerd en is in bepaalde gevallen misschien zelfs belangrijker dan de medische behandeling.

Mme Clotilde Nyssens (CDH). – Je remercie le ministre de sa réponse. Je me réjouis qu’il soit ouvert au débat.

Selon moi, l’enquête est essentielle, même si elle est réalisée par un organisme auquel on ne s’attendrait pas. Cependant, toutes les questions qui ont été posées avaient été abordées lors du débat que nous avons eu sur la loi relative aux soins palliatifs et à l’euthanasie, qu’il s’agisse de l’assistance ou du rôle des proches, des psychologues, des assistants sociaux et de l’assistance morale et spirituelle. Cela me conforte dans l’idée que nous aurions dû encore mieux travailler sur la loi relative aux soins palliatifs.

Nous avions discuté de l’assistance et je suis entièrement favorable à un nouveau débat en vue d’améliorer l’approche palliative qui fait ses preuves. On constate d’ailleurs que la population a des attentes en la matière.

Je suis de plus en plus convaincue de l’intérêt de cette approche et de la nécessité de l’étendre dans le temps. Les soins palliatifs ne doivent pas seulement être prodigués à brève échéance de la mort mais le plus tôt possible dans une optique de soins continus.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). – Ik dank de minister voor zijn antwoord. Het verheugt mij dat hij openstaat voor het debat.

Volgens mij is het onderzoek essentieel, al werd het uitgevoerd door een organisatie waarvan we het niet verwacht hadden. Alle vragen die erin gesteld werden, kwamen nochtans al aan bod tijdens het debat dat we gevoerd hebben over de wet betreffende de palliatieve zorg en de euthanasie, ook in verband met de bijstand of de rol van de naaste familieleden, psychologen, sociaal assistenten en personen die morele en spirituele bijstand verlenen. Dat sterkt mij in mijn mening dat we de wet betreffende de palliatieve zorg nog beter hadden kunnen uitwerken.

We hebben gedebatteerd over de bijstand. Ik ben volkomen voorstander van een nieuw debat met het oog op de verbetering van de palliatieve aanpak, die zijn nut heeft bewezen. We stellen overigens vast dat er bij de bevolking ter zake verwachtingen leven.

Ik ben steeds meer overtuigd van het belang van die aanpak en van de noodzaak om de termijn ervan uit te breiden. De palliatieve zorg heeft niet alleen betrekking op de periode vlak voor het overlijden; het is veeleer een vorm van voortdurende verzorging, waarmee zo vroeg mogelijk moet worden begonnen.

Question orale de Mme Fauzaya Talhaoui au ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances sur «la suppression des subsides au projet Time Out» (nº 3-1302)

Mondelinge vraag van mevrouw Fauzaya Talhaoui aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «het stopzetten van de subsidies van het project Time Out» (nr. 3-1302)

Question orale de M. Frank Creyelman au ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances sur «le projet d’accompagnement des auteurs ‘Time Out’ dans le cadre de la violence intrafamiliale» (nº 3-1309)

Mondelinge vraag van de heer Frank Creyelman aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «het daderproject ‘Time Out’ in het kader van intrafamiliaal geweld» (nr. 3-1309)

Mme la présidente. – Je vous propose de joindre ces questions orales. (Assentiment)

De voorzitter. – Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

Mme Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT). – Samedi dernier s’est déroulée la journée des Nations unies contre la violence domestique. La semaine dernière se sont aussi tenus à la Chambre et au Sénat de larges débats sur cette problématique très grave qui concerne un grand nombre de femmes, à savoir une sur cinq.

Mon étonnement fut donc tout aussi grand lorsque précisément maintenant le ministre arrête de subventionner le projet Time Out à Anvers, un projet qui fonctionne pourtant bien. Alors que la subvention de 120.000 euros devraient être doublée de sorte que ce projet de valeur puisse encore être étendu, le ministre tira argument de ce que les dix emplois pour la lutte contre la violence conjugale financés par le Maribel social ne peuvent pas être occupés par des diplômés universitaires.

La méthode de Time Out vient des Pays-Bas. Alors que la lutte contre la violence domestique se focalisait précédemment surtout sur l’accompagnement des victimes, on commence maintenant à travailler avec des groupes d’accompagnement des auteurs de violence. Chez Time Out, on estime que les deux approches doivent être menées conjointement, sinon le modèle de la violence conjugale se répétera. Cinquante pour cent des femmes qui arrivent dans un refuge retourneraient vivre avec le même partenaire. Toutefois, si celui-ci ne modifie pas son comportement, cela signifie qu’en tant qu’autorité publique nous n’offrons pas l’aide adéquate ni aux auteurs de violence ni à leurs victimes. Rien qu’une emplâtre sur une jambe de bois.

En cessant le financement du projet Time Out, on arrête à partir de janvier 2007 l’aide donnée à quarante personnes. Un certain nombre d’entre elles sont obligées par la Justice de suivre cette formation, d’autres la suivent volontairement. Les dispensateurs de l’aide ne comprennent rien à cet arrêt de subvention. Le projet pilote se déroulait si bien qu’ils voulaient étendre leur activité à un groupe d’enfants. Il est en effet prouvé scientifiquement que les enfants qui voient beaucoup de violence au foyer, risquent de devenir eux-mêmes plus tard les auteurs de violences.

Le 26 octobre 2005 encore, en réponse à une question parlementaire, la ministre Onkelinx a déclaré que Praxis et Time Out, qui aident et sensibilisent les auteurs d’actes de violence, méritaient un soutien. Le ministère de la Justice finançaient ces projets d’accompagnement d’auteurs de violences dans le cadre des mesures judiciaires alternatives. C’est ainsi que, du côté francophone, Praxis reçut 500.000 euros de subsides. A-t-on également mis fin au financement de cette asbl ?

Aux Pays-Bas, on a étudié les coûts énormes engendrés par la violence intrafamiliale. Outre les soins hospitaliers, les détentions préventives, les interventions policières, la prise en charge des victimes, etc. coûtent très cher à la collectivité. Cela ne pèse-t-il rien pour le ministre en comparaison du projet Time Out dont le coût est jusqu’à présent de 120.000 euros par an ?

Les personnes qui travaillent à mi-temps à Time Out, s’occupent aussi, de manière bénévole, de l’administration et de la coordination du projet. Un tel engagement ne justifie-t-il pas la poursuite de leur travail ?

Un collaborateur du ministre a déclaré dans la Gazet van Antwerpen que soit Time Out devrait peut-être transférer sa méthode à des personnes moins diplômées, soit que l’équipe devrait trouver d’autres partenaires. Il renvoyait aussi aux ministres régionaux, et entre autres à Mme Vervotte. Celle-ci n’est pas d’accord avec le changement de personnel et estime que l’État fédéral doit continuer à s’occuper de ce projet.

À l’occasion de la journée d’étude du 25 novembre, plusieurs dispensateurs d’aide ont attiré l’attention sur l’aide aux victimes. Nombre d’entre eux ont plaidé pour la mise en service d’un numéro d’appel d’urgence national auquel pourraient directement recourir les victimes de violences domestiques. En effet il faut beaucoup de temps avant que les victimes de violences domestiques ne soient aidées lorsqu’elles forment le 100 ou le 101.

Le ministre a-t-il déjà soumis cette idée à ses collègues de la Justice et de l’Intérieur ?

Mevrouw Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT). – Vorige zaterdag was het VN-themadag tegen huiselijk geweld. Vorige week ook werd in Kamer en Senaat een zeer uitgebreid debat gehouden over deze zeer ernstige problematiek die een groot aantal vrouwen treft, namelijk één of vijf.

Groot was dan ook mijn verbazing dat de minister net nu de subsidies voor het succesvolle project Time Out in Antwerpen stopzet. Terwijl de subsidie van 120.000 euro verdubbeld zou moeten worden zodat dit waardevolle project nog kan worden uitgebreid, argumenteerde de minister dat de tien betrekkingen die via de sociale Maribel werden vrijgemaakt voor partnergeweld, niet kunnen worden ingevuld door universitair geschoolden.

De aanpak van Time Out komt overgewaaid uit Nederland. Terwijl de focus in de strijd tegen huiselijk geweld vroeger vooral op de begeleiding van de slachtoffers lag, is daar nu begonnen met een trainingsgroep voor daders. Ook bij Time Out leeft de idee dat beide hand in hand moeten gaan, omdat het patroon van partnergeweld zich anders blijft herhalen. Vijftig procent van alle vrouwen die in een vluchthuis terechtkomen, zou teruggaan naar dezelfde partner. Als die zijn gedrag echter niet verandert, bieden wij als overheid geen adequate hulp, noch aan de daders, noch aan de slachtoffers. Dan dweilen we met de kraan open.

Door de stopzetting van de financiering van het daderproject Time Out zullen in januari 2007 veertig mensen geen hulp meer krijgen. Een aantal onder hen werd door Justitie verplicht de training te volgen, maar er zijn ook vrijwillige deelnemers. De hulpverleners snappen niets van deze subsidiestop. Omdat het pilootproject net zo goed liep, wilden ze het ook uitbreiden naar een kindergroep. Wetenschappelijk werd immers bewezen dat kinderen die veel geweld zien in het gezin, veel kans lopen om later zelf ook dader te worden.

Op 26 oktober 2005, zei minister Onkelinx nog, als antwoord op een parlementaire vraag, dat Praxis en Time Out, die daders van geweldpleging helpen en sensibiliseren, ondersteuning verdienen. Justitie financierde deze projecten voor daderbegeleiding dan ook in het kader van de alternatieve gerechtelijke maatregelen. Zo kreeg, langs Franstalige kant, Praxis 500.000 euro subsidie. Wordt ook deze VZW nu drooggelegd?

In Nederland werd onderzoek verricht naar de enorme kosten van huiselijk geweld. Naast behandelingen in het ziekenhuis zijn ook voorarrest, politie-interventies, slachtofferopvang, enzovoort heel duur voor de gemeenschap. Weegt dit volgens de minister niet op tegen de voortzetting van het vrij goedkope project van Time Out, dat tot nu toe 120.000 euro per jaar kost?

De mensen die halftijds bij Time Out werkten, namen ook, op vrijwillige basis, de administratie en de coördinatie van het project voor hun rekening. Rechtvaardigt hun inzet niet de voortzetting van hun werk?

Een medewerker van de minister verklaarde in Gazet van Antwerpen: ‘Misschien kan Time Out de methodiek overdragen aan minder hoogopgeleide personen. Of er moeten andere partners worden gevonden.’ Hij verwees ook naar de gewestministers, onder andere minister Vervotte. Zij is het niet eens met de vervanging van de personeelsleden en is van mening dat de federale overheid zich met dit project moet bezighouden.

Op de studiedag van 25 november vestigden een aantal hulpverleners extra de aandacht op slachtofferhulp. Velen van hen pleitten voor het invoeren van een nationaal noodnummer waar slachtoffers van huiselijk geweld zouden terecht kunnen. Het duurt immers heel lang eer slachtoffers van huiselijk geweld kunnen worden geholpen wanneer ze de noodnummers 100 of 101 opbellen. Heeft de minister deze idee aangekaart bij zijn collega’s van Justitie en Binnenlandse Zaken?

M. Frank Creyelman (VL. BELANG). – Il y a tout juste une semaine avait lieu au Sénat un débat sur la violence intrafamiliale, à partir d’une résolution du Conseil de l’Europe incitant les États membres à prendre des mesures législatives contre ce phénomène très répandu. Quelques jours plus tard, force est pourtant de constater que le projet anversois Time Out, axé sur les auteurs de violences, est privé de son financement.

Bien que le ministre ait maintes fois souligné l’importance de l’accompagnement des auteurs, notamment pour éviter la récidive, les travailleurs et les quarante auteurs impliqués dans le projet Time Out sont mis à la porte.

Les projets ciblés sur les auteurs de violences devaient être évalués en mars 2006. Cette évaluation devait aboutir à des recommandations politiques et à une concertation avec les communautés et régions en vue d’un financement structurel des projets. Le ministre a assuré qu’il garantissait le financement jusqu’à la fin de la concertation interministérielle mais que les communautés et régions devraient bien assumer leurs responsabilités à un moment donné.

Lors de la conférence interministérielle du 13 juillet 2005, les ministres concernés ont décidé d’instaurer un groupe de travail, chargé notamment d’étudier les modalités de financement des projets d’accueil des auteurs en 2007 sur la base d’un rapport d’évaluation de l’Institut pour l’égalité des hommes et des femmes.

Quels sont les résultats de l’évaluation des projets axés sur les auteurs ? À quelles recommandations politiques cette évaluation a-t-elle donné lieu, en particulier pour le projet anversois ?

Où en est l’étude réalisée par le groupe de travail concernant le financement en 2007 ?

Le ministre pense-t-il que la concertation avec les communautés et régions à propos du financement a été suffisamment poussée pour permettre le maintien des projets ? Quels sont les résultats de la concertation avec le gouvernement flamand ? Le ministre estime-t-il que celui-ci ne prend pas ses responsabilités dans ce domaine ?

Quelle est l’incidence de la suppression du financement pour les autres projets axés sur les auteurs ?

Le ministre envisage-t-il de prendre des initiatives afin d’éviter que de tels projets et, en particulier, le projet anversois soient privés de leur financement ?

De heer Frank Creyelman (VL. BELANG). – Exact een week geleden vond hier in de Senaat een debat plaats over huiselijk geweld naar aanleiding van een campagne en een daarmee gepaard gaande resolutie van de Raad van Europa. Terwijl net die resolutie de lidstaten van de Raad van Europa ertoe moet aanzetten wetgevende initiatieven te nemen om de strijd aan te binden tegen het wijdverbreide probleem van partnergeweld, moesten we enkele dagen later vaststellen dat de geldkraan voor het daderproject Time Out in Antwerpen wordt dichtgedraaid.

Hoewel de minister meermaals te kennen gaf dat in de strijd tegen partnergeweld de begeleiding van daders noodzakelijk is en hij hierin een instrument zag om recidive bij daders te voorkomen, worden de hulpverleners en de veertig daders, die momenteel deel uitmaken van het trainingsproject Time Out, op straat gezet.

De dadergerichte pilootprojecten zouden in maart 2006 worden geëvalueerd. Die evaluatie moest dienen om beleidsaanbevelingen te formuleren. Op basis van diezelfde evaluatie zou dan in overleg met de gemeenschappen en de gewesten gezocht worden naar een structurele financiering van de projecten. De minister liet in een antwoord op een parlementaire vraag weten dat hij zelf garant zou staan voor de financiering ervan tot de beëindiging van het interministerieel overleg. De minister benadrukte dat er geen gevaar bestond dat de projecten niet zouden doorlopen, maar dat op een bepaald moment de gemeenschappen en de gewesten hun verantwoordelijkheid hierin moeten nemen. Voor de daderhulpprojecten werd vanuit de federale overheid jaarlijks 360.000 euro voorzien.

Op de interministeriële conferentie van 13 juli 2005 hebben de betrokken ministers besloten om, wat partnergeweld betreft, een werkgroep op te richten die onder meer als taak had de financiering voor 2007 te onderzoeken van de projecten inzake daderopvang, en dit op basis van het evaluatieverslag van het Instituut voor de gelijkheid van mannen en vrouwen. Voor deze evaluatie werd 25.000 euro uitgetrokken.

Wat zijn de resultaten van de evaluatie van de daderprojecten, die in maart 2006 moest zijn afgerond? Welke beleidsaanbevelingen kwamen hieruit voort en wat waren meer specifiek de conclusies met betrekking tot het Antwerpse project?

Wat is de stand van zaken van het onderzoek dat door de werkgroep werd gevoerd in het kader van de financiering met het oog op 2007?

Meent de minister dat met betrekking tot de financiering voldoende werd overlegd met de gemeenschappen en de gewesten teneinde deze projecten te handhaven? Wat zijn de resultaten van het overleg met de Vlaamse Regering? Meent hij dat de Vlaamse Regering haar verantwoordelijkheid hierin niet opneemt?

Welke gevolgen heeft de financieringsstop voor de andere dadergerichte projecten?

Overweegt de minister initiatieven te nemen teneinde de stopzetting te voorkomen van dergelijke daderprojecten en meer specifiek van de financiering van het Antwerpse project?

M. Christian Dupont, ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances. – Je me suis personnellement toujours engagé en faveur de ces projets.

L’accompagnement d’auteurs de violences conjugales relève de la compétence de différents ministres. L’autorité fédérale n’est compétente que pour les auteurs à qui un accompagnement a été imposé par une décision judiciaire.

Les auteurs qui demandent volontairement un accompagnement sont du ressort des ministres communautaires de l’Aide sociale.

En 2003, le ministre de l’Égalité des chances a décidé, dans le cadre du Plan national d’action contre la violence à l’égard des femmes, de faire financer partiellement et temporairement trois projets novateurs d’accompagnement d’auteurs participant volontairement à un programme, par l’Institut pour l’égalité des femmes et des hommes.

Un de ces projets était le projet « Time Out » à Anvers, qui m’a d’ailleurs paru excellent. L’an dernier, se posait déjà la question de savoir qui allait le financer. Le gouvernement fédéral était disposé à le faire si personne d’autre ne s’en chargeait.

Pour la Communauté flamande, les 165.000 euros alloués en supplément aux « Centra voor Algemeen Welzijnswerk » (services sociaux) pour la lutte contre la violence conjugale permettent de financer des projets d’accompagnement d’auteurs de violences. À cet égard, je me réfère à la circulaire de la ministre Vervotte du 7 juillet 2006.

Le Service public fédéral prépare un nouvel arrêté royal pour la subsidiation d’institutions qui proposent une prise en charge spécialisée aux personnes impliquées dans une procédure judiciaire. Les programmes d’accompagnement destinés aux auteurs de violences soumis à cette mesure seront, de ce fait, améliorés.

Parallèlement, dans le cadre de la répartition des aides sociales Maribel octroyées aux pouvoirs locaux, 25 mesures d’aide à l’emploi ont été réservées à des projets locaux intégrés dont au moins une des lignes de force est consacrée à l’accompagnement et à la prise en charge des auteurs de violences qui ne font pas l’objet d’une mesure judiciaire.

Quant à nous, nous subventionnons dix projets Maribel social, à raison de 26.000 euros par an. Les étudiants universitaires n’en sont pas exclus bien que ce montant ne couvre évidemment pas l’entièreté de leur salaire.

L’Institut ne peut continuer à financer l’intégralité des projets. Il peut subventionner des projets pilotes, mais pas des projets permanents. Cependant nous maintenons le contact avec tous les projets, a fortiori le projet « Time Out », pour trouver une solution définitive.

Le numéro national d’urgence ne relève pas de la compétence fédérale. Le Plan national d’action n’est en effet pas exclusivement du ressort du Fédéral, les régions et communautés peuvent également prendre des mesures en la matière. Nous avons diffusé une brochure dans quinze langues, avec un d’appel d’urgence pour la violence conjugale. Le numéro d’appel diffère en fonction de la langue.

Il n’est pas possible de répondre aux appels 24 heures sur 24 dans toutes les langues. Les numéros d’appel sont mentionnés sur le site web de l’Institut. Personnellement, je plaide pour un seul numéro national mais tout le monde n’est pas d’accord sur ce point.

À l’occasion de la récente conférence interministérielle, il a été décidé d’harmoniser tous les instruments en matière d’information et de sensibilisation. Nous verrons alors plus clairement où il y a encore des besoins spécifiques.

Je répète qu’il me paraît regrettable qu’un projet comme « Time Out » connaisse des difficultés. L’an dernier, nous avons temporairement résolu le problème. Ce n’est plus possible cette année. Je continuerai à rechercher un financement structurel pour ce type de projets mais le Fédéral n’est pas le seul concerné.

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. – Er zijn een aantal verwijten gevallen, die niet aan mij moeten worden gericht. Ik heb mij persoonlijk sterk ingezet voor deze projecten.

De begeleiding van daders van partnergeweld behoort tot de bevoegdheid van verschillende ministers. De federale overheid is enkel bevoegd voor de daders die ten gevolge van een rechterlijk bevel een begeleiding moeten volgen.

Daders die vrijwillig een begeleiding volgen, vallen onder de bevoegdheid van de gemeenschapsministers van Welzijn, aangezien dit hulp aan personen betreft en een vorm van preventie is.

Het is wel zo dat in 2003 de toenmalige minister van Gelijke Kansen in het kader van de uitvoering van het Nationaal Actieplan Partnergeweld heeft beslist om een drietal vernieuwende projecten tijdelijk en gedeeltelijk te laten financieren door het Instituut voor de gelijkheid van mannen en vrouwen. Deze financiering betrof de financiering van de begeleiding van daders die vrijwillig aan een programma deelnemen.

Een van deze projecten was het project Time Out in Antwerpen, dat ik overigens uitstekend vind. Vorig jaar al rees de vraag wie zou betalen. Wij hebben toen gezegd dat het federale niveau zou betalen als niemand anders dat doet.

Voor de Vlaamse Gemeenschap bieden de 165.000 euro die bijkomend aan de Centra voor Algemeen Welzijnswerk zijn toegekend in de strijd tegen het partnergeweld, een mogelijkheid om projecten daderbegeleiding te financieren. Ik verwijs in dit verband naar de rondzendbrief van minister Vervotte van 7 juli 2006.

De federale overheidsdienst Justitie bereidt een nieuw koninklijk besluit voor over de subsidiëring van instellingen die een gespecialiseerde begeleiding aanbieden aan burgers die in een gerechtelijke procedure verwikkeld zijn. De follow-upprogramma’s voor daders van partnergeweld die onderworpen zijn aan een dergelijke maatregel, zullen daardoor worden verbeterd.

Daarnaast werden in het kader van de verdeling van de sociale Maribelprojecten die worden toegekend aan de lokale overheden, 25 tewerkstellingshulpmaatregelen voorbehouden aan geïntegreerde lokale projecten in België waarvan minstens één krachtlijn gewijd is aan de begeleiding en opvolging van daders die niet onderworpen zijn aan een gerechtelijke maatregel.

Zelf doen wij ook een inspanning voor tien sociale Maribelprojecten voor een bedrag van 26.000 euro per jaar. Universitair afgestudeerden zijn niet uitgesloten, hoewel dit bedrag uiteraard niet hun hele salaris dekt.

We hebben ons dus ingespannen om deze projecten te financieren. Het Instituut kan niet alles blijven betalen. Wij kunnen wel proefprojecten betoelagen, permanente projecten daarentegen niet. We houden echter contact met alle projecten, zeker met het project Time Out, om een definitieve oplossing te vinden.

Het nationale noodnummer is geen federale bevoegdheid. Het nationaal actieplan is immers niet uitsluitend een federale bevoegdheid. Ook de gewesten en de gemeenschappen kunnen maatregelen treffen. Wij hebben wel een brochure verspreid in vijftien talen met een noodnummer voor partnergeweld. Het noodnummer verschilt naargelang de taal.

De oproepen kunnen niet altijd 24 uur op 24 uur in alle talen worden beantwoord. Op de website van het Instituut kan men de telefoonnummers terugvinden. Persoonlijk geef ik de voorkeur aan één nationaal nummer, maar daarover bestond geen eensgezindheid.

Op de jongste interministeriële conferentie is wel beslist om alle instrumenten voor informatie en sensibilisatie op elkaar af te stemmen. Eens we een volledig overzicht hebben, zal duidelijk worden waar nog specifieke noden zijn.

Ik herhaal nogmaals dat ik het jammer vind dat een project als Time Out moeilijkheden heeft. Vorig jaar hebben we het probleem tijdelijk opgelost. Dat is dit jaar niet meer mogelijk. Ik zal blijven zoeken naar een structurele financiering voor dergelijke projecten, maar dat is niet de plicht van de federale minister alleen.

Mme Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT). – Le ministre n’a rien à se reprocher ; au contraire, il a déjà accompli de nombreuses avancées. L’information publiée par les journaux a réveillé les esprits et nous a incités à demander des justifications aux ministres concernés. À Anvers, de nombreuses personnes ont été intégrées dans ce projet par le biais de la Justice. C’est pourquoi j’interpellerai également la ministre de la Justice sur ce problème.

Le ministre a renvoyé aux différents numéros d’appel d’urgence dans différents langues. Cela prête plutôt à confusion. Je vais voir où se situent les problèmes.

Mevrouw Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT). – De minister valt niets te verwijten; hij heeft integendeel reeds heel wat bereikt. De berichtgeving in de kranten heeft iedereen wakker geschud en ons ertoe aangezet de betrokken ministers ter verantwoording te roepen. In Antwerpen zijn heel wat personen via Justitie in het project terecht gekomen. Ik zal het probleem dan ook bij de minister van Justitie aankaarten.

De minister heeft verwezen naar de verschillende noodnummers in verschillende talen. Dat lijkt me nogal verwarrend. Ik ga na waar de problemen zich situeren.

M. Christian Dupont, ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances. – Nous continuerons à lutter.

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. – We zullen de strijd voortzetten.

Présentation de candidats pour un mandat de membre de la Commission fédérale de contrôle et d’évaluation de l’application de la loi du 28 mai 2002 relative à l’euthanasie (Doc. 3-1885)

Voordracht van kandidaten voor een mandaat van lid van de Federale Controle- en Evaluatiecommissie inzake de toepassing van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie (Stuk 3-1885)

Mme la présidente. – Conformément à l’article 6, §2, alinéa 3, de la loi du 28 mai 2002 relative à l’euthanasie, le Sénat doit procéder à la présentation d’une liste double de 16 candidats pour un mandat de membre de la Commission fédérale de contrôle et d’évaluation de l’application de la loi relative à l’euthanasie.

La commission se compose de seize membres. Elle est composée dans le respect de la parité linguistique, chaque groupe linguistique comptant au moins trois membres de chaque sexe.

Huit membres sont docteurs en médecine, dont quatre au moins sont professeurs dans une université belge. Quatre membres sont professeurs de droit dans une université belge ou avocats. Quatre membres sont issus des milieux chargés de la problématique des patients atteints d’une maladie incurable.

Les membres de la commission sont nommés, en veillant à assurer une représentation pluraliste, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, sur une liste double présentée par le Sénat, pour un terme renouvelable de quatre ans. Les candidats qui n’ont pas été désignés comme membres effectifs sont nommés en qualité de membres suppléants, selon une liste déterminant l’ordre dans lequel ils seront appelés à suppléer.

Le document portant le nom de tous les candidats aux mandats à pourvoir a été distribué sous le nº 3-1885/1. Tous les sénateurs ont pu prendre connaissance du curriculum vitæ des candidats et comparer leurs mérites.

De voorzitter. – De Senaat dient, overeenkomstig artikel 6, §2, derde lid, van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie, over te gaan tot de voordracht van een dubbele lijst van 16 kandidaten voor een mandaat van lid van de Federale Controle- en Evaluatiecommissie inzake de toepassing van de wet betreffende de euthanasie.

De commissie bestaat uit zestien leden. Zij wordt samengesteld met inachtneming van de taalpariteit, waarbij elke taalgroep minstens drie leden van elk geslacht telt.

Acht leden zijn doctor in de geneeskunde, van wie er minstens vier hoogleraar zijn aan een Belgische universiteit. Vier leden zijn hoogleraar in de rechten aan een Belgische universiteit of advocaat. Vier leden komen uit kringen die belast zijn met de problematiek van ongeneeslijk zieke patiënten.

De leden van de Commissie worden, op grond van een pluralistische vertegenwoordiging, bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, benoemd uit een dubbele lijst, voorgedragen door de Senaat, voor een termijn van vier jaar die kan worden verlengd. De kandidaten die niet als effectief lid zijn aangewezen, worden tot plaatsvervanger benoemd, in de orde van opvolging die volgens een lijst bepaald wordt.

Het gedrukte stuk met de lijst van alle kandidaten voor de te begeven mandaten, werd rondgedeeld onder het nr. 3-1885/1. Alle senatoren hebben kennis kunnen nemen van het curriculum vitae van de kandidaten en hebben hun verdiensten kunnen vergelijken.

Compte tenu de la multiplicité des critères que doit rencontrer la composition de la Commission fédérale, il a été convenu lors de la réunion du Bureau d’aujourd’hui, que le Sénat se prononcerait sur un modèle de liste double. Ce modèle comporte un nombre de candidats égal à celui des mandats à pourvoir.

Vous avez dès lors reçu un bulletin de vote comportant deux volets :

Gelet op de veelheid van de criteria waaraan de samenstelling van de commissie moet voldoen, is tijdens de vergadering van het Bureau van heden afgesproken dat de Senaat zich zou uitspreken over een model van dubbele lijst. Dit model bevat een aantal kandidaten dat gelijk is aan het aantal openstaande mandaten.

U hebt derhalve een stembrief ontvangen die twee delen omvat:

d’une part, un modèle de liste double qui comprend deux séries de seize membres. Ce modèle comporte une case de tête ;

d’autre part, un tableau avec le nom de tous les candidats classés par ordre alphabétique. Chaque nom est suivi d’une case de vote pour la liste 1 et d’une case de vote pour la liste 2.

enerzijds een model van dubbele lijst die twee reeksen van zestien leden bevat. Boven dat model staat één stemvakje;

anderzijds een tabel met de namen van alle kandidaten in alfabetische volgorde. Naast elk van deze kandidaten staat een stemvakje voor lijst 1 en een stemvakje voor lijst 2.

Les membres qui se rallient au modèle de liste double sont priés de noircir la case de tête de ce modèle.

Les membres qui n’approuvent pas ce modèle peuvent émettre au maximum trente-deux voix de préférence, dont seize pour la liste 1 et seize pour la liste 2. Chaque sénateur est ainsi libre de voter pour les candidats de son choix.

De leden die het eens zijn met het model van dubbele lijst, worden verzocht het stemvakje boven dat model zwart te maken.

Zij die daarentegen dit model niet wensen goed te keuren, kunnen maximaal tweeëndertig voorkeurstemmen uitbrengen, waarvan zestien op lijst 1 en zestien op lijst 2. Het staat elke senator zodoende vrij te stemmen voor de kandidaten van zijn keuze.

Le sort désigne M. Destexhe et M. Van Nieuwkerke pour remplir les fonctions de scrutateur.

Je prie chaque membre de déposer son bulletin de vote dans l’urne à l’appel de son nom.

Het lot wijst de heer Destexhe en de heer Van Nieuwkerke aan om de functie van stemopnemer te vervullen.

Ik verzoek elk lid bij het afroepen van zijn naam zijn stembrief in de stembus te komen deponeren.

Mme Sabine de Bethune (CD&V). – Étant donné que nous ne pouvons émettre un vote négatif, nous voterons blanc pour critiquer l’intolérance politique de la majorité. Notre vote n’a donc rien à voir avec notre évaluation des candidats, qui méritent notre respect, mais découle de ce que la liste modèle ne reflète pas fidèlement les différents courants de notre pays. En effet, toutes les tendances et les réseaux politiques n’y sont pas représentés alors que l’on devrait tendre à créer une base sociale qui reprenne toutes les sensibilités.

Nous déplorons cette manière de faire et ne pouvons dès lors que rejeter cette liste modèle.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). – Aangezien we geen nee-stem kunnen uitbrengen, zullen we blanco stemmen om de politieke onverdraagzaamheid van de meerderheid te hekelen. Ons stemgedrag heeft dus niets te maken met onze waardering voor de kandidaten, die ons respect verdienen, maar wel met het ontbreken in de modellijst van een weerspiegeling van wat leeft in ons land. Daarin zijn immers niet alle gezindheden en netwerken opgenomen terwijl toch moet worden gestreefd naar een maatschappelijk draagvlak dat alle gevoeligheden in zich heeft.

We betreuren deze gang van zaken en kunnen bijgevolg niet anders dan de modellijst verwerpen.

M. Hugo Coveliers (Indépendant). – Les listes devraient comprendre seize noms mais il n’en figure que quinze sur la seconde.

De heer Hugo Coveliers (Onafhankelijke). – Op de lijsten zouden zestien namen voorkomen, maar op de tweede staan er slechts vijftien.

Mme la présidente. – En effet. Seize candidats figurent sur la première liste et seulement quinze sur la seconde.

De voorzitter. – Inderdaad. Op de eerste lijst staan zestien kandidaten en op de tweede slechts vijftien.

Mme Mia De Schamphelaere (CD&V). – Il est de la plus haute importance que cette commission dont le travail ne se limite pas à l’évaluation mais également au contrôle, compte également en son sein des représentants du secteur médical, du secteur des soins et du secteur palliatif. C’est pourquoi nous craignons que compte tenu de la composition proposée, la commission n’ait guère d’autorité ni d’importance.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). – Het is van het grootste belang dat in deze commissie, die zich niet beperkt tot evaluatie maar ook een controletaak heeft, eveneens vertegenwoordigers zijn opgenomen van de medische, de verzorgende en de palliatieve sector. We vrezen dan ook dat de commissie in de voorgestelde samenstelling zal inboeten aan autoriteit en nog weinig betekenis zal hebben.

M. Paul Wille (VLD). – Selon Mme de Bethune, le modèle de liste est une manifestation d’intolérance mais j’ai l’impression qu’elle qualifie d’intolérance tout ce qui n’est pas du goût du CD&V.

La liste reflète les tendances de notre société. L’approche plutôt dogmatique de Mme de Bethune ne correspond pas à notre approche.

De heer Paul Wille (VLD). – Mevrouw de Bethune noemt de modellijst een uiting van onverdraagzaamheid, maar ik heb de indruk dat onverdraagzaamheid voor haar eerder betekent ‘niet naar de wens van de CD&V’.

De lijst is de weergave van wat leeft in onze maatschappij. De veeleer dogmatische benadering van mevrouw de Bethune stemt niet overeen met de onze.

Mme Sabine de Bethune (CD&V). – Le VLD n’est pas le seul parti attentif à capter les sensibilités de la société.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). – De VLD is niet de enige partij met antennes in de samenleving.

M. Philippe Mahoux (PS). – Je voudrais souligner que d’importants efforts ont été consentis pour déterminer une démarche relativement consensuelle ; elle ne pouvait l’être complètement, vu la composition de notre assemblée.

Je vois que ma collègue du CDH souhaite intervenir. Je serais assez intéressé de connaître son avis à cet égard.

De heer Philippe Mahoux (PS). – Er zijn belangrijke inspanningen geleverd om een relatieve consensus te bereiken; een volledige consensus was evenwel niet mogelijk gelet op de samenstelling van onze assemblee.

Ik ben benieuwd naar de mening van mijn collega van de CDH over deze zaak.

Mme Clotilde Nyssens (CDH). – Il était prévu que nous débattions, cette semaine, du rapport de la Commission d’évaluation de la loi relative à l’euthanasie. Or, cette commission a dû être annulée parce que le Sénat a omis de la convoquer. Si nous avions pu discuter avec les membres de cette commission et examiner, ensemble, leur travail, nous aurions pu participer en connaissance de cause à ce scrutin, mais ce n’est pas le cas et je le regrette.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). – Voor deze week was er een debat gepland over het verslag van de Evaluatiecommissie inzake de toepassing van de wet betreffende de euthanasie. Die vergadering kon niet plaatsvinden omdat de Senaat vergeten was de commissie bijeen te roepen. Als we met de leden van die commissie hadden kunnen spreken en samen met hen hun werkzaamheden hadden kunnen onderzoeken, zouden we met kennis van zaken kunnen deelnemen aan deze geheime stemming. Dat is niet het geval, wat ik betreur.

M. Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – J’ai deux questions. Que devient la remarque pourtant bien justifiée de notre collègue Coveliers ? Je vois que la présidente hausse les épaules. Donc si la liste passe, il y aura seize membres effectifs et quinze suppléants. Doit-il vraiment en être ainsi ?

À M. Mahoux, je voudrais demander ce qu’il veut dire lorsqu’il déclare que la composition de ce Sénat est telle que l’on ne peut arriver à une solution consensuelle. J’aimerais qu’il m’explique sa pensée.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – Ik heb twee vragen. Wat met de toch wel terechte opmerking van collega Coveliers? Ik merk dat de voorzitter de schouders ophaalt. Dus indien de modellijst het haalt, zijn er 16 effectieve leden en 15 opvolgers. Moet dat nu echt op die manier?

Aan de heer Mahoux wil ik vragen wat hij bedoelt met zijn opmerking dat de samenstelling van deze Senaat ertoe leidt dat we niet tot een consensuele oplossing kunnen komen. Dat moet hij me toch eens uitleggen.

Mme la présidente. – Ce que M. Coveliers a dit est vrai. Nous avons une liste de seize personnes et une autre de quinze. Le ministre peut faire son choix dans les deux listes.

De voorzitter. – Wat de heer Coveliers heeft gezegd, klopt. We hebben een lijst van 16 en een van 15 en de minister kan dan kiezen uit beide lijsten.

M. Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – Non il ne peut en être ainsi.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – Nee, dat kan echt niet.

M. Hugo Coveliers (Indépendant). – Il y a des lois. La deuxième liste avec quinze candidats ne respecte pas la loi. Je ne participe pas à cela (Il déchire le bulletin de vote).

De heer Hugo Coveliers (Onafhankelijke). – Er bestaat ook nog zoiets als de wet. De tweede lijst met 15 kandidaten is niet wettelijk. Daar doe ik niet aan mee. (Verscheurt het stemformulier.)

Mme la présidente. – Le scrutin est ouvert. Il débute par le nom de M. Collas.

De voorzitter. – De stemming is geopend. Zij begint met de naam van de heer Collas.

(Il est procédé au scrutin.)

(Tot de geheime stemming wordt overgegaan.)

Le scrutin est clos.

Il conviendra sans doute au Sénat de poursuivre son ordre du jour pendant que les scrutateurs dépouillent les bulletins.

De stemming is gesloten.

Ik veronderstel dat de Senaat zijn agenda voortzet terwijl de stemopnemers de stembulletins nazien.

Votes

Stemmingen

(Les listes nominatives figurent en annexe.)

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Projet de loi relatif à l’adhésion de la Belgique au Protocole de 1988 relatif à la Convention internationale de 1966 sur les lignes de charge, fait à Londres le 11 novembre 1988 (Doc. 3-1845)

Wetsontwerp betreffende de toetreding van België tot het Protocol van 1988 aangaande het Internationaal Verdrag van 1966 betreffende de uitwatering van schepen, gedaan te Londen op 11 november 1988 (Stuk 3-1845)

Vote nº 1

Stemming 1

Présents : 55
Pour : 51
Contre : 0
Abstentions : 4

Aanwezig: 55
Voor: 51
Tegen: 0
Onthoudingen: 4

Le projet de loi est adopté.

Il sera transmis à la Chambre des représentants.

Het wetsontwerp is aangenomen.

Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Projet de loi portant assentiment au Protocole d’application de l’Accord entre la Communauté européenne et la République d’Albanie concernant la réadmission des personnes en séjour irrégulier dans la République d’Albanie ou les États du Benelux (le Royaume de Belgique, le Grand-Duché de Luxembourg, le Royaume des Pays-Bas), signé à La Haye le 9 juin 2005 (Doc. 3-1848)

Wetsontwerp houdende instemming met het Uitvoeringsprotocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Albanië inzake de overname van personen die zonder vergunning in de Republiek Albanië of de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden) verblijven, ondertekend te Den Haag op 9 juni 2005 (Stuk 3-1848)

Vote nº 2

Stemming 2

Présents : 58
Pour : 42
Contre : 0
Abstentions : 16

Aanwezig: 58
Voor: 42
Tegen: 0
Onthoudingen: 16

Le projet de loi est adopté.

Il sera transmis à la Chambre des représentants.

Het wetsontwerp is aangenomen.

Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Projet de loi portant assentiment à l’Accord sur les privilèges et immunités du Tribunal international du Droit de la Mer, fait à New York le 23 mai 1997 (Doc. 3-1861)

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag betreffende de voorrechten en immuniteiten van het Internationaal Hof voor het Recht van de Zee, gedaan te New York op 23 mei 1997 (Stuk 3-1861)

Vote nº 3

Stemming 3

Présents : 59
Pour : 59
Contre : 0
Abstentions : 0

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Le projet de loi est adopté.

Il sera transmis à la Chambre des représentants.

Het wetsontwerp is aangenomen.

Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Ordre des travaux

Regeling van de werkzaamheden

Mme la présidente. – Le Bureau propose l’ordre du jour suivant pour la semaine prochaine :

De voorzitter. – Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Jeudi 7 décembre 2006

Donderdag 7 december 2006

le matin à 10 heures

s ochtends om 10 uur

Proposition de loi réglant l’installation et l’utilisation de caméras de surveillance (de M. Stefaan Noreilde et consorts) ; Doc. 3-1734/1 à 6. (Pour mémoire)

Wetsvoorstel tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera’s (van de heer Stefaan Noreilde c.s.); Stuk 3-1734/1 tot 6. (Pro memorie)

À joindre :

Toe te voegen:

Proposition de loi réglant l’utilisation de caméras de surveillance (de Mme Fauzaya Talhaoui) ; Doc. 3-1522/1 et 2.

Wetsvoorstel om het gebruik van bewakingscamera’s te regelen (van mevrouw Fauzaya Talhaoui); Stuk 3-1522/1 en 2.

Proposition de résolution relative à la lutte contre la pauvreté infantile (de Mme Olga Zrihen) ; Doc. 3-1629/1 à 4.

Voorstel van resolutie betreffende de strijd tegen de kinderarmoede (van mevrouw Olga Zrihen); Stuk 3-1629/1 tot 4.

l’après-midi à 15 heures

s namiddags om 15 uur

Vérification des pouvoirs et prestation de serment de nouveaux membres.

Onderzoek van de geloofsbrieven en eedaflegging van nieuwe leden.

Prise en considération de propositions.

Inoverwegingneming van voorstellen.

Débat d’actualité et questions orales.

Actualiteitendebat en mondelinge vragen.

Reprise de l’ordre du jour de la séance plénière du matin.

Hervatting van de agenda van de ochtendvergadering.

Procédure d’évocation

Evocatieprocedure

Projet de loi établissant un prélèvement visant à lutter contre la non-utilisation d’un site de production d’électricité par un producteur ; Doc. 3-1944/1 et 2.

Wetsontwerp tot vaststelling van een heffing ter bestrijding van het niet benutten van een site voor de productie van elektriciteit door een producent; Stuk 3-1944/1 en 2.

Projet de loi organisant une voie de recours contre l’amende administrative infligée dans le cadre de l’application de la loi du […] établissant un prélèvement visant à lutter contre la non-utilisation d’un site de production d’électricité par un producteur ; Doc. 3-1945/1 et 2.

Wetsontwerp tot inrichting van een beroep tegen de administratieve boete opgelegd in het raam van de toepassing van de wet van […] tot vaststelling van een heffing ter bestrijding van het niet benutten van een site voor de productie van elektriciteit door een producent; Stuk 3-1945/1 en 2.

Projet de loi portant assentiment à l’accord de coopération du 1er juin 2006 entre l’État fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale modifiant l’accord de coopération du 21 juin 1999 entre l’État fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale concernant la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs impliquant des substances dangereuses ; Doc. 3-1820/1 et 2.

Wetsontwerp houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 1 juni 2006 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken; Stuk 3-1820/1 en 2.

Procédure d’évocation

Evocatieprocedure

Projet de loi modifiant le Code pénal en vue de réprimer plus sévèrement la violence contre certaines catégories de personnes ; Doc. 3-1791/1 à 3. (Pour mémoire)

Wetsontwerp tot wijziging van het Strafwetboek met het oog op het strenger bestraffen van geweld tegen bepaalde categorieën van personen; Stuk 3-1791/1 tot 3. (Pro memorie)

À joindre :

Toe te voegen:

Proposition de loi modifiant les articles 276 et 405bis du Code pénal, en vue d’instaurer une circonstance aggravante pour les auteurs d’infractions commises envers certaines personnes à caractère public (de Mme Christine Defraigne) ; Doc. 3-851/1 et 2.

Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 276 en 405bis van het Strafwetboek teneinde een verzwarende omstandigheid in te voeren voor daders van misdrijven tegen bepaalde personen bekleed met een openbare hoedanigheid (van mevrouw Christine Defraigne); Stuk 3-851/1 en 2.

À partir de 17 heures 30 : Votes nominatifs sur l’ensemble des points à l’ordre du jour dont la discussion est terminée.

Vanaf 17.30 uur: Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

Demandes d’explications :

Vragen om uitleg:

de M. Jacques Brotchi à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur « la mise à disposition du gouvernement » (nº 3-1960) ;

van de heer Jacques Brotchi aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over “de terbeschikkingstelling van de regering” (nr. 3-1960);

de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur et au ministre des Affaires étrangères et au ministre de la Mobilité sur « les infractions au code de la route commises par les étrangers » (nº 3-1962) ;

van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister van Mobiliteit over “verkeersovertredingen door buitenlanders” (nr. 3-1962);

de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur « les interprètes employés par les pouvoirs publics » (nº 3-1968) ;

van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over “de tolken in dienst van de overheid” (nr. 3-1968);

de Mme Clotilde Nyssens au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur « l’octroi des visas » (nº 3-1954) ;

van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over “de toekenning van visa” (nr. 3-1954);

de Mme Clotilde Nyssens au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur « l’interdiction d’expulser des femmes enceintes » (nº 3-1958) ;

van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over “het verbod om zwangere vrouwen uit te wijzen” (nr. 3-1958);

de M. Wouter Beke au ministre de la Défense sur « l’exécution de la loi du 11 avril 2003 instituant un service volontaire d’utilité collective » (nº 3-1957) ;

van de heer Wouter Beke aan de minister van Landsverdediging over “de uitvoering van de wet van 11 april 2003 tot instelling van een vrijwillige dienst van collectief nut” (nr. 3-1957);

de M. Wouter Beke au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « le fonds de lutte contre les assuétudes » (nº 3-1953) ;

van de heer Wouter Beke aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “het verslavingsfonds” (nr. 3-1953);

de M. Wouter Beke au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « l’exécution de la loi du 10 juin 2006 réformant les cotisations sur le chiffre d’affaires des spécialités pharmaceutiques remboursables » (nº 3-1956) ;

van de heer Wouter Beke aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “de uitvoering van de wet van 10 juni 2006 tot hervorming van de heffingen op de omzet van vergoedbare farmaceutische specialiteiten” (nr. 3-1956);

de Mme Annemie Van de Casteele au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « le nombre de femmes siégeant au sein des organes de l’INAMI et des organes d’avis du SPF Santé publique, Sécurité de la chaîne alimentaire et Environnement » (nº 3-1959) ;

van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “het aantal vrouwen in de organen van het RIZIV en de adviesorganen van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu” (nr. 3-1959);

de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « les dangers éventuels pour la santé de l’internet sans fil » (nº 3-1963) ;

van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “de mogelijke gevaren voor de gezondheid van draadloos internet” (nr. 3-1963);

de Mme Annemie Van de Casteele au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « les dossiers d’exportation à destination de pays n’appartenant pas à la CE en ce qui concerne les médicaments vétérinaires » (nº 3-1965) ;

van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “exportdossiers voor niet-EG-landen voor veterinaire geneesmiddelen” (nr. 3-1965);

de Mme Annemie Van de Casteele au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « l’arrêté royal du 10 novembre 2006 rétablissant l’obligation de tenir un registre de prestations » (nº 3-1967) ;

van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “het koninklijk besluit van 10 november 2006 tot herinvoering van de bewaring van verstrekkingen” (nr. 3-1967);

de Mme Fauzaya Talhaoui au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique et au ministre de l’Environnement et ministre des Pensions sur « les modifications apportées aux régimes de pension des affiliés à l’Office de sécurité sociale d’outre-mer » (nº 3-1969) ;

van mevrouw Fauzaya Talhaoui aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen over “de wijzigingen in de pensioenregelingen voor de aangeslotenen bij de Dienst voor Overzeese Sociale Zekerheid” (nr. 3-1969);

de Mme Clotilde Nyssens au ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances sur « la nomination d’un directeur à la tête de l’Institut pour l’égalité des femmes et des hommes » (nº 3-1966) ;

van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over “de benoeming van een directeur aan het hoofd van het Instituut voor gelijkheid van mannen en vrouwen” (nr. 3-1966);

de M. Hugo Vandenberghe au ministre de la Mobilité sur « la sécurité des automobilistes en cas d’accident ou de panne » (nº 3-1964) ;

van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Mobiliteit over “de veiligheid van de automobilisten bij een ongeval of pech” (nr. 3-1964);

de M. Luc Willems au secrétaire d’État aux Entreprises publiques sur « l’accessibilité de la région du sud de la Flandre orientale par les transports en commun » (nº 3-1955).

van de heer Luc Willems aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over “de bereikbaarheid van de regio Zuid-Oost-Vlaanderen met het openbaar vervoer” (nr. 3-1955).

Le Sénat est d’accord sur cet ordre des travaux.

De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

M. Joris Van Hauthem (VL. BELANG) (fait personnel). – Madame la Présidente, je n’admets pas la manière dont vous présidez cette assemblée. Lorsqu’une proposition de report d’un scrutin risque d’être formulée, vous fermez les yeux et annoncez purement et simplement le début du scrutin. Ce n’est pas une façon correcte d’agir.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG) (persoonlijk feit). – Mevrouw de voorzitter, het spijt me, maar ik ga niet akkoord met de wijze waarop u de vergadering leidt. Wanneer het een beetje problematisch wordt en de kans bestaat dat wordt voorgesteld een stemming te verdagen, dan kijkt u niet meer rond en kondigt u gewoon de stemming aan. Dat vind ik geen manier van doen.

Mme la présidente. – Je tâcherai de faire mieux à l’avenir.

De voorzitter. – Ik zal het in de toekomst beter proberen te doen.

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au vice-premier ministre et ministre des Finances sur «la fraude aux cartes bancaires» (nº 3-1940)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over «de oplichting met bankkaarten» (nr. 3-1940)

Mme la présidente. – M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre, répondra.

De voorzitter. – De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Il ressort d’une enquête réalisée dans huit pays européens pour le compte de l’European Security Transport Association que 9% de la population adulte belge – environ 613.000 personnes – ont déjà été victimes de pratiques frauduleuses basées sur les cartes de crédit ou de banque. En cas de fraude aux cartes bancaires, il s’agit principalement du vol ou de l’utilisation sans autorisation des données de la carte.

Ces derniers mois, on a écroué dans notre pays deux bandes utilisant des skimmers. Ces malfaiteurs volent des cartes bancaires et en copient les données. Après avoir connu pareille expérience, 27% des victimes belges décident de réutiliser l’argent comptant comme moyen de paiement.

Selon l’Eurobaromètre 2005, une fois sur trois, le préjudice subi en cas de fraude à la carte bancaire dépasse la somme de 500 euros et n’est pas indemnisé. Quelle conclusion le vice-premier ministre tire-t-il de cette enquête ?

Juge-t-il opportun de débattre de cette problématique à l’échelon européen ?

Quelles mesures prendra-t-il pour combattre la fraude aux cartes bancaires dans notre pays ?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Uit een onderzoek in opdracht van de European Security Transport Association in acht Europese landen blijkt dat negen procent van de volwassen Belgische bevolking, of om en bij de 613.000 personen, ooit al het slachtoffer is geworden van frauduleuze praktijken met krediet- of bankkaarten. In geval van fraude met bankkaarten gaat het vooral over het stelen of het zonder toestemming gebruiken van kaartgegevens.

De voorbije maanden werden in ons land twee bendes van zogenaamde skimmers opgerold. Skimmers stelen bankkaarten en kopiëren de gegevens ervan. 27 procent van de Belgische slachtoffers geeft na dergelijke negatieve ervaringen met betaalkaarten opnieuw de voorkeur aan contant geld als betaalmiddel.

Uit cijfers van de Eurobarometer van 2005 blijkt bovendien dat de schade bij kaartfraude in één op drie gevallen meer dan 500 euro bedraagt en dat die schade in evenveel gevallen niet wordt vergoed. Welke conclusies trekt de vice-eersteminister uit het onderzoek van de ESTA?

Acht hij het raadzaam deze problematiek op Europees niveau te bespreken?

Welke maatregelen zal hij nemen om de oplichting met bankkaarten in ons land tegen te gaan?

M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre. – La ministre de la Justice a pris connaissance de l’enquête récente évoquée par M. Vandenberghe.

Dans la note-cadre de sécurité intégrale, le gouvernement se référait à certaines formes de criminalité liées aux technologies de l’information, notamment au vol d’identité et à la fraude aux cartes de bancaires sous forme de skimming. L’un des objectifs stratégiques de cette note-cadre consistait à affiner la connaissance de ces différents phénomènes. Des démarches ont été entreprises pour atteindre ces objectifs stratégiques, principalement avec l’aide de la police fédérale, plus précisément de la Direction de la lutte contre la criminalité économique et financière. La police fédérale organise ainsi notamment un congrès consacré à la fraude à l’identité, en coopération avec la cellule stratégique de la ministre de la Justice et avec le Service de la politique criminelle.

Le gouvernement est donc tout à fait conscient de ce phénomène et mettra tout en œuvre pour mieux détecter de tels faits et augmenter la traçabilité des auteurs.

Dans les dossiers à caractère international, par exemple, on collabore intensément avec Eurojust et Europol pour s’attaquer à ce phénomène le plus efficacement possible.

Le Service de la politique criminelle élabore actuellement, à l’intention des services judiciaires et des services de police, un document pratique qui fait un tour d’horizon des instruments nationaux et internationaux de lutte contre la fraude à l’identité.

Enfin, le gouvernement a récemment décidé d’affecter des moyens budgétaires au recrutement de 46 membres de personnel supplémentaires pour les Computer crime units.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – De minister van Justitie heeft kennis genomen van het recente onderzoek waarnaar de heer Vandenberghe verwijst.

In de kadernota Integrale Veiligheid verwees de regering reeds naar enkele vormen van ICT-criminaliteit, onder meer identiteitsdiefstal en oplichting door skimming van bankkaarten. Een van de strategische doelstellingen van deze kadernota was de kennis van deze verschillende fenomenen te verfijnen. Voornamelijk met de hulp van de federale politie, meer bepaald de directie Bestrijding van de economische en financiële criminaliteit, werden stappen gedaan om deze strategische doelstelling te bereiken. Zo organiseert de federale politie, met de zeer actieve medewerking van de beleidscel van de minister van Justitie en van de dienst voor het Strafrechtelijk Beleid, onder meer een congres ‘Identiteitsfraude, misdrijf van de toekomst’.

De regering is zich dus zeer bewust van dit criminaliteitsfenomeen en zal in de verdere toekomst alles in het werk stellen om via verdere gedegen beeldvorming dergelijke feiten meer te detecteren en de traceerbaarheid van de daders en hun sporen te verhogen.

Zo wordt bijvoorbeeld in de dossiers met een internationaal karakter intensief samengewerkt met Eurojust en Europol om dit fenomeen zo efficiënt mogelijk aan te pakken.

De dienst voor het Strafrechtelijk Beleid is bezig met het opstellen van een praktisch document voor de gerechtelijke diensten en de politiediensten waarbij alle internationale en nationale instrumenten voor de strijd tegen de identiteitsfraude in kaart worden gebracht.

Ten slotte heeft de regering onlangs beslist budgettaire middelen ter beschikking te stellen voor het aanwerven van 46 extra personeelsleden voor de computer crime units.

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur «le rapatriement de prisonniers étrangers» (nº 3-1941)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de repatriëring van buitenlandse gevangenen» (nr. 3-1941)

Mme la présidente. – M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre, répondra.

De voorzitter. – De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Dans la revue « Politiejournaal & Politieofficier », le directeur judiciaire de l’arrondissement de Furnes fait rapport sur la manière dont la police judiciaire de Furnes et d’Anvers a procédé en 2005 à l’écoute d’une bande de cambrioleurs serbes.

Si l’écoute des conversations a apporté des preuves supplémentaires à l’encontre de la bande, elle a également engendré bien des frustrations pour la police.

Pour une heure d’écoute, il faut environ une journée de travail de retranscription, ce qui représente une charge de travail considérable. Qui plus est, il n’est pas du tout évident d’intercepter des Européens de l’Est et de les extrader, après leur condamnation, vers leur pays d’origine.

Des données récentes du gouvernement belge montrent que quelque 150 étrangers détenus dans les prisons belges entrent en considération pour un rapatriement La diplomate Régine De Clercq a été désignée pour mener à bien le rapatriement de détenus étrangers vers douze pays d’origine prêts à les accueillir.

Un nombre limité de dossiers seraient pour l’instant examinés par le parquet fédéral en vue du rapatriement d’étrangers.

Selon le magistrat fédéral Bisschop, il faudrait non seulement conclure des accords sur le principe de la réadmission, mais également s’accorder sur l’organisation pratique. Ainsi, la traduction d’arrêts volumineux, vers le roumain, par exemple, peut occasionner des frais importants.

D’après le magistrat fédéral, la conclusion d’accords bilatéraux pourrait être très profitable car étant donné que le pays d’origine n’est jamais tenu d’accéder à une demande de rapatriement, les frais exposés et les efforts consentis le sont parfois en pure perte.

Selon le magistrat du parquet, les services de police et les parquets ne pourront faire autrement que de réagir rapidement sur le plan international et de travailler de manière pragmatique, par le biais de contacts directs par téléphone ou courriel, par exemple.

La rapidité est essentielle car dès leur forfait accompli, les voleurs essaient généralement d’écouler leur butin à destination d’organisations criminelles ou de receleurs.

Quelles conclusions la ministre tire-t-elle des réflexions du magistrat du parquet fédéral ? En d’autres termes, la ministre estime-t-elle utile de tenir compte de ces remarques et de prendre rapidement des mesures ?

Quelles mesures la ministre envisage-t-elle pour faire face au surcroît de travail occasionné à la suite des écoutes téléphoniques ?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – In het politievakblad Politiejournaal & Politieofficier brengt de gerechtelijk directeur van het arrondissement Veurne verslag uit van de manier waarop de gerechtelijke politie in Veurne en Antwerpen in 2005 een bende Servische inbrekers afluisterde.

Het afluisteren van de gesprekken leverde weliswaar extra bewijs op tegen de bende, maar bezorgde de politie ook veel frustraties.

Eén uur afluisteren brengt ongeveer één dag schrijfwerk mee. Dat veroorzaakt een enorme werklast. Bovendien is het lang niet vanzelfsprekend de Oost-Europeanen te vatten en ze na veroordeling ook uit te leveren aan het land van herkomst.

Uit recente gegevens van de Belgische regering blijkt dat zo’n 150 buitenlanders in Belgische gevangenissen in aanmerking komen voor repatriëring. Om die overbrenging voor te bereiden werd de diplomate Régine De Clercq aangesteld. Zij moet met twaalf landen die bereid zijn hun landgenoten op te nemen, de zaak tot een goed einde brengen.

Op het ogenblik zouden bij het federaal parket een beperkt aantal dossiers in behandeling zijn met het oog op de overbrenging van buitenlanders.

Volgens federaal magistraat Bisschop is het niet alleen raadzaam de nodige aandacht te besteden aan het sluiten van akkoorden over het terugnameprincipe, maar dient er ook over de praktische regeling een akkoord te bestaan. Zo moeten er vaak veel kosten gemaakt worden voor de vertaling, bijvoorbeeld naar het Roemeens, van lijvige arresten voor iedere betrokkene afzonderlijk.

Bilaterale akkoorden waarin de noodwendigheden worden bepaald en waarin de kostenbesparing mee in rekening wordt genomen, zouden volgens de federaal magistraat bijzonder nuttig kunnen zijn. Het land van herkomst is immers nooit verplicht om op een vraag tot repatriëring in te gaan zodat alle kosten en inspanningen nutteloos kunnen zijn.

Volgens de parketmagistraat zullen de politiediensten en parketten niet anders kunnen dan internationaal kort op de bal te spelen en zeer pragmatisch te werk te gaan, met directe contacten via bijvoorbeeld telefoon of e-mail.

Snelheid is van het grootste belang omdat vaak onmiddellijk na de diefstal geprobeerd wordt de buit in de criminele organisatie of het helingscircuit aan de man te brengen.

Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen.

Welke conclusies trekt de minister uit de bedenkingen van de federale parketmagistraat? Acht de minister het met andere woorden nodig om met zijn opmerkingen rekening te houden en dringende maatregelen te nemen?

Welke maatregelen denkt de minister te nemen om de toegenomen werklast bij de politie naar aanleiding van de telefoontap op te vangen?

M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre. – Je vous lis la réponse du ministre Dewael.

Le gouvernement a l’intention de rapatrier dans leur pays d’origine les étrangers condamnés à des peines de prison et n’ayant pas d’attaches chez nous, ce que notre législation permet effectivement.

Des accords bilatéraux doivent évidemment être conclus avec les pays qui ne font pas partie de l’UE et il reste à prendre les dispositions pratiques qui s’imposent.

La charge de travail et les frais de traduction sont une réalité mais ils sont insignifiants par rapport aux avantages. Il suffit de songer au problème de la surpopulation carcérale que nous connaissons.

La récupération du butin est un autre problème. Dans ce cadre, il importe que la police et la justice collaborent, à un stade précoce de l’enquête, avec les pays d’origine des bandes de voleurs, qui sont aussi souvent les pays de destination du butin ou des recettes découlant des activités criminelles.

C’est le lancement simultané des enquêtes chez nous et dans les pays d’origine qui donnera les meilleurs résultats, moyennant une coordination réciproque. Le parquet fédéral et la police fédérale prennent les initiatives nécessaires.

Depuis le printemps 2004, un groupe de travail composé de membres de la magistrature et de la police se penchent sur le problème de la simplification de l’administration opérationnelle judiciaire.

Ce groupe de travail propose notamment de limiter le travail de retranscription des écoutes téléphoniques aux passages importants. Pour l’instant, la loi prévoit la rédaction d’un procès-verbal intégral des conversations importantes. Il faut bien entendu veiller à bien cerner le contexte. La défense dispose, a posteriori, de toutes les possibilités de contrôle, étant donné que les conversations font l’objet d’un enregistrement numérique et peuvent toujours être entièrement réécoutées. Pour des réponses plus détaillées, je vous renvoie à la ministre de la Justice.

Je vous lis à présent la réponse de la ministre de la Justice.

Les aspects pratiques de la mise en œuvre d’accords bilatéraux constituent une part essentielle des négociations de ces accords. J’attire cependant votre attention sur le fait que les 157 dossiers auxquels M. Vandenberghe fait référence dans le cadre du protocole complémentaire de 1997 entrent dans le cadre de la Convention du Conseil de l’Europe de 1983. Ce protocole, qui permet le rapatriement non volontaire, est applicable à la Belgique depuis le dernier trimestre de 2005. Il s’agit donc d’un accord multilatéral qui a été négocié au sein du Conseil de l’Europe, et non d’un accord bilatéral. Il faut également noter que dans le cadre de ce protocole, il n’est pas question de traduire des dossiers dans d’autres langues que le français ou l’anglais. Il n’est donc pas exact que nous devions prendre à notre charge une traduction vers le roumain.

La question des écoutes téléphoniques a déjà été mise sur le tapis à de multiples reprises par des acteurs de terrain. J’avais l’intention, à la demande de la police judiciaire, d’aborder ce problème dans le cadre de la réforme du Code d’instruction criminelle ; le gouvernement pourrait déposer des amendements pour répondre à la préoccupation des enquêteurs tout en respectant les droits de la défense.

Je n’étais donc pas opposée à un assouplissement des règles de retranscription des écoutes téléphoniques.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik lees het antwoord van minister Dewael.

Bedoeling van de regering is de gevangenisstraf van buitenlanders die in België veroordeeld werden en die geen verankering hebben in ons land, naar het land van herkomst uit te wijzen. De Belgische wetgeving maakt dit inderdaad mogelijk.

Uiteraard moeten bilaterale akkoorden worden gesloten met landen die geen lid zijn van de Europese Unie en dienen de nodige praktische schikkingen te worden getroffen.

De werklast en de kosten inzake vertaling zijn inderdaad een realiteit, maar wegen niet op tegen de voordelen. Denken we maar aan de problematiek van de overbevolking van onze gevangenissen.

De recuperatie van de buit is een ander probleem. Hierbij is het zaak om in een vroeg stadium van het onderzoek politieel en justitieel samen te werken met de landen van herkomst van de dievenbendes, die ook vaak de landen van bestemming zijn voor de buit, of voor de opbrengsten van de criminele activiteiten.

Het gelijktijdig opstarten van onderzoeken in ons land en in het land van herkomst, zal, mits onderlinge coördinatie, de beste resultaten opleveren. Met het oog hierop nemen het federaal parket en de federale politie de nodige initiatieven.

Sinds het voorjaar van 2004 buigt een werkgroep bestaande uit leden van de magistratuur en de politie zich over de problematiek van de vereenvoudiging van de operationele gerechtelijke administratie.

Eén van de voorstellen van die werkgroep, is het beperken van het schrijfwerk inzake telefoontap, in die zin dat alleen de relevante passages van de gesprekken zouden worden uitgetikt. Momenteel zegt de wet dat van relevante gesprekken een integraal proces-verbaal dient te worden opgemaakt. Uiteraard dient ervoor gewaakt te worden dat de context voldoende beschreven wordt. De verdediging heeft achteraf alle controlemogelijkheden, daar de gesprekken digitaal worden opgenomen en steeds volledig kunnen worden herbeluisterd. Voor nader antwoord op de vragen, verwijs ik naar de minister van Justitie.

Ik lees nu het antwoord van de minister van Justitie.

De praktische aspecten van de uitvoering van de bilaterale akkoorden vormen een wezenlijk bestanddeel bij de onderhandelingen van deze akkoorden. Ik vestig echter de aandacht op het feit dat de 157 dossiers waarnaar de heer Vandenberghe verwijst in het kader van het aanvullend protocol van 1997, bij het Verdrag van de Raad van Europa van 1983 passen. Dit aanvullend protocol, dat de niet-vrijwillige overbrenging mogelijk maakt, is sedert het laatste trimester van 2005 voor België van toepassing. Het betreft dus een multilateraal akkoord dat onderhandeld werd binnen de Raad van Europa en geen bilateraal akkoord. Er moet ook nota worden genomen van het feit dat er in het kader van dit protocol geen sprake is van het vertalen van de dossiers in andere talen dan het Frans of het Engels. Het is dus niet juist dat we een vertaling naar het Roemeens ten onze laste moeten nemen.

De kwestie van de telefoontap is al meermaals door mensen op het terrein ter sprake gebracht. Ik was van plan om, op verzoek van de gerechtelijke politie, dat probleem aan te kaarten in de context van de hervorming van het Wetboek van strafvordering waarbij de regering amendementen zou kunnen indienen om te beantwoorden aan de bezorgdheid van de speurders, maar wel tegelijk met respect voor de rechten van de verdediging.

Ik was dus niet tegen een versoepeling van de regels voor het op schrift stellen van de beluisterde telefoongesprekken.

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur et au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «le risque accru que courent les pompiers de souffrir de certaines formes de cancer» (nº 3-1952)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het hoger risico van brandweerlui op bepaalde kankers» (nr. 3-1952)

Mme la présidente. – M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre, répondra.

De voorzitter. – De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister antwoordt.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Il ressort d’une recherche américaine réalisée auprès de 110.000 pompiers que le risque d’un cancer de la prostate est de 28 pour cent supérieur chez les pompiers que chez les hommes actifs dans d’autres professions. Le risque d’un cancer du sang ou d’un cancer de la moelle osseuse est même de cinquante pour cent plus élevé.

La cause de ce risque accru de certains cancers serait l’exposition à des matières chimiques dangereuses comme les benzènes, les styrènes, le chloroforme, les formaldéhydes et la suie. Ces matières dangereuses contaminent les pompiers soit en étant inhalées soit par contact avec la peau.

L’une des suggestions des chercheurs est que les pompiers se lavent bien après chaque intervention sur un incendie de sorte que la plus petite parcelle de suie et de déchet soit éliminée.

Quelles conclusions le ministre tire-t-il de cette étude américaine ? Estime-t-il indiqué de faire réaliser pareille recherche dans notre pays ?

Quelles mesures le ministre envisage-t-il de prendre pour veiller à ce que les pompiers soient suffisamment informés des risques éventuels de l’exposition à certaines matières chimiques ?

Quelles mesures le ministre envisage-t-il de prendre le cas échéant pour mieux protéger les pompiers contre ces matières chimiques dangereuses pour la santé.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Uit een Amerikaans onderzoek bij 110.000 brandweerlui blijkt dat het risico op prostaatkanker 28 procent en het risico op een bepaald soort bloedkanker en beenmergkanker zelfs 50 procent hoger ligt bij brandweerlui dan bij mensen die actief zijn in andere beroepen.

De oorzaak van het verhoogde risico op bepaalde kankers zou de blootstelling zijn aan gevaarlijke chemische stoffen zoals benzeen, styreen, chloroform, formaldehyde en roet. Dergelijke gevaarlijke stoffen nemen de spuitgasten op via de ademhaling en de huid.

Een van de suggesties van de onderzoekers is dat de spuitgasten zich na iedere brand zeer goed wassen zodat zelfs het kleinste spoortje roet en alle andere afvalstoffen worden verwijderd.

Welke conclusies trekt de minister uit het Amerikaans onderzoek?

Acht de minister het raadzaam om ook in ons land een onderzoek hieromtrent te laten uitvoeren?

Welke maatregelen wil de minister nemen om ervoor te zorgen dat brandweerlui voldoende op de hoogte zijn van mogelijke risico’s van bepaalde chemische stoffen?

Welke maatregelen wil de minister desgevallend nemen om de brandweerlui beter te beschermen tegen deze ongezonde chemische stoffen?

M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre. – Je vous lis la réponse du ministre Demotte.

J’ai pris connaissance de quelques articles de presse qui citent les résultats d’une recherche américaine. J’ai fait demander le texte complet de l’étude à l’Université de Cincinnati pour pouvoir interpréter ces résultats préoccupants. Selon ce qu’il ressortira de cet examen, nous pourrons éventuellement prendre des initiatives et des mesures et nous aviserons s’il est nécessaire de mener une recherche semblable en Belgique.

La santé des pompiers et, en conséquence, la protection contre les risques dus aux produits chimiques nocifs sont des sujets extrêmement importants. Pour le moment, les communes, en tant qu’employeurs de pompiers volontaires et de pompiers professionnels, ont la mission d’évaluer les risques dans le cadre de la loi du 4 août 1996 sur le bien-être au travail. En conséquence des résultats de leur analyse des risques, on verra si des moyens personnels de protection s’avèrent nécessaires. L’exposition aux produits chimiques est l’un des risques évalués. Pour l’exécution de leur mission les pompiers disposent de moyens de protection personnels comme des vêtements de protection pour les interventions et de masques pour se protéger les voies respiratoires. Ceux-ci évitent que les pompiers ne respirent des gaz nocifs. Lorsque les moyens de protection personnels nécessaires sont bien utilisés, le risque est réduit à un minimum acceptable.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik lees het antwoord van minister Demotte.

Ik heb kennis genomen van enkele krantenartikelen die de resultaten van het Amerikaanse onderzoek citeren. Ik heb de volledige tekst van de studie bij de University of Cincinnati laten opvragen om deze zorgwekkende resultaten te kunnen interpreteren. Afhankelijk van het resultaat daarvan kunnen eventueel initiatieven en maatregelen worden genomen en zal blijken of een gelijkaardig Belgisch onderzoek noodzakelijk is.

De gezondheid van de brandweerlui en bijgevolg ook de bescherming tegen mogelijke risico’s van ongezonde chemische stoffen zijn uitermate belangrijk. Momenteel hebben de gemeenten, als werkgever van de vrijwillige en beroepsbrandweermannen, de taak om in het kader van de welzijnswet van 4 augustus 1996 de risico’s te evalueren. Uit de resultaten van hun risicoanalyse zal blijken of bepaalde persoonlijke beschermingsmiddelen noodzakelijk zijn. De blootstelling aan chemische stoffen is een van de risico’s die worden geëvalueerd. Voor de uitvoering van zijn opdracht beschikt de brandweer over persoonlijke beschermingsmiddelen zoals beschermende interventiekledij en maskers ter bescherming van de luchtwegen. Die voorkomen dat een brandweerman schadelijke gassen opneemt. Wanneer de noodzakelijke persoonlijke beschermingsmiddelen consequent worden gebruikt, wordt het risico tot een aanvaardbaar minimum beperkt.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – J’insiste pour qu’on étudie les résultats de la recherche américaine et que l’on en tire des conclusions. Cela ne semble pas encore être le cas.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Ik dring erop aan dat de resultaten van het Amerikaanse onderzoek worden bestudeerd en dat daaruit conclusies worden getrokken. Dat is blijkbaar nog niet gebeurd.

Présentation de candidats pour un mandat de membre de la Commission fédérale de contrôle et d’évaluation de l’application de la loi du 28 mai 2002 relative à l’euthanasie (Doc. 3-1885)

Voordracht van kandidaten voor een mandaat van lid van de Federale Controle- en Evaluatiecommissie inzake de toepassing van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie (Stuk 3-1885)

Mme la présidente. – Voici le résultat du scrutin pour la nomination de candidats pour un mandat de membre de la Commission fédérale de contrôle et d’évaluation de l’application de la loi du 28 mai 2002 relative à l’euthanasie.

De voorzitter. – Hier volgt de uitslag van de geheime stemming over de benoeming van kandidaten voor een mandaat van lid van de Federale Controle- en Evaluatiecommissie inzake de toepassing van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie.

Nombre de votants : 51

Bulletins blancs ou nuls : 8

Votes valables : 43

Majorité absolue : 22

Aantal stemmenden: 51

Blanco of ongeldige stembriefjes: 8

Geldige stemmen: 43

Volstrekte meerderheid: 22

Le modèle de liste double a obtenu 38 suffrages.

Het model van dubbele lijst behaalt 38 stemmen.

Étant donné que ce modèle a obtenu la majorité absolue, le Sénat présente les deux listes suivantes :

Daar dit model de volstrekte meerderheid behaalt, draagt de Senaat de twee volgende lijsten voor:

Première liste

Eerste lijst

M. Wim Distelmans ;

M. Etienne De Groot ;

M. Raymond Mathys ;

Mme Margaretha Van Emelen ;

M. Marc Englert ;

Mme Dominique Bron ;

M. Philippe Maassen ;

Mme Jacqueline Vandeville ;

M. Fernand van Neste ;

M. Walter De Bondt ;

M. Roger Lallemand ;

M. Yves-Henri Leleu ;

Mme Sabien Bauwens ;

Mme Magriet De Maegd ;

M. Gérard Magnette

et Mme Jacqueline Herremans.

de heer Wim Distelmans;

de heer Etienne De Groot;

de heer Raymond Mathys;

mevrouw Margaretha Van Emelen;

de heer Marc Englert;

mevrouw Dominique Bron;

de heer Philippe Maassen;

mevrouw Jacqueline Vandeville;

de heer Fernand Van Neste;

de heer Walter De Bondt;

de heer Roger Lallemand;

de heer Yves-Henri Leleu;

mevrouw Sabien Bauwens;

mevrouw Magriet De Maegd;

de heer Gérard Magnette

en mevrouw Jacqueline Herremans.

Deuxième liste

Tweede lijst

M. Simon Van Belle ;

M. Bart Van den Eynden ;

M. Luc Proot ;

Mme Petra Claes ;

M. Jean-Michel Thomas ;

Mme Béatrice Figa ;

M. Jean-François Damas ;

Mme Marianne Desmedt ;

M. Fernand Keuleneer ;

M. Michel Magits ;

M. Christian Panier ;

M. Gilles Genicot ;

Mme Arlette Geuens ;

Mme Wilhelmina Dijkhoffz

et Mme Christine Laurent.

de heer Simon Van Belle;

de heer Bart Van den Eynden;

de heer Luc Proot;

mevrouw Petra Claes;

de heer Jean-Michel Thomas;

mevrouw Béatrice Figa;

de heer Jean-François Damas;

mevrouw Marianne Desmedt;

de heer Fernand Keuleneer;

de heer Michel Magits;

de heer Christian Panier;

de heer Gilles Genicot;

mevrouw Arlette Geuens;

mevrouw Wilhelmina Dijkhoffz

en mevrouw Christine Laurent.

Les résultats individuels des candidats seront repris aux Annexes des Annales de la présence séance.

Il sera donné connaissance de cette présentation au premier ministre, à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique.

De individuele uitslagen van de kandidaten zullen worden opgenomen in de Bijlagen bij de Handelingen van deze vergadering.

Van deze voordracht zal kennis worden gegeven aan de eerste minister, de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Demande d’explications de M. Yves Buysse à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur «la possibilité dont dispose la police fédérale d’utiliser les véhicules confisqués comme voiture de service» (nº 3-1943)

Vraag om uitleg van de heer Yves Buysse aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de mogelijkheid voor de federale politie om in beslag genomen voertuigen als dienstvoertuig te kunnen gebruiken» (nr. 3-1943)

Mme la présidente. – M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre répondra.

De voorzitter. – De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister antwoordt.

M. Yves Buysse (VL. BELANG). – Fin 2002, la loi a été adaptée par le biais d’une loi-programme afin de donner la possibilité à la police fédérale d’utiliser temporairement, en tant que voitures de service banalisées, des véhicules confisqués par le parquet.

Il ressort de la réponse à ma question écrite du 27 juin dernier que, près de quatre ans après le vote de la loi-programme de 2002, ses dispositions ne sont pas encore appliquées à l’heure actuelle. Selon le ministre de l’Intérieur, des obstacles techniques en empêchent encore la mise en pratique. Une concertation est apparemment encore en cours à ce sujet entre les services des SPF Intérieur et Justice.

Quels sont ces obstacles ? Où en est la concertation entre ces deux SPF ? Quand le système pourra-t-il finalement entrer en vigueur ?

De heer Yves Buysse (VL. BELANG). – Eind 2002 werd met een programmawet de wet aangepast om de federale politie de mogelijkheid te geven auto’s die door het parket in beslag worden genomen, tijdelijk te kunnen gebruiken als anoniem dienstvoertuig. Dat was een goed idee.

Uit het antwoord op mijn schriftelijke vraag van 27 juni jongstleden blijkt dat, bijna vier jaar na de goedkeuring van de programmawet van 2002, de bepalingen van de wet momenteel nog niet in de praktijk worden toegepast. Volgens de minister van Binnenlandse Zaken zijn er nog technische hinderpalen om de bepalingen van de programmawet in de praktijk te brengen. Daarover wordt blijkbaar nog steeds overleg gepleegd tussen de diensten van de FOD Binnenlandse Zaken en de FOD Justitie.

Wat zijn die hinderpalen? Hoever staat het overleg tussen die beide FOD’s? Wanneer zal het systeem eindelijk in de praktijk kunnen worden gebracht?

(M. Staf Nimmegeers, premier vice-président, prend place au fauteuil présidentiel.)

(Voorzitter: de heer Staf Nimmegeers, eerste ondervoorzitter.)

M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre. – Jusqu’à présent, aucun véhicule confisqué n’a encore été mis à la disposition de la police fédérale. Utiliser de tels véhicules est moins simple qu’il n’y paraît au premier abord. En effet, le propriétaire peut user de voies de recours qui pourraient donner lieu à une indemnisation et qui rendraient impossible la poursuite de l’utilisation du véhicule. En outre, certains véhicules, comme ceux dont le numéro de châssis est falsifié, ne pourraient tout simplement pas être immatriculés légalement.

En collaboration avec le SPF Justice et l’Organe central pour la saisie et la confiscation, on vérifie s’il est possible de laisser la police utiliser des véhicules confisqués moyennant l’accord du propriétaire légal.

En vertu des articles 468 et 469 de la loi-programme du 24 décembre 2002, seul le parquet peut prendre la décision finale d’autoriser la police fédérale à utiliser un véhicule confisqué et ce conformément aux directives de la ministre de la Justice.

Je rappelle, comme dans ma réponse à votre question écrite du 27 juin, que la police utilise effectivement des véhicules saisis à la suite d’une décision judiciaire.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Tot op heden werden nog geen in beslag genomen voertuigen aan de federale politie toegewezen. Dergelijke voertuigen gebruiken ligt minder voor de hand dan het op het eerste gezicht lijkt. De eigenaar kan immers rechtsmiddelen aanwenden die zouden kunnen leiden tot een schadevergoeding en die het onmogelijk maken om het voertuig te blijven inzetten. Bovendien kunnen bepaalde voertuigen, zoals die met een vervalst chassisnummer, gewoonweg niet wettelijk ingeschreven worden.

In samenwerking met de FOD Justitie en het Centraal Orgaan voor inbeslagneming en verbeurdverklaring wordt onderzocht of het mogelijk is in beslag genomen voertuigen door de politie te laten gebruiken mits de juridische eigenaar ermee akkoord gaat.

Krachtens de artikelen 468 en 469 van de programmawet van 24 december 2002 kan alleen het parket een eindbeslissing nemen om de federale politie toe te staan een in beslag genomen voertuig te gebruiken en dit conform de richtlijnen van de minister van Justitie.

Zoals in mijn antwoord op uw schriftelijke vraag van 27 juni herhaal ik dat de politie wel degelijk gebruik maakt van voertuigen die ingevolge een gerechtelijke beslissing werden verbeurd verklaard.

M. Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – Pour la énième fois, le secrétaire d’État vient ici lire une réponse. En soi, ce n’est pas de sa faute, mais la façon dont il débite le texte témoigne de son mépris pour la personne qui a posé la question. Nous sommes en droit d’attendre du pouvoir exécutif un peu de respect pour le parlementaire qui pose des questions.

Le secrétaire d’État Van Quickenborne, qui une fois de plus est occupé à autre chose, expédie les réponses des ministres avec l’objectif avoué d’être aussi incompréhensible que possible. Monsieur le président, je ne sais pas si vous avez compris la réponse, mais moi je n’en ai rien saisi.

Le secrétaire d’État Kafka a commencé sa carrière politique dans cette assemblée et, précisément pour cette raison, son attitude est d’autant plus indigne. C’est franchement kafkaïen.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – Voor de zoveelste keer komt de staatssecretaris hier een antwoord voorlezen. Dat op zich is zijn schuld niet, maar de manier waarop hij de tekst afdreunt, getuigt wel van zijn minachting voor de vraagsteller. Van de uitvoerende macht mogen we ten minste eerbied verwachten voor welk parlementslid dan ook dat vragen stelt.

Staatssecretaris Van Quickenborne, die op dit ogenblik natuurlijk weer met andere dingen bezig, raffelt de antwoorden van de ministers af met de uitgesproken bedoeling zich zo onverstaanbaar mogelijk te maken. Mijnheer de voorzitter, ik weet niet of u het antwoord heb begrepen, maar ik heb er niets van verstaan.

Staatssecretaris Kafka is zijn politieke loopbaan in deze assemblee begonnen en zijn houding is precies daarom des te onwaardiger. Dit is ronduit kafkaiaans.

M. Yves Buysse (VL. BELANG). – Pendant que le secrétaire d’État joue à Pacman ou à un autre petit jeu électronique, j’aimerais aussi réagir.

De heer Yves Buysse (VL. BELANG). – Terwijl de staatssecretaris Pacman of een ander computerspelletje speelt, zou ik ook zelf nog even willen reageren.

M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre. – Je suis en train de travailler, monsieur Buysse.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik ben aan het werken, mijnheer Buysse.

M. Yves Buysse (VL. BELANG). – Si vous preniez votre travail au sérieux, vous répondriez convenablement à nos questions, monsieur le secrétaire d’État.

De heer Yves Buysse (VL. BELANG). – Mocht u uw werk ernstig nemen, dan zou u op een deftige manier op onze vragen antwoorden, mijnheer de staatssecretaris.

M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre. – Je lis la réponse et vous devez écouter.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik lees het antwoord en u moet luisteren.

M. Yves Buysse (VL. BELANG). – Monsieur le secrétaire d’État, demandez donc aux interprètes s’ils peuvent vous suivre.

Le fond de l’affaire est qu’en 2002, votre collègue, M. Verwilghen, a fait voter une loi par la Chambre et le Sénat, mais que son exécution se fait toujours attendre. Chaque zone de police et la police fédérale consacrent beaucoup d’argent aux véhicules. Les véhicules confisqués sont en train de rouiller quelque part et le gouvernement ne réussit pas à les faire utiliser d’une manière légale. Comme toujours, la Justice rejette la faute sur l’Intérieur et inversement.

De heer Yves Buysse (VL. BELANG). – Mijnheer de staatssecretaris, vraag gerust eens aan de tolken of ze u kunnen volgen?

De grond van de zaak is dat uw partijgenoot, de heer Verwilghen, in 2002 een wet door Kamer en Senaat heeft gedrukt, maar dat de uitvoering ervan nog steeds op zich laat wachten. Elke politiezone en ook de federale politie geven heel veel geld uit aan voertuigen. De verbeurdverklaarde voertuigen staan nu ergens te roesten en de regering slaagt er niet in ze op een wettelijke manier in gebruik te laten nemen. Zoals steeds geeft Justitie Binnenlandse Zaken de schuld, en omgekeerd.

Demande d’explications de Mme Mia De Schamphelaere au vice-premier ministre et ministre des Finances sur «l’application de la nouvelle convention préventive de la double imposition conclue avec les Pays-Bas» (nº 3-1939)

Vraag om uitleg van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over «de toepassing van het nieuwe verdrag met Nederland inzake de dubbele belasting» (nr. 3-1939)

M. le président. – M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre, répondra.

De voorzitter. – De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

Mme Mia De Schamphelaere (CD&V). – Comme d’autres qui exercent leur profession dans deux pays, le coureur cycliste néerlandais Suykerbuyk est confronté à des difficultés à la suite de l’application de la nouvelle convention préventive de la double imposition du 5 juin 2001 entrée en vigueur le 31 décembre 2003. Dans cette convention, l’article 17 a été élargi et divisé en trois alinéas.

La portée de ces dispositions n’est pas toujours claire. Diverses interprétations sont possibles et elles génèrent des difficultés selon que l’employeur est néerlandais ou belge. Ce que l’employeur néerlandais, par exemple Rabobank, paie aux coureurs cyclistes belges qui habitent les Pays-Bas ou la Belgique est imposable aux Pays-Bas à hauteur de la partie des rémunérations relatives aux activités réalisées aux Pays-Bas. Si ce coureur cycliste a été actif 220 jours aux Pays-Bas par exemple, 85 jours en Belgique et 60 jours dans d’autres pays, seul le salaire correspondant à 220 jours peut être imposé aux Pays-Bas.

Avec la rédaction actuelle de l’article 17, on constate à présent que le fisc néerlandais considère comme imposable aux Pays-Bas la totalité du salaire qui a été payé par un employeur néerlandais aux coureurs cyclistes qui exercent leur profession à travers le monde (compétitions, entraînements).

Cette interprétation est-elle correcte ? Quelles sont les différences entre l’article 17 de la convention actuelle et celui de la convention de 1970 ?

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). – De Nederlandse wielrenner Suykerbuyk heeft, net als anderen die hun beroep in twee landen uitoefenen, moeilijkheden gekregen als gevolg van de toepassing van het nieuwe verdrag van 5 juni 2001 ter vermijding van dubbele belasting dat op 31 december 2003 in werking is getreden. In dat verdrag werd artikel 17 uitgebreid en opgedeeld in drie alinea’s.

De draagwijdte van deze bepalingen is niet altijd duidelijk. Er zijn verschillende interpretaties mogelijk die moeilijkheden veroorzaken naar gelang het gaat om een Nederlandse of een Belgische werkgever. Wat de Nederlandse werkgever, bijvoorbeeld Rabobank, betaalt aan Belgische wielrenners die in Nederland of in België wonen, is in Nederland belastbaar ten belope van het gedeelte van de bezoldigingen dat aan in Nederland verrichte werkzaamheden kan worden toegeschreven. Als die wielrenner bijvoorbeeld 220 dagen actief was in Nederland, 85 dagen in België en 60 dagen in andere landen, konden dus maar 220 van de 365 dagen van het loon in Nederland worden belast.

Met de huidige redactie van artikel 17 wordt nu vastgesteld dat de Nederlandse fiscus het volledige loon dat door een Nederlandse werkgever wordt betaald aan wielrenners die waar ook ter wereld hun beroep uitoefenen (wedstrijden, trainingskampen), beschouwt als belastbaar in Nederland.

Is deze interpretatie correct? Wat zijn de verschillen tussen artikel 17 van het huidige verdrag en het verdrag van 1970?

M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre. – Le contenu de l’article 17 de la convention préventive de la double imposition du 5 juin 2001 ne diffère pas de celui de l’article 17 de la convention préventive de la double imposition du 19 octobre 1970. Dans la nouvelle convention avec les Pays-Bas, seuls deux paragraphes ont été ajoutés.

Le deuxième paragraphe vise à prévenir un certain nombre d’abus. Il fait en sorte que les revenus d’un sportif ou d’un artiste payés à une société soient également imposés par l’État où l’activité est exercée.

À la suite de l’ajout du troisième paragraphe, les revenus de prestations artistiques ou sportives dans l’État ou l’activité est exercée sont exonérés si ces prestations sont financées pour une partie substantielle par des moyens publics de l’État de résidence. Dans ce cas, l’État de résidence a le droit d’imposer ces revenus.

Concrètement, cela signifie que, aussi bien dans l’ancienne que dans la nouvelle convention préventive de la double imposition conclue avec les Pays-Bas, les rémunérations des coureurs cyclistes sont imposables dans l’État où les activités personnelles ont lieu. L’État de résidence du coureur cycliste concerné accordera les exonérations nécessaires à condition que ce dernier puisse prouver que ces prestations ont effectivement été effectuées à l’étranger.

En cas de double imposition (par exemple si les Pays-Bas et la Belgique imposent les rémunérations), l’intéressé peut introduire, toujours sur la base de l’article 28 de la convention préventive de la double imposition conclue avec les Pays-Bas, une demande de procédure amiable auprès de la direction compétente des Services centraux de l’Administration de la fiscalité des entreprises et des revenus.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – De inhoud van artikel 17 van het Belgisch-Nederlands dubbelbelastingverdrag van 5 juni 2001 verschilt in feite niet van die van artikel 17 van het Belgisch-Nederlands dubbelbelastingverdrag van 19 oktober 1970. In het nieuwe verdrag met Nederland werden alleen twee paragrafen toegevoegd.

De tweede paragraaf heeft tot doel een aantal misbruiken te voorkomen. Deze paragraaf zorgt er immers voor dat de inkomsten van een sportbeoefenaar of artiest die betaald worden aan een vennootschap, eveneens belast worden in de Staat waar de activiteit wordt uitgeoefend.

Door het toevoegen van de derde paragraaf worden de inkomsten uit artistieke of sportieve prestaties in de Staat waar de activiteit wordt uitgeoefend, vrijgesteld indien blijkt dat deze voor een wezenlijk deel worden gefinancierd uit openbare middelen die worden verschaft door de woonstaat. In dit geval is de woonstaat heffingsbevoegd over deze inkomsten.

Concreet betekent dit dus dat de bezoldigingen van wielrenners, zowel in het oude als het nieuwe dubbelbelastingverdrag met Nederland, belastbaar zijn in de Staat waar de persoonlijke werkzaamheden verricht worden. De woonstaat van de betrokken wielrenner zal de nodige vrijstellingen verlenen, op voorwaarde dat hij kan aantonen dat deze prestaties effectief in het buitenland verricht zijn.

In het geval er toch een dubbele belasting zou ontstaan (bijvoorbeeld indien zowel Nederland als België de bezoldigingen zouden belasten), kan de betrokkene altijd op basis van artikel 28 van het Belgisch-Nederlands dubbelbelastingverdrag een verzoek tot onderling overleg indienen bij de bevoegde Directie van de Centrale Diensten van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit.

Demande d’explications de Mme Fauzaya Talhaoui au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur «la journée internationale pour l’élimination de la violence à l’égard des femmes et les missions de la police» (nº 3-1948)

Vraag om uitleg van mevrouw Fauzaya Talhaoui aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de dag tegen huishoudelijk geweld en de taken van de politie» (nr. 3-1948)

M. le président. – M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre, répondra.

De voorzitter. – De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

Mme Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT). – À l’occasion de la journée du 25 novembre dédiée par les Nations unies à l’élimination de la violence à l’égard des femmes, de nombreux débats ont été consacrés à cette question, y compris au Sénat.

Si notre pays est doté d’une réglementation en la matière, sa mise en œuvre et l’octroi de moyens humains et financiers laissent parfois à désirer. Parmi les initiatives importantes prises, citons les récentes circulaires COL 3 et COL 4 du Collège des procureurs généraux relatives à l’approche de la violence intrafamiliale par les services de police et les parquets. Ces circulaires font état de la désignation d’un fonctionnaire de référence « au moins » par corps de police. Une approche et un suivi de qualité de la violence intrafamiliale nécessitent un minimum de moyens et d’heures de travail. Le fait de prévoir au moins un fonctionnaire de référence par corps de police implique qu’un corps ayant un effectif de 2000 personnes répond tout aussi bien à la norme qu’un corps de 50 personnes. Dans la pratique, cette seule personne ne peut fournir un travail de qualité.

Selon la police, en 2005, 2.697 procès-verbaux ont été dressés à Anvers pour des faits de violence intrafamiliale, soit plus de sept cas par jour. La police ne dispose ni du personnel ni du temps pour procéder à une analyse approfondie mais elle estime que dans au moins 11% des cas, il existe un risque de récidive à court terme. Le plan zonal de sécurité d’Anvers considère la violence comme un point important mais pas comme une priorité, et ce en raison du manque de personnel.

La circulaire COL 4 recommande que lors de son intervention, la police demande au suspect de quitter la maison. Dans la pratique, la police procédait déjà de cette manière. Cependant, le suspect revient souvent sur les lieux, d’où une escalade de la violence. Cette recommandation reste donc souvent sans effet. Dans les incidents graves, la possession d’armes joue également un rôle. Certains pays, notamment l’Autriche, procèdent différemment en faisant signer un contrat par le suspect et la victime et en transmettant immédiatement le procès-verbal à une institution d’aide qui intervient aussitôt, tant à l’égard de la victime que du suspect.

Outre ses missions policières proprement dites, un agent devrait avoir le temps d’assurer le suivi et l’analyse des dossiers à risques, en collaboration avec un magistrat de référence du parquet, tout en coordonnant le travail effectué conjointement avec d’autres partenaires dans les dossiers individuels.

1. Dans le débat sur les missions de base de la police, le ministre a-t-il l’intention de tenir compte des circulaires COL 3 et COL 4 en ce qui concerne les moyens et le personnel, y compris par région ?

2. Le ministre envisage-t-il une coordination avec sa collègue de la Justice.

3. Quelles autres mesures le ministre prendra-t-il pour renforcer l’efficacité des circulaires COL 3 et COL 4, notamment en ce qui concerne les mesures de sécurité lors de l’éloignement du domicile ?

4. Le Conseil européen de Madrid a établi clairement que la violence à l’égard des femmes constitue une violation des droits de l’homme contre laquelle il faut agir. Une simple approche d’assistance ne suffit pas à stopper cette forme de violence. Quel est le point de vue du ministre à ce sujet ?

5. La situation des femmes sans papiers qui sont maltraitées par leur partenaire mérite aussi une attention particulière. Actuellement, les policiers n’ont pas d’autre solution que de renvoyer à la rue ou à leur partenaire les femmes qui viennent demander de l’aide. Aucune organisation ne veux supporter les coûts liés à l’accueil de ces femmes. Dans le Plan national d’action contre la violence conjugale 2005-2008, le ministre s’était engagé à faire en sorte que ces femmes soient protégées par le même statut que les victimes de la traite des êtres humains. Où en est cette proposition ?

Mevrouw Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT). – Zaterdag 25 november was het VN-themadag tegen huiselijk geweld. Daar werden veel debatten aan gewijd, in de Senaat en elders in het land.

In België hebben we een ondersteunende wetgeving maar de implementatie en de toekenning van mensen en middelen laat hier soms te wensen over. Belangrijke initiatieven zijn de recente richtlijnen COL 3 en COL 4 van het college van procureurs-generaal inzake de aanpak van intrafamiliaal geweld voor politiediensten en parketten. Die richtlijnen spreken onder meer over het aanstellen van ‘minstens één’ referentieambtenaar per politiekorps. Om in een kwaliteitsvolle aanpak en follow-up van huiselijk geweld te kunnen voorzien is echter een minimum aan middelen en mensuren nodig. ‘Minstens één’ referentieambtenaar per politiekorps wil dus ook zeggen dat een korps van 2000 manschappen evengoed aan de norm voldoet als een korps met 50 manschappen. Maar in de praktijk kan die ene persoon voor 2000 manschappen geen kwaliteitsvol politiewerk afleveren.

In Antwerpen werden er in 2005 volgens de politiecijfers 2697 processen-verbaal opgesteld met betrekking tot huiselijk geweld. Dat op zich is al een hallucinant cijfer: meer dan 50 processen-verbaal per week, meer dan 7 gevallen van huiselijk geweld per dag! Momenteel heeft de politie niet de mankracht of de tijd om een volledige en intensieve screening uit te voeren, maar de politie schat dat minstens 11% hiervan risicodossiers zijn waarbij herhaling van de feiten op korte termijn waarschijnlijk is. In het zonale veiligheidsplan van Antwerpen is de aanpak van huiselijk geweld evenwel geen prioriteit maar een ‘aandachtspunt’. Het korps heeft namelijk af te rekenen met een tekort aan personeel, de uitstroom is groter dan de instroom en men moet steeds meer opdrachten uitvoeren met steeds minder middelen.

In de richtlijn COL 4 adviseert men bij interventie van de politie aan de verdachte te vragen het huis te verlaten. In de praktijk gebeurde dat echter ook al in het verleden, met als gevolg dat de verdachte enkele uren nadien weer voor de deur stond of zich opnieuw met geweld toegang tot de woning verschafte. De richtlijn werkt dus vaak niet, integendeel: in de praktijk merkt men vaak dat de situatie verder escaleert. Bij ernstige incidenten speelt wapenbezit ook een rol. In andere landen zoals in Oostenrijk pakt men de uithuisplaatsing anders aan: daar werkt de maatregel wel omdat men zowel de verdachte als het slachtoffer een contract laat tekenen en omdat het proces-verbaal meteen wordt doorgestuurd naar een hulpverleningsinstantie die meteen aan de slag gaat, zowel met het slachtoffer als met de verdachte.

Een agent heeft steeds tijd en armen tekort: naast de basispolitiezorg moet hij of zij én de opvolging én de screening van risicodossiers terdege kunnen aanpakken, in samenwerking met een referentiemagistraat van het parket, én de samenwerking met andere partners bij individuele dossiers coördineren.

1. Is de minister van plan om in het debat over te kerntaken van de politie rekening te houden met de COL 3 en COL 4 wat de inzet van middelen en personeel betreft, ook per regio?

2. Zal de minister hieromtrent coördineren met zijn collega van Justitie?

3. Welke andere maatregelen zal de minister nemen om de richtlijnen COL3 en COL4 performanter te laten werken, zodat bijvoorbeeld de uithuisplaatsing op een veiligere manier kan verlopen?

4. Op Europees niveau maakte de Europese Raad in Madrid duidelijk dat huiselijk geweld gaat over een schending van mensenrechten waartegen men moet optreden. Louter een hulpverleningsaanpak werkt daarom niet om huishoudelijk geweld te stoppen. Hoe ziet de minister dat?

5. Speciale aandacht moet ook gaan naar de situaties van vrouwen zonder papieren die mishandeld worden door hun partner. De politie heeft nu geen andere keuze dan die vrouwen op straat te zetten of terug te sturen naar hun partner als ze om hulp komen vragen. Geen enkele organisatie wil de kosten voor die opvang dragen. In het Nationaal Actieplan Partnergeweld 2005-2008 had de minister zich geëngageerd om voor die vrouwen een oplossing te zoeken zodat ze hetzelfde beschermde statuut zouden krijgen als slachtoffers van mensenhandel. Hoever staat het met dit voorstel?

M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre. – Je vous lis la réponse du ministre de l’Intérieur.

La question des missions de base de la police locale fait actuellement l’objet d’un examen approfondi par la Commission d’accompagnement de la réforme des polices au niveau local. Les missions policières de première ligne sont avant tout une compétence de la police locale.

La mise en œuvre des circulaires en question relève des compétences de la ministre de la Justice. Mes services et moi sommes évidement prêts à entamer une concertation et à collaborer afin d’aboutir à une réglementation aussi claire que possible.

L’objectif des circulaires COL 3 et COL 4 est de susciter dans tous les cas une intervention et une décision de la justice.

La loi du 15 décembre 1980 a été modifiée est désormais conforme à la directive européenne 2003/86. La modification de la loi intervenue le 15 septembre 2006 a été publiée au Moniteur belge du 6 octobre 2006. L’article 9, dernier alinéa, est libellé comme suit : « Le ministre ou son délégué prend particulièrement en considération la situation des personnes victimes de violences dans leur famille, qui ont quitté leur foyer et nécessitent une protection. Dans ces cas, il informera la personne concernée de sa décision de ne pas mettre fin (…) à son séjour. »

La loi entre en vigueur aux dates fixées par le Roi et au plus tard le premier jour du treizième mois qui suit celui au cours duquel elle aura été publiée au Moniteur belge.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik lees het antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken.

Het debat over de invulling van de basisfuncties van de lokale politie maakt momenteel het voorwerp uit van een diepgaand onderzoek binnen de Commissie ter begeleiding van de politiehervorming op het lokale niveau. De eerstelijnspolitie is in eerste instantie een bevoegdheid van de lokale politie.

De implementatie van bedoelde omzendbrieven behoort tot de bevoegdheid van de minister van Justitie. Vanzelfsprekend zijn ikzelf en mijn diensten steeds bereid tot overleg en samenwerking om tot een zo duidelijk mogelijke regelgeving te komen.

De omzendbrieven COL 3 en COL 4 zijn bedoeld om altijd een justitieel optreden en beslissing uit te lokken.

De wet van 15 december 1980 werd gewijzigd en voldoet nu aan de Europese richtlijn 2003/86. De wetswijziging van 15 september 2006 werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 6 oktober 2006. Artikel 9, laatste alinea, luidt als volgt: ‘De minister of zijn gemachtigde houdt in het bijzonder rekening met de situatie van personen die het slachtoffer zijn van geweld in de familie, die het huishouden hebben verlaten en bescherming nodig hebben. In deze gevallen zal hij de betrokken persoon op de hoogte brengen van zijn beslissing om geen einde te stellen aan zijn verblijf (…)’.

De wet treedt in werking op de door de Koning vast te stellen data en uiterlijk op de eerste dag van de dertiende maand volgend op de publicatiedatum in het Belgisch Staatsblad.

Mme Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT). – Le ministre de l’Intérieur n’étant pas présent, je lui poserai ultérieurement mes questions complémentaires.

Mevrouw Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT). – Aangezien de minister van Binnenlandse Zaken hier niet zelf antwoordt, zal ik hem mijn bijkomende vragen later stellen.

Demande d’explications de Mme Erika Thijs au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur «le rapport d’activités 2005 de la police fédérale» (nº 3-1928)

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «het activiteitenverslag 2005 van de federale politie» (nr. 3-1928)

M. le président. – M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre, répondra.

De voorzitter. – De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

Mme Erika Thijs (CD&V). – Voici quelque temps, M. Vandeplas a présenté le rapport d’activités 2005 de la police fédérale à la commission de l’Intérieur.

Le chapitre Management des ressources humaines indique qu’en 2005, 1.286 personnes ont pris part aux épreuves organisées pour la sélection d’externes pour le cadre opérationnel. Aucune ventilation des chiffres en fonction du sexe n’était toutefois réalisée. Combien de femmes ont-elles participé à chacune de ces épreuves ?

Pour toutes les catégories, 1.938 nouveaux membres du personnel ont été engagés. Les chiffres des recrutements ne sont pas davantage ventilés en fonction du sexe. Combien de candidates féminines ont-elles été engagées dans les différents cadres ? La proportion de femmes recrutées correspond-elle à la proportion de femmes ayant participé aux épreuves de sélection ?

Par ailleurs, nous ne disposons pas de chiffres ventilés selon le sexe concernant le nombre d’étudiants inscrits à l’École fédérale, à l’École de recherche, à l’École des officiers et dans les écoles agréées. Quel est le nombre d’étudiantes ? Quelle est la proportion d’étudiantes par rapport au nombre d’étudiants ? Quels est le nombre de diplômées pour chacune et pour l’ensemble de ces écoles ? Quelle est la proportion de femmes diplômées par rapport au nombre de diplômés masculins ?

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). – Enige tijd geleden gaf de heer Vandeplas een uitgebreide uiteenzetting over het activiteitenverslag van de federale politie 2005 in de commissie Binnenlandse Zaken.

In het hoofdstuk Human Resource Management geven de cijfers 2005 aan dat in totaal 1.286 personen deelnamen aan de georganiseerde selectieproeven voor externen in het operationeel kader: 1.255 personen voor het agentenkader, 474 voor het basiskader, 707 voor het gespecialiseerd middenkader en 740 voor het officierskader. Er wordt echter geen opsplitsing gemaakt naargelang van het geslacht. Hoeveel vrouwelijke deelnemers waren er voor elk van deze proeven?

Voor alle categorieën werden er in totaal 1.938 nieuwe personeelsleden in dienst genomen. Hier wordt evenmin een opsplitsing gemaakt naar geslacht. Hoeveel vrouwelijke kandidaten werden er aangeworven in de diverse personeelsformaties? Komt deze verhouding overeen met het aantal vrouwen dat deelnam aan de selectieproeven?

Wat betreft het aantal studenten in zowel de Federale school als de Rechercheschool, de officierenschool en de erkende scholen, wordt evenmin een onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen. Hoeveel vrouwelijke studenten zijn er? Wat is de verhouding ten opzichte van het aantal mannelijke studenten? Wat is de uitstroom van de vrouwelijke studenten per school of als geheel? Wat is de verhouding ten opzichte van de uitstroom van mannelijke studenten?

M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire d’État à la Simplification administrative, adjoint au premier ministre. – Le ministre vous communiquera les détails de sa réponse par écrit.

Vous constaterez que, pour les inspecteurs, 30% des candidats et des lauréats sont des femmes. Pour les agents, le pourcentage est d’environ 33%. Pour les aspirants-officiers, les femmes représentent 49% des candidats et 55% des lauréats.

La proportion de femmes augmente rapidement. Dans la formation d’officiers actuellement en cours, on ne compte que 29% de femmes. Parmi les nouveaux aspirants-inspecteurs inscrits à l’école de police de Flandre orientale, le nombre de femmes dépasse celui des hommes. C’est peut-être un cas exceptionnel mais il montre bien que la composition de la police tend de plus en plus à refléter la composition de la population.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – De minister zal u het detail van zijn antwoord schriftelijk overhandigen.

U zal daarbij vaststellen dat voor de inspecteurs 30% van de kandidaten en van de geslaagden vrouw is. Bij de agenten bedraagt deze percentages ongeveer 33%. Bij de aspirant-officieren vormen de vrouwen 49% van de kandidaten, maar 55% van de geslaagden.

Het aandeel van vrouwen neemt inderdaad snel toe. In de lopende officierenopleiding, waar ook kandidaten die extern promotie maken deel van uitmaken, is nog maar 29% vrouw. In de nieuwe lichting aspirant-inspecteurs van de Oost-Vlaamse politieschool overtreft het aantal vrouwen voor de eerste maal het aantaal mannen. Dat is misschien uitzonderlijk, maar het wijst op de tendens dat de samenstelling van de politie steeds meer overeenstemt met de bevolkingssamenstelling.

M. le président. – L’ordre du jour de la présente séance est ainsi épuisé.

La prochaine séance aura lieu le jeudi 7 décembre à 10 h.

De voorzitter. – De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats donderdag 7 december om 10 uur.

(La séance est levée à 18 h 00.)

(De vergadering wordt gesloten om 18.00 uur.)

Excusés

Berichten van verhindering

M. Van den Brande, à l’étranger, M. Cheffert, pour raisons familiales, M. Lionel Vandenberghe, pour raisons personnelles, MM. Cheffert et Wilmots, pour d’autres devoirs, demandent d’excuser leur absence à la présente séance.

Afwezig met bericht van verhindering: de heer van den Brande, in het buitenland, de heer Cheffert, om familiale redenen, de heer Lionel Vandenberghe, om persoonlijke redenen, de heren Brotcorne en Wilmots, wegens andere plichten.

Pris pour information.

Voor kennisgeving aangenomen.

Annexe

Bijlage

Votes nominatifs

Naamstemmingen

Vote nº 1

Stemming 1

Présents : 55
Pour : 51
Contre : 0
Abstentions : 4

Aanwezig: 55
Voor: 51
Tegen: 0
Onthoudingen: 4

Pour

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Jurgen Ceder, Berni Collas, Hugo Coveliers, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Josy Dubié, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Abstentions

Onthoudingen

Yves Buysse, Frank Creyelman, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Vote nº 2

Stemming 2

Présents : 58
Pour : 42
Contre : 0
Abstentions : 16

Aanwezig: 58
Voor: 42
Tegen: 0
Onthoudingen: 16

Pour

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Berni Collas, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Francis Detraux, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Abstentions

Onthoudingen

Wouter Beke, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Josy Dubié, Isabelle Durant, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Vote nº 3

Stemming 3

Présents : 59
Pour : 59
Contre : 0
Abstentions : 0

Aanwezig: 59
Voor: 59
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Pour

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Berni Collas, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Josy Dubié, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Présentation de candidats pour un mandat de membre de la Commission fédérale de contrôle et d’évaluation de l’application de la loi du 28 mai 2002 relative à l’euthanasie

Voordracht van kandidaten voor een mandaat van lid van de Federale Controle- en Evaluatiecommissie inzake de toepassing van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie

Résultats individuels

Individuele resultaten

Candidats par ordre alphabétique
Kandidaten in alfabetische volgorde

Liste 1
Lijst 1

Liste 2
Lijst 2

– Yvon Bartelink

1


1


– Sabien Bauwens

38


0


– Dominique Bron

39


1


– Stefaan Callens

1


1


– Petra Claes

0


38


– Marc Cosyns

0


0


– François Damas

1


39


– Walter De Bondt

38


0


– Etienne De Groot

38


0


– Hélène Delperdange

1


1


– Magriet De Maegd

38


0


– Yves Derwahl

1


0


– Marianne Desmedt

1


38


– Marc Desmet

1


1


– Wilhelmina Dijkhoffz

0


38


– Wim Distelmans

38


0


– Frank Douchy

1


1


– Chantal Doyen

0


0


– Marc Englert

39


1


– Jacques Fierens

1


0


– Béatrice Figa

0


38


– Frank Fleerackers

0


0


– Gilles Genicot

1


39


– Arlette Geuens

0


38


– Jacqueline Herremans

38


0


– Martin Hiele

0


0


– Emmanuël Keirse

0


0


– Fernand Keuleneer

2


38


– Roger Lallemand

39


1


– Claudine Laurent

0


38


– Yves-Henri Leleu

39


1


– Philippe Maassen

38


0


– Michel Magits

0


38


– Gérard Magnette

38


0


– Jean-Marie Maloteaux

2


1


– Raymond Mathys

38


0


– Johan Menten

0


0


– Arsène Mullie

0


0


– Herman Nys

1


1


– Christian Panier

0


38


– Luc Proot

0


38


– Colette Raymakers

0


0


– Jean-Michel Thomas

1


39


– Simon Van Belle

0


38


– Bart Van den Eynden

0


38


– Bert Vanderhaegen

0


0


– Jacqueline Vandeville

40


1


– Margaretha Van Emelen

38


0


– Fernand van Neste

38


0


– Marc Van Overstraeten

1


1


– Diederik Zegers de Beyl

0


0


Propositions prises en considération

In overweging genomen voorstellen

Propositions de loi

Wetsvoorstellen

Article 81 de la Constitution

Artikel 81 van de Grondwet

Proposition de loi modifiant l’arrêté royal du 30 septembre 2005 désignant les infractions par degré aux règlements généraux pris en exécution de la loi relative à la police de la circulation routière, en vue d’alourdir les peines pour le non-respect des règles en matière de chargement des véhicules (de Mme Anke Van dermeersch ; Doc. 3-1948/1).

Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 september 2005 tot aanwijzing van de overtredingen per graad van de algemene reglementen genomen ter uitvoering van de wet betreffende de politie over het wegverkeer tot verzwaring van de straffen op het niet naleven van de regels inzake de lading van voertuigen (van mevrouw Anke Van dermeersch; Stuk 3-1948/1).

Envoi à la commission des Finances et des Affaires économiques.

Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Proposition de loi modifiant le Code des impôts sur les revenus 1992 afin de considérer l’installation d’un réservoir LPG comme une dépense déductible, dans le but de promouvoir l’utilisation du LPG en tant que carburant classique le moins polluant (de M. Jan Steverlynck et consorts ; Doc. 3-1949/1).

Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, om, ter bevordering van het gebruik van LPG als minst vervuilende klassieke brandstof, de installatie van een LPG-tank als aftrekbare besteding te beschouwen (van de heer Jan Steverlynck c.s.; Stuk 3-1949/1).

Envoi à la commission des Finances et des Affaires économiques.

Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Proposition de loi modifiant l’arrêté royal du 23 décembre 2002 fixant les modalités selon lesquelles l’État assure la gratuité des soins de santé, à l’intervention de l’Institut national des invalides de guerre, anciens combattants et victimes de guerre, à différentes catégories d’anciens combattants et de victimes de guerre (de Mme Anne-Marie Lizin et consorts ; Doc. 3-1952/1).

Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 december 2002 tot vaststelling van de wijze waarop de Staat door bemiddeling van het Nationaal Instituut voor oorlogsinvaliden, oud-strijders en oorlogsslachtoffers voorziet in de kosteloze geneeskundige verzorging van verscheidene categorieën oud-strijders en oorlogsslachtoffers (van mevrouw Anne-Marie Lizin c.s.; Stuk 3-1952/1).

Envoi à la commission des Relations extérieures et de la Défense.

Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Proposition de loi modifiant le Code civil en vue de conférer à une requête en annulation devant le Conseil d’État un caractère suspensif à l’égard de l’action civile en dommages et intérêts (de M. Hugo Vandenberghe ; Doc. 3-1955/1).

Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de invoering van het schorsend karakter van een verzoekschrift tot vernietiging bij de Raad van State voor wat de burgerrechtelijke vordering tot schadevergoeding betreft (van de heer Hugo Vandenberghe; Stuk 3-1955/1).

Envoi à la commission de la Justice.

Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Proposition de loi complétant l’article 45 de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, en vue de renforcer la participation démocratique (de M. Jan Steverlynck et consorts ; Doc. 3-1956/1).

Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 45 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, ter versterking van de democratische betrokkenheid (van de heer Jan Steverlynck c.s.; Stuk 3-1956/1).

Envoi à la commission de l’Intérieur et des Affaires administratives.

Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Demandes d’explications

Vragen om uitleg

Le Bureau a été saisi des demandes d’explications suivantes :

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

de M. Wouter Beke au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « le fonds de lutte contre les assuétudes » (nº 3-1953)

van de heer Wouter Beke aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “het verslavingsfonds” (nr. 3-1953)

de Mme Clotilde Nyssens au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur « l’octroi des visas » (nº 3-1954)

van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over “de toekenning van visa” (nr. 3-1954)

de M. Luc Willems au secrétaire d’État aux Entreprises publiques sur « l’accessibilité de la région du sud de la Flandre orientale par les transports en commun » (nº 3-1955)

van de heer Luc Willems aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over “de bereikbaarheid van de regio Zuid-Oost-Vlaanderen met het openbaar vervoer” (nr. 3-1955)

de M. Wouter Beke au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « l’exécution de la loi du 10 juin 2006 réformant les cotisations sur le chiffre d’affaires des spécialités pharmaceutiques remboursables » (nº 3-1956)

van de heer Wouter Beke aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “de uitvoering van de wet van 10 juni 2006 tot hervorming van de heffingen op de omzet van vergoedbare farmaceutische specialiteiten” (nr. 3-1956)

de M. Wouter Beke au ministre de la Défense sur « l’exécution de la loi du 11 avril 2003 instituant un service volontaire d’utilité collective » (nº 3-1957)

van de heer Wouter Beke aan de minister van Landsverdediging over “de uitvoering van de wet van 11 april 2003 tot instelling van een vrijwillige dienst van collectief nut” (nr. 3-1957)

de Mme Clotilde Nyssens au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur « l’interdiction d’expulser des femmes enceintes » (nº 3-1958)

van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over “het verbod om zwangere vrouwen uit te wijzen” (nr. 3-1958)

de Mme Annemie Van de Casteele au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « le nombre de femmes siégeant au sein des organes de l’INAMI et des organes d’avis du SPF Santé publique, Sécurité de la chaîne alimentaire et Environnement » (nº 3-1959)

van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “het aantal vrouwen in de organen van het RIZIV en de adviesorganen van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu” (nr. 3-1959)

de M. Jacques Brotchi à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur « la mise à disposition du gouvernement » (nº 3-1960)

van de heer Jacques Brotchi aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over “de terbeschikkingstelling van de regering” (nr. 3-1960)

de M. François Roelants du Vivier à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur « les conclusions de la commission interministérielle de droit humanitaire sur la sanction du négationnisme en droit belge » (nº 3-1961)

van de heer François Roelants du Vivier aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over “de conclusies van de interministeriële commissie voor humanitair recht inzake de bestraffing van het negationisme in het Belgische recht” (nr. 3-1961)

de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice, au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur, au ministre des Affaires étrangères et au ministre de la Mobilité sur « les infractions au code de la route commises par les étrangers » (nº 3-1962)

van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie, aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken, aan de minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister van Mobiliteit over “verkeersovertredingen door buitenlanders” (nr. 3-1962)

de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « les dangers éventuels pour la santé de l’internet sans fil » (nº 3-1963)

van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “de mogelijke gevaren voor de gezondheid van draadloos internet” (nr. 3-1963)

de M. Hugo Vandenberghe au ministre de la Mobilité sur « la sécurité des automobilistes en cas d’accident ou de panne » (nº 3-1964)

van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Mobiliteit over “de veiligheid van de automobilisten bij een ongeval of pech” (nr. 3-1964)

de Mme Annemie Van de Casteele au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « les dossiers d’exportation à destination de pays n’appartenant pas à la CE en ce qui concerne les médicaments vétérinaires » (nº 3-1965)

van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “exportdossiers voor niet-EG-landen voor veterinaire geneesmiddelen” (nr. 3-1965)

de Mme Clotilde Nyssens au ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances sur « la nomination d’un directeur à la tête de l’Institut pour l’égalité des femmes et des hommes » (nº 3-1966)

van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over “de benoeming van een directeur aan het hoofd van het Instituut voor gelijkheid van mannen en vrouwen” (nr. 3-1966)

de Mme Annemie Van de Casteele au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « l’arrêté royal du 10 novembre 2006 rétablissant l’obligation de tenir un registre de prestations » (nº 3-1967)

van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “het koninklijk besluit van 10 november 2006 tot herinvoering van de bewaring van verstrekkingen” (nr. 3-1967)

de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur « les interprètes employés par les pouvoirs publics » (nº 3-1968)

van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over “de tolken in dienst van de overheid” (nr. 3-1968)

de Mme Fauzaya Talhaoui au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique et au ministre de l’Environnement et ministre des Pensions sur « les modifications apportées aux régimes de pension des affiliés à l’Office de sécurité sociale d’outre-mer » (nº 3-1969)

van mevrouw Fauzaya Talhaoui aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen over “de wijzigingen in de pensioenregelingen voor de aangeslotenen bij de Dienst voor Overzeese Sociale Zekerheid” (nr. 3-1969)

Ces demandes sont envoyées à la séance plénière.

Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Évocation

Evocatie

Par message du 24 novembre 2006, le Sénat a informé la Chambre des représentants de la mise en œuvre, ce même jour, de l’évocation :

De Senaat heeft bij boodschap van 24 november 2006 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van:

Projet de loi établissant un prélèvement visant à lutter contre la non-utilisation d’un site de production d’électricité par un producteur (Doc. 3-1944/1).

Wetsontwerp tot vaststelling van een heffing ter bestrijding van het niet benutten van een site voor de productie van elektriciteit door een producent (Stuk 3-1944/1).

Le projet de loi a été envoyé à la commission des Finances et des Affaires économiques.

Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Non-évocations

Niet-evocaties

Par messages des 28 et 30 novembre 2006, le Sénat a retourné à la Chambre des représentants, en vue de la sanction royale, les projets de loi non évoqués qui suivent :

Bij boodschappen van 28 en 30 november 2006 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de bekrachtiging door de Koning, de volgende niet geëvoceerde wetsontwerpen:

Projet de loi relatif à la déduction pour investissement en faveur du secteur horeca (Doc. 3-1895/1).

Wetsontwerp betreffende de investeringsaftrek ten gunste van de horecasector (Stuk 3-1895/1).

Projet de loi remplaçant l’article 230, alinéa 1er, 3º, du Code des impôts sur les revenus 1992 (Doc. 3-1896/1).

Wetsontwerp tot vervanging van artikel 230, eerste lid, 3º, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (Stuk 3-1896/1).

Projet de loi visant à modifier le Code de la taxe sur la valeur ajoutée (Doc. 3-1897/1).

Wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Stuk 3-1897/1).

Projet de loi relatif au statut des employés des conservateurs des hypothèques (Doc. 3-1898/1).

Wetsontwerp betreffende het statuut van de bedienden der hypotheekbewaarders (Stuk 3-1898/1).

Projet de loi portant modification des taux d’accises de certains produits énergétiques (Doc. 3-1899/1).

Wetsontwerp houdende wijziging van de accijnstarieven van bepaalde energieproducten (Stuk 3-1899/1).

Projet de loi modifiant l’article 249 du Titre premier, Chapitre XVIII, Section II du Code des droits d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe (Doc. 3-1903/1).

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 249 van Titel 1, Hoofdstuk XVIII, Afdeling II van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten (Stuk 3-1903/1).

Projet de loi modifiant la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux (Doc. 3-1904/1).

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (Stuk 3-1904/1).

Projet de loi portant des dispositions diverses en vue de la création du service de médiation pour le secteur postal et modifiant la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques (Doc. 3-1941/1).

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen met het oog op de oprichting van de ombudsdienst voor de postsector en tot wijziging van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie (Stuk 3-1941/1).

Pris pour notification.

Voor kennisgeving aangenomen.

Messages de la Chambre

Boodschappen van de Kamer

Par messages du 23 novembre 2006, la Chambre des représentants a transmis au Sénat, tels qu’ils ont été adoptés en sa séance du même jour :

Bij boodschappen van 23 november 2006 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:

Article 77 de la Constitution

Artikel 77 van de Grondwet

Projet de loi modifiant le Code judiciaire en ce qui concerne les contestations relatives à l’octroi, à la révision et le refus de l’aide matérielle (Doc. 3-1939/1).

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de geschillen inzake de toewijzing, de herziening en de weigering van de materiële hulp (Stuk 3-1939/1).

Le projet de loi a été envoyé à la commission de l’Intérieur et des Affaires administratives.

Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Projet de loi modifiant la loi du 6 avril 1995 relative à la prévention de la pollution de la mer par les navires concernant des matières visées à l’article 77 de la Constitution (Doc. 3-1943/1).

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 6 april 1995 betreffende de voorkoming van verontreiniging van de zee door schepen met betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet (Stuk 3-1943/1).

Le projet de loi a été envoyé à la commission des Affaires sociales.

Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Projet de loi organisant une voie de recours contre l’amende administrative infligée dans le cadre de l’application de la loi du […] établissant un prélèvement visant à lutter contre la non-utilisation d’un site de production d’électricité par un producteur (Doc. 3-1945/1).

Wetsontwerp tot inrichting van een beroep tegen de administratieve boete opgelegd in het raam van de toepassing van de wet van […] tot vaststelling van een heffing ter bestrijding van het niet benutten van een site voor de productie van elektriciteit door een producent (Stuk 3-1945/1).

Le projet de loi a été envoyé à la commission des Finances et des Affaires économiques.

Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Article 78 de la Constitution

Artikel 78 van de Grondwet

Projet de loi sur l’accueil des demandeurs d’asile et de certaines autres catégories d’étrangers (Doc. 3-1938/1).

Wetsontwerp betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen (Stuk 3-1938/1).

Le projet de loi a été reçu le 24 novembre 2006 ; la date limite pour l’évocation est le lundi 11 décembre 2006.

Het wetsontwerp werd ontvangen op 24 november 2006; de uiterste datum voor evocatie is maandag 11 december 2006.

Projet de loi modifiant la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, et la loi sur la fonction de police (Doc. 3-1940/1).

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, en van de wet op het politieambt (Stuk 3-1940/1).

Le projet de loi a été reçu le 24 novembre 2006 ; la date limite pour l’évocation est le lundi 11 décembre 2006.

Het wetsontwerp werd ontvangen op 24 november 2006; de uiterste datum voor evocatie is maandag 11 december 2006.

Projet de loi modifiant la loi du 6 avril 1995 relative à la prévention de la pollution de la mer par les navires concernant des matières visées à l’article 78 de la Constitution (Doc. 3-1942/1).

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 6 april 1995 betreffende de voorkoming van verontreiniging van de zee door schepen met betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet (Stuk 3-1942/1).

Le projet de loi a été reçu le 24 novembre 2006 ; la date limite pour l’évocation est le lundi 11 décembre 2006.

Het wetsontwerp werd ontvangen op 24 november 2006; de uiterste datum voor evocatie is maandag 11 december 2006.

Dépôt de projets de loi

Indiening van wetsontwerpen

Le Gouvernement a déposé les projets de loi ci-après :

De Regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend:

Projet de loi portant assentiment à l’Accord d’assistance administrative mutuelle en matière douanière entre le Royaume de Belgique et le Burkina Faso, signé à Bruxelles le 24 novembre 2003 (Doc. 3-1946/1).

Wetsontwerp houdende instemming met het Akkoord over wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken tussen het Koninkrijk België en Burkina Faso, ondertekend te Brussel op 24 november 2003 (Stuk 3-1946/1).

Le projet de loi a été envoyé à la commission des Relations extérieures et de la Défense.

Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Projet de loi portant assentiment à la Convention entre le Gouvernement du Royaume de Belgique et le Gouvernement de la République d’Albanie relative à la coopération policière, signée à Bruxelles le 22 mars 2005 (Doc. 3-1947/1).

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Albanië inzake politiesamenwerking, ondertekend te Brussel op 22 maart 2005 (Stuk 3-1947/1).

Le projet de loi a été envoyé à la commission des Relations extérieures et de la Défense.

Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Cour d’arbitrage – Arrêts

Arbitragehof – Arresten

En application de l’article 113 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour d’arbitrage, le greffier de la Cour d’arbitrage notifie à la présidente du Sénat :

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

l’arrêt nº 171/2006, rendu le 21 novembre 2006, en cause le recours en annulation de l’article 33 de la loi du 27 avril 2005 relative à la maîtrise du budget des soins de santé et portant diverses dispositions en matière de santé, introduit par l’ASBL Association francophone d’Institutions de Santé (numéro du rôle 3816) ;

het arrest nr. 171/2006, uitgesproken op 21 november 2006, inzake het beroep tot vernietiging van artikel 33 van de wet van 27 april 2005 betreffende de beheersing van de begroting van de gezondheidszorg en houdende diverse bepalingen inzake gezondheid, ingesteld door de VZW “Association francophone d’Institutions de Santé” (rolnummer 3816);

l’arrêt nº 172/2006, rendu le 22 novembre 2006, en cause les questions préjudicielles relatives aux articles 40 à 43 du décret flamand du 18 décembre 1992 contenant des mesures d’accompagnement du budget 1993 et aux articles 97 et 98 de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, posées par le Conseil d’État (numéro du rôle 3821) ;

het arrest nr. 172/2006, uitgesproken op 22 november 2006, inzake de prejudiciële vragen over de artikelen 40 tot 43 van het Vlaamse decreet van 18 december 1992 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1993 en over de artikelen 97 en 98 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, gesteld door de Raad van State (rolnummer 3821);

l’arrêt nº 173/2006, rendu le 22 novembre 2006, en cause la question préjudicielle relative à l’article 20duodecies de la loi du 21 décembre 1990 portant statut des candidats militaires du cadre actif, inséré par l’article 35 de la loi du 20 juillet 2005 portant des dispositions diverses, posée par le Conseil d’État (numéro du rôle 3853) ;

het arrest nr. 173/2006, uitgesproken op 22 november 2006, inzake de prejudiciële vraag over artikel 20duodecies van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader, ingevoegd bij artikel 35 van de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen, gesteld door de Raad van State (rolnummer 3853);

l’arrêt nº 174/2006, rendu le 22 novembre 2006, en cause le recours en annulation des articles 16 et 17 (« Modifications de la loi du 31 décembre 1963 sur la protection civile ») de la loi du 20 juillet 2005 portant des dispositions diverses, introduit par la ville d’Andenne (numéro du rôle 3857) ;

het arrest nr. 174/2006, uitgesproken op 22 november 2006, inzake het beroep tot vernietiging van de artikelen 16 en 17 (“Wijzigingen van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming”) van de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen, ingesteld door de stad Andenne (rolnummer 3857);

l’arrêt nº 175/2006, rendu le 22 novembre 2006, en cause la question préjudicielle concernant l’article 1675/13, §3, du Code judiciaire, posée par la Cour d’appel de Gand (numéro du rôle 3858) ;

het arrest nr. 175/2006, uitgesproken op 22 november 2006, inzake de prejudiciële vraag over artikel 1675/13, §3, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Gent (rolnummer 3858);

l’arrêt nº 176/2006, rendu le 22 novembre 2006, en cause la question préjudicielle relative à l’article 215, alinéa 3, 4º, du Code des impôts sur les revenus 1992, posée par la Cour d’appel de Liège (numéro du rôle 3862) ;

het arrest nr. 176/2006, uitgesproken op 22 november 2006, inzake de prejudiciële vraag over artikel 215, derde lid, 4º, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door het Hof van Beroep te Luik (rolnummer 3862);

l’arrêt nº 177/2006, rendu le 22 novembre 2006, en cause la question préjudicielle relative à l’article 36, §1er, des lois coordonnées sur le Conseil d’État, posée par le Conseil d’État (numéro du rôle 3893).

het arrest nr. 177/2006, uitgesproken op 22 november 2006, inzake de prejudiciële vraag over artikel 36, §1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gesteld door de Raad van State (rolnummer 3893).

Pris pour notification.

Voor kennisgeving aangenomen.

Cour d’arbitrage – Questions préjudicielles

Arbitragehof – Prejudiciële vragen

En application de l’article 77 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour d’arbitrage, le greffier de la Cour d’arbitrage notifie à la présidente du Sénat :

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

la question préjudicielle relative à l’article 442bis du Code pénal, posée par la chambre des mises en accusation de la Cour d’appel d’Anvers (numéro du rôle 4060).

de prejudiciële vraag over artikel 442bis van het Strafwetboek, gesteld door de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Antwerpen (rolnummer 4060).

Pris pour notification.

Voor kennisgeving aangenomen.

Cour d’arbitrage – Recours

Arbitragehof – Beroepen

En application de l’article 76 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour d’arbitrage, le greffier de la Cour d’arbitrage notifie à la présidente du Sénat :

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

le recours en annulation du décret de la Région wallonne du 27 avril 2006 modifiant l’article 52 du Code des droits d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe, introduit par l’ « Union Professionnelle du Secteur Immobilier » (numéro du rôle 4065).

het beroep tot vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 27 april 2006 tot wijziging van artikel 52 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, ingesteld door de “Beroepsvereniging van de Vastgoedsector” (rolnummers 4065).

Pris pour notification.

Voor kennisgeving aangenomen.

Conseil central de l’économie et Conseil national du travail

Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en Nationale Arbeidsraad

Par lettre du 22 novembre 2006, le Conseil central de l’économie et le Conseil national du travail ont transmis au Sénat, conformément à l’article premier de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l’économie et à l’article 1er de la loi du 29 mai 1952 organique du Conseil national du travail, l’avis commun concernant le projet de loi et le projet d’arrêté royal portant exécution de l’avis
nº 1.536 du 30 novembre 2005 relatif à la simplification du bilan social.

Bij brief van 22 november 2006 hebben de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en de Nationale Arbeidsraad, overeenkomstig artikel 1 van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en artikel 1 van de organieke wet van 29 mei 1952 tot inrichting van de Nationale Arbeidsraad aan de Senaat overgezonden, het gezamenlijke advies betreffende het wetsontwerp en het ontwerp van koninklijk besluit ter uitvoering van het advies nr. 1.536 van 30 november 2005 betreffende de vereenvoudiging van de sociale balans.

Envoi à la commission des Finances et des Affaires économiques et à la commission des Affaires sociales.

Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden en naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Communication informelle d’un traité

Informele mededeling van een verdrag

Par lettre du 22 novembre 2006, le vice-premier ministre et ministre des Finances a transmis au Sénat le texte de la Convention visant à prévenir la double imposition entre la Belgique et les États-Unis, signé le 27 novembre 2006.

Bij brief van 22 november 2006 heeft de vice-eersteminister en minister van Financiën aan de Senaat ter kennisgeving overgezonden, de tekst van de overeenkomst tussen België en de Verenigde Staten van Amerika tot het vermijden van dubbele belasting, ondertekend op 27 november 2006.

Ce texte sera prochainement publié sur le site web du Service public fédéral Finances www.fiscus.fgov.be.

Deze tekst zal tevens worden gepubliceerd op de website van de Federale Overheidsdienst Financiën www.fiscus.fgov.be.

Cette Convention n’a pas encore été soumise à l’approbation des Chambres.

Deze Overeenkomst werd nog niet aan de Kamers ter goedkeuring voorgelegd.

Envoi à la commission des Relations extérieures et de la Défense.

Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.