|
Présidence de
Mme Anne-Marie Lizin
(La séance est ouverte à
15 h 10.)
|
Voorzitter: mevrouw Anne-Marie
Lizin
(De vergadering wordt geopend om
15.10 uur.)
|
|
Démission
de sénateurs
|
Ontslag
van senatoren
|
|
Mme la présidente.
– Par lettre du 10 novembre 2006, Monsieur
Jean-François Istasse m’a communiqué qu’il
renonce à son mandat de sénateur de communauté
à partir du 1er décembre 2006.
|
De voorzitter. – Bij
brief van 10 november 2006 heeft de heer Jean-François
Istasse mij medegedeeld dat hij met ingang van 1 december 2006
verzaakt aan zijn mandaat van gemeenschapssenator.
|
|
Par lettre du 22 novembre 2006,
Madame Erika Thijs m’a communiqué qu’elle
renonce à son mandat de sénatrice élue
direct à partir du 1er décembre 2006.
|
Bij brief van 22 november 2006
heeft mevrouw Erika Thijs mij medegedeeld dat zij met ingang
van 1 december 2006 verzaakt aan haar mandaat van
rechtstreeks verkozen senator.
|
|
– Pris pour notification.
|
– Voor kennisgeving
aangenomen.
|
|
Prise
en considération de propositions
|
Inoverwegingneming
van voorstellen
|
|
Mme la présidente.
– La liste des propositions à prendre en
considération a été distribuée.
Je prie les membres qui auraient des
observations à formuler de me les faire connaître
avant la fin de la séance.
Sauf suggestion divergente, je
considérerai ces propositions comme prises en
considération et renvoyées à la commission
indiquée par le Bureau. (Assentiment)
|
De voorzitter. – De
lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.
Leden die opmerkingen mochten
hebben, kunnen die vóór het einde van de
vergadering mededelen.
Tenzij er afwijkende suggesties
zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen
en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn
aangewezen. (Instemming)
|
|
(La liste des propositions prises
en considération figure en annexe.)
|
(De lijst van de in overweging
genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)
|
|
Questions
orales
|
Mondelinge
vragen
|
|
Question
orale de Mme Stéphanie Anseeuw au Premier ministre, à
la vice-première ministre et ministre de la Justice et au
ministre de l’Économie, de l’Énergie,
du Commerce extérieur et de la Politique scientifique sur
«les faux diplômes délivrés par des
universités et écoles supérieures»
(nº 3-1299)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Stéphanie Anseeuw aan de Eerste
minister, aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en
aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en
Wetenschapsbeleid over «de valse diploma’s van
universiteiten en hogescholen» (nr. 3-1299)
|
|
Mme Stéphanie
Anseeuw (VLD). – Nous savions depuis un certain temps
déjà que l’on pouvait facilement se procurer,
par internet, des diplômes d’universités
« américaines » inexistantes. De
plus nous voyons aujourd’hui que, par un simple clic de
souris et contre paiement, on peut acheter sur le web un diplôme
belge, et même un doctorat. Le site web que j’ai
visité proposait même de fausses listes de résultats
à l’encre thermostable.
Le problème
est que chaque établissement d’enseignement
détermine lui-même les marques de sécurité
de ses diplômes. Les directeurs du personnel font état
d’une augmentation du nombre de faux diplômes. Le
contrôle est difficile parce que la structure
bachelor/master entraîne une mobilité accrue et que
les escrocs opèrent généralement depuis
l’étranger. À ce jour, il n’existe pas
de registre centralisé des diplômes belges. En 2007,
les Pays-Bas mettront sur pied un registre des diplômes où
figureront les noms de tous les diplômés. On
pourrait également imposer une série de marques de
sécurité concernant l’encre, la mise en page,
le papier ou un timbre, créer une banque des diplômes
ou travailler via l’eID.
À
quelle échelle ces falsifications se produisent-elles et
a-t-on déjà trouvé de faux diplômes
belges ? Si oui, combien et quand ?
Des
falsificateurs de diplômes ont-ils fait l’objet de
poursuites judiciaires ces dernières années ?
Combien, pour quels faits, et quelles peines ont-il encourues ?
Dans le cadre
de la lutte contre les faux diplômes, la ministre
prône-t-elle un registre central des diplômes belges,
une inscription à l’eID ou une banque de diplômes ?
La ministre pourrait-elle détailler sa réponse ?
La lutte
contre la falsification de diplômes est-elle une priorité
pour la ministre et si oui, pourrait-elle illustrer sa réponse ?
|
Mevrouw Stéphanie
Anseeuw (VLD). – Dat men via het internet gemakkelijk
aan diploma’s van niet-bestaande ‘Amerikaanse’
universiteiten kan komen, wisten we al enige tijd. Vandaag
stellen we daarenboven vast dat men via een eenvoudige muisklik
en tegen betaling een Belgisch diploma of zelfs doctoraat kan
aankopen via het web. De webstek die ik bezocht, kon zelfs valse
resultatenlijsten voorleggen met warmtebestendige inkt.
Het probleem is dat elke
onderwijsinstelling zelf de veiligheidskenmerken van haar
diploma’s bepaalt. Personeelsmanagers maken gewag van een
stijging van het aantal valse diploma’s. De controle is
moeilijk omdat de bachelor/masterstructuur tot een grotere
studentenmobiliteit leidt en ook omdat de zwendelaars dikwijls
vanuit het buitenland opereren. Tot op heden bestaat er in ons
land geen centrale registratie van de Belgische diploma’s.
In Nederland voert men in 2007 een diplomaregister in, waarin de
namen zullen staan van al wie een diploma heeft behaald. Een
andere mogelijkheid is het opleggen van een reeks
beveiligingskenmerken die betrekking hebben op de inkt, de
lay-out, het papier of een zegel, de uitbouw van een diplomabank
of werken via de eID.
Op welke schaal komen vervalsingen
van diploma’s voor en werden er reeds valse Belgische
diploma’s aangetroffen? Zo ja, hoeveel en wanneer?
Werden er de jongste jaren
diplomafraudeurs strafrechtelijk vervolgd? Hoeveel, voor welke
feiten en welke straffen hebben ze gekregen?
Is de minister in de strijd tegen
valse diploma’s voorstander van een centrale registratie
van Belgische diploma’s, een inschrijving op de eID of een
diplomadatabank? Kan de minister dat uitvoerig toelichten?
Is de strijd tegen diplomavervalsing
voor de minister prioritair en zo ja, kan de minister dat
illustreren?
|
|
Mme Laurette
Onkelinx, vice-première ministre et ministre de la
Justice. – Ni les services de la Justice ni ceux de
l’Économie ne disposent des chiffres demandés
par Mme Anseeuw.
La
reconnaissance des diplômes, la manière dont on
obtient un diplôme et le contrôle des diplômes
étrangers sont des compétences communautaires. La
création d’une banque des diplômes est donc
également du ressort des communautés.
Le niveau
fédéral n’est compétent que pour
régler l’accès aux fonctions et aux
professions, à savoir la reconnaissance des qualifications
professionnelles et l’accès aux professions
réglementées.
En ce qui
concerne les statistiques des poursuites et des condamnations, il
n’existe pas de code d’infraction distinct pour les
faux en écritures ou l’usage de faux lorsque ceux-ci
concernent des diplômes. Le collège des procureurs
généraux a toutefois communiqué que dans
tous les dossiers où il est question de faux en écritures
ou d’usage de faux, les tribunaux poursuivent. Il en va
donc de même pour les dossiers portant sur les faux
diplômes. Ces délits sont punis d’une
réclusion de cinq à dix ans. Il s’agit donc
d’ores et déjà d’une priorité.
|
Mevrouw Laurette Onkelinx,
vice-eersteminister en minister van Justitie. – Noch de
diensten van Justitie, noch die van Economie beschikken over de
door mevrouw Anseeuw gevraagde cijfergegevens.
De erkenning van diploma’s, de
manier waarop men een diploma verwerft en de controle op de
buitenlandse diploma’s zijn gemeenschapsbevoegdheden. Ook
de oprichting van een diplomadatabank is bijgevolg een
bevoegdheid van de gemeenschappen.
Het federale niveau is louter
bevoegd voor de regeling van de toegang tot ambten en beroepen,
namelijk de erkenning van beroepskwalificaties en de toegang tot
de gereglementeerde beroepen.
Wat de vervolgings- en
veroordelingsstatistieken betreft, bestaat er geen aparte
misdrijfcode voor valsheid in geschrifte of gebruik van valse
stukken wanneer die betrekking hebben op diploma’s. Evenwel
heeft het college van procureurs-generaal meegedeeld dat men in
alle dossiers waarin sprake is van valsheid in geschrifte of
gebruik van valse stukken in principe overgaat tot effectieve
vervolging voor de rechtbanken. Dat geldt dus ook voor de
dossiers in verband met valse diploma’s. Die misdrijven
worden bestraft met opsluiting van vijf tot tien jaar. In die zin
is de vervolging van valse diploma’s nu al prioritair.
|
|
Question
orale de M. Berni Collas à la vice-première
ministre et ministre de la Justice sur «l’arrêté
royal sur la liste des armes soumises à autorisation pour
les tireurs sportifs» (nº 3-1303)
|
Mondelinge
vraag van de heer Berni Collas aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie over «het
koninklijk besluit inzake de lijst van vergunningsplichtige
wapens voor sportschutters» (nr. 3-1303)
|
|
M. Berni Collas (MR). –
Madame la ministre, vous avez été soumise à
un feu nourri de questions avant-hier en commission de la Justice
de la Chambre. Je souhaiterais poser des questions
complémentaires à celles posées par les
députés Bex et Bellot.
La loi du 8 juin 2006
réglant des activités économiques et
individuelles avec des armes prévoit, à
l’article 12, que les tireurs sportifs bénéficient
d’un régime spécial concernant les
autorisations pour des armes à feu.
Comme vous l’avez indiqué
dans votre réponse, le Parlement de la Communauté
germanophone a voté, le 20 novembre dernier, un
décret pour l’utilisation des armes pour les tireurs
sportifs. Je me permets toutefois de signaler que l’entrée
en vigueur est prévue non pas en 2007, mais à la
date d’entrée en vigueur de la loi susdite, et ce,
en vertu de l’article 15 de notre décret.
Nous avons donc accompli notre
devoir en ce qui concerne l’utilisation des armes par les
tireurs sportifs, comme l’a fait la Communauté
française. Cependant, il me paraît important de
disposer de la liste des armes sportives, arrêtée
par le ministre.
Dès lors, où en est-on
au niveau de l’établissement de la liste des armes
sportives soumises à autorisation ? Je pense, madame
la ministre, que vous devez y procéder via un arrêté
ministériel.
Qu’en est-il des arrêtés
royaux d’exécution, notamment en ce qui concerne le
modèle officiel des nouvelles autorisations et également
les conditions d’accès au « banc
d’épreuves » en vue de la neutralisation
des armes ?
|
De heer Berni
Collas (MR). – Mevrouw de minister, eergisteren
lag u in de Kamercommissie voor de Justitie onder een spervuur
van vragen. Ik zou graag enkele vragen stellen die aansluiten bij
die van volksvertegenwoordigers Bex en Bellot.
Artikel 12
van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van
economische en individuele activiteiten met wapens bepaalt dat
sportschutters een bijzondere regeling inzake
vuurwapenvergunningen genieten.
Zoals u in uw
antwoord hebt aangegeven, heeft het Parlement van de Duitstalige
Gemeenschap op 20 november jongstleden een decreet over het
gebruik van wapens door sportschutters goedgekeurd. Krachtens
artikel 15 treedt het decreet niet in werking in 2007, maar
op de datum die in de bovengenoemde wet is bepaald.
Inzake het
gebruik van wapens door sportschutters hebben we dus net als de
Franse Gemeenschap onze plicht vervuld. Desalniettemin vind ik
het belangrijk om over de lijst van sportwapens te beschikken
zoals die door de minister werd vastgesteld.
Hoe ver staat
het met het opstellen van de lijst van sportwapens waarvoor een
vergunning is vereist? Mevrouw de minister, ik denk dat u
die lijst bij ministerieel besluit moet vastleggen.
Hoe ver staat
het met de uitvoeringsbesluiten betreffende het officiële
formulier voor de nieuwe vergunningen en betreffende de
voorwaarden waaronder men een beroep kan doen op de Proefbank om
vuurwapens te laten neutraliseren?
|
|
Mme Laurette Onkelinx,
vice-première ministre et ministre de la Justice. –
Premièrement, mes services ont rédigé un
projet d’arrêté ministériel contenant
la liste des armes que les tireurs sportifs pourront acquérir
librement. Ce projet d’arrêté pourra être
transmis dans les prochains jours au Conseil d’État.
Deuxièmement, les modalités
d’acquisition de ces armes seront décrites dans un
arrêté royal qui sera publié sous peu. Il
précisera que, comme c’est déjà le cas
pour les armes des chasseurs, chaque vente d’une arme de
tir sportif à un détenteur de la licence de tireur
sportif doit être enregistrée au registre central
des armes au moyen d’un document modèle 9 à
envoyer au gouverneur.
Troisièmement, un arrêté
d’exécution « principal » de
la loi est prêt. Il sera cosigné dans les prochains
jours par mon collègue de l’Intérieur et
moi-même. Pour les autres arrêtés, je devrai
attendre l’installation du Conseil consultatif des armes
qui a fait l’objet d’un accord au sein du
gouvernement. Il sera installé avant la fin de l’année
pour prendre des arrêtés complémentaires
d’exécution puisque l’avis du Conseil
consultatif est nécessaire.
Enfin, il n’y a pas de
modification de l’arrêté royal du
20 septembre 1991 relatif à la neutralisation
des armes par le « banc d’épreuves »
de Liège. Ce dernier relève par ailleurs de la
compétence de mon collègue, le ministre de
l’Économie.
|
Mevrouw Laurette
Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. –
Ten eerste hebben mijn diensten een ontwerp van ministerieel
besluit opgesteld met een lijst van vuurwapens die sportschutters
zich vrij kunnen aanschaffen. Dat ontwerp van besluit kan
eerstdaags aan de Raad van State worden overgezonden.
Ten tweede
zullen de voorwaarden waaronder men zich die wapens kan
aanschaffen, binnenkort bij koninklijk besluit worden
bekendgemaakt. Zoals reeds geldt voor jachtwapens, moet elke
verkoop van een sportvuurwapen aan een houder van een
sportschutterslicentie geregistreerd worden in een centraal
wapenregister middels overzending van een document model 9
aan de gouverneur.
Ten derde is
het hoofduitvoeringsbesluit bij de wet klaar. Eerstdaags zal ik
het samen met mijn collega van Binnenlandse Zaken ondertekenen.
Voor de andere besluiten moet ik wachten tot de Adviesraad voor
wapens is opgericht; de regering heeft daarover een akkoord
bereikt. Voor het einde van het jaar zal de Adviesraad bijkomende
uitvoeringsbesluiten nemen.
Tot slot werd
het koninklijk besluit van 20 september 1991
betreffende de neutralisaties van wapens door de proefbank te
Luik niet gewijzigd. Dat behoort overigens tot de bevoegdheid van
mijn collega, de minister van Economie.
|
|
M. Berni Collas (MR). –
Je remercie Mme la ministre de ses réponses. Je
voudrais poser une question complémentaire. Je connais une
personne qui détient une arme de par ses fonctions
passées, et de manière tout à fait légale,
je crois. L’intéressé voudrait la conserver
en état de fonctionnement, mais il me semble que la loi
actuelle l’oblige soit à la neutraliser, soit à
la remettre.
Il n’a plus aucun motif de
détenir cette arme. Il devrait sans doute justifier
concrètement la légitimité de la détention.
|
De heer Berni
Collas (MR). – Ik dank de minister voor haar
antwoorden. Ik zou een bijkomende vraag willen stellen. Ik ken
iemand die een wapen bezit uit hoofde van een vroegere functie en
mijns inziens is dat bezit volkomen legaal. De betrokkene zou
graag hebben dat het wapen nog kan blijven functioneren, maar het
komt me voor dat hij het krachtens de huidige wet moet laten
neutraliseren of het moet afgeven.
Hij heeft geen
enkel motief meer om dat wapen in zijn bezit te houden. Wellicht
moet hij een concrete verantwoording geven om het bezit ervan te
legitimeren.
|
|
Mme Laurette Onkelinx,
vice-première ministre et ministre de la Justice. –
Pour les tireurs sportifs, en tout cas en Communauté
française et en Communauté germanophone, cela ne
pose aucun problème. Les décrets ont été
pris. Le permis de tireur sportif vaut autorisation de détention
d’armes de tir. Pour les armes de chasse, c’est la
même chose. Le permis de chasse vaut autorisation de
détention d’armes de chasse. Pour les autres, il
faut un des motifs légitimes prévus par la loi. La
personne qui veut conserver une arme sans motif légitime
doit la faire neutraliser.
|
Mevrouw Laurette
Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. –
Voor de sportschutters in de Franse en de Duitstalige Gemeenschap
rijst er geen enkel probleem. De decreten zijn er. Met een
sportschuttersvergunning mag men een sportwapen in zijn bezit
hebben. Voor jachtwapens geldt hetzelfde. Met een jachtvergunning
mag men een jachtwapen in zijn bezit hebben. Voor andere wapens
moet men zich kunnen beroepen op één van de wettige
redenen waarin de wet voorziet. Wie een wapen zonder wettige
reden in zijn bezit wil houden, moet het laten neutraliseren.
|
|
M. Berni Collas (MR). –
En fait, il s’agit d’un ancien employé de
banque qui, autrefois, possédait une autorisation de
détention. Si je comprends bien, il devra la remettre ou
la neutraliser.
|
De heer Berni
Collas (MR). – Het betreft hier een gewezen
bankbediende die destijds een vergunning had. Als ik het goed
begrijp moet hij dat wapen afgeven of laten neutraliseren.
|
|
Mme Laurette Onkelinx,
vice-première ministre et ministre de la Justice. –
C’est exact.
|
Mevrouw Laurette
Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. –
Dat klopt.
|
|
Question
orale de Mme Mia De Schamphelaere à la
vice-première ministre et ministre de la Justice et au
ministre des Affaires étrangères sur «l’affaire
Erdal» (nº 3-1307)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de minister
van Buitenlandse Zaken over «de zaak-Erdal»
(nr. 3-1307)
|
|
Mme Mia
De Schamphelaere (CD&V). – L’affaire
Erdal a fait couler beaucoup d’encre l’an dernier
avec en point d’orgue la mystérieuse disparition de
Mme Erdal sous les yeux de nos services de sécurité.
Ces derniers ne parviennent
manifestement pas à retrouver sa trace. Quel fut dès
lors l’étonnement général lorsque Emre
Taner, le chef des services de renseignements turcs MİT, a
déclaré devant une commission parlementaire
turque qu’on sait parfaitement où séjourne
Erdal. Il est quand même surprenant qu’une terroriste
condamnée, contre laquelle un mandat d’arrêt
international a été lancé, puisse se
promener en liberté sous les yeux des services de sécurité
d’une nation amie.
Cette
information a-t-elle aussi été communiquée
aux autorités compétentes de notre pays ? Dans
la négative, la Belgique a-t-elle eu entre-temps des
contacts par voie diplomatique avec les autorités turques
à propos de cette déclaration des services de
sécurité turcs ? Quel a été le
résultat de ces contacts ?
Si notre pays
a reçu les informations utiles, la ministre peut-elle en
confirmer formellement l’exactitude ? Dans la
négative, n’est-il pas étrange que de telles
informations soient diffusées publiquement au parlement
turc ?
Le chef des
services de renseignements turcs déclare qu’il ne
peut arrêter Mme Erdal parce que cela irait à
l’encontre des accords internationaux. Quels accords
internationaux vise-t-il ? Cela ne va-t-il pas à
l’encontre du mandat d’arrêt international
lancé par notre pays le 28 février 2006 ?
Si Mme Erdal
n’est ni en Turquie ni en Belgique et si les services de
renseignements de ces pays savent où elle se cache,
qu’est-ce qui empêche son arrestation ?
|
Mevrouw Mia De Schamphelaere
(CD&V). – De zaak Erdal heeft het voorbije jaar
heel wat stof doen opwaaien met als apotheose haar mysterieuze
verdwijning onder de ogen van onze veiligheidsdiensten. Die
diensten slagen er blijkbaar niet in om enig spoor van haar terug
te vinden. Groot is eenieders verbazing dan ook
als Emre Taner, het hoofd van de Turkse inlichtingendienst MİT
aan een Turkse parlementscommissie verklaart dat men wel degelijk
weet waar Erdal vertoeft. Het is toch verbazingwekkend dat een
veroordeelde terroriste, waartegen een internationaal
aanhoudingsmandaat loopt, vrij kan rondlopen onder de ogen van
een inlichtingendienst van een bevriende natie.
Werd deze informatie ook
doorgespeeld aan de bevoegde autoriteiten in ons land? Zo neen,
heeft België langs diplomatieke weg intussen contact gehad
met de Turkse autoriteiten omtrent deze verklaring van de Turkse
inlichtingendienst? Wat was het resultaat van deze contacten?
Indien ons land de nodige informatie
heeft gekregen, kan de minister dan formeel bevestigen dat deze
inlichtingen correct zijn? Zo neen, is het niet vreemd dat
dergelijke informatie publiekelijk wordt verspreid in het Turkse
parlement?
De baas van de Turkse
inlichtingendiensten verklaart dat hij mevrouw Erdal niet
kan laten arresteren omdat dit in strijd zou zijn met
internationale afspraken. Welke internationale afspraken bedoelt
hij? Is dit niet strijdig met het internationaal
aanhoudingsmandaat dat door ons land werd uitgevaardigd op
28 februari 2006?
Indien mevrouw Erdal zich
buiten Turkije en België zou bevinden en de
inlichtingendiensten van voornoemde landen weten waar zij zich
schuilhoudt, wat verhindert dan haar arrestatie?
|
|
Mme Laurette
Onkelinx, vice-première ministre et ministre de la
Justice. – Si les services de renseignements turcs
disposaient d’informations pertinentes sur la présence
Mme Erdal à un endroit déterminé, je
pense qu’ils les auraient communiquées à la
Sûreté de l’État.
Les
informations dont je dispose révèlent toutefois que
la Sûreté de l’État n’a pas été
contactée à ce sujet par les services de
renseignements turcs.
Lorsque ces
informations ont paru dans la presse, la Sûreté de
l’État a elle-même explicitement demandé
davantage d’informations aux services de renseignement
turcs. À ce jour, ces derniers n’ont pas réagi
à cette demande.
Pour le reste,
j’estime que, si de telles informations sont exactes, il
n’est pas normal qu’elles soient diffusées de
cette manière.
Si Mme Erdal
était retrouvée sur notre territoire, elle serait
immédiatement arrêtée puisque son mandat
d’arrêt a été confirmé par
l’arrêt de la Cour d’appel de Gand du
7 novembre 2006.
Si Mme Erdal
était retrouvé sur le territoire d’un autre
État membre de l’Union européenne, les
autorités judiciaires belges demanderaient son arrestation
sur la base d’un mandat d’arrêt européen
pour qu’elle purge sa peine de prison en Belgique.
|
Mevrouw Laurette Onkelinx,
vice-eersteminister en minister van Justitie. – Indien de
Turkse inlichtingendiensten over relevante informatie zouden
beschikken over de aanwezigheid van mevrouw Erdal op een
bepaalde plaats, denk ik dat ze die aan de Staatsveiligheid
zouden hebben meegedeeld.
Uit de informatie waarover ik
beschik, blijkt echter dat de Staatsveiligheid hierover niet door
de Turkse inlichtingendiensten is benaderd.
Toen deze informatie in de pers
verscheen, heeft de Staatsveiligheid zelf de Turkse
inlichtingendiensten nadrukkelijk om meer informatie verzocht.
Tot op heden werd op dit verzoek niet gereageerd.
Voorts vind ik dat, als dergelijke
informatie juist zou zijn, het niet normaal is dat ze op die
manier wordt verspreid.
Indien mevrouw Erdal op ons
grondgebied zou worden teruggevonden, zou ze onmiddellijk worden
aangehouden, aangezien haar aanhouding bevestigd werd door het
arrest van het Hof van Beroep van Gent van 7 november 2006.
Indien mevrouw Erdal zou worden
teruggevonden op het grondgebied van een andere lidstaat van de
Europese Unie, zouden de Belgische gerechtelijke autoriteiten
haar aanhouding vragen op grond van een Europees
aanhoudingsbevel, met het oog op de uitvoering van haar
gevangenisstraf in België.
|
|
Mme Mia
De Schamphelaere (CD&V). – Il est intéressant
de savoir que la Sûreté de l’État s’est
informée auprès des services de renseignements
turcs. Les informations doivent être exactes puisqu’elles
ont été communiquées au sein du parlement
turc.
Combien de
temps supportera-t-on l’absence de réaction à
cette demande concrète faisant suite à des propos
tenus au parlement turc ? Ne faut-il pas recourir à
d’autres moyens qu’une simple demande de la Sûreté
de l’État ? Combien de temps le gouvernement
pense-t-il pouvoir attendre une réponse concrète ?
|
Mevrouw Mia De Schamphelaere
(CD&V). – Het is interessant te weten dat onze
Staatsveiligheid navraag heeft gedaan bij de Turkse
inlichtingendiensten. De informatie zal wel correct zijn, daar
zij in het Turkse parlement werd meegedeeld.
Hoe lang zal men gedogen dat op deze
concrete vraag naar aanleiding van een uitspraak in het Turkse
parlement niet wordt gereageerd? Moeten geen andere middelen
worden ingezet dan een eenvoudig verzoek van de Staatsveiligheid?
Hoe lang denkt de regering op een concreet antwoord te kunnen
wachten?
|
|
Projet
de loi relatif à l’adhésion de la Belgique au
Protocole de 1988 relatif à la Convention internationale
de 1966 sur les lignes de charge, fait à Londres le
11 novembre 1988 (Doc. 3-1845)
|
Wetsontwerp
betreffende de toetreding van België tot het Protocol van
1988 aangaande het Internationaal Verdrag van 1966 betreffende de
uitwatering van schepen, gedaan te Londen op 11 november 1988
(Stuk 3-1845)
|
|
Discussion
générale
|
Algemene
bespreking
|
|
Mme la présidente.
– M. Lionel Vandenberghe se réfère à
son rapport écrit.
|
De voorzitter. –
De heer Lionel Vandenberghe verwijst naar zijn
schriftelijk verslag.
|
|
– La discussion générale
est close.
|
– De algemene bespreking is
gesloten.
|
|
Discussion
des articles
|
Artikelsgewijze
bespreking
|
|
(Le texte adopté par la
commission des Relations extérieures et de la Défense
est identique au texte du projet de loi. Voir document 3-1845/1.)
|
(De tekst aangenomen door de
commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de
Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp.
Zie stuk 3-1845/1.)
|
|
– Les articles 1er
et 2 sont adoptés sans observation.
– Il sera procédé
ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de
loi.
|
– De artikelen 1 en 2
worden zonder opmerking aangenomen.
– Over het wetsontwerp in
zijn geheel wordt later gestemd.
|
|
Projet
de loi portant assentiment au Protocole d’application de
l’Accord entre la Communauté européenne et la
République d’Albanie concernant la réadmission
des personnes en séjour irrégulier dans la
République d’Albanie ou les États du Benelux
(le Royaume de Belgique, le Grand-Duché de Luxembourg, le
Royaume des Pays-Bas), signé à La Haye le
9 juin 2005 (Doc. 3-1848)
|
Wetsontwerp
houdende instemming met het Uitvoeringsprotocol bij de
Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek
Albanië inzake de overname van personen die zonder
vergunning in de Republiek Albanië of de Benelux-Staten (het
Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het
Koninkrijk der Nederlanden) verblijven, ondertekend te Den Haag
op 9 juni 2005 (Stuk 3-1848)
|
|
Discussion
générale
|
Algemene
bespreking
|
|
M. Paul Wille (VLD),
rapporteur. – Je me réfère à mon
rapport écrit.
|
De heer Paul Wille
(VLD), rapporteur. – Ik verwijs naar mijn schriftelijk
verslag.
|
|
– La discussion générale
est close.
|
– De algemene bespreking is
gesloten.
|
|
Discussion
des articles
|
Artikelsgewijze
bespreking
|
|
(Le texte adopté par la
commission des Relations extérieures et de la Défense
est identique au texte du projet de loi. Voir document 3-1848/1.)
|
(De tekst aangenomen door de
commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de
Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp.
Zie stuk 3-1848/1.)
|
|
– Les articles 1er
et 2 sont adoptés sans observation.
– Il sera procédé
ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de
loi.
|
– De artikelen 1 en 2
worden zonder opmerking aangenomen.
– Over het wetsontwerp in
zijn geheel wordt later gestemd.
|
|
Projet
de loi portant assentiment à l’Accord sur les
privilèges et immunités du Tribunal international
du Droit de la Mer, fait à New York le 23 mai 1997
(Doc. 3-1861)
|
Wetsontwerp
houdende instemming met het Verdrag betreffende de voorrechten en
immuniteiten van het Internationaal Hof voor het Recht van de
Zee, gedaan te New York op 23 mei 1997 (Stuk 3-1861)
|
|
Discussion
générale
|
Algemene
bespreking
|
|
Mme la présidente.
– Mme Zrihen se réfère à son
rapport écrit.
|
De voorzitter. –
Mevrouw Zrihen verwijst naar haar schriftelijk verslag.
|
|
– La discussion générale
est close.
|
– De algemene bespreking is
gesloten.
|
|
Discussion
des articles
|
Artikelsgewijze
bespreking
|
|
(Le texte adopté par la
commission des Relations extérieures et de la Défense
est identique au texte du projet de loi. Voir document 3-1861/1.)
|
(De tekst aangenomen door de
commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de
Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp.
Zie stuk 3-1861/1.)
|
|
– Les articles 1er
et 2 sont adoptés sans observation.
– Il sera procédé
ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de
loi.
|
– De artikelen 1 en 2
worden zonder opmerking aangenomen.
– Over het wetsontwerp in
zijn geheel wordt later gestemd.
|
|
Questions
orales
|
Mondelinge
vragen
|
|
Question
orale de M. Marc Van Peel au ministre de l’Économie,
de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la
Politique scientifique sur «la composition des archives du
roi Baudouin» (nº 3-1304)
|
Mondelinge
vraag van de heer Marc Van Peel aan de minister
van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid
over «de samenstelling van het archief van koning
Boudewijn» (nr. 3-1304)
|
|
M. Marc
Van Peel (CD&V). – Je pose cette question non pas
en tant qu’homme politique, mais plutôt en tant
qu’historien. En effet, il me revient que les nombreuses
notes intéressantes et historiquement très
importantes prises par feu le roi Baudouin lors de ses audiences
privées ne sont pas encore déposées aux
Archives du royaume ni ailleurs.
Un trésor
risque donc d’être perdu. L’objectif n’est
bien entendu pas que ces notes soient utilisées dès
demain pour écrire des livres. La loi relative aux
archives prévoit une période d’embargo. Je
constate cependant que personne ne souhaite que ce trésor
d’informations soit perdu.
Ces
renseignements sont-ils exacts ?
|
De heer Marc Van Peel
(CD&V). – Ik stel deze vraag niet zozeer als
politicus, maar als historicus. Ik heb immers berichten ontvangen
dat de talrijke interessante en historisch zeer belangrijke
notities die wijlen koning Boudewijn tijdens zijn privéaudiënties
heeft gemaakt noch in het Rijksarchief, noch elders zijn
gedeponeerd.
Er dreigt dus een schat verloren te
gaan. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat die aantekeningen
morgen reeds worden gebruikt om boeken te schrijven. De
archiefwet voorziet in een embargoperiode. Ik neem echter aan dat
niemand wil dat die schat aan informatie verloren gaat.
Kloppen die berichten?
|
|
M. Marc
Verwilghen, ministre de l’Économie, de
l’Énergie, du Commerce extérieur et de la
Politique scientifique. – Les archives officielles du
cabinet du roi Baudouin se trouvent aux archives du cabinet du
Roi. Après un certain temps, elles pourront dès
lors être consultées.
Les archives
privées du roi Baudouin, y compris les notes privées,
se trouvent chez sa veuve, la reine Fabiola. Il n’existe
aucune obligation légale de transférer des
documents privés au service des archives.
|
De heer Marc
Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse
Handel en Wetenschapsbeleid. – Het ambtelijk archief van
het kabinet van koning Boudewijn bevindt zich in het archief van
het kabinet van de Koning. Na verloop van tijd zal het dan ook
kunnen worden geconsulteerd.
Het privéarchief van koning
Boudewijn, met inbegrip van de privéaantekeningen bevinden
zich bij zijn weduwe, koningin Fabiola. Er bestaat geen
wettelijke verplichting om privédocumenten aan de
archiefdienst over te dragen.
|
|
M. Marc
Van Peel (CD&V). – Lors des audiences, le Roi n’est
pas intervenu en tant que personne privée mais comme Chef
d’État. Les générations futures
doivent pouvoir se faire une idée exacte de ce qui s’est
passé durant son règne. C’est pourquoi ces
archives sont très importantes.
Je comprends
que les notes en question aient une valeur particulièrement
émotionnelle, mais il ne s’agit nullement d’archives
privées. Les pouvoirs publics doivent veiller à ce
que les document soient versés aux Archives du royaume.
|
De heer Marc Van Peel
(CD&V). – Tijdens de audiënties is de Koning
niet als privépersoon, maar als staatshoofd opgetreden.
Latere generaties moeten zich een correct beeld kunnen vormen
over wat tijdens zijn regeerperiode is gebeurd. Om die reden zijn
die archieven van enorm belang.
Ik begrijp dat de betrokken
aantekeningen een bijzondere emotionele waarde hebben, maar het
gaat geenszins om een privéarchief. De overheid moet
ervoor zorgen dat de documenten in het Rijksarchief terechtkomen.
|
|
Question
orale de Mme Sfia Bouarfa au vice-premier ministre et
ministre de l’Intérieur et au ministre des Affaires
étrangères sur «les passeports biométriques»
(nº 3-1297)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Sfia Bouarfa aan de vice-eersteminister en
minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van
Buitenlandse Zaken over «de biometrische paspoorten»
(nr. 3-1297)
|
|
Mme Sfia Bouarfa (PS). –
Deux ans après une première interpellation, je
reviens sur les données biométriques contenues dans
les nouveaux passeports belges et les risques d’atteinte à
la vie privée. Il semblerait que mes craintes de l’époque
soient aujourd’hui partagées par certains
scientifiques. Les passeports qui utilisent la technologie de la
puce RFID – Radio Frequency Identification –
pourraient à long terme poser de sérieux problèmes
en matière de protection de la vie privée.
Selon les professeurs Quisquater, de
l’UCL, et Poullet, des Facultés universitaires de
Namur, cette puce qui comprend tant des informations telles que
l’identité, la signature et la photo, que des
données biométriques comme les empreintes
digitales, serait loin d’être suffisamment protégée
pour éviter des atteintes à la vie privée.
Ces scientifiques estiment que les passeports biométriques
belges « ne sont pas sûrs et sont la porte
ouverte à tous les piratages possibles. Le système
de cryptage utilisé dans la technologie RFID est basique
et ne présente pas suffisamment de garanties de
sécurité ». Il faut surtout craindre une
possibilité de traçabilité des personnes qui
pourrait survenir à long terme ou encore le fait que
certaines données biométriques pourraient se
retrouver sur internet. Pour rappel, ce système de
traçabilité est utilisé pour les animaux.
Les deux professeurs s’appuient sur plusieurs documents qui
attestent de la non-sécurité de cette technologie
et notamment sur : « ce document émanant
de la Smart Card Alliance, qui regroupe les fabricants de
ce genre de puce. Ce document a été envoyé
au président Bush, en lui expliquant que par
l’introduction de cette technologie, cela allait amener
plus d’insécurité ».
Au vu du risque de telles intrusions
dans la sphère de la vie privée, je pense qu’une
remise en question de ce système de puce utilisé
sur nos passeports s’impose. À tout le moins, une
étude approfondie ne devrait-elle pas être menée
afin d’envisager un renforcement de la protection de ces
données biométriques à caractère
exclusivement personnel ?
Quelle est votre opinion et celle du
ministre de l’Intérieur sur cette analyse ?
Quelles mesures comptez-vous prendre ? Quelle est la
position de la Commission de la protection de la vie privée ?
|
Mevrouw Sfia
Bouarfa (PS). – Twee jaar na een eerste interpellatie
over dit onderwerp wil ik het opnieuw hebben over de biometrische
gegevens op de nieuwe Belgische paspoorten en over het risico op
inbreuken op de persoonlijke levenssfeer. Sommige wetenschappers
schijnen vandaag mijn vrees van weleer te delen. De paspoorten
met een RFID-chip – Radio Frequency Identification –
zouden op lange termijn ernstige problemen voor de bescherming
van de persoonlijke levenssfeer met zich mee kunnen brengen.
Volgens de
professoren Quisquater van de UCL en Poullet van de Naamse
universiteit is die chip met inlichtingen over zowel identiteit,
handtekening en foto, als biometrische gegevens zoals
vingerafdrukken lang niet afdoende beschermd om inbreuken op de
persoonlijke levenssfeer tegen te gaan. De wetenschappers denken
dat de Belgische paspoorten niet veilig zijn en de deur openen
voor alle mogelijke vormen van ongeoorloofd gebruik. Volgens hen
is het coderingssysteem van de RFID-technologie dermate
elementair dat het onvoldoende veiligheidswaarborgen biedt. Op
lange termijn bestaat het risico dat personen kunnen worden
getraceerd en dat biometrische gegevens via het internet worden
verspreid. Dieren worden nu immers al op die manier getraceerd.
Beide professoren baseren zich op verschillende documenten die
wijzen op de bedenkelijke betrouwbaarheid van de gebruikte
technologie, meer bepaald op een document van de Smart Card
Alliance, een groepering van fabrikanten van dat soort chips.
Het document werd naar president Bush gestuurd met de uitleg dat
die technologie de onveiligheid zou verhogen.
Gezien de
bedreiging voor de persoonlijke levenssfeer, denk ik dat we het
gebruik van die technologie opnieuw ter discussie moeten stellen.
Zou er niet op zijn minst een diepgaande studie moeten worden
gemaakt om die biometrische gegevens met een exclusief
persoonlijk karakter beter te beveiligen?
Wat denken de
minister van Binnenlandse Zaken en uzelf over die benadering?
Welke maatregelen bent u van plan te nemen? Welk standpunt neemt
de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer
in?
|
|
M. Karel De Gucht,
ministre des Affaires étrangères. – Je
déplore que les critiques formulées l’aient
été sans qu’aucun contact préalable
ait été pris avec les sources informées. De
telles manifestations de la part de spécialistes ont pour
effet de susciter le doute et l’inquiétude dans
l’esprit du public et, accessoirement, d’assurer une
certaine publicité à celui qui les formule. Des
informations préalables auraient permis d’éviter
de lancer un signal inadéquat.
En ce qui concerne la sécurité
du passeport belge, je commencerai par rappeler que le document
en question a été réalisé en
conformité avec les spécifications techniques de
l’OACI – Organisation de l’Aviation Civile
Internationale – et de l’Union européenne,
auxquelles tous les passeports électroniques européens
doivent répondre.
Ces spécifications techniques
ont été établies par des groupes de travail
constitués de spécialistes de l’informatique
et des questions de sécurité.
Ensuite, il existe une différence
fondamentale entre l’usage qui peut être fait d’une
puce électronique sans contact, destinée à
assurer la traçabilité des bestiaux, et son
application au passeport. En effet, il faut savoir qu’un
passeport électronique n’est pas destiné à
être lu « lors du passage à proximité
d’une borne ». Bien au contraire, ce document
doit être posé sur un lecteur installé
généralement au contrôle frontière. En
outre, les données contenues dans la puce sont protégées
par deux sécurités : le Basic Access
Control et l’Active Authentication.
La première sert à
protéger les données contre la lecture à
l’insu du titulaire (ou skimming). Son
fonctionnement suppose que le passeport soit d’abord
ouvert, que les données imprimées en page 2
dans les deux lignes de caractères OCR-B (que l’on
appelle la zone lisible machine ou MRZ) soient lues pour enfin
donner accès aux données de la puce.
L’Active Authentication
a pour but de garantir que les données lues le sont au
départ d’une puce authentique. Elle protège
donc contre le clonage d’une puce. Cette sécurité
repose sur une paire supplémentaire de clés (clé
publique et clé privée). Je tiens d’ailleurs
à souligner que cette mesure est une sécurité
supplémentaire que la Belgique a volontairement ajoutée
dans son passeport, bien qu’elle soit facultative. Le
passeport belge est donc encore mieux protégé que
les autres. J’estime par conséquent qu’il n’y
a pas lieu de remettre en question le processus d’émission
des passeports électroniques européens.
|
De heer Karel
De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. – Ik
betreur dat men kritiek formuleert zonder vooraf contact op te
nemen met de welingelichte bronnen. Zulke kritiek van
specialisten is bedoeld om twijfel en ongerustheid te zaaien bij
het publiek en daarnaast ook om bekendheid te verwerven.
Voorafgaand onderzoek had een ongepast signaal kunnen voorkomen.
Het Belgische
paspoort werd gerealiseerd conform de technische voorschriften
van de Internationale Organisatie voor de Burgerluchtvaart (ICAO)
en van de Europese Unie, waaraan alle Europese elektronische
paspoorten moeten beantwoorden.
De technische
voorschriften werden opgesteld door werkgroepen van informatica-
en veiligheidsspecialisten.
Voorts is er
een fundamenteel verschil tussen een elektronische chip die dient
om vee te traceren en de toepassing ervan in een paspoort. Een
elektronisch paspoort dient niet om te worden ingelezen wanneer
men een detectiepaal passeert. Integendeel, dat document moet op
een leesapparaat worden geplaatst, meestal aan een
grenscontrolepost. Bovendien zijn de gegevens in die chip dubbel
beveiligd door Basic Access Control en door Active
Authentication.
Het eerste
systeem dient om de gegevens tegen skimming of
ongecontroleerd lezen te beschermen. Dat systeem werkt als het
paspoort open is, dat wil zeggen nadat de twee regels in
OCR-B-tekens, de zogenaamde MRZ of machineleesbare strook,
machinaal zijn uitgelezen om toegang te kunnen krijgen tot de
gegevens in de chip.
Active
Authentication biedt de garantie dat de ingelezen gegevens
afkomstig zijn van een authentieke chip. Dat systeem beschermt
dus tegen chip cloning. Die beveiliging berust op een
extra paar sleutels, een openbare en een privésleutel.
Ik wens te
beklemtonen dat België die facultatieve extra beveiliging
vrijwillig aan zijn paspoort heeft toegevoegd. Het Belgische
paspoort is dus beter beveiligd dan de andere. Mijns inziens moet
de uitgifte van Europese elektronische paspoorten dus niet ter
discussie worden gesteld.
|
|
Mme Sfia Bouarfa (PS). –
Je ne demande qu’à croire la réponse du
ministre quant à la fiabilité de nos passeport et à
la protection de la vie privée. Cependant, je ne peux
partager son scepticisme à l’égard des
scientifiques qui n’ont a priori aucune raison de dénoncer
des failles dans nos passeports. J’estime donc que la
Commission de la protection de la vie privée devrait se
prononcer sur cette question après avoir entendu ces
experts. Cela permettrait peut-être de conforter les propos
rassurants que le ministre a tenus concernant notamment les deux
systèmes de sécurité.
Selon le ministre, l’un de ces
systèmes empêche la lecture des données à
l’insu du titulaire du passeport. Cela veut-il dire qu’il
est impossible de lire ces données sans employer un
appareil de lecture dont l’usage serait réservé
aux services de douane ou de police ?
|
Mevrouw Sfia
Bouarfa (PS). – Ik vraag niet beter dan dat het
antwoord van de minister over de betrouwbaarheid van onze
paspoorten en over de bescherming van de persoonlijke levenssfeer
klopt. Zijn scepticisme ten aanzien van de wetenschappers deel ik
evenwel niet, want zij hebben geen redenen a priori om de
gebreken in onze paspoorten aan de kaak te stellen. Ik ben dus
van oordeel dat de Commissie voor de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer die experts moet horen en vervolgens in
deze kwestie een uitspraak moet doen. Zodoende kunnen de
geruststellende beweringen van de minister over beide
beveiligingssystemen misschien worden bevestigd.
Volgens de
minister belet een van beide systemen dat de gegevens buiten het
weten van de titularis worden ingelezen. Betekent dit dat de
gegevens onmogelijk kunnen worden gelezen zonder het leesapparaat
waarover alleen de politie en de douane beschikken?
|
|
M. Karel De Gucht,
ministre des Affaires étrangères. – Je ne
suis pas un technicien mais je pense que le passeport doit
absolument être placé sur un lecteur.
|
De heer Karel
De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. – Ik
ben geen technicus, maar ik denk dat het paspoort absoluut op een
leesapparaat moet worden geplaatst.
|
|
Mme Sfia Bouarfa (PS). –
Je ne demande qu’à être rassurée mais
il semblerait que cette puce utilise le même système
que celui qui est employé pour le comptage des bestiaux.
Je n’ai aucune raison de douter des mises en garde
adressées par les deux scientifiques et j’invite
donc le ministre à les rencontrer et à commander un
rapport à ce sujet à la Commission de la protection
de la vie privée.
|
Mevrouw Sfia
Bouarfa (PS). – Ik wil alleen gerustgesteld worden,
maar het schijnt dat dezelfde chip gebruikt wordt om vee te
tellen. Ik heb geen enkele reden om aan de waarschuwingen van de
wetenschappers te twijfelen en daarom verzoek ik de minister om
ze te ontmoeten en om ter zake het advies in te winnen van de
Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levensfeer.
|
|
Question
orale de M. Joris Van Hauthem au vice-premier ministre
et ministre de l’Intérieur sur «l’emploi
des langues dans les lettres de convocation pour les prochaines
élections dans les communes périphériques et
les communes de la frontière linguistique»
(nº 3-1310)
|
Mondelinge
vraag van de heer Joris Van Hauthem aan de
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «het
gebruik der talen in de oproepingsbrieven voor de komende
verkiezingen wat betreft de rand- en taalgrensgemeenten»
(nr. 3-1310)
|
|
Mme la présidente.
– M. Karel De Gucht, ministre des Affaires
étrangères, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse
Zaken, antwoordt.
|
|
M. Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – Lors des
élections de 2003, deux circulaires sur l’emploi des
langues dans les lettres de convocation furent diffusées
dans les communes à facilités. La première,
émanant du ministre fédéral de l’Intérieur,
M. Duquesne, imposait que les lettres de convocation soient
rédigées dans la langue du destinataire. La
deuxième circulaire, émanant du ministre flamand
des Affaires intérieures de l’époque,
M. Van Grembergen, lequel estimait que la circulaire
Peeters devait être appliquée, imposait que les
lettres de convocation soient adressées en néerlandais,
avec traduction pour ceux qui en faisaient expressément la
demande.
Lors des
élections en 2004, le ministre de l’Intérieur,
M. Dewael, avait déclaré qu’il suivrait
la Commission permanente de contrôle linguistique et que sa
circulaire aux communes imposerait donc que dans les communes à
facilités, les lettres de convocation soient rédigées
dans la langue du destinataire.
En date du
23 décembre 2004, le Conseil d’État
s’est prononcé sur la question dans cinq arrêts
et a confirmé la légalité et la validité
de la circulaire Peeters. Sur le plan juridique, cela ne peut
plus être contesté. D’où ma question,
qui est très simple. La circulaire Peeters sera-t-elle
désormais respectée dans la circulaire aux communes
concernant les lettres de convocation ?
|
De heer Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – De vraag is
eenvoudig. Naar aanleiding van de verkiezingen van 2003 werd met
betrekking tot het gebruik van de taal van de oproepingsbrieven
in de faciliteitengemeenten twee omzendbrieven verspreid. De
eerste ging uit van federaal minister van Binnenlandse Zaken
Duquesne, die oplegde dat de oproepingsbrieven moesten worden
opgesteld in de taal van de aanhorige. De tweede omzendbrief ging
uit van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden,
toen de heer Van Grembergen, die van oordeel was
dat de omzendbrief-Peeters moest worden toegepast, en volgens
welke de oproepingsbrieven in het Nederlands moesten worden
verstuurd met een vertaling voor wie dat uitdrukkelijk wenste.
Naar aanleiding van de verkiezingen
in 2004 liet de minister van Binnenlandse Zaken, de heer Dewael,
die ik daarover op 4 maart 2004 ondervroeg, weten dat
hij de Vaste Commissie voor Taaltoezicht volgt en dat zijn
omzendbrief aan de gemeenten bijgevolg bepaalde dat in de
faciliteitengemeenten voor de oproepingsbrieven de taal van de
aanhorige moet worden gebruikt.
Inmiddels heeft de Raad van State
zich op 23 december 2004 in vijf arresten over die
aangelegenheid uitgesproken en de wettelijkheid en dus de
geldigheid van de omzendbrief-Peeters bevestigd. Daarover mag op
juridisch vlak dus geen betwisting meer bestaan. Vandaar mijn
eenvoudige vraag. Zal in de omzendbrieven naar de gemeenten over
de oproepingsbrieven voortaan het standpunt van de
omzendbrief-Peeters worden gevolgd?
|
|
M. Karel
De Gucht, ministre des Affaires étrangères.
– Je vous lis la réponse du ministre Dewael.
La réponse
est également très simple. Étant donné
que la validité de la circulaire Peeters a été
confirmée par le Conseil d’État dans ses
arrêts du 23 décembre 2004, les lettres de
convocation pour les élections dans les six communes
périphériques de Bruxelles et dans les communes de
la frontière linguistique doivent être rédigées
en néerlandais.
Il ressort
également de ces arrêt que les électeurs
francophones desdites communes peuvent demander une lettre de
convocation en français, après avoir reçu
celle rédigée en néerlandais.
Les
instructions aux communes pour les prochaines élections
législatives seront rédigées en ce sens.
|
De heer Karel De Gucht,
minister van Buitenlandse Zaken. – Ik lees het antwoord van
minister Dewael.
Het antwoord is eveneens eenvoudig.
Aangezien de geldigheid van de omzendbrief-Peeters bevestigd werd
door de Raad van State in zijn arresten van 23 december 2004,
moeten de oproepingsbrieven voor de verkiezingen in de zes
Brusselse randgemeenten, evenals in de taalgrensgemeenten die in
het Nederlandse taalgebied gelegen zijn, in het Nederlands worden
opgesteld.
Uit die arresten blijkt ook dat de
Franstalige kiezers van die gemeenten een oproepingsbrief in het
Frans kunnen aanvragen, nadat ze die eerst in het Nederlands
ontvangen hebben.
De onderrichtingen aan de gemeenten
voor de volgende parlementsverkiezingen zullen in die zin worden
opgesteld.
|
|
Question
orale de M. Philippe Mahoux au ministre des Affaires
étrangères sur «la troisième
Conférence d’examen de la Convention sur certaines
armes classiques» (nº 3-1298)
|
Mondelinge
vraag van de heer Philippe Mahoux aan de minister van
Buitenlandse Zaken over «de derde Onderzoeksconferentie
over het Verdrag voor bepaalde conventionele wapens»
(nr. 3-1298)
|
|
M. Philippe Mahoux (PS).
– Monsieur le ministre, il y a un mois, je vous
interrogeais à propos de la troisième Conférence
d’examen de la Convention sur certaines armes classiques.
La Belgique, qui prépare pour l’instant la
ratification du cinquième protocole relatif aux restes
explosifs de guerre, qui est entré en vigueur le
12 novembre, y a bien entendu participé.
Je souhaite des informations sur le
déroulement de cette conférence et sur les suites
du dialogue entamé voici un mois.
Pouvez-vous nous détailler
les mesures adoptées lors de cette conférence ?
Le problème des sous-munitions a-t-il été
évoqué par la Belgique ?
Le deuxième volet de ma
question concerne l’Europe. La Belgique a-t-elle eu
l’occasion d’agir pour que l’Union européenne
présente une position commune lors de la Conférence ?
L’Union a-t-elle présenté, comme prévu,
un projet de décision visant à améliorer les
mécanismes de vérification de l’application
effective de la convention ? Ce point était l’un
des sujets de notre dialogue, il y a un mois. Une décision
a-t-elle été adoptée et, le cas échéant,
quelles en sont les modalités ?
Enfin, la Belgique a-t-elle profité
de la conférence pour entretenir des contacts
diplomatiques particuliers avec d’autres pays déjà
engagés en faveur d’une interdiction des
sous-munitions ? Je pense en particulier à la
Norvège, qui a annoncé son intention d’ouvrir
des négociations en vue d’un traité
international interdisant les bombes à sous-munitions.
Comme j’ai déjà
eu l’occasion de le souligner, la future présidence
au Conseil de sécurité constituera l’occasion
pour la Belgique de faire avancer cette hypothèse. Aux
Nations unies, il est de tradition, semble-t-il, de faire une
fleur au pays qui a exercé la présidence en lui
permettant d’inscrire un point à l’ordre du
jour du Conseil de sécurité. Il serait bénéfique,
à la fois pour la Belgique et pour le monde, que notre
pays soit à l’origine de l’élaboration
d’une convention s’apparentant à la Convention
d’Ottawa et qui concernerait non plus les mines
antipersonnel mais les bombes à sous-munitions.
|
De heer Philippe
Mahoux (PS). – Een maand geleden heb ik de minister een
vraag gesteld over de derde Onderzoeksconferentie over het
Verdrag voor bepaalde conventionele wapens. België, dat
thans de ratificatie voorbereidt van het vijfde protocol inzake
ontplofbare oorlogsresten, dat op 12 november in werking is
getreden, heeft daar uiteraard aan deelgenomen.
Ik zou graag
informatie krijgen over het verloop van die conferentie en over
de voortzetting van de dialoog die een maand geleden is aangevat.
Graag kreeg ik
gedetailleerde informatie over de maatregelen die werden
goedgekeurd op die conferentie. Heeft België het probleem
van de submunitie aangekaart?
Heeft België
ervoor kunnen zorgen dat de Europese Unie op die Conferentie een
gemeenschappelijk standpunt heeft voorgesteld? Heeft de Unie,
zoals gepland, een ontwerpbeslissing kunnen voorstellen ter
verbetering van de controlemechanismen inzake de effectieve
toepassing van het verdrag? Werd een beslissing aangenomen en zo
ja, onder welke voorwaarden?
Heeft België
op de conferentie bijzondere diplomatieke contacten gelegd met
andere landen die reeds voorstander zijn van het verbod op
submunitie? Ik denk meer bepaald aan Noorwegen, dat aangekondigd
heeft van plan te zijn onderhandelingen te beginnen met het oog
op een internationaal verdrag houdende verbod op clusterbommen
met submunitie.
Het toekomstig
voorzitterschap van de Veiligheidsraad zal België de kans
geven daar werk van te maken. Bij de Verenigde Naties is het
immers de traditie dat het land dat het voorzitterschap heeft
uitgeoefend een punt op de agenda van de Veiligheidsraad mag
zetten. Het zou een goede zaak zijn, zowel voor België als
voor de hele wereld, dat ons land het initiatief neemt voor de
uitwerking van een verdrag dat verwant is met het Verdrag van
Ottawa en dat niet meer betrekking zou hebben op de
antipersoonsmijnen, maar op de clusterbommen met submunitie.
|
|
M. Karel De Gucht,
ministre des Affaires étrangères. – La
problématique des armes à sous-munitions a été
au centre des débats de la troisième Conférence
d’examen de la Convention sur certaines armes classiques.
Contrairement à ce que l’on
pouvait craindre, la conférence est arrivée
finalement à un consensus sur la décision à
adopter. D’une part, comme le demandait l’Union
européenne en tant que minimum à atteindre, le
mandat du groupe d’experts gouvernementaux sur les restes
explosifs de guerre a été reconduit. D’autre
part, et c’est là que réside la principale
avancée, ce groupe est désormais chargé
d’examiner de manière spécifique la question
des armes à sous-munitions sous l’angle humanitaire
et de faire rapport sur ce point à la prochaine Conférence
des États parties.
Un cadre est donc créé,
au sein duquel les travaux devraient pouvoir progresser
rapidement, puisque l’échéance est fixée
à novembre 2007. L’idée d’assujettir
les sous-munitions à des règles juridiques
spécifiques ne figure pas textuellement dans le mandat,
mais il y est fait référence au séminaire
qui sera organisé précisément à ce
propos par le Comité international de la Croix-Rouge.
La Belgique est intervenue à
deux reprises en séance plénière pour
défendre la position que je vous avais exposée ici
même voici quelques semaines. Elle a plaidé pour que
l’Union européenne s’accorde sur une position
coordonnée, de manière à peser sur le
résultat des négociations. Ces efforts ont produit
leurs fruits, puisque deux propositions de l’Union
européenne et de tous ses États membres ont été
déposées. Ces deux documents ont constitué
dans une large mesure la base du compromis final.
En même temps, la Belgique a
fait connaître sans ambiguïté ses objectifs à
plus long terme en lançant, au sein d’un groupe de
vingt-quatre États parties comprenant également la
Norvège, un appel en faveur d’un accord qui
interdirait l’utilisation des armes à sous-munitions
dans des zones à concentration civile ainsi que les armes
à sous-munitions non fiables et imprécises. Un tel
accord assurerait également la destruction des armes
interdites.
J’ai donné instruction
à nos ambassades bilatérales d’effectuer des
démarches pour sensibiliser leurs interlocuteurs au
contenu de la loi belge – c’est ce que vous m’avez
demandé – et pour les encourager à participer
activement au groupe d’experts gouvernementaux en
juin 2007.
Nous voulons arriver rapidement à
des résultats tangibles, en premier lieu en faveur des
populations civiles concernées. Il va de soi que cette
action diplomatique constitue un processus permanent, qui sera
développé et affiné en tenant compte des
résultats de la première série de démarches.
Je ne manquerai pas de vous tenir informé à cet
égard.
Vous avez également demandé
des informations sur la suite réservée à
l’initiative de l’Union européenne relative au
processus de vérification de l’application effective
de la convention et de ses protocoles. C’est effectivement
un autre acquis de la conférence puisqu’une décision
a été prise en la matière.
|
De heer Karel
De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. – Het
probleem van de wapens met submunitie was het centrale thema van
de debatten van de derde Onderzoeksconferentie over het Verdrag
over bepaalde conventionele wapens.
In
tegenstelling tot wat kon worden gevreesd, heeft de conferentie
uiteindelijk een consensus bereikt over de te nemen beslissing.
Enerzijds werd de opdracht van de groep van regeringsexperts
inzake de ontplofbare oorlogsresten verlengd, wat de Europese
Unie als minimum had gevraagd. Anderzijds kreeg die groep nu ook
de opdracht om specifiek het probleem van de wapens met
submunitie te onderzoeken vanuit het humanitaire standpunt en
daarover verslag uit te brengen op de volgende Conferentie van de
verdragsluitende Staten. Dat is de belangrijkste vooruitgang.
Er werd dus
een kader gecreëerd binnen hetwelk de werkzaamheden snel
zouden kunnen vorderen, want de termijn werd vastgesteld op
november 2007. De idee om submunitie te onderwerpen aan
specifieke juridische regels staat niet letterlijk in de
opdracht, maar er wordt naar verwezen op het seminarie dat in dat
verband wordt georganiseerd door het Internationaal Comité
van het Rode Kruis.
België
heeft op de plenaire vergadering tweemaal het standpunt verdedigd
dat ik hier enkele weken geleden heb uiteengezet. Ons land heeft
ervoor gepleit dat de Europese Unie een gecoördineerd
standpunt zou innemen om te kunnen wegen op het resultaat van de
onderhandelingen. Die inspanningen hebben resultaat opgeleverd,
want er werden twee voorstellen ingediend van de Europese Unie en
van al haar lidstaten. Die twee documenten lagen in grote mate
aan de basis van het slotcompromis.
België
heeft ook ondubbelzinnig zijn doelstellingen op langere termijn
bekendgemaakt door, binnen de groep van vierentwintig
verdragsluitende Staten, waartoe ook Noorwegen behoort, een
oproep te doen ten gunste van een akkoord dat het gebruik van
wapens met submunitie in burgerzones alsook van onbetrouwbare en
onnauwkeurige munitie zou verbieden. Een dergelijk akkoord zou
ook de vernietiging van de verboden wapens verzekeren.
Ik heb onze
bilaterale ambassades de opdracht gegeven stappen te ondernemen
om hun gesprekspartners bewust te maken van de inhoud van de
Belgische wet – dat had de heer Mahoux mij
gevraagd – en ze aan te moedigen actief deel te nemen aan
de groep van regeringsexperts in juni 2007.
Wij willen
snel tastbare resultaten, in de eerste plaats ten gunste van de
betrokken burgerbevolking. Deze diplomatieke actie is uiteraard
een permanent proces dat zal worden ontwikkeld en verfijnd,
rekening houdend met de resultaten van de eerste reeks demarches.
Ik zal u daarvan zeker op de hoogte houden.
De heer Mahoux
informeerde ook naar het gevolg dat zal worden gegeven aan het
initiatief van de Europese Unie met betrekking tot de controle op
de effectieve toepassing van het verdrag en de protocollen. Dat
is inderdaad een andere verworvenheid van de conferentie, want
daarover werd een beslissing genomen.
|
|
M. Philippe Mahoux (PS).
– Il serait peut-être intéressant, monsieur le
ministre, que l’on puisse disposer des conclusions de cette
conférence, si elles existent. J’ignore si c’est
le cas.
Vous vous engagez à apporter
des réponses sur le suivi de ces deux dossiers, à
savoir la vérification et le contrôle, ainsi que
l’évolution de l’interdiction des bombes à
sous-munitions.
Vous savez que ma position est celle
de l’interdiction. J’imagine que de larges
discussions sont menées à cet égard. Je
prends note de votre engagement, mais je puis également
vous assurer du mien pour vous interroger à ce propos.
|
De heer Philippe
Mahoux (PS). – Het zou interessant zijn dat we over de
conclusies van die conferentie kunnen beschikken, als die
bestaan. Ik weet niet of dat het geval is.
De minister
belooft dat hij verslag zal uitbrengen over de voortzetting van
beide dossiers, namelijk de controle op alsook de evolutie van
het verbod op clusterbommen met submunitie.
Ik ben
voorstander van een verbod. Ik veronderstel dat daarover
uitvoerig wordt gediscussieerd. Ik neem akte van de belofte van
de minister, maar ik verzeker hem ook dat ik hem hierover vragen
zal blijven stellen.
|
|
Question
orale de Mme Sabine de Bethune au ministre des Affaires
étrangères sur «la ratification de la
Convention européenne sur les droits de l’homme et
la biomédecine» (nº 3-1300)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van
Buitenlandse Zaken over «de ratificatie van het Europees
Verdrag voor de rechten van de mens en de biogeneeskunde»
(nr. 3-1300)
|
|
Mme Sabine
de Bethune (CD&V). – J’ai abordé
à plusieurs reprises, ces derniers mois, le problème
du trafic d’organes en provenance de la Chine. Les organes
de jeunes gens condamnés à mort sont vendus après
l’exécution. En Belgique, le trafic d’organes
est évidemment interdit par la loi de 1986 relative à
la transplantation d’organes.
Bien entendu,
on peut contourner la loi en s’adressant à
l’étranger, raison pour laquelle un cadre
international interdisant de telles pratiques s’impose. La
Convention sur les droits de l’homme et la biomédecine
a été signée à Oviedo le 4 avril 1997
dans le cadre du Conseil de l’Europe. L’article 21
de cette convention interdit expressément le trafic
d’organes. En 2002 a été conclu le protocole
additionnel à cette convention, relatif à la
transplantation d’organes et dont l’article 22
interdit également le trafic d’organes.
Dans l’attente
d’une loi fédérale autorisant la recherche
scientifique sur les embryons in vitro, notre pays n’a pas
signé cette convention. Cette loi a été
votée en 2003. Pourquoi, dès lors, notre pays
n’a-t-il toujours pas signé cette convention ?
Une autre raison explique-t-elle ce retard ?
Pourquoi notre
pays n’a-t-il pas non plus signé le protocole
relatif à la transplantation d’organes ?
L’an
dernier, le ministre Demotte a expliqué devant le
parlement qu’il fallait vérifier si la convention
n’était pas en contradiction avec nos propres textes
légaux. A-t-on procédé à cette
vérification ? Dans la négative, quand
pouvons-nous espérer obtenir le résultat de cette
analyse ? Entre-temps, les pratiques internationales –
voire nationales – de trafic d’organes se
poursuivent.
Le ministre
connaît-il d’autres moyens, à l’échelon
international, d’interdire, voire de poursuivre en justice,
le trafic d’organes ?
Quelles
démarches diplomatiques a-t-il entreprises jusqu’à
ce jour pour mettre fin à ces pratiques de trafic
d’organes en provenance de Chine ? A-t-il abordé
cette question au Conseil des ministres européen ?
Une concertation bilatérale a-t-elle eu lieu avec les
autorités chinoises à ce sujet ?
J’ai
déjà posé des questions à plusieurs
reprises sur ce sujet mais l’actualité montre
qu’elles sont encore toujours pertinentes.
|
Mevrouw Sabine de Bethune
(CD&V). – De voorbije maanden heb ik al meerdere
malen het probleem van de orgaanhandel vanuit China aangekaart.
Van jonge mensen die ter dood veroordeeld werden, worden de
organen na de terechtstelling verkocht. In België is
orgaanhandel vanzelfsprekend verboden door de wet op de
orgaantransplantatie van 1986.
Uiteraard kan dat via het buitenland
worden omzeild. Daarom is er nood aan een internationaal kader
dat dergelijke praktijken verbiedt. In het kader van de Raad van
Europa werd op 4 april 1997 te Oviedo het Europees
Verdrag voor de rechten van de mens en de biogeneeskunde
ondertekend. Artikel 21 van dit verdrag verbiedt
uitdrukkelijk de handel in organen. In 2002 werd het Protocol op
de transplantatie van organen toegevoegd. Artikel 22 van dit
protocol verbiedt orgaanhandel nogmaals.
Ons land heeft dit verdrag niet
ondertekend in afwachting van een federale wet die het
wetenschappelijk onderzoek met embryo’s in vitro mogelijk
maakt. Deze wet is in 2003 tot stand gekomen. Waarom heeft ons
land het verdrag dan nog altijd niet ondertekend? Is er nog een
reden voor het uitblijven van de ondertekening?
Waarom heeft ons land het protocol
met betrekking tot orgaantransplantatie ook niet ondertekend?
Vorig jaar heeft minister Demotte in
het parlement verklaard dat er onderzocht moest worden of het
verdrag niet in tegenspraak is met de eigen wetteksten? Is dit
intussen gebeurd? Zo neen, wanneer mogen we het resultaat van dit
onderzoek verwachten? Intussen gaan de internationale praktijken
immers door en kan ook bij ons de zwendel met organen blijven
bestaan.
Ziet de minister naast het verdrag
andere internationale middelen om orgaanhandel te verbieden en
zelfs juridisch te vervolgen?
Welke diplomatieke stappen heeft hij
tot op heden gedaan om een einde te maken aan deze praktijken van
orgaanhandel vanuit China? Heeft hij dit thema ook aangekaart in
de Europese ministerraad? Is er enig bilateraal overleg geweest
met de Chinese autoriteiten over dit onderwerp?
Ik heb hierover al meermaals vragen
gesteld, maar de actualiteit toont aan dat ze nog altijd
pertinent zijn.
|
|
M. Karel
De Gucht, ministre des Affaires étrangères.
– D’un point de vue technique, le département
des Affaires étrangères n’est pas compétent
pour signer la Convention européenne sur les droits de
l’homme et la biodiversité. Lorsque nous avons pris
connaissance de la question, nous avons donc immédiatement
contacté les services du ministre Demotte qui exerce cette
compétence. Je n’ai pas encore reçu
d’informations au sujet de la signature mais j’espère
en recevoir la semaine prochaine.
Les Affaires
étrangères n’interviennent dans la
ratification d’un traité que lorsque les services
compétents ont renvoyé le dossier, en d’autres
termes lorsque le texte doit être ratifié par le
parlement. Le dossier se trouve maintenant dans la phase
préparatoire et, comme je l’ai dit, nous attendons
des informations du cabinet du ministre Demotte.
Le département
des Affaires étrangères accorde une grande
importance à la résorption du retard dans les
dossiers de ratification. On dénombrait 350 traités
à ratifier au début de la législature,
contre 100 à l’heure actuelle, et j’espère
que ce retard diminuera encore. Nous attachons également
une grande importance au raccourcissement des procédures.
La commission du Sénat joue d’ailleurs un rôle
essentiel à cet égard, car c’est
principalement là qu’est réalisé le
travail portant sur le contenu. Je sais que Mme de Bethune y
est très active. J’espère donc que la
procédure de ratification de cette convention par le Sénat
pourra commencer dès que possible.
J’en
viens au fond du dossier. Le trafic d’organes est interdit
tant en Chine qu’au Japon, ainsi que nous l’ont
officiellement confirmé les ambassades de ces pays.
Pourquoi aussi le Japon ? Il ressortirait d’un récent
dossier du sénateur Vankrunkelsven que l’intermédiaire
opérait à partir du Japon.
Nous avons en
effet accompli des démarches diplomatiques, et cela
immédiatement. Nous avons demandé des informations
à M. Vankrunkelsven et, avec son accord, nous les
avons transmises aux ambassadeurs de Chine et du Japon en leur
demandant expressément une réponse et les
éclaircissements nécessaires. Nous avons reçu
l’assurance que l’affaire serait examinée et
que nous serions tenus au courant. Lorsque cela se fera, je ne
manquerai pas d’informer à mon tour le parlement.
|
De heer Karel De Gucht,
minister van Buitenlandse Zaken. – Technisch gezien is
Buitenlandse Zaken niet bevoegd voor de ondertekening van het
Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de
biogeneeskunde. Bij ontvangst van de vraag hebben we dan ook
onmiddellijk contact opgenomen met de diensten van minister
Demotte, die daarvoor wel bevoegd. Ik heb nog geen informatie
over de ondertekening gekregen, maar hoop die volgende week te
ontvangen.
Bij de ratificatie van een verdrag
komt Buitenlandse Zaken pas in actie wanneer de technisch
bevoegde diensten het dossier hebben doorgestuurd, met andere
woorden op het ogenblik dat de ratificatie door het Parlement
moet worden gestart. Het dossier bevindt zich nu in de
voorbereidende fase en we wachten, zoals gezegd, op informatie
van het kabinet van minister Demotte.
Buitenlandse Zaken hecht veel belang
aan het wegwerken van de achterstand in de ratificatiedossiers.
Bij het begin van de legislatuur was er een achterstand van 350
te ratificeren verdragen, nu bedraagt die nog 100 en ik hoop dat
die achterstand nog zal verminderen. We hechten ook veel belang
aan het verkorten van de proceduretijd. Daarin speelt de
senaatscommissie trouwens een zeer belangrijke rol, omdat vooral
daar het inhoudelijke werk wordt gedaan. Ik weet dat mevrouw de
Bethune er een zeer actieve rol in speelt. Ik hoop dus dat we de
ratificatieprocedure van het betreffende verdrag in het Parlement
zo vlug mogelijk kunnen starten.
Dan kom ik bij de grond van de zaak.
Handel in organen is zowel in China als in Japan verboden. Zo is
ons officieel medegedeeld door de Chinese en de Japanse
ambassade. Waarom ook Japan? Uit een recent dossier, van senator
Vankrunkelsven, zou blijken dat de tussenpersoon vanuit Japan
opereerde.
We hebben inderdaad diplomatieke
stappen gedaan en wel onmiddellijk. We hebben de informatie van
de heer Vankrunkelsven opgevraagd en op basis daarvan
hebben we gisteren de Chinese en Japanse ambassadeur geroepen.
Met de goedkeuring van de betrokken senator hebben we hen de
informatie doorgegeven, met de uitdrukkelijke vraag om een
antwoord en de nodige opheldering. We kregen de verzekering dat
de zaak onderzocht zal worden en dat we op de hoogte worden
gehouden. Als dat gebeurt, zal ik zeker niet nalaten het
Parlement daarover te informeren.
|
|
Mme Sabine
de Bethune (CD&V). – Je ne puis qu’encourager
le ministre à suivre attentivement le dossier.
Le trafic
d’organes est inacceptable en soi ; le lien avec la
peine de mort – certain, dans le cas de la Chine –
est encore plus grave. J’ai à plusieurs reprises
signalé au ministre des cas semblables à celui que
M. Vankrunkelsven a révélé à la
presse la semaine dernière.
On trouve de
tels cas en Ouzbékistan, où la peine de mort est
toujours d’application. Voici un an ou deux, une
association de mères de condamnés à mort m’a
expliqué que les familles concernées ne
récupéraient jamais le corps de la personne
exécutée. Il semblerait que le trafic d’organes
prospère aussi dans ce pays et qu’il s’agit
souvent d’organes de jeunes gens. De plus, du fait des
pratiques mafieuses en cours dans ce pays, on y serait parfois
condamné à mort pour des délits mineurs.
Je plaide dès
lors pour que nous nous opposions fermement au trafic d’organes
et pour que la Belgique se positionne dans la communauté
internationale comme un partenaire proactif en signant les
traités concernant cette matière. Nous devons en
outre nous atteler, en Belgique, à la recherche des
réseaux existants. Je voudrais enfin encourager le
ministre à étendre son action diplomatique en la
matière dans le sens d’une interdiction de la peine
de mort, également dans d’autres pays. La Belgique
peut mener une action crédible à cet égard.
|
Mevrouw Sabine de Bethune
(CD&V). – Ik kan de minister alleen maar
aanmoedigen om de zaak op de voet te blijven volgen.
Orgaanhandel op zich is
onaanvaardbaar en nog erger is dat die, zeker in het geval van
China, verband houdt met de doodstraf. Ik heb de minister al
meermaals een geval gesignaleerd, gelijkaardig aan hetgeen
collega Vankrunkelsven vorige week in de pers bracht. Ik had
daarvoor heel geloofwaardige getuigen.
In Oezbekistan, een land waar de
doodstraf nog bestaat, doen zich ook dergelijke gevallen voor.
Een jaar of twee geleden heeft een vereniging van moeders van ter
dood veroordeelden mij uitgelegd dat de betrokken gezinnen nooit
het lichaam krijgen van het gezinslid dat werd terechtgesteld.
Intussen blijkt dat ook daar de orgaanhandel floreert en dat de
organen vaak van jonge mensen afkomstig zijn. Bovendien zouden
mensen soms voor heel lichte vergrijpen ter dood worden
veroordeeld, omdat er maffiose praktijken achter schuilgaan.
Ik pleit er dan ook voor dat we heel
sterk opkomen tegen orgaanhandel en dat België zich in de
internationale gemeenschap als een proactieve partner opstelt bij
het ondertekenen van de verdragen ter zake. Verder moeten we in
eigen land proactief de recherche inzetten om na te gaan welke
netwerken er bij ons bestaan. Ten slotte wil ik de minister
aanmoedigen om zijn diplomatie tegen orgaanhandel uit te breiden
tot een actieve diplomatie voor een verbod op de doodstraf, ook
in andere landen. België kan ter zake geloofwaardig
optreden.
|
|
Question
orale de Mme Isabelle Durant au ministre de la Coopération
au Développement sur «la république d’Haïti»
(nº 3-1306)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Isabelle Durant aan de minister van
Ontwikkelingssamenwerking over «de republiek Haïti»
(nr. 3-1306)
|
|
Mme la présidente.
– M. Karel De Gucht, ministre des Affaires
étrangères, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse
Zaken, antwoordt.
|
|
Mme Isabelle Durant (ECOLO).
– Je vous pose une question que mon collègue Josy
Dubié aurait voulu poser à M. De Decker à
propos d’Haïti.
Alors que toutes les forces
politiques belges et européennes ont soutenu le processus
électoral au Congo et se sont engagées unanimement
à participer à la reconstruction de ce pays, un
autre pays, Haïti, mérite notre attention.
Aujourd’hui 30 novembre
se tient à Madrid la conférence des donateurs dont
ce pays a largement besoin. Les difficultés sont énormes,
les moyens de l’État sont extrêmement faibles,
les institutions – un peu comme au Congo – presque
inexistantes et le budget de l’État dépend à
plus de 60% de l’aide internationale. Autrement dit, ce
pays – et surtout ses habitants – sont dans
l’attente.
Lors de la visite du président
Préval en Belgique, des engagements avaient été
pris par le ministre de la Coopération ainsi que par
vous-même.
Je souhaiterais donc savoir, à
l’occasion de la Conférence des donateurs, où
nous en sommes dans les engagements qui ont été
pris et en particulier, dans la réalisation de ceux-ci. Il
s’agit en effet d’une priorité à
laquelle nous ne pouvons pas nous soustraire.
|
Mevrouw Isabelle
Durant (ECOLO). – Ik stel een vraag over Haïti die
mijn collega Josy Dubié aan de heer De Decker
had willen stellen.
Alle Belgische
en Europese politieke krachten hebben het electorale proces in
Congo ondersteund en hebben zich unaniem geëngageerd om deel
te nemen aan de heropbouw van dat land, maar een ander land, met
name Haïti, verdient onze aandacht.
Vandaag,
30 november, vindt in Madrid de donorconferentie plaats.
Haïti heeft de donoren hard nodig. Het wordt geconfronteerd
met enorme moeilijkheden, de staatsmiddelen zijn uiterst gering,
de instellingen zijn – een beetje zoals in Congo –
bijna onbestaande en de staatsbegroting hangt voor meer dan 60%
af van internationale steun. Met andere woorden, dit land, en
vooral zijn inwoners, wachten hoopvol af.
Tijdens het
bezoek van president Préval in België hebben de
minister van Ontwikkelingssamenwerking en de minister van
Buitenlandse Zaken beloften gedaan.
Hoe ver staat
het met het naleven van die beloften? Ze vormen immers een
prioriteit waaraan we ons niet mogen onttrekken.
|
|
M. Karel De Gucht,
ministre des Affaires étrangères. – Je vous
lis la réponse du ministre.
Lors de la visite du président
Préval, je me suis en effet engagé à appuyer
Haïti au niveau du paiement des arriérés de
salaires des professeurs. La demande officielle du gouvernement
haïtien y afférente ne nous est parvenue que le mois
dernier.
Actuellement, le dossier se trouve à
mon administration pour examen avant de me parvenir pour un
éventuel accord définitif.
Pour votre information, un membre du
service Amérique latine de la DGCD s’est rendu,
hier, à Madrid pour la réunion des bailleurs de
fonds, en qualité d’observateur.
Pour rappel, il avait été
signalé à M. Préval, lors de son
passage en Belgique, que la coopération a été
suspendue avec Haïti en 2002 compte tenu de la situation
politique et qu’en l’état actuel des choses,
différentes voies pouvaient être envisagées
pour appuyer les initiatives du gouvernement :
– La coopération
gouvernementale : Haïti ne fait plus partie de la liste
des pays partenaires depuis 2000. Néanmoins, il subsiste
un solde d’environ 1,8 million de dollars qui pourrait être
réaffecté pour répondre à des besoins
hautement prioritaires de la population.
– La coopération
multilatérale : la Belgique pourrait envisager de
s’inscrire dans le « programme d’apaisement
social » du PNUD.
– Le prêt d’État
à État : nous avons également attiré
l’attention de la délégation haïtienne
sur la possibilité d’obtenir un prêt d’État
à État sur la base des critères en vigueur.
|
De heer Karel
De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. – Ik
lees het antwoord van minister De Decker.
Tijdens het
bezoek van president Préval heb ik me inderdaad
geëngageerd om Haïti te ondersteunen op het vlak van de
betaling van de achterstallen van de leraarswedden. Pas vorige
maand hebben wij de officiële vraag daartoe van de
Haïtiaanse regering gekregen.
Het dossier
wordt momenteel door mijn bestuur onderzocht alvorens het mij
voor eventueel definitief akkoord wordt voorgelegd.
Een lid van de
dienst Latijns Amerika van de DGOS heeft gisteren in Madrid de
donorenconferentie als waarnemer bijgewoond.
Tijdens zijn
bezoek aan België hebben we de heer Préval
eraan herinnerd dat de samenwerking met Haïti in
oktober 2002 werd geschorst vanwege de politieke toestand en
dat in de huidige stand van zaken meerdere mogelijkheden
openliggen om de initiatieven van de nieuwe regering te
ondersteunen.
– Officiële
ontwikkelingssamenwerking: Haïti is sinds 2000 niet meer
geselecteerd als partnerland. Niettemin is er nog een overschot
van 1,8 miljoen dollar dat opnieuw kan worden toegewezen voor het
lenigen van de belangrijkste noden van de bevolking.
– Multilaterale
samenwerking: België zou kunnen deelnemen aan een
UNDP-programma dat de sociale rust moet herstellen.
– Lening
van staat tot staat: we hebben de aandacht van de Haïtiaanse
delegatie ook gevestigd op de mogelijkheid om een lening van
staat tot staat te krijgen volgens de geldende criteria.
|
|
Mme Isabelle Durant (ECOLO).
– La stratégie de paiement des fonctionnaires que
vous aviez déjà mise en œuvre apporte une
aide directe particulièrement utile et intéressante.
J’espère donc que ce
dossier aboutira et je vous remercie de l’attention que
vous voudrez bien lui accorder. Nous reviendrons certainement sur
les différents autres aspects que vous avez soulevés.
Haïti le mérite.
|
Mevrouw Isabelle
Durant (ECOLO). – Het beleid inzake de betaling van de
ambtenaren betekent een rechtstreekse hulp die bijzonder nuttig
is.
Ik hoop dus
dat dit dossier tot een goed einde komt en ik dank u voor de
aandacht die u eraan besteedt. We zullen zeker nog terugkomen op
de verschillende andere aspecten die u hebt aangeraakt. Haïti
verdient dat.
|
|
Question
orale de M. Jacques Brotchi au ministre des Affaires
sociales et de la Santé publique et au ministre de la
Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la
Politique des grandes villes et de l’Égalité
des chances sur «le manque d’accessibilité aux
soins de santé pour les ‘illégaux’ et
les ‘sans-papiers’» (nº 3-1296)
|
Mondelinge
vraag van de heer Jacques Brotchi aan de minister van
Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van
Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid
en Gelijke Kansen over «de gebrekkige toegang van illegalen
en mensen zonder papieren tot de gezondheidszorg»
(nr. 3-1296)
|
|
Mme la présidente.
– Je profite de cette occasion pour vous dire à quel
point nous sommes tristes que vous quittiez notre assemblée.
|
De
voorzitter. – Ik maak van de gelegenheid gebruik om te
zeggen hoezeer het ons spijt dat u onze assemblee verlaat.
|
|
M. Jacques Brotchi (MR).
– Je suis encore là pour quelques semaines, avec
plusieurs questions.
Je voudrais demander au ministre de
l’Intégration sociale son opinion sur
l’accessibilité aux soins de santé pour les
illégaux et les sans-papiers.
En principe, la personne en demande
d’asile ou sans papiers devrait pouvoir se rendre
directement chez le médecin pour obtenir des soins. En
pratique, cela se passe difficilement.
Concrètement, le CPAS délivre
aux sans-papiers en état de besoin un réquisitoire
de prise en charge : c’est ce que l’on appelle
l’aide médicale urgente (AMU). Elle doit être
fournie pour chaque prestation par le CPAS, ce qui pose de
nombreux problèmes au patient. Par exemple, une mère
de famille qui a plusieurs enfants malades dans la même
semaine doit s’adresser au CPAS pour chaque consultation
médicale.
Si le patient n’a pas reçu
de réquisitoire et se présente chez un médecin,
celui-ci lui délivre un certificat de soins médicaux
urgents. Le patient introduit ensuite une demande d’aide
médicale urgente auprès du CPAS. Celui-ci apprécie
le caractère urgent de l’aide sollicitée –
ce qui m’étonne en tant que médecin –
et décide de délivrer ou non un réquisitoire
au patient. C’est seulement à ce stade de la
procédure que le médecin peut espérer être
payé.
En outre, le système
d’application de l’AMU varie radicalement d’un
CPAS à l’autre. Des réquisitoires, des
attestations de détresse, des attestations d’aide
médicale urgente, le tout à remplir en deux
exemplaires, à envoyer ou à conserver en fonction
des modalités de chaque CPAS, alourdissent le quotidien du
médecin et l’empêchent d’avoir une
vision claire sur les étapes administratives qu’il
doit effectuer. Qui plus est, il perd du temps à remplir
des documents au lieu de soigner des malades.
Les politiques de remboursement
varient également d’un CPAS à l’autre :
remboursement partiel ou intégral, possibilité d’un
suivi par un généraliste ou uniquement
hospitalisation. Vous comprendrez que les lourdeurs
administratives et les délais qu’elles engendrent
nécessairement peuvent avoir des conséquences
graves pour les patients.
Pourriez-vous m’éclairer
sur les points suivants ? À la suite d’une
concertation avec les acteurs de terrain, vous avez déclaré
vouloir mettre en place un système unique de paiement des
médecins qui prennent en charge des personnes illégales
ou sans papiers. C’est à mon sens une bonne idée
qui encouragera les médecins à participer à
ce système. Mais quid des difficultés rencontrées
par ces patients ? L’idée de la carte médicale
a fait son chemin auprès des médecins et des CPAS.
Il s’agit d’un document délivré par le
CPAS au patient qui donne la garantie aux médecins que le
CPAS prendra à sa charge les frais médicaux, et ce
pour une période à déterminer. Qu’en
pensez-vous ? Si vous y êtes favorable, ne serait-il
pas opportun d’encourager l’utilisation de cette
carte médicale en même temps que celle du système
unique de paiement des médecins afin d’envisager une
solution globale et cohérente à ce problème
de société et permettre aux sans-papiers, aux
illégaux et aux médecins de rencontrer moins de
tracasseries administratives ? Cela permettrait également
aux médecins de remplir leur rôle et aux
sans-papiers d’avoir accès aux soins médicaux.
|
De heer Jacques
Brotchi (MR). – Ik blijf nog enkele weken en ik zal nog
verscheidene vragen stellen.
Ik zou graag
weten wat de minister van Maatschappelijke Integratie vindt over
de toegang van illegalen en mensen zonder papieren tot de
gezondheidszorg.
In principe
zouden asielzoekers of mensen zonder papieren rechtreeks naar de
arts moeten kunnen gaan om zich te laten verzorgen. In de
praktijk verloopt dat moeilijk.
Het OCMW
overhandigt aan de mensen zonder papieren die behoeftig zijn een
betalingsverbintenis die betrekking heeft op de dringende
medische hulp (DMH). Dat document, dat nodig is voor elke
uitkering van het OCMW, bezorgt de patiënt veel problemen.
Zo moet een moeder die in één week verschillende
zieke kinderen heeft, voor elk medisch consult naar het OCMW.
Als de patiënt
geen betalingsverbintenis heeft ontvangen en naar een arts gaat,
geeft de arts hem een attest van dringende medische hulp. De
patiënt dient vervolgens een aanvraag tot dringende medische
hulp in bij het OCMW. Het OCMW beoordeelt de urgentie van de
gevraagde hulp – wat ik als arts vreemd vind – en
beslist om al dan niet een betalingsverbintenis aan de patiënt
te overhandigen. Pas in dat stadium van de procedure kan de arts
rekenen op betaling.
Bovendien
verschilt de wijze waarop het systeem van de dringende medische
hulp wordt toegepast van het ene OCMW tot het andere. De
verbintenissen, de attesten van behoeftigheid, de attesten van
dringende medische hulp, alles in tweevoud in te vullen, te
versturen of bij te houden, afhankelijk van de regels van elk
OCMW, verzwaren het dagelijkse werk van de arts en maken het hem
onmogelijk een duidelijk zicht te hebben op de administratieve
stappen die hij moet uitvoeren. Hij verliest bovendien tijd met
het invullen van documenten in plaats van zieken te verzorgen.
Het
terugbetalingsbeleid verschilt ook van het ene OCMW tot het
andere: gedeeltelijke of volledige terugbetaling, mogelijkheid
tot een follow-up door een huisarts of enkel hospitalisatie. De
administratieve rompslomp en de daarmee gepaard gaande
vertragingen kunnen ernstige gevolgen hebben voor de patiënten.
Na overleg
tussen de actoren op het terrein, verklaarde u dat u een uniek
systeem wou invoeren voor de betaling van artsen die zorg
verlenen aan illegalen of mensen zonder papieren. Dat is een goed
idee en het zal de artsen aanmoedigen om dat systeem toe te
passen. Maar hoe staat het met de moeilijkheden die deze
patiënten ondervinden? Het idee van de medische kaart is
inmiddels bekend bij de artsen en de OCMW’s. Het betreft
een document dat het OCMW aan de patiënt overhandigt en dat
de artsen de betaling van de medische kosten door het OCMW voor
bepaalde tijd waarborgt. Wat denkt u daarvan? Indien u dat idee
steunt, is het dan niet opportuun het gebruik van de medische
kaart alsook het unieke systeem van betaling van de artsen aan te
moedigen opdat er een totale en coherente oplossing voor dit
maatschappelijk probleem wordt gevonden en de mensen zonder
papieren, illegalen en artsen minder administratieve pesterijen
moeten ondergaan? Dan kunnen de artsen hun rol vervullen en
krijgen de mensen zonder papieren toegang tot de medische zorg.
|
|
M. Christian Dupont,
ministre de la Fonction publique, de l’Intégration
sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité
des chances. – Il existe une différence entre l’aide
médicale et l’aide médicale urgente. La
première est due à ceux qui suivent une procédure
régulière de demande d’asile et qui
bénéficient de l’aide financière d’une
commune. Ces personnes doivent normalement solliciter un
réquisitoire auprès du CPAS et disposeront d’une
carte médicale pour se faire soigner.
Parmi ces personnes, on trouve une
catégorie plus problématique. Dans le langage
administratif international de Fedasil, nous les appelons les
no-shows. Ce sont des personnes qui se sont présentées
régulièrement au dispatching de Fedasil pour
s’inscrire régulièrement comme demandeurs
d’asile, à qui a été octroyé un
code 207, c’est-à-dire une affectation dans un
centre, et qui ne s’y sont pas présentées.
Ces derniers peuvent poser quelque
difficulté. Ils ne sont en effet pas sans papiers, mais
ils sont sans affectation. Pour ces personnes, à partir du
moment où l’on aura constaté que leur demande
d’asile est toujours en traitement et qu’elles ne se
sont pas présentées dans le centre qu’on leur
avait désigné, nous travaillons actuellement à
leur donner un code national pour faire en sorte qu’en cas
de soins médicaux, la demande de remboursement arrive
directement chez Fedasil.
Nous avons donc une ébauche
de solution. Il reste cependant un problème : puisque
ces personnes ne se sont pas présentées au centre
qui leur était désigné, et qu’elles ne
nous l’ont pas fait savoir, il est difficile de leur
remettre un document ou une carte.
Quant aux illégaux, la Cour
d’arbitrage a arrêté qu’ils avaient
droit à l’aide médicale urgente. Les nombreux
problèmes administratifs que rencontrent ces personnes et
les médecins sont bien réels. Cependant, je ne vous
ferai pas l’injure de vous expliquer pourquoi il en est
ainsi. Du fait de leur situation dans l’illégalité,
ils ont évidemment une propension à éviter
le contact avec les autorités.
Le droit à l’aide
médicale urgente est garantie dans notre pays. Quiconque
se présente aux services d’urgence ou s’adresse
à un médecin est assuré de recevoir des
soins. Jamais on ne refuse des soins urgents. La démarche
pour la personne, qui sort quelque peu de la clandestinité,
n’est pas simple, j’en conviens, mais je connais très
peu de cas de refus de soins. Dans leur situation, leur octroyer
une carte médicale est délicat. Dès lors,
comment faire en sorte que les prestataires de soins soient
remboursés rapidement tout en gardant un contrôle
sur ce type de dépenses ?
Nous avons confié la
réflexion sur ce sujet à la Commission fédérale
de l’aide sociale qui réunit tous les partenaires de
l’aide, de manière à dégager une
solution humaine, efficace et médicalement correcte qui
respecte notre sens de l’obligation constitutionnelle
d’assister les personnes malades présentes sur notre
territoire.
Je conviens bien volontiers qu’il
y a un problème. Je vais d’ailleurs me rendre dans
une ville pour y rencontrer les différents acteurs qui
gèrent ce problème au quotidien, dont MSF, pour
voir comment je puis apporter des éléments de
solution à la Commission fédérale de l’aide
sociale.
Pour les personnes qui bénéficient
d’une aide financière, on peut utiliser un
réquisitoire ou leur délivrer une carte temporaire,
ce qui est plus facile.
Pour les personnes qui ne se sont
pas présentées à leur centre et qui se
trouvent en situation irrégulière, un problème
se pose, que l’on peut régler en leur affectant un
autre code fictif. Encore faut-il que l’information circule
bien puisque ces personnes ne déclarent pas spontanément
qu’elles ne se rendront pas au centre qui leur a été
désigné. On dira à tout demandeur d’asile
que si, pour une raison ou une autre, il ne se trouve pas dans un
centre, il pourra utiliser le code médical fictif qu’on
lui remet.
Pour les illégaux, il reste
un problème, non d’accès aux soins, qui est,
je crois, assuré, mais de remboursement des prestataires
de soins. Il nous faut en effet trouver une voie administrative
pour ce remboursement.
|
De heer Christian
Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke
Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. – Er is
een verschil tussen medische hulp en dringende medische hulp. De
eerste wordt verleend aan degenen die zich in een wettige
asielprocedure bevinden en die financiële hulp van een
gemeente krijgen. Die personen moeten normaal gezien een
betalingsverbintenis bij het OCMW vragen en zullen over een
medische kaart beschikken om zich te laten verzorgen.
Binnen die
groep personen is er een categorie die meer problematisch is. In
de internationale administratieve taal van Fedasil worden ze
no-shows genoemd. Het zijn mensen die zich volgens de
regels bij de dispatching van Fedasil hebben aangeboden om zich
te laten inschrijven als asielzoeker, aan wie een code 207 werd
toegekend, wat betekent dat ze worden toegewezen aan een centrum,
en die er zich niet hebben aangeboden.
Voor hen
kunnen er moeilijkheden rijzen. Het zijn immers geen mensen
zonder papieren, maar ze hebben geen standplaats. Voor die mensen
wordt momenteel een methode uitgewerkt om een nationale code toe
te kennen zodra wordt vastgesteld dat hun asielaanvraag nog in
behandeling is en ze zich niet hebben aangemeld in het centrum
dat hun werd toegewezen. Op die manier komt in geval van
dringende medische hulp de aanvraag tot terugbetaling
rechtstreeks bij Fedasil terecht.
We hebben dus
een begin van een oplossing. Er blijft evenwel een probleem:
aangezien die mensen zich niet hebben aangemeld in het centrum
dat hun werd toegewezen, en zij ons dat niet hebben laten weten,
is het moeilijk hun een document of een kaart te bezorgen.
Wat de
illegalen betreft, heeft het Arbitragehof besloten dat ze recht
hebben op dringende medische hulp. Deze mensen en de dokters
ondervinden inderdaad talrijke administratieve problemen. Wegens
hun illegaliteit trachten ze uiteraard elk contact met de
autoriteiten te vermijden.
Het recht op
dringende medische hulp wordt in ons land gewaarborgd. Al wie
zich tot de hulpdiensten of tot een dokter wendt, wordt
gegarandeerd verzorgd. Er wordt nooit dringende hulp geweigerd.
Het is moeilijk de stap te zetten om enigszins uit de
clandestiniteit te treden, maar ik ken zeer weinig gevallen
waarin zorg werd geweigerd. Het is een delicate aangelegenheid om
illegalen een medische kaart te geven. Hoe kan men de
zorgverstrekkers snel terugbetalen en terzelfder tijd een
controle behouden op dat soort uitgaven?
We hebben de
Federale Adviescommissie voor Maatschappelijk Welzijn, die alle
partners verenigt die hulp verlenen, gevraagd daarover na te
denken. Dat moet leiden tot het vinden van een menselijke,
efficiënte en medisch correcte oplossing die in
overeenstemming is met de betekenis die we geven aan de
grondwettelijke plicht om zieke personen op ons grondgebied te
helpen.
Ik geef grif
toe dat er een probleem is. Ik zal trouwens een stad bezoeken om
er de verschillende actoren te ontmoeten die dagelijks met dit
probleem te maken hebben, onder meer AZG. Het is mijn bedoeling
de Federale Adviescommissie voor Maatschappelijk Welzijn te
helpen bij het vinden van een oplossing.
Voor de mensen
die financiële hulp krijgen, kan een betalingsverbintenis of
een tijdelijke kaart worden gebruikt.
Voor de mensen
die zich niet hebben aangemeld bij hun centrum en die zich in een
onwettige situatie bevinden, rijst een probleem dat geregeld kan
worden door hun een andere fictieve code toe te kennen. De
informatie moet ook goed doorstromen aangezien die personen niet
spontaan zullen verklaren dat ze niet naar het centrum zullen
gaan dat hun werd toegewezen. Er zal aan elke asielzoeker worden
gezegd, dat ze, als ze om een of andere reden niet in een centrum
zijn, de fictieve medische code kunnen gebruiken die hun wordt
gegeven.
Voor de
illegalen blijft er een probleem. Het gaat daarbij niet om de
toegang tot de zorgen, die volgens mij verzekerd is, maar om de
terugbetaling van de zorgverlening. We moeten inderdaad een
administratieve oplossing vinden voor die terugbetaling.
|
|
Question
orale de M. Staf Nimmegeers au ministre des Affaires
sociales et de la Santé publique sur «l’enquête
de Test-Achats sur les soins palliatifs» (nº 3-1301)
|
Mondelinge
vraag van de heer Staf Nimmegeers aan de minister van
Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het onderzoek van
Test-Aankoop over de palliatieve zorg» (nr. 3-1301)
|
|
Question
orale de Mme Clotilde Nyssens au ministre des Affaires
sociales et de la Santé publique sur «l’enquête
de Test-Achats sur les soins palliatifs» (nº 3-1305)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van
Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het onderzoek van
Test-Aankoop over palliatieve zorg» (nr. 3-1305)
|
|
Mme la présidente.
– Je vous propose de joindre ces questions orales.
(Assentiment)
M. Christian Dupont, ministre
de la Fonction publique, de l’Intégration sociale,
de la Politique des grandes villes et de l’Égalité
des chances, répondra.
|
De voorzitter. – Ik
stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)
De heer Christian Dupont,
minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie,
Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen antwoordt.
|
|
M. Staf
Nimmegeers (SP.A-SPIRIT). – Test-Achats a enquêté
sur la qualité des soins palliatifs et sur la satisfaction
à l’égard de l’offre actuelle de ces
soins. Nous n’attendons pas directement ce genre de
démarche de la part de Test-Achats mais le fait d’avoir
fait une enquête à ce sujet honore cet organisme.
Test-Achats a mené son enquête par le biais d’un
questionnaire écrit auquel environ 1.250 familles, 800
médecins et 1.000 infirmiers ont répondu.
Voici les
principales constatations de cette enquête. Bien que la
plupart des personnes veulent mourir chez elles, ce n’est
pas le cas dans la pratique. Les soins palliatifs offerts sont
jugés de manière très positive. Ceci vaut en
premier lieu pour les soins médicaux et paramédicaux
prestés par les médecins et les infirmiers. Les
personnes interrogées sont toutefois bien moins
satisfaites de l’accompagnement psychosocial. C’est
un mal ancien qui touche l’ensemble du secteur médical :
les médecins sont trop techniques ; ce sont peut-être
même d’excellents techniciens mais pas de vrais
« guérisseurs ». Test-Achats
constate également que les ministres du culte et les
consultants moraux ne jouent pas leur rôle lors de
l’accompagnement tant des patients que de leur famille et
de leurs amis.
Test-Achats
constate enfin que le remboursement des soins palliatifs est
limité aux trois derniers mois de vie. Sur la base de son
enquête, Test-Achats plaide pour une intervention
financière pour l’ensemble de la durée des
soins palliatifs, même lorsque certains patients se
rétablissent temporairement.
Que pense le
ministre du fait qu’un organisme comme Test-Achats enquête
sur un domaine tel que celui des soins palliatifs et que
pense-t-il de la méthode utilisée à cet
effet ?
Quelle est sa
première réaction aux constatations et aux
conclusions ?
Quelle
initiatives le ministre prendra-t-il pour faire soigner à
leur domicile les patients en phase terminale, comme ils le
souhaitent expressément, au lieu de recourir aux soins –
plus onéreux – à l’hôpital ?
On se plaint
principalement de la qualité de l’accompagnement
psychosocial. Que doit-on faire dans ce domaine, selon le
ministre, et quelles initiatives envisage-t-il de prendre
lui-même ?
Le ministre
juge-t-il possible d’octroyer une intervention financière
durant toute la durée des soins palliatifs et de ne pas
limiter cette intervention, comme c’est le cas
actuellement, à une période maximale de trois
mois ?
|
De heer Staf Nimmegeers
(SP.A-SPIRIT). – Test-Aankoop heeft de kwaliteit van en
de tevredenheid over het huidige aanbod inzake palliatieve zorg
bevraagd. Dat item verwachten we niet direct van Test-Aankoop,
maar het siert deze organisatie dat ze over dit onderwerp
onderzoek heeft verricht. Test-Aankoop heeft het onderzoek
uitgevoerd via een schriftelijke enquête bij een 1.250-tal
familieleden, 800 artsen en 1.000 verpleegkundigen.
Ik geef de belangrijkste
vaststellingen van dit onderzoek. Alhoewel de meeste mensen thuis
willen sterven, is dat in de praktijk niet het geval. De geboden
palliatieve zorg wordt als zeer positief beoordeeld. Dat geldt in
eerste instantie voor de medische en paramedische zorg door
artsen en verpleegkundigen. Over de psychosociale begeleiding
zijn de bevraagden echter veel minder tevreden. Dat is een oud
zeer in de hele medische sector: artsen zijn te veel technici,
misschien wel uitstekende technici, maar geen echte
‘genees’-heren of -dames. Test-Aankoop stelt ook vast
dat de bedienaren van de eredienst en de morele consulenten erg
in gebreke blijven, zowel in de begeleiding van de patiënten
als van de familie en vrienden.
Test-Aankoop stelt ten slotte vast
dat de terugbetaling van palliatieve zorg beperkt is tot de
laatste drie levensmaanden. Op basis van haar onderzoek pleit
Test-Aankoop voor een financiële tussenkomst voor de
volledige duur van de palliatieve zorg, zelfs als bepaalde zieken
tijdelijk zouden herstellen.
Wat vindt de minister van het feit
dat een organisatie als Test-Aankoop een gegeven als palliatieve
zorg onderzoekt en van de methode die daarvoor werd gehanteerd?
Wat is zijn eerste algemene reactie
op de bevindingen en conclusies?
Welke initiatieven zal de minister
nemen om terminale patiënten thuis te laten verzorgen, zoals
hun uitdrukkelijke wens is, in plaats van een beroep te doen op
de – duurdere – verzorging in een ziekenhuis?
Er wordt vooral geklaagd over de
kwaliteit van de psychosociale begeleiding. Wat moet volgens de
minister op dat vlak gebeuren en welke initiatieven is hij van
plan zelf te nemen?
Acht de minister het haalbaar een
financiële tegemoetkoming te geven gedurende de volledige
duur van de palliatieve zorg en de tegemoetkoming dus niet, zoals
nu, te beperken tot een maximum periode van drie maanden?
|
|
Mme Clotilde Nyssens (CDH).
– Je souhaite également évoquer l’enquête
très intéressante réalisée par
Test-Achats. On peut notamment lire que : « Dans
l’enquête, on a fait usage d’un instrument de
mesure spécifique pour mesurer la qualité du
processus de fin de vie et de l’agonie. Sur la base de cet
instrument de mesure est calculé un indice de qualité
de fin de vie de 0 à 100. Les meilleurs résultats
concernent la Belgique et l’Italie, avec respectivement des
indices de 56 et 54. Suivent d’autres pays… »
Il est souligné que le décès
plus supportable grâce aux soins palliatifs est réellement
attesté et que le remboursement des soins palliatifs peut
être amélioré. Il y a d’autres besoins,
comme le soutien psychologique ou l’assistance morale et
spirituelle, laquelle est jugée insuffisante.
Test-Achats souligne que de
nombreuses personnes aimeraient mourir à domicile et que
les soins palliatifs à domicile ont fait leurs preuves.
Dès lors, j’aimerais demander au ministre Demotte si
l’on ne pourrait envisager d’améliorer le
remboursement des soins palliatifs à domicile. Pour
l’instant, ces soins sont limités à une durée
de trois mois au maximum et de 24 heures au minimum. Cette
fourchette est trop étroite, il faudrait pouvoir
l’élargir.
Je voudrais également savoir
si le ministre prévoit dans sa politique de 2007 un
remboursement plus important des soins palliatifs à
domicile, avec tous les points soulignés par l’enquête
de Test-Achats.
Cette dernière est réalisée
de manière originale et est très complète
alors que ce magazine n’a pas l’habitude de faire ce
genre d’enquête. Outre l’assistance médicale,
on y parle également des infirmiers et des médecins
généralistes. On dit aussi que l’assistance
psychologique, sociale, morale et spirituelle est loin d’être
suffisante.
Le ministre Demotte peut-il nous
communiquer ses intentions en matière de remboursement des
soins palliatifs à domicile ?
|
Mevrouw Clotilde
Nyssens (CDH). – Ik verwijs eveneens naar het zeer
interessante onderzoek van Test-Aankoop. Daarin kan men vooral
lezen: ‘In het onderzoek werd gebruik gemaakt van een
specifiek meetinstrument om de kwaliteit van het stervensproces
en de kwaliteit van het doodgaan zélf te meten. Op basis
van dit meetinstrument is vervolgens een index berekend (0 tot
100) die een betrouwbare indicatie geeft van de
stervenskwaliteit. Uit de resultaten blijkt dat België
(samen met Italië) de beste stervensindex vertoont:
Belgische index = 56; Italiaanse index = 54). Daarna volgen
andere landen.’
Er wordt op
gewezen dat werd aangetoond dat palliatieve zorg het heengaan
werkelijk draaglijker maakt en dat de terugbetaling van de
palliatieve zorg kan worden verbeterd. Andere noden, zoals de
psychologische ondersteuning of de morele en geestelijke
bijstand, scoren ondermaats.
Test-Aankoop
wijst erop dat velen liever thuis sterven en dat de ambulante
palliatieve zorg zijn nut heeft bewezen. Zou minister Demotte dan
ook kunnen overwegen om de terugbetaling van palliatieve
thuiszorg te verbeteren? Momenteel is de terugbetaling beperkt
tot maximaal drie maanden en minimaal 24 uur. Die marge is te
klein, ze zou moeten worden verruimd.
Voorziet de
minister in zijn beleid voor 2007 in een ruimere terugbetaling
van de palliatieve thuiszorg, met alle punten waarop in het
onderzoek van Test-Aankoop werd gewezen?
Dat onderzoek
werd op een originele wijze gevoerd en is zeer volledig, hoewel
dat tijdschrift niet de gewoonte heeft zulke onderzoeken te doen.
Naast de medische bijstand komen tevens de verpleegkundigen en
artsen ter sprake. Er wordt ook gezegd dat de psychologische,
sociale, morele en spirituele bijstand te wensen overlaat.
Welke plannen
heeft minister Demotte inzake de terugbetaling van de palliatieve
thuiszorg?
|
|
M. Christian
Dupont, ministre de la Fonction publique, de l’Intégration
sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité
des chances. – Je vous lis la réponse du ministre
Demotte.
Je ne souhaite
pas m’exprimer sur la méthode utilisée par
Test-Achats pour cette enquête. Je ne m’exprimerai
pas davantage sur la question de savoir si Test-Achats est
compétent pour mener ce genre d’enquête.
Je constate
que les conclusions de l’enquête portent en premier
lieu sur des lacunes dans l’information des patients et des
membres de leur famille. L’offre de soins palliatifs à
domicile est en général considérée
comme positive même si, comme dans tous les domaines,
certaines choses peuvent être améliorées.
|
De heer Christian
Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke
Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. – Ik lees
het antwoord van minister Demotte.
Ik wens me niet uit te spreken over
de methode die Test-Aankoop voor dit onderzoek heeft gebruikt. Ik
ga me er evenmin over uitspreken of Test-Aankoop bevoegd is dat
soort van onderzoek te voeren.
Wat de conclusies van het onderzoek
betreft, stel ik vast dat ze in de eerste plaats betrekking
hebben op de lacunes inzake informatieverstrekking aan patiënten
en hun familieleden. Het aanbod van palliatieve thuisverzorging
wordt over het algemeen positief ervaren, zelfs al zijn, zoals in
alle domeinen, een aantal zaken voor verbetering vatbaar.
|
|
La décision de dégager
des budgets en 2007 qui sont ciblés sur la fonction
palliative en milieu hospitalier a été prise en
concertation avec les fédérations représentatives
du secteur. Celles-ci m’ont alerté dès l’an
dernier sur l’urgence de réaliser des progrès
dans ce domaine. Le montant octroyé en 2007, quatre
millions d’euros, est appréciable.
L’étude de Test-Achats
n’est pas de nature à modifier cette décision
puisque ses conclusions ne remettent nullement en question la
qualité de l’offre de soins palliatifs au domicile
du patient.
|
De beslissing
om in 2007 middelen vrij te maken voor de intramurale palliatieve
zorg werd genomen in overleg met de representatieve federaties
van de sector. Die hebben mij vorig jaar al gewezen op de
noodzaak om op dat gebied vooruitgang te boeken. Voor 2007 werd
het aanzienlijke bedrag van vier miljoen euro toegekend.
De studie van
Test-Aankoop zal die beslissing niet veranderen, want de
conclusies ervan trekken de kwaliteit van de aan de patiënt
verleende palliatieve thuiszorg geenszins in twijfel.
|
|
En ce qui
concerne les soins à domicile, le ticket modérateur
a été supprimé pour les visites des
généralistes, des kinésithérapeutes
et des infirmiers. Il existe en outre un large forfait pour les
dépenses qui ne sont pas remboursées par
l’assurance-maladie. Enfin, l’INAMI subsidie les
équipes de soutien dans les soins de deuxième
ligne. Je ne vois pas très bien ce qui peut encore être
fait mais je reste ouvert à toute proposition.
Il ressort de
l’enquête de Test-Achats que les deux critiques
principales portent sur la limitation de l’intervention
dans les soins palliatifs à trois mois et sur le
remboursement des soins psychosociaux.
La durée
de trois mois n’a pas été fixée
arbitrairement. Il y a un consensus dans le monde médical
quant à la possibilité de déterminer la
durée de vie espérée et les soins palliatifs
sont aujourd’hui réservés aux personnes en
fin de vie.
Cela ne
signifie bien entendu pas que nous ne devons pas être
attentifs aux soins des patients durant la période
antérieure au diagnostic de patient palliatif. À ce
stade, les soins relèvent toutefois de l’enveloppe
relative aux soins chroniques pour laquelle j’ai débloqué,
pour 2007, un montant important dans le cadre du maximum à
facturer pour les patients chroniques, et de l’enveloppe
relative à la protection des patients. Je continuerai à
soutenir les soins chroniques et palliatifs. Les différents
types de soins ne doivent toutefois pas être confondus car
ce n’est profitable pour personne.
Quant aux
soins psychosociaux, je suis disposé à ouvrir le
débat. Je souligne que le pouvoir fédéral
n’est compétent que de manière limitée
à ce sujet. Il agit dans le cadre de sa compétence
de la Santé publique alors que le soutien psychosocial aux
proches des malades relève davantage de la compétence
des Communautés. Dans ce domaine, je travaille également
avec mes collègues à la conférence
interministérielle de la Santé.
|
In de thuisverzorging werd het
remgeld voor het bezoek van huisartsen, kinesitherapeuten en
verpleegkundigen afgeschaft. Daarnaast is er een ruim forfait
voor uitgaven die niet door de ziekteverzekering worden
terugbetaald. Tot slot subsidieert het RIZIV ondersteunende
equipes in de tweedelijnszorg. Ik zie niet goed in wat nog meer
kan worden gedaan, maar ik sta open voor elk voorstel.
Uit het onderzoek van Test-Aankoop
blijkt dat de twee belangrijkste punten van kritiek betrekking
hebben op de beperking van de tussenkomst bij palliatieve
verzorging tot drie maanden en op de terugbetaling van de
psychosociale verzorging.
De duur van drie maanden werd niet
willekeurig bepaald. In de medische wereld bestaat een consensus
over de mogelijkheid om de te verwachten levensduur te bepalen en
palliatieve zorg wordt nu eenmaal voorbehouden aan personen op
het einde van hun leven.
Dat betekent uiteraard niet dat we
geen aandacht moeten schenken aan de verzorging van patiënten
in de periode vóór de diagnose van palliatieve
patiënt wordt gesteld. In dat stadium valt de verzorging
echter onder de enveloppe inzake chronische zorg, waarvoor ik
voor het jaar 2007 in het kader van de maximumfactuur voor
chronisch zieken een groot bedrag heb vrijgemaakt, en onder de
enveloppe van patiëntenbescherming. Ik zal de chronische en
de palliatieve zorgverlening blijven ondersteunen. De
verschillende types van zorgverlening mogen echter niet door
elkaar worden gehaald, want daar wordt niemand beter van.
Over de psychosociale zorgverlening
ben ik bereid het debat aan te gaan. Ik wijs er wel op dat de
federale overheid hiervoor slechts in beperkte mate bevoegd is.
De federale overheid handelt in het kader van haar bevoegdheid
voor volksgezondheid, terwijl de psychosociale ondersteuning aan
de naasten van de zieke veeleer onder de bevoegdheid van de
gemeenschappen valt. Ik werk op dit vlak dan ook samen met mijn
collega’s in de interministeriële conferentie voor
Gezondheid.
|
|
M. Staf
Nimmegeers (SP.A-SPIRIT). – Le ministre Demotte demande
des propositions créatives en faveur d’une meilleure
subsidiation de l’ensemble, tout en respectant les
disciplines médicales concernées. Je me permettrai
donc de déposer sous peu quelques propositions et j’espère
pouvoir entendre la réaction du ministre de sa propre
bouche.
L’accompagnement
par les ministres du culte et par les consultants moraux me tient
à cœur et mérite, tout comme l’accompagnement
psychosocial, une grande attention. Cet accompagnement est
sous-estimé et sous-évalué. Dans certains
cas, il est peut-être même plus important que le
traitement médical.
|
De heer Staf Nimmegeers
(SP.A-SPIRIT). – Minister Demotte vraagt creatieve
voorstellen voor een verregaande subsidiëring van het geheel
met respect voor de betrokken medische disciplines. Ik zal zo
vrij zijn hiervoor binnen afzienbare tijd een paar voorstellen te
doen en hoop dan de reactie daarop van de minister zelf te mogen
horen.
De begeleiding door bedienaren van
de erediensten en door de morele consulenten ligt me na aan het
hart en verdient samen met de psychologische begeleiding heel
veel aandacht. Die begeleiding wordt onderschat en
ondergewaardeerd en is in bepaalde gevallen misschien zelfs
belangrijker dan de medische behandeling.
|
|
Mme Clotilde Nyssens (CDH).
– Je remercie le ministre de sa réponse. Je me
réjouis qu’il soit ouvert au débat.
Selon moi, l’enquête est
essentielle, même si elle est réalisée par un
organisme auquel on ne s’attendrait pas. Cependant, toutes
les questions qui ont été posées avaient été
abordées lors du débat que nous avons eu sur la loi
relative aux soins palliatifs et à l’euthanasie,
qu’il s’agisse de l’assistance ou du rôle
des proches, des psychologues, des assistants sociaux et de
l’assistance morale et spirituelle. Cela me conforte dans
l’idée que nous aurions dû encore mieux
travailler sur la loi relative aux soins palliatifs.
Nous avions discuté de
l’assistance et je suis entièrement favorable à
un nouveau débat en vue d’améliorer
l’approche palliative qui fait ses preuves. On constate
d’ailleurs que la population a des attentes en la matière.
Je suis de plus en plus convaincue
de l’intérêt de cette approche et de la
nécessité de l’étendre dans le temps.
Les soins palliatifs ne doivent pas seulement être
prodigués à brève échéance de
la mort mais le plus tôt possible dans une optique de soins
continus.
|
Mevrouw Clotilde
Nyssens (CDH). – Ik dank de minister voor zijn
antwoord. Het verheugt mij dat hij openstaat voor het debat.
Volgens mij is
het onderzoek essentieel, al werd het uitgevoerd door een
organisatie waarvan we het niet verwacht hadden. Alle vragen die
erin gesteld werden, kwamen nochtans al aan bod tijdens het debat
dat we gevoerd hebben over de wet betreffende de palliatieve zorg
en de euthanasie, ook in verband met de bijstand of de rol van de
naaste familieleden, psychologen, sociaal assistenten en personen
die morele en spirituele bijstand verlenen. Dat sterkt mij in
mijn mening dat we de wet betreffende de palliatieve zorg nog
beter hadden kunnen uitwerken.
We hebben
gedebatteerd over de bijstand. Ik ben volkomen voorstander van
een nieuw debat met het oog op de verbetering van de palliatieve
aanpak, die zijn nut heeft bewezen. We stellen overigens vast dat
er bij de bevolking ter zake verwachtingen leven.
Ik ben steeds
meer overtuigd van het belang van die aanpak en van de noodzaak
om de termijn ervan uit te breiden. De palliatieve zorg heeft
niet alleen betrekking op de periode vlak voor het overlijden;
het is veeleer een vorm van voortdurende verzorging, waarmee zo
vroeg mogelijk moet worden begonnen.
|
|
Question
orale de Mme Fauzaya Talhaoui au ministre de la Fonction
publique, de l’Intégration sociale, de la Politique
des grandes villes et de l’Égalité des
chances sur «la suppression des subsides au projet Time
Out» (nº 3-1302)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Fauzaya Talhaoui aan de minister van
Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid
en Gelijke Kansen over «het stopzetten van de subsidies van
het project Time Out» (nr. 3-1302)
|
|
Question
orale de M. Frank Creyelman au ministre de la Fonction
publique, de l’Intégration sociale, de la Politique
des grandes villes et de l’Égalité des
chances sur «le projet d’accompagnement des auteurs
‘Time Out’ dans le cadre de la violence
intrafamiliale» (nº 3-1309)
|
Mondelinge
vraag van de heer Frank Creyelman aan de minister van
Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid
en Gelijke Kansen over «het daderproject ‘Time Out’
in het kader van intrafamiliaal geweld» (nr. 3-1309)
|
|
Mme la présidente.
– Je vous propose de joindre ces questions orales.
(Assentiment)
|
De voorzitter. – Ik
stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)
|
|
Mme Fauzaya
Talhaoui (SP.A-SPIRIT). – Samedi dernier s’est
déroulée la journée des Nations unies contre
la violence domestique. La semaine dernière se sont aussi
tenus à la Chambre et au Sénat de larges débats
sur cette problématique très grave qui concerne un
grand nombre de femmes, à savoir une sur cinq.
Mon étonnement
fut donc tout aussi grand lorsque précisément
maintenant le ministre arrête de subventionner le projet
Time Out à Anvers, un projet qui fonctionne pourtant bien.
Alors que la subvention de 120.000 euros devraient être
doublée de sorte que ce projet de valeur puisse encore
être étendu, le ministre tira argument de ce que les
dix emplois pour la lutte contre la violence conjugale financés
par le Maribel social ne peuvent pas être occupés
par des diplômés universitaires.
La méthode
de Time Out vient des Pays-Bas. Alors que la lutte contre la
violence domestique se focalisait précédemment
surtout sur l’accompagnement des victimes, on commence
maintenant à travailler avec des groupes d’accompagnement
des auteurs de violence. Chez Time Out, on estime que les deux
approches doivent être menées conjointement, sinon
le modèle de la violence conjugale se répétera.
Cinquante pour cent des femmes qui arrivent dans un refuge
retourneraient vivre avec le même partenaire. Toutefois, si
celui-ci ne modifie pas son comportement, cela signifie qu’en
tant qu’autorité publique nous n’offrons pas
l’aide adéquate ni aux auteurs de violence ni à
leurs victimes. Rien qu’une emplâtre sur une jambe de
bois.
En cessant le
financement du projet Time Out, on arrête à partir
de janvier 2007 l’aide donnée à quarante
personnes. Un certain nombre d’entre elles sont obligées
par la Justice de suivre cette formation, d’autres la
suivent volontairement. Les dispensateurs de l’aide ne
comprennent rien à cet arrêt de subvention. Le
projet pilote se déroulait si bien qu’ils voulaient
étendre leur activité à un groupe d’enfants.
Il est en effet prouvé scientifiquement que les enfants
qui voient beaucoup de violence au foyer, risquent de devenir
eux-mêmes plus tard les auteurs de violences.
Le
26 octobre 2005 encore, en réponse à une
question parlementaire, la ministre Onkelinx a déclaré
que Praxis et Time Out, qui aident et sensibilisent les auteurs
d’actes de violence, méritaient un soutien. Le
ministère de la Justice finançaient ces projets
d’accompagnement d’auteurs de violences dans le cadre
des mesures judiciaires alternatives. C’est ainsi que, du
côté francophone, Praxis reçut 500.000 euros
de subsides. A-t-on également mis fin au financement de
cette asbl ?
Aux Pays-Bas,
on a étudié les coûts énormes
engendrés par la violence intrafamiliale. Outre les soins
hospitaliers, les détentions préventives, les
interventions policières, la prise en charge des victimes,
etc. coûtent très cher à la collectivité.
Cela ne pèse-t-il rien pour le ministre en comparaison du
projet Time Out dont le coût est jusqu’à
présent de 120.000 euros par an ?
Les personnes
qui travaillent à mi-temps à Time Out, s’occupent
aussi, de manière bénévole, de
l’administration et de la coordination du projet. Un tel
engagement ne justifie-t-il pas la poursuite de leur travail ?
Un
collaborateur du ministre a déclaré dans la Gazet
van Antwerpen que soit Time Out devrait peut-être
transférer sa méthode à des personnes moins
diplômées, soit que l’équipe devrait
trouver d’autres partenaires. Il renvoyait aussi aux
ministres régionaux, et entre autres à
Mme Vervotte. Celle-ci n’est pas d’accord avec
le changement de personnel et estime que l’État
fédéral doit continuer à s’occuper de
ce projet.
À
l’occasion de la journée d’étude du
25 novembre, plusieurs dispensateurs d’aide ont attiré
l’attention sur l’aide aux victimes. Nombre d’entre
eux ont plaidé pour la mise en service d’un numéro
d’appel d’urgence national auquel pourraient
directement recourir les victimes de violences domestiques. En
effet il faut beaucoup de temps avant que les victimes de
violences domestiques ne soient aidées lorsqu’elles
forment le 100 ou le 101.
Le ministre
a-t-il déjà soumis cette idée à ses
collègues de la Justice et de l’Intérieur ?
|
Mevrouw Fauzaya Talhaoui
(SP.A-SPIRIT). – Vorige zaterdag was het VN-themadag
tegen huiselijk geweld. Vorige week ook werd in Kamer en Senaat
een zeer uitgebreid debat gehouden over deze zeer ernstige
problematiek die een groot aantal vrouwen treft, namelijk één
of vijf.
Groot was dan ook mijn verbazing dat
de minister net nu de subsidies voor het succesvolle project Time
Out in Antwerpen stopzet. Terwijl de subsidie van 120.000 euro
verdubbeld zou moeten worden zodat dit waardevolle project nog
kan worden uitgebreid, argumenteerde de minister dat de tien
betrekkingen die via de sociale Maribel werden vrijgemaakt voor
partnergeweld, niet kunnen worden ingevuld door universitair
geschoolden.
De aanpak van Time Out komt
overgewaaid uit Nederland. Terwijl de focus in de strijd tegen
huiselijk geweld vroeger vooral op de begeleiding van de
slachtoffers lag, is daar nu begonnen met een trainingsgroep voor
daders. Ook bij Time Out leeft de idee dat beide hand in hand
moeten gaan, omdat het patroon van partnergeweld zich anders
blijft herhalen. Vijftig procent van alle vrouwen die in een
vluchthuis terechtkomen, zou teruggaan naar dezelfde partner. Als
die zijn gedrag echter niet verandert, bieden wij als overheid
geen adequate hulp, noch aan de daders, noch aan de slachtoffers.
Dan dweilen we met de kraan open.
Door de stopzetting van de
financiering van het daderproject Time Out zullen in januari 2007
veertig mensen geen hulp meer krijgen. Een aantal onder hen werd
door Justitie verplicht de training te volgen, maar er zijn ook
vrijwillige deelnemers. De hulpverleners snappen niets van deze
subsidiestop. Omdat het pilootproject net zo goed liep, wilden ze
het ook uitbreiden naar een kindergroep. Wetenschappelijk werd
immers bewezen dat kinderen die veel geweld zien in het gezin,
veel kans lopen om later zelf ook dader te worden.
Op 26 oktober 2005, zei
minister Onkelinx nog, als antwoord op een parlementaire vraag,
dat Praxis en Time Out, die daders van geweldpleging helpen en
sensibiliseren, ondersteuning verdienen. Justitie financierde
deze projecten voor daderbegeleiding dan ook in het kader van de
alternatieve gerechtelijke maatregelen. Zo kreeg, langs
Franstalige kant, Praxis 500.000 euro subsidie. Wordt ook deze
VZW nu drooggelegd?
In Nederland werd onderzoek verricht
naar de enorme kosten van huiselijk geweld. Naast behandelingen
in het ziekenhuis zijn ook voorarrest, politie-interventies,
slachtofferopvang, enzovoort heel duur voor de gemeenschap. Weegt
dit volgens de minister niet op tegen de voortzetting van het
vrij goedkope project van Time Out, dat tot nu toe 120.000 euro
per jaar kost?
De mensen die halftijds bij Time Out
werkten, namen ook, op vrijwillige basis, de administratie en de
coördinatie van het project voor hun rekening. Rechtvaardigt
hun inzet niet de voortzetting van hun werk?
Een medewerker van de minister
verklaarde in Gazet van Antwerpen: ‘Misschien kan Time Out
de methodiek overdragen aan minder hoogopgeleide personen. Of er
moeten andere partners worden gevonden.’ Hij verwees ook
naar de gewestministers, onder andere minister Vervotte. Zij is
het niet eens met de vervanging van de personeelsleden en is van
mening dat de federale overheid zich met dit project moet
bezighouden.
Op de studiedag van 25 november
vestigden een aantal hulpverleners extra de aandacht op
slachtofferhulp. Velen van hen pleitten voor het invoeren van een
nationaal noodnummer waar slachtoffers van huiselijk geweld
zouden terecht kunnen. Het duurt immers heel lang eer
slachtoffers van huiselijk geweld kunnen worden geholpen wanneer
ze de noodnummers 100 of 101 opbellen. Heeft de minister deze
idee aangekaart bij zijn collega’s van Justitie en
Binnenlandse Zaken?
|
|
M. Frank
Creyelman (VL. BELANG). – Il y a tout juste une
semaine avait lieu au Sénat un débat sur la
violence intrafamiliale, à partir d’une résolution
du Conseil de l’Europe incitant les États membres à
prendre des mesures législatives contre ce phénomène
très répandu. Quelques jours plus tard, force est
pourtant de constater que le projet anversois Time Out, axé
sur les auteurs de violences, est privé de son
financement.
Bien que le
ministre ait maintes fois souligné l’importance de
l’accompagnement des auteurs, notamment pour éviter
la récidive, les travailleurs et les quarante auteurs
impliqués dans le projet Time Out sont mis à la
porte.
Les projets
ciblés sur les auteurs de violences devaient être
évalués en mars 2006. Cette évaluation
devait aboutir à des recommandations politiques et à
une concertation avec les communautés et régions en
vue d’un financement structurel des projets. Le ministre a
assuré qu’il garantissait le financement jusqu’à
la fin de la concertation interministérielle mais que les
communautés et régions devraient bien assumer leurs
responsabilités à un moment donné.
Lors de la
conférence interministérielle du 13 juillet 2005,
les ministres concernés ont décidé
d’instaurer un groupe de travail, chargé notamment
d’étudier les modalités de financement des
projets d’accueil des auteurs en 2007 sur la base d’un
rapport d’évaluation de l’Institut pour
l’égalité des hommes et des femmes.
Quels sont les
résultats de l’évaluation des projets axés
sur les auteurs ? À quelles recommandations
politiques cette évaluation a-t-elle donné lieu, en
particulier pour le projet anversois ?
Où en
est l’étude réalisée par le groupe de
travail concernant le financement en 2007 ?
Le ministre
pense-t-il que la concertation avec les communautés et
régions à propos du financement a été
suffisamment poussée pour permettre le maintien des
projets ? Quels sont les résultats de la concertation
avec le gouvernement flamand ? Le ministre estime-t-il que
celui-ci ne prend pas ses responsabilités dans ce
domaine ?
Quelle est
l’incidence de la suppression du financement pour les
autres projets axés sur les auteurs ?
Le ministre
envisage-t-il de prendre des initiatives afin d’éviter
que de tels projets et, en particulier, le projet anversois
soient privés de leur financement ?
|
De heer Frank Creyelman
(VL. BELANG). – Exact een week geleden vond hier
in de Senaat een debat plaats over huiselijk geweld naar
aanleiding van een campagne en een daarmee gepaard gaande
resolutie van de Raad van Europa. Terwijl net die resolutie de
lidstaten van de Raad van Europa ertoe moet aanzetten wetgevende
initiatieven te nemen om de strijd aan te binden tegen het
wijdverbreide probleem van partnergeweld, moesten we enkele dagen
later vaststellen dat de geldkraan voor het daderproject Time Out
in Antwerpen wordt dichtgedraaid.
Hoewel de minister meermaals te
kennen gaf dat in de strijd tegen partnergeweld de begeleiding
van daders noodzakelijk is en hij hierin een instrument zag om
recidive bij daders te voorkomen, worden de hulpverleners en de
veertig daders, die momenteel deel uitmaken van het
trainingsproject Time Out, op straat gezet.
De dadergerichte pilootprojecten
zouden in maart 2006 worden geëvalueerd. Die evaluatie
moest dienen om beleidsaanbevelingen te formuleren. Op basis van
diezelfde evaluatie zou dan in overleg met de gemeenschappen en
de gewesten gezocht worden naar een structurele financiering van
de projecten. De minister liet in een antwoord op een
parlementaire vraag weten dat hij zelf garant zou staan voor de
financiering ervan tot de beëindiging van het
interministerieel overleg. De minister benadrukte dat er geen
gevaar bestond dat de projecten niet zouden doorlopen, maar dat
op een bepaald moment de gemeenschappen en de gewesten hun
verantwoordelijkheid hierin moeten nemen. Voor de
daderhulpprojecten werd vanuit de federale overheid jaarlijks
360.000 euro voorzien.
Op de interministeriële
conferentie van 13 juli 2005 hebben de betrokken
ministers besloten om, wat partnergeweld betreft, een werkgroep
op te richten die onder meer als taak had de financiering voor
2007 te onderzoeken van de projecten inzake daderopvang, en dit
op basis van het evaluatieverslag van het Instituut voor de
gelijkheid van mannen en vrouwen. Voor deze evaluatie werd 25.000
euro uitgetrokken.
Wat zijn de resultaten van de
evaluatie van de daderprojecten, die in maart 2006 moest
zijn afgerond? Welke beleidsaanbevelingen kwamen hieruit voort en
wat waren meer specifiek de conclusies met betrekking tot het
Antwerpse project?
Wat is de stand van zaken van het
onderzoek dat door de werkgroep werd gevoerd in het kader van de
financiering met het oog op 2007?
Meent de minister dat met betrekking
tot de financiering voldoende werd overlegd met de gemeenschappen
en de gewesten teneinde deze projecten te handhaven? Wat zijn de
resultaten van het overleg met de Vlaamse Regering? Meent hij dat
de Vlaamse Regering haar verantwoordelijkheid hierin niet
opneemt?
Welke gevolgen heeft de
financieringsstop voor de andere dadergerichte projecten?
Overweegt de minister initiatieven
te nemen teneinde de stopzetting te voorkomen van dergelijke
daderprojecten en meer specifiek van de financiering van het
Antwerpse project?
|
|
M. Christian
Dupont, ministre de la Fonction publique, de l’Intégration
sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité
des chances. – Je me suis personnellement toujours engagé
en faveur de ces projets.
L’accompagnement
d’auteurs de violences conjugales relève de la
compétence de différents ministres. L’autorité
fédérale n’est compétente que pour les
auteurs à qui un accompagnement a été imposé
par une décision judiciaire.
Les auteurs
qui demandent volontairement un accompagnement sont du ressort
des ministres communautaires de l’Aide sociale.
En 2003, le
ministre de l’Égalité des chances a décidé,
dans le cadre du Plan national d’action contre la violence
à l’égard des femmes, de faire financer
partiellement et temporairement trois projets novateurs
d’accompagnement d’auteurs participant volontairement
à un programme, par l’Institut pour l’égalité
des femmes et des hommes.
Un de ces
projets était le projet « Time Out »
à Anvers, qui m’a d’ailleurs paru excellent.
L’an dernier, se posait déjà la question de
savoir qui allait le financer. Le gouvernement fédéral
était disposé à le faire si personne d’autre
ne s’en chargeait.
Pour la
Communauté flamande, les 165.000 euros alloués en
supplément aux « Centra voor Algemeen
Welzijnswerk » (services sociaux) pour la lutte contre
la violence conjugale permettent de financer des projets
d’accompagnement d’auteurs de violences. À cet
égard, je me réfère à la circulaire
de la ministre Vervotte du 7 juillet 2006.
Le Service
public fédéral prépare un nouvel arrêté
royal pour la subsidiation d’institutions qui proposent une
prise en charge spécialisée aux personnes
impliquées dans une procédure judiciaire. Les
programmes d’accompagnement destinés aux auteurs de
violences soumis à cette mesure seront, de ce fait,
améliorés.
Parallèlement,
dans le cadre de la répartition des aides sociales Maribel
octroyées aux pouvoirs locaux, 25 mesures d’aide à
l’emploi ont été réservées à
des projets locaux intégrés dont au moins une des
lignes de force est consacrée à l’accompagnement
et à la prise en charge des auteurs de violences qui ne
font pas l’objet d’une mesure judiciaire.
Quant à
nous, nous subventionnons dix projets Maribel social, à
raison de 26.000 euros par an. Les étudiants
universitaires n’en sont pas exclus bien que ce montant ne
couvre évidemment pas l’entièreté de
leur salaire.
L’Institut
ne peut continuer à financer l’intégralité
des projets. Il peut subventionner des projets pilotes, mais pas
des projets permanents. Cependant nous maintenons le contact avec
tous les projets, a fortiori le projet « Time Out »,
pour trouver une solution définitive.
Le numéro
national d’urgence ne relève pas de la compétence
fédérale. Le Plan national d’action n’est
en effet pas exclusivement du ressort du Fédéral,
les régions et communautés peuvent également
prendre des mesures en la matière. Nous avons diffusé
une brochure dans quinze langues, avec un d’appel d’urgence
pour la violence conjugale. Le numéro d’appel
diffère en fonction de la langue.
Il n’est
pas possible de répondre aux appels 24 heures sur 24 dans
toutes les langues. Les numéros d’appel sont
mentionnés sur le site web de l’Institut.
Personnellement, je plaide pour un seul numéro national
mais tout le monde n’est pas d’accord sur ce point.
À
l’occasion de la récente conférence
interministérielle, il a été décidé
d’harmoniser tous les instruments en matière
d’information et de sensibilisation. Nous verrons alors
plus clairement où il y a encore des besoins spécifiques.
Je répète
qu’il me paraît regrettable qu’un projet comme
« Time Out » connaisse des difficultés.
L’an dernier, nous avons temporairement résolu le
problème. Ce n’est plus possible cette année.
Je continuerai à rechercher un financement structurel pour
ce type de projets mais le Fédéral n’est pas
le seul concerné.
|
De heer Christian
Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke
Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. – Er zijn
een aantal verwijten gevallen, die niet aan mij moeten worden
gericht. Ik heb mij persoonlijk sterk ingezet voor deze
projecten.
De begeleiding van daders van
partnergeweld behoort tot de bevoegdheid van verschillende
ministers. De federale overheid is enkel bevoegd voor de daders
die ten gevolge van een rechterlijk bevel een begeleiding moeten
volgen.
Daders die vrijwillig een
begeleiding volgen, vallen onder de bevoegdheid van de
gemeenschapsministers van Welzijn, aangezien dit hulp aan
personen betreft en een vorm van preventie is.
Het is wel zo dat in 2003 de
toenmalige minister van Gelijke Kansen in het kader van de
uitvoering van het Nationaal Actieplan Partnergeweld heeft
beslist om een drietal vernieuwende projecten tijdelijk en
gedeeltelijk te laten financieren door het Instituut voor de
gelijkheid van mannen en vrouwen. Deze financiering betrof de
financiering van de begeleiding van daders die vrijwillig aan een
programma deelnemen.
Een van deze projecten was het
project Time Out in Antwerpen, dat ik overigens uitstekend vind.
Vorig jaar al rees de vraag wie zou betalen. Wij hebben toen
gezegd dat het federale niveau zou betalen als niemand anders dat
doet.
Voor de Vlaamse Gemeenschap bieden
de 165.000 euro die bijkomend aan de Centra voor Algemeen
Welzijnswerk zijn toegekend in de strijd tegen het partnergeweld,
een mogelijkheid om projecten daderbegeleiding te financieren. Ik
verwijs in dit verband naar de rondzendbrief van minister
Vervotte van 7 juli 2006.
De federale overheidsdienst Justitie
bereidt een nieuw koninklijk besluit voor over de subsidiëring
van instellingen die een gespecialiseerde begeleiding aanbieden
aan burgers die in een gerechtelijke procedure verwikkeld zijn.
De follow-upprogramma’s voor daders van partnergeweld die
onderworpen zijn aan een dergelijke maatregel, zullen daardoor
worden verbeterd.
Daarnaast werden in het kader van de
verdeling van de sociale Maribelprojecten die worden toegekend
aan de lokale overheden, 25 tewerkstellingshulpmaatregelen
voorbehouden aan geïntegreerde lokale projecten in België
waarvan minstens één krachtlijn gewijd is aan de
begeleiding en opvolging van daders die niet onderworpen zijn aan
een gerechtelijke maatregel.
Zelf doen wij ook een inspanning
voor tien sociale Maribelprojecten voor een bedrag van 26.000
euro per jaar. Universitair afgestudeerden zijn niet uitgesloten,
hoewel dit bedrag uiteraard niet hun hele salaris dekt.
We hebben ons dus ingespannen om
deze projecten te financieren. Het Instituut kan niet alles
blijven betalen. Wij kunnen wel proefprojecten betoelagen,
permanente projecten daarentegen niet. We houden echter contact
met alle projecten, zeker met het project Time Out, om een
definitieve oplossing te vinden.
Het nationale noodnummer is geen
federale bevoegdheid. Het nationaal actieplan is immers niet
uitsluitend een federale bevoegdheid. Ook de gewesten en de
gemeenschappen kunnen maatregelen treffen. Wij hebben wel een
brochure verspreid in vijftien talen met een noodnummer voor
partnergeweld. Het noodnummer verschilt naargelang de taal.
De oproepen kunnen niet altijd 24
uur op 24 uur in alle talen worden beantwoord. Op de website van
het Instituut kan men de telefoonnummers terugvinden. Persoonlijk
geef ik de voorkeur aan één nationaal nummer, maar
daarover bestond geen eensgezindheid.
Op de jongste interministeriële
conferentie is wel beslist om alle instrumenten voor informatie
en sensibilisatie op elkaar af te stemmen. Eens we een volledig
overzicht hebben, zal duidelijk worden waar nog specifieke noden
zijn.
Ik herhaal nogmaals dat ik het
jammer vind dat een project als Time Out moeilijkheden heeft.
Vorig jaar hebben we het probleem tijdelijk opgelost. Dat is dit
jaar niet meer mogelijk. Ik zal blijven zoeken naar een
structurele financiering voor dergelijke projecten, maar dat is
niet de plicht van de federale minister alleen.
|
|
Mme Fauzaya
Talhaoui (SP.A-SPIRIT). – Le ministre n’a rien à
se reprocher ; au contraire, il a déjà
accompli de nombreuses avancées. L’information
publiée par les journaux a réveillé les
esprits et nous a incités à demander des
justifications aux ministres concernés. À Anvers,
de nombreuses personnes ont été intégrées
dans ce projet par le biais de la Justice. C’est pourquoi
j’interpellerai également la ministre de la Justice
sur ce problème.
Le ministre a
renvoyé aux différents numéros d’appel
d’urgence dans différents langues. Cela prête
plutôt à confusion. Je vais voir où se
situent les problèmes.
|
Mevrouw Fauzaya Talhaoui
(SP.A-SPIRIT). – De minister valt niets te verwijten;
hij heeft integendeel reeds heel wat bereikt. De berichtgeving in
de kranten heeft iedereen wakker geschud en ons ertoe aangezet de
betrokken ministers ter verantwoording te roepen. In Antwerpen
zijn heel wat personen via Justitie in het project terecht
gekomen. Ik zal het probleem dan ook bij de minister van Justitie
aankaarten.
De minister heeft verwezen naar de
verschillende noodnummers in verschillende talen. Dat lijkt me
nogal verwarrend. Ik ga na waar de problemen zich situeren.
|
|
M. Christian
Dupont, ministre de la Fonction publique, de l’Intégration
sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité
des chances. – Nous continuerons à lutter.
|
De heer Christian
Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke
Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. – We
zullen de strijd voortzetten.
|
|
Présentation
de candidats pour un mandat de membre de la Commission fédérale
de contrôle et d’évaluation de l’application
de la loi du 28 mai 2002 relative à l’euthanasie
(Doc. 3-1885)
|
Voordracht
van kandidaten voor een mandaat van lid van de Federale Controle-
en Evaluatiecommissie inzake de toepassing van de wet van
28 mei 2002 betreffende de euthanasie (Stuk 3-1885)
|
|
Mme la présidente.
– Conformément à l’article 6, §2,
alinéa 3, de la loi du 28 mai 2002 relative à
l’euthanasie, le Sénat doit procéder à
la présentation d’une liste double de 16 candidats
pour un mandat de membre de la Commission fédérale
de contrôle et d’évaluation de l’application
de la loi relative à l’euthanasie.
La commission se compose de seize
membres. Elle est composée dans le respect de la parité
linguistique, chaque groupe linguistique comptant au moins trois
membres de chaque sexe.
Huit membres sont docteurs en
médecine, dont quatre au moins sont professeurs dans une
université belge. Quatre membres sont professeurs de droit
dans une université belge ou avocats. Quatre membres sont
issus des milieux chargés de la problématique des
patients atteints d’une maladie incurable.
Les membres de la commission sont
nommés, en veillant à assurer une représentation
pluraliste, par arrêté royal délibéré
en Conseil des ministres, sur une liste double présentée
par le Sénat, pour un terme renouvelable de quatre ans.
Les candidats qui n’ont pas été désignés
comme membres effectifs sont nommés en qualité de
membres suppléants, selon une liste déterminant
l’ordre dans lequel ils seront appelés à
suppléer.
Le document portant le nom de tous
les candidats aux mandats à pourvoir a été
distribué sous le nº 3-1885/1. Tous les
sénateurs ont pu prendre connaissance du curriculum vitæ
des candidats et comparer leurs mérites.
|
De voorzitter. – De
Senaat dient, overeenkomstig artikel 6, §2, derde lid,
van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie,
over te gaan tot de voordracht van een dubbele lijst van 16
kandidaten voor een mandaat van lid van de Federale Controle- en
Evaluatiecommissie inzake de toepassing van de wet betreffende de
euthanasie.
De commissie bestaat uit zestien
leden. Zij wordt samengesteld met inachtneming van de
taalpariteit, waarbij elke taalgroep minstens drie leden van elk
geslacht telt.
Acht leden zijn doctor in de
geneeskunde, van wie er minstens vier hoogleraar zijn aan een
Belgische universiteit. Vier leden zijn hoogleraar in de rechten
aan een Belgische universiteit of advocaat. Vier leden komen uit
kringen die belast zijn met de problematiek van ongeneeslijk
zieke patiënten.
De leden van de Commissie worden, op
grond van een pluralistische vertegenwoordiging, bij een
koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad,
benoemd uit een dubbele lijst, voorgedragen door de Senaat, voor
een termijn van vier jaar die kan worden verlengd. De kandidaten
die niet als effectief lid zijn aangewezen, worden tot
plaatsvervanger benoemd, in de orde van opvolging die volgens een
lijst bepaald wordt.
Het gedrukte stuk met de lijst van
alle kandidaten voor de te begeven mandaten, werd rondgedeeld
onder het nr. 3-1885/1. Alle senatoren hebben kennis kunnen
nemen van het curriculum vitae van de kandidaten en hebben hun
verdiensten kunnen vergelijken.
|
|
Compte tenu de la multiplicité
des critères que doit rencontrer la composition de la
Commission fédérale, il a été convenu
lors de la réunion du Bureau d’aujourd’hui,
que le Sénat se prononcerait sur un modèle de liste
double. Ce modèle comporte un nombre de candidats égal
à celui des mandats à pourvoir.
Vous avez dès lors reçu
un bulletin de vote comportant deux volets :
|
Gelet op de veelheid van de criteria
waaraan de samenstelling van de commissie moet voldoen, is
tijdens de vergadering van het Bureau van heden afgesproken dat
de Senaat zich zou uitspreken over een model van dubbele lijst.
Dit model bevat een aantal kandidaten dat gelijk is aan het
aantal openstaande mandaten.
U hebt derhalve een stembrief
ontvangen die twee delen omvat:
|
|
– d’une part, un modèle
de liste double qui comprend deux séries de seize membres.
Ce modèle comporte une case de tête ;
– d’autre part, un
tableau avec le nom de tous les candidats classés par
ordre alphabétique. Chaque nom est suivi d’une case
de vote pour la liste 1 et d’une case de vote pour la liste
2.
|
– enerzijds een model van
dubbele lijst die twee reeksen van zestien leden bevat. Boven dat
model staat één stemvakje;
– anderzijds een tabel met de
namen van alle kandidaten in alfabetische volgorde. Naast elk van
deze kandidaten staat een stemvakje voor lijst 1 en een stemvakje
voor lijst 2.
|
|
Les membres qui se rallient au
modèle de liste double sont priés de noircir la
case de tête de ce modèle.
Les membres qui n’approuvent
pas ce modèle peuvent émettre au maximum
trente-deux voix de préférence, dont seize pour la
liste 1 et seize pour la liste 2. Chaque sénateur est
ainsi libre de voter pour les candidats de son choix.
|
De leden die het eens zijn met het
model van dubbele lijst, worden verzocht het stemvakje boven dat
model zwart te maken.
Zij die daarentegen dit model niet
wensen goed te keuren, kunnen maximaal tweeëndertig
voorkeurstemmen uitbrengen, waarvan zestien op lijst 1 en zestien
op lijst 2. Het staat elke senator zodoende vrij te stemmen voor
de kandidaten van zijn keuze.
|
|
Le sort désigne M. Destexhe
et M. Van Nieuwkerke pour remplir les fonctions de
scrutateur.
Je prie chaque membre de déposer
son bulletin de vote dans l’urne à l’appel de
son nom.
|
Het lot wijst de heer Destexhe
en de heer Van Nieuwkerke aan om de functie van
stemopnemer te vervullen.
Ik verzoek elk lid bij het afroepen
van zijn naam zijn stembrief in de stembus te komen deponeren.
|
|
Mme Sabine
de Bethune (CD&V). – Étant donné
que nous ne pouvons émettre un vote négatif, nous
voterons blanc pour critiquer l’intolérance
politique de la majorité. Notre vote n’a donc rien à
voir avec notre évaluation des candidats, qui méritent
notre respect, mais découle de ce que la liste modèle
ne reflète pas fidèlement les différents
courants de notre pays. En effet, toutes les tendances et les
réseaux politiques n’y sont pas représentés
alors que l’on devrait tendre à créer une
base sociale qui reprenne toutes les sensibilités.
Nous déplorons
cette manière de faire et ne pouvons dès lors que
rejeter cette liste modèle.
|
Mevrouw Sabine de Bethune
(CD&V). – Aangezien we geen nee-stem kunnen
uitbrengen, zullen we blanco stemmen om de politieke
onverdraagzaamheid van de meerderheid te hekelen. Ons stemgedrag
heeft dus niets te maken met onze waardering voor de kandidaten,
die ons respect verdienen, maar wel met het ontbreken in de
modellijst van een weerspiegeling van wat leeft in ons land.
Daarin zijn immers niet alle gezindheden en netwerken opgenomen
terwijl toch moet worden gestreefd naar een maatschappelijk
draagvlak dat alle gevoeligheden in zich heeft.
We betreuren deze gang van zaken en
kunnen bijgevolg niet anders dan de modellijst verwerpen.
|
|
M. Hugo
Coveliers (Indépendant). – Les listes devraient
comprendre seize noms mais il n’en figure que quinze sur la
seconde.
|
De heer Hugo Coveliers
(Onafhankelijke). – Op de lijsten zouden zestien namen
voorkomen, maar op de tweede staan er slechts vijftien.
|
|
Mme la présidente.
– En effet. Seize candidats figurent sur la première
liste et seulement quinze sur la seconde.
|
De voorzitter. –
Inderdaad. Op de eerste lijst staan zestien kandidaten en op de
tweede slechts vijftien.
|
|
Mme Mia
De Schamphelaere (CD&V). – Il est de la plus
haute importance que cette commission dont le travail ne se
limite pas à l’évaluation mais également
au contrôle, compte également en son sein des
représentants du secteur médical, du secteur des
soins et du secteur palliatif. C’est pourquoi nous
craignons que compte tenu de la composition proposée, la
commission n’ait guère d’autorité ni
d’importance.
|
Mevrouw Mia De Schamphelaere
(CD&V). – Het is van het grootste belang dat in
deze commissie, die zich niet beperkt tot evaluatie maar ook een
controletaak heeft, eveneens vertegenwoordigers zijn opgenomen
van de medische, de verzorgende en de palliatieve sector. We
vrezen dan ook dat de commissie in de voorgestelde samenstelling
zal inboeten aan autoriteit en nog weinig betekenis zal hebben.
|
|
M. Paul
Wille (VLD). – Selon Mme de Bethune, le modèle
de liste est une manifestation d’intolérance mais
j’ai l’impression qu’elle qualifie
d’intolérance tout ce qui n’est pas du goût
du CD&V.
La liste
reflète les tendances de notre société.
L’approche plutôt dogmatique de Mme de Bethune
ne correspond pas à notre approche.
|
De heer Paul Wille
(VLD). – Mevrouw de Bethune noemt de
modellijst een uiting van onverdraagzaamheid, maar ik heb de
indruk dat onverdraagzaamheid voor haar eerder betekent ‘niet
naar de wens van de CD&V’.
De lijst is de weergave van wat
leeft in onze maatschappij. De veeleer dogmatische benadering van
mevrouw de Bethune stemt niet overeen met de onze.
|
|
Mme Sabine
de Bethune (CD&V). – Le VLD n’est pas le
seul parti attentif à capter les sensibilités de la
société.
|
Mevrouw Sabine de Bethune
(CD&V). – De VLD is niet de enige partij met
antennes in de samenleving.
|
|
M. Philippe Mahoux (PS).
– Je voudrais souligner que d’importants efforts ont
été consentis pour déterminer une démarche
relativement consensuelle ; elle ne pouvait l’être
complètement, vu la composition de notre assemblée.
Je vois que ma collègue du
CDH souhaite intervenir. Je serais assez intéressé
de connaître son avis à cet égard.
|
De heer Philippe
Mahoux (PS). – Er zijn belangrijke inspanningen
geleverd om een relatieve consensus te bereiken; een volledige
consensus was evenwel niet mogelijk gelet op de samenstelling van
onze assemblee.
Ik ben
benieuwd naar de mening van mijn collega van de CDH over deze
zaak.
|
|
Mme Clotilde Nyssens (CDH).
– Il était prévu que nous débattions,
cette semaine, du rapport de la Commission d’évaluation
de la loi relative à l’euthanasie. Or, cette
commission a dû être annulée parce que le
Sénat a omis de la convoquer. Si nous avions pu discuter
avec les membres de cette commission et examiner, ensemble, leur
travail, nous aurions pu participer en connaissance de cause à
ce scrutin, mais ce n’est pas le cas et je le regrette.
|
Mevrouw Clotilde
Nyssens (CDH). – Voor deze week was er een debat
gepland over het verslag van de Evaluatiecommissie inzake de
toepassing van de wet betreffende de euthanasie. Die vergadering
kon niet plaatsvinden omdat de Senaat vergeten was de commissie
bijeen te roepen. Als we met de leden van die commissie hadden
kunnen spreken en samen met hen hun werkzaamheden hadden kunnen
onderzoeken, zouden we met kennis van zaken kunnen deelnemen aan
deze geheime stemming. Dat is niet het geval, wat ik betreur.
|
|
M. Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – J’ai deux
questions. Que devient la remarque pourtant bien justifiée
de notre collègue Coveliers ? Je vois que la
présidente hausse les épaules. Donc si la liste
passe, il y aura seize membres effectifs et quinze suppléants.
Doit-il vraiment en être ainsi ?
À
M. Mahoux, je voudrais demander ce qu’il veut dire
lorsqu’il déclare que la composition de ce Sénat
est telle que l’on ne peut arriver à une solution
consensuelle. J’aimerais qu’il m’explique sa
pensée.
|
De heer Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – Ik heb twee
vragen. Wat met de toch wel terechte opmerking van collega
Coveliers? Ik merk dat de voorzitter de schouders ophaalt. Dus
indien de modellijst het haalt, zijn er 16 effectieve leden en 15
opvolgers. Moet dat nu echt op die manier?
Aan de heer Mahoux wil ik
vragen wat hij bedoelt met zijn opmerking dat de samenstelling
van deze Senaat ertoe leidt dat we niet tot een consensuele
oplossing kunnen komen. Dat moet hij me toch eens uitleggen.
|
|
Mme la présidente.
– Ce que M. Coveliers a dit est vrai. Nous avons une
liste de seize personnes et une autre de quinze. Le ministre peut
faire son choix dans les deux listes.
|
De voorzitter. – Wat
de heer Coveliers heeft gezegd, klopt. We hebben een
lijst van 16 en een van 15 en de minister kan dan kiezen uit
beide lijsten.
|
|
M. Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – Non il ne peut en
être ainsi.
|
De heer Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – Nee, dat kan echt
niet.
|
|
M. Hugo
Coveliers (Indépendant). – Il y a des lois. La
deuxième liste avec quinze candidats ne respecte pas la
loi. Je ne participe pas à cela (Il déchire le
bulletin de vote).
|
De heer Hugo Coveliers
(Onafhankelijke). – Er bestaat ook nog zoiets als de
wet. De tweede lijst met 15 kandidaten is niet wettelijk. Daar
doe ik niet aan mee. (Verscheurt het stemformulier.)
|
|
Mme la présidente.
– Le scrutin est ouvert. Il débute par le nom de
M. Collas.
|
De voorzitter. – De
stemming is geopend. Zij begint met de naam van de heer Collas.
|
|
(Il est procédé au
scrutin.)
|
(Tot de geheime stemming wordt
overgegaan.)
|
|
Le scrutin est clos.
Il conviendra sans doute au Sénat
de poursuivre son ordre du jour pendant que les scrutateurs
dépouillent les bulletins.
|
De stemming is gesloten.
Ik veronderstel dat de Senaat zijn
agenda voortzet terwijl de stemopnemers de stembulletins nazien.
|
|
Votes
|
Stemmingen
|
|
(Les listes nominatives figurent
en annexe.)
|
(De naamlijsten worden in de
bijlage opgenomen.)
|
|
Projet
de loi relatif à l’adhésion de la Belgique au
Protocole de 1988 relatif à la Convention internationale
de 1966 sur les lignes de charge, fait à Londres le
11 novembre 1988 (Doc. 3-1845)
|
Wetsontwerp
betreffende de toetreding van België tot het Protocol van
1988 aangaande het Internationaal Verdrag van 1966 betreffende de
uitwatering van schepen, gedaan te Londen op 11 november 1988
(Stuk 3-1845)
|
|
Vote nº 1
|
Stemming 1
|
|
Présents : 55 Pour :
51 Contre : 0 Abstentions : 4
|
Aanwezig: 55 Voor: 51 Tegen:
0 Onthoudingen: 4
|
|
– Le projet de loi est
adopté.
– Il sera transmis à
la Chambre des représentants.
|
– Het wetsontwerp is
aangenomen.
– Het zal aan de Kamer van
volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
|
|
Projet
de loi portant assentiment au Protocole d’application de
l’Accord entre la Communauté européenne et la
République d’Albanie concernant la réadmission
des personnes en séjour irrégulier dans la
République d’Albanie ou les États du Benelux
(le Royaume de Belgique, le Grand-Duché de Luxembourg, le
Royaume des Pays-Bas), signé à La Haye le
9 juin 2005 (Doc. 3-1848)
|
Wetsontwerp
houdende instemming met het Uitvoeringsprotocol bij de
Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek
Albanië inzake de overname van personen die zonder
vergunning in de Republiek Albanië of de Benelux-Staten (het
Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het
Koninkrijk der Nederlanden) verblijven, ondertekend te Den Haag
op 9 juni 2005 (Stuk 3-1848)
|
|
Vote nº 2
|
Stemming 2
|
|
Présents : 58 Pour :
42 Contre : 0 Abstentions : 16
|
Aanwezig: 58 Voor: 42 Tegen:
0 Onthoudingen: 16
|
|
– Le projet de loi est
adopté.
– Il sera transmis à
la Chambre des représentants.
|
– Het wetsontwerp is
aangenomen.
– Het zal aan de Kamer van
volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
|
|
Projet
de loi portant assentiment à l’Accord sur les
privilèges et immunités du Tribunal international
du Droit de la Mer, fait à New York le 23 mai 1997
(Doc. 3-1861)
|
Wetsontwerp
houdende instemming met het Verdrag betreffende de voorrechten en
immuniteiten van het Internationaal Hof voor het Recht van de
Zee, gedaan te New York op 23 mei 1997 (Stuk 3-1861)
|
|
Vote nº 3
|
Stemming 3
|
|
Présents : 59 Pour :
59 Contre : 0 Abstentions : 0
|
Aanwezig: 59 Voor: 59 Tegen:
0 Onthoudingen: 0
|
|
– Le projet de loi est
adopté.
– Il sera transmis à
la Chambre des représentants.
|
– Het wetsontwerp is
aangenomen.
– Het zal aan de Kamer van
volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
|
|
Ordre
des travaux
|
Regeling
van de werkzaamheden
|
|
Mme la présidente.
– Le Bureau propose l’ordre du jour suivant pour la
semaine prochaine :
|
De voorzitter. – Het
Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:
|
|
Jeudi 7 décembre 2006
|
Donderdag 7 december 2006
|
|
le matin à 10 heures
|
’s ochtends om 10 uur
|
|
Proposition de loi réglant
l’installation et l’utilisation de caméras de
surveillance (de M. Stefaan Noreilde et consorts) ;
Doc. 3-1734/1 à 6. (Pour mémoire)
|
Wetsvoorstel tot regeling van de
plaatsing en het gebruik van bewakingscamera’s (van
de heer Stefaan Noreilde c.s.); Stuk 3-1734/1 tot
6. (Pro memorie)
|
|
À joindre :
|
Toe te voegen:
|
|
Proposition de loi réglant
l’utilisation de caméras de surveillance (de
Mme Fauzaya Talhaoui) ; Doc. 3-1522/1 et 2.
|
Wetsvoorstel om het gebruik van
bewakingscamera’s te regelen (van mevrouw Fauzaya
Talhaoui); Stuk 3-1522/1 en 2.
|
|
Proposition de résolution
relative à la lutte contre la pauvreté infantile
(de Mme Olga Zrihen) ; Doc. 3-1629/1 à 4.
|
Voorstel van resolutie betreffende
de strijd tegen de kinderarmoede (van mevrouw Olga Zrihen);
Stuk 3-1629/1 tot 4.
|
|
l’après-midi à
15 heures
|
’s namiddags om 15 uur
|
|
Vérification des pouvoirs et
prestation de serment de nouveaux membres.
|
Onderzoek van de geloofsbrieven en
eedaflegging van nieuwe leden.
|
|
Prise en considération de
propositions.
|
Inoverwegingneming van voorstellen.
|
|
Débat d’actualité
et questions orales.
|
Actualiteitendebat en mondelinge
vragen.
|
|
Reprise de l’ordre du jour de
la séance plénière du matin.
|
Hervatting van de agenda van de
ochtendvergadering.
|
|
Procédure d’évocation
|
Evocatieprocedure
|
|
– Projet de loi établissant
un prélèvement visant à lutter contre la
non-utilisation d’un site de production d’électricité
par un producteur ; Doc. 3-1944/1 et 2.
|
– Wetsontwerp tot vaststelling
van een heffing ter bestrijding van het niet benutten van een
site voor de productie van elektriciteit door een producent;
Stuk 3-1944/1 en 2.
|
|
– Projet de loi organisant une
voie de recours contre l’amende administrative infligée
dans le cadre de l’application de la loi du […]
établissant un prélèvement visant à
lutter contre la non-utilisation d’un site de production
d’électricité par un producteur ;
Doc. 3-1945/1 et 2.
|
– Wetsontwerp tot inrichting
van een beroep tegen de administratieve boete opgelegd in het
raam van de toepassing van de wet van […] tot vaststelling
van een heffing ter bestrijding van het niet benutten van een
site voor de productie van elektriciteit door een producent;
Stuk 3-1945/1 en 2.
|
|
Projet de loi portant assentiment à
l’accord de coopération du 1er juin 2006
entre l’État fédéral, la Région
flamande, la Région wallonne et la Région de
Bruxelles-Capitale modifiant l’accord de coopération
du 21 juin 1999 entre l’État fédéral,
la Région flamande, la Région wallonne et la Région
de Bruxelles-Capitale concernant la maîtrise des dangers
liés aux accidents majeurs impliquant des substances
dangereuses ; Doc. 3-1820/1 et 2.
|
Wetsontwerp houdende instemming met
het samenwerkingsakkoord van 1 juni 2006 tussen de
Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het
Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot wijziging van het
samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de
Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het
Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de
gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn
betrokken; Stuk 3-1820/1 en 2.
|
|
Procédure d’évocation
|
Evocatieprocedure
|
|
Projet de loi modifiant le Code
pénal en vue de réprimer plus sévèrement
la violence contre certaines catégories de personnes ;
Doc. 3-1791/1 à 3. (Pour mémoire)
|
Wetsontwerp tot wijziging van het
Strafwetboek met het oog op het strenger bestraffen van geweld
tegen bepaalde categorieën van personen; Stuk 3-1791/1
tot 3. (Pro memorie)
|
|
À joindre :
|
Toe te voegen:
|
|
Proposition de loi modifiant les
articles 276 et 405bis du Code pénal, en vue
d’instaurer une circonstance aggravante pour les auteurs
d’infractions commises envers certaines personnes à
caractère public (de Mme Christine Defraigne) ;
Doc. 3-851/1 et 2.
|
Wetsvoorstel tot wijziging van de
artikelen 276 en 405bis van het Strafwetboek teneinde
een verzwarende omstandigheid in te voeren voor daders van
misdrijven tegen bepaalde personen bekleed met een openbare
hoedanigheid (van mevrouw Christine Defraigne); Stuk 3-851/1
en 2.
|
|
À partir de 17 heures
30 : Votes nominatifs sur l’ensemble des
points à l’ordre du jour dont la discussion est
terminée.
|
Vanaf 17.30 uur:
Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun
geheel.
|
|
Demandes d’explications :
|
Vragen om uitleg:
|
|
– de M. Jacques Brotchi à
la vice-première ministre et ministre de la Justice sur
« la mise à disposition du gouvernement »
(nº 3-1960) ;
|
– van de heer Jacques
Brotchi aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over
“de terbeschikkingstelling van de regering”
(nr. 3-1960);
|
|
– de M. Hugo Vandenberghe
à la vice-première ministre et ministre de la
Justice et au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur
et au ministre des Affaires étrangères et au
ministre de la Mobilité sur « les infractions
au code de la route commises par les étrangers »
(nº 3-1962) ;
|
– van de heer Hugo
Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie
en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken
en aan de minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister van
Mobiliteit over “verkeersovertredingen door buitenlanders”
(nr. 3-1962);
|
|
– de M. Hugo Vandenberghe
à la vice-première ministre et ministre de la
Justice et au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur
sur « les interprètes employés par les
pouvoirs publics » (nº 3-1968) ;
|
– van de heer Hugo
Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie
en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken
over “de tolken in dienst van de overheid”
(nr. 3-1968);
|
|
– de Mme Clotilde Nyssens
au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur
sur « l’octroi des visas »
(nº 3-1954) ;
|
– van mevrouw Clotilde
Nyssens aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse
Zaken over “de toekenning van visa” (nr. 3-1954);
|
|
– de Mme Clotilde Nyssens
au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur
sur « l’interdiction d’expulser des femmes
enceintes » (nº 3-1958) ;
|
– van mevrouw Clotilde
Nyssens aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse
Zaken over “het verbod om zwangere vrouwen uit te wijzen”
(nr. 3-1958);
|
|
– de M. Wouter Beke au
ministre de la Défense sur « l’exécution
de la loi du 11 avril 2003 instituant un service
volontaire d’utilité collective »
(nº 3-1957) ;
|
– van de heer Wouter
Beke aan de minister van Landsverdediging over “de
uitvoering van de wet van 11 april 2003 tot instelling
van een vrijwillige dienst van collectief nut”
(nr. 3-1957);
|
|
– de M. Wouter Beke au
ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur
« le fonds de lutte contre les assuétudes »
(nº 3-1953) ;
|
– van de heer Wouter
Beke aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over
“het verslavingsfonds” (nr. 3-1953);
|
|
– de M. Wouter Beke au
ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur
« l’exécution de la loi du 10 juin 2006
réformant les cotisations sur le chiffre d’affaires
des spécialités pharmaceutiques remboursables »
(nº 3-1956) ;
|
– van de heer Wouter
Beke aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over
“de uitvoering van de wet van 10 juni 2006 tot
hervorming van de heffingen op de omzet van vergoedbare
farmaceutische specialiteiten” (nr. 3-1956);
|
|
– de Mme Annemie
Van de Casteele au ministre des Affaires sociales et de
la Santé publique sur « le nombre de femmes
siégeant au sein des organes de l’INAMI et des
organes d’avis du SPF Santé publique, Sécurité
de la chaîne alimentaire et Environnement »
(nº 3-1959) ;
|
– van mevrouw Annemie
Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid over “het aantal vrouwen in de organen van
het RIZIV en de adviesorganen van de FOD Volksgezondheid,
Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu” (nr. 3-1959);
|
|
– de M. Hugo Vandenberghe
au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique
sur « les dangers éventuels pour la santé
de l’internet sans fil » (nº 3-1963) ;
|
– van de heer Hugo
Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
over “de mogelijke gevaren voor de gezondheid van draadloos
internet” (nr. 3-1963);
|
|
– de Mme Annemie
Van de Casteele au ministre des Affaires sociales et de
la Santé publique sur « les dossiers
d’exportation à destination de pays n’appartenant
pas à la CE en ce qui concerne les médicaments
vétérinaires » (nº 3-1965) ;
|
– van mevrouw Annemie
Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid over “exportdossiers voor niet-EG-landen
voor veterinaire geneesmiddelen” (nr. 3-1965);
|
|
– de Mme Annemie
Van de Casteele au ministre des Affaires sociales et de
la Santé publique sur « l’arrêté
royal du 10 novembre 2006 rétablissant
l’obligation de tenir un registre de prestations »
(nº 3-1967) ;
|
– van mevrouw Annemie
Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid over “het koninklijk besluit van
10 november 2006 tot herinvoering van de bewaring van
verstrekkingen” (nr. 3-1967);
|
|
– de Mme Fauzaya Talhaoui
au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique
et au ministre de l’Environnement et ministre des Pensions
sur « les modifications apportées aux régimes
de pension des affiliés à l’Office de
sécurité sociale d’outre-mer »
(nº 3-1969) ;
|
– van mevrouw Fauzaya
Talhaoui aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en
aan de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen over
“de wijzigingen in de pensioenregelingen voor de
aangeslotenen bij de Dienst voor Overzeese Sociale Zekerheid”
(nr. 3-1969);
|
|
– de Mme Clotilde Nyssens
au ministre de la Fonction publique, de l’Intégration
sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité
des chances sur « la nomination d’un directeur à
la tête de l’Institut pour l’égalité
des femmes et des hommes » (nº 3-1966) ;
|
– van mevrouw Clotilde
Nyssens aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke
Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over “de
benoeming van een directeur aan het hoofd van het Instituut voor
gelijkheid van mannen en vrouwen” (nr. 3-1966);
|
|
– de M. Hugo Vandenberghe
au ministre de la Mobilité sur « la sécurité
des automobilistes en cas d’accident ou de panne »
(nº 3-1964) ;
|
– van de heer Hugo
Vandenberghe aan de minister van Mobiliteit over “de
veiligheid van de automobilisten bij een ongeval of pech”
(nr. 3-1964);
|
|
– de M. Luc Willems au
secrétaire d’État aux Entreprises publiques
sur « l’accessibilité de la région
du sud de la Flandre orientale par les transports en commun »
(nº 3-1955).
|
– van de heer Luc
Willems aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over “de
bereikbaarheid van de regio Zuid-Oost-Vlaanderen met het openbaar
vervoer” (nr. 3-1955).
|
|
– Le Sénat est
d’accord sur cet ordre des travaux.
|
– De Senaat is het eens met
deze regeling van de werkzaamheden.
|
|
M. Joris
Van Hauthem (VL. BELANG) (fait personnel). –
Madame la Présidente, je n’admets pas la manière
dont vous présidez cette assemblée. Lorsqu’une
proposition de report d’un scrutin risque d’être
formulée, vous fermez les yeux et annoncez purement et
simplement le début du scrutin. Ce n’est pas une
façon correcte d’agir.
|
De heer Joris
Van Hauthem (VL. BELANG) (persoonlijk feit).
– Mevrouw de voorzitter, het spijt me, maar ik ga niet
akkoord met de wijze waarop u de vergadering leidt. Wanneer het
een beetje problematisch wordt en de kans bestaat dat wordt
voorgesteld een stemming te verdagen, dan kijkt u niet meer rond
en kondigt u gewoon de stemming aan. Dat vind ik geen manier van
doen.
|
|
Mme la présidente.
– Je tâcherai de faire mieux à l’avenir.
|
De voorzitter. – Ik zal
het in de toekomst beter proberen te doen.
|
|
Demande
d’explications de M. Hugo Vandenberghe à la
vice-première ministre et ministre de la Justice et au
vice-premier ministre et ministre des Finances sur «la
fraude aux cartes bancaires» (nº 3-1940)
|
Vraag
om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de
vice-eersteminister en minister van Financiën over «de
oplichting met bankkaarten» (nr. 3-1940)
|
|
Mme la présidente.
– M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire
d’État à la Simplification administrative,
adjoint au premier ministre, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris
voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste
minister, antwoordt.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Il ressort d’une
enquête réalisée dans huit pays européens
pour le compte de l’European Security Transport Association
que 9% de la population adulte belge – environ 613.000
personnes – ont déjà été
victimes de pratiques frauduleuses basées sur les cartes
de crédit ou de banque. En cas de fraude aux cartes
bancaires, il s’agit principalement du vol ou de
l’utilisation sans autorisation des données de la
carte.
Ces derniers
mois, on a écroué dans notre pays deux bandes
utilisant des skimmers. Ces malfaiteurs volent des cartes
bancaires et en copient les données. Après avoir
connu pareille expérience, 27% des victimes belges
décident de réutiliser l’argent comptant
comme moyen de paiement.
Selon
l’Eurobaromètre 2005, une fois sur trois, le
préjudice subi en cas de fraude à la carte bancaire
dépasse la somme de 500 euros et n’est pas
indemnisé. Quelle conclusion le vice-premier ministre
tire-t-il de cette enquête ?
Juge-t-il
opportun de débattre de cette problématique à
l’échelon européen ?
Quelles
mesures prendra-t-il pour combattre la fraude aux cartes
bancaires dans notre pays ?
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Uit een onderzoek in
opdracht van de European Security Transport Association in acht
Europese landen blijkt dat negen procent van de volwassen
Belgische bevolking, of om en bij de 613.000 personen, ooit al
het slachtoffer is geworden van frauduleuze praktijken met
krediet- of bankkaarten. In geval van fraude met bankkaarten gaat
het vooral over het stelen of het zonder toestemming gebruiken
van kaartgegevens.
De voorbije maanden werden in ons
land twee bendes van zogenaamde skimmers opgerold.
Skimmers stelen bankkaarten en kopiëren de gegevens
ervan. 27 procent van de Belgische slachtoffers geeft na
dergelijke negatieve ervaringen met betaalkaarten opnieuw de
voorkeur aan contant geld als betaalmiddel.
Uit cijfers van de Eurobarometer van
2005 blijkt bovendien dat de schade bij kaartfraude in één
op drie gevallen meer dan 500 euro bedraagt en dat die schade in
evenveel gevallen niet wordt vergoed. Welke conclusies trekt de
vice-eersteminister uit het onderzoek van de ESTA?
Acht hij het raadzaam deze
problematiek op Europees niveau te bespreken?
Welke maatregelen zal hij nemen om
de oplichting met bankkaarten in ons land tegen te gaan?
|
|
M. Vincent
Van Quickenborne, secrétaire d’État
à la Simplification administrative, adjoint au premier
ministre. – La ministre de la Justice a pris connaissance
de l’enquête récente évoquée par
M. Vandenberghe.
Dans la
note-cadre de sécurité intégrale, le
gouvernement se référait à certaines formes
de criminalité liées aux technologies de
l’information, notamment au vol d’identité et
à la fraude aux cartes de bancaires sous forme de
skimming. L’un des objectifs stratégiques de
cette note-cadre consistait à affiner la connaissance de
ces différents phénomènes. Des démarches
ont été entreprises pour atteindre ces objectifs
stratégiques, principalement avec l’aide de la
police fédérale, plus précisément de
la Direction de la lutte contre la criminalité économique
et financière. La police fédérale organise
ainsi notamment un congrès consacré à la
fraude à l’identité, en coopération
avec la cellule stratégique de la ministre de la Justice
et avec le Service de la politique criminelle.
Le
gouvernement est donc tout à fait conscient de ce
phénomène et mettra tout en œuvre pour mieux
détecter de tels faits et augmenter la traçabilité
des auteurs.
Dans les
dossiers à caractère international, par exemple, on
collabore intensément avec Eurojust et Europol pour
s’attaquer à ce phénomène le plus
efficacement possible.
Le Service de
la politique criminelle élabore actuellement, à
l’intention des services judiciaires et des services de
police, un document pratique qui fait un tour d’horizon des
instruments nationaux et internationaux de lutte contre la fraude
à l’identité.
Enfin, le
gouvernement a récemment décidé d’affecter
des moyens budgétaires au recrutement de 46 membres de
personnel supplémentaires pour les Computer crime units.
|
De heer Vincent
Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve
Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – De
minister van Justitie heeft kennis genomen van het recente
onderzoek waarnaar de heer Vandenberghe verwijst.
In de kadernota Integrale Veiligheid
verwees de regering reeds naar enkele vormen van
ICT-criminaliteit, onder meer identiteitsdiefstal en oplichting
door skimming van bankkaarten. Een van de strategische
doelstellingen van deze kadernota was de kennis van deze
verschillende fenomenen te verfijnen. Voornamelijk met de hulp
van de federale politie, meer bepaald de directie Bestrijding van
de economische en financiële criminaliteit, werden stappen
gedaan om deze strategische doelstelling te bereiken. Zo
organiseert de federale politie, met de zeer actieve medewerking
van de beleidscel van de minister van Justitie en van de dienst
voor het Strafrechtelijk Beleid, onder meer een congres
‘Identiteitsfraude, misdrijf van de toekomst’.
De regering is zich dus zeer bewust
van dit criminaliteitsfenomeen en zal in de verdere toekomst
alles in het werk stellen om via verdere gedegen beeldvorming
dergelijke feiten meer te detecteren en de traceerbaarheid van de
daders en hun sporen te verhogen.
Zo wordt bijvoorbeeld in de dossiers
met een internationaal karakter intensief samengewerkt met
Eurojust en Europol om dit fenomeen zo efficiënt mogelijk
aan te pakken.
De dienst voor het Strafrechtelijk
Beleid is bezig met het opstellen van een praktisch document voor
de gerechtelijke diensten en de politiediensten waarbij alle
internationale en nationale instrumenten voor de strijd tegen de
identiteitsfraude in kaart worden gebracht.
Ten slotte heeft de regering onlangs
beslist budgettaire middelen ter beschikking te stellen voor het
aanwerven van 46 extra personeelsleden voor de computer crime
units.
|
|
Demande
d’explications de M. Hugo Vandenberghe à la
vice-première ministre et ministre de la Justice et au
vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur
«le rapatriement de prisonniers étrangers»
(nº 3-1941)
|
Vraag
om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de
repatriëring van buitenlandse gevangenen» (nr. 3-1941)
|
|
Mme la présidente.
– M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire
d’État à la Simplification administrative,
adjoint au premier ministre, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris
voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste
minister, antwoordt.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Dans la revue
« Politiejournaal & Politieofficier »,
le directeur judiciaire de l’arrondissement de Furnes fait
rapport sur la manière dont la police judiciaire de Furnes
et d’Anvers a procédé en 2005 à
l’écoute d’une bande de cambrioleurs serbes.
Si l’écoute
des conversations a apporté des preuves supplémentaires
à l’encontre de la bande, elle a également
engendré bien des frustrations pour la police.
Pour une heure
d’écoute, il faut environ une journée de
travail de retranscription, ce qui représente une charge
de travail considérable. Qui plus est, il n’est pas
du tout évident d’intercepter des Européens
de l’Est et de les extrader, après leur
condamnation, vers leur pays d’origine.
Des données
récentes du gouvernement belge montrent que quelque 150
étrangers détenus dans les prisons belges entrent
en considération pour un rapatriement La diplomate Régine
De Clercq a été désignée pour
mener à bien le rapatriement de détenus étrangers
vers douze pays d’origine prêts à les
accueillir.
Un nombre
limité de dossiers seraient pour l’instant examinés
par le parquet fédéral en vue du rapatriement
d’étrangers.
Selon le
magistrat fédéral Bisschop, il faudrait non
seulement conclure des accords sur le principe de la réadmission,
mais également s’accorder sur l’organisation
pratique. Ainsi, la traduction d’arrêts volumineux,
vers le roumain, par exemple, peut occasionner des frais
importants.
D’après
le magistrat fédéral, la conclusion d’accords
bilatéraux pourrait être très profitable car
étant donné que le pays d’origine n’est
jamais tenu d’accéder à une demande de
rapatriement, les frais exposés et les efforts consentis
le sont parfois en pure perte.
Selon le
magistrat du parquet, les services de police et les parquets ne
pourront faire autrement que de réagir rapidement sur le
plan international et de travailler de manière
pragmatique, par le biais de contacts directs par téléphone
ou courriel, par exemple.
La rapidité
est essentielle car dès leur forfait accompli, les voleurs
essaient généralement d’écouler leur
butin à destination d’organisations criminelles ou
de receleurs.
Quelles
conclusions la ministre tire-t-elle des réflexions du
magistrat du parquet fédéral ? En d’autres
termes, la ministre estime-t-elle utile de tenir compte de ces
remarques et de prendre rapidement des mesures ?
Quelles
mesures la ministre envisage-t-elle pour faire face au surcroît
de travail occasionné à la suite des écoutes
téléphoniques ?
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – In het politievakblad
Politiejournaal & Politieofficier brengt de
gerechtelijk directeur van het arrondissement Veurne verslag uit
van de manier waarop de gerechtelijke politie in Veurne en
Antwerpen in 2005 een bende Servische inbrekers afluisterde.
Het afluisteren van de gesprekken
leverde weliswaar extra bewijs op tegen de bende, maar bezorgde
de politie ook veel frustraties.
Eén uur afluisteren brengt
ongeveer één dag schrijfwerk mee. Dat veroorzaakt
een enorme werklast. Bovendien is het lang niet vanzelfsprekend
de Oost-Europeanen te vatten en ze na veroordeling ook uit te
leveren aan het land van herkomst.
Uit recente gegevens van de
Belgische regering blijkt dat zo’n 150 buitenlanders in
Belgische gevangenissen in aanmerking komen voor repatriëring.
Om die overbrenging voor te bereiden werd de diplomate Régine
De Clercq aangesteld. Zij moet met twaalf landen die bereid
zijn hun landgenoten op te nemen, de zaak tot een goed einde
brengen.
Op het ogenblik zouden bij het
federaal parket een beperkt aantal dossiers in behandeling zijn
met het oog op de overbrenging van buitenlanders.
Volgens federaal magistraat Bisschop
is het niet alleen raadzaam de nodige aandacht te besteden aan
het sluiten van akkoorden over het terugnameprincipe, maar dient
er ook over de praktische regeling een akkoord te bestaan. Zo
moeten er vaak veel kosten gemaakt worden voor de vertaling,
bijvoorbeeld naar het Roemeens, van lijvige arresten voor iedere
betrokkene afzonderlijk.
Bilaterale akkoorden waarin de
noodwendigheden worden bepaald en waarin de kostenbesparing mee
in rekening wordt genomen, zouden volgens de federaal magistraat
bijzonder nuttig kunnen zijn. Het land van herkomst is immers
nooit verplicht om op een vraag tot repatriëring in te gaan
zodat alle kosten en inspanningen nutteloos kunnen zijn.
Volgens de parketmagistraat zullen
de politiediensten en parketten niet anders kunnen dan
internationaal kort op de bal te spelen en zeer pragmatisch te
werk te gaan, met directe contacten via bijvoorbeeld telefoon of
e-mail.
Snelheid is van het grootste belang
omdat vaak onmiddellijk na de diefstal geprobeerd wordt de buit
in de criminele organisatie of het helingscircuit aan de man te
brengen.
Graag kreeg ik een antwoord op de
volgende vragen.
Welke conclusies trekt de minister
uit de bedenkingen van de federale parketmagistraat? Acht de
minister het met andere woorden nodig om met zijn opmerkingen
rekening te houden en dringende maatregelen te nemen?
Welke maatregelen denkt de minister
te nemen om de toegenomen werklast bij de politie naar aanleiding
van de telefoontap op te vangen?
|
|
M. Vincent
Van Quickenborne, secrétaire d’État
à la Simplification administrative, adjoint au premier
ministre. – Je vous lis la réponse du ministre
Dewael.
Le
gouvernement a l’intention de rapatrier dans leur pays
d’origine les étrangers condamnés à
des peines de prison et n’ayant pas d’attaches chez
nous, ce que notre législation permet effectivement.
Des accords
bilatéraux doivent évidemment être conclus
avec les pays qui ne font pas partie de l’UE et il reste à
prendre les dispositions pratiques qui s’imposent.
La charge de
travail et les frais de traduction sont une réalité
mais ils sont insignifiants par rapport aux avantages. Il suffit
de songer au problème de la surpopulation carcérale
que nous connaissons.
La
récupération du butin est un autre problème.
Dans ce cadre, il importe que la police et la justice
collaborent, à un stade précoce de l’enquête,
avec les pays d’origine des bandes de voleurs, qui sont
aussi souvent les pays de destination du butin ou des recettes
découlant des activités criminelles.
C’est le
lancement simultané des enquêtes chez nous et dans
les pays d’origine qui donnera les meilleurs résultats,
moyennant une coordination réciproque. Le parquet fédéral
et la police fédérale prennent les initiatives
nécessaires.
Depuis le
printemps 2004, un groupe de travail composé de membres de
la magistrature et de la police se penchent sur le problème
de la simplification de l’administration opérationnelle
judiciaire.
Ce groupe de
travail propose notamment de limiter le travail de
retranscription des écoutes téléphoniques
aux passages importants. Pour l’instant, la loi prévoit
la rédaction d’un procès-verbal intégral
des conversations importantes. Il faut bien entendu veiller à
bien cerner le contexte. La défense dispose, a posteriori,
de toutes les possibilités de contrôle, étant
donné que les conversations font l’objet d’un
enregistrement numérique et peuvent toujours être
entièrement réécoutées. Pour des
réponses plus détaillées, je vous renvoie à
la ministre de la Justice.
Je vous lis à
présent la réponse de la ministre de la Justice.
Les aspects
pratiques de la mise en œuvre d’accords bilatéraux
constituent une part essentielle des négociations de ces
accords. J’attire cependant votre attention sur le fait que
les 157 dossiers auxquels M. Vandenberghe fait référence
dans le cadre du protocole complémentaire de 1997 entrent
dans le cadre de la Convention du Conseil de l’Europe de
1983. Ce protocole, qui permet le rapatriement non volontaire,
est applicable à la Belgique depuis le dernier trimestre
de 2005. Il s’agit donc d’un accord multilatéral
qui a été négocié au sein du Conseil
de l’Europe, et non d’un accord bilatéral. Il
faut également noter que dans le cadre de ce protocole, il
n’est pas question de traduire des dossiers dans d’autres
langues que le français ou l’anglais. Il n’est
donc pas exact que nous devions prendre à notre charge une
traduction vers le roumain.
La question
des écoutes téléphoniques a déjà
été mise sur le tapis à de multiples
reprises par des acteurs de terrain. J’avais l’intention,
à la demande de la police judiciaire, d’aborder ce
problème dans le cadre de la réforme du Code
d’instruction criminelle ; le gouvernement pourrait
déposer des amendements pour répondre à la
préoccupation des enquêteurs tout en respectant les
droits de la défense.
Je n’étais
donc pas opposée à un assouplissement des règles
de retranscription des écoutes téléphoniques.
|
De heer Vincent
Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve
Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik
lees het antwoord van minister Dewael.
Bedoeling van de regering is de
gevangenisstraf van buitenlanders die in België veroordeeld
werden en die geen verankering hebben in ons land, naar het land
van herkomst uit te wijzen. De Belgische wetgeving maakt dit
inderdaad mogelijk.
Uiteraard moeten bilaterale
akkoorden worden gesloten met landen die geen lid zijn van de
Europese Unie en dienen de nodige praktische schikkingen te
worden getroffen.
De werklast en de kosten inzake
vertaling zijn inderdaad een realiteit, maar wegen niet op tegen
de voordelen. Denken we maar aan de problematiek van de
overbevolking van onze gevangenissen.
De recuperatie van de buit is een
ander probleem. Hierbij is het zaak om in een vroeg stadium van
het onderzoek politieel en justitieel samen te werken met de
landen van herkomst van de dievenbendes, die ook vaak de landen
van bestemming zijn voor de buit, of voor de opbrengsten van de
criminele activiteiten.
Het gelijktijdig opstarten van
onderzoeken in ons land en in het land van herkomst, zal, mits
onderlinge coördinatie, de beste resultaten opleveren. Met
het oog hierop nemen het federaal parket en de federale politie
de nodige initiatieven.
Sinds het voorjaar van 2004 buigt
een werkgroep bestaande uit leden van de magistratuur en de
politie zich over de problematiek van de vereenvoudiging van de
operationele gerechtelijke administratie.
Eén van de voorstellen van
die werkgroep, is het beperken van het schrijfwerk inzake
telefoontap, in die zin dat alleen de relevante passages van de
gesprekken zouden worden uitgetikt. Momenteel zegt de wet dat van
relevante gesprekken een integraal proces-verbaal dient te worden
opgemaakt. Uiteraard dient ervoor gewaakt te worden dat de
context voldoende beschreven wordt. De verdediging heeft achteraf
alle controlemogelijkheden, daar de gesprekken digitaal worden
opgenomen en steeds volledig kunnen worden herbeluisterd. Voor
nader antwoord op de vragen, verwijs ik naar de minister van
Justitie.
Ik lees nu het antwoord van de
minister van Justitie.
De praktische aspecten van de
uitvoering van de bilaterale akkoorden vormen een wezenlijk
bestanddeel bij de onderhandelingen van deze akkoorden. Ik vestig
echter de aandacht op het feit dat de 157 dossiers waarnaar
de heer Vandenberghe verwijst in het kader van het
aanvullend protocol van 1997, bij het Verdrag van de Raad van
Europa van 1983 passen. Dit aanvullend protocol, dat de
niet-vrijwillige overbrenging mogelijk maakt, is sedert het
laatste trimester van 2005 voor België van toepassing. Het
betreft dus een multilateraal akkoord dat onderhandeld werd
binnen de Raad van Europa en geen bilateraal akkoord. Er moet ook
nota worden genomen van het feit dat er in het kader van dit
protocol geen sprake is van het vertalen van de dossiers in
andere talen dan het Frans of het Engels. Het is dus niet juist
dat we een vertaling naar het Roemeens ten onze laste moeten
nemen.
De kwestie van de telefoontap is al
meermaals door mensen op het terrein ter sprake gebracht. Ik was
van plan om, op verzoek van de gerechtelijke politie, dat
probleem aan te kaarten in de context van de hervorming van het
Wetboek van strafvordering waarbij de regering amendementen zou
kunnen indienen om te beantwoorden aan de bezorgdheid van de
speurders, maar wel tegelijk met respect voor de rechten van de
verdediging.
Ik was dus niet tegen een
versoepeling van de regels voor het op schrift stellen van de
beluisterde telefoongesprekken.
|
|
Demande
d’explications de M. Hugo Vandenberghe au vice-premier
ministre et ministre de l’Intérieur et au ministre
des Affaires sociales et de la Santé publique sur «le
risque accru que courent les pompiers de souffrir de certaines
formes de cancer» (nº 3-1952)
|
Vraag
om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de
minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het
hoger risico van brandweerlui op bepaalde kankers»
(nr. 3-1952)
|
|
Mme la présidente.
– M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire
d’État à la Simplification administrative,
adjoint au premier ministre, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris
voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste
minister antwoordt.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Il ressort d’une
recherche américaine réalisée auprès
de 110.000 pompiers que le risque d’un cancer de la
prostate est de 28 pour cent supérieur chez les pompiers
que chez les hommes actifs dans d’autres professions. Le
risque d’un cancer du sang ou d’un cancer de la
moelle osseuse est même de cinquante pour cent plus élevé.
La cause de ce
risque accru de certains cancers serait l’exposition à
des matières chimiques dangereuses comme les benzènes,
les styrènes, le chloroforme, les formaldéhydes et
la suie. Ces matières dangereuses contaminent les pompiers
soit en étant inhalées soit par contact avec la
peau.
L’une
des suggestions des chercheurs est que les pompiers se lavent
bien après chaque intervention sur un incendie de sorte
que la plus petite parcelle de suie et de déchet soit
éliminée.
Quelles
conclusions le ministre tire-t-il de cette étude
américaine ? Estime-t-il indiqué de faire
réaliser pareille recherche dans notre pays ?
Quelles
mesures le ministre envisage-t-il de prendre pour veiller à
ce que les pompiers soient suffisamment informés des
risques éventuels de l’exposition à certaines
matières chimiques ?
Quelles
mesures le ministre envisage-t-il de prendre le cas échéant
pour mieux protéger les pompiers contre ces matières
chimiques dangereuses pour la santé.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Uit een Amerikaans onderzoek
bij 110.000 brandweerlui blijkt dat het risico op prostaatkanker
28 procent en het risico op een bepaald soort bloedkanker en
beenmergkanker zelfs 50 procent hoger ligt bij brandweerlui dan
bij mensen die actief zijn in andere beroepen.
De oorzaak van het verhoogde risico
op bepaalde kankers zou de blootstelling zijn aan gevaarlijke
chemische stoffen zoals benzeen, styreen, chloroform,
formaldehyde en roet. Dergelijke gevaarlijke stoffen nemen de
spuitgasten op via de ademhaling en de huid.
Een van de suggesties van de
onderzoekers is dat de spuitgasten zich na iedere brand zeer goed
wassen zodat zelfs het kleinste spoortje roet en alle andere
afvalstoffen worden verwijderd.
Welke conclusies trekt de minister
uit het Amerikaans onderzoek?
Acht de minister het raadzaam om ook
in ons land een onderzoek hieromtrent te laten uitvoeren?
Welke maatregelen wil de minister
nemen om ervoor te zorgen dat brandweerlui voldoende op de hoogte
zijn van mogelijke risico’s van bepaalde chemische stoffen?
Welke maatregelen wil de minister
desgevallend nemen om de brandweerlui beter te beschermen tegen
deze ongezonde chemische stoffen?
|
|
M. Vincent
Van Quickenborne, secrétaire d’État
à la Simplification administrative, adjoint au premier
ministre. – Je vous lis la réponse du ministre
Demotte.
J’ai
pris connaissance de quelques articles de presse qui citent les
résultats d’une recherche américaine. J’ai
fait demander le texte complet de l’étude à
l’Université de Cincinnati pour pouvoir interpréter
ces résultats préoccupants. Selon ce qu’il
ressortira de cet examen, nous pourrons éventuellement
prendre des initiatives et des mesures et nous aviserons s’il
est nécessaire de mener une recherche semblable en
Belgique.
La santé
des pompiers et, en conséquence, la protection contre les
risques dus aux produits chimiques nocifs sont des sujets
extrêmement importants. Pour le moment, les communes, en
tant qu’employeurs de pompiers volontaires et de pompiers
professionnels, ont la mission d’évaluer les risques
dans le cadre de la loi du 4 août 1996 sur le
bien-être au travail. En conséquence des résultats
de leur analyse des risques, on verra si des moyens personnels de
protection s’avèrent nécessaires.
L’exposition aux produits chimiques est l’un des
risques évalués. Pour l’exécution de
leur mission les pompiers disposent de moyens de protection
personnels comme des vêtements de protection pour les
interventions et de masques pour se protéger les voies
respiratoires. Ceux-ci évitent que les pompiers ne
respirent des gaz nocifs. Lorsque les moyens de protection
personnels nécessaires sont bien utilisés, le
risque est réduit à un minimum acceptable.
|
De heer Vincent
Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve
Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik
lees het antwoord van minister Demotte.
Ik heb kennis genomen van enkele
krantenartikelen die de resultaten van het Amerikaanse onderzoek
citeren. Ik heb de volledige tekst van de studie bij de
University of Cincinnati laten opvragen om deze zorgwekkende
resultaten te kunnen interpreteren. Afhankelijk van het resultaat
daarvan kunnen eventueel initiatieven en maatregelen worden
genomen en zal blijken of een gelijkaardig Belgisch onderzoek
noodzakelijk is.
De gezondheid van de brandweerlui en
bijgevolg ook de bescherming tegen mogelijke risico’s van
ongezonde chemische stoffen zijn uitermate belangrijk. Momenteel
hebben de gemeenten, als werkgever van de vrijwillige en
beroepsbrandweermannen, de taak om in het kader van de
welzijnswet van 4 augustus 1996 de risico’s te
evalueren. Uit de resultaten van hun risicoanalyse zal blijken of
bepaalde persoonlijke beschermingsmiddelen noodzakelijk zijn. De
blootstelling aan chemische stoffen is een van de risico’s
die worden geëvalueerd. Voor de uitvoering van zijn opdracht
beschikt de brandweer over persoonlijke beschermingsmiddelen
zoals beschermende interventiekledij en maskers ter bescherming
van de luchtwegen. Die voorkomen dat een brandweerman schadelijke
gassen opneemt. Wanneer de noodzakelijke persoonlijke
beschermingsmiddelen consequent worden gebruikt, wordt het risico
tot een aanvaardbaar minimum beperkt.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – J’insiste pour qu’on
étudie les résultats de la recherche américaine
et que l’on en tire des conclusions. Cela ne semble pas
encore être le cas.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Ik dring erop aan dat de
resultaten van het Amerikaanse onderzoek worden bestudeerd en dat
daaruit conclusies worden getrokken. Dat is blijkbaar nog niet
gebeurd.
|
|
Présentation
de candidats pour un mandat de membre de la Commission fédérale
de contrôle et d’évaluation de l’application
de la loi du 28 mai 2002 relative à l’euthanasie
(Doc. 3-1885)
|
Voordracht
van kandidaten voor een mandaat van lid van de Federale Controle-
en Evaluatiecommissie inzake de toepassing van de wet van
28 mei 2002 betreffende de euthanasie (Stuk 3-1885)
|
|
Mme la présidente.
– Voici le résultat du scrutin pour la nomination de
candidats pour un mandat de membre de la Commission fédérale
de contrôle et d’évaluation de l’application
de la loi du 28 mai 2002 relative à
l’euthanasie.
|
De voorzitter. – Hier
volgt de uitslag van de geheime stemming over de benoeming van
kandidaten voor een mandaat van lid van de Federale Controle- en
Evaluatiecommissie inzake de toepassing van de wet van
28 mei 2002 betreffende de euthanasie.
|
|
Nombre de votants : 51
Bulletins blancs ou nuls : 8
Votes valables : 43
Majorité absolue : 22
|
Aantal stemmenden: 51
Blanco of ongeldige stembriefjes: 8
Geldige stemmen: 43
Volstrekte meerderheid: 22
|
|
Le modèle de liste double a
obtenu 38 suffrages.
|
Het model van dubbele lijst behaalt
38 stemmen.
|
|
Étant donné que ce
modèle a obtenu la majorité absolue, le Sénat
présente les deux listes suivantes :
|
Daar dit model de volstrekte
meerderheid behaalt, draagt de Senaat de twee volgende lijsten
voor:
|
|
Première liste
|
Eerste lijst
|
|
M. Wim Distelmans ;
M. Etienne De Groot ;
M. Raymond Mathys ;
Mme Margaretha Van Emelen ;
M. Marc Englert ;
Mme Dominique Bron ;
M. Philippe Maassen ;
Mme Jacqueline Vandeville ;
M. Fernand van Neste ;
M. Walter De Bondt ;
M. Roger Lallemand ;
M. Yves-Henri Leleu ;
Mme Sabien Bauwens ;
Mme Magriet De Maegd ;
M. Gérard Magnette
et Mme Jacqueline Herremans.
|
de heer Wim Distelmans;
de heer Etienne De Groot;
de heer Raymond Mathys;
mevrouw Margaretha Van Emelen;
de heer Marc Englert;
mevrouw Dominique Bron;
de heer Philippe Maassen;
mevrouw Jacqueline Vandeville;
de heer Fernand Van Neste;
de heer Walter De Bondt;
de heer Roger Lallemand;
de heer Yves-Henri Leleu;
mevrouw Sabien Bauwens;
mevrouw Magriet De Maegd;
de heer Gérard
Magnette
en mevrouw Jacqueline
Herremans.
|
|
Deuxième liste
|
Tweede lijst
|
|
M. Simon Van Belle ;
M. Bart Van den Eynden ;
M. Luc Proot ;
Mme Petra Claes ;
M. Jean-Michel Thomas ;
Mme Béatrice Figa ;
M. Jean-François Damas ;
Mme Marianne Desmedt ;
M. Fernand Keuleneer ;
M. Michel Magits ;
M. Christian Panier ;
M. Gilles Genicot ;
Mme Arlette Geuens ;
Mme Wilhelmina Dijkhoffz
et Mme Christine Laurent.
|
de heer Simon Van Belle;
de heer Bart Van den
Eynden;
de heer Luc Proot;
mevrouw Petra Claes;
de heer Jean-Michel
Thomas;
mevrouw Béatrice Figa;
de heer Jean-François
Damas;
mevrouw Marianne Desmedt;
de heer Fernand Keuleneer;
de heer Michel Magits;
de heer Christian Panier;
de heer Gilles Genicot;
mevrouw Arlette Geuens;
mevrouw Wilhelmina Dijkhoffz
en mevrouw Christine Laurent.
|
|
Les résultats individuels des
candidats seront repris aux Annexes des Annales de la présence
séance.
Il sera donné connaissance de
cette présentation au premier ministre, à la
vice-première ministre et ministre de la Justice et au
ministre des Affaires sociales et de la Santé publique.
|
De individuele uitslagen van de
kandidaten zullen worden opgenomen in de Bijlagen bij de
Handelingen van deze vergadering.
Van deze voordracht zal kennis
worden gegeven aan de eerste minister, de vice-eersteminister en
minister van Justitie en aan de minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid.
|
|
Demande
d’explications de M. Yves Buysse à la
vice-première ministre et ministre de la Justice et au
vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur
«la possibilité dont dispose la police fédérale
d’utiliser les véhicules confisqués comme
voiture de service» (nº 3-1943)
|
Vraag
om uitleg van de heer Yves Buysse aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de
mogelijkheid voor de federale politie om in beslag genomen
voertuigen als dienstvoertuig te kunnen gebruiken»
(nr. 3-1943)
|
|
Mme la présidente.
– M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire
d’État à la Simplification administrative,
adjoint au premier ministre répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris
voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste
minister antwoordt.
|
|
M. Yves
Buysse (VL. BELANG). – Fin 2002, la loi a été
adaptée par le biais d’une loi-programme afin de
donner la possibilité à la police fédérale
d’utiliser temporairement, en tant que voitures de service
banalisées, des véhicules confisqués par le
parquet.
Il ressort de
la réponse à ma question écrite du 27 juin
dernier que, près de quatre ans après le vote de la
loi-programme de 2002, ses dispositions ne sont pas encore
appliquées à l’heure actuelle. Selon le
ministre de l’Intérieur, des obstacles techniques en
empêchent encore la mise en pratique. Une concertation est
apparemment encore en cours à ce sujet entre les services
des SPF Intérieur et Justice.
Quels sont ces
obstacles ? Où en est la concertation entre ces deux
SPF ? Quand le système pourra-t-il finalement entrer
en vigueur ?
|
De heer Yves Buysse
(VL. BELANG). – Eind 2002 werd met een
programmawet de wet aangepast om de federale politie de
mogelijkheid te geven auto’s die door het parket in beslag
worden genomen, tijdelijk te kunnen gebruiken als anoniem
dienstvoertuig. Dat was een goed idee.
Uit het antwoord op mijn
schriftelijke vraag van 27 juni jongstleden blijkt dat,
bijna vier jaar na de goedkeuring van de programmawet van 2002,
de bepalingen van de wet momenteel nog niet in de praktijk worden
toegepast. Volgens de minister van Binnenlandse Zaken zijn er nog
technische hinderpalen om de bepalingen van de programmawet in de
praktijk te brengen. Daarover wordt blijkbaar nog steeds overleg
gepleegd tussen de diensten van de FOD Binnenlandse Zaken en de
FOD Justitie.
Wat zijn die hinderpalen? Hoever
staat het overleg tussen die beide FOD’s? Wanneer zal het
systeem eindelijk in de praktijk kunnen worden gebracht?
|
|
(M. Staf Nimmegeers, premier
vice-président, prend place au fauteuil présidentiel.)
|
(Voorzitter: de heer Staf
Nimmegeers, eerste ondervoorzitter.)
|
|
M. Vincent
Van Quickenborne, secrétaire d’État
à la Simplification administrative, adjoint au premier
ministre. – Jusqu’à présent, aucun
véhicule confisqué n’a encore été
mis à la disposition de la police fédérale.
Utiliser de tels véhicules est moins simple qu’il
n’y paraît au premier abord. En effet, le
propriétaire peut user de voies de recours qui pourraient
donner lieu à une indemnisation et qui rendraient
impossible la poursuite de l’utilisation du véhicule.
En outre, certains véhicules, comme ceux dont le numéro
de châssis est falsifié, ne pourraient tout
simplement pas être immatriculés légalement.
En
collaboration avec le SPF Justice et l’Organe central pour
la saisie et la confiscation, on vérifie s’il est
possible de laisser la police utiliser des véhicules
confisqués moyennant l’accord du propriétaire
légal.
En vertu des
articles 468 et 469 de la loi-programme du 24 décembre 2002,
seul le parquet peut prendre la décision finale
d’autoriser la police fédérale à
utiliser un véhicule confisqué et ce conformément
aux directives de la ministre de la Justice.
Je rappelle,
comme dans ma réponse à votre question écrite
du 27 juin, que la police utilise effectivement des
véhicules saisis à la suite d’une décision
judiciaire.
|
De heer Vincent
Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve
Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Tot
op heden werden nog geen in beslag genomen voertuigen aan de
federale politie toegewezen. Dergelijke voertuigen gebruiken ligt
minder voor de hand dan het op het eerste gezicht lijkt. De
eigenaar kan immers rechtsmiddelen aanwenden die zouden kunnen
leiden tot een schadevergoeding en die het onmogelijk maken om
het voertuig te blijven inzetten. Bovendien kunnen bepaalde
voertuigen, zoals die met een vervalst chassisnummer, gewoonweg
niet wettelijk ingeschreven worden.
In samenwerking met de FOD Justitie
en het Centraal Orgaan voor inbeslagneming en verbeurdverklaring
wordt onderzocht of het mogelijk is in beslag genomen voertuigen
door de politie te laten gebruiken mits de juridische eigenaar
ermee akkoord gaat.
Krachtens de artikelen 468 en
469 van de programmawet van 24 december 2002 kan alleen
het parket een eindbeslissing nemen om de federale politie toe te
staan een in beslag genomen voertuig te gebruiken en dit conform
de richtlijnen van de minister van Justitie.
Zoals in mijn antwoord op uw
schriftelijke vraag van 27 juni herhaal ik dat de politie
wel degelijk gebruik maakt van voertuigen die ingevolge een
gerechtelijke beslissing werden verbeurd verklaard.
|
|
M. Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – Pour la énième
fois, le secrétaire d’État vient ici lire une
réponse. En soi, ce n’est pas de sa faute, mais la
façon dont il débite le texte témoigne de
son mépris pour la personne qui a posé la question.
Nous sommes en droit d’attendre du pouvoir exécutif
un peu de respect pour le parlementaire qui pose des questions.
Le secrétaire
d’État Van Quickenborne, qui une fois de plus est
occupé à autre chose, expédie les réponses
des ministres avec l’objectif avoué d’être
aussi incompréhensible que possible. Monsieur le
président, je ne sais pas si vous avez compris la réponse,
mais moi je n’en ai rien saisi.
Le secrétaire
d’État Kafka a commencé sa carrière
politique dans cette assemblée et, précisément
pour cette raison, son attitude est d’autant plus indigne.
C’est franchement kafkaïen.
|
De heer Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – Voor de zoveelste
keer komt de staatssecretaris hier een antwoord voorlezen. Dat op
zich is zijn schuld niet, maar de manier waarop hij de tekst
afdreunt, getuigt wel van zijn minachting voor de vraagsteller.
Van de uitvoerende macht mogen we ten minste eerbied verwachten
voor welk parlementslid dan ook dat vragen stelt.
Staatssecretaris Van Quickenborne,
die op dit ogenblik natuurlijk weer met andere dingen bezig,
raffelt de antwoorden van de ministers af met de uitgesproken
bedoeling zich zo onverstaanbaar mogelijk te maken. Mijnheer de
voorzitter, ik weet niet of u het antwoord heb begrepen, maar ik
heb er niets van verstaan.
Staatssecretaris Kafka is zijn
politieke loopbaan in deze assemblee begonnen en zijn houding is
precies daarom des te onwaardiger. Dit is ronduit kafkaiaans.
|
|
M. Yves
Buysse (VL. BELANG). – Pendant que le secrétaire
d’État joue à Pacman ou à un autre
petit jeu électronique, j’aimerais aussi réagir.
|
De heer Yves Buysse
(VL. BELANG). – Terwijl de staatssecretaris Pacman
of een ander computerspelletje speelt, zou ik ook zelf nog even
willen reageren.
|
|
M. Vincent
Van Quickenborne, secrétaire d’État
à la Simplification administrative, adjoint au premier
ministre. – Je suis en train de travailler, monsieur
Buysse.
|
De heer Vincent
Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve
Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik
ben aan het werken, mijnheer Buysse.
|
|
M. Yves
Buysse (VL. BELANG). – Si vous preniez votre
travail au sérieux, vous répondriez convenablement
à nos questions, monsieur le secrétaire d’État.
|
De heer Yves Buysse
(VL. BELANG). – Mocht u uw werk ernstig nemen, dan
zou u op een deftige manier op onze vragen antwoorden, mijnheer
de staatssecretaris.
|
|
M. Vincent
Van Quickenborne, secrétaire d’État
à la Simplification administrative, adjoint au premier
ministre. – Je lis la réponse et vous devez écouter.
|
De heer Vincent
Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve
Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik
lees het antwoord en u moet luisteren.
|
|
M. Yves
Buysse (VL. BELANG). – Monsieur le secrétaire
d’État, demandez donc aux interprètes s’ils
peuvent vous suivre.
Le fond de
l’affaire est qu’en 2002, votre collègue,
M. Verwilghen, a fait voter une loi par la Chambre et le
Sénat, mais que son exécution se fait toujours
attendre. Chaque zone de police et la police fédérale
consacrent beaucoup d’argent aux véhicules. Les
véhicules confisqués sont en train de rouiller
quelque part et le gouvernement ne réussit pas à
les faire utiliser d’une manière légale.
Comme toujours, la Justice rejette la faute sur l’Intérieur
et inversement.
|
De heer Yves Buysse
(VL. BELANG). – Mijnheer de staatssecretaris,
vraag gerust eens aan de tolken of ze u kunnen volgen?
De grond van de zaak is dat uw
partijgenoot, de heer Verwilghen, in 2002 een wet door
Kamer en Senaat heeft gedrukt, maar dat de uitvoering ervan nog
steeds op zich laat wachten. Elke politiezone en ook de federale
politie geven heel veel geld uit aan voertuigen. De
verbeurdverklaarde voertuigen staan nu ergens te roesten en de
regering slaagt er niet in ze op een wettelijke manier in gebruik
te laten nemen. Zoals steeds geeft Justitie Binnenlandse Zaken de
schuld, en omgekeerd.
|
|
Demande
d’explications de Mme Mia De Schamphelaere au
vice-premier ministre et ministre des Finances sur «l’application
de la nouvelle convention préventive de la double
imposition conclue avec les Pays-Bas» (nº 3-1939)
|
Vraag
om uitleg van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de
vice-eersteminister en minister van Financiën over «de
toepassing van het nieuwe verdrag met Nederland inzake de dubbele
belasting» (nr. 3-1939)
|
|
M. le président.
– M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire
d’État à la Simplification administrative,
adjoint au premier ministre, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris
voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste
minister, antwoordt.
|
|
Mme Mia
De Schamphelaere (CD&V). – Comme d’autres
qui exercent leur profession dans deux pays, le coureur cycliste
néerlandais Suykerbuyk est confronté à des
difficultés à la suite de l’application de la
nouvelle convention préventive de la double imposition du
5 juin 2001 entrée en vigueur le
31 décembre 2003. Dans cette convention,
l’article 17 a été élargi et
divisé en trois alinéas.
La portée
de ces dispositions n’est pas toujours claire. Diverses
interprétations sont possibles et elles génèrent
des difficultés selon que l’employeur est
néerlandais ou belge. Ce que l’employeur
néerlandais, par exemple Rabobank, paie aux coureurs
cyclistes belges qui habitent les Pays-Bas ou la Belgique est
imposable aux Pays-Bas à hauteur de la partie des
rémunérations relatives aux activités
réalisées aux Pays-Bas. Si ce coureur cycliste a
été actif 220 jours aux Pays-Bas par exemple, 85
jours en Belgique et 60 jours dans d’autres pays, seul le
salaire correspondant à 220 jours peut être imposé
aux Pays-Bas.
Avec la
rédaction actuelle de l’article 17, on constate
à présent que le fisc néerlandais considère
comme imposable aux Pays-Bas la totalité du salaire qui a
été payé par un employeur néerlandais
aux coureurs cyclistes qui exercent leur profession à
travers le monde (compétitions, entraînements).
Cette
interprétation est-elle correcte ? Quelles sont
les différences entre l’article 17 de la
convention actuelle et celui de la convention de 1970 ?
|
Mevrouw Mia De Schamphelaere
(CD&V). – De Nederlandse wielrenner Suykerbuyk
heeft, net als anderen die hun beroep in twee landen uitoefenen,
moeilijkheden gekregen als gevolg van de toepassing van het
nieuwe verdrag van 5 juni 2001 ter vermijding van
dubbele belasting dat op 31 december 2003 in werking is
getreden. In dat verdrag werd artikel 17 uitgebreid en
opgedeeld in drie alinea’s.
De draagwijdte van deze bepalingen
is niet altijd duidelijk. Er zijn verschillende interpretaties
mogelijk die moeilijkheden veroorzaken naar gelang het gaat om
een Nederlandse of een Belgische werkgever. Wat de Nederlandse
werkgever, bijvoorbeeld Rabobank, betaalt aan Belgische
wielrenners die in Nederland of in België wonen, is in
Nederland belastbaar ten belope van het gedeelte van de
bezoldigingen dat aan in Nederland verrichte werkzaamheden kan
worden toegeschreven. Als die wielrenner bijvoorbeeld 220 dagen
actief was in Nederland, 85 dagen in België en 60 dagen in
andere landen, konden dus maar 220 van de 365 dagen van het loon
in Nederland worden belast.
Met de huidige redactie van
artikel 17 wordt nu vastgesteld dat de Nederlandse fiscus
het volledige loon dat door een Nederlandse werkgever wordt
betaald aan wielrenners die waar ook ter wereld hun beroep
uitoefenen (wedstrijden, trainingskampen), beschouwt als
belastbaar in Nederland.
Is deze interpretatie correct? Wat
zijn de verschillen tussen artikel 17 van het huidige
verdrag en het verdrag van 1970?
|
|
M. Vincent
Van Quickenborne, secrétaire d’État
à la Simplification administrative, adjoint au premier
ministre. – Le contenu de l’article 17 de la
convention préventive de la double imposition du
5 juin 2001 ne diffère pas de celui de
l’article 17 de la convention préventive de la
double imposition du 19 octobre 1970. Dans la nouvelle
convention avec les Pays-Bas, seuls deux paragraphes ont été
ajoutés.
Le deuxième
paragraphe vise à prévenir un certain nombre
d’abus. Il fait en sorte que les revenus d’un sportif
ou d’un artiste payés à une société
soient également imposés par l’État où
l’activité est exercée.
À la
suite de l’ajout du troisième paragraphe, les
revenus de prestations artistiques ou sportives dans l’État
ou l’activité est exercée sont exonérés
si ces prestations sont financées pour une partie
substantielle par des moyens publics de l’État de
résidence. Dans ce cas, l’État de résidence
a le droit d’imposer ces revenus.
Concrètement,
cela signifie que, aussi bien dans l’ancienne que dans la
nouvelle convention préventive de la double imposition
conclue avec les Pays-Bas, les rémunérations des
coureurs cyclistes sont imposables dans l’État où
les activités personnelles ont lieu. L’État
de résidence du coureur cycliste concerné accordera
les exonérations nécessaires à condition que
ce dernier puisse prouver que ces prestations ont effectivement
été effectuées à l’étranger.
En cas de
double imposition (par exemple si les Pays-Bas et la Belgique
imposent les rémunérations), l’intéressé
peut introduire, toujours sur la base de l’article 28
de la convention préventive de la double imposition
conclue avec les Pays-Bas, une demande de procédure
amiable auprès de la direction compétente des
Services centraux de l’Administration de la fiscalité
des entreprises et des revenus.
|
De heer Vincent
Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve
Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – De
inhoud van artikel 17 van het Belgisch-Nederlands
dubbelbelastingverdrag van 5 juni 2001 verschilt in
feite niet van die van artikel 17 van het
Belgisch-Nederlands dubbelbelastingverdrag van 19 oktober 1970.
In het nieuwe verdrag met Nederland werden alleen twee paragrafen
toegevoegd.
De tweede paragraaf heeft tot doel
een aantal misbruiken te voorkomen. Deze paragraaf zorgt er
immers voor dat de inkomsten van een sportbeoefenaar of artiest
die betaald worden aan een vennootschap, eveneens belast worden
in de Staat waar de activiteit wordt uitgeoefend.
Door het toevoegen van de derde
paragraaf worden de inkomsten uit artistieke of sportieve
prestaties in de Staat waar de activiteit wordt uitgeoefend,
vrijgesteld indien blijkt dat deze voor een wezenlijk deel worden
gefinancierd uit openbare middelen die worden verschaft door de
woonstaat. In dit geval is de woonstaat heffingsbevoegd over deze
inkomsten.
Concreet betekent dit dus dat de
bezoldigingen van wielrenners, zowel in het oude als het nieuwe
dubbelbelastingverdrag met Nederland, belastbaar zijn in de Staat
waar de persoonlijke werkzaamheden verricht worden. De woonstaat
van de betrokken wielrenner zal de nodige vrijstellingen
verlenen, op voorwaarde dat hij kan aantonen dat deze prestaties
effectief in het buitenland verricht zijn.
In het geval er toch een dubbele
belasting zou ontstaan (bijvoorbeeld indien zowel Nederland als
België de bezoldigingen zouden belasten), kan de betrokkene
altijd op basis van artikel 28 van het Belgisch-Nederlands
dubbelbelastingverdrag een verzoek tot onderling overleg indienen
bij de bevoegde Directie van de Centrale Diensten van de
Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit.
|
|
Demande
d’explications de Mme Fauzaya Talhaoui au vice-premier
ministre et ministre de l’Intérieur sur «la
journée internationale pour l’élimination de
la violence à l’égard des femmes et les
missions de la police» (nº 3-1948)
|
Vraag
om uitleg van mevrouw Fauzaya Talhaoui aan de
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de
dag tegen huishoudelijk geweld en de taken van de politie»
(nr. 3-1948)
|
|
M. le président.
– M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire
d’État à la Simplification administrative,
adjoint au premier ministre, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris
voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste
minister, antwoordt.
|
|
Mme Fauzaya
Talhaoui (SP.A-SPIRIT). – À l’occasion de
la journée du 25 novembre dédiée par
les Nations unies à l’élimination de la
violence à l’égard des femmes, de nombreux
débats ont été consacrés à
cette question, y compris au Sénat.
Si notre pays
est doté d’une réglementation en la matière,
sa mise en œuvre et l’octroi de moyens humains et
financiers laissent parfois à désirer. Parmi les
initiatives importantes prises, citons les récentes
circulaires COL 3 et COL 4 du Collège des procureurs
généraux relatives à l’approche de la
violence intrafamiliale par les services de police et les
parquets. Ces circulaires font état de la désignation
d’un fonctionnaire de référence « au
moins » par corps de police. Une approche et un suivi
de qualité de la violence intrafamiliale nécessitent
un minimum de moyens et d’heures de travail. Le fait de
prévoir au moins un fonctionnaire de référence
par corps de police implique qu’un corps ayant un effectif
de 2000 personnes répond tout aussi bien à la norme
qu’un corps de 50 personnes. Dans la pratique, cette seule
personne ne peut fournir un travail de qualité.
Selon la
police, en 2005, 2.697 procès-verbaux ont été
dressés à Anvers pour des faits de violence
intrafamiliale, soit plus de sept cas par jour. La police ne
dispose ni du personnel ni du temps pour procéder à
une analyse approfondie mais elle estime que dans au moins 11%
des cas, il existe un risque de récidive à court
terme. Le plan zonal de sécurité d’Anvers
considère la violence comme un point important mais pas
comme une priorité, et ce en raison du manque de
personnel.
La circulaire
COL 4 recommande que lors de son intervention, la police demande
au suspect de quitter la maison. Dans la pratique, la police
procédait déjà de cette manière.
Cependant, le suspect revient souvent sur les lieux, d’où
une escalade de la violence. Cette recommandation reste donc
souvent sans effet. Dans les incidents graves, la possession
d’armes joue également un rôle. Certains pays,
notamment l’Autriche, procèdent différemment
en faisant signer un contrat par le suspect et la victime et en
transmettant immédiatement le procès-verbal à
une institution d’aide qui intervient aussitôt, tant
à l’égard de la victime que du suspect.
Outre ses
missions policières proprement dites, un agent devrait
avoir le temps d’assurer le suivi et l’analyse des
dossiers à risques, en collaboration avec un magistrat de
référence du parquet, tout en coordonnant le
travail effectué conjointement avec d’autres
partenaires dans les dossiers individuels.
1. Dans le
débat sur les missions de base de la police, le ministre
a-t-il l’intention de tenir compte des circulaires COL 3 et
COL 4 en ce qui concerne les moyens et le personnel, y compris
par région ?
2. Le ministre
envisage-t-il une coordination avec sa collègue de la
Justice.
3. Quelles
autres mesures le ministre prendra-t-il pour renforcer
l’efficacité des circulaires COL 3 et COL 4,
notamment en ce qui concerne les mesures de sécurité
lors de l’éloignement du domicile ?
4. Le Conseil
européen de Madrid a établi clairement que la
violence à l’égard des femmes constitue une
violation des droits de l’homme contre laquelle il faut
agir. Une simple approche d’assistance ne suffit pas à
stopper cette forme de violence. Quel est le point de vue du
ministre à ce sujet ?
5. La
situation des femmes sans papiers qui sont maltraitées par
leur partenaire mérite aussi une attention particulière.
Actuellement, les policiers n’ont pas d’autre
solution que de renvoyer à la rue ou à leur
partenaire les femmes qui viennent demander de l’aide.
Aucune organisation ne veux supporter les coûts liés
à l’accueil de ces femmes. Dans le Plan national
d’action contre la violence conjugale 2005-2008, le
ministre s’était engagé à faire en
sorte que ces femmes soient protégées par le même
statut que les victimes de la traite des êtres humains. Où
en est cette proposition ?
|
Mevrouw Fauzaya Talhaoui
(SP.A-SPIRIT). – Zaterdag 25 november was het
VN-themadag tegen huiselijk geweld. Daar werden veel debatten aan
gewijd, in de Senaat en elders in het land.
In België hebben we een
ondersteunende wetgeving maar de implementatie en de toekenning
van mensen en middelen laat hier soms te wensen over. Belangrijke
initiatieven zijn de recente richtlijnen COL 3 en COL 4 van het
college van procureurs-generaal inzake de aanpak van
intrafamiliaal geweld voor politiediensten en parketten. Die
richtlijnen spreken onder meer over het aanstellen van ‘minstens
één’ referentieambtenaar per politiekorps. Om
in een kwaliteitsvolle aanpak en follow-up van huiselijk geweld
te kunnen voorzien is echter een minimum aan middelen en mensuren
nodig. ‘Minstens één’
referentieambtenaar per politiekorps wil dus ook zeggen dat een
korps van 2000 manschappen evengoed aan de norm voldoet als een
korps met 50 manschappen. Maar in de praktijk kan die ene persoon
voor 2000 manschappen geen kwaliteitsvol politiewerk afleveren.
In Antwerpen werden er in 2005
volgens de politiecijfers 2697 processen-verbaal opgesteld met
betrekking tot huiselijk geweld. Dat op zich is al een
hallucinant cijfer: meer dan 50 processen-verbaal per week, meer
dan 7 gevallen van huiselijk geweld per dag! Momenteel heeft de
politie niet de mankracht of de tijd om een volledige en
intensieve screening uit te voeren, maar de politie schat dat
minstens 11% hiervan risicodossiers zijn waarbij herhaling van de
feiten op korte termijn waarschijnlijk is. In het zonale
veiligheidsplan van Antwerpen is de aanpak van huiselijk geweld
evenwel geen prioriteit maar een ‘aandachtspunt’. Het
korps heeft namelijk af te rekenen met een tekort aan personeel,
de uitstroom is groter dan de instroom en men moet steeds meer
opdrachten uitvoeren met steeds minder middelen.
In de richtlijn COL 4 adviseert men
bij interventie van de politie aan de verdachte te vragen het
huis te verlaten. In de praktijk gebeurde dat echter ook al in
het verleden, met als gevolg dat de verdachte enkele uren nadien
weer voor de deur stond of zich opnieuw met geweld toegang tot de
woning verschafte. De richtlijn werkt dus vaak niet, integendeel:
in de praktijk merkt men vaak dat de situatie verder escaleert.
Bij ernstige incidenten speelt wapenbezit ook een rol. In andere
landen zoals in Oostenrijk pakt men de uithuisplaatsing anders
aan: daar werkt de maatregel wel omdat men zowel de verdachte als
het slachtoffer een contract laat tekenen en omdat het
proces-verbaal meteen wordt doorgestuurd naar een
hulpverleningsinstantie die meteen aan de slag gaat, zowel met
het slachtoffer als met de verdachte.
Een agent heeft steeds tijd en armen
tekort: naast de basispolitiezorg moet hij of zij én de
opvolging én de screening van risicodossiers terdege
kunnen aanpakken, in samenwerking met een referentiemagistraat
van het parket, én de samenwerking met andere partners bij
individuele dossiers coördineren.
1. Is de minister van plan om in het
debat over te kerntaken van de politie rekening te houden met de
COL 3 en COL 4 wat de inzet van middelen en personeel betreft,
ook per regio?
2. Zal de minister hieromtrent
coördineren met zijn collega van Justitie?
3. Welke andere maatregelen zal de
minister nemen om de richtlijnen COL3 en COL4 performanter te
laten werken, zodat bijvoorbeeld de uithuisplaatsing op een
veiligere manier kan verlopen?
4. Op Europees niveau maakte de
Europese Raad in Madrid duidelijk dat huiselijk geweld gaat over
een schending van mensenrechten waartegen men moet optreden.
Louter een hulpverleningsaanpak werkt daarom niet om
huishoudelijk geweld te stoppen. Hoe ziet de minister dat?
5. Speciale aandacht moet ook gaan
naar de situaties van vrouwen zonder papieren die mishandeld
worden door hun partner. De politie heeft nu geen andere keuze
dan die vrouwen op straat te zetten of terug te sturen naar hun
partner als ze om hulp komen vragen. Geen enkele organisatie wil
de kosten voor die opvang dragen. In het Nationaal Actieplan
Partnergeweld 2005-2008 had de minister zich geëngageerd om
voor die vrouwen een oplossing te zoeken zodat ze hetzelfde
beschermde statuut zouden krijgen als slachtoffers van
mensenhandel. Hoever staat het met dit voorstel?
|
|
M. Vincent
Van Quickenborne, secrétaire d’État
à la Simplification administrative, adjoint au premier
ministre. – Je vous lis la réponse du ministre de
l’Intérieur.
La question
des missions de base de la police locale fait actuellement
l’objet d’un examen approfondi par la Commission
d’accompagnement de la réforme des polices au niveau
local. Les missions policières de première ligne
sont avant tout une compétence de la police locale.
La mise en
œuvre des circulaires en question relève des
compétences de la ministre de la Justice. Mes services et
moi sommes évidement prêts à entamer une
concertation et à collaborer afin d’aboutir à
une réglementation aussi claire que possible.
L’objectif
des circulaires COL 3 et COL 4 est de susciter dans tous les cas
une intervention et une décision de la justice.
La loi du
15 décembre 1980 a été modifiée
est désormais conforme à la directive européenne
2003/86. La modification de la loi intervenue le
15 septembre 2006 a été publiée au
Moniteur belge du 6 octobre 2006. L’article 9,
dernier alinéa, est libellé comme suit : « Le
ministre ou son délégué prend
particulièrement en considération la situation des
personnes victimes de violences dans leur famille, qui ont quitté
leur foyer et nécessitent une protection. Dans ces cas, il
informera la personne concernée de sa décision de
ne pas mettre fin (…) à son séjour. »
La loi entre
en vigueur aux dates fixées par le Roi et au plus tard le
premier jour du treizième mois qui suit celui au cours
duquel elle aura été publiée au Moniteur
belge.
|
De heer Vincent
Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve
Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – Ik
lees het antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken.
Het debat over de invulling van de
basisfuncties van de lokale politie maakt momenteel het voorwerp
uit van een diepgaand onderzoek binnen de Commissie ter
begeleiding van de politiehervorming op het lokale niveau. De
eerstelijnspolitie is in eerste instantie een bevoegdheid van de
lokale politie.
De implementatie van bedoelde
omzendbrieven behoort tot de bevoegdheid van de minister van
Justitie. Vanzelfsprekend zijn ikzelf en mijn diensten steeds
bereid tot overleg en samenwerking om tot een zo duidelijk
mogelijke regelgeving te komen.
De omzendbrieven COL 3 en COL 4 zijn
bedoeld om altijd een justitieel optreden en beslissing uit te
lokken.
De wet van 15 december 1980
werd gewijzigd en voldoet nu aan de Europese richtlijn 2003/86.
De wetswijziging van 15 september 2006 werd
gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van
6 oktober 2006. Artikel 9, laatste alinea, luidt
als volgt: ‘De minister of zijn gemachtigde houdt in het
bijzonder rekening met de situatie van personen die het
slachtoffer zijn van geweld in de familie, die het huishouden
hebben verlaten en bescherming nodig hebben. In deze gevallen zal
hij de betrokken persoon op de hoogte brengen van zijn beslissing
om geen einde te stellen aan zijn verblijf (…)’.
De wet treedt in werking op de door
de Koning vast te stellen data en uiterlijk op de eerste dag van
de dertiende maand volgend op de publicatiedatum in het Belgisch
Staatsblad.
|
|
Mme Fauzaya
Talhaoui (SP.A-SPIRIT). – Le ministre de l’Intérieur
n’étant pas présent, je lui poserai
ultérieurement mes questions complémentaires.
|
Mevrouw Fauzaya Talhaoui
(SP.A-SPIRIT). – Aangezien de minister van Binnenlandse
Zaken hier niet zelf antwoordt, zal ik hem mijn bijkomende vragen
later stellen.
|
|
Demande
d’explications de Mme Erika Thijs au vice-premier
ministre et ministre de l’Intérieur sur «le
rapport d’activités 2005 de la police fédérale»
(nº 3-1928)
|
Vraag
om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de vice-eersteminister
en minister van Binnenlandse Zaken over «het
activiteitenverslag 2005 van de federale politie»
(nr. 3-1928)
|
|
M. le président.
– M. Vincent Van Quickenborne, secrétaire
d’État à la Simplification administrative,
adjoint au premier ministre, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris
voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste
minister, antwoordt.
|
|
Mme Erika
Thijs (CD&V). – Voici quelque temps, M. Vandeplas
a présenté le rapport d’activités 2005
de la police fédérale à la commission de
l’Intérieur.
Le chapitre
Management des ressources humaines indique qu’en 2005,
1.286 personnes ont pris part aux épreuves organisées
pour la sélection d’externes pour le cadre
opérationnel. Aucune ventilation des chiffres en fonction
du sexe n’était toutefois réalisée.
Combien de femmes ont-elles participé à chacune de
ces épreuves ?
Pour toutes
les catégories, 1.938 nouveaux membres du personnel
ont été engagés. Les chiffres des
recrutements ne sont pas davantage ventilés en fonction du
sexe. Combien de candidates féminines ont-elles été
engagées dans les différents cadres ? La
proportion de femmes recrutées correspond-elle à la
proportion de femmes ayant participé aux épreuves
de sélection ?
Par ailleurs,
nous ne disposons pas de chiffres ventilés selon le sexe
concernant le nombre d’étudiants inscrits à
l’École fédérale, à l’École
de recherche, à l’École des officiers et dans
les écoles agréées. Quel est le nombre
d’étudiantes ? Quelle est la proportion
d’étudiantes par rapport au nombre d’étudiants ?
Quels est le nombre de diplômées pour chacune et
pour l’ensemble de ces écoles ? Quelle est la
proportion de femmes diplômées par rapport au nombre
de diplômés masculins ?
|
Mevrouw Erika Thijs (CD&V).
– Enige tijd geleden gaf de heer Vandeplas een
uitgebreide uiteenzetting over het activiteitenverslag van de
federale politie 2005 in de commissie Binnenlandse Zaken.
In het hoofdstuk Human Resource
Management geven de cijfers 2005 aan dat in totaal 1.286 personen
deelnamen aan de georganiseerde selectieproeven voor externen in
het operationeel kader: 1.255 personen voor het agentenkader, 474
voor het basiskader, 707 voor het gespecialiseerd middenkader en
740 voor het officierskader. Er wordt echter geen opsplitsing
gemaakt naargelang van het geslacht. Hoeveel vrouwelijke
deelnemers waren er voor elk van deze proeven?
Voor alle categorieën werden er
in totaal 1.938 nieuwe personeelsleden in dienst genomen. Hier
wordt evenmin een opsplitsing gemaakt naar geslacht. Hoeveel
vrouwelijke kandidaten werden er aangeworven in de diverse
personeelsformaties? Komt deze verhouding overeen met het aantal
vrouwen dat deelnam aan de selectieproeven?
Wat betreft het aantal studenten in
zowel de Federale school als de Rechercheschool, de
officierenschool en de erkende scholen, wordt evenmin een
onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen. Hoeveel vrouwelijke
studenten zijn er? Wat is de verhouding ten opzichte van het
aantal mannelijke studenten? Wat is de uitstroom van de
vrouwelijke studenten per school of als geheel? Wat is de
verhouding ten opzichte van de uitstroom van mannelijke
studenten?
|
|
M. Vincent
Van Quickenborne, secrétaire d’État
à la Simplification administrative, adjoint au premier
ministre. – Le ministre vous communiquera les détails
de sa réponse par écrit.
Vous
constaterez que, pour les inspecteurs, 30% des candidats et des
lauréats sont des femmes. Pour les agents, le pourcentage
est d’environ 33%. Pour les aspirants-officiers, les femmes
représentent 49% des candidats et 55% des lauréats.
La proportion
de femmes augmente rapidement. Dans la formation d’officiers
actuellement en cours, on ne compte que 29% de femmes. Parmi les
nouveaux aspirants-inspecteurs inscrits à l’école
de police de Flandre orientale, le nombre de femmes dépasse
celui des hommes. C’est peut-être un cas exceptionnel
mais il montre bien que la composition de la police tend de plus
en plus à refléter la composition de la population.
|
De heer Vincent
Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve
Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. – De
minister zal u het detail van zijn antwoord schriftelijk
overhandigen.
U zal daarbij vaststellen dat voor
de inspecteurs 30% van de kandidaten en van de geslaagden vrouw
is. Bij de agenten bedraagt deze percentages ongeveer 33%. Bij de
aspirant-officieren vormen de vrouwen 49% van de kandidaten, maar
55% van de geslaagden.
Het aandeel van vrouwen neemt
inderdaad snel toe. In de lopende officierenopleiding, waar ook
kandidaten die extern promotie maken deel van uitmaken, is nog
maar 29% vrouw. In de nieuwe lichting aspirant-inspecteurs van de
Oost-Vlaamse politieschool overtreft het aantal vrouwen voor de
eerste maal het aantaal mannen. Dat is misschien uitzonderlijk,
maar het wijst op de tendens dat de samenstelling van de politie
steeds meer overeenstemt met de bevolkingssamenstelling.
|
|
M. le président.
– L’ordre du jour de la présente séance
est ainsi épuisé.
La prochaine séance aura lieu
le jeudi 7 décembre à 10 h.
|
De voorzitter. – De
agenda van deze vergadering is afgewerkt.
De volgende vergadering vindt plaats
donderdag 7 december om 10 uur.
|
|
(La séance est levée
à 18 h 00.)
|
(De vergadering wordt gesloten om
18.00 uur.)
|
|
Excusés
|
Berichten
van verhindering
|
|
M. Van den Brande, à
l’étranger, M. Cheffert, pour raisons
familiales, M. Lionel Vandenberghe, pour raisons
personnelles, MM. Cheffert et Wilmots, pour d’autres
devoirs, demandent d’excuser leur absence à la
présente séance.
|
Afwezig met bericht van
verhindering: de heer van den Brande, in het
buitenland, de heer Cheffert, om familiale redenen,
de heer Lionel Vandenberghe, om persoonlijke redenen,
de heren Brotcorne en Wilmots, wegens andere plichten.
|
|
– Pris pour information.
|
– Voor kennisgeving
aangenomen.
|