|
Présidence de
Mme Anne-Marie Lizin
(La séance est ouverte à
15 h 10.)
|
Voorzitter: mevrouw Anne-Marie
Lizin
(De vergadering wordt geopend om
15.10 uur.)
|
|
Pétitions
|
Verzoekschriften
|
|
Mme la présidente.
– M. Albert Blondin a transmis au Sénat une
pétition concernant les pensions versées par
l’Office de sécurité sociale d’outre-mer.
|
De voorzitter. –
De heer Albert Blondin heeft aan de Senaat overgezonden
een verzoekschrift over de pensioenen uitgekeerd door de Dienst
voor Overzeese Sociale Zekerheid.
|
|
– Envoi à la
commission de l’Intérieur et des Affaires
administratives et à la commission des Affaires sociales.
|
– Verzonden naar de
commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve
Aangelegenheden en aan de commissie voor de Sociale
Aangelegenheden.
|
|
Par lettre du 27 septembre 2006,
M. Ronald Parys, bourgmestre de Ternat, a transmis au
Sénat une motion relative à la scission de la
circonscription électorale de Bruxelles-Hal-Vilvorde et de
l’arrondissement judiciaire de Bruxelles.
|
Bij brief van 27 september 2006
heeft de heer Ronald Parys, burgemeester van
Ternat, aan de Senaat overgezonden, een motie met betrekking tot
de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde en het
gerechtelijk arrondissement Brussel.
|
|
– Envoi à la
commission de l’Intérieur et des Affaires
administratives.
|
– Verzonden naar de
commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve
Aangelegenheden.
|
|
Prise
en considération de propositions
|
Inoverwegingneming
van voorstellen
|
|
Mme la présidente.
– La liste des propositions à prendre en
considération a été distribuée.
Je prie les membres qui auraient des
observations à formuler de me les faire connaître
avant la fin de la séance.
Sauf suggestion divergente, je
considérerai ces propositions comme prises en
considération et renvoyées à la commission
indiquée par le Bureau. (Assentiment)
|
De voorzitter. – De
lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.
Leden die opmerkingen mochten
hebben, kunnen die vóór het einde van de
vergadering mededelen.
Tenzij er afwijkende suggesties
zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen
en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn
aangewezen. (Instemming)
|
|
(La liste des propositions prises
en considération figure en annexe.)
|
(De lijst van de in overweging
genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)
|
|
Questions
orales
|
Mondelinge
vragen
|
|
Question
orale de Mme Margriet Hermans au ministre des Affaires
étrangères sur «la démobilisation des
enfants-soldats dans le cadre du mandat de la Belgique en tant
que membre du Conseil de sécurité des Nations
unies» (nº 3-1237)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Margriet Hermans aan de minister van
Buitenlandse Zaken over «de demobilisatie van de
kindsoldaten in het kader van het Belgische lidmaatschap van de
Veiligheidsraad van de Verenigde Naties» (nr. 3-1237)
|
|
Mme Margriet
Hermans (VLD). – C’est un grand honneur pour la
Belgique de devenir, dès janvier 2007 et pour deux
ans, membre du Conseil de sécurité des Nations
unies. À la suite de cette élection, le ministre
des Affaires étrangères a déclaré que
la Belgique entend notamment s’occuper du problème
des enfants-soldats, toujours actifs dans de nombreuses zones de
conflit et malheureusement pas seulement dans les pays d’Afrique
centrale où ils font partie des forces armées. Plus
de onze mille enfants-soldats circuleraient en République
démocratique du Congo, malgré un programme de
désarmement et de démobilisation de plus de 200
millions de dollars. Selon un rapport d’Amnesty
International, ces enfants se battent tant dans des milices
armées qu’au sein des troupes gouvernementales. Non
seulement ils sont recrutés par les gouvernements mais
leurs parents ne s’opposent absolument pas à leur
envoi dans ces armées parce qu’ils espèrent y
obtenir des garanties pour leur éducation, leur accueil,
etc. Souvent, des enfants sont également recrutés
de force par des groupes d’opposition armée qui
peuvent utiliser n’importe quel combattant dans leur lutte
contre le pouvoir. Du point de vue des droits de l’homme et
selon la Convention des droits de l’enfant, aucune excuse
ou aucun argument n’est concevable pour abuser des enfants
et les exploiter comme soldats.
Pour toutes
ces raisons, j’aimerais recevoir du ministre une réponse
aux questions suivantes.
Comment la
Belgique concrétisera-t-elle, au Conseil de sécurité,
ses intentions de démobiliser les enfants-soldats ?
Quels objectifs concrets le ministre poursuit-il et quelle est la
deadline ?
L’accueil,
le traitement des traumatismes, la réintégration et
la rescolarisation des enfants-soldats requièrent un
effort particulier. J’ai appris aujourd’hui que
Mme De Temmerman transformera en scolarisation son
initiative d’accueil des enfants-soldats en Ouganda parce
qu’elle estime que leur situation s’y est améliorée.
La réalité montre toutefois que onze mille
enfants-soldats sont encore actifs en Afrique.
Quels efforts
complémentaires la Belgique fera-t-elle, notamment sous la
forme de budgets complémentaires, pour démobiliser
les enfants-soldats ?
|
Mevrouw Margriet Hermans
(VLD). – Het is een hele eer dat België vanaf
januari 2007 voor twee jaar lid zal zijn van de
Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Naar aanleiding daarvan
verklaarde de minister van Buitenlandse Zaken dat België
zich onder meer wil inzetten voor de problematiek van de
kindsoldaten. Kindsoldaten worden nog altijd ingezet in vele
conflictgebieden, helaas niet alleen in de Centraal-Afrikaanse
landen, waar ze optreden als strijdkrachten. Zo zouden er in de
Democratische Republiek Congo meer dan elfduizend kindsoldaten
circuleren, ondanks een ontwapenings- en demobilisatieprogramma
van meer dan 200 miljoen dollar. Die kinderen vechten zowel in
gewapende milities als bij regeringstroepen, aldus een rapport
van Amnesty International. De kinderen worden niet alleen
gerekruteerd door de regeringen, ook hun ouders maken geen enkel
bezwaar om ze naar die legers te sturen omdat ze hopen daar
garanties te krijgen voor hun opvoeding, opvang en dergelijke.
Vaak worden kinderen ook gedwongen gerekruteerd door gewapende
oppositiegroepen die in strijd tegen de machthebbers elke
strijder kunnen gebruiken. Vanuit mensenrechtenperspectief en het
Verdrag inzake de Rechten van het Kind is er geen enkel excuus of
argument denkbaar om kinderen te misbruiken en te exploiteren als
soldaat.
Om al die redenen kreeg ik van de
minister graag een antwoord op de volgende vragen.
Welke invulling zal België in
de Veiligheidsraad geven aan zijn voornemen om de kindsoldaten te
demobiliseren? Welke concrete doelstellingen streeft de minister
na en wat is de deadline?
Ook inzake de opvang, verwerking van
traumata, herintegratie en heropvoeding van kindsoldaten is een
bijzondere inspanning vereist. Ik verneem vandaag dat
mevrouw De Temmerman haar initiatief inzake
kindsoldatenopvang in Uganda zal ombouwen tot scholing omdat ze
oordeelt dat de situatie van de kindsoldaten er verbeterd is.
Toch is het een realiteit dat er nog altijd elfduizend
kindsoldaten in Afrika zijn.
Welke bijkomende inspanningen zal
België doen, onder meer inzake bijkomende budgetten, om de
kindsoldaten te demobiliseren?
|
|
M. Karel
De Gucht, ministre des Affaires étrangères.
– Depuis 1999, le Conseil de sécurité de
l’ONU a adopté une longue série de
recommandations relatives à la protection des enfants et
en particulier des filles contre l’exploitation sexuelle
dans les conflits armés, la question des armes légères
dans les conflits interminables et l’attention accordée
aux enfants lors du désarmement, de la démobilisation,
des programmes de réintégration et des processus de
paix.
Depuis 2001,
le secrétaire général publie chaque année
une liste de groupes qui emploient des enfants-soldats. Ces
groupes sont incités par la résolution 1612 du
Conseil de sécurité à amorcer immédiatement
des plans d’actions concrets et limités dans le
temps pour mettre un terme aux violations. Toutes les opérations
de maintien de la paix de l’ONU et les groupes de pays de
l’ONU sont chargés d’aider à
l’élaboration de ces plans d’action. À
cet effet, des monitoring and reporting task forces ont
été créées avec des experts de
l’UNICEF, le Department of Peacekeeping Operations
(DPKO), le Haut Commissariat aux réfugiés, le PNUD
et un certain nombre d’ONG importantes. Ces task forces
font rapport au groupe de travail sur les enfants dans les
conflits armés, créé par la résolution
1612, groupe dont la Belgique fera également partie dès
janvier 2007 en tant que membre non permanent. Il est même
possible que notre pays le préside. À ce sujet,
nous collaborons étroitement avec le représentant
spécial du secrétaire général pour
les enfants et les conflits armés.
La Belgique
travaillera activement à la poursuite de
l’opérationnalisation d’un toolkit qui
a été adopté au début de
septembre 2006. Il s’agit d’une liste de mesures
que le groupe de travail peut prendre à la suite d’un
rapport spécifique à un pays, y compris des
recommandations du Conseil de sécurité. Ces mesures
vont de l’assistance, par exemple la capacity building,
des démarches, des améliorations du monitoring, de
l’adaptation ou du renforcement notamment des opérations
de paix, aux « autres mesures » telles que
la communication aux comités de sanction existants
d’informations provenant du groupe de travail.
|
De heer Karel De Gucht,
minister van Buitenlandse Zaken. – Sinds 1999 keurde de
VN-Veiligheidsraad een lange reeks aanbevelingen goed inzake de
bescherming van kinderen en in het bijzonder van meisjes tegen
seksuele uitbuiting in gewapende conflicten, de problematiek van
kleine wapens bij aanslepende conflicten en aandacht voor
kinderen bij ontwapening, demobilisatie en
reïntegratieprogramma’s en vredesprocessen.
Sinds 2001 publiceert de
secretaris-generaal jaarlijks een lijst van groepen die
kindsoldaten inzetten. Die groepen worden door de
Veiligheidsresolutie 1612 aangezet tot het onmiddellijk opzetten
van concrete in de tijd beperkte actieplannen, die een einde
maken aan de schendingen. Alle VN-vredesbewarende operaties en
VN-landenteams wordt opgedragen die groepen bij te staan in het
uitwerken van de actieplannen. Hiertoe werden monitoring and
reporting task forces opgezet met experts van UNICEF, het
Department of Peacekeeping Operations (DPKO), het
VN-Commissariaat voor vluchtelingen (UNHCR), het UNDP en een
aantal centrale NGO’s. Die task forces brengen
verslag aan de door resolutie 1612 opgezette werkgroep Kinderen
en gewapende conflicten van de Veiligheidsraad, waarin ook België
vanaf januari 2007 deel zal uitmaken als niet-permanent lid.
Mogelijk zal ons land de werkgroep zelfs voorzitten. Hierbij
wordt ook nauw samengewerkt met de speciale vertegenwoordiger van
de secretaris-generaal voor de problematiek van kinderen en
gewapende conflicten.
België zal actief meewerken aan
de verdere operationalisering van een toolkit die begin
september 2006 werd goedgekeurd. Dat is een lijst van
maatregelen die de werkgroep kan nemen in opvolging van een
specifiek landenrapport met inbegrip van aanbevelingen aan de
Veiligheidsraad zelf. Deze maatregelen gaan van assistentie,
bijvoorbeeld capacity building, demarches, verbeteringen
van de monitoring, bijsturing of versterking van onder meer
vredesoperaties tot de zogenaamde ‘andere maatregelen’,
zoals het doorspelen van informatie uit de werkgroep naar de
bestaande sanctiecomités.
|
|
Mme Margriet
Hermans (VLD). – Je me réjouis que le ministre
s’engage personnellement et qu’il ait été
convenu avec de nombreux acteurs de s’attaquer au problème.
Cela reste en effet nécessaire.
|
Mevrouw Margriet Hermans
(VLD). – Ik ben blij dat de minister zich persoonlijk
engageert en dat er heel wat actoren werden aangesproken om de
problematiek aan te pakken, want dat blijft noodzakelijk.
|
|
Question
orale de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première
ministre et ministre de la Justice sur «l’insuffisance
des effectifs mis à la disposition des tribunaux
d’application des peines» (nº 3-1240)
|
Mondelinge
vraag van de heer Hugo Vandenberghe aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie over «de
ontoereikende personeelsbezetting voor de
strafuitvoeringsrechtbanken» (nr. 3-1240)
|
|
Question
orale de Mme Clotilde Nyssens à la vice-première
ministre et ministre de la Justice sur «les moyens qui
seront alloués aux tribunaux d’application des
peines» (nº 3-1242)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Clotilde Nyssens aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie over «de
middelen die zullen worden toegekend aan de
strafuitvoeringsrechtbanken» (nr. 3-1242)
|
|
Mme la présidente.
– Je vous propose de joindre ces questions orales.
(Assentiment)
M. Christian Dupont, ministre
de la Fonction publique, de l’Intégration sociale,
de la Politique des grandes villes et de l’Égalité
des chances, répondra.
|
De voorzitter. – Ik
stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)
De heer Christian Dupont,
minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie,
Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, antwoordt.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Je proteste formellement
contre le fait que, comme la semaine dernière, la ministre
de la Justice n’est pas là pour répondre à
nos questions. On la voit sans cesse à la télévision
mais elle n’a pas de temps à consacrer au Sénat,
un organe élu constitutionnellement. J’aurais aimé
que la présidente du Sénat se montre plus énergique
et exige que le gouvernement respecte notre institution.
L’attitude du gouvernement ne changera plus au cours de
cette législature. Ce gouvernement manque totalement
d’esprit démocratique. Je ne poserai donc pas ma
question.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Ik protesteer formeel tegen
het feit dat, net zoals vorige week, de minister van Justitie
niet aanwezig is om onze vragen te beantwoorden. De minister van
Justitie is voortdurend op televisie te zien, maar voor de
Senaat, een gekozen constitutioneel orgaan, heeft ze geen tijd.
Ik had van de voorzitter van de Senaat meer daadkracht verwacht
in de eis om respect van de regering voor deze instelling. In
deze regeerperiode zal de houding van de regering niet meer
veranderen. Deze regering heeft een totaal gebrek aan
democratische ingesteldheid. Ik zal mijn vraag dan ook niet
stellen.
|
|
Mme Clotilde Nyssens (CDH).
– Je me trouve dans le même état d’esprit
que M. Vandenberghe. Nous pouvons effectivement nous
demander si nous vivons dans une démocratie des médias
parce que la problématique des tribunaux d’application
des peines me semble cruciale. Après tous ces faits divers
qui ont fait couler autant d’encre que de sang, les
citoyens attendent des réponses concrètes.
Le dialogue ne sera certainement pas
possible aujourd’hui mais j’ai quand même envie
de poser ma question pour connaître à tout le moins
ce que contient la réponse écrite de la ministre de
la Justice.
Le Conseil supérieur de la
Justice, qui a présenté son rapport hier, a été
créé, non pour rendre des avis, mais pour jouer son
rôle d’organe constitutionnel entre les pouvoirs
législatif, exécutif et judiciaire. Je poserai donc
ma question, par respect pour ce conseil et surtout pour tous
ceux qui se trouvent dans nos prisons et qui voudraient en savoir
plus sur leur sort, soit à quelle sauce ils vont être
mangés.
|
Mevrouw Clotilde
Nyssens (CDH). – Ik ben het eens met
de heer Vandenberghe. We kunnen ons inderdaad afvragen
of we in een mediademocratie leven. De problematiek van de
strafuitvoeringsrechtbanken is fundamenteel. Na alle faits
divers die evenveel inkt als bloed deden vloeien, verwachten
de mensen concrete antwoorden.
Vandaag zullen
we hierover zeker niet van gedachten kunnen wisselen, maar toch
zou ik mijn vraag willen stellen, al was het maar om de inhoud te
kennen van het schriftelijke antwoord van de minister.
De Hoge Raad
voor de Justitie werd niet opgericht om adviezen uit te brengen,
maar wel als een grondwettelijke orgaan tussen de uitvoerende, de
wetgevende en de rechterlijke macht. Uit eerbied voor de Raad en
voor al wie in de gevangenis meer wil weten over het lot dat hem
of haar is beschoren, stel ik dus mijn vraag.
|
|
Mme la présidente.
– Il va de soi que je transmettrai à Mme la
ministre les sentiments formulés par M. Vandenberghe.
|
De
voorzitter. – Het spreekt vanzelf dat ik mevrouw de
minister zal inlichten over de mening van de heer Vandenberghe.
|
|
M. Hugo Vandenberghe (CD&V).
– Les sentiments, nous en avons tous. Ce sont les actes qui
comptent.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Wij hebben allemaal een
mening. Wat telt zijn daden.
|
|
Mme Clotilde Nyssens (CDH).
– Le Conseil supérieur de la Justice a donc
présenté, ce mercredi, son rapport 2005. Il se
montre particulièrement dubitatif quant à la mise
en application prochaine des TAP, soit des tribunaux
d’application des peines. Il craint en effet que ceux-ci ne
soient rapidement surchargés. Ils devront, relève-t-il,
traiter un nombre accru de dossiers, sans réels moyens
supplémentaires. Même l’annonce d’une
augmentation du nombre des chambres – de six à neuf,
dont trois seraient – et je pose la question –
situées à Liège, décidée par
le gouvernement lors du bouclage du budget 2007 ne rassure pas le
Conseil supérieur de la Justice.
Selon un membre du bureau cité
dans la presse de ce matin, « l’augmentation du
volume des tâches sera de 70% et ne concernerait pas
seulement les magistrats. Les services sociaux devront, eux
aussi, être renforcés ».
Tout d’abord, disposez-vous
déjà d’un cadre complet de magistrats et
d’assesseurs ? En outre, le budget sera-t-il
suffisant, étant donné, notamment, les compétences
prévues en matière de défense sociale ?
Ensuite, il est question d’une
entrée en vigueur en plusieurs étapes. Ces étapes
sont-elles déjà clairement établies ?
Si oui, pouvez-vous nous les préciser ?
Enfin, la déclaration
gouvernementale prévoit que les personnes mises à
disposition du gouvernement seront aussi suivies par les TAP.
Qu’en est-il de cette réforme et de son
applicabilité ?
|
Mevrouw Clotilde
Nyssens (CDH). – De Hoge Raad voor de Justitie heeft
woensdag zijn verslag 2005 voorgesteld. Hij heeft heel wat
bedenkingen bij de strafuitvoeringsrechtbanken. Hij vreest immers
dat ze snel overbelast zullen zijn. Ze zullen een veel groter
aantal zaken moeten behandelen zonder dat ze daarvoor extra
middelen krijgen. Zelfs de verhoging van het aantal kamers van
zes naar negen waartoe de regering op het einde van de
begrotingsronde 2007 heeft besloten, stelt de Hoge Raad voor de
Justitie niet gerust.
Volgens een
lid van het bureau dat wordt geciteerd in de media, zou het
takenpakket met 70% stijgen, en dat niet alleen voor de
magistraten. Ook de sociale diensten zullen versterkt moeten
worden.
Beschikt u al
over een volledige formatie magistraten en assessoren? Zal de
begroting volstaan om de bevoegdheden inzake sociaal verweer in
te vullen?
Verder is er
sprake van een stapsgewijze inwerkingtreding. Zijn die stappen al
duidelijk uitgewerkt? Zo ja, kunt u ze detailleren?
Tot slot
zullen volgens de beleidsverklaring personen die ter beschikking
worden gesteld van de regering ook door een
strafuitvoeringsrechtbank worden gevolgd. Hoe ver staat het met
die hervorming en met de uitvoering ervan?
|
|
M. Christian Dupont,
ministre de la Fonction publique, de l’Intégration
sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité
des chances. – Je voudrais tout d’abord excuser
Mme la ministre de la Justice, retenue à la Chambre.
|
De heer Christian
Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke
Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. – Eerst en
vooral zou ik mevrouw de minister willen verontschuldigen.
Ze is verhinderd wegens verplichtingen in de Kamer.
|
|
M. Hugo Vandenberghe (CD&V).
– Pourquoi toujours la Chambre ? Nous sommes aussi des
élus. Ce gouvernement fait preuve d’arrogance.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Waarom altijd de Kamer? Ook
wij zijn verkozen. De regering is arrogant.
|
|
Tout débat
devient impossible par l’absence du ministre responsable.
Madame la
présidente, vous devriez mettre tout en œuvre pour
que nous puissions mener ici un véritable débat.
|
Elk debat wordt onmogelijk door de
afwezigheid van de verantwoordelijke minister.
Mevrouw de voorzitter, u zou
alles in het werk moeten stellen opdat we hier een echt debat
zouden kunnen voeren.
|
|
M. Christian Dupont,
ministre de la Fonction publique, de l’Intégration
sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité
des chances. – Je vous lis la réponse de la
ministre.
Les tribunaux d’application
des peines seront effectivement installés le
1er février 2007. En proposant cette
loi au parlement, l’ensemble du gouvernement s’est
engagé à donner aux TAP les moyens nécessaires
à leur bon fonctionnement. Je peux vous affirmer au nom de
Mme la ministre de la Justice que tel sera bien le cas. Il a
été indiqué à plusieurs reprises lors
des débats parlementaires concernant la loi du 17 mai 2006
définissant le statut externe des condamnés que
celle-ci entrerait en vigueur en deux grandes étapes. La
première étape concernera uniquement les modalités
d’exécution des peines de plus de trois ans.
Ce n’est que dans un second
temps, au plus tôt en janvier 2008, que tout ce qui
concerne les peines de moins de trois ans entrera en application.
Or, il faut savoir que l’augmentation très
importante de la charge de travail dont parle le Conseil
supérieur de la justice concernera essentiellement les
peines de moins de trois ans et n’entrera donc pas en
vigueur en 2007.
Les tribunaux d’application
des peines vont, dans un premier temps, reprendre les missions
actuelles des commissions de libération conditionnelle, en
y ajoutant, mais uniquement pour ce qui concerne les peines de
plus de trois ans, la détention limitée, la
surveillance électronique et les libérations en vue
de l’éloignement du pays. Il y aura donc bien un
accroissement de la charge de travail par rapport aux missions
des commissions de libération conditionnelle mais cette
augmentation a été prise en considération
dès le début de l’année 2007, le
nombre de chambres passant de six à neuf. Il faut rappeler
qu’il y a actuellement six commissions de libération
conditionnelle. Cela constitue donc une augmentation de 50% de
personnel et de budget.
La ministre de la Justice tient
également à souligner que le passage de six à
neuf chambres n’est en rien lié à
l’intégration des commissions de défense
sociale au sein des tribunaux d’application des peines.
Cette éventuelle intégration nécessitera
d’autres moyens budgétaires, lesquels ont été
demandés et obtenus lors du récent conclave
budgétaire.
Par ailleurs, les TAP disposeront
d’un soutien administratif plus important que les
commissions de libération conditionnelle. En effet, chaque
commission dispose actuellement de deux personnes pour remplir
les tâches administratives, alors que chaque chambre des
tribunaux d’application des peines disposera d’un
greffier adjoint et d’un employé et que le ministère
public auprès du tribunal d’application des peines
disposera, lui aussi, d’un secrétaire adjoint. De
plus, nous avons proposé un nouveau contrat au sein de
l’ordre judiciaire aux employés contractuels des
actuelles commissions. Cela nous permettra de garder l’expérience
acquise par ces derniers.
Enfin, dès l’entrée
en vigueur des tribunaux d’application des peines, ceux-ci
disposeront également d’un nouvel outil
informatique, le Surtap, qui leur permettra une gestion et un
suivi plus efficaces des dossiers. Les moyens nécessaires
ont également été obtenus lors de
l’élaboration du budget 2007 pour renforcer les
équipes psychosociales des établissements
pénitentiaires, ainsi que pour engager les assistants de
justice qui seront nécessaires en vue de l’application
de la nouvelle loi, tant pour le volet information des victimes
que pour la guidance des auteurs.
La mise en place des tribunaux
d’application des peines constituera une étape
marquante de notre histoire judiciaire et la ministre de la
Justice partage avec tous les acteurs concernés le souci
de réussir la mise en œuvre de cette loi. C’est
la raison pour laquelle, en plus des moyens budgétaires
supplémentaires obtenus, une concertation permanente a
également été mise sur pied avec l’ensemble
des acteurs concernés et, plus spécialement, les
magistrats des actuelles commissions de libération
conditionnelle afin de préparer au mieux l’entrée
en vigueur de ces nouveaux tribunaux. Une nouvelle réunion
est par ailleurs programmée ce vendredi.
Voilà les réponses de
la ministre de la Justice qui, me semble-t-il, sont de nature à
répondre à vos préoccupations.
|
De heer Christian
Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke
Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. – Ik lees
het antwoord van de minister.
Op
1 februari 2007 zullen de strafuitvoeringsrechtbanken
daadwerkelijk opgericht worden. Door de wet bij het Parlement in
te dienen heeft heel de regering zich ertoe verbonden om de
middelen ter beschikking te stellen die de
strafuitvoeringsrechtbanken nodig hebben om hun taak naar behoren
te vervullen. Namens de minister van Justitie kan ik bevestigen
dat dit wel degelijk het geval zal zijn. Tijdens de bespreking
van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe
rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf werd
meer dan eens gesteld dat ze in twee fasen in werking zou treden.
De eerste fase betreft de uitvoeringsbepalingen van straffen van
meer dan drie jaar.
De zeer
aanzienlijke toename van de werklast waarnaar de Hoge Raad van
Justitie verwijst, heeft vooral te maken met de straffen van
minder dan drie jaar. De bepalingen in verband met die straffen
worden echter pas in een tweede fase en ten vroegste begin 2008
uitgevoerd.
In een eerste
fase nemen de strafuitvoeringsrechtbanken de huidige opdrachten
van de commissies voor voorwaardelijke invrijheidstelling over.
Daarnaast zullen ze, voor zover het straffen van meer dan drie
jaar betreft, ook bevoegd zijn voor de beperkte detentie, het
elektronisch toezicht en de invrijheidstellingen met het oog op
de verwijdering uit het land. De werklast zal dus wel degelijk
toenemen, maar begin 2007 stijgt ook het aantal kamers van zes
naar negen. Momenteel zijn er slechts zes commissies voor
voorwaardelijke invrijheidstelling. Het personeel en de begroting
nemen dus met 50% toe.
De minister
van Justitie wenst tevens te beklemtonen dat de overgang van zes
naar negen kamers geen enkel verband houdt met de opname van de
commissies voor de bescherming van de maatschappij in de
strafuitvoeringsrechtbanken. Voor die eventuele opname zijn er
extra financiële middelen nodig, die gevraagd en toegekend
werden tijdens het jongste begrotingsconclaaf.
De
strafuitvoeringsrechtbanken zullen overigens kunnen rekenen op
een meer uitgebreide administratieve ondersteuning dan de
commissies voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Terwijl elke
commissie vandaag over twee administratieve krachten beschikt,
zal elke kamer van de strafuitvoeringsrechtbanken over een
adjunct-griffier en een bediende beschikken en het openbaar
ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank over een
adjunct-secretaris. Bovendien hebben we de contractuele bedienden
van de huidige commissies een nieuw contract aangeboden zodat hun
ervaring niet verloren gaat.
Van bij hun
oprichting zullen de strafuitvoeringsrechtbanken kunnen
beschikken over het nieuwe softwareprogramma ‘Surtap’
om de dossiers efficiënter te beheren en te volgen. De
begroting 2007 voorziet ook in de vereiste middelen om de
psychosociale equipes van de strafinrichtingen te versterken en
om de justitieassistenten in dienst te nemen die met toepassing
van de nieuwe wet nodig zullen zijn om de slachtoffers voor te
lichten en de daders te begeleiden.
De oprichting
van de strafuitvoeringsrechtbanken vormt een opmerkelijke
mijlpaal in onze gerechtelijke geschiedenis en de minister van
Justitie deelt met alle betrokken actoren de zorg om de
uitvoering van de wet tot een goed einde te brengen. Om die reden
werd er naast extra financiële middelen ook voorzien in een
permanent overleg met alle betrokken actoren, meer in het
bijzonder met de magistraten van de huidige commissie voor
voorwaardelijke invrijheidstelling, om de inwerkingtreding van de
strafuitvoeringsrechtbanken zo goed mogelijk voor te bereiden.
Vrijdag is overigens een nieuwe vergadering gepland.
Tot daar de
antwoorden van de minister van Justitie. In mijn ogen komen ze
tegemoet aan de bezorgdheid van de vraagstellers.
|
|
Mme Clotilde Nyssens (CDH).
– Je prends acte de la lecture de la réponse.
|
Mevrouw Clotilde
Nyssens (CDH). – Ik neem akte van de voorlezing van het
antwoord.
|
|
Question
orale de Mme Anke Van dermeersch à la
vice-première ministre et ministre de la Justice sur
«l’absence d’assesseurs lors des élections
du 8 octobre et les électeurs qui ne se sont pas
présentés au bureau de vote» (nº 3-1243)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Anke Van dermeersch aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie over «de
afwezigheden van bijzitters op 8 oktober 2006 en de
niet-opgedaagde kiezers» (nr. 3-1243)
|
|
Mme la présidente.
– M. Christian Dupont, ministre de la Fonction
publique, de l’Intégration sociale, de la Politique
des grandes villes et de l’Égalité des
chances, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken,
Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen,
antwoordt.
|
|
Mme Anke
Van dermeersch (VL. BELANG). – En vertu de
l’article 95 du Code électoral, celui qui, sans
cause légitime, s’abstient de remplir la fonction
d’assesseur est passible d’une forte amende.
En Belgique,
le vote est obligatoire mais de nombreux électeurs ne se
présentent pas au bureau de vote. Les articles 207 à
210 du Code électoral prévoient pourtant des
sanctions pénales.
Combien de
médecins légistes les parquets ont-ils envoyé,
le dimanche 8 octobre 2006, chez des assesseurs portés
malades ? Le ministre peut-il ventiler ce chiffre par
arrondissement judiciaire ou par parquet ?
Combien
d’absents ont-ils subi un contrôle pour vérifier
s’ils n’étaient pas en état de remplir
leur devoir ?
Dans combien
de cas les médecins légistes ont-ils constaté
que l’intéressé était réellement
malade ?
Combien de
personnes contrôlées ont-elles refusé de se
faire examiner par le médecin légiste ?
Combien de
rapports médicaux ont-ils été transmis aux
parquets ?
Des
propositions d’arrangement à l’amiable
ont-elle déjà été formulées ?
Dans l’affirmative, combien ?
Quelle a été
l’attitude à l’égard des électeurs
qui ne se sont pas présentés au bureau de vote ?
|
Mevrouw Anke Van dermeersch
(VL. BELANG). – Artikel 95 van de kieswet
luidt als volgt: ‘Wie zonder wettige reden afwezig blijft
als bijzitter van een kiesbureau, maakt zich schuldig aan een
misdrijf dat beteugeld wordt met een geldboete tussen 2.750 en
11.000 euro.’
In België bestaat er
stemplicht, maar desondanks komen heel wat kiezers niet opdagen.
De artikelen 207 tot 210 van het Kieswetboek voorzien
nochtans in een aantal strafbepalingen ter zake.
Van de minister had ik graag
vernomen hoeveel wetsdokters de parketten op zondag
8 oktober 2006 hebben uitgestuurd om zieke bijzitters
die niet opdaagden te controleren? Kan hij dat cijfer uitsplitsen
per gerechtelijk arrondissement of parket?
Bij hoeveel afwezigen werd
gecontroleerd of ze al dan niet in staat waren hun plicht na te
komen?
In hoeveel gevallen stelde de
wetsdokters vast dat de betrokkene daadwerkelijk ziek was?
Hoeveel gecontroleerden weigerden
zich te laten onderzoeken door de wetsdokter?
Hoeveel medische verslagen werden
overgelegd aan de parketten?
Werden al voorstellen tot minnelijke
schikking getroffen? Zo ja, hoeveel?
Welke houding wordt aangenomen ten
aanzien van kiezers die niet zijn komen opdagen?
|
|
M. Christian
Dupont, ministre de la Fonction publique, de l’Intégration
sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité
des chances. – Je vous lis la réponse de la ministre
Onkelinx.
Comme les
élections ont eu lieu le 8 octobre 2006, il est
impossible d’avoir les données chiffrées très
détaillées que demande la sénatrice.
Je lui propose
de reposer sa question ultérieurement ou de la poser par
écrit. Puisqu’il s’agit de données
chiffrées, cette dernière solution est sans doute
la meilleure.
|
De heer Christian
Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke
Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. – Ik lees
het antwoord van de minister.
De verkiezingen vonden pas plaats op
8 oktober 2006. Het is dus onmogelijk om de zeer
gedetailleerde cijfergegevens die de senator vraagt, nu al ter
beschikking te stellen.
Ik stel voor dat zij haar vraag op
een nuttiger tijdstip stelt of dat ze deze omvormt tot een
schriftelijke vraag. Aangezien het om gedetailleerde
cijfergegevens gaat, is de laatste oplossing wellicht de beste.
|
|
Mme Anke
Van dermeersch (VL. BELANG). – Une telle réponse
ne m’avance à rien puisque jamais je ne reçois
de réponse à mes questions écrites dans
l’année.
|
Mevrouw Anke Van dermeersch
(VL. BELANG). – Met zulk een antwoord sta ik geen
stap verder, want op mijn schriftelijke vragen wordt nooit binnen
het jaar geantwoord.
|
|
Question
orale de M. Stefaan Noreilde à la vice-première
ministre et ministre de la Justice sur «les nouveaux
établissements réservés aux délinquants
psychiatriques» (nº 3-1246)
|
Mondelinge
vraag van de heer Stefaan Noreilde aan de
vice-eersteminister en minister van Justitie over «de
nieuwe instellingen voor psychiatrische delinquenten»
(nr. 3-1246)
|
|
Mme la présidente.
– M. Christian Dupont, ministre de la Fonction
publique, de l’Intégration sociale, de la Politique
des grandes villes et de l’Égalité des
chances, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken,
Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen,
antwoordt.
|
|
M. Stefaan
Noreilde (VLD). – Dans sa déclaration, le
gouvernement a annoncé une nouvelle série de
mesures en matière d’internement des délinquants
psychiatriques. Il est évident que ceux-ci ne sont pas à
leur place en prison. C’est pourquoi ces mesures
constituent un progrès important et nécessaire. De
plus, elles permettront de libérer 800 places dans les
prisons. Huit cents lits d’hôpital supplémentaires
seront créés dans le cadre de l’internement
de délinquants psychiatriques qui ne représentent
aucun risque ou un risque minime pour la société.
Dans un
premier temps, les internés dangereux resteront incarcérés
en prison. Par la suite, ils recevront chacun une des 250 places
attribuées au nouvel établissement pour délinquants
psychiatriques à Gand ou une des 150 places d’Anvers.
La ministre
pourrait-elle me dire combien de délinquants
psychiatriques sont actuellement incarcérés en
prison ? Bénéficient-ils d’un
accompagnement supplémentaire en attendant d’être
transférés ? Un montant a-t-il été
prévu à cet effet au budget ?
Les sites
destinés aux nouveaux établissements à Gand
et à Bruxelles ont-ils déjà été
définitivement attribués ? Dans l’affirmative,
quels sont-ils ? Quand ouvrira-t-on ces établissements ?
Quels montants
a-t-on prévus au budget pour ces nouveaux instituts ?
Engagera-t-on du nouveau personnel ou est-il seulement question
d’en déplacer ? Combien d’équivalents
temps plein seront affectés à chaque
établissement ?
|
De heer Stefaan
Noreilde (VLD). – De regering kondigde in haar
beleidsverklaring een nieuw pakket maatregelen aan inzake de
internering van psychiatrische delinquenten. Het spreekt voor
zich dat die mensen in een gevangenis niet op hun plaats zitten.
De regering doet hiermee dan ook een positieve en noodzakelijke
stap vooruit. Bovendien zouden op die manier 800 plaatsen
vrijkomen in de gevangenissen. In plaats van te verdwijnen, komen
er immers 800 ziekenhuisbedden bij, bestemd voor de
internering van psychiatrische delinquenten die geen of slechts
een gering risico voor de samenleving betekenen.
De gevaarlijke geïnterneerden
blijven eerst nog een periode in de gevangenis opgesloten. Later
krijgen ze een van de 250 plaatsen toegewezen in de nieuwe
instelling voor psychiatrische delinquenten te Gent of een van de
150 in die te Antwerpen.
Van de minister had ik graag
vernomen hoeveel psychiatrische delinquenten vandaag in de
gevangenis zitten? Worden ze in de periode van vandaag tot aan
hun overplaatsing extra begeleid? Is hiervoor een extra bedrag op
de begroting uitgetrokken?
Zijn de locaties voor de nieuwe
instellingen in Gent en Antwerpen reeds definitief toegewezen. Zo
ja, waar? Voor wanneer is de opening van die instellingen
gepland?
Welke bedragen zijn er voor de
nieuwe instellingen op de begroting uitgetrokken? Zal nieuw
personeel worden in dienst genomen of is er enkel sprake van
verschuivingen? Over hoeveel voltijdse equivalenten per
instelling gaat het?
|
|
M. Christian
Dupont, ministre de la Fonction publique, de l’Intégration
sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité
des chances. – Je vous lis la réponse de la ministre
Onkelinx.
Actuellement,
850 délinquants psychiatriques sont incarcérés
en prison : 500 en Flandre et 350 en Wallonie, dont 170 à
Paifve. Ils sont traités comme des détenus mais
depuis septembre 2006, j’ai mis sur pied des équipes
de soins multidisciplinaires dans chaque section psychiatrique de
la prison et dans la section de défense sociale. Ces
équipes de soins comprennent un psychologue, un assistant
social, un psychiatre, un ergothérapeute, un éducateur
et infirmier psychiatrique. J’ai libéré à
cette fin les budgets nécessaires.
À Gand,
l’attribution est définitive et le terrain sera
acheté par la Régie des Bâtiments cette année
encore. L’ouverture est prévue en 2009. I1 s’agit
du site Wondelgemse Meersen.
Pour Anvers,
c’est le site du Stuyvenberg qui a été
choisi. La transaction pourra avoir lieu et les travaux pourront
commencer dès que le déménagement de la
clinique actuelle du Stuyvenberg vers le nouveau campus
hospitalier Noord sera décidé.
Les
départements de la Santé publique et de la Justice
se concerteront quant au cadre du personnel. Ils s’inspireront
des normes utilisées pour le nouveau circuit des soins en
matière de personnel. L’objectif est d’avoir
un campus hospitalier sécurisé, disposant sur place
de personnel soignant et de surveillance.
|
De heer Christian
Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke
Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. – Ik lees
het antwoord van minister Onkelinx.
Momenteel zitten er
850 psychiatrische delinquenten in de gevangenis. Het gaat
om 500 geïnterneerden in Vlaanderen en 350 in Wallonië
waarvan 170 in Paifve. Tot voor kort werden de psychiatrische
delinquenten behandeld zoals gedetineerden, maar dat is sedert
september 2006 niet langer het geval. Ik heb immers
multidisciplinaire zorgequipes opgericht in de psychiatrische
afdelingen en in de afdelingen sociaal verweer van elke
gevangenis. Die equipes bestaan minimaal uit een psycholoog, een
maatschappelijk werker, een psychiater, een ergotherapeut, een
opvoeder en een psychiatrisch verpleegkundige. Ik heb de hiervoor
vereiste bedragen op de begroting vrijgemaakt.
De ‘Wondelgemse Meersen’
zijn definitief toegewezen als locatie voor de instelling in Gent
en de Regie der Gebouwen zal de grond nog in 2006 aankopen. De
opening is gepland voor 2009.
In Antwerpen is de locatie
Stuyvenberg toegewezen. Zodra er duidelijkheid is over de
verhuizing van het Stuyvenbergziekenhuis naar de ziekenhuiscampus
Noord, kan de verkoop plaatsvinden en kan worden gestart met de
bouwwerken.
Over de invulling van de
personeelsformatie zullen de departementen Volksgezondheid en
Justitie overleg plegen. Ze zullen zich daarbij laten leiden door
de personeelsnormen in het zonet opgerichte zorgcircuit. Het is
de bedoeling om de ziekenhuiscampus te beveiligen; er zal dus
zowel verzorgend als bewakingspersoneel aanwezig zijn.
|
|
Question
orale de Mme Nele Jansegers au vice-premier ministre et
ministre de l’Intérieur sur «la résistance
croissante que les illégaux et les demandeurs d’asile
déboutés opposent à leur expulsion»
(nº 3-1244)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Nele Jansegers aan de vice-eersteminister
en minister van Binnenlandse Zaken over «het toenemende
verzet van illegalen en uitgeprocedeerde asielzoekers tegen hun
uitwijzing» (nr. 3-1244)
|
|
Mme Nele
Jansegers (VL. BELANG). – Voici quelques jours,
les journaux nous apprenaient que les demandeurs d’asile
déboutés et les illégaux opposent de plus en
plus de résistance à leur expulsion et se montrent
de plus en plus souvent agressifs envers leurs accompagnateurs.
Voici trois ans, il fallait recourir à la police dans un
cas sur vingt pour mener à bien une expulsion. Il
s’agirait à présent d’un cas sur dix.
Les syndicats
de police nous apprennent en même temps que les services de
police concernés subissent une forte pression. Non
seulement leur charge de travail a atteint un point de saturation
mais il est également question d’une hausse
draconienne du nombre d’accidents de travail et de la
pression psychologique importante que subissent les agents à
la suite des contrôle intensifs permanents dont ils font
l’objet.
Combien
d’accidents de travail a-t-on enregistrés ces
dernières années dans ce service de police et
est-il exact que le nombre d’accidents de travail est en
forte hausse ?
Le ministre
envisage-t-il de prendre des mesures pour briser ce cercle
vicieux et mettre ainsi un terme au malaise qui règne
depuis des années dans la politique d’éloignement ?
Si oui, lesquelles ?
Quelles sont
les mesures prises en vue d’alléger la charge pesant
sur les agents et d’assurer la sécurité des
agents dans l’accomplissement de leur mission ?
Quelles
compagnies aériennes rechignent-elles à rapatrier
les illégaux et que fait-on pour les ramener à de
meilleurs sentiments ? Combien de rapatriements ont-ils été
effectués par des vols charters spéciaux ?
A-t-on l’intention de recourir plus souvent à cette
procédure ?
|
Mevrouw Nele Jansegers
(VL. BELANG). – Enkele dagen terug mochten wij uit
de kranten vernemen dat er bij uitgeprocedeerde asielzoekers en
illegalen een toenemend verzet groeit tegen hun uitwijzing en dat
agressie tegenover hun begeleiders steeds frequenter wordt. Naar
verluidt was er drie jaar geleden in één op de 20
gevallen politiebegeleiding noodzakelijk om een uitwijzing tot
een goed einde te brengen. Nu zou die in één op de
tien gevallen nodig zijn.
Tegelijkertijd vernemen wij van de
politievakbonden dat de politiediensten die zich hiermee
bezighouden daardoor op verschillende vlakken onder zware druk
komen te staan. Er is sprake van een saturatiepunt wat de
werkdruk in het algemeen betreft, maar ook van een drastische
stijging van het aantal arbeidsongevallen en van zware
psychologische druk op de agenten ingevolge de intensieve en
permanente controles op hun werkzaamheden.
Hoeveel arbeidsongevallen werden er
de voorbije jaren bij deze politiedienst geregistreerd en is het
correct dat er een drastische stijging is van het aantal
arbeidsongevallen?
Overweegt de minister maatregelen te
nemen om deze vicieuze cirkel te doorbreken en een einde te
stellen aan de nu al jaren heersende malaise in het
uitwijzingsbeleid? Zo ja, welke?
Welke maatregelen worden er genomen
om de druk op de agenten te verlichten en om hun veiligheid
tijdens het uitvoeren van hun werk te verzekeren?
Welke vliegtuigmaatschappijen staan
weigerachtig om illegalen terug naar hun land van herkomst te
vervoeren en wordt er iets ondernomen om deze maatschappijen op
betere gedachten te brengen? Hoeveel uitwijzingen gebeurden met
speciale chartervluchten? Zal hier meer gebruik van worden
gemaakt?
|
|
M. Patrick
Dewael, vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur.
– La police de l’aéroport de Zaventem confirme
en effet une multiplication des accidents de travail parmi le
personnel chargé des rapatriements. Cette tendance s’est
entre-temps arrêtée après la prise d’une
série de nouvelles mesures en exécution des
recommandations de la commission Vermeersch. En 2005, on avait
enregistré 17 accidents de travail. En septembre de cette
année, on en dénombre dix. La police fédérale
conteste énergiquement l’augmentation du recours à
la force annoncée dans la presse. Les informations dont je
dispose à l’heure actuelle ne correspondent pas à
ce que j’ai lu dernièrement dans un certain nombre
de journaux.
De nombreuses
mesures ont été prises. Les recommandations de la
commission Vermeersch concernant la police ont fait l’objet
d’une directive ad hoc. En autorisant l’emploi de
ceintures spéciales et de techniques particulières,
on a permis de réduire le recours à la force à
l’encontre des récalcitrants. De ce fait, les
policiers courent moins de risques d’être blessés.
De nombreux
efforts ont également été faits pour
améliorer l’encadrement des policiers dans
l’accomplissement des tâches ingrates qui leur sont
confiées. Les conditions dans lesquelles cette mission
doit se dérouler ont été optimalisées,
tant pour les policiers que pour les personnes à
rapatrier. Lors des travaux de la commission Vermeersch, j’ai
rencontré à plusieurs reprises les intéressés
et leurs représentants. Les accords concrets qui s’en
sont suivis ont été mis en pratique.
Aucune
compagnie aérienne ne refuse de manière générale
les rapatriements d’illégaux. Dans certains cas,
l’éloignement ne peut se dérouler via un vol
commercial en raison de la rébellion de l’intéressé.
Le commandant de bord refuse alors souvent de laisser monter la
personne à bord de son appareil. On doit opter pour un vol
« sécurisé ». Mes services
ont déjà organisé 14 vols de ce type cette
année et ils ont aussi participé à un vol
sécurisé organisé par la Grande-Bretagne.
Quelque 133 personnes ont été rapatriées de
cette manière.
J’essaie
dans la mesure du possible de favoriser les retours volontaires.
Lorsqu’un étranger refuse ce retour, il ne reste
d’autre choix que d’imposer le respect de la loi. Le
nombre de vols sécurisés ne peut augmenter que si
toutes les autres options ont échoué.
|
De heer Patrick Dewael,
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. –
De luchtvaartpolitie van Zaventem bevestigt dat er inderdaad een
stijging werd vastgesteld van het aantal arbeidsongevallen bij
het personeel van de dienst die voor repatriëringen instaat.
Die tendens is inmiddels gestopt nadat in uitvoering van de
aanbevelingen van de commissie-Vermeersch een aantal nieuwe
maatregelen werden getroffen. In 2005 werden er 17
arbeidsongevallen geregistreerd. Tot en met september van dit
jaar staat de teller op 10. De in de pers aangekondigde stijging
van het gebruik van dwang wordt door de Federale Politie ten
stelligste tegengesproken. De informatie waar ik momenteel over
beschik strookt niet met wat recent in een aantal kranten werd
geschreven.
Er zijn al heel wat maatregelen
genomen. Ik verwees al naar de aanbevelingen van de
commissie-Vermeersch met betrekking tot de politie die vertaald
werden in een aangepaste richtlijn. Ik geef u een concreet
voorbeeld. De toelating om gebruik te maken van speciale gordels
en van bepaalde technieken heeft ertoe geleid dat er minder
geweld moet worden gebruikt tegenover eventuele weerspannige
personen. Hierdoor lopen de politiemensen veel minder kans op een
persoonlijk letsel.
Er werden ook heel wat inspanningen
geleverd om de ondankbare en miskende taak waarmee de overheid
deze mensen belast beter te omkaderen. Er werd voor gezorgd dat
de omstandigheden waarin die taak moet worden uitgevoerd zowel
voor hen als voor de te repatriëren personen zo optimaal
mogelijk zijn. Ter gelegenheid van de werkzaamheden van de
commissie-Vermeersch heb ik de betrokkenen en hun
vertegenwoordigers meermaals ontmoet. Dat leidde tot concrete
afspraken die ook in de praktijk zijn uitgevoerd.
Er zijn geen
luchtvaartmaatschappijen die op algemene wijze weigeren om
illegalen terug te brengen naar hun land van herkomst. In
individuele gevallen kan een verwijdering met een commerciële
vlucht soms niet doorgaan, wegens het verzet van de te
verwijderen persoon. Dan weigert de boordcommandant de betrokkene
immers vaak de toegang tot zijn toestel. Indien het vertrek met
een gewone lijnvlucht niet mogelijk is, wordt er geopteerd voor
een ‘beveiligde’ vlucht. Mijn diensten organiseerden
dit jaar al 14 dergelijke vluchten en namen ook deel aan een
beveiligde vlucht georganiseerd door Nederland en een beveiligde
vlucht georganiseerd door Groot-Brittannië. Op die manier
werden 133 personen ook effectief gerepatrieerd.
Ik probeer zoveel mogelijk de
vrijwillige terugkeer te stimuleren. Wanneer een vreemdeling niet
vrijwillig wil vertrekken, rest er geen andere keuze dan de
naleving van de wet effectief af te dwingen. Het aantal
beveiligde vluchten kan alleen worden verhoogd als alle andere
opties falen.
|
|
Mme Nele
Jansegers (VL. BELANG). – Le porte-parole du SNPS,
Willy Baugniet, a déclaré au quotidien Het
Belang van Limburg du 16 octobre que le rapport
Vermeersch demeure intact et qu’un certain nombre de
nouvelles mesures coercitives sont en effet mises en œuvre
mais que par exemple, l’utilisation de la ceinture
française recommandée par le rapport n’est
pas encore réglée par la loi. Le ministre vient de
dire qu’une directive réglemente son utilisation et
j’aimerais avoir des précisions à ce propos.
|
Mevrouw Nele Jansegers
(VL. BELANG). – In Het Belang van Limburg
van 16 oktober zegt NSPV-woordvoerder Willy Baugniet dat het
rapport-Vermeersch voorlopig onaangeroerd blijft en dat er
inderdaad een aantal nieuwe dwangmiddelen in gebruik zijn, maar
dat bijvoorbeeld het gebruik van de Franse gordel in het rapport
wel wordt aanbevolen maar nog niet wettelijk geregeld is. De
minister zegt zojuist dat het gebruik ervan werd vastgelegd in
een richtlijn. Ik zou daarover graag meer duidelijkheid krijgen.
|
|
M. Patrick
Dewael, vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur.
– Toutes les recommandations de la commission Vermeersch
sont actuellement mises en œuvre. Il y a en effet davantage
d’escortes mais cela ne veut pas dire que la résistance
augmente et qu’on recourt davantage à la force. Ce
n’est qu’une conséquence de la mise en œuvre
des recommandations de la commission Vermeersch, laquelle a en
effet conseillé une plus grande prudence. Cela signifie
qu’il faut prévoir une escorte si la sécurité
ne peut être assurée par un vol régulier.
C’était d’ailleurs ce que demandait le
syndicat de police, représenté dans la commission
Vermeersch.
Le détachement
de la police fédérale de Zaventem a obtenu, comme
il le demandait, un ballon d’oxygène. Le budget 2007
lui alloue en effet 32 agents supplémentaires.
|
De heer Patrick Dewael,
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. –
Al de aanbevelingen van de commissie-Vermeersch worden thans in
uitvoering gebracht. Er zijn wel meer escortes, maar dat betekent
niet dat er meer verzet en meer geweld zou zijn. Dat is alleen
het gevolg van het feit dat de aanbevelingen van de
commissie-Vermeersch worden uitgevoerd. De commissie-Vermeersch
heeft immers aanbevolen meer voorzichtigheid aan de dag te
leggen. Dat betekent dat wanneer de veiligheid niet kan worden
gewaarborgd in een lijnvlucht, er moet worden overgegaan tot een
escorte. Dat was ook de vraag van de politievakbond, die
vertegenwoordigd is in de commissie-Vermeersch.
Het detachement federale politie in
Zaventem krijgt meer ademruimte, zoals gevraagd. In de begroting
2007 worden in totaal 32 extra agenten toegewezen aan dit
detachement.
|
|
Question
orale de M. Lionel Vandenberghe au ministre de la Fonction
publique, de l’Intégration sociale, de la Politique
des grandes villes et de l’Égalité des
chances sur «le développement annoncé du
baromètre de la tolérance» (nº 3-1245)
|
Mondelinge
vraag van de heer Lionel Vandenberghe aan de minister
van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie,
Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de aangekondigde
tolerantiebarometer» (nr. 3-1245)
|
|
M. Lionel
Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Le 27 octobre 2004,
j’avais interrogé le ministre sur la réalisation
de la vaste étude sur le succès de l’extrême
droite, étude qu’il avait annoncée dans les
médias. Six mois plus tard, le 23 mai 2006, le
ministre m’a fait part de la nécessité de
disposer d’un véritable baromètre de la
tolérance. Pratiquement tous les acteurs concernés
plaident en faveur d’un tel instrument de recherche qui
permettrait de mesurer l’évolution de la tolérance
dans les quartiers et qui servirait, le cas échéant,
de signal d’alarme.
En ce début
d’année parlementaire, je voudrais à nouveau
interroger le ministre sur le développement de ce
baromètre. L’arrestation le 7 septembre 2006,
pour xénophobie et détention d’armes, de 19
individus d’extrême droite issus de Bloed, Bodem,
Eer en Trouw et la progression des partis d’extrême
droite aux dernières élections communales dans
plusieurs communes flamandes et wallonnes, montrent bien que ce
problème est plus que jamais d’actualité.
Quel institut
de recherche a-t-il été chargé du
développement de ce baromètre de la tolérance ?
Où en est cette recherche ?
Ce baromètre
sera-t-il utilisé en dehors des villes ?
Étudie-t-on
également les solutions spécifiques qui pourraient
être mises en œuvre si un niveau d’intolérance
alarmant était atteint, afin que le baromètre
puisse être un véritable instrument politique pour
les nouveaux dirigeants des villes et des communes ?
|
De heer Lionel
Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Op 27 oktober 2004
heb ik de minister een schriftelijke vraag gesteld over de
grootschalige studie naar het succes van extreem rechts die hij
in de media had aangekondigd. Op 23 mei 2006, anderhalf
jaar later, antwoordde de minister mij dat er nood is aan een
echte tolerantiebarometer. Ook de betrokken actoren pleiten
nagenoeg unaniem voor zo’n onderzoeksinstrument, waarmee
onderzoekers de evolutie van tolerantie in de wijken kunnen meten
en dat, indien nodig, als alarm kan fungeren.
Bij de aanvang van dit parlementaire
jaar wil ik de minister opnieuw naar de ontwikkeling van deze
tolerantiebarometer vragen. De arrestatie op 7 september 2006
van 19 extreemrechtse figuren uit het milieu van Bloed, Bodem,
Eer en Trouw wegens xenofobie en wapenbezit en de recente
gemeenteraadsverkiezingen, met in verschillende Vlaamse én
Waalse gemeenten een vooruitgang van extreem rechtse partijen,
tonen duidelijk aan dat deze problematiek meer dan ooit actueel
is.
Aan welke onderzoeksinstelling werd
de ontwikkeling van de tolerantiebarometer uitbesteed?
Hoever staat dit onderzoek?
Zal deze tolerantiebarometer niet
enkel in steden, maar ook in gemeenten bruikbaar zijn?
Wordt er ook onderzoek gedaan naar
specifieke oplossingen die kunnen worden aangewend wanneer een
alarmerend niveau van intolerantie bereikt wordt, zodat de
tolerantiebarometer een echt beleidsinstrument voor de nieuw aan
te treden stads- en gemeentebesturen kan zijn?
|
|
M. Christian
Dupont, ministre de la Fonction publique, de l’Intégration
sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité
des chances. – Sur mes instances, le Centre pour l’égalité
des chances et la lutte contre le racisme a demandé au
professeur Marc Swyngedouw de la KULeuven et au professeur Andrea
Rea de l’ULB de mener une étude exploratoire
concernant les indicateurs de collecte de données sur les
sentiments xénophobes, la manière dont ils
s’expriment et le comportement discriminatoire qui peut en
résulter.
Cette étude
s’est achevée fin juillet et le Centre travaille à
présent à une proposition visant à instaurer
un instrument permettant de prendre régulièrement
le pouls de la société belge. Cette proposition
devrait conduire à la conclusion d’accords avant la
fin de l’année.
J’ai
déjà prévu des crédits pour
l’instauration de ce baromètre et je suis prêt
à confier son développement aux universités
qui collaboreront dans ce cadre avec le Centre.
L’approche
suivie jusqu’ici tend plutôt à fournir un
panorama de la situation en matière de racisme ; elle
ne cible pas une communauté ou une ville en particulier. À
la demande des administrations communales, j’ai demandé
au Centre de rédiger la proposition de manière à
permettre la conclusion d’accords de coopération
locaux.
|
De heer Christian
Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke
Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. – Het
Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding heeft op
mijn vraag, in het kader van het regeringsplan tegen racisme,
vreemdelingenhaat en antisemitisme, professor Marc Swyngedouw van
de KULeuven en professor Andrea Rea van de ULB gevraagd een
verkennende studie uit te voeren over de indicatoren voor het
verzamelen van gegevens over xenofobe gevoelens, over de manier
waarop die gevoelens tot uiting worden gebracht en over het
discriminerend gedrag dat er soms uit voortvloeit.
De studie werd eind juli voltooid en
het Centrum werkt nu aan een voorstel tot invoering van een
instrument waarmee regelmatig de vinger aan de pols van de
Belgische samenleving kan worden gelegd. Dit voorstel zou moeten
leiden tot het sluiten van overeenkomsten voor het einde van het
jaar.
Ik heb al kredieten gereserveerd
voor de invoering van de barometer en ben van plan de
ontwikkeling ervan toe te vertrouwen aan universiteiten, die in
dit kader zullen samenwerken met het Centrum.
De aanpak die tot op heden werd
gevolgd, neigt veeleer naar een algemeen beeld van de stand van
zaken inzake racisme en is niet toegespitst op één
gemeenschap of één stad. Op vraag van de
gemeentebesturen heb ik het Centrum verzocht het voorstel zodanig
op te stellen dat het de ontwikkeling van lokale
samenwerkingsverbanden mogelijk maakt.
|
|
M. Lionel
Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Je trouve positif que
l’étude soit enfin prête. Sera-t-elle
également publiée ? L’Université
d’Anvers sera-t-elle associée au projet dans une
phase ultérieure ? Anvers a en effet une grande
expérience de ce problème.
|
De heer Lionel
Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Ik vind het positief dat
de studie eindelijk klaar is. Zal ze ook worden gepubliceerd?
Wordt in een latere fase ook de Universiteit Antwerpen bij het
project betrokken? Antwerpen heeft immers veel ervaring met deze
problematiek.
|
|
M. Christian
Dupont, ministre de la Fonction publique, de l’Intégration
sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité
des chances. – L’étude exploratoire a été
confiée à la KULeuven et à l’ULB. En
ce qui concerne l’étude proprement dite, une
procédure ouverte est suivie et toutes les universités
entrent en ligne de compte.
|
De heer Christian
Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke
Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. – De
verkennende studie werd toevertrouwd aan de KULeuven en de ULB.
Voor de studie zelf wordt een open procedure gevolgd waarvoor
alle universiteiten in aanmerking komen.
|
|
Question
orale de Mme Erika Thijs au ministre des Affaires sociales
et de la Santé publique sur «les nombreuses
victimes, ces dernières semaines, d’intoxication au
monoxyde de carbone» (nº 3-1238)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Erika Thijs aan de minister van Sociale
Zaken en Volksgezondheid over «de
koolstofmonoxidevergiftiging en de vele slachtoffers de jongste
weken» (nr. 3-1238)
|
|
Mme Erika
Thijs (CD&V). – Ces derniers jours, plusieurs cas
d’intoxication au monoxyde de carbone se sont à
nouveau présentés. J’ai déjà
posé à plusieurs reprises des questions à ce
sujet. Cependant, hormis le CO-phone, peu de mesures ont été
prises.
Où en
est le nouveau système d’enregistrement des cas
d’intoxication ? Le ministre se concertera-t-il avec
les différentes instances telles que les pompiers, la
police et les hôpitaux, pour assurer un meilleur
enregistrement ?
Le SPF Santé
publique devrait lancer, dans différentes langues, une
campagne générale de sensibilisation relative à
l’intoxication au monoxyde de carbone. Mais tout le monde
ne regarde pas les infos ou ne lit pas le journal. Ce sont
surtout les familles défavorisées qui doivent faire
face à ce problème alors qu’il fait de moins
en moins chaud.
Les médecins
généralistes doivent eux aussi être attentifs
à ce problème. Le ministre est-il compétent
à ce sujet ? Quelles initiatives prendra-t-on dans
les semaines à venir ?
|
Mevrouw Erika Thijs (CD&V).
– De jongste dagen deden zich opnieuw verschillende
gevallen van koolmonoxidevergiftiging voor. Reeds verschillende
malen heb ik hierover vragen gesteld. Buiten de CO-foon werden
echter nog maar weinig maatregelen genomen.
Hoe ver staat het met het nieuwe
registratiesysteem voor intoxicatiegevallen? Zal de minister met
de verschillende instanties, zoals brandweer, politie en
ziekenhuizen, overleggen om tot een betere registratie te komen?
De FOD Volksgezondheid zou in
verschillende talen een algemene sensibilisatiecampagne omtrent
CO-vergiftiging moeten opzetten. Niet iedereen kijkt naar het
journaal of leest een krant. Vooral kansarme gezinnen hebben, nu
het stilaan kouder wordt, met dit probleem te maken.
Ook de huisartsen moeten opmerkzaam
zijn voor dit probleem. Is de minister hiervoor bevoegd? Welke
initiatieven worden de komende weken genomen?
|
|
M. Rudy
Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé
publique. – Le Service Vigilance sanitaire et le Centre
antipoisons n’ont signalé aucune irrégularité
ces derniers jours ou ces dernières semaines.
Le Centre
antipoisons veille depuis 1995 à la collecte des données
sur ce sujet. Le système d’enregistrement se base
sur des questionnaires ad hoc envoyés chaque année
aux services d’urgences des hôpitaux et aux services
de médecine hyperbare. Les données enregistrées
sont complétées par celles des dossiers déposés
auprès des parquets.
Le rapport le
plus récent relatif au CO, portant sur 2005, a été
terminé en juin. L’évolution d’année
en année est stable. En 2005, lors de 576 accidents, 1224
personnes ont été victimes d’une intoxication
au CO.
Le SPF prépare
un nouveau système de collecte informatisée des
données. Puisque le nombre de cas d’intoxication au
CO est relativement petit et qu’il n’existe aucun
suivi général informatisé des données
dans les hôpitaux, ce système serait
particulièrement onéreux. Le traitement des données
a également engendré des problèmes de
protection de la vie privée.
J’ai
l’intention d’intégrer le suivi des cas
d’intoxication au CO dans un projet général
de monitoring des données relatives à la
santé dans les services d’urgences. Pour optimaliser
le rapport des données, on met actuellement la dernière
main à un projet de campagne de sensibilisation dans les
hôpitaux, spécialement adressée aux victimes
et à leur famille.
Pour une
campagne de sensibilisation destinée au grand public on
collabore avec les Communautés, compétentes pour la
prévention.
Il est
préférable de discuter de la sensibilisation des
médecins généralistes au sein des organes
chargés de la coordination de la formation permanente des
médecins dans le cadre de l’accréditation.
|
De heer Rudy Demotte,
minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – De dienst
Gezondheidsmonitoring en het Antigifcentrum hebben de afgelopen
dagen of weken geen opvallende onregelmatigheden gemeld.
Het Antigifcentrum staat sinds 1995
in voor de verzameling van gegevens over dit onderwerp. Het
registratiesysteem steunt op vragenlijsten ad hoc die jaarlijks
naar de spoeddiensten van de ziekenhuizen en naar de diensten
voor hyperbare geneeskunde worden verstuurd. De
registratiegegevens worden aangevuld met gegevens van dossiers
die bij de parketten worden ingediend.
Het meest recente CO-rapport, dat
voor 2005, werd in juni voltooid. De evolutie is van jaar tot
jaar stabiel. In 2005 werden 1.224 mensen in 576 ongevallen het
slachtoffer van een CO-vergiftiging.
Binnen de FOD werd een nieuw systeem
voor geïnformatiseerde gegevensverzameling voorbereid. Daar
het aantal gevallen van CO-vergiftiging relatief klein is en er
geen algemene geïnformatiseerde follow-up van de gegevens op
het niveau van de ziekenhuizen is, zou dat systeem bijzonder duur
uitvallen. De gegevensverwerking deed ook problemen rijzen met
betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Ik ben van plan de follow-up van
gevallen van CO-vergiftiging te integreren in een algemeen
project voor de monitoring van gezondheidgegevens op het niveau
van de spoeddiensten. Teneinde de rapportering van de gegevens te
optimaliseren wordt momenteel de laatste hand gelegd aan een
project voor een sensibilisatiecampagne in de ziekenhuizen, die
speciaal gericht is op de slachtoffers en hun familie.
Voor een sensibilisatiecampagne voor
het grote publiek zal moeten worden samengewerkt met de
gemeenschappen, die voor de preventieve gezondheidszorg bevoegd
zijn.
De sensibilisatie van de huisartsen
wordt best besproken in de organen die instaan voor de
coördinatie van de permanente opleiding van artsen in het
kader van de accreditatie.
|
|
Mme Erika
Thijs (CD&V). – J’ai l’impression que
le ministre m’a tout simplement donné la même
réponse que l’an passé. Plusieurs services me
signalent que, lors de l’enregistrement ad hoc, on
ne tient pas toujours compte de l’intoxication chronique.
On oublie aussi parfois d’enregistrer, d’où
une image faussée.
Si les
autorités fédérales et les Communautés
se renvoient constamment la balle, on ne travaillera bien entendu
jamais vraiment à la sensibilisation. Je propose dès
lors que les départements compétents se concertent
entre eux. Chaque année, un nombre affolant de personnes
sont victimes du CO en octobre, novembre, février et mars.
La sensibilisation est donc très importante.
Il importe
tout autant que les campagnes soient menées dans
différentes langues. Parmi les victimes, on trouve de très
nombreux allochtones qui ne comprennent pas toujours les mises en
garde des bulletins météorologiques.
Enfin, qui est
compétent pour établir l’agenda de la
formation permanente des médecins généralistes ?
|
Mevrouw Erika Thijs (CD&V).
– Ik heb de indruk dat de minister gewoon hetzelfde
antwoord heeft gegeven als vorig jaar. Verschillende diensten
melden me dat bij de ad-hocregistratie niet altijd rekening wordt
gehouden met de chronische intoxicatie. Ook vergeet men soms wel
eens te registreren. Hierdoor krijgt men een vertekend beeld.
Als de federale overheden en de
gemeenschappen constant de bal naar elkaar doorspelen, zal er
natuurlijk nooit echt werk van de sensibilisatie worden gemaakt.
Ik stel dan ook voor dat de bevoegde departementen eens met
elkaar overleggen. Elk jaar vallen in oktober-november en
februari-maart ontzettend veel slachtoffers. Sensibilisatie is
dus heel belangrijk.
Net zo belangrijk is dat de
campagnes in verschillende talen worden opgesteld. Onder de
slachtoffers bevinden zich heel wat allochtonen die de
waarschuwingen die tijdens een weerbericht worden gegeven, niet
altijd begrijpen.
Wie is, ten slotte, bevoegd voor de
bepaling van de agenda voor de permanente opleiding van de
huisartsen?
|
|
M. Rudy
Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé
publique. – Je peux toujours le proposer.
|
De heer Rudy Demotte,
minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Ik kan het
altijd voorstellen.
|
|
Question
orale de Mme Joëlle Kapompolé à la
secrétaire d’État au Développement
durable et à l’Économie sociale sur
«l’utilisation d’indicateurs de développement
humain» (nº 3-1235)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Joëlle Kapompolé aan de
staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie
over «het gebruik van indicatoren voor menselijke
ontwikkeling» (nr. 3-1235)
|
|
Mme Joëlle Kapompolé
(PS). – À l’échelon national comme
à celui des régions, les deux indicateurs qui
dominent dans les débats sur le progrès sociétal,
l’emploi ou la comparaison des performances sont la
croissance économique traduite en croissance du PNB et le
PIB par habitant.
Or, l’assimilation de la
richesse et du bien-être au PIB et celle des performances
d’un territoire à sa croissance peuvent être
contestables. La croissance, par exemple, n’entraîne
pas automatiquement la réduction des inégalités
et de la pauvreté, elle n’implique pas
automatiquement des progrès éducatifs ou sanitaires
et il est fréquent qu’elle s’accompagne d’une
aggravation de la pression sur l’environnement.
De nombreuses études sur la
possibilité d’ajouter aux indicateurs existants
d’autres repères chiffrés concernant les
principaux aspects du développement humain ou du
développement durable ont déjà été
réalisées. À titre d’exemple, je
citerai une étude effectuée pour le Conseil
régional du Nord–Pas de Calais et pour l’Institut
wallon de l’évaluation, de la prospective et de la
statistique, qui met en évidence trois indicateurs :
l’IDH, indicateur de développement humain, l’IPH,
indicateur de pauvreté humaine et l’IPF, indicateur
de participation des femmes à la vie économique et
politique.
Par ailleurs, le Bureau fédéral
du plan a remis en supplément au troisième rapport
fédéral sur le développement durable un
tableau d’indicateurs de développement durable.
Je signale que vendredi dernier
avait lieu un symposium du Conseil fédéral du
développement durable, auquel vous avez participé,
madame la secrétaire d’État, portant sur ce
thème.
Quelle est la réflexion menée
au sein du gouvernement à ce propos ? A-t-il la
volonté d’avancer sur ce sujet ? Quelles
seraient les synergies élaborées avec les entités
fédérées ?
|
Mevrouw Joëlle
Kapompolé (PS). – Zowel op federaal als op
gewestelijk niveau wordt het debat over maatschappelijke
vooruitgang, werkgelegenheid en prestaties gedomineerd door twee
indicatoren, namelijk de economische groei, uitgedrukt in groei
van het BNP, en het BBP per inwoner.
Rijkdom en
welvaart gelijkstellen met het BBP en de prestaties van een
gebied gelijkstellen met zijn groei is vatbaar voor kritiek.
Groei doet bijvoorbeeld ongelijkheden en armoede niet automatisch
afnemen, impliceert niet automatisch vooruitgang op het vlak van
onderwijs en gezondheidszorg en gaat vaak gepaard met een hogere
druk op het milieu.
Er zijn al
talloze studies gemaakt over de mogelijkheid om aan de bestaande
indicatoren andere toe te voegen betreffende de belangrijkste
aspecten van de menselijke of de duurzame ontwikkeling. Zo zou ik
een studie willen citeren die werd verricht voor de Conseil
régional du Nord–Pas de Calais en voor het
Institut wallon de l’évaluation, de la
prospective et de la statistique (Waals Instituut voor
evaluatie, toekomstverwachting en statistiek), die de aandacht
vestigt op drie indicatoren: de HDI, Human Development Index
of index voor menselijke ontwikkeling, de HPI, Human Poverty
Index of de menselijke armoede-index en de GEM, Gender
Empowerment Measure.
Het Federaal
Planbureau heeft als bijlage bij het derde Federaal Rapport
inzake Duurzame Ontwikkeling een tabel met indicatoren voor
duurzame ontwikkeling gepubliceerd.
Vrijdag
jongstleden heeft de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling
overigens een symposium over dat thema georganiseerd, waaraan
mevrouw de staatssecretaris heeft deelgenomen.
Hoe denkt de
regering daarover? Wil ze vooruitgang boeken op dat vlak? Welke
synergieën worden met de deelgebieden uitgewerkt?
|
|
Mme Els Van Weert,
secrétaire d’État au Développement
durable et à l’Économie sociale, adjointe au
ministre du Budget et des Entreprises publiques. – De
manière générale, je puis dire que ce débat
est en cours depuis longtemps et pas seulement en Belgique. Un
des points de la discussion est la question de savoir s’il
convient d’utiliser un index agrégé
alternatif pour le développement durable ou une série
d’indicateurs clé.
Dans le premier cas, par exemple, on
peut songer aux index que vous avez cités, madame, et qui
ont été calculés par le Programme de
développement des Nations unies pour tous les pays du
monde. Il existe encore d’autres index agrégés
comme l’Index of Sustainable Economic Welfare,
l’Empreinte écologique, etc. Il est cependant clair
que ces index, soit ne couvrent pas tous les piliers du
développement durable, soit perdent de l’information
du fait de l’agrégation.
C’est dès lors la
raison pour laquelle on opte souvent, aux plans intranational et
international, pour une série d’indicateurs clé
qui couvrent tous les piliers du développement durable et
restent suffisamment spécifiques.
Vous citez vous-même le
troisième Rapport fédéral du développement
durable, mais il existe d’autres pratiques couramment
utilisées à d’autres niveaux de pouvoir. Ce
sujet a aussi été abordé au forum
« Redefining prosperity : une vision
durable sur la croissance et la consommation »,
organisé par le Conseil fédéral du
développement durable le vendredi 13 octobre dernier.
Je vous invite à prendre
connaissance des différentes contributions. Vous étiez
présente, mais un rapport écrit est prévu.
Pour répondre concrètement
à votre première question, je puis dire que des
initiatives sont actuellement prises au sein de deux forums
différents.
D’une part, dans le cadre de
la Stratégie nationale du développement durable, je
mets en œuvre un cadre de référence commun en
collaboration avec les régions et les communautés.
D’autre part, je souligne l’initiative prise par le
Sénat, où une résolution a été
mise aux voix et dans laquelle il est proposé de procéder
à l’adoption d’une telle série
d’indicateurs clé pour le développement
durable.
Remarquez d’ailleurs que les
avis du Conseil fédéral du développement
durable sont notamment à la base de la méthode
participative sous-tendant l’élaboration de ces
initiatives.
En réponse à votre
deuxième question, je vous informe que le gouvernement
dispose d’ores et déjà du troisième
Rapport fédéral de développement durable
pour orienter sa politique.
En outre, le gouvernement utilise
également un système de monitorage pour vérifier
si les mesures du plan fédéral sont effectivement
mises en œuvre. Ce système a été
développé au sein de la Commission
interdépartementale du développement durable. Selon
toute probabilité, le débat se poursuivra dans les
prochaines années sur la question de savoir si, outre le
recours à une série d’indicateurs clé,
l’instauration d’un index alternatif est indiquée.
Ces index sont d’ores et déjà souvent
utilisés comme instrument éducatif pour mener le
débat.
|
Mevrouw Els
Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling
en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en
Overheidsbedrijven. – Deze discussie loopt al lang, en niet
alleen in België. Een van de discussiepunten is of men een
samengestelde alternatieve index moet gebruiken dan wel een reeks
van sleutelindicatoren.
In het eerste
geval kunnen we denken aan de indices die vraagstelster heeft
geciteerd en die voor alle landen werden berekend door het UNDP.
Er bestaan nog andere samengestelde indices zoals de Index of
Sustainable Economic Welfare (ISEW), de Ecologische
Voetafdruk, enzovoorts. Natuurlijk dekken die indicatoren ofwel
niet alle pijlers van de duurzame ontwikkeling, ofwel gaat er bij
hun samenstelling informatie verloren.
Daarom wordt
op intranationaal en internationaal niveau vaak gebruik gemaakt
van een reeks indicatoren die alle pijlers van de duurzame
ontwikkeling dekken en voldoende specifiek blijven.
Vraagstelster
heeft zelf verwezen naar het derde verslag van de Federale Raad
voor Duurzame Ontwikkeling, maar op andere bestuursniveaus worden
gewoonlijk andere methoden gebruikt. Dat onderwerp werd ook
aangesneden op het forum ‘Redefining prosperity: een
duurzame visie op groei en consumptie’, dat op 13 oktober
jongstleden werd georganiseerd door de Federale Raad voor
Duurzame Ontwikkeling.
Mevrouw Kapompolé
heeft aan het forum deelgenomen, maar ik nodig haar uit om ook
kennis te nemen van de verschillende bijdragen in het
schriftelijke verslag.
Op haar eerste
vraag kan ik antwoorden dat momenteel in twee verschillende fora
initiatieven worden genomen.
Enerzijds werk
ik, in samenwerking met de gewesten en de gemeenschappen, aan een
gemeenschappelijk referentiekader dat past in de federale
strategie voor duurzame ontwikkeling. Anderzijds verwijs ik naar
de resolutie die werd goedgekeurd door de Senaat en waarin wordt
voorgesteld om een reeks sleutelindicatoren voor duurzame
ontwikkeling goed te keuren.
De adviezen
van de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling liggen aan de
basis van de participatieve methode waarop de uitwerking van die
initiatieven steunt.
In antwoord op
de tweede vraag kan ik bevestigen dat de regering voortaan over
het derde Federale Rapport inzake Duurzame Ontwikkeling kan
beschikken om haar beleid te oriënteren.
De regering
gebruikt ook een systeem van monitoring om na te gaan of de
maatregelen van het federaal plan daadwerkelijk zijn genomen. Dat
systeem werd ontwikkeld door de Interdepartementale Commissie
voor Duurzame Ontwikkeling. Naar alle waarschijnlijkheid zal de
discussie over de vraag of naast een reeks van sleutelindicatoren
ook een alternatieve index moet worden ingevoerd, ook in de
komende jaren worden voortgezet. Voortaan worden die indicatoren
vaak als educatief instrument in het debat gebruikt.
|
|
Question
orale de Mme Christel Geerts au secrétaire d’État
aux Entreprises publiques sur «le nouvel horaire de la
SNCB» (nº 3-1241)
|
Mondelinge
vraag van mevrouw Christel Geerts aan de staatssecretaris
voor Overheidsbedrijven over «de nieuwe dienstregeling van
de NMBS» (nr. 3-1241)
|
|
Mme Christel
Geerts (SP.A-SPIRIT). – Le Pays de Waes vient de
prendre connaissance du nouvel horaire de la SNCB qui entrera en
vigueur le 10 décembre 2006 et est bien pire
qu’auparavant.
Je vous donne
quelques exemples. Le temps d’attente entre deux trains IC
reliant Gand à Anvers est allongé. La durée
du trajet de Saint-Nicolas à Hasselt, Herentals et les
Pays-Bas est plus longue. La liaison directe entre Saint-Nicolas
et Bruxelles est peu fréquente et très lente.
La mauvaise
liaison ferroviaire depuis Saint-Nicolas a été mise
en évidence à plusieurs reprises et diverses
actions ont été menées pour l’illustrer.
L’annonce
du nouvel horaire a dès lors provoqué une immense
surprise. Le conseil communal de Saint-Nicolas lui donnera
d’ailleurs la publicité nécessaire. Le Pays
de Waes est encore plus mal desservi que précédemment.
Le nouvel horaire rendra le service proposé sur cet axe
ferroviaire important inintéressant, l’occupation
des trains sera irrégulière et la durée des
trajets pour les voyageurs sera allongée.
Des voix
s’élèvent à nouveau pour réclamer
une liaison correcte avec Bruxelles et pour proposer d’ajouter
des trains afin de réduire les temps d’attente et
d’améliorer le service.
Sur la base de
quels critères le nouvel horaire a-t-il été
établi ? Pourquoi le service offert n’a-t-il
pas été amélioré ? Ce nouvel
horaire peut-il encore être évalué et
modifié ?
|
Mevrouw Christel Geerts
(SP.A-SPIRIT). – Onlangs werd in het Waasland kennis
genomen van de nieuwe NMBS-dienstregeling. Die gaat in vanaf
10 december 2006 en is heel wat slechter dan voordien.
Ik geef enkele voorbeelden. De
spreiding van de treinen tussen Gent en Antwerpen wordt slechter.
Nu bedraagt de wachttijd tussen twee opeenvolgende IC-treinen in
beide richtingen maximaal 34 minuten. In het ontwerp van nieuwe
dienstregeling is dat 40 minuten. Bijna alle reistijden vanuit
Sint-Niklaas naar bestemmingen voorbij Antwerpen, richting
Hasselt, Herentals en Nederland, duren langer. Reizigers van
Sint-Niklaas richting Brussel moeten nog steeds 14 minuten
wachten in Dendermonde. De rechtstreekse verbinding tussen
Sint-Niklaas en Brussel is niet alleen te weinig frequent, maar
duurt bovendien voor amper 50 km niet minder dan 67 minuten.
Herhaaldelijk werd gewezen op de
slechte treinbediening vanuit Sint-Niklaas. Diverse acties werden
ondernomen en er werd heel wat papier vol geschreven om de
slechte bediening uitvoerig met cijfers te illustreren.
Toen de nieuwe dienstregeling bekend
raakte, was de verbazing dan ook groot. De gemeenteraad van
Sint-Niklaas zal daar trouwens nog de nodige ruchtbaarheid aan
geven. We hadden op zijn minst gerekend op een begin van
inhaaloperatie, maar niets is minder waar. Het Waasland wordt nog
slechter bediend dan voorheen. De ongelukkig gekozen uurregeling
zal leiden tot een onaantrekkelijke dienstregeling op deze
belangrijke spoorwegas in Vlaanderen, tot een ongelijkmatige
bezetting van de treinen en langere reistijden voor de reizigers.
De roep naar een goede verbinding
met Brussel klinkt weer luid en er wordt ook voorgesteld om de
dienstregeling te verbeteren door een extra treinserie, zodat de
wachttijden korter worden.
Op basis van welke criteria kwam die
nieuwe dienstregeling tot stand? Waarom wordt ten opzichte van
deze regio niet remediërend opgetreden? Kan deze nieuwe
dienstregeling nog worden geëvalueerd en gewijzigd?
|
|
M. Bruno
Tuybens, secrétaire d’État aux
Entreprises publiques, adjoint à la ministre du Budget et
de la Protection de la consommation. – L’élaboration
des horaires est particulièrement compliquée car il
faut tenir compte de très nombreux facteurs, comme les
travaux d’infrastructure, les correspondances à
assurer et le matériel disponible. Vu la densité du
réseau et les interactions, certaines améliorations
significatives à un endroit peuvent entraîner une
détérioration à un autre endroit. Par la
mise en service des quatre voies entre Louvain et Bruxelles, la
vitesse commerciale des trains IC A
Eupen-Louvain-Bruxelles-Gand-Ostende est accrue et les trains
arrivent plus vite à Gand. Il faut dès lors adapter
l’horaire des trains IC G Anvers-Gand-Ostende.
La SNCB veut
tirer profit des nouvelles infrastructures qu’Infrabel
mettra à sa disposition en décembre 2006,
comme les quatre voies Louvain-Bruxelles ou Hal-Bruxelles.
On a en outre
veillé à élargir l’offre, surtout pour
les navetteurs, et à offrir des temps de voyage
commerciaux. L’infrastructure ferroviaire actuelle et les
grands travaux d’infrastructure en cours ne permettaient
pas d’améliorer le service ferroviaire dans le Pays
de Waes.
Les horaires
sont en principe valables pour un an. L’installation des
troisième et quatrième voies sur la ligne 50A
débutera en décembre 2007. Ces travaux auront
une incidence considérable sur toutes les liaisons
ferroviaires. Les horaires des différents trains cadencés
et des trains des heures de pointe seront à nouveau
modifiés dès décembre 2007. La
situation actuelle vaudra donc pour une période
transitoire d’un an. L’horaire qui sera établi
en décembre 2007 apportera sans doute une solution à
certains des problèmes dénoncés ici.
|
De heer Bruno Tuybens,
staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de
minister van Begroting en Consumentenzaken. – Het opstellen
van dienstregelingen is een bijzonder moeilijke klus, omdat met
heel wat factoren, zoals werkzaamheden aan de infrastructuur, te
realiseren aansluitingen en het beschikbaar treinmateriaal,
rekening moet worden gehouden. Door de dichtheid van het
spoorwegnet en de onderlinge interacties durven beduidende
verbeteringen op een bepaalde plaats van het net elders wel eens
anders uit te draaien. Een mooi voorbeeld hiervan is de
ingebruikneming van het viersporige baanvak tussen Leuven en
Brussel, waardoor de commerciële snelheid van de
IC A-treinen, Eupen/Leuven/Brussel/Gent/Oostende vergroot en
de treinen vroeger in Gent aankomen. Dit maakte het echter ook
noodzakelijk de dienstregeling van de IC G-treinen
Antwerpen/Gent/Oostende aan te passen.
De NMBS wil profiteren van de nieuwe
infrastructuren die de infrastructuurbeheerder Infrabel in
december 2006 ter beschikking stelt. Denk maar aan de
viersporen Leuven/Brussel, de bocht van Leuven of de vier sporen
Halle/Brussel.
Verder werd er aandacht besteed aan
de uitbreiding van het aanbod, vooral voor de pendelaars, en aan
het aanbieden, waar mogelijk, van commerciële reistijden,
opnieuw vooral voor de pendelaars. Met de huidige
spoorinfrastructuur en de aan de gang zijnde grote
infrastructuurwerken was het spoortechnisch niet mogelijk vanuit
de regio Waasland een beter presterende treindienst te bieden.
Dienstregelingen zijn in principe
één jaar geldig. In december 2007 start de
aanleg van het derde en vierde spoor op lijn 50A, meer bepaald
tussen Denderleeuw en Brussel. Deze belangrijke
infrastructuurwerken zullen een ruime impact hebben op alle
treinverbindingen. De dienstregelingen van de verschillende
gecadanceerde treinen en piekuurtreinen zullen vanaf
december 2007 opnieuw gewijzigd worden. De huidige toestand
is dus geldig voor een overgangsperiode van één
jaar. De dienstregeling december 2007 zal vermoedelijk een
oplossing bieden voor een deel van de hier opgeworpen bezwaren.
|
|
Mme Christel
Geerts (SP.A-SPIRIT). – J’admets que
l’élaboration des horaires est compliquée
mais cela ne peut justifier que le Pays de Waes soit
systématiquement mal desservi. Le secrétaire d’État
doit reconnaître qu’il n’est pas normal que le
voyageur qui se rend à Bruxelles doive attendre un quart
d’heure à Termonde. On est en droit d’attendre
mieux des transports en commun. Le secrétaire d’État
a fait référence aux navetteurs. Ce sont justement
les travailleurs qui se rendent tous les jours de Saint-Nicolas à
Bruxelles qui ont inspiré mes questions.
J’espère
que les interventions techniques évoquées par le
secrétaire d’État amélioreront
effectivement la situation de Saint-Nicolas. J’estime
cependant que cette amélioration requiert aussi une dose
de bonne volonté.
|
Mevrouw Christel Geerts
(SP.A-SPIRIT). – Dat het opstellen van dienstregelingen
een gigantisch moeilijke klus is, kan ik me wel voorstellen. Toch
vind ik dat een zwak argument om de systematisch slechte
bediening van de regio Waasland van de tafel te vegen. De
staatssecretaris moet toch toegeven dat het niet normaal is dat
we van de 70 minuten die het ons kost om in Brussel te geraken,
bijna een kwartier in Dendermonde stil staan. Dat staat toch
haaks op wat we van het openbaar vervoer mogen verwachten. De
staatssecretaris verwees meermaals naar de pendelaars. Mijn vraag
werd vooral geïnspireerd door die vele werknemers die
dagelijks van Sint-Niklaas naar Brussel pendelen.
Ik hoop dat de spoortechnische
ingrepen die de staatssecretaris in het vooruitzicht stelt voor
Sint-Niklaas inderdaad een verbetering zullen inhouden. Toch denk
ik dat er ook een dosis goede wil nodig is om komaf te maken met
de slechte bediening van onze regio.
|
|
Conflit
d’intérêts entre, d’une part, le
Parlement flamand et, d’autre part, le Parlement wallon et
le Parlement de la Communauté française sur le
projet de décret, déposé au Parlement
flamand, modifiant le décret du 15 juillet 1997
contenant le Code flamand du logement (Parlement flamand, doc.
824 (2005-2006) – Nº 1) (Doc. 3-1853)
|
Belangenconflict
tussen, enerzijds, het Vlaams Parlement en, anderzijds, het Waals
Parlement en het Parlement van de Franse Gemeenschap over het in
het Vlaams Parlement ingediende ontwerp van decreet houdende de
Vlaamse Wooncode (Vlaams Parlement, Stuk 824 (2005-2006) –
Nr. 1) (Stuk 3-1853)
|
|
Discussion
|
Bespreking
|
|
(Pour le texte adopté par
la commission des Affaires institutionnelles, voir document
3-1853/2.)
|
(Voor de tekst aangenomen door de
commissie voor de Institutionele Aangelegenheden, zie stuk
3-1853/2.)
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V), corapporteur. – Je me réfère
à mon rapport écrit.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V), corapporteur. – Ik verwijs
naar mijn schriftelijk verslag.
|
|
Mme la présidente.
– M. Happart se réfère à son
rapport écrit.
|
De voorzitter. –
De heer Happart verwijst naar zijn schriftelijk
verslag.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V), corapporteur. – Je voudrais
présenter le point de vue du CD&V. Le « conflit
d’intérêts » relatif au Code
flamand du logement doit bien entendu être interprété
correctement. Le CD&V estime qu’il n’y a pas
conflit d’intérêts et que nous ne devons dès
lors pas prendre position.
Nous
constatons que ni les partenaires wallons, ni les gouvernements
et parlements de la Région wallonne et de la Communauté
française n’ont indiqué de quel conflit
d’intérêts il s’agit précisément.
On a avancé des arguments juridiques tels que la
protection de la vie privée ou l’interdiction des
discriminations mais, lors de la discussion en commission,
M. Delpérée a reconnu que les considérations
juridiques n’ont rien à faire ici.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V), corapporteur. – Ik geef het
standpunt van CD&V. Het ‘belangenconflict’ rond
de Vlaamse huisvestingscode moet uiteraard correct worden
geïnterpreteerd. CD&V is van oordeel dat er geen
belangenconflict is en dat we daarom ook geen standpunt moeten
innemen.
We stellen vast dat de Waalse
partners, noch de regeringen en parlementen van het Waalse Gewest
en de Franse Gemeenschap, hebben aangegeven welk belangenconflict
er precies bestaat. Er worden juridische argumenten aangehaald,
zoals de bescherming van het privéleven of het
discriminatieverbod, maar collega Delpérée heeft
tijdens de discussie in de commissie erkend dat juridische
overwegingen hier niet ter zake doen.
|
|
M. Francis Delpérée
(CDH). – Je n’ai pas dit cela. Je me suis
uniquement prononcé sur l’aspect politique puisque
nous discutions d’un conflit d’intérêt.
J’ai laissé entier le problème juridique. Ne
dites pas que ce dernier n’existe pas.
|
De heer Francis
Delpérée (CDH). – Dat heb ik niet gezegd.
Ik heb me alleen uitgesproken over het politieke aspect omdat we
het over een belangenconflict hadden. Ik heb het niet over het
juridische probleem gehad. Er kan niet worden beweerd dat dit
niet bestaat.
|
|
M. Hugo Vandenberghe (CD&V).
– Vous avez dû mal traduire mes propos. J’ai
souligné que vous aviez indiqué que l’aspect
juridique ne jouait pas dans un conflit d’intérêt.
C’est d’ailleurs ce que j’ai également
déclaré en commission.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – U hebt mijn woorden verkeerd
begrepen. Ik heb benadrukt dat u hebt gezegd dat het juridische
aspect geen rol speelt in een belangenconflict. Dat is trouwens
wat ook ik in de commissie heb verklaard.
|
|
D’autres
membres de la majorité, comme Mme de T’ Serclaes,
sont par contre entrés dans le champ juridique en
affirmant qu’un conflit d’intérêts est
un conflit juridique.
Si le Sénat
est chargé de régler un conflit d’intérêts
et si on veut un peu de sérieux, on devrait pouvoir
s’attendre à recevoir une note écrite du
gouvernement wallon, du gouvernement de la Communauté
française, du parlement wallon ou du parlement de la
Communauté française. Lorsqu’un avocat veut
soumettre une affaire à un tribunal, il doit le faire avec
un document écrit. Il n’en va pas de même dans
les pays bantous mais dans la culture occidentale si.
Je ne
m’étendrai pas sur le débat de fond :
l’exigence linguistique reprise dans le Code flamand du
logement afin de mener une politique d’intégration.
Cela relève par essence de la compétence des élus
flamands. Il me paraît légitime de tendre, là
où les gens cohabitent, vers une situation où ils
se comprennent entre eux et comprennent la langue dans laquelle
les autorités compétentes s’adressent au
public, de sorte que les querelles de voisinage ne deviennent pas
des problèmes communautaires. Nous pouvons comparer les
démarches du gouvernement flamand aux exigences imposées
par le gouvernement néerlandais Balkenende dans le cadre
de la politique d’intégration ou à celles du
Land de Bade-Wurtemberg où on utilise la notion de
Leitkultur et où les nouveaux venus sont supposés
connaître certains grands Allemands. Les Pays-Bas
connaissent eux aussi un nouvel essor culturel. Ce lundi, le
canon de l’histoire néerlandaise a été
présenté, soit cinquante événements
historiques que chaque habitant du pays devrait connaître.
Nous devons
apprendre à vivre avec la constatation qu’il peut y
avoir des conceptions différentes mais aussi qu’il y
a des normes, qu’on doit s’intégrer et qu’on
doit être prêt à cohabiter dans la diversité.
Le CD&V
estime que ce conflit d’intérêts est dépassé.
Il n’y a rien de mal à ce qu’une langue doive
être parlée dans une région. C’est le
cas dans de nombreux pays. Il n’est pas exact que l’usage
d’autres langues dans la sphère privée n’est
pas possible en Flandre. Les conditions du décret flamand
doivent être correctement interprétées. On ne
peut les caricaturer.
Je constate
que personne ne conteste la compétence exclusive de la
Région flamande dans ce domaine. Les arguments juridiques
sur lesquels on prétend s’appuyer sont à mon
sens réfutés de manière très
convaincante dans l’avis du Conseil d’État.
Celui qui ne partage pas cet avis peut bien entendu soumettre
l’affaire aux instance judiciaires compétentes, de
manière à ce qu’elles puissent juger s’il
y a violation du principe d’égalité ou de la
protection de la vie privée.
Le
gouvernement violet a fait adopter ces sept dernières
années de très nombreuses lois qui interviennent
bien davantage dans la vie privée que cette formule très
modeste proposée par le gouvernement flamand.
Enfin, je
rappelle que l’article 143 de la Constitution fixe la
procédure de soulèvement et de règlement des
conflits d’intérêts, tant entre les assemblées
législatives qu’entre les différents
gouvernements. On a affirmé à juste titre que le
législateur spécial a manqué à ses
devoirs en n’appliquant pas ces dispositions, si bien que
les incidents les plus fantaisistes sont travestis en conflits
d’intérêts. Dans le cas présent, il
n’existe même pas de document écrit. Je ne
saurais donc même pas de quoi exactement nous devons
débattre. Un parlement qui invoque un conflit d’intérêts
devrait à tout le moins démontrer qu’il
n’agit pas à la légère sur la base de
l’une ou l’autre inspiration du moment, surtout
lorsque la ministre de la Justice fait condamner des avocats à
des amendes administratives fabuleuses parce qu’ils ont par
erreur introduit une procédure de trop.
Bref, le CD&V
se ralliera aux conclusions de la commission. Pour nous, il
n’existe aucun conflit d’intérêts et on
ne peut donc reprocher au Sénat de négliger son
devoir.
|
Andere leden van de meerderheid,
zoals mevrouw de T’ Serclaes zijn wel de
juridische toer opgegaan door te stellen dat het belangenconflict
een juridisch conflict is.
Als de Senaat met de regeling van
een belangenconflict belast wordt en er is enig sérieux,
dan zou men van de Waalse regering, de Franse
Gemeenschapsregering, het Waals Parlement of het Parlement van de
Franse Gemeenschap toch een geschreven nota mogen verwachten. Als
een advocaat een zaak aan de rechtbank wil voorleggen, moet hij
dat met een geschreven stuk doen. In Bantoelanden is dat niet zo,
maar in de Westerse cultuur wel.
Ik ga niet in op het debat ten
gronde; de taalvereiste die met het oog op een integratiepolitiek
in de Vlaamse wooncode is opgenomen. Dat is in wezen de
bevoegdheid van de Vlaamse gekozenen. Waar mensen samenleven, is
het volgens mij terecht dat ernaar wordt gestreefd dat ze elkaars
taal verstaan en de taal waarin de bevoegde overheid mededelingen
doet aan het publiek opdat burenruzies niet zouden uitgroeien tot
communautaire problemen. We kunnen de stappen van de Vlaamse
regering vergelijken met de eisen die de Nederlandse
regering-Balkenende oplegt in het kader van de integratiepolitiek
of met die van de deelstaat Baden-Württemberg, waar het
begrip Leitkultur wordt gehanteerd en nieuwkomers
verondersteld worden een aantal grote Duitsers te kennen. Ook
Nederland kent een cultuurherleving. Maandag werd de canon van de
Nederlandse geschiedenis voorgesteld, vijftig ijkpunten die elke
inwoner van het land zou moeten kennen.
We moeten leren leven met de
vaststelling dat er verschillende opvattingen kunnen bestaan,
maar ook dat er normen zijn, dat men zich moet integreren en dat
men bereid moet zijn in verscheidenheid samen te leven.
CD&V vindt dit belangenconflict
achterhaald. Het is niet meer van deze tijd. Er is niets
verkeerds aan dat er in een bepaald gebied een bepaalde taal moet
worden gesproken. Dat is in vele landen het geval. Het is ook
niet zo dat het gebruik van andere talen in de privésfeer
in Vlaanderen niet mogelijk is. De voorwaarden van het Vlaamse
decreet moeten juist worden geïnterpreteerd. Men mag er geen
karikatuur van maken.
Ik stel vast dat niemand de
exclusieve bevoegdheid ter zake van het Vlaamse Gewest betwist.
De juridische argumenten waarop men beweert te steunen, zijn naar
mijn oordeel in het advies van de Raad van State heel overtuigend
weerlegd. Wie het daar niet mee eens is, is uiteraard gerechtigd
de zaak aan de bevoegde rechterlijke instanties voor te leggen,
zodat die kunnen oordelen of er een schending is van het
gelijkheidsbeginsel of van de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer.
De paarse regering heeft de
afgelopen zeven jaar heel wat wetten laten goedkeuren die veel
dieper in het privéleven ingrijpen dan deze heel
bescheiden formule die de Vlaamse regering voorstelt.
Ten slotte herinner ik eraan dat
artikel 143 van de Grondwet de procedure vastlegt voor de
voorkoming en de regeling van belangenconflicten, zowel tussen
wetgevende vergaderingen als tussen verschillende regeringen.
Terecht wordt gesteld dat de bijzondere wetgever in gebreke is
gebleven door die bepalingen niet uit te voeren, zodat de meest
fantaisistische incidenten in een belangenconflict worden
verkleed. In dit geval bestaat er niet eens een geschreven stuk.
Ik zou dus niet weten waarover we precies een debat moeten
voeren. Een parlement dat een belangenconflict inroept, zou toch
ten minste moeten aantonen dat het niet lichtzinnig handelt op
basis van een of andere ingeving van het ogenblik, zeker wanneer
de minister van Justitie advocaten die bij vergissing een
procedure te veel hebben aangespannen, doet veroordelen tot
fabuleuze administratieve boetes.
Kortom, de CD&V-fractie zal
instemmen met de conclusie van de commissie. Voor ons bestaat er
geen belangenconflict en dus kan de Senaat ook niet in gebreke
gebleven zijn.
|
|
M. Philippe Mahoux (PS).
– Je viens d’entendre M. Vandenberghe assimiler
les francophones et leur représentation parlementaire à
des Bantous.
C’est désobligeant pour
les francophones comme pour les Bantous. Mais c’est en
droite ligne de la considération et du mépris que
le président de son parti a manifestés récemment
pour les francophones.
J’en viens au fond du
problème. (Interruptions de M. Vandenberghe)
J’ai entendu ce que vous avez dit, monsieur Vandenberghe.
J’en viens donc au fond du
problème. L’article 143 de la Constitution…
(Interruptions de M. Vandenberghe) Je vous ai
entendu, monsieur Vandenberghe. C’est en droite ligne des
considérations que vous et votre parti faites de manière
assez régulière à propos des francophones.
(Interruptions de M. Vandenberghe) Madame la
présidente, puis-je parler ?
|
De heer Philippe
Mahoux (PS). – Ik hoor dat de heer Vandenberghe
de Franstaligen en hun vertegenwoordigers in het parlement als
Bantoes beschouwt.
Dat is
beledigend, zowel voor de Franstaligen als voor de Bantoes. Maar
dat ligt in de lijn van het misprijzen voor de Franstaligen dat
de voorzitter van zijn partij onlangs heeft geuit.
Ik kom tot de
kern van het probleem. (Onderbrekingen van
de heer Vandenberghe) Ik heb duidelijk gehoord wat
u hebt gezegd, mijnheer Vandenberghe.
Ik kom dus tot
de kern van het probleem. Artikel 143 van de Grondwet …
(Onderbrekingen van de heer Vandenberghe) Ik heb
u goed gehoord, mijnheer Vandenberghe. Het ligt in de lijn van
wat u en uw partij geregeld over de Franstaligen beweren.
(Onderbrekingen van de heer Vandenberghe)
Mevrouw de voorzitter, mag ik voortgaan?
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V) (fait personnel). – Je
maintiens ce que j’ai dit. M. Mahoux n’est
d’ailleurs pas homme à me faire la leçon. Il
pourrait au moins faire l’effort d’apprendre les deux
langues nationales avant de prétendre expliquer comment il
faut comprendre un exposé.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V) (persoonlijk feit). – Ik
blijf bij wat ik heb gezegd. De heer Mahoux is
overigens niet de man om mij de les te lezen. Hij zou minstens de
inspanning kunnen doen om de twee landstalen te leren, voordat
hij iemand wil leren hoe een uiteenzetting te begrijpen.
|
|
M. Philippe Mahoux (PS).
– L’article 143 de la Constitution a donné
comme missions au Sénat de procéder à une
concertation politique sur les dossiers lésant les
intérêts d’une des communautés du pays
et de chercher d’éventuelles solutions politiques.
Je constate que, pour la première
fois, le Sénat n’a pas pu rendre d’avis motivé
au comité de concertation. Je n’irai pas jusqu’à
dire qu’il s’agit d’un constat d’impuissance
du Sénat, comme certains l’on écrit dans la
presse. Mais il est vrai qu’il n’a pas été
possible de trouver un consensus au Sénat entre des
thèses, on vient encore de l’entendre,
diamétralement opposées.
Les débats qui ont eu lieu en
commission ont permis aux thèses en présence d’être
développées, ce qui a mené au constat qu’il
n’y avait pas de consensus possible. On se rend donc
aisément compte que faute d’avoir une loi qui
institue un Sénat paritaire, il est assez compliqué
de trouver une solution de consensus au Sénat, sauf à
penser qu’il serait possible d’agir au Sénat
dans ce genre de problème selon une règle
majoritaire. Ce qui va à l’encontre du rôle
imparti au Sénat pour remplir cette mission.
Il y a un véritable blocage
dû à la position des uns et des autres. La
divergence manifeste des points de vue entre les communautés
est telle qu’aucune solution politique au conflit d’intérêt
ne semble possible à trouver au Sénat.
Pour nous, cependant, le conflit
d’intérêt existe. Il est bien réel,
tandis que les néerlandophones ne voient pas en quoi ce
projet de décret, qui impose aux locataires d’un
logement social l’engagement à apprendre le
néerlandais, mettrait à mal les intérêts
des francophones.
Je voudrais faire une parenthèse.
On peut discuter du fond du problème. La condition de
connaissance linguistique peut-elle être imposée
politiquement, éthiquement, moralement pour avoir accès
à un logement ? Mon opinion sur ce point serait
évidemment négative, mais ce n’est pas de
cela que l’on discute.
Ce dont nous débattons, c’est
de savoir si les intérêts des francophones sont
lésés. Notre thèse est qu’ils le sont
gravement, parce que ce projet porte atteinte au régime
des facilités linguistiques. On comprend aussi que
soulevant la question des facilités linguistiques, il soit
difficile de trouver dans cette assemblée un consensus,
puisque les thèses sont diamétralement opposées.
Comme l’a souligné le
Conseil d’État, la taalbereidheid ne peut pas
être imposée aux locataires des logements sociaux
situés sur le territoire des communes à statut
spécial, étant donné qu’en vertu du
régime des facilités linguistiques, ces personnes
ont le droit de s’adresser en français aux
bailleurs.
L’objectif du projet qui est
d’assurer la bonne communication entre le bailleur et les
locataires est ainsi atteint. La thèse systématiquement
avancée par certains selon laquelle les facilités
linguistiques seraient un régime provisoire est donc
implicitement remise en cause – et le terme est faible.
De plus, le projet de décret
ne contient que l’obligation pour le candidat locataire de
démontrer sa disposition à apprendre le
néerlandais, le gouvernement flamand étant habilité
à définir l’ensemble des règles qui
permettent de savoir s’il satisfait à cette
obligation. Que se passe-t-il en cas de non-respect de cette
obligation ou comment déterminer ce non-respect ? De
nouveau se pose le problème des francophones des communes
à statut spécial car, je le répète,
le conflit d’intérêts est lié à
la situation de ces personnes.
En résumé,
l’habilitation est beaucoup trop vaste et on ne peut
préjuger, comme le précise d’ailleurs le
Conseil d’État, de l’absence de la violation
des droits fondamentaux et plus particulièrement du droit
à un logement décent tel que le prévoit
l’article 23 de la Constitution. Cependant, tel n’est
pas l’objet de la discussion.
Je précise également
que ces habilitations rendraient impossible tout contrôle
parlementaire, notamment quand l’objectif est d’assurer
le respect des droits des francophones dans les communes à
facilités.
Il ne nous paraît pas
acceptable que, par l’usage de ses compétences en
matière de logement, le gouvernement flamand vise un
objectif qu’il ne peut atteindre, par le biais de la mise
en cause des facilités linguistiques, à savoir
l’intégration des non-Belges en Flandre,
l’homogénéisation de la population de la
Région flamande et la lutte contre la francisation de la
périphérie.
Il s’agit de propos tenus par
le ministre Keulen. Selon nous, seule une exclusion de la
taalbereidheid des dispositions relatives aux candidats
locataires habitant dans les communes à facilités
et communes à statut linguistique spécial
permettrait de mettre fin à cette atteinte aux droits des
francophones.
On comprendra aisément que
cette position est en contradiction totale avec celle défendue
par d’autres collègues au Sénat. Il s’avère
donc que le constat de carence dressé dans le rapport et
sur lequel nous devons nous prononcer est la seule solution.
|
De heer Philippe
Mahoux (PS). – Artikel 143 van de Grondwet belast
de Senaat met de organisatie van een politiek overleg over
kwesties die de belangen van één van de
gemeenschappen van dit land in het gedrang brengen en met het
zoeken van mogelijke politieke oplossingen te zoeken.
Ik stel vast
dat de Senaat nu voor de eerste keer geen gemotiveerd advies aan
het Overlegcomité kan geven. Ik ga niet zover om te zeggen
dat de Senaat hier blijk geeft van onmacht, zoals sommigen in de
pers hebben geschreven. Het is wel juist dat het niet mogelijk
bleek in de Senaat eensgezindheid te bereiken over standpunten
die, zoals men juist kon horen, diametraal tegenover elkaar
staan.
In de
commissie kwamen de standpunten ruim aan bod, wat heeft geleid
tot de vaststelling dat een consensus niet mogelijk was. Men moet
dus vaststellen dat het zonder een paritaire Senaat erg moeilijk
is eensgezindheid te bereiken, tenzij men meent dat het mogelijk
is dat de Senaat zich over dat soort problemen kan uitspreken
volgens de meerderheidsregel. Dat gaat in tegen de onpartijdige
rol die de Senaat in die gevallen moet vervullen.
Er bestaat een
echte blokkering. De standpunten van de gemeenschappen lopen zo
sterk uiteen dat er blijkbaar geen enkele politieke oplossing
voor het belangenconflict in de Senaat kan worden gevonden.
Toch bestaat
volgens ons dat belangenconflict wel degelijk, terwijl de
Nederlandstaligen niet inzien in welke zin dat ontwerp van
decreet, dat aan huurders van een sociale woning oplegt
Nederlands te leren, de belangen van de Franstaligen zou kunnen
schaden.
Er kan over de
grond van het probleem worden gepraat, namelijk of het politiek
of ethisch gerechtvaardigd is taalkennis op te leggen om een
woning te krijgen. Volgens mij is dat uiteraard niet
aanvaardbaar, maar daarover gaat de discussie niet.
De vraag is of
de belangen van de Franstaligen worden geschaad. Volgens ons
worden die belangen ernstig geschaad, omdat dit ontwerp een
inbreuk vormt op de taalfaciliteiten. Het is moeilijk om in deze
assemblee een consensus te bereiken over dat onderwerp, aangezien
de standpunten daarover diametraal tegenover elkaar staan.
Zoals de Raad
van State heeft gezegd, kan de taalbereidheid niet worden
opgelegd aan huurders van sociale woningen op het grondgebied van
de gemeenten met een bijzonder taalstatuut. Door de
taalfaciliteiten hebben die mensen het recht zich in het Frans
tot hun verhuurder te wenden.
Het doel van
het ontwerp, een goede communicatie tussen verhuurder en huurder
tot stand brengen, is op die manier bereikt. De door sommigen
stelselmatig geuite stelling dat de taalfaciliteiten een
voorlopige toestand vormen, wordt dus impliciet op de helling
gezet – en die term is nog zwak.
Bovendien
voorziet het ontwerp van decreet voor de kandidaat-huurder enkel
in de verplichting zijn bereidheid te tonen om Nederlands te
leren. De Vlaamse Regering is dan bevoegd om de regels vast te
stellen op basis waarvan kan worden nagegaan of aan die
verplichting wordt voldaan. Wat gebeurt er als die verplichting
niet wordt nagekomen? Hoe wordt dat gedefinieerd? Opnieuw rijst
het probleem van de Franstaligen van de gemeenten met een
bijzonder taalstatuut. Het belangenconflict hangt samen met de
situatie van die mensen.
De bevoegdheid
ter zake is dus veel te ruim en er mag, zoals de Raad van State
preciseert, geen afbreuk worden gedaan aan de grondrechten en in
het bijzonder aan het recht op behoorlijke huisvesting, dat in
artikel 23 van de Grondwet wordt gewaarborgd. Toch is dit
niet het onderwerp van de discussie.
Ik wijs er ook
op dat die toe-eigening van bevoegdheid elke parlementaire
controle onmogelijk maakt, met name wanneer het erom gaat het
respect voor de rechten van de Franstaligen in de gemeenten met
taalfaciliteiten te waarborgen.
Het is
onaanvaardbaar dat, door gebruik te maken van haar bevoegdheden
inzake huisvesting, de Vlaamse Regering een doel nastreeft dat
zij slechts kan bereiken door de taalfaciliteiten op de helling
te zetten, namelijk door de integratie van niet-Belgen in
Vlaanderen, de homogenisering van de bevolking van het Vlaamse
Gewest en de strijd tegen de verfransing van de rand.
Dat zijn de
woorden van minister Keulen. De clausule van de taalbereidheid
moet uit de bepalingen met betrekking tot de kandidaat-huurders
die in gemeenten met taalfaciliteiten en in de taalgrensgemeenten
wonen, worden verwijderd om een einde stellen aan de schending
van de rechten van de Franstaligen.
Dit standpunt
is volledig in tegenspraak met dat van andere collega’s van
de Senaat. We kunnen dus alleen maar vaststellen dat het
inderdaad onmogelijk is tot een oplossing te komen.
|
|
M. Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – L’intervention
de M. Mahoux montre bien que celui qui ne maîtrise pas
le néerlandais ne peut comprendre la teneur du décret.
Ce décret ne concerne pas les communes à facilités.
Il est donc faux de prétendre qu’il porte atteinte
aux droits des francophones dans les communes à facilités.
Le Sénat
doit donner un avis motivé au Comité de
concertation. C’est curieux puisque le Comité de
concertation a traité de cette affaire en mars 2006.
Les divers gouvernements n’ayant pu s’accorder, les
parlements de la Région wallonne et de la Communauté
française n’ont rien trouvé de mieux que
d’invoquer un conflit d’intérêts contre
la mesure imposant aux personnes qui sollicitent une habitation
sociale en Flandre de prouver qu’elles sont disposées
à apprendre le néerlandais. Les francophones se
servent de cette mesure pour créer un conflit, qualifiant
le décret flamand de « politique
d’assimilation ».
Il n’y a
à nos yeux aucun conflit d’intérêts. En
quoi les intérêts de la Communauté française
et de la Région wallonne sont-ils compromis ? La
Communauté française se pose en défenseur
des francophones, non seulement de Wallonie et de Bruxelles –
ce qui est son rôle constitutionnel – mais de
l’ensemble du pays.
La première
fois que les trois parlements ont discuté de ce décret,
certains ont parlé d’une violation de la
Constitution et même de la Convention européenne des
droits de l’homme.
Pourquoi alors
ne demandent-ils pas au Conseil d’État de priver les
partis flamands qui ont adopté ce Code du logement de leur
financement ?
Tant lors de
la rencontre des trois parlements que dans notre commission, on a
invoqué l’argument que pour le Conseil d’État,
il n’y a manifestement aucun problème : il
s’agit d’une mesure relative au logement, compétence
de la Région flamande, et il n’y a aucun problème
constitutionnel. On a en outre dû constater en commission
que Mme de T’ Serclaes demandait une
traduction de l’avis du Conseil d’État,
peut-être parce qu’elle ne le comprenait pas, comme
M. Mahoux qui ne comprend pas le décret.
De quoi
s’agit-il alors ? N’est-il pas utile d’inciter
des candidats locataires d’une maison sociale à
apprendre la langue de la région où ils vont
habiter ?
Lors de la
brève discussion en commission, MM. Roelants du
Vivier et Delpérée ont déclaré que le
Sénat ne pouvait dégager de consensus puisque sa
composition n’est pas paritaire. Ils anticipent
manifestement la composition du nouveau Sénat à
l’issue des prochaines élections ! Collègues
du CD&V, Monsieur Leterme, sachez ce qui vous attend si vous
voulez gouverner avec la coalition violette. Nous, en tout cas,
nous veillerons à la parité !
|
De heer Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – Het betoog van
de heer Mahoux toont duidelijk aan dat wie het
Nederlands niet beheerst, niet begrijpt waarover het decreet
gaat. Uit zijn betoog blijkt dat hij het decreet niet eens heeft
gelezen. Het decreet gaat immers niet over de
faciliteitengemeenten; op die gemeenten heeft de regeling geen
betrekking. Het is dus manifest onjuist te beweren dat de rechten
van de Franstaligen in de faciliteitengemeenten worden aangetast.
Van de Senaat wordt een gemotiveerd
advies aan het Overlegcomité verwacht. Dat is bizar, want
het Overlegcomité heeft die zaak al behandeld in
maart 2006. De verschillende regeringen hebben toen evenmin
een consensus gevonden. Het Waals Parlement en het Parlement van
de Franse Gemeenschap hebben er dan maar niets beter op gevonden
dan een belangenconflict in te roepen tegen het decreet, meer
bepaald tegen de maatregel die erin bestaat dat wie in Vlaanderen
een sociale huur- of koopwoning wil, tenminste aantoont dat hij
bereid is Nederlands te leren, iets wat overigens gratis kan. De
maatregel wordt in het zuiden van het land aangegrepen om een rel
te ontketenen en om het decreet als ‘assimilatiepolitiek’
van de Vlaamse regering te bestempelen. Dat is flauwekul! Naast
inkomensgrenzen wordt enkel als voorwaarde gesteld dat de
aanvrager bereid is de taal te leren van de regio waar hij zich
komt vestigen. Wat kan daar tegenin worden gebracht? Juridisch
gezien is er een belangenconflict omdat drie vierden van het
Waals Parlement en het Parlement van de Franse Gemeenschap gezegd
hebben dat er volgens hen een belangenconflict bestaat. Maar in
onze ogen bestaat er geen belangenconflict. Op welk punt zijn de
belangen van de Franse Gemeenschap en van het Waals gewest
geschaad? De Franse Gemeenschap ziet zichzelf niet alleen als de
vertegenwoordiger van de Franstaligen in Wallonië en in
Brussel – wat ze constitutioneel is – maar ook als de
vertegenwoordiger van de Franstaligen in heel België. Die
opstelling hebben we al gezien bij vorige belangenconflicten en
zelfs bij procedures voor het Arbitragehof. Ze wordt expliciet
vermeld in een aantal arresten van het Arbitragehof, onder meer
in de zaak Carrefour. Dat is uiteraard institutionele nonsens,
maar het wordt wel als een politiek argument gebruikt.
Toen de drie parlementen een eerste
keer over dit punt hebben vergaderd in de Senaat, werd gewag
gemaakt van schending van de Grondwet en zelfs van het Europees
Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Als dat het standpunt van de
Franstalige collega’s is, wat houdt hen dan tegen om naar
de Raad van State te stappen en te eisen dat de
partijfinanciering wordt afgenomen van alle partijen die de
Vlaamse wooncode in het Vlaams Parlement durven goed te keuren en
aldus het EVRM schenden? Op die vraag zal ik wellicht geen
antwoord krijgen.
Zowel tijdens de ontmoeting met de
drie parlementen als in onze commissie werd het argument
ingeroepen dat de Raad van State heel duidelijk heeft gesteld dat
in deze aangelegenheid geen enkel probleem rijst. Volgens de Raad
van State gaat het ten eerste om een maatregel inzake huisvesting
– een bevoegdheid van het Vlaamse Gewest – en bestaat
er ten tweede geen grondwettelijk probleem. In de commissie
moesten we daarenboven vaststellen dat mevrouw de T’ Serclaes
een vertaling vroeg van het advies van de Raad van State,
wellicht omdat ze het niet begreep, zoals ook de heer Mahoux
het decreet niet verstaat.
Waarmee zijn we dan bezig? Is het
dan niet nuttig kandidaat-huurders van een sociale woning ertoe
aan te zetten de taal te leren van de streek waar ze gaan wonen?
Tijdens de korte bespreking in de
commissie heeft zowel de heer Roelants als
de heer Delpérée verklaard dat de Senaat
de consensus die moet uitmonden in een gemotiveerd advies,
onmogelijk kan bewerkstellingen omdat hij niet paritair is
samengesteld! Blijkbaar wordt vooruitgelopen op de samenstelling
van de nieuwe Senaat na de volgende verkiezingen! Mensen van CD&V
en mijnheer Yves Leterme, weet wat u te wachten staat als u met
paars wil regeren! Voor de pariteit passen wij in elk geval!
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Ne faites pas de procès
d’intention. Nous ne céderons pas !
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – U mag geen intentieproces
voeren, mijnheer Van Hauthem. Wij zullen niet zwichten.
|
|
M. Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – Je ne fais pas de
procès d’intention, je me borne à constater
quelles sont les intentions de certains ici. Ils considèrent
bêtement que si le Sénat n’est pas composé
de manière paritaire, il ne peut réconcilier les
deux Communautés.
Comme bien
d’autres, ce conflit d’intérêts démontre
que le Sénat est en effet incapable de trancher et de
dégager un consensus. Ce constat est déjà
une bonne chose.
L’obstruction
des parlements de la Région wallonne et de la Communauté
française au Code flamand du logement n’a rien à
voir avec la CEDH, ni avec la Constitution et s’explique
uniquement par la philosophie politique des francophones qui se
font passer pour une minorité à protéger
partout.
Quand
j’entends certains francophones, je finis par croire que
même sur les îles Fidji ils exigeraient d’être
traités en français.
|
De heer Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – Ik voer geen
intentieproces tegen u, mijnheer Vandenberghe, ik stel alleen
vast welke intenties sommigen hier hebben. Zij volgen de dwaze
redenering dat als de Senaat niet paritair is samengesteld, hij
de gemeenschappen onmogelijk met elkaar kan verzoenen.
Net als vele voorgaande, toont dit
belangenconflict aan dat de Senaat inderdaad niet kan trancheren
en geen consensus kan bewerkstellingen. Dat vaststellen vind ik
op zich een goede zaak.
Laten we wel wezen, de obstructie
van het Waals Parlement en van het Parlement van de Franse
Gemeenschap tegen de Vlaamse Wooncode heeft niets te maken met
het EVRM, noch met de Grondwet, maar alles met een bepaalde
politieke filosofie van de Franstaligen die zich opstellen als
een overal te beschermen minderheid.
Als ik sommige Franstaligen bezig
hoor, dan begin ik te geloven dat ze zelfs op de Fiji-eilanden in
het Frans behandeld zouden moeten worden, mochten ze zich daar
ooit vestigen.
|
|
M. Francis Delpérée
(CDH). – Après les Bantous, on en arrive aux
Fidji.
|
De heer Francis
Delpérée (CDH). – Na de Bantoe is Fiji
aan de beurt.
|
|
M. Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – J’ai de la
famille en Wallonie, en Espagne, à New York, au Brésil
et en Argentine. Tous ont appris la langue du pays d’accueil.
Les
francophones qui s’installent chez nous ne voient pas
d’inconvénient à utiliser le français
dans la vie publique. Au sud de la frontière linguistique,
on devrait quand même se mettre à réfléchir.
Dans la région
de Hal-Vilvorde, 70% des chômeurs sont des francophones qui
ne maîtrisent pas le néerlandais.
Je suppose que
les personnes qui se retrouvent dans un logement social ne sont
pas les économiquement fortes.
Or, lorsque le
gouvernement flamand décide d’encourager les
citoyens à apprendre le néerlandais – et en
fait certes une condition d’obtention d’un logement
social – pour accroître leurs chances sur le
marché de l’emploi, les francophones s’insurgent.
L’obstruction du Parlement wallon et du Parlement de la
Communauté française est inspirée par la
fièvre communautaire mais elle est aussi antisociale.
Les
francophones de la périphérie ne veulent pas
s’adapter et sont même confortés dans leur
attitude par le vice-premier ministre et ministre des Affaires
institutionnelles, Didier Reynders. Lors des dernières
élections, il affirma dans un pamphlet de l’Union
francophone adressé aux électeurs de Hal-Vilvorde
que « s’il y a une patrie à donner aux
francophones, s’il y a une patrie à leur faire
aimer, c’est une patrie francophone, une Belgique
francophone ». Autrement dit, la Belgique sera latine
ou ne sera pas !
L’obstruction
est purement politique et j’approuve dès lors la
conclusion de notre commission : il est insensé que
le Sénat remette un avis motivé au Comité de
concertation. Le Sénat n’est en effet pas capable de
dégager un consensus, consensus qui, pour M. Mahoux,
ne saurait consister qu’en la suppression de la disposition
contestée du Code flamand du logement. Je me réjouis
donc que le Sénat n’ait dégagé aucun
consensus en ce sens et que le Parlement flamand puisse bientôt
adopter la disposition contestée.
|
De heer Joris
Van Hauthem (VL. BELANG). – Mijnheer
Delpérée, ik heb familie in Wallonië, in
Spanje, in New York, in Brazilië en in Argentinië. Ze
hebben allemaal de taal geleerd van het land waar ze zich hebben
gevestigd. Ze hebben niet geëist in hun moedertaal te worden
behandeld.
Franstaligen die zich bij ons komen
vestigen, zien er geen graten in om zich in het openbare leven
van de Franse taal te bedienen.
Ten zuiden van de taalgrens zou men
toch eens moeten nadenken.
In Halle-Vilvoorde, waarover het
voor de Franstaligen blijkbaar toch gaat, is de werkloosheid –
gelukkig – zeer laag, maar 37 procent van de werklozen in
Halle-Vilvoorde zijn wel Franstaligen. De voornaamste reden van
hun werkloosheid is precies die gebrekkige kennis van het
Nederlands.
Ik neem aan dat wie in de sociale
huisvesting terechtkomt niet tot de economisch sterken hoort.
Wanneer de Vlaamse regering dan
beslist om, weliswaar als voorwaarde om een sociale woning te
kunnen huren, een incentive te geven om de taal te leren, zodat
die mensen ook meer kansen hebben op de arbeidsmarkt, oordelen de
Franstaligen dat dit niet hoeft. De obstructie door het Waals
Parlement en het Parlement van de Franse Gemeenschap is ingegeven
door communautaire koorts, maar is ook asociaal en antisociaal.
De Franstaligen in de rand wensen
zich niet aan te passen. Ze huldigen nog altijd de filosofie dat
niemand hun iets kan maken. Naar aanleiding van de voorbije
gemeenteraads- en provincieraadsverkiezingen heb ik, in Lennik
dan nog wel, Franstalige pamfletten van de Union francophone in
de bus gekregen, met een voorwoord van de heer Reynders,
voorzitter van de MR, maar tot nader order ook nog altijd
vice-premier en minister van Institutionele Hervormingen. Hij
eindigt zijn voorwoord, bestemd voor de kiezers van
Halle-Vilvoorde, met de woorden: ‘s’il y a une patrie
à donner aux francophones, s’il y a une patrie à
leur faire aimer, c’est une patrie francophone, une
Belgique francophone’. Met andere woorden: la Belgique sera
latine ou ne sera pas!
De obstructie van het Waals
Parlement en van het Parlement van de Franse Gemeenschap is een
pure politieke obstructie. Ik ben het dan ook eens met het
besluit van onze commissie, namelijk dat het geen zin meer heeft
dat de Senaat een gemotiveerd advies bezorgt aan het
Overlegcomité. De Senaat is inderdaad niet in staat een
consensus te vinden, want volgens de heer Mahoux komt
consensus er immers op neer dat de betwiste bepaling uit de
wooncode moet worden geschrapt. Dat is de enige consensus die de
Franstaligen kennen. Ik ben dan ook blij dat de Senaat wat dat
betreft geen consensus gevonden heeft, dat we niet de volle
termijn van 30 dagen hebben uitgeput, dat het dossier nu snel
naar het Overlegcomité gaat en dat de bepaling nadien snel
door het Vlaams Parlement kan worden goedgekeurd.
|
|
M. Francis Delpérée
(CDH). – Nous sommes invités aujourd’hui à
donner un avis motivé sur le conflit d’intérêts
que suscite le Code flamand du logement.
Je me limiterai à deux
observations. L’une portera sur les textes qui sont
d’application en cette matière. L’autre
portera sur le contexte du dossier qui nous est soumis.
Je relève deux textes. Il y a
d’abord – M. Mahoux vient de le rappeler –
l’article 143 de la Constitution qui veut que le Sénat
se prononce, par voie d’avis motivé, sur les
conflits d’intérêts entre les assemblées
qui légifèrent par voie de loi, de décret ou
d’ordonnance, dans les conditions et suivant les modalités
qu’une loi spéciale détermine.
Je l’ai dit en commission,
cette disposition constitutionnelle est éminemment
curieuse. En effet, la Constitution prévoit l’intervention
du Sénat dans le cadre de la prévention et du
règlement des conflits d’intérêts. Or,
chacun sait, spécialement dans cette enceinte, que le
Sénat n’est pas une institution paritaire. Comment
concevoir un arbitrage digne de ce nom entre des composantes d’un
Sénat qui ne seraient pas mises sur un pied d’égalité
ou, à tout le moins, s’il n’était pas
organisé, au sein du Sénat, une institution qui se
donne une telle composition ? Première curiosité.
Deuxième curiosité. La
Constitution prévoit que le Sénat doit donner un
avis motivé. Par contre, elle n’indique pas le
destinataire de cet avis. La Constitution ne dit pas non plus sur
quoi doit porter cet avis. S’agit-il de se prononcer sur
l’existence du conflit ou d’esquisser les solutions
pour le règlement d’un conflit ? Mystère !
Autre curiosité. On aurait pu
imaginer qu’une loi spéciale de réformes
institutionnelles – c’est ce que prévoit
l’article 143 de la Constitution – intervienne
pour préciser ces modalités. Il n’en est
rien. Il n’y a pas de loi spéciale à ce
sujet ; il n’y a pas de disposition dans la loi
spéciale du 8 août 1980 de réformes
institutionnelles. C’est une anomalie puisque l’article 143
de la Constitution est, somme toute, en sommeil. C’est dans
la perspective de ce sommeil que le législateur ordinaire
est intervenu pour préciser quelques modalités de
procédure.
Le deuxième texte est celui
de la loi ordinaire du 9 août 1980 de réformes
institutionnelles qui indique, de manière on ne peut plus
sommaire, les conditions dans lesquelles le Sénat doit
intervenir et les modalités suivant lesquelles il doit se
manifester.
La loi ordinaire n’est
évidemment pas en mesure d’organiser, au sein du
Sénat, une institution paritaire pour connaître des
conflits d’intérêts. De ce point de vue, la
procédure inscrite dans la loi ordinaire est évidemment
dépourvue du moindre intérêt pour la
Communauté française et, a fortiori, pour les
régions wallonne et bruxelloise.
La loi ordinaire a cependant un
mérite. Elle indique quel est le destinataire de l’avis,
à savoir le comité de concertation qui, de manière
paritaire, va connaître de ce problème et de ce
litige. Par contre, la loi ordinaire ne se prononce d’aucune
manière sur la nature de l’avis motivé que
nous devons remettre. S’agit-il de se prononcer sur
l’existence du conflit ou sur l’objet du conflit ?
S’agit-il d’esquisser le règlement du conflit
ou, éventuellement, d’apporter des amendements au
projet de décret si l’on veut se référer
à la procédure de la sonnette d’alarme prévue
par un autre article de la Constitution ? Le mystère
reste entier.
En réalité, le Sénat
joue le rôle d’un filtre. S’il peut aboutir à
un consensus, tant mieux ; sinon, tant pis.
C’est une autre institution, à
savoir le Comité de concertation, qui devra déployer
des efforts d’imagination en vue d’aboutir à
un début de solution négociable.
J’en viens au contexte de
l’affaire.
Le Sénat n’a pas à
se prononcer sur un conflit de compétences mais sur un
conflit d’intérêts. Les conflits de compétence
relèvent du Conseil d’État, en amont, ou de
la Cour d’arbitrage, en aval. Cela n’exclut pas un
problème juridique mais tel n’est pas l’objet
de notre débat d’aujourd’hui.
Par ailleurs, je suis quand même
amené à constater qu’il y a un conflit
d’intérêts et ce, pour une raison très
simple. Le fait que la Région flamande adopte des mesures
restrictives dans le domaine du logement social risque de se
répercuter sur les deux autres régions. Les
personnes dont la demande de logement social a été
rejetée par la Région flamande, pourraient
s’adresser à la Région bruxelloise et à
la Région wallonne et venir s’ajouter aux listes de
demandeurs de logements sociaux, listes qui ne désempliront
pas avant de longues années.
Pour ma part, je me réjouis
que chacun apprenne la langue de son voisin, la langue des autres
habitants du pays, qu’il pratique des langues étrangères
– et je ne sais pas si quelqu’un, au sein de cette
assemblée, pourrait y trouver à redire – pour
autant qu’il n’y ait pas de contrainte, explicite ou
déguisée. Je ne puis qu’applaudir au fait que
chacun s’intègre dans la communauté dans
laquelle il vit, pour autant, de nouveau, qu’il n’y
ait pas d’assimilation forcée. À ce propos,
j’avoue ne pas comprendre le lien qui doit exister, aux
yeux des auteurs du projet de décret, entre
l’apprentissage d’une langue et, si possible, à
terme, la connaissance de cette langue, et l’obtention d’un
logement social. Il y a un chaînon manquant. L’intégration
des habitants d’un logement social relève non pas de
l’autorité publique mais des relations entre
particuliers.
Je suis quelque peu effrayé
par certains propos exprimés à l’occasion
d’une rencontre entre délégations
parlementaires. Un parlementaire issu d’un parti
démocratique n’a pas hésité à
affirmer que pour le « développement optimal du
sens de la communauté, il faut une langue commune ».
Cela correspond vraiment à une vision archaïque de la
vie sociale.
En conclusion, je regrette que le
Sénat ne soit pas en mesure de donner un avis motivé
et de contribuer à l’apaisement des esprits et à
l’élaboration de solutions équilibrées.
Mais je suis réaliste et je crois que, pour le moment, il
est préférable de ne pas jeter de l’huile sur
le feu.
Le groupe CDH votera donc dans le
sens indiqué par les rapporteurs, non pas parce qu’il
n’y a pas de conflit d’intérêts mais
parce qu’il n’y a pas d’accord pour régler
le conflit d’intérêts au sein de cette
assemblée.
|
De heer Francis
Delpérée (CDH). – We moeten vandaag een
gemotiveerd advies geven over het belangenconflict waartoe de
Vlaamse Wooncode aanleiding heeft gegeven.
Ik zal slechts
twee opmerkingen formuleren. De eerste betreft de teksten die ter
zake van toepassing zijn. De andere heeft betrekking op de
context van het dossier waarover we ons moeten uitspreken.
Er is ten
eerste – de heer Mahoux heeft eraan herinnerd –
artikel 143 van de Grondwet dat bepaalt dat de Senaat bij
wege van gemotiveerd advies uitspraak doet over
belangenconflicten tussen de vergaderingen die wetgevend optreden
bij wege van wet, decreet of ordonnantie, onder de voorwaarden en
op een wijze die een bijzondere wet vaststelt.
Ik heb in de
commissie al gezegd dat dit een merkwaardige grondwettelijke
bepaling is. De Grondwet bepaalt dat de Senaat moet tussenkomen
bij de preventie en regeling van belangenconflicten. Iedereen
weet echter dat de Senaat geen paritaire instelling is. Hoe is
een echte arbitrage mogelijk tussen de componenten van een Senaat
als die niet op gelijke voet staan of wanneer er, op zijn minst,
binnen de Senaat geen orgaan met een gelijkwaardige samenstelling
bestaat? Dat is een eerste vaststelling.
Tweede
eigenaardigheid. Volgens de Grondwet moet de Senaat een
gemotiveerd advies geven, maar ze definieert de bestemmeling van
dat advies niet. De Grondwet zegt evenmin waarover dit advies
moet gaan. Moet de Senaat zich uitspreken over het bestaan van
dit conflict of moet hij oplossingen uitwerken voor de regeling
ervan?
Andere
eigenaardigheid. Men zou kunnen denken dat een bijzondere wet tot
hervorming der instellingen – dat staat in artikel 143
van de Grondwet – die voorwaarden zou preciseren. Er
bestaat daarover echter geen bijzondere wet en er staat daarover
niets in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot
hervorming der instellingen. Dat is een anomalie. Artikel 143
leidt een slapend bestaan. Daarom heeft de gewone wetgever enkele
procedurevoorwaarden vastgelegd.
De tweede
tekst is de gewone wet van 9 augustus 1980 tot
hervorming der instellingen. Daarin staat bijzonder bondig
wanneer de Senaat moet optreden en op welke wijze hij dat moet
doen.
De gewone wet
kan uiteraard binnen de Senaat geen paritair orgaan instellen
voor de behandeling van belangenconflicten. Daarom is de
procedure van de gewone wet van geen tel voor de Franse
Gemeenschap en, a fortiori, voor het Waalse en Brusselse Gewest.
Nochtans heeft
de gewone wet een verdienste. Ze bepaalt wie de bestemmeling van
het advies is, namelijk het Overlegcomité. Dat zal op
paritaire wijze kennis nemen van het conflict. Daarentegen
spreekt de gewone wet zich niet uit over de aard van het
gemotiveerd advies dat de Senaat moet uitbrengen. Gaat het over
het bestaan of over de inhoud van het conflict? Moet er een
regeling van het conflict worden voorgesteld of moeten eventueel
amendementen worden voorgesteld voor het ontwerp van decreet,
naar het voorbeeld van de alarmbelprocedure waarvan sprake is in
een ander Grondwetsartikel? Dat blijft een mysterie.
In
werkelijkheid fungeert de Senaat als een filter. Als hij tot een
consensus kan komen, des te beter, zo niet, dan is dat jammer.
Het
Overlegcomité zal dus voldoende verbeelding aan de dag
moeten leggen om tot een oplossing te komen.
Ik kom nu tot
de context van het dossier.
De Senaat moet
zich niet uitspreken over een bevoegdheidsconflict, maar over een
belangenconflict. Bevoegdheidsconflicten dienen te worden
behandeld door de Raad van State of door het Arbitragehof. Dat
sluit niet uit dat er een juridisch probleem kan rijzen, maar dat
is niet het onderwerp van het debat van vandaag.
Toch moet ik
vaststellen dat er een belangenconflict is, en dat om een
eenvoudige reden. Het feit dat het Vlaamse Gewest restrictieve
maatregelen neemt inzake sociale huisvesting, dreigt gevolgen te
hebben voor de twee andere gewesten. De mensen wier aanvraag voor
een sociale woning door het Vlaamse Gewest werd verworpen, zouden
zich tot het Waalse of Brusselse gewest kunnen richten om hun
naam aan de eindeloze lijst van aanvragers voor een sociale
woning te laten toevoegen.
Ik ben altijd
verheugd dat iemand de taal van zijn buur en van de andere
inwoners van het land leert, dat iemand vreemde talen spreekt –
ik kan me niet voorstellen dat iemand in deze assemblee daar
tegen zou zijn –, voor zover er geen sprake is van
expliciete of verdoken dwang. Ik kan enkel toejuichen dat iemand
zich integreert in de gemeenschap waarin hij leeft, voor zover er
geen sprake is van gedwongen assimilatie. Ik begrijp dan ook niet
dat er volgens de auteurs van het ontwerp van decreet een band
moet bestaan tussen het aanleren van een taal en, voor zover
mogelijk, op termijn de kennis van die taal, en het verkrijgen
van een sociale woning. Er ontbreekt een schakel. De integratie
van bewoners van een sociale woning gebeurt niet door de
overheid, maar via de relaties tussen particulieren.
Sommige
uitlatingen die ik tijdens een ontmoeting van parlementaire
delegaties heb opgevangen, zijn enigszins angstaanjagend. Een
parlementslid van een democratische partij aarzelde niet om te
zeggen dat voor de ‘optimale ontwikkeling van
gemeenschapszin het gebruik van een gemeenschappelijke taal
vereist is’. Dat is werkelijke een archaïsche visie op
het sociale leven.
Ik betreur dat
de Senaat niet in staat is een gemotiveerd advies uit te brengen,
bij te dragen aan het kalmeren van de geesten en de uitwerking
van evenwichtige oplossingen. Ik ben echter een realist en ik
meen dat het voor het ogenblik beter is geen olie op het vuur te
gooien.
De CDH-fractie
zal voor de conclusie van de commissie stemmen, niet omdat er
geen belangenconflict bestaat, maar omdat het belangenconflict
niet binnen deze assemblee kan worden opgelost.
|
|
M. Lionel
Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Chacun savait d’avance
à quelle impasse nous aboutirions. Le Sénat compte
des sénateurs de Communauté qui ne vont quand même
pas voter contre un décret de leur propre assemblée.
Nous n’avons
pas à parler ici du problème juridique mais
plusieurs arguments juridiques ont pourtant été
avancés.
Le Code
flamand du logement este en fait une réglementation bien
intentionnée qui cherche à répondre aux
besoins de groupes de la population socialement défavorisés.
Il est de notre devoir d’aider ces personnes.
On veut mettre
des maisons payables à la disposition des moins favorisés.
Lorsqu’elles parlent une autre langue, ces personnes
éprouvent en outre des problèmes d’adaptation.
Le Parlement flamand a aussi adopté un décret de
citoyenneté pour permettre aux personnes de toute origine
de s’adapter plus facilement à notre région.
L’autorité flamande veut les assister dans ce
processus. Il n’y a là rien de mal.
Pour
construire une société et assurer une bonne entente
entre les personnes, il faut que ces personnes puissent
s’entendre, que des voisins puissent parler la langue du
quartier et de la région.
Les groupes
vulnérables sont davantage touchés par le chômage,
surtout les jeunes. S’ils ne connaissent pas suffisamment
la langue, ils auront du mal à trouver du travail. Les
enfants de familles qui parlent une autre langue éprouvent
davantage de difficultés à l’école.
Le
gouvernement flamand dégage des budgets considérables
pour offrir des cours de néerlandais gratuits. Je suis
convaincu que l’apprentissage de la langue de la région
favorise la cohabitation. Qu’y a-t-il de coupable à
demander à un locataire d’apprendre cette langue ?
S’opposer à cela, c’est nuire aux intérêts
de groupes précaires de notre population. Qu’y
a-t-il de mal à devoir montrer qu’on est disposé
à apprendre le néerlandais ?
La récompense
favorise l’apprentissage. Celui qui veut vraiment un
logement social sera tout disposé à s’engager
à apprendre la langue. Qu’y a-t-il de mal à
cela ?
|
De heer Lionel
Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Ik zal niet herhalen wat
in de commissie al werd gezegd. Ik zal ook proberen niet te veel
in te gaan op wat hier al werd gezegd.
Iedereen wist vooraf in welke
situatie wij zouden terechtkomen. In onze assemblee hebben
gemeenschapssenatoren zitting, die toch niet tegen een decreet
van hun eigen assemblee kunnen stemmen. We zijn ook allemaal in
een eigen kiesgebied gekozen.
Het juridische probleem moet niet
hier worden besproken, maar toch werden hier al veel juridische
argumenten gehanteerd.
De Vlaamse wooncode is eigenlijk een
goed bedoelde regeling om aan de noden van bepaalde sociaal
achtergestelde bevolkingsgroepen tegemoet te komen. Vanuit een
sociaal engagement zijn wij verplicht die mensen te helpen.
Het is de bedoeling betaalbare
woningen ter beschikking te stellen van wie het minder breed
heeft. Als het om anderstaligen gaat, hebben die mensen bovendien
nog aanpassingsproblemen. Het Vlaams Parlement heeft ook een
inburgeringsdecreet aangenomen, waardoor mensen van allerlei
origine de kans krijgen zich in onze contreien gemakkelijker aan
te passen. De Vlaamse overheid wil de mensen daarin bijstaan.
Daar is niets mis mee.
Wanneer men een samenleving wil
opbouwen en een goede verstandhouding tussen de mensen tot stand
wil brengen, moet men toch met elkaar kunnen praten. Het is van
belang dat buren de taal van de streek kunnen spreken, zeker als
het gaat om de kleine ongemakken van het samenleven in een wijk
of appartementsgebouw.
In kwetsbare groepen zijn er ook
meer werklozen, vaak jongeren. Zij geraken minder gemakkelijk aan
de slag als ze de taal onvoldoende kennen. Kinderen van
anderstalige gezinnen presteren minder goed op school vanwege de
taalachterstand.
De Vlaamse regering trekt
aanzienlijke budgetten uit zodat anderstaligen gratis lessen
Nederlands kunnen volgen. We zijn ervan overtuigd dat het
aanleren van de streektaal het samenleven bevordert en ingaat
tegen de veelbesproken verzuring van de maatschappij.
De maatregel om aan de huurder een
engagement te vragen om de taal te leren kan niemand toch als een
misdrijf beschouwen? Meer nog, wie zich hiertegen verzet, schaadt
de belangen van een precaire bevolkingsgroep, die juist alle hulp
kan gebruiken. Wat is er mis met de verplichting om aan te tonen
dat men bereid is Nederlands te leren? Men moet geen spoken zien!
In het leerproces is de motivatie
heel belangrijk. Belonen bevordert het leren. Wie echt een
sociale woning wil, zal ook bereid zijn te verklaren dat hij de
taal wil leren. Het huren van een woning wordt in het
vooruitzicht gesteld voor wie bereid is om de streektaal te
leren. Zo simpel is het. Wat is daar verkeerd aan? Waar is het
probleem, collega’s?
|
|
– La discussion est close.
|
– De bespreking is
gesloten.
|
|
– Il sera procédé
ultérieurement au vote sur les conclusions de la
commission.
|
– De stemming over de
conclusie van de commissie heeft later plaats.
|
|
Demande
d’explications de M. Jan Steverlynck au vice-premier
ministre et ministre des Finances sur «le prélèvement
à la source sur des dividendes distribués à
des entreprises étrangères» (nº 3-1825)
|
Vraag
om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de
vice-eerste minister en minister van Financiën over «de
bronheffing op dividendbetalingen aan buitenlandse ondernemingen»
(nr. 3-1825)
|
|
Mme la présidente.
– M. Didier Donfut, secrétaire d’État
aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires
étrangères, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese
Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken,
antwoordt.
|
|
M. Jan
Steverlynck (CD&V). – La Commission européenne
a récemment fait part de son désaccord concernant
le prélèvement à la source sur des
dividendes distribués à des entreprises étrangères.
Ce prélèvement n’est pas opéré
sur les paiements de dividendes à des entreprises
nationales. De ce fait, une des règles de base du marché
interne est violée. Les États membres ne peuvent en
effet imposer plus lourdement des entreprises d’autres
États membres que leurs propres entreprises.
Le
gouvernement avait jusqu’à fin septembre pour donner
une réponse concluante à la Commission. Si cette
réponse ne suffit pas, la Commission peut alors introduire
l’affaire auprès de la Cour européenne de
Justice.
Combien le
prélèvement à la source sur des dividendes
distribués à des entreprises étrangères
a-t-il rapporté à l’État en 2003, 2004
et 2005 ?
Quelle sera la
réponse du ministre à la Commission européenne ?
Quand ce
prélèvement sera-t-il effectivement supprimé,
ou le ministre envisage-t-il un impôt semblable sur des
dividendes distribués à des entreprises
nationales ?
|
De heer Jan Steverlynck
(CD&V). – De Europese Commissie heeft onlangs
bekendgemaakt niet akkoord te gaan met de bronheffing op
dividenden die aan buitenlandse vennootschappen worden
uitgekeerd. Die bronheffing valt weg voor betalingen van
dividenden aan binnenlandse vennootschappen. Hierdoor wordt één
van de basisregels van de interne markt overtreden. Lidstaten
mogen bedrijven van andere lidstaten immers niet zwaarder
belasten dan hun eigen bedrijven.
De regering had tot eind september
de tijd om een afdoend antwoord te bezorgen aan de Commissie.
Volstaat dit antwoord niet, dan kan de Commissie de zaak
aanhangig maken bij het Europees Hof van Justitie.
Hoeveel ontving de Staat aan
bronheffing op dividenden die aan buitenlandse bedrijven werden
uitgekeerd in 2003, 2004 en 2005?
Welk antwoord zal de minister geven
aan de Europese Commissie?
Wanneer zal deze bronheffing
effectief worden afgeschaft of overweegt de minister een
gelijkaardige belasting op dividendbetalingen aan binnenlandse
vennootschappen?
|
|
M. Didier
Donfut, secrétaire d’État aux Affaires
européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères.
– Je vous lis la réponse du ministre Reynders.
Les
statistiques dont l’Administration du recouvrement dispose
ne permettent aucune ventilation du prélèvement à
la source sur des dividendes selon la nature de la société
à laquelle ces derniers sont distribués.
La Belgique ne
partage pas la position de la Commission européenne en
matière de prélèvement à la source
sur des dividendes distribués à des sociétés
mères étrangères établies en Union
européenne ou dans l’Espace économique
européen. L’affaire sera donc soumise à la
Cour européenne de Justice.
Vu le
démantèlement progressif des taux de participation
bénéficiaire prévus par la directive
mère-filiale, le problème sera résolu à
partir du 1er janvier 2009 sans que le
législateur belge ne doive intervenir.
|
De heer Didier Donfut,
staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister
van Buitenlandse Zaken. – Ik lees het antwoord van minister
Reynders.
De statistieken waarover de
Administratie van de Invordering beschikt, laten geen opsplitsing
toe van de bronheffing op dividenden volgens de aard van de
vennootschap waaraan ze worden uitgekeerd.
België gaat niet akkoord met
het standpunt van de Europese Commissie inzake bronheffing op
dividendbetalingen aan buitenlandse moedermaatschappijen die
gevestigd zijn in de Europese Unie of in de Europese Economische
Ruimte. Deze kwestie zal dus worden voorgelegd aan het Europees
Hof van Justitie.
Gezien de geleidelijke afbouw van de
winstdelingsvoeten waarin wordt voorzien door de
moeder-dochterrichtlijn, zal het probleem met ingang van
1 januari 2009 opgelost zijn zonder dat de Belgische
wetgever dient op te treden.
|
|
M. Jan
Steverlynck (CD&V). – La réponse renvoie à
2009, mais il n’y a pas encore de solution pour 2007 et
2008. J’apprends maintenant que le gouvernement ne
modifiera pas la loi et qu’il sera donc en infraction, au
moins pour deux ans.
|
De heer Jan Steverlynck
(CD&V). – Het antwoord verwijst naar 2009. Er is
echter nog geen oplossing voor 2007 en 2008. Ik verneem nu dat de
regering de wet niet zal wijzigen en dus minstens twee jaar in
overtreding is.
|
|
Votes
|
Stemmingen
|
|
(Les listes nominatives figurent
en annexe.)
|
(De naamlijsten worden in de
bijlage opgenomen.)
|
|
Conflit
d’intérêts entre, d’une part, le
Parlement flamand et, d’autre part, le Parlement wallon et
le Parlement de la Communauté française sur le
projet de décret, déposé au Parlement
flamand, modifiant le décret du 15 juillet 1997
contenant le Code flamand du logement (Parlement flamand, doc.
824 (2005-2006) – Nº 1) (Doc. 3-1853)
|
Belangenconflict
tussen, enerzijds, het Vlaams Parlement en, anderzijds, het Waals
Parlement en het Parlement van de Franse Gemeenschap over het in
het Vlaams Parlement ingediende ontwerp van decreet houdende de
Vlaamse Wooncode (Vlaams Parlement, Stuk 824 (2005-2006) –
Nr. 1) (Stuk 3-1853)
|
|
Mme la présidente.
– Nous votons sur les conclusions de la commission, qui
propose de ne pas rendre d’avis motivé au Comité
de concertation.
|
De voorzitter. – Wij
stemmen over de conclusie van de commissie, die voorstelt geen
gemotiveerd advies uit te brengen aan het Overlegcomité.
|
|
Vote nº 1
|
Stemming 1
|
|
Présents : 52 Pour :
51 Contre : 0 Abstentions : 1
|
Aanwezig: 52 Voor: 51 Tegen:
0 Onthoudingen: 1
|
|
– Les conclusions de la
commission sont adoptées.
|
– De conclusie van de
commissie is aangenomen.
|
|
– Elles seront transmises
au premier ministre, à la présidente du Parlement
flamand, au président du Parlement wallon et au président
du Parlement de la Communauté française.
|
– Ze zal worden medegedeeld
aan de eerste minister, aan de voorzitter van het Vlaams
Parlement, aan de voorzitter van het Waals Parlement en aan de
voorzitter van het Parlement van de Franse Gemeenschap.
|
|
Ordre
des travaux
|
Regeling
van de werkzaamheden
|
|
Mme la présidente.
– Le Bureau propose l’ordre du jour suivant pour la
semaine prochaine :
|
De voorzitter. – Het
Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:
|
|
Jeudi 26 octobre 2006 à
15 heures
|
Donderdag 26 oktober 2006
om 15 uur
|
|
Prise en considération de
propositions.
|
Inoverwegingneming van voorstellen.
|
|
Débat d’actualité
et questions orales.
|
Actualiteitendebat en mondelinge
vragen.
|
|
Projet de loi modifiant
l’article 46bis du Code d’instruction
criminelle ; Doc. 3-1824/1 à 4.
|
Wetsontwerp tot wijziging van
artikel 46bis van het Wetboek van Strafvordering;
Stuk 3-1824/1 tot 4.
|
|
Proposition de résolution
relative à la position des femmes âgées (de
Mme Christel Geerts et consorts) ; Doc. 3-1589/1 à
6.
|
Voorstel van resolutie over de
positie van oudere vrouwen (van mevrouw Christel Geerts
c.s.); Stuk 3-1589/1 tot 6.
|
|
À partir de 17 heures :
Votes nominatifs sur l’ensemble des points à
l’ordre du jour dont la discussion est terminée.
|
Vanaf 17 uur:
Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun
geheel.
|
|
Demandes d’explications :
|
Vragen om uitleg:
|
|
– de M. Hugo Vandenberghe
à la vice-première ministre et ministre de la
Justice et au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur
sur « la conduite sous influence de drogues »
(nº 3-1854) ;
|
– van de heer Hugo
Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie
en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken
over “het rijden onder invloed van drugs”
(nr. 3-1854);
|
|
– de Mme Anke Van
dermeersch à la vice-première ministre et ministre
de la Justice sur « l’exécution de la loi
sur les armes » (nº 3-1859) ;
|
– van mevrouw Anke Van
dermeersch aan de vice-eersteminister en minister van Justitie
over “de uitvoering van de wapenwet” (nr. 3-1859);
|
|
– de M. Hugo Vandenberghe
à la vice-première ministre et ministre de la
Justice sur « l’augmentation de la charge de
travail des juges de la jeunesse à la suite des réformes
qui ont récemment été apportées au
droit de la jeunesse » (nº 3-1860) ;
|
– van de heer Hugo
Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie
over “de toenemende werklast van de jeugdrechters naar
aanleiding van de recente hervormingen van het jeugdrecht”
(nr. 3-1860);
|
|
– de Mme Erika Thijs à
la vice-première ministre et ministre du Budget et de la
Protection de la consommation sur « le risque
d’intoxication au CO avec les poêles à
pétrole » (nº 3-1853) ;
|
– van mevrouw Erika Thijs
aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en
Consumentenzaken over “het gevaar van CO-intoxicatie bij
petroleumkachels” (nr. 3-1853);
|
|
– de M. Hugo Vandenberghe
à la vice-première ministre et ministre du Budget
et de la Protection de la consommation et au ministre des
Affaires sociales et de la Santé publique sur « les
aliments fonctionnels » (nº 3-1855) ;
|
– van de heer Hugo
Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Begroting
en Consumentenzaken en aan de minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid over “de functionele voedingsmiddelen”
(nr. 3-1855);
|
|
– de M. Christian
Brotcorne à la vice-première ministre et ministre
du Budget et de la Protection de la consommation sur « l’urgence
d’un financement adéquat du Fonds de traitement du
surendettement telle que constatée déjà en
janvier dernier » (nº 3-1857) ;
|
– van de heer Christian
Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en
Consumentenzaken over “de reeds in januari jongstleden
vastgestelde dringende behoefte aan een adequate financiering van
het Fonds ter bestrijding van overmatige schuldenlast”
(nr. 3-1857);
|
|
– de Mme Erika Thijs au
ministre des Affaires étrangères sur « la
situation précaire dans laquelle se trouve le Burundi »
(nº 3-1852) ;
|
– van mevrouw Erika Thijs
aan de minister van Buitenlandse Zaken over “de precaire
situatie in Burundi” (nr. 3-1852);
|
|
– de Mme Jacinta De Roeck
au ministre de l’Économie, de l’Énergie,
du Commerce extérieur et de la Politique scientifique sur
« la dotation attribuée au Centre d’étude
de l’énergie nucléaire »
(nº 3-1845) ;
|
– van mevrouw Jacinta De
Roeck aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel
en Wetenschapsbeleid over “de dotatie voor het
Studiecentrum voor Kernenergie” (nr. 3-1845);
|
|
– de Mme Fauzaya Talhaoui
au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique
sur « le remboursement des analogues d’insuline
à effet prolongé Levemir et Lantus »
(nº 3-1856) ;
|
– van mevrouw Fauzaya
Talhaoui aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
over “de terugbetaling van de traagwerkende
insulineanalogen Levemir en Lantus” (nr. 3-1856);
|
|
– de M. Hugo Vandenberghe
au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique
sur « la maladie d’Alzheimer »
(nº 3-1858) ;
|
– van de heer Hugo
Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
over “de ziekte van Alzheimer” (nr. 3-1858);
|
|
– de Mme Annemie Van de
Casteele au ministre des Affaires sociales et de la Santé
publique sur « le fonctionnement de la commission
d’implantation » (nº 3-1861) ;
|
– van mevrouw Annemie Van
de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
over “de werking van de vestigingscommissie”
(nr. 3-1861);
|
|
– de Mme Sabine de
Bethune au ministre de la Coopération au Développement
sur « les programmes indicatifs de coopération »
(nº 3-1848) ;
|
– van mevrouw Sabine de
Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over “de
indicatieve samenwerkingsprogramma’s” (nr. 3-1848);
|
|
– de Mme Sabine de
Bethune au ministre de la Coopération au Développement
sur « le centre de référence pour
l’Afrique centrale » (nº 3-1849) ;
|
– van mevrouw Sabine de
Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over “het
referentiecentrum voor Centraal-Afrika” (nr. 3-1849);
|
|
– de Mme Sabine de
Bethune au ministre de la Coopération au Développement
sur « la coopération au développement au
cours de la présidence finlandaise de l’Union
européenne » (nº 3-1850) ;
|
– van mevrouw Sabine de
Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over “de
ontwikkelingssamenwerking tijdens het Finse Voorzitterschap van
de Europese Unie” (nr. 3-1850);
|
|
– de Mme Sabine de
Bethune au ministre de la Coopération au Développement
sur « les forums des acteurs indirects »
(nº 3-1851) ;
|
– van mevrouw Sabine de
Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over “de
fora van de indirecte actoren” (nr. 3-1851);
|
|
– de Mme Mia De
Schamphelaere au ministre de la Mobilité sur « les
pertes de chargements » (nº 3-1862) ;
|
– van mevrouw Mia De
Schamphelaere aan de minister van Mobiliteit over “het
verlies van lading” (nr. 3-1862);
|
|
– de M. Luc Willems au
ministre de l’Emploi et à la secrétaire
d’État au Développement durable et à
l’Économie sociale sur « le regroupement
dans une entreprise distincte d’activités exercées
dans le cadre des titres-services » (nº 3-1844) ;
|
– van de heer Luc
Willems aan de minister van Werk en aan de staatssecretaris voor
Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie over “de
afsplitsing van activiteiten met dienstencheques in een aparte
onderneming” (nr. 3-1844);
|
|
– de M. Luc Willems au
secrétaire d’État à la Simplification
administrative et à la secrétaire d’État
aux Familles et aux Personnes handicapées sur « le
renouvellement et le remplacement de la carte de stationnement
spéciale pour personnes handicapées »
(nº 3-1847) ;
|
– van de heer Luc
Willems aan de staatssecretaris voor Administratieve
Vereenvoudiging en aan de staatssecretaris voor het Gezin en
Personen met een handicap over “de vernieuwing en
vervanging van de speciale parkeerkaart voor gehandicapten”
(nr. 3-1847);
|
|
– de M. Luc Willems au
secrétaire d’État aux Entreprises publiques
sur « l’évaluation du projet pilote
“parking gratuit pour les déplacements domicile-lieu
de travail” sur les parkings de la SNCB »
(nº 3-1846).
|
– van de heer Luc
Willems aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over “de
evaluatie van het proefproject ‘gratis woon-werkverkeer’
op de NMBS-parkeerplaatsen” (nr. 3-1846).
|
|
– Le Sénat est
d’accord sur cet ordre des travaux.
|
– De Senaat is het eens met
deze regeling van de werkzaamheden.
|
|
Demande
d’explications de Mme Sabine de Bethune au
ministre de la Coopération au Développement sur
«les mesures d’exécution à prendre en
ce qui concerne l’Office de sécurité sociale
d’outre-mer» (nº 3-1842)
|
Vraag
om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister
van Ontwikkelingssamenwerking over «de
uitvoeringsmaatregelen inzake de Dienst voor Overzeese Sociale
Zekerheid (DOSZ)» (nr. 3-1842)
|
|
Demande
d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre de
l’Environnement et ministre des Pensions sur «la
problématique de l’Office de sécurité
sociale d’outre-mer et le risque d’une diminution
significative des indemnités de pension pour plus de
50.000 affiliés» (nº 3-1833)
|
Vraag
om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister
van Leefmilieu en minister van Pensioenen over «de
problematiek van de Dienst voor Overzeese Sociale Zekerheid en
het risico op een significante verlaging van de
pensioenuitkeringen voor meer dan 50.000 aangeslotenen»
(nr. 3-1833)
|
|
Mme la présidente.
– Je vous propose de joindre ces demandes d’explications.
(Assentiment)
M. Didier Donfut, secrétaire
d’État aux Affaires européennes, adjoint au
ministre des Affaires étrangères, répondra.
|
De voorzitter. – Ik
stel voor deze vragen om uitleg samen te voegen. (Instemming)
De heer Didier Donfut,
staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister
van Buitenlandse Zaken, antwoordt.
|
|
Mme Sabine
de Bethune (CD&V). – Le régime de
pension de l’OSSOM était à l’origine
basé sur le principe de la capitalisation. Simultanément,
les cotisations versées étaient revalorisées
sur la base d’un certain coefficient. La pension finalement
payée varie en fonction d’une série de
critères.
Les
conclusions d’un audit de la sécurité sociale
d’outre-mer réalisé par la Cour des comptes
sont tout sauf positives : la situation financière du
régime est précaire. La Cour des comptes désigne
également le gouvernement comme responsable :
« Durant plusieurs années, le gouvernement a en
effet obligé l’OSSOM à utiliser ses capitaux
pour financer le paiement des prestations sociales au lieu de
verser la subvention prévue par la loi ».
Pour
rencontrer les conclusions de la Cour des comptes, le
gouvernement a pris, dans la loi-programme du 20 juillet 2006,
une série de mesures qui devraient entrer en vigueur par
arrêtés d’exécution au plus tard fin
décembre 2006.
La
loi-programme contient une série d’évidences
comme le traitement égal des hommes et des femmes et
l’alignement de l’âge légal de la
retraite. Ces dernières semaines, les quelques dizaines de
milliers de futurs ayants droit ont exprimé beaucoup de
critiques. Ils sont fort inquiets d’une série de
révisions à intervenir par arrêté
royal en matière de revalorisation, de calcul d’intérêts
et d’indexation. Ces arrêtés se font attendre.
Les ayants droit sont ainsi dans l’incapacité de
comparer les anciennes et les nouvelles échelles, de
manière à pouvoir opérer un choix réfléchi.
En tout cas, les mesures entraîneront une diminution des
droits à la pension dont on n’a pas encore
bénéficié. C’est pourquoi on demande
que ces échelles soient publiées aussi rapidement
que possible et que l’on prenne également les
mesures transitoires nécessaires, d’autant plus
qu’au niveau politique aucune décision n’est
encore prise sur l’avenir de l’OSSOM.
L’OSSOM
avait été créé à l’origine
comme un instrument de la politique étrangère belge
et avait pour but la promotion de l’expansion économique
belge. En effet, il s’agit principalement de personnes qui
aident au développement dans le Sud, comme les coopérants,
ou qui accomplissent des missions économiques dans les
territoires d’outre-mer.
Quelle ligne
le gouvernement a-t-il suivie pour l’élaboration des
dispositions de la loi-programme du 20 juillet 2006 ?
Le ministre de la Coopération au développement
a-t-il été associé à l’élaboration
des dispositions de loi ?
Le secteur de
la coopération internationale a connu beaucoup de remous.
Il est étonnant que les ayants droit ne soient en aucune
façon associés à la mise en œuvre de
cette profonde réforme. Maintenant, la réforme a
été subrepticement insérée dans une
loi-programme.
Quand les
arrêtés d’exécution seront-ils
publiés ? Une concertation aura-t-elle lieu avec le
secteur ?
Les droits à
la pension constitués par le passé sont-ils
intégralement préservés, y compris pour les
affiliés à l’OSSOM qui ne feront valoir leurs
droits qu’à 65 ans ?
Pour quelles
raisons le gouvernement est-il opposé à une période
transitoire ? Quelle attitude le ministre de la Coopération
au développement adopte-t-il à cet égard ?
Le ministre
est-il disposé à prendre toutes les décisions
relatives à l’OSSOM et à honorer les
engagements pris par le passé, en concertation étroite
avec le parlement et les partenaires sociaux ?
Quel rôle
sera-t-il encore réservé à l’avenir à
l’OSSOM ?
|
Mevrouw Sabine de Bethune
(CD&V). – Het pensioenstelsel van de DOSZ was
oorspronkelijk gebaseerd op het kapitalisatieprincipe.
Tegelijkertijd werden de gestorte bijdragen aan de hand van een
bepaalde coëfficiënt geherwaardeerd. Het uiteindelijk
uitbetaalde pensioen varieert naargelang van een aantal criteria.
De conclusies van een audit van de
overzeese sociale zekerheid door het Rekenhof zijn allesbehalve
positief: de financiële toestand van het stelsel is precair.
Het Rekenhof wijst ook de regering als verantwoordelijke aan:
‘Gedurende verscheidene jaren heeft de regering immers de
DOSZ ertoe verplicht zijn kapitaal aan te spreken om de betaling
van de sociale prestaties te financieren en heeft ze niet de
subsidies gestort waartoe ze volgens de wet verplicht was.’
Om aan de bevindingen van het
Rekenhof tegemoet te komen, heeft de regering in de programmawet
van 20 juli 2006 een aantal maatregelen opgenomen die
middels uitvoeringsbesluiten uiterlijk tegen einde december 2006
in werking zouden moeten treden.
De programmawet bevat een aantal
evidenties zoals de gelijkschakeling man-vrouw en de
stroomlijning van de pensioengerechtigde leeftijd. De jongste
weken hebben de enkele tienduizenden toekomstige rechthebbenden
echter heel wat kritiek geuit. Ze zijn ten zeerste verontrust
over een aantal herzieningen per koninklijk besluit inzake
revalorisering, rentevoetberekening en indexering. Die besluiten
laten op zich wachten. Hierdoor zijn de rechthebbenden niet in
staat om de oude en nieuwe schalen met elkaar te vergelijken
zodat eenieder een weloverwogen keuze kan maken. Sowieso zullen
de maatregelen een vermindering van de nog niet opgenomen
pensioenrechten tot gevolg hebben. Daarom vraagt men om deze
schalen zo snel mogelijk te publiceren en ook om de nodige
overgangsmaatregelen te nemen, temeer omdat er op politiek niveau
nog geen beslissing is genomen over de toekomst van de DOSZ.
De DOSZ werd oorspronkelijk
opgericht als een instrument van het Belgische buitenlandse
beleid en had als doel de bevordering van de Belgische
Economische expansie. Uiteraard gaat het hoofdzakelijk om mensen
die ontwikkelingswerk in het Zuiden verrichten zoals de
coöperanten of economische opdrachten vervullen in overzeese
gebieden. Om die reden ligt de bevoegdheid over de DOSZ bij
verschillende ministers.
Welke lijn volgde de regering bij de
uitwerking van de bepalingen van de programmawet van
20 juli 2006? Is de minister van
Ontwikkelingssamenwerking bij de uitwerking van de wetsbepalingen
betrokken geweest?
In de sector van de internationale
samenwerking is heel wat beroering ontstaan. Het is opvallend dat
de belanghebbenden op generlei wijze worden betrokken bij de
uitwerking van een dergelijke ingrijpende hervorming. Nu werd de
hervorming sluiks in een programmawet opgenomen.
Wanneer zullen de
uitvoeringsbesluiten worden gepubliceerd? Zal hierover met de
sector worden overlegd?
Blijven de in het verleden
opgebouwde pensioenrechten integraal gevrijwaard, inclusief voor
de DOSZ-aangeslotenen die pas op 65 jaar hun rechten opnemen?
Om welke reden is de regering gekant
tegen een overgangsperiode? Welke houding neemt de minister van
Ontwikkelingssamenwerking in deze aan?
Is de minister bereid om alle
beslissingen over het DOSZ te nemen en de in het verleden
aangegane verplichtingen te honoreren in nauw overleg met het
parlement en de sociale partners?
Welke rol is in de toekomst nog
weggelegd voor de DOSZ?
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – La loi-programme parue au
Moniteur belge le 28 juillet dernier modifie
profondément la législation qui réglemente
les pensions versées par l’Office de sécurité
sociale d’outre-mer, et ce à partir du
1er janvier 2007.
Il est
question ici de la loi du 16 juin 1960 relative aux
prestations effectuées durant la période coloniale,
mais surtout de la loi du 17 juillet 1963 pour les
prestations effectuées par les coopérants, envoyés
tant par l’État que par les ONG, et les travailleurs
du secteur privé après l’indépendance
du Congo, du Rwanda et du Burundi.
Les
modifications de loi précitées font référence
au rapport de la Cour des comptes du 15 février 2006.
J’y lis entre autres : « Au fil du temps,
ce régime est devenu un système de capitalisation
sans actifs pour couvrir les réserves mathématiques.
Durant plusieurs années, le gouvernement a en effet obligé
l’OSSOM à utiliser ses capitaux pour financer le
paiement des prestations sociales au lieu de verser la subvention
prévue par la loi ».
Le passage
suivant est également important : « La
Cour des comptes constate que le mode actuel de financement ne
favorise pas son autorégulation. »
L’OSSOM
a été créé comme un instrument de la
politique étrangère belge et la promotion de
l’expansion économique de la Belgique.
Alors que les
adaptations figurant dans la loi-programme contiennent des
évidences, comme le traitement égal des hommes et
des femmes et l’alignement de l’âge légal
de la retraite sur celui des autres régimes de pensions
belges, il est inquiétant que l’on envisage
également de réaliser par arrêté royal
des révisions en matière de revalorisation, de
calcul d’intérêts et d’indexation. Ces
éléments entraîneront une diminution des
droits à la pension dont on n’a pas encore
bénéficié, bien qu’ils aient été
constitués par le passé.
Les droits à
la pension constitués par le passé doivent être
considérés comme un salaire différé
et les paiements prévus en conséquence doivent être
intégralement effectués.
Contrairement
à la situation belge, un emploi à l’étranger
impliquait généralement qu’un seul membre du
ménage pouvait exercer une activité
professionnelle, de sorte que la majeure partie des allocataires
ne bénéficie que d’une seule pension.
Le ministre
peut-il m’indiquer, à la lumière de ces
remarques, s’il peut avoir une attitude plus raisonnable à
l’avenir ?
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – De programmawet die op
28 juli jongstleden in het Belgisch Staatsblad
verscheen, verandert grondig de wetgeving die de door de Dienst
voor Overzeese Sociale Zekerheid uitgekeerde pensioenen regelt en
dit vanaf 1 januari 2007.
Hierbij gaat het om de wet van
16 juni 1960 betreffende de prestaties geleverd tijdens
de koloniale periode, maar vooral om de wet van 17 juli 1963
voor de prestaties geleverd door de ontwikkelingswerkers, zowel
uitgestuurd door de Staat als door de NGO’s, en van
privéwerknemers na de onafhankelijkheid van Congo, Rwanda
en Burundi.
Bovenvermelde wetswijzigingen gaan
terug op een verslag van het Rekenhof van 15 februari 2006.
Daarin lees ik onder meer: ‘Het stelsel is in de loop der
jaren uitgegroeid tot een kapitalisatiesysteem, zonder dat echter
activa voorhanden zijn voor het dekken van de wiskundige
reserves. Gedurende verscheidene jaren heeft de regering immers
de DOSZ ertoe verplicht zijn kapitaal aan te spreken om de
betaling van de sociale prestaties te financieren en heeft ze
niet de subsidies gestort waartoe ze volgens de wet verplicht
was.’
Ook volgende passage is van belang:
‘Het Rekenhof stelt vast dat de huidige financieringswijze
de zelfregulering niet in de hand werkt.’
De DOSZ werd opgericht als een
instrument van het Belgische buitenlandse beleid en het
bevorderen van de Belgische economische expansie. Het verslag van
het Rekenhof bevestigt dit met evenveel woorden.
Wanneer de aanpassingen opgenomen in
de programmawet evidenties bevatten, zoals de gelijkschakeling
van man en vrouw en het stroomlijnen van de pensioengerechtigde
leeftijd met wat gangbaar is in andere Belgische
pensioenstelsels, is het verontrustend dat per koninklijk besluit
ook herzieningen inzake revalorisering, rentevoetberekening en
indexering in het vooruitzicht worden gesteld. Een en ander zal
een vermindering van de nog niet opgenomen pensioenrechten tot
gevolg hebben, niettegenstaande ze in het verleden werden
opgebouwd.
De in het verleden opgebouwde
pensioenrechten dienen als een uitgesteld loon te worden
beschouwd en de dienvolgens in het vooruitzicht gestelde
uitkeringen dienen onverkort gerespecteerd te blijven.
Een tewerkstelling in het buitenland
bracht meestal mee dat, in tegenstelling tot de Belgische
situatie, slechts één van de partners erin slaagde
een beroepsactiviteit uit te oefenen, zodat het overgrote deel
van de uitkeringstrekkers terugvalt op één
pensioen.
Kan de minister mij mededelen of
hij, in het licht van deze opmerkingen, een meer redelijke
houding in het vooruitzicht kan stellen?
|
|
M. Didier Donfut,
secrétaire d’État aux Affaires européennes,
adjoint au ministre des Affaires étrangères. –
Je répondrai tout d’abord à Mme de
Bethune car cette réponse – dont je viens de
recevoir le texte – est la plus complète et contient
les éléments qui intéressent aussi
M. Vandenberghe.
|
De heer Didier
Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan
de minister van Buitenlandse Zaken. – Ik zal eerst het
antwoord op de vraag van mevrouw de Bethune voorlezen want
de tekst van dat antwoord is de meest volledige en bevat
elementen die ook de heer Vandenberghe interesseren.
|
|
La loi du
20 juillet 2006 introduit une profonde réforme
du régime de pensions de la sécurité sociale
d’outre-mer. Cette réforme était nécessaire
pour des raisons juridico-sociales, comme l’égalité
homme-femme et des conditions de carrière devant concorder
avec celles qui sont d’usage en Belgique, de même que
pour des raisons d’économie de marché.
Avec cette
loi, le législateur a donné au Roi la compétence
de réaliser ce dernier aspect. Le législateur doit
cependant ratifier ces arrêtés dans l’année.
Avant de poser
mes questions, je souligne qu’il ne s’agit pas d’une
opération d’économie. Les modifications
réglementaires répondent aux recommandations de
l’audit de la Cour des comptes, mais correspondent
également à l’esprit du Pacte des générations
conclu l’année dernière. De plus, on a
réfléchi à des mesures transitoires, qui
tiennent compte de certains droits acquis.
À
l’heure actuelle, on discute des mesures qui doivent être
prises et de la manière dont elle seront transposées
en arrêtés royaux.
Avec les
réserves d’usage, le fil conducteur des mesures peut
être résumé comme suit.
Les droits
acquis en matière de capital constitué et de
revalorisation sont garantis. Les « droits acquis »
doivent être compris en premier lieu comme les droits des
assurés qui perçoivent déjà une
pension.
Les droits
acquis s’appliqueront aussi aux assurés de plus de
55 ans qui ont versé des cotisations avant le
1er janvier 2007. Pour eux, le mode de
calcul actuel sera maintenu pour le calcul de la pension sur la
base des cotisations versées avant cette date. Pour le
calcul de la pension sur la base des cotisations versées
après cette date, les nouvelles dispositions
réglementaires seront appliquées.
Pour ceux qui
ont moins de 55 ans, les droits acquis à la date du
31 décembre 2006 seront également
garantis, mais la constitution de la future pension complète,
tant pour l’évolution nouvelle que future des droits
acquis au 31 décembre 2006, s’effectuera
selon les nouvelles règles.
Dans ce
contexte, j’attire l’attention sur le fait qu’en
aucun cas on ne dérogera au nouvel âge légal
de la pension fixé à 65 ans à partir du
1er janvier 2007. Prendre une pension
anticipée n’est donc possible, à dater du
1er janvier 2007, qu’à partir
de l’âge de 60 ans.
En ce qui
concerne le nouveau mode de calcul de la pension, on utilisera,
pour les cotisations versées à partir du
1er janvier 2007, de nouvelles tables de
mortalité et un nouveau taux d’intérêt.
Indépendamment de ce taux d’intérêt il
faut encore déterminer s’il y aura ou non une
revalorisation.
La notion de
« salaire différé » ne peut
avoir aucun sens en cette matière, parce que les droits à
la pension sont établis sur la base de droits
forfaitaires, fixés par la loi, qui n’ont aucun lien
avec le salaire perçu.
Pour être
clair, j’ajoute encore qu’il s’agit d’une
proposition sur laquelle nous nous concerterons avec les
partenaires sociaux et les ONG.
Toutefois,
comme cela figure tant dans l’annexe au rapport d’audit
de la Cour des comptes que dans la lettre commune du ministre des
Affaires sociales, un commissaire du gouvernement sera sous peu
désigné à l’OSSOM. Il fera une analyse
du cadre réglementaire et du contexte économique et
social dans lequel agit celui-ci. En outre, il établira
des propositions relatives au positionnement futur, à
l’accomplissement des tâches et au mode de
fonctionnement de l’OSSOM. Il devra aussi effectuer une
estimation des conséquences budgétaires, sociales
et organisationnelles de ces propositions. En aucun cas il ne
sera porté atteinte aux conditions de travail du personnel
et de l’office.
J’espère
achever la réforme pour le début de l’année
2007. Dans le courant du mois de novembre, l’OSSOM lancera
une campagne d’information pour les intéressés.
Je n’ai
pas l’intention de modifier le mécanisme
d’indexation, fixé dans la loi du 16 juin 1960
relative à la sécurité sociale coloniale.
|
Met de wet van 20 juli 2006
wordt een grondige hervorming ingevoerd van de pensioenregeling
in de overzeese sociale zekerheid. Deze hervorming was
noodzakelijk om juridisch-sociale redenen, zoals de gelijkheid
van man en vrouw en loopbaanvereisten die gelijk moeten lopen met
deze die gangbaar zijn in België, evenals om
markteconomische redenen.
Met deze wet heeft de wetgever de
Koning de bevoegdheid gegeven om dit laatste aspect te
realiseren. Wel moet de wetgever deze besluiten binnen het jaar
bekrachtigen.
Voor ik nader inga op de vragen,
wens ik te benadrukken dat het niet om een besparingsoperatie
gaat. De reglementaire wijzigingen komen tegemoet aan de
aanbevelingen in de audit van het Rekenhof, maar worden ook
afgestemd op de geest van het vorig jaar gesloten Generatiepact.
Daarbij wordt gedacht aan overgangsmaatregelen, die rekening
houden met bepaalde verworven rechten.
Op het ogenblik wordt besproken
welke maatregelen moeten worden genomen en hoe ze in koninklijke
besluiten zullen worden omgezet.
Aangezien we ons nog in de
voorbereidende fase bevinden, is het nog niet mogelijk details te
geven. De leidraad voor de maatregelen kan, met het nodige
voorbehoud, als volgt worden samengevat.
De verworven rechten inzake
verworven kapitaal en herwaardering blijven gewaarborgd.
‘Verworven rechten’ moeten we in de eerste plaats
begrijpen als de rechten van de verzekerden die reeds een
pensioen krijgen.
Daarbij zullen ook verworven rechten
gelden voor de verzekerden ouder dan 55 jaar die bijdragen hebben
gestort vóór 1 januari 2007. Voor hen zal
de huidige berekeningswijze worden voortgezet voor de berekening
van het pensioen op basis van de bijdragen die vóór
deze datum werden gestort. Voor de berekening van het pensioen op
basis van de bijdragen gestort na deze datum zullen de nieuwe
reglementaire bepalingen worden toegepast.
Voor wie jonger is dan 55 zijn de
verworven rechten op datum van 31 december 2006
eveneens gegarandeerd, maar zal de volledige toekomstige
pensioenopbouw, zowel voor de nieuwe als voor de toekomstige
evolutie van de op 31 december 2006 verworven rechten,
verlopen volgens de nieuwe regels.
In dit verband vestig ik er wel de
aandacht op dat er in geen geval zal worden afgeweken van de
nieuwe pensioenleeftijd die met ingang van 1 januari 2007
op 65 jaar is vastgelegd. Een vervroegd pensioen opnemen blijft
vanaf 1 januari 2007 dus enkel mogelijk vanaf de
leeftijd van 60 jaar.
Wat de nieuwe berekeningswijze van
het pensioen betreft, zullen voor de bijdragen gestort vanaf
1 januari 2007 nieuwe mortaliteitstabellen en een
nieuwe rentevoet worden gehanteerd. Afhankelijk van deze
rentevoet moet nog worden bepaald of er al dan niet een
herwaardering komt.
Het begrip ‘uitgesteld loon’
kan in deze materie geen betekenis hebben, omdat de
pensioenrechten zijn opgebouwd op basis van forfaitaire rechten,
vastgesteld door de wet, die geen enkele binding hebben met het
verdiende loon.
Voor alle duidelijkheid voeg ik er
nog aan toe dat dit een voorstel is waarover we overleg zullen
plegen met de sociale partners en de NGO’s. Over dit alles
hebben we overigens al contact gehad met de sociale partners en
vertegenwoordigers van de NGO’s. Bij de verdere uitvoering
zullen we dit ook blijven doen.
Evenwel zal, zoals zowel in de
bijlage bij het auditrapport van het Rekenhof als in de
gemeenschappelijke brief van de minister van Sociale Zaken wordt
aangegeven, eerlang een regeringscommissaris bij de DOSZ worden
aangesteld. Hij zal een analyse maken van het reglementaire kader
en de economische en sociale context waarbinnen de DOSZ actief
is. Daarbij zal hij voorstellen uitwerken met betrekking tot de
toekomstige positionering, taakinvullingen en de werkwijze van de
DOSZ. Hij zal ook een raming moeten maken van mogelijke
budgettaire, sociale en organisatorische gevolgen van deze
voorstellen. De arbeidsvoorwaarden van het personeel en de
instelling zullen in geen geval worden aangetast. Ten slotte zal
de commissaris in voorkomend geval de implementatie leiden van de
in aanmerking genomen voorstellen.
Ik hoop de hervorming tegen
nieuwjaar 2007 rond te krijgen. De DOSZ zal in de loop van de
maand november een communicatiecampagne opzetten voor de
betrokkenen.
Het is niet mijn bedoeling om ook
het indexeringmechanisme, bedoeld in de wet van 16 juni 1960
betreffende de koloniale sociale zekerheid, te wijzigen.
|
|
Mme Sabine
de Bethune (CD&V). – J’estime qu’il
est inconvenant d’avoir pris de telles mesures dans la
loi-programme. On n’a jamais indiqué au sujet des
articles en question que l’objectif était de prendre
une telle mesure. On n’a mené aucune concertation
avec le secteur. De cette manière, un vent de panique a
soufflé dans le secteur des ONG, le secteur privé,
le secteur des agents internationaux et des missionnaires. Un
élément supplémentaire réside dans le
fait que la plupart des personnes résident à
l’étranger et ont des difficultés à
obtenir des informations exactes.
On ne peut
nullement porter atteinte aux droits à la pension qui ont
été constitués.
Lors des
calculs, il faut tenir compte du facteur humain et du contexte
spécifique. Beaucoup de personnes ont opté pour une
carrière internationale. Il s’agit souvent de
carrières lucratives, mais ce sont souvent aussi des
carrières à risque, un engagement spécial ou
un appel à s’engager solidairement avec d’autres
dans une autre partie du monde. En faisant ce choix, ces
personnes ont estimé qu’il était sécurisant
d’avoir un régime de pension stable. Pour beaucoup,
cet élément fut déterminant dans leur choix
de carrière. Lorsqu’il s’agira de concrétiser
les dispositions dans les prochaines semaines et les prochains
mois, il faudra tenir compte des spécificités et
des risques du secteur.
|
Mevrouw Sabine de Bethune
(CD&V). – Ik zal het debat niet ten gronde voeren,
want ik stel vast dat de bevoegde minister hier niet durft te
verschijnen.
Dat men dergelijke maatregelen in de
programmawet heeft opgenomen, vind ik onbehoorlijk. Nooit werd
bij de artikelen in kwestie toegelicht dat het de bedoeling was
een dergelijke maatregel te nemen. Men heeft geen overleg
gepleegd met de sector. Op die manier is een paniekgolf ontstaan
in de NGO-sector, de privésector, de sector van de
internationale ambtenaren en missionarissen. Een bijkomend
element is dat de meeste mensen in het buitenland verblijven en
moeite hebben om de juiste informatie te krijgen.
Er kan onmogelijk aan de opgebouwde
pensioenrechten worden geraakt.
Bij de berekeningen moet men
rekening houden met de menselijke factor en de specifieke
context. Vele mensen hebben voor een internationale loopbaan
gekozen. Vaak gaat het om een lucratieve carrière, maar
dikwijls zijn het ook risicovolle loopbanen, een speciaal
engagement of een roeping om zich solidair met anderen in een
ander deel van de wereld in te zetten. Bij het maken van die
keuze hebben deze mensen zekerheid gevonden in een stabiel
pensioenstelsel. Bij velen was dit trouwens determinerend voor
hun loopbaankeuze. Vaak heeft de partner ook de eigen loopbaan
moeten onderbreken. Wanneer men de komende weken en maanden de
bepalingen gaat concretiseren, moet men rekening houden met de
specificiteit en de risico’s van de sector.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Nous ne pouvons
malheureusement pas discuter de cette question avec le ministre.
Je ne puis absolument pas partager son avis selon lequel une
pension n’est pas un salaire différé pour les
personnes ayant une telle carrière. Nous signalerons aux
organisations sociales en Belgique que le gouvernement considère
les droits à la pension comme des cadeaux et que celui qui
les donne peut à tout moment les reprendre.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Jammer genoeg kunnen we over
deze kwestie niet met de minister in debat gaan. Louter voor het
verslag wil ik toch het volgende zeggen. Ik kan het volstrekt
niet eens zijn met de bewering van de minister dat een pensioen
geen uitgesteld loon is voor personen met een dergelijke
loopbaan. We zullen aan de sociale organisaties in België
meedelen dat de regering pensioenrechten beschouwt als giften en
dat degene die ze geeft, ze op ieder ogenblik weer kan
terugnemen. In het oude recht gold altijd: ‘donner et
retenir ne vaut’. Nochtans is dat wat de regering
hier komt zeggen.
|
|
Demande
d’explications de M. Jan Steverlynck au vice-premier
ministre et ministre des Finances et au ministre de l’Économie,
de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la
Politique Scientifique sur «les avantages fiscaux visant à
rendre la Belgique attrayante pour les fonds de pension
d’entreprise» (nº 3-1827)
|
Vraag
om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de
vice-eersteminister en minister van Financiën en aan de
minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en
Wetenschapsbeleid over «de fiscale gunstmaatregelen om
België aantrekkelijk te maken voor bedrijfspensioenfondsen»
(nr. 3-1827)
|
|
Mme la présidente.
– M. Didier Donfut, secrétaire d’État
aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires
étrangères, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese
Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken,
antwoordt.
|
|
M. Jan
Steverlynck (CD&V). – Le gouvernement a déjà
annoncé plusieurs fois qu’il avait l’intention
d’améliorer l’attractivité de la
Belgique pour les fonds de pension d’entreprise.
Le
13 juillet 2006, la Chambre a adopté le projet
de loi relative au contrôle des institutions de retraite
professionnelle, lequel transpose la directive européenne
concernant les activités et la surveillance des
institutions de retraite professionnelle. Le gouvernement en a
profité pour rendre la Belgique concurrentielle vis-à-vis
de pays tels que l’Irlande, le Luxembourg, les Pays-Bas et
la Grande Bretagne.
De nombreuses
questions subsistent quant à la manière dont le
projet de loi a été adopté par le parlement
et quant à son contenu trop limité.
Outre le
contrôle prudentiel et la nouvelle forme juridique, un
statut fiscal attractif est indispensable pour améliorer
la compétitivité de la Belgique et attirer des
entreprises multinationales qui veulent établir leurs
fonds de pension dans notre pays. En effet, il y a une forte
concurrence de pays tels que l’Irlande et le Luxembourg.
Les fonds de pension établis dans notre pays étant
bénéfiques aux gestionnaires de fortunes, au
secteur bancaire et à l’emploi, je continue à
insister sur une mise en œuvre rapide et efficace de
mesures stimulant l’attractivité fiscale de notre
pays sur ce plan.
Un statut
fiscal attractif comportant des éléments
identifiables sur le plan international constitue un must. Un bon
point de départ pourrait être le régime
fiscal d’un organisme de placement collectif, sans pour
autant que le fonds ne doive être un OPC.
À ce
jour, le gouvernement n’a pris aucune initiative au niveau
fiscal et ce, malgré mes différentes questions
parlementaires réclamant une initiative législative
dans ce domaine.
Dans sa
réponse à ma demande d’explications relative
à la position concurrentielle de la Belgique comme lieu
d’établissement de fonds de pension paneuropéens,
le ministre a signalé qu’un groupe de travail
intercabinets discutait d’un projet de loi qui sera déposé
au Parlement dans un délai rapproché. Je n’ai
toutefois pas obtenu de réponse valable quant au régime
fiscal prévu par le gouvernement, pas plus qu’à
ma question parlementaire du 27 avril dernier. Le Conseil
des ministres des 21 et 22 mars 2004 a chargé
les ministres des Finances, des Pensions et de l’Économie
de convoquer un groupe de travail pour examiner la manière
dont la Belgique peut se profiler comme lieu d’établissement
pour des fonds de pension paneuropéens. Nous n’avons
jamais eu connaissance des résultats éventuels des
travaux de ce groupe de travail.
Le chapitre
fiscal n’avait manifestement pas sa place dans le projet de
loi en question.
J’ai
donc été surpris de lire à plusieurs
reprises dans le journal De Tijd que l’adoption
du projet le 13 juillet dernier avait permis au gouvernement
d’esquisser une nouvelle législation fiscale
attrayante afin d’ancrer les fonds de grandes entreprises
étrangères en Belgique et d’attirer de
nouveaux fonds de pension, alors que ce projet ne prévoit
absolument rien au plan fiscal.
Enfin, en
réponse à une question parlementaire de ma
collègue, Erika Thijs, le gouvernement a promis d’élaborer
un ensemble d’initiatives de promotion avant le contrôle
budgétaire de juillet 2006.
Pourquoi le
ministre n’a-t-il pris encore aucune initiative au niveau
fiscal ?
Pourquoi les
médias diffusent-ils sans cesse de fausses informations, à
savoir l’existence d’un cadre légal, alors que
le parlement n’a encore adopté aucune mesure dans le
domaine fiscal ?
Pourquoi le
projet de loi adopté le 13 juillet 2006 à
la Chambre ne comprend-il aucun volet fiscal ? Cela aurait
été possible si le gouvernement avait déjà
pris des initiatives. Il a d’ailleurs déposé
des centaines d’amendements relatifs au statut juridique.
Quelles
mesures fiscales le gouvernement compte-t-il prendre pour
stimuler les fonds de retraite paneuropéens ?
Quand le
gouvernement prendra-t-il ces mesures fiscales ? A-t-il déjà
élaboré les initiatives promises et en quoi
consistent-elles ?
|
De heer Jan Steverlynck
(CD&V). – De regering heeft al meermaals verkondigd
dat ze de intentie heeft om België aantrekkelijk te maken
voor bedrijfspensioenfondsen.
Op 13 juli 2006 werd het
wetsontwerp betreffende het toezicht op de instellingen voor
bedrijfspensioenvoorziening door de Kamer aangenomen. Het
regeringsinitiatief volgde op de vraag tot omzetting van de
Europese richtlijn inzake het toezicht op de instellingen voor
bedrijfspensioenvoorzieningen. De regering maakte van de
gelegenheid gebruik om de Belgische wetgeving concurrentieel te
maken met de instellingen van landen als Ierland, Luxemburg,
Nederland en Groot-Brittannië.
Niet alleen over de manier waarop
het wetsontwerp in het parlement werd aangenomen – de
regering diende na de indiening nog meer dan honderd amendementen
in voor de oprichting van een nieuw juridisch vehikel –
maar ook over de te beperkte inhoud rijzen er vele vragen.
Naast het prudentieel toezicht en
het juridische kader via een nieuwe rechtsvorm is een nieuwe
fiscale gunstige regeling een absolute voorwaarde om de
concurrentiekracht van ons land aan te scherpen en multinationale
bedrijven aan te trekken die hier hun pensioenfonds willen
vestigen. Er is immers sterke concurrentie van landen als Ierland
en Luxemburg. Omdat pensioenfondsen die in ons land worden
opgericht, vermogensbeheerders, de banksector en ook de
tewerkstelling ten goede komen, blijf ik aandringen op een snelle
en efficiënte uitvoering van maatregelen die de fiscale
aantrekkelijkheid van ons land op dat vlak bevorderen.
Een aantrekkelijk fiscaal statuut
dat internationaal herkenbare elementen bevat, is daarbij een
must. Een goed uitgangspunt zou hierbij het fiscaal regime van
een instelling voor collectieve belegging kunnen zijn, zonder dat
het fonds op zich een instelling voor collectieve belegging of
ICB hoeft te worden.
Tot op heden nam de regering geen
enkel initiatief op fiscaal vlak, hoewel ik via verschillende
parlementaire vragen reeds meermaals naar een wetgevend fiscaal
initiatief vroeg.
In zijn antwoord op mijn vraag om
uitleg over de concurrentiepositie van België als
vestigingsplaats voor pan-Europese pensioenfondsen deelde de
minister mee dat een interkabinettenwerkgroep een wetsontwerp
bespreekt dat binnen afzienbare termijn bij het parlement zal
worden ingediend. Op de vraag over het geplande fiscaal regime
kreeg ik echter geen afdoend antwoord. Op 27 april stelde ik
opnieuw een parlementaire vraag. Een afdoend antwoord kwam er
weer niet. De Ministerraad van 21 en 22 maart 2004
belastte nochtans de ministers van Financiën, van Pensioenen
en van Economie met het bijeenroepen van een werkgroep om te
onderzoeken hoe België zich kan profileren als
vestigingsplaats voor pan-Europese pensioenfondsen. Over
eventuele resultaten van die werkgroep werd nooit iets vernomen.
In het reeds vermelde wetsontwerp
was er blijkbaar geen ruimte voor het fiscale hoofdstuk.
Ik was dan ook verwonderd in De Tijd
meermaals te lezen dat de regering met de goedkeuring van het
ontwerp op 13 juli een nieuwe, fiscaal vriendelijke
wetgeving uittekende om de fondsen van grote buitenlandse
bedrijven in België te verankeren en nieuwe pensioenfondsen
aan te trekken, terwijl er op fiscaal vlak in dit ontwerp
eigenlijk niets is voorzien.
Ten slotte beloofde de regering in
een antwoord op een parlementaire vraag van collega Erika Thijs
een omvattend pakket van promotie-initiatieven inzake het
Belgische IBP-beleid uit te werken. De regering beloofde dat de
initiatieven klaar zouden zijn tegen de budgettaire controle van
juli 2006.
Waarom nam de minister tot op heden
geen initiatieven op fiscaal vlak?
Waarom wordt via de media
voortdurend verkeerde informatie verspreid, namelijk dat er een
allesomvattend wettelijk kader is, terwijl op fiscaal vlak door
het parlement nog niets werd goedgekeurd?
Waarom werd in het wetsontwerp dat
op 13 juli 2006 in de Kamer werd goedgekeurd geen
fiscaal hoofdstuk ingebouwd? Dat had perfect gekund, indien de
regering reeds initiatieven had genomen. Ze diende trouwens
honderden amendementen in over het juridisch statuut.
Welke concrete fiscale maatregelen
zal de regering nemen om de pan-Europese pensioenfondsen te
stimuleren?
Wanneer zal de regering deze fiscale
maatregelen nemen?
Heeft de regering al de beloofde
promotie-initiatieven uitgewerkt en hoe zien die eruit?
|
|
M. Didier
Donfut, secrétaire d’État aux Affaires
européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères.
– Je vous lis la réponse du ministre Reynders.
Un
avant-projet de loi relative au régime fiscal des
organismes de financement des pensions et des institutions de
pensions a été adopté le 20 juillet 2006.
Cet avant-projet a été transmis au Conseil d’État.
Ce dernier rendra prochainement un avis définitif en la
matière et un projet de loi sera déposé sans
délai à la Chambre.
|
De heer Didier Donfut,
staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister
van Buitenlandse Zaken. – Ik lees het antwoord van minister
Reynders.
Op 20 juli 2006 werd een
voorontwerp van wet betreffende het fiscale regime van de
organismen voor de financiering van de pensioenen en van de
instellingen voor de pensioenen goedgekeurd. Dit voorontwerp is
aan de Raad van State gezonden. Eerstdaags zal de Raad van State
haar definitief advies ter zake uitbrengen en zal onverwijld een
wetsontwerp bij de Kamer worden ingediend.
|
|
M. Jan
Steverlynck (CD&V). – Cette réponse ne me
satisfait pas totalement. Une initiative a manifestement été
prise, mais le ministre ne répond toujours pas à ma
question relative aux mesures concrètes qui ont été
prises. Il ne répond pas davantage à la question
relative aux initiatives de promotion promises. Toutefois, en
réponse à une question de ma collègue Thijs,
le ministre a signalé que des mesures concrètes
pouvaient être prises après l’élaboration
du budget. Le gouvernement ne souhaite manifestement pas répondre
à mes questions concrètes sur le régime
fiscal des fonds de pension. Celles-ci sont pourtant d’un
intérêt capital pour les entreprises multinationales
qui veulent établir leurs fonds de pension d’entreprise
dans notre pays. Il subsiste pas mal de confusion dans ce
domaine.
|
De heer Jan Steverlynck
(CD&V). – Dit antwoord is wat mager. Er is
blijkbaar een initiatief genomen, maar op mijn vraag over welke
concrete maatregelen genomen zijn, blijft de minister het
antwoord schuldig. Hij antwoordt evenmin op de vraag over de
beloofde promotie-initiatieven. De minister antwoordde nochtans
op een vraag van collega Thijs dat na de begrotingsopmaak
concrete maatregelen konden worden getroffen. De regering wenst
blijkbaar niet te antwoorden op mijn concrete vragen over de
fiscale regeling van de pensioenfondsen. Deze vragen zijn
nochtans uitermate belangrijk voor de multinationale bedrijven
die in ons land bedrijfspensioenfondsen willen oprichten. Er
blijft onduidelijkheid op dit vlak.
|
|
M. Didier Donfut,
secrétaire d’État aux Affaires européennes,
adjoint au ministre des Affaires étrangères. –
Le gouvernement a précisé qu’un projet de loi
serait rapidement présenté à la Chambre.
J’imagine que mes collègues pourront, dans le cadre
de ce débat, apporter tous les éléments de
réponse.
|
De heer Didier
Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan
de minister van Buitenlandse Zaken. – De regering
benadrukte dat binnenkort in de Kamer een wetsontwerp zal worden
ingediend. Ik veronderstel dat mijn collega’s in het kader
van het debat dat daarover zal plaatsvinden, alle elementen van
antwoord zullen kunnen meedelen.
|
|
Demande
d’explications de M. Berni Collas au vice-premier
ministre et ministre de l’Intérieur sur «le
Centre d’information et de communication (CIC) pour la
province de Liège» (nº 3-1841)
|
Vraag
om uitleg van de heer Berni Collas aan de vice-eerste
minister en minister van Binnenlandse Zaken over «het
Centrum voor informatie en communicatie (CIC) voor de provincie
Luik» (nr. 3-1841)
|
|
Mme la présidente.
– M. Didier Donfut, secrétaire d’État
aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires
étrangères, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese
Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken,
antwoordt.
|
|
M. Berni Collas (MR). –
Sehr geehrte Frau Vorsitzende, sehr geehrter Staatssekretär,
werte Kollegen, ich hatte bereits vergangenes Jahr die
Gelegenheit, in der vorliegenden Problematik zu intervenieren,
aber da in meinem Auge noch einiges im Argen liegt, sehe ich mich
dazu veranlasst hier nachzuhaken.
|
De heer Berni Collas
(MR). – Sehr geehrte Frau Vorsitzende, sehr geehrter
Staatssekretär, werte Kollegen, ich hatte bereits
vergangenes Jahr die Gelegenheit, in der vorliegenden Problematik
zu intervenieren, aber da in meinem Auge noch einiges im Argen
liegt, sehe ich mich dazu veranlasst hier nachzuhaken.
|
|
Mme la
présidente, M. le secrétaire d’État,
chers collègues, j’ai déjà eu
l’occasion l’année dernière
d’intervenir dans la présente problématique,
mais comme je suis d’avis qu’il y a encore quelques
difficultés, je me sens obligé d’intervenir à
nouveau.
|
Mevrouw de
voorzitter, mijnheer de staatssecretaris, beste collega’s,
ik heb vorig jaar al de gelegenheid gehad een bijdrage te leveren
tot de oplossing van dit probleem, maar aangezien er toch nog
enkele moeilijkheden zijn, zie ik me verplicht dit onderwerp
opnieuw ter sprake te brengen.
|
|
Comme je l’évoquais
dans ma demande d’explications du 28 avril 2005,
la province de Liège est confrontée à une
difficulté particulière, compte tenu de son
caractère bilingue. En effet, le CIC de Liège
devrait être composé de quatorze policiers qui
comprennent et parlent l’allemand et soient issus, à
parts égales, de la police fédérale et de la
police locale, afin d’assurer un service vingt-quatre
heures sur vingt-quatre.
Je me permets dès lors de
revenir sur la problématique des CIC à Liège
et de la couverture ASTRID à l’Est du pays.
Depuis le 1er octobre 2006,
la centrale 101 de la police fédérale d’Eupen
est fermée. Le dispatching est organisé par la
centrale CIC de Liège, qui assure aussi les appels de
détresse urgents – 101. Malheureusement, la centrale
ne dispose toujours pas de personnel bilingue en suffisance, afin
d’assurer un service permanent en langue allemande.
Une autre difficulté réside
dans le fait que la couverture ASTRID n’est pas assurée
pour tout le territoire des neuf communes germanophones, ce qui
oblige la police à travailler avec le vieux système
analogue. Le raccord du réseau analogue au réseau
digital – back-to-back system – est
techniquement possible jusqu’à fin 2007 – si
je suis bien informé –, mais ne donne pas
entière satisfaction.
Mes questions sont les suivantes.
Où en est le recrutement des
quatorze membres germanophones tant de la police fédérale
que de la police locale ?
Qu’en est-il de la couverture
ASTRID dans les neuf communes de langue allemande ?
|
Zoals vermeld
in mijn vraag om uitleg van 28 april 2005, wordt de
provincie Luik met het bijzondere probleem van de tweetaligheid
geconfronteerd. Het CIC van Luik moet samengesteld zijn uit
veertien politiemensen die Duits spreken en begrijpen. De helft
moet van de lokale politie komen en de andere helft van de
federale politie, teneinde vierentwintig uur op vierentwintig de
dienst te kunnen verzekeren.
Ik kom terug
op het probleem van het CIC te Luik en de dekking van het
ASTRID-netwerk in het oosten van het land.
De
101-centrale van de federale politie te Eupen is sinds
1 oktober 2006 gesloten. De dispatching wordt
georganiseerd door de CIC-centrale van Luik. Die behandelt
eveneens de 101-noodoproepen. Spijtig genoeg beschikt de centrale
nog altijd niet over voldoende tweetalig personeel om een
permanente dienst in de Duitse taal te verzekeren.
Een ander
probleem is dat het ASTRID-netwerk niet het hele grondgebied van
de negen Duitstalige gemeenten bestrijkt. Hierdoor moet de
politie met het oude analoge systeem werken. De aansluiting van
het analoge netwerk op het digitale netwerk – back-to-back
system – is technisch mogelijk tot einde 2007, maar het
geeft geen voldoening.
Ik heb
volgende vragen.
Hoever staat
het met de aanwerving van de veertien Duitstalige
personeelsleden, zowel bij de federale politie als bij de lokale
politie?
Hoever staat
het met de dekking van het ASTRID-netwerk in de negen Duitstalige
gemeenten?
|
|
M. Didier Donfut,
secrétaire d’État aux Affaires européennes,
adjoint au ministre des Affaires étrangères. –
Je lis la réponse de M. le ministre Dewael.
Il y a actuellement huit membres
germanophones au sein du CIC pour la province de Liège.
Selon la direction générale de l’appui
opérationnel, ce nombre permet de fonctionner.
Quatre membres sont issus de la
police fédérale et quatre autres de la police
locale.
En outre, un opérateur de la
police fédérale et un call taker neutre
suivent des cours d’allemand mais ne sont pas encore
reconnus bilingues.
En ce qui concerne la couverture du
réseau radio, ASTRID finalise actuellement le réseau
radio dans la province de Liège. Le nombre initial
d’antennes en province de Liège était de 59.
En étroite collaboration avec
le Comité Consultatif des Usagers, des critères
objectifs ont été définis en vue de la mise
en place d’environ 80 mâts supplémentaires sur
l’ensemble du territoire belge, y compris dans la province
de Liège.
Dans le cadre de cette extension du
réseau, ASTRID a déjà commandé
plusieurs mâts supplémentaires pour la province de
Liège – neuf unités pour lesquelles un
dossier a été ouvert ainsi que huit unités
ultérieures.
Pour rappel, au cours de
l’installation des 59 mâts initiaux, ASTRID a connu
de très nombreuses difficultés d’obtention de
permis de bâtir. Sur les 59 mâts initiaux, il en
reste encore deux à installer, à Manderfeld et à
Saint-Vith. Pour ce dernier, la demande de permis sera introduite
à très court terme. Quant à celui de
Manderfeld, la demande a été acceptée mais
la commune refuse d’autoriser la construction.
En ce qui concerne l’installation
des mâts supplémentaires en province de Liège,
neuf nouveaux mâts ont été commandés.
Un dossier a été lancé pour chacun d’eux.
Ces sites sont Recht, Schönberg, Aldringen, Amel, Waimes,
Stoumont, Lierneux, Stavelot et Jalhay.
Les communes et les services de
secours et de sécurité des Cantons de l’Est
bénéficieront de la couverture radio des sites qui
seront installés à Recht, Schönberg,
Aldringen, Amel ainsi qu’à Stavelot.
Outre les neuf mâts pour
lesquels un dossier a été ouvert, ASTRID prévoit
encore huit autres mâts supplémentaires en province
de Liège. Les lieux d’implantation de ces mâts
ne sont pas encore définis avec exactitude.
Soucieux d’offrir un outil de
communication efficace aux services de secours et de sécurité,
ASTRID met tout en œuvre pour installer, dans les meilleurs
délais, les derniers mâts nécessaires pour
compléter le réseau de radiocommunication.
À cet effet, il importe que
tous les pouvoirs publics concernés, tant du point de vue
de la sécurité du citoyen que du point de vue de
l’aménagement du territoire, soient volontaristes
dans la gestion des dossiers d’implantation de mâts
ASTRID.
|
De heer Didier
Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan
de minister van Buitenlandse Zaken. – Ik lees het antwoord
van minister Dewael.
Het CIC voor
de provincie Luik telt momenteel acht Duitstalige
personeelsleden. Volgens de algemene directie operationele
ondersteuning is dit aantal voldoende om te functioneren.
Vier
personeelsleden komen van de federale politie en vier van de
lokale politie.
Bovendien
volgen een operator van de federale politie en een neutrale
centralist een cursus Duits, maar ze zijn nog niet als tweetalig
erkend.
Wat de dekking
van het radionetwerk betreft, kan ik u meedelen dat ASTRID
momenteel een radionetwerk in de provincie Luik installeert.
Oorspronkelijk zouden er 59 antennes in de provincie Luik worden
geplaatst.
Met het oog op
de plaatsing van ongeveer 80 bijkomende masten over het hele
Belgische grondgebied, de provincie Luik inbegrepen, werden in
nauw overleg met het Raadgevend Gebruikerscomité
objectieve criteria opgesteld.
In het kader
van deze uitbreiding van het ASTRID-netwerk werden al
verschillende bijkomende masten voor de provincie Luik besteld.
Voor negen stuks werd al een dossier geopend, later komen er nog
acht bij.
Voor de
installatie van de 59 oorspronkelijke masten was het moeilijk om
een bouwvergunning te verkrijgen. Twee van de 59 masten moeten
nog worden geplaatst, in Manderfeld en in Sankt Vith. Voor deze
laatste zal de bouwaanvraag binnenkort worden ingediend. Voor
Manderfeld is de aanvraag aanvaard, maar de gemeente weigert de
bouwvergunning toe te kennen.
Er werden
negen nieuwe bijkomende masten voor de provincie Luik besteld.
Voor elk van de sites werd een dossier aangelegd: Recht,
Schönberg, Aldringen, Amel, Waimes, Stoumont, Lierneux,
Stavelot en Jalhay.
De gemeenten
en de hulpdiensten van de Oostkantons zullen gebruik kunnen maken
van de radiodekking van het netwerk van de sites Recht,
Schönberg, Aldringen, Amel en Stavelot.
Naast de negen
masten waarvoor een dossier werd geopend, voorziet het
ASTRID-netwerk nog in acht andere bijkomende masten in de
provincie Luik. De vestigingsplaats van deze masten is nog niet
precies bepaald.
Via het
ASTRID-netwerk wil men de hulpdiensten een efficiënt
communicatieinstrument ter beschikking stellen. Alles wordt in
het werk gesteld om zo snel mogelijk de laatste masten te bouwen,
zodat het radiocommunicatienetwerk compleet is.
Alle betrokken
overheden moeten, zowel rekening houdend met de veiligheid van de
burgers als met de ruimtelijke ordening, samenwerken in de
dossiers voor de plaatsing van de ASTRID-masten.
|
|
M. Berni Collas (MR). –
Je remercie le secrétaire d’État des
précisions qu’il a apportées sur la
couverture ASTRID. J’en prends acte.
En ce qui concerne le CIC, il faut
veiller à recruter le plus rapidement possible le
personnel nécessaire, même si le centre fonctionne
pour l’instant, afin d’éviter des problèmes
ou retards lors du traitement des appels de détresse en
allemand. Si des personnes lançant un appel de détresse
au CIC de Liège ne pouvaient se faire comprendre, cela
pourrait en effet avoir des conséquences fâcheuses.
|
De heer Berni
Collas (MR). – Ik dank de staatssecretaris voor de
informatie over de ASTRID-dekking.
Wat het CIC
betreft, moet zo snel mogelijk het nodige personeel worden
aangeworven. Ook al functioneert het centrum momenteel, toch
moeten problemen of vertragingen bij noodhulpoproepen in het
Duits worden vermeden. Als mensen een noodoproep richten tot het
CIC van Luik en ze kunnen zich niet verstaanbaar maken, dan kan
dat verstrekkende gevolgen hebben.
|
|
Demande
d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre des
Affaires étrangères sur «les conséquences
de l’arrêt de la Cour de justice sur la transmission
de données relatives aux passagers de l’Union
européenne aux États-Unis et la nouvelle solution
appropriée» (nº 3-1836)
|
Vraag
om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister
van Buitenlandse Zaken over «de gevolgen van het arrest van
het Hof van Justitie over het doorspelen van passagiersgegevens
vanuit de Europese Unie aan de Verenigde Staten en de nieuwe
ad-hocoplossing ter zake» (nr. 3-1836)
|
|
Mme la présidente.
– M. Didier Donfut, secrétaire d’État
aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires
étrangères, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese
Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken,
antwoordt.
|
|
(M. Staf Nimmegeers, premier
vice-président, prend place au fauteuil présidentiel.)
|
(Voorzitter: de heer Staf
Nimmegeers, eerste ondervoorzitter.)
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – L’arrêt du
30 mai 2006 de la Cour de Justice annule la décision
du Conseil des ministres européen autorisant la Commission
européenne à conclure un accord avec les États-Unis
au nom de l’Union européenne.
Selon cet
accord, les transporteurs aériens assurant les liaisons à
destination, au départ ou à travers les États-Unis
sont tenus de fournir aux autorités américaines un
accès électronique aux données contenues
dans leurs systèmes de réservation et de contrôle
des départs.
Cela concerne
34 données, allant de l’identité des
passagers à leur adresse en passant par leurs habitudes
alimentaires. C’est la Communauté européenne
qui a négocié avec les États-Unis car la
réglementation européenne sur la protection des
données était en cause.
Le
14 mai 2004, la Commission a estimé que le
Bureau des douanes et de la protection des frontières des
États-Unis d’Amérique garantissait une
protection suffisante. Trois jours plus tard, le Conseil des
ministres européen adoptait une décision autorisant
la Commission à conclure avec les États-Unis un
accord qui fut signé à Washington le 28 mai 2004,
avec effet immédiat. Les objections du Parlement européen
étaient ainsi écartées.
La Cour de
Justice a annulé cette décision mais cette
annulation n’est entrée en vigueur que le
30 septembre 2006. En réponse à ma
demande d’explication du 8 juin 2006, le ministre
a déclaré que l’on trouverait une solution
appropriée avant le 30 septembre 2006 en ce qui
concerne les problèmes juridiques.
Entre-temps,
un accord a été conclu entre l’Union
européenne et les États-Unis d’Amérique
sur le traitement et le transfert des données PNR par des
transporteurs aériens au ministère de la Sécurité
intérieure des États-Unis d’Amérique.
Le point 1 des
conclusions de cet Accord prévoit que, se fiant à
l’exécution poursuivie des engagements précité
par le DHS, le « Department of Homeland Security »,
comme interprété à la lumière des
événements ultérieurs, l’Union
européenne veillera à ce que les transporteurs
aériens assurant un service de transport international de
passagers à destination ou au départ des
États-Unis, traitent les données PNR stockées
dans leurs systèmes informatiques de réservation
comme demandé par le DHS.
Le point 3
dispose que le DHS traite les données PNR reçues et
les personnes concernées par les données
conformément aux lois et exigences constitutionnelles
applicables aux États-Unis, sans discrimination, en
particulier sur la base de la nationalité et/ou du pays de
résidence.
Le point 5
précise qu’en cas de mise en œuvre dans
l’Union européenne, ou dans un ou plusieurs de ses
États-membres, d’un système d’identification
des passagers aériens qui imposerait aux transporteurs
aériens de donner aux autorités l’accès
aux données PNR des passagers dont le voyage en cours
inclut un vol à destination ou au départ de l’Union
européenne, le DHS encouragera activement, autant que
possible et dans le strict respect du principe de réciprocité,
les compagnies aériennes relevant de sa compétence
à coopérer.
Reconnaissez,
monsieur le ministre, que cet accord témoigne du flou le
plus total. Je me demande dès lors si les principes de
droit sont bien pris en considération et si nous ne devons
pas à nouveau introduire un recours devant la Cour
européenne de Justice.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Bij arrest van 30 mei 2006
heeft het Hof van Justitie het besluit vernietigd van de Europese
Ministerraad waardoor de Europese Commissie in naam van de
Europese Unie een overeenkomst mocht afsluiten met de Verenigde
Staten.
Die overeenkomst bepaalde dat
Europese luchtvaartmaatschappijen die verbindingen naar of vanuit
de Verenigde Staten verzorgen of over het grondgebied van de
Verenigde Staten vliegen, aan de Amerikaanse autoriteiten
elektronische toegang moeten geven tot de gegevens in het
boeking- en vertrekcontrolesysteem.
Het slaat op 34 gegevens,
gaande van de identiteit over het adres tot en met de
eetgewoonten.
Het was de Europese Commissie die
onderhandelde met de Verenigde Staten, omdat de Europese regels
over de gegevensbescherming in het geding waren.
Op 14 mei 2004 oordeelde
de Commissie dat het Amerikaanse Bureau voor Douane- en
Grensbescherming voldoende bescherming waarborgt. Drie dagen
later al kwam er een besluit van de Europese Ministerraad
waardoor de Commissie groen licht kreeg om een overeenkomst te
sluiten met de Verenigde Staten die op 28 mei 2004 werd
ondertekend in Washington en ook meteen van kracht werd. De
bezwaren van het Europees Parlement werden daarbij opzij
geschoven.
Het Hof van Justitie heeft die
beslissing nu vernietigd maar de vernietiging had pas
rechtsgevolg op 30 september 2006. In antwoord op mijn
vraag om uitleg van 8 juni 2006 stelde de minister dat
er vóór 30 september 2006 een
ad-hocoplossing voor de juridische problemen zou worden gevonden.
Intussen is er een overeenkomst
gesloten tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van
Amerika inzake de verwerking en de overdracht van
persoonsgegevens, de zogenaamde PNR-gegevens door
luchtvaartmaatschappijen aan het ministerie van Binnenlandse
Veiligheid van de Verenigde Staten van Amerika.
Onder punt 1 van de besluiten
van die overeenkomst lees ik: ‘Vertrouwend op de
voortgezette uitvoering van genoemde verbintenissen door het DHS,
het Department of Homeland Security, zoals geïnterpreteerd
in het licht van de verdere gebeurtenissen, zorgt de Europese
Unie ervoor dat luchtvaartmaatschappijen die internationale
passagiersvluchten van of naar de Verenigde Staten uitvoeren,
PNR-gegevens uit hun boekingssysteem verwerken, zoals gevraagd
door het DHS.’
Onder punt 3 lees ik verder:
‘Het DHS verwerkt de ontvangen PNR-gegevens en behandelt de
personen wier gegevens worden verwerkt, overeenkomstig de
toepasselijke wetgeving en de grondwettelijke vereisten van de
Verenigde Staten zonder onwettige discriminatie en met name
zonder aanzien van nationaliteit en/of land van verblijf.’
Punt 5 bepaalt: ‘Indien
de Europese Unie of een of meer van haar lidstaten een systeem
van identificatie van luchtreizigers invoert dat
luchtvaartmaatschappijen ertoe verplicht de autoriteiten toegang
te bieden tot de PNR-gegevens inzake personen van wie de
reisroute een vlucht van of naar de Europese Unie inhoudt, zal
het DHS, voor zover haalbaar en op basis van strikte
wederkerigheid, de medewerking van de onder zijn bevoegdheid
vallende luchtvaartmaatschappijen actief bevorderen.’
Geef toe dat die overeenkomst van
een uitzonderlijke vaagheid getuigt. Ik vraag me dus af of de
rechtsbeginselen wel in acht worden genomen en of we niet opnieuw
een vordering voor het Europese Hof van Justitie moeten
instellen.
|
|
M. Didier
Donfut, secrétaire d’État aux Affaires
européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères.
– Je vous lis la réponse du ministre De Gucht.
Le
30 mai 2006, la Cour de Justice a déclaré
nulle la décision d’adéquation 2004/535/CE de
la Commission du 14 mai 2004, ainsi que l’arrêté
2004/496/CE, portant approbation de l’Accord signé
le 28 mai 2004 entre la Communauté européenne
et les États-Unis en ce qui concerne le traitement et la
transmission des données PNR. La Cour a suivi
l’argumentation du Parlement européen estimant que
ces instruments n’avaient pas la base juridique requise.
Mais elle ne s’est pas prononcée sur le contenu
proprement dit de l’Accord. Elle a toutefois reconnu les
conséquences de son arrêt sur le droit international
et a autorisé que l’on respecte le délai de
dénonciation prévu dans l’Accord. Or, pour
garantir la sécurité juridique des passagers et des
compagnies aériennes, il fallait aboutir immédiatement
à un nouvel accord.
Après
de brèves mais difficiles négociations sur la base
d’un mandat strict du Conseil, la Commission et la
Présidence sont parvenues, le 6 octobre, à un
nouvel accord avec les États-Unis. Celui-ci est basé
sur l’accord précédent et ne modifie en rien
les engagements – « undertakings » –
qui garantissent que les États-Unis respectent un niveau
de protection adéquat. Compte tenu de la législation
américaine relative à la lutte contre le
terrorisme, modifiée entre-temps, le nouvel accord a été
conclu avec le « Department of Homeland Security ».
Une lettre unilatérale a été rédigée,
dans laquelle les États-Unis interprètent les
clauses de l’accord et les « undertakings »
à la lumière de la nouvelle législation.
Il a été
convenu que cet accord ne serait applicable que jusqu’au
31 juillet 2007 et que les négociations pour un
nouvel accord global sur la Transmission d’ « Advance
Passenger Information » commenceraient sans tarder.
|
De heer Didier Donfut,
staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister
van Buitenlandse Zaken. – Ik lees het antwoord van minister
De Gucht.
Op 30 mei 2006 vernietigde
het Hof van Justitie de gelijkwaardigheidsbeschikking 2004/535/EG
van de Commissie van 14 mei 2004, alsook het besluit
2004/496/EG van de Raad, tot goedkeuring van de op 28 mei 2004
ondertekende overeenkomst tussen de EG en de VS over de
verwerking en de overdracht van PNR-gegevens. Het Hof volgde de
argumentering van het Europees Parlement dat deze instrumenten
niet de juiste rechtsgrondslag hebben. Het Hof ging evenwel niet
in op de inhoud van de overeenkomst. Het erkende wel de
internationaalrechtelijke gevolgen van zijn arrest en stond toe
dat de in de overeenkomst vastgestelde opzegtermijn werd
gerespecteerd. Teneinde de rechtszekerheid van passagiers en
luchtvaartmaatschappijen te vrijwaren, moest wel onmiddellijk een
nieuwe overeenkomst worden bereikt.
Na korte, maar moeilijke
onderhandelingen op basis van een strikt mandaat van de Raad,
hebben de Commissie en het Voorzitterschap op 6 oktober een
nieuwe overeenkomst bereikt met de VS. Deze overeenkomst is
gebaseerd op de opgezegde overeenkomst en laat de in 2004
onderhandelde verbintenissen – undertakings –
die de garantie bieden dat de VS een adequaat beschermingsniveau
respecteren, ongewijzigd. Rekening houdend met de intussen
gewijzigde Amerikaanse wetgeving met betrekking tot de
bestrijding van het terrorisme, werd de nieuwe overeenkomt
gesloten met het Department of Homeland Security. Er werd ook een
unilaterale brief opgesteld waarin de VS de bepalingen van de
overeenkomst en de verbintenissen interpreteren in het licht van
de nieuwe wetgeving.
Er werd overeengekomen dat deze
overeenkomst slechts tot 31 juli 2007 geldig zal zijn
en dat onverwijld gestart wordt met de onderhandelingen over een
nieuw totaalakkoord inzake de overdracht van Advance Passenger
Information.
|
|
L’intérêt de
l’accord obtenu le 6 octobre réside
principalement dans la sécurité juridique et
l’égalité pour les citoyens européens
qui voyagent aux États-Unis. En effet, la disparité
entre les législations nationales concernées
risquait de causer des problèmes. De plus, un accord
rapide s’imposait pour permettre aux compagnies aériennes
européennes ayant des destinations aux États-Unis
de se conformer, sur pied d’égalité, à
la loi américaine pour ces vols.
En ce qui concerne la Belgique, on
peut supposer que l’accord obtenu est conforme aux
prescriptions reprises sous le chapitre VI de la loi du
8 décembre 1992 pour la protection de la vie
privée en ce qui concerne le traitement de données
de personnes et qu’il peut dès lors être
appliqué directement.
|
Het op
6 oktober bereikte akkoord draagt bij tot de verhoging van
de rechtszekerheid en de gelijke behandeling van de Europese
burgers die naar de VS reizen. De discrepantie tussen de
betreffende nationale wetgevingen dreigde immers tot
moeilijkheden te leiden. Bovendien was een snel akkoord nodig,
zodat de Europese luchtvaartmaatschappijen die naar de VS vliegen
zich voor deze vluchten konden aanpassen aan de Amerikaanse
wetgeving.
Voor België
stemt het bereikte akkoord inzake de verwerking van
persoonsgegevens overeen met de vereisten vermeld in hoofdstuk VI
van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de
persoonlijke levenssfeer. Het kan dus onmiddellijk worden
toegepast.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Je ne vais pas entamer la
discussion maintenant. La question est de savoir si les données
stockées aux États-Unis bénéficient
d’une protection comparable, qui soit compatible avec les
exigences du droit européen. Les législations
nationales sont en effet différentes mais on oublie que
les 46 pays membres du Conseil de l’Europe tombent sous le
champ d’application de ladite convention et que les États
membres de l’Union européenne ont élaboré
une directive concernant la protection des données. Il
s’agit là de problèmes juridiques importants.
Je n’ai
pas obtenu de réponse à ma question principale.
Nous devrons dès lors continuer à user des moyens
de droit dont nous disposons pour protéger les droits
fondamentaux de nos citoyens.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Ik zal de discussie nu niet
aangaan. Het gaat erom of de gegevens die in de VS worden
opgeslagen, een vergelijkbare bescherming hebben die verzoenbaar
is met de vereisten van het Europese recht. De nationale
wetgevingen zijn inderdaad verschillend, maar men vergeet dat
alle 46 landen van de Raad van Europa onder het gezag van de
desbetreffende conventie vallen en dat de lidstaten van de
Europese Unie een richtlijn hebben uitgevaardigd die betrekking
heeft op de databescherming. Dat zijn de grote juridische
problemen die rijzen.
Ik heb geen antwoord gekregen op de
kern van mijn vraag. We zullen dus verder de rechtsmiddelen
moeten aanwenden om de fundamentele rechten van onze burgers te
beschermen.
|
|
Demande
d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre des
Affaires sociales et de la Santé publique sur «le
taux de nicotine dans nos cigarettes» (nº 3-1835)
|
Vraag
om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister
van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het
nicotinegehalte in onze sigaretten» (nr. 3-1835)
|
|
M. le président.
– M. Didier Donfut, secrétaire d’État
aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires
étrangères, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese
Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken,
antwoordt.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Selon le magazine
Le Généraliste, le taux de nicotine par
cigarette a augmenté de quelque 10% ces dix dernières
années. Cette affirmation est basée sur une étude
du département de la Santé publique du
Massachusetts.
L’augmentation
s’applique à toutes les marques et à tous les
types de cigarettes.
Un taux de
nicotine plus élevé signifie également une
augmentation du risque d’assuétude.
Quelles
conclusions le ministre tire-t-il de cette étude ?
De quelle
manière contrôle-t-on le taux de nicotine contenu
dans les cigarettes ?
Des
infractions ont-elles déjà été
constatées ?
Quelles
mesures le ministre compte-t-il prendre pour, à l’avenir,
mieux contrôler le taux de nicotine présent dans les
cigarettes ?
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Volgens De Huisarts
is het nicotinegehalte dat rokers per sigaret inhaleren de
voorbije tien jaar met gemiddeld tien procent gestegen.
De Huisarts baseert zich
hierbij op een onderzoek van het Massachusetts Department of
Public Health.
De stijging doet zich voor bij alle
merken en alle soorten.
Een hoger nicotinegehalte betekent
ook een hogere kans op verslaving.
Welke conclusies trekt de minister
uit het onderzoek?
Op welke wijze wordt het
nicotinegehalte in de sigaretten gecontroleerd?
Werden hierbij reeds overtredingen
vastgesteld?
Welke maatregelen wil de minister
nemen om het nicotinegehalte in de sigaretten in de toekomst
beter te controleren en onder controle te houden?
|
|
M. Didier
Donfut, secrétaire d’État aux Affaires
européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères.
– Je vous lis la réponse du ministre Demotte.
Si les propos
de M. Vandenberghe sont exacts, la seule conclusion que je
puis en tirer est la grande inventivité dont les
fabricants de tabac doivent faire preuve pour contourner la
législation et manipuler les résultats de la
méthode type d’analyse développée à
l’échelon international. Selon les résultats
des contrôles dont dispose mon administration, il n’y
a guère de problèmes en la matière.
Durant le
premier semestre de cette année, le service de contrôle
du SPF Santé publique a fait procéder à
l’analyse de 51 marques de cigarettes, concernant entre
autres le taux de nicotine.
|
De heer Didier Donfut,
staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister
van Buitenlandse Zaken. – Ik lees het antwoord van minister
Demotte.
Indien wat de heer Vandenberghe
beweert, klopt, kan ik enkel concluderen dat de tabaksfabrikanten
zeer inventief zouden moeten zijn om de wetgeving te omzeilen en
de resultaten van de standaard internationale analysemethode te
manipuleren. Volgens de controleresultaten van mijn administratie
zijn er weinig problemen.
De tabakscontroledienst van de FOD
Volksgezondheid heeft in de eerste helft van dit jaar 51
verschillende sigarettenmerken laten analyseren, onder meer met
betrekking tot het nicotinegehalte.
|
|
En tenant compte de l’incertitude
de mesure des méthodes d’analyse, deux marques
présentaient un taux de nicotine trop élevé.
Pour le goudron et le CO, il y avait davantage de dépassements
des taux maximums autorisés, à savoir
respectivement 9 et 11 dépassements.
Les fabricants de tabac dont les
cigarettes avaient un taux trop élevé de nicotine,
goudron et CO ont reçu un avertissement. Les produits en
infraction seront suivis par le Service de contrôle du
tabac. Ainsi, lors d’un prochain contrôle, les
marques qui sont en infraction seront à nouveau analysées.
Dans la législation belge –
arrêté royal du 13 août 1990 relatif
à la fabrication et à la mise dans le commerce de
produits à base de tabac et de produites similaires –,
des taux maximums pour la nicotine et le goudron ont déjà
été fixés depuis 1990. Le taux de nicotine
maximum autorisé était en 1990 de 1,5 mg par
cigarette. Depuis 1990, le législateur a déjà
renforcé à deux reprises la sévérité
de ces normes. En 1990, ce taux maximum est passé à
1,2 et, en 2004, il a été ramené à
1,0 mg par cigarette.
Par conséquent, depuis 1990,
l’industrie du tabac a déjà dû revoir
deux fois à la baisse le taux de nicotine des cigarettes.
Depuis 2004, des taux maximums
spécifiques ont également été fixés
pour le CO toxique : 10 mg par cigarette.
|
Rekening
houdend met de meetonzekerheid van de analysemethoden waren er
twee merken met een te hoog nicotinegehalte. Voor teer en CO
werden meer overschrijdingen van de maximum toegelaten gehaltes
vastgesteld, respectievelijk 9 en 11 overschrijdingen.
De
tabaksfabrikanten van wie de sigaretten een te hoog gehalte aan
nicotine, teer en CO bevatten, kregen een waarschuwing. De
producten in overtreding zullen door de tabakscontroledienst
worden opgevolgd. Zo zullen bij een volgende controle de merken
die in overtreding zijn, opnieuw worden geanalyseerd.
In de
Belgische wetgeving – het koninklijk besluit van
13 augustus betreffende het fabriceren en het in de handel
brengen van producten op basis van tabak en soortgelijke
producten – zijn reeds sedert 1990 maximumgehaltes voor
nicotine en teer vastgelegd. Het maximum toegelaten gehalte aan
nicotine bedroeg in 1990 1,5 mg per sigaret. Sedert 1990 heeft de
wetgever deze normen reeds tweemaal strenger gemaakt. In 1997
werd het op 1,2 gebracht. In 2004 werd het maximum
nicotinegehalte teruggebracht op 1,0 mg per sigaret.
De
tabaksindustrie heeft sedert 1990 het nicotinegehalte van
sigaretten dus reeds tweemaal moeten verlagen.
Sedert 2004
zijn er ook specifieke maximumgehaltes vastgelegd voor CO: 10 mg
per sigaret.
|
|
Demande
d’explications de Mme Annemie Van de Casteele
au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique
sur «le numéro de nomenclature de la reconstruction
mammaire dite par lambeau libre» (nº 3-1838)
|
Vraag
om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan
de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het
nomenclatuurnummer voor borstreconstructie met vrije flap»
(nr. 3-1838)
|
|
M. le président.
– M. Didier Donfut, secrétaire d’État
aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires
étrangères, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese
Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken,
antwoordt.
|
|
Mme Annemie
Van de Casteele (VLD). – Si je pose cette question,
c’est parce que je n’ai pas encore reçu de
réponse à la lettre que j’avais adressée
au ministre, avec mon collègue Noreilde.
Hier encore,
nous avons rencontré au Sénat des femmes de groupes
interparlementaires qui s’occupent de ce problème en
collaboration avec Europa Donna. De plus en plus de femmes
(jeunes) atteintes d’un cancer du sein doivent subir une
mammectomie. Il est essentiel qu’elles puissent subir
immédiatement une reconstruction mammaire. Il existe à
l’heure actuelle trois techniques : une reconstruction
simple à l’aide d’une prothèse, un
lambeau myocutané ou une reconstruction par lambeau libre,
en utilisant uniquement des tissus autologues, des techniques de
microchirurgie permettant au sang de circuler dans le sein
reconstruit. C’est la raison pour laquelle on parle
d’opération « à chaud ».
La femme retrouve les mêmes sensations qu’avant
l’opération, ce qui est essentiel du point de vue
psychologique. Le fait qu’il existe des numéros de
nomenclature spécifiques pour les deux premières
techniques mais pas pour la troisième suscite pas mal de
confusion.
Un numéro
de nomenclature existant devrait être utilisé
temporairement pour la troisième technique, mais il ne
correspond ni à la complexité ni à la durée
de l’intervention, ni à l’expertise
nécessaire.
L’absence
de remboursement correct risque non seulement de conduire à
une mauvaise utilisation des numéros de nomenclature mais
peut également comporter un risque pour les femmes qui
entrent en considération pour une reconstruction mammaire
à chaud, dans le sens que les interventions sont
effectuées par étapes alors qu’elles
pourraient normalement être réalisées
simultanément. Le risque existe aussi que les médecins
se montrent réticents pour réaliser le traitement
ou facturent des suppléments.
Le ministre
a-t-il connaissance de ce problème ?
Est-il disposé
à faire examiner par le Conseil technique médical
de l’INAMI la possibilité de créer un numéro
de nomenclature propre pour la reconstruction mammaire par
lambeau libre et les révisions éventuelles ?
À
combien se monterait le remboursement correct de cette
technique ?
Les moyens
budgétaires nécessaires pourraient-ils être
dégagés à cet effet ?
|
Mevrouw Annemie Van de
Casteele (VLD). – Ik stel deze vraag omdat ik nog geen
antwoord heb gekregen op het schrijven dat ik samen met collega
Noreilde tot de minister richtte.
Gisteren nog hebben we hier in de
Senaat een ontmoeting gehad met vrouwen van interparlementaire
groepen die zich bezighouden met de problematiek in samenwerking
met Europa Donna. Bij steeds meer (jonge) vrouwen met borstkanker
wordt een borstamputatie onvermijdelijk. Het is daarbij van
belang dat onmiddellijk een borstreconstructie kan worden
uitgevoerd. Momenteel bestaan daartoe drie technieken: een
eenvoudige reconstructie met behulp van een prothese, een
gesteelde huidflap of spier-huidflap, of de zogenaamde
reconstructie met vrije flap, met alleen autoloog weefsel waarbij
via microchirurgische technieken de bloedcirculatie in de
gereconstrueerde borst wordt verzekerd. Daarom noemt men dit ook
een ‘warme’ borstoperatie. Het gevoel is na afloop
hetzelfde als voordien en dat is voor de vrouw psychologisch van
groot belang. Voor de eerste twee technieken bestaan specifieke
RIZIV-nomenclatuurnummers, voor de derde techniek niet, wat heel
wat verwarring veroorzaakt.
Momenteel zou voor de derde techniek
een bestaand nomenclatuurnummer moeten worden gebruikt, dat
evenwel niet overeenstemt met de complexiteit, de duur van en de
expertise die nodig is voor de ingreep.
Het ontbreken van een redelijke
terugbetaling leidt niet alleen tot een risico van verkeerd
gebruik van nomenclatuurnummers. Het kan ook een risico inhouden
voor vrouwen die in aanmerking komen voor een ‘warme’
borstreconstructie, in die zin dat de ingrepen stapsgewijs worden
uitgevoerd, terwijl ze normaal gezien gelijktijdig kunnen
gebeuren. Het risico bestaat ook dat artsen terughoudend zijn om
de behandeling uit te voeren of supplementen gaan aanrekenen.
Kent de minister het probleem?
Is hij bereid de Technische
Geneeskundige Raad van het RIZIV ermee te belasten na te gaan of
voor de borstreconstructie met vrije flap en de eventuele
revisies in een eigen nomenclatuurnummer kan worden voorzien?
Wat zou een billijke vergoeding zijn
voor die techniek?
Kunnen hiervoor de nodige
budgettaire middelen worden vrijgemaakt?
|
|
M. Didier
Donfut, secrétaire d’État aux Affaires
européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères.
– Je vous lis la réponse du ministre Demotte.
La
problématique de la reconstruction mammaire après
mammectomie pour pathologie cancéreuse nous est bien
connue depuis longtemps.
L’arrêté
royal du 26 mars 2003 a entraîné une
révision substantielle de la nomenclature de chirurgie
plastique. La nouvelle nomenclature comprend des prestations
spécifiques pour la reconstruction du sein amputé
selon différentes méthodes et le remodelage, si
nécessaire, du sein hétérolatéral.
Une prestation
existe pour la reconstruction mammaire après intervention
mutilante du sein par implantation de prothèse.
Pour des cas
plus complexes, ou pour des patientes chez qui l’implantation
d’une prothèse n’est pas indiquée pour
des raisons médicales, une série d’autres
prestations existent pour la reconstruction mammaire :
lambeau myocutané vascularisé pédiculé
ou lambeau du grand dorsal.
Pour ce qui
concerne le remodelage du sein contralatéral, des
prestations sont prévues.
La
reconstruction mammaire après mammectomie pour pathologie
cancéreuse est bien prise en compte dans la nomenclature
actuelle des prestations de santé.
|
De heer Didier Donfut,
staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister
van Buitenlandse Zaken. – Ik lees het antwoord van minister
Demotte.
De problematiek van de
borstreconstructie na een borstamputatie wegens kanker kennen wij
al lang.
Het koninklijk besluit van
26 maart 2003 heeft de nomenclatuur inzake plastische
heelkunde grondig herzien. De nieuwe nomenclatuur bevat
specifieke verstrekkingen voor de reconstructie van de
geamputeerde borst volgens verschillende methodes en indien
nodig, het opnieuw modelleren van de heterolaterale borst.
Er bestaat een verstrekking voor de
borstreconstructie na een mutilerende ingreep door implantatie
van een prothese.
Voor complexere gevallen of voor
patiënten bij wie een implantatie van een prothese om
medische redenen niet is aangewezen, bestaat een reeks andere
verstrekkingen voor de borstreconstructie: gesteelde myocutane
gevasculariseerde flap of groterugspierflap.
Met betrekking tot het opnieuw
modelleren van de contralaterale borst wordt eveneens in
verstrekkingen voorzien.
Borstreconstructie na een
borstamputatie wegens kanker komt in de huidige nomenclatuur voor
de geneeskundige verstrekkingen goed aan bod.
|
|
Deuxièmement, dans ce même
chapitre de chirurgie plastique au sujet des prestations de
chirurgie plastique générale, des interventions
micro-chirurgicales, et plus particulièrement les
techniques de reconstruction par lambeaux libres, ont été
prévues.
Ces lambeaux libres permettent des
reconstructions complexes comportant des éléments
myocutanés vascularisés et innervés. Il
s’agit des prestations sur le site donneur et sur le site
receveur.
Des règles d’application
habituelles sont actuellement en vigueur et les questions qui
sont posées à ce propos à l’INAMI
seront analysées lors du prochain Conseil technique
médical plénier.
Troisièmement, d’après
nos explications, vous nous semblez assez bien informé des
différentes prestations actuellement en vigueur.
Par ailleurs, nous ne manquerons pas
de poser au Conseil technique médical la question de
savoir s’il est opportun de modifier la nomenclature
récente.
|
Ten tweede, in
hetzelfde hoofdstuk van de plastische heelkunde, maar dan wel in
de verstrekkingen inzake algemene plastische heelkunde zijn
microchirurgische ingrepen opgenomen, en in het bijzonder de
technieken voor de reconstructie met vrije flap.
Vrije flappen
maken complexe reconstructie mogelijk met myocutane elementen die
bloedvaten en zenuwen bevatten. Het gaat om verstrekkingen
betreffende zowel de donorplaats als de receptorplaats, met
gebruik van microchirurgische technieken.
Momenteel zijn
de gebruikelijke toepassingsregels van kracht. In dat verband
krijgt het RIZIV talrijke vragen die op de volgende voltallige
zitting van de Technische Geneeskundige Raad zullen worden
geanalyseerd.
Ten derde, met
deze toelichting is de senator wellicht voldoende geïnformeerd
over de verschillende verstrekkingen die thans van kracht zijn.
We zullen de
Technische Geneeskundige Raad zeker de vraag stellen of een
wijziging van de recente nomenclatuur opportuun is.
|
|
Les budgets
pour les prestations relatives aux lambeaux libres ont été
prévus lors des modifications de la nomenclature de
chirurgie plastique en prenant comme hypothèse que le
nombre de cas pour lesquels ces prestations étaient
d’indication absolue resterait stable.
|
De budgetten voor de verstrekkingen
met betrekking tot de vrije flappen werden vastgelegd bij de
wijziging van de nomenclatuur inzake plastische heelkunde in de
veronderstelling dat het aantal gevallen waarvoor die
verstrekkingen een indicatie waren, stabiel zou blijven.
|
|
Mme Annemie
Van de Casteele (VLD). – S’agissant d’une
matière très technique, la réponse lue en
néerlandais par le secrétaire d’État
était difficile à suivre.
Je crois
comprendre que le ministre dit que les interventions pour raisons
médicales sont remboursées. La demande de
remboursement de prestations pour raisons esthétiques est
cependant en augmentation, surtout chez les femmes jeunes qui
doivent pouvoir à nouveau se sentir bien après une
maladie aussi invalidante. Étant donné que la
situation évolue sans cesse, il convient d’adapter
la nomenclature et de dégager les moyens nécessaires.
J’insiste
pour que le problème soit à nouveau soumis au
prochain Conseil technique médical. Le ministre laisse
d’ailleurs entendre que le Conseil examinera les nombreuses
questions qui se posent à ce sujet. En tout état de
cause, nous demeurons vigilants.
|
Mevrouw Annemie Van de
Casteele (VLD). – Het gaat om een zeer technische
materie en mede daardoor was het antwoord in het Nederlands
gelezen door staatssecretaris Donfut moeilijk te volgen.
Ik meen te begrijpen dat de minister
zegt dat ingrepen om medische redenen worden vergoed. De vraag
naar de vergoeding van prestaties om esthetische redenen neemt
echter toe, vooral van jonge vrouwen die zich na een dergelijke
ingrijpende ziekte opnieuw goed moeten kunnen voelen. De toestand
evolueert voortdurend. De nomenclatuur moet dus worden aangepast
en de nodige middelen moeten ter beschikking worden gesteld.
Ik dring erop aan dat het probleem
opnieuw wordt voorgelegd aan de volgende Technische Geneeskundige
Raad. De minister laat overigens verstaan dat de raad de talrijke
vragen in dat verband zal onderzoeken. Wij zullen in elk geval
waakzaam blijven toekijken.
|
|
Demande
d’explications de Mme Annemie Van de Casteele
au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique
sur «les mesures relatives au traitement des plaies
chroniques» (nº 3-1840)
|
Vraag
om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan
de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de
maatregelen betreffende de verzorging van chronische wonden»
(nr. 3-1840)
|
|
M. le président.
– M. Didier Donfut, secrétaire d’État
aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires
étrangères, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese
Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken,
antwoordt.
|
|
Mme Annemie
Van de Casteele (VLD). – Le nombre de patients
souffrant de plaies chroniques augmente en raison du
vieillissement de la population et de la prévalence des
maladies chroniques.
Grâce
aux pansements modernes, ces plaies chroniques peuvent quand même
être traitées, de sorte que les complications sont
réduites au minimum ; dans de nombreux cas, la
qualité de la vie s’améliore, la perte de
fonctions et les congés de maladie diminuent.
Souvent, les
pansements peuvent être maintenus plusieurs jours sur la
plaie, de sorte que les dépenses de soins de santé
sont moindres. L’utilisation de ces pansements entraîne
donc aussi des avantages économiques.
Cependant, le
remboursement de ces pansements n’a pas suivi cette
évolution sur le terrain. Le ministre a déjà
été interrogé sur le sujet lors d’une
campagne d’information destinée aux parlementaires.
Il a alors expliqué qu’un arrêté royal
visant à introduire un forfait de 20 euros par mois était
en préparation. Pour savoir si les coûts relatifs à
ces pansements seraient intégrés dans le MAF, le
maximum à facturer, il fallait attendre les débats
budgétaires, les dépenses supplémentaires
étant évaluées à environ 1 million
d’euros. Quelques mois se sont écoulés depuis
cette réponse et j’ai cru comprendre que le projet
d’arrêté royal restait bloqué quelque
part.
Le projet
d’arrêté royal annoncé par le ministre
a-t-il été approuvé par les organes de
l’INAMI ? Dans la négative, pourquoi ?
Quelle
procédure l’arrêté prévoit-il
pour l’attribution du forfait ? Le forfait
s’applique-t-il tant aux soins ambulatoires qu’aux
soins hospitaliers ?
A-t-on pu
trouver les moyens budgétaires permettant d’intégrer
dans le maximum à facturer les frais relatifs aux tickets
modérateurs concernant les pansements ?
|
Mevrouw Annemie Van de
Casteele (VLD). – Het aantal patiënten met
chronische wonden neemt toe door de veroudering van de bevolking
en de prevalentie van chronische ziektes.
Dankzij moderne wondverbanden kunnen
die chronische wonden toch worden behandeld zodat de complicaties
tot een minimum worden herleid en in veel gevallen ook de
levenskwaliteit verbetert en functieverlies en ziekteverlof kan
worden verminderd.
De verbanden kunnen vaak meerdere
dagen op de wonde blijven zodat ook de verzorgingskosten lager
zijn. Op die manier zijn aan het gebruik hiervan ook economische
voordelen verbonden.
De terugbetaling van die verbanden
heeft evenwel die evolutie op het terrein niet gevolgd. Naar
aanleiding van een informatiecampagne voor parlementsleden werd
de minister hierover al ondervraagd. Hij stelde toen dat een
koninklijk besluit in voorbereiding was om een forfait van 20
euro per maand in te voeren. Om te weten of de kosten van
wondverband in de MAF, de maximumfactuur, worden opgenomen, moest
de begrotingsbespreking worden afgewacht, aangezien de meerkost
op ongeveer 1 miljoen euro werd geschat. We zijn inmiddels enkele
maanden verder en ik heb begrepen dat het ontwerp van koninklijk
besluit ergens geblokkeerd is.
Werd het ontwerp van koninklijk
besluit dat de minister aankondigde door de RIZIV-organen
goedgekeurd? Zo neen, waarom niet?
In welke procedure voorziet het
besluit voor de toekenning van het forfait? Geldt het forfait
zowel ambulant als voor patiënten in een ziekenhuis?
Is in de begroting ruimte gevonden
om de kosten van de remgelden voor wondverband in de
maximumfactuur op te nemen?
|
|
M. Didier
Donfut, secrétaire d’État aux Affaires
européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères.
– Je vous lis la réponse du ministre.
Le projet
d’arrêté royal a déjà été
approuvé par le Conseil technique des moyens diagnostiques
et matériel de soins et est actuellement traité par
le Comité de l’assurance, qui a signalé
quelques problèmes techniques.
La Commission
des conventions pharmaciens–organismes assureurs tentera de
résoudre ces problèmes lors de sa réunion du
27 octobre 2006. Ensuite, le projet sera à
nouveau soumis pour avis au Comité de l’assurance.
|
De heer Didier Donfut,
staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister
van Buitenlandse Zaken. – Ik lees het antwoord van de
minister.
De Technische Raad voor
diagnostische middelen en verzorgingsmiddelen heeft het betrokken
ontwerp van koninklijk besluit reeds goedgekeurd. Het wordt
momenteel besproken door het Verzekeringscomité, dat
enkele technische problemen signaleerde.
De Overeenkomstencommissie
‘apothekers–verzekeringsinstellingen’ zal op
zijn vergadering van 27 oktober 2006 een oplossing voor
die problemen proberen te vinden. Hierna zal het ontwerp opnieuw
voor advies aan het Verzekeringscomité worden voorgelegd.
|
|
L’intervention est accordée
par le médecin conseil de la mutualité du
bénéficiaire après une demande du médecin
traitant. Cette demande se fait sur un formulaire standardisé.
L’intervention n’est accordée qu’aux
bénéficiaires qui souffrent de plaies qui ne sont
pas guéries après un traitement de trente jours.
L’intervention maximale est
accordée aux patients ambulatoires en officine publique et
aux patients ambulatoires en hôpital. Ces deux groupes de
patients constituent environ 90 à 95 pour-cent du nombre
total des patients qui utilisent des pansements actifs.
L’intervention maximale n’est
pas prévue pour des bénéficiaires
hospitalisés puisque le coût des pansements actifs
est pris en charge par le budget de l’hôpital.
|
De
tegemoetkoming wordt toegekend door de adviserende geneesheer van
het ziekenfonds van de betrokken rechthebbende, na een aanvraag
door de behandelende arts. De aanvraag gebeurt met een
gestandaardiseerd aanvraagformulier. De tegemoetkoming wordt
enkel toegekend aan rechthebbenden die lijden aan wonden die na
een behandeling gedurende dertig dagen nog niet geheeld zijn.
De maximale
tegemoetkoming geldt zowel voor ambulante patiënten in een
openbare officina als voor ambulante patiënten in het
ziekenhuis. Deze twee patiëntengroepen vormen ongeveer 90%
tot 95% van het totaal aantal patiënten die gebruik maken
van actieve verbandmiddelen.
Deze maximale
tegemoetkoming heeft geen betrekking op rechthebbenden die in het
ziekenhuis opgenomen zijn. De kosten van de actieve
verbandmiddelen wordt immers door het ziekenhuis gedragen.
|
|
Le supplément
à charge du bénéficiaire entrera en ligne de
compte pour le maximum à facturer à partir du
1er janvier 2007. Cela fait partie des
mesures prises en faveur des malades chroniques. Un budget de
759.000 euros sera libéré pour l’exécution
de cette mesure.
|
Het supplement ten laste van de
rechthebbende zal vanaf 1 januari 2007 in aanmerking
komen voor de maximumfactuur. Dat maakt deel uit van de
maatregelen ten voordele van chronisch zieken. Er zal 759.000
euro voor de uitvoering van de maatregel worden vrijgemaakt.
|
|
Mme Annemie
Van de Casteele (VLD). – J’espère que les
problèmes techniques pourront être résolus le
27 octobre. Il s’agit apparemment de déterminer
si certains pansements peuvent être distribués par
l’intermédiaire de Pharmanet.
Je me réjouis
d’apprendre qu’une partie des frais seront remboursés
à partir du 1er janvier 2007 par le
biais du MAF. Le budget de 759.000 euros me semble toutefois
plutôt modeste.
|
Mevrouw Annemie Van de
Casteele (VLD). – Hopelijk kunnen de technische
problemen op 27 oktober worden opgelost. Blijkbaar gaat het
om de vraag of bepaalde wondverbanden via Farmanet kunnen worden
verdeeld.
Het verheugt me dat vanaf
1 januari 2007 een deel van de kosten via de MAF zal
worden terugbetaald. Het budget van 759.000 euro lijkt me echter
nogal laag.
|
|
Demande
d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre de
l’Environnement et ministre des Pensions sur «le
cumul d’une pension de retraite et d’une activité
d’expert» (nº 3-1834)
|
Vraag
om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister
van Leefmilieu en minister van Pensioenen over «de
cumulatie van een rustpensioen met een activiteit van expert»
(nr. 3-1834)
|
|
M. le président.
– M. Didier Donfut, secrétaire d’État
aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires
étrangères, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese
Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken,
antwoordt.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – En vertu de l’article 4,
§1er, 3º, de la loi du 5 avril 1994,
un retraité peut exercer sans restriction une activité
consistant en la création d’œuvres
scientifiques n’ayant pas de répercussion sur le
marché du travail.
Le cumul d’une
pension de retraite et de la rémunération accordée
pour la présidence d’une commission d’évaluation
prête toutefois à discussion. Certains considèrent
en effet que la présidence d’une commission
d’évaluation, chargée de contrôler le
niveau scientifique de nos universités, n’a pas de
caractère scientifique et que, bien que non récurrente,
cette activité constitue une activité
professionnelle ayant des répercussions sur le marché
du travail.
La mission
d’une commission d’évaluation a pourtant un
caractère scientifique très net.
En outre,
cette mission ne peut être exercée que par un
retraité ayant une certaine expertise puisqu’un
magistrat ou professeur en fonction n’en ont pas le temps.
Celui qui
exerce une mission d’évaluation ne prend de surcroît
la place de personne sur le marché du travail. C’est
une fonction de confiance très spécialisée,
exercée par des personnes ayant des qualifications
scientifiques exceptionnelles et une grande sagesse.
J’ai
déjà interrogé le ministre à ce sujet
à maintes reprises mais il est aux mains d’une
bureaucratie cloisonnée qui persiste à affirmer
qu’une commission d’évaluation n’a aucun
caractère scientifique.
Si la
bureaucratie s’obstine à défendre un point de
vue aussi ridicule, que le ministre le confirme alors
publiquement à la tribune du Sénat. Je pourrai
ainsi le citer dans mes discours comme un exemple de la façon
dont la majorité, avec ses nombreux rois-soleils, nie
constamment la lumière du soleil.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Krachtens artikel 4,
paragraaf 1, 3º van de wet van 5 april 1994 mag
een gepensioneerde zonder beperking een activiteit uitoefenen die
bestaat in het scheppen van wetenschappelijke werken zonder
weerslag op de arbeidsmarkt.
Over de cumulatie van een
rustpensioen met de vergoeding van het voorzitterschap van een
visitatiecommissie bestaat echter enige discussie. Er wordt
immers gesteld dat het voorzitterschap van een
visitatiecommissie, die het wetenschappelijk niveau van onze
universiteiten moet controleren, geen wetenschappelijk karakter
heeft en dat deze activiteit, ondanks haar eenmalig karakter, een
beroepsbezigheid is, met weerslag op de arbeidsmarkt.
De opdracht van een
visitatiecommissie heeft nochtans een uitgesproken
wetenschappelijk karakter. Het tegendeel beweren is hetzelfde als
te zeggen dat men naar de wedstrijd Anderlecht-Juventus kijkt als
men de wielerwedstrijd Milaan-San Remo volgt.
Bovendien kan alleen een
gepensioneerde met expertise die opdracht vervullen, omdat een
magistraat of professor in functie niet over de nodige tijd
beschikt.
Wie een visitatieopdracht uitvoert,
neemt ook geen plaats op de arbeidsmarkt in. Het gaat immers om
een eenmalige, uiterst gespecialiseerde, vertrouwensvolle
functie, die wordt uitgeoefend door personen met een
uitzonderlijke wetenschappelijke kwalificatie en een grote
wijsheid.
Ik heb de minister hierover reeds
meermaals ondervraagd, maar hij is in handen van een verkokerde
bureaucratie, die, zoals ten tijde van Galilei, het zonlicht
negeert en die blijft beweren dat een visitatiecommissie geen
wetenschappelijk karakter heeft. Alsof het om een partijtje
petanque gaat.
Als de bureaucratie zo’n
lachwekkend standpunt blijft innemen, dan moet de minister dat
maar openlijk op het spreekgestoelte van de Senaat bevestigen,
zodat ik het in al mijn toespraken kan aanhalen als een voorbeeld
van de wijze waarop de meerderheid, ook al beschikt ze over
talloze zonnekoningen, het zonlicht permanent ontkent.
|
|
M. Didier
Donfut, secrétaire d’État aux Affaires
européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères.
– Je vous lis la réponse du ministre Tobback.
L’article 4,
§1er, 3º, de la loi du 5 avril 1994
régissant le cumul des pensions du secteur public avec des
revenus provenant de l’exercice d’une activité
professionnelle ou avec un revenu de remplacement prévoit
que, pour les années civiles postérieures à
celle au cours de laquelle elle atteint l’âge de 65
ans, la personne qui bénéficie d’une pension
de retraite est, moyennant déclaration préalable,
autorisée à exercer une activité consistant
en la création d’œuvres scientifiques ou en la
réalisation d’une création artistique n’ayant
pas de répercussion sur le marché du travail, pour
autant que l’intéressé n’ait pas la
qualité de commerçant au sens du Code de commerce.
Pour que le
cumul de l’exercice d’une activité
professionnelle consistant en la création d’œuvres
scientifiques et d’une pension de retraite soit autorisé
sans restriction, trois conditions doivent être remplies :
une activité scientifique, sans répercussion sur le
marché du travail et sans la qualité de commerçant.
La présidence
d’une commission d’évaluation doit être
considérée comme une fonction englobant la
participation à des missions d’audit et leur
coordination, lesquelles visent à déterminer, à
partir d’un cadre méthodologique fixé de
manière scientifique, la qualité des formations et
processus pédagogiques et à formuler des
propositions d’amélioration les concernant.
Ce n’est
pas parce qu’on travaille sur la base d’un cadre de
référence scientifique sur des processus de
transmission de connaissances scientifiques que ces prestations
et le rapport d’évaluation qui en découle
peuvent être considérés comme des œuvres
scientifiques au sens de la législation sur le cumul.
Les œuvres
scientifiques sont des créations originales développant
des connaissances scientifiques en vue de les diffuser dans un
public de spécialistes et de personnes intéressées.
La présidence
d’une commission d’évaluation ne remplit pas
ces conditions et ne peut être considérée
comme une œuvre scientifique. Il s’agit plutôt
de l’application de connaissances.
De plus, la
condition relative à l’absence de répercussion
sur le marché du travail n’est pas davantage
remplie. Les services rendus par les intéressés
peuvent également l’être par des personnes
toujours actives sur le marché du travail, ce qui est
d’ailleurs le cas dans la pratique.
|
De heer Didier Donfut,
staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister
van Buitenlandse Zaken. – Ik lees het antwoord van minister
Tobback.
Artikel 4, paragraaf 1, eerste
lid, 3º, van de wet van 5 april 1994 houdende
regeling van de cumulatie van pensioenen van de openbare sector
met inkomsten voortvloeiend uit de uitoefening van een
beroepsactiviteit of met een vervangingsinkomen, bepaalt dat in
de kalenderjaren die volgen op dat waarin de persoon die een
rustpensioen geniet, de leeftijd van 65 jaar bereikt, de
betrokken persoon, na voorafgaande verklaring, een
beroepsactiviteit mag uitoefenen die bestaat in het scheppen van
wetenschappelijke werken of in het tot stand brengen van een
artistieke schepping die geen weerslag heeft op de arbeidsmarkt,
voor zover de betrokkene geen handelaar is in de zin van het
Wetboek van koophandel.
Opdat de uitoefening van een
beroepsactiviteit die bestaat in het scheppen van
wetenschappelijke werken onbeperkt gecumuleerd kan worden met een
rustpensioen, dienen drie voorwaarden tegelijk vervuld te zijn:
een wetenschappelijke activiteit, zonder weerslag op de
arbeidsmarkt, zonder de hoedanigheid van handelaar.
Het voorzitterschap van een
visitatiecommissie moet worden beschouwd als een opdracht die de
deelname aan en de coördinatie van een reeks audittaken
omvat die, uitgaande van een wetenschappelijk vastgelegd
methodologisch kader, de bedoeling hebben de kwaliteit van
opleidingen en onderwijsprocessen te bepalen en
verbeteringsvoorstellen dienaangaande te formuleren.
Werken op basis van een
wetenschappelijk referentiekader omtrent processen die de
overdracht van wetenschap betreffen, heeft echter niet tot gevolg
dat de uitgevoerde werkzaamheden, die daarenboven voor rekening
van een opdrachtgever gebeuren, en het eruit voortvloeiend
evaluatierapport zelf als wetenschappelijk werk in de zin van de
cumulatiewetgeving kunnen worden beschouwd.
Wetenschappelijke werken in de zin
van deze wetgeving zijn veeleer originele creaties waarin
wetenschappelijke kennis wordt ontwikkeld met het oog op de
verspreiding ervan onder een publiek van specialisten of
geïnteresseerden.
Het voorzitterschap van een
visitatiecommissie voldoet niet aan deze voorwaarden en kan niet
worden beschouwd als wetenschappelijk werk in de zin van de
cumulatiewetgeving, maar dient eerder te worden beschouwd als een
toepassing van kennis.
Bovendien voldoet deze activiteit
ook niet aan de voorwaarde dat zij geen weerslag heeft op de
arbeidsmarkt. De door de betrokkenen geleverde diensten kunnen
ook worden geleverd door personen die nog actief zijn op de
arbeidsmarkt, wat in de praktijk trouwens ook gebeurt.
|
|
M. Hugo
Vandenberghe (CD&V). – À ma grande
déception, j’ai eu la réponse que
j’attendais. Cela restera pour moi un bel exemple de
rhétorique bureaucratique : le contrôle
d’activités scientifiques n’est pas une
activité scientifique !
Or, pour
contrôler des activités scientifiques, il faut avoir
les compétences, les qualités, la sagesse et le
curriculum vitae nécessaires. La bureaucratie fait ce que
plus aucun juriste ne fait : ériger en dogme la ratio
legis historique d’un concept.
La coalition
violette a toujours prétendu s’opposer aux dogmes.
Or les nombreuses questions que je pose reçoivent une
réponse dogmatique.
En répondant
de la sorte, le gouvernement fait fi d’une autre point
politique inscrit à son programme : l’insertion
active des personnes âgées. Si le ministre des
Pensions et son administration campent sur leur position pour les
présidents des commissions d’évaluation qui,
pendant de longues années, ont exercé des fonctions
publiques moins bien rémunérées et sont
ensuite appelés à rendre d’autres services à
la collectivité, ils feront preuve d’un manque de
générosité et d’humanité. Ils
se réfugient derrière une argumentation
bureaucratique dépourvue de toute consistance juridique.
|
De heer Hugo
Vandenberghe (CD&V). – Tot mijn grote ontgoocheling
heb ik het verwachte antwoord gekregen. Het zal bij mij een mooie
plaats krijgen als een typevoorbeeld van verkokerde,
bureaucratische prietpraat: het controleren van wetenschappelijke
activiteiten is geen wetenschappelijke activiteit.
Voor het controleren van
wetenschappelijke activiteiten moet men de nodige competentie,
hoedanigheden, wijsheid, ervaring en curriculum hebben. De
bureaucratie doet iets wat geen enkele ernstige jurist in ons
land nog doet, namelijk de historische ratio legis van een begrip
extrapoleren als een dogma.
De paarse regering heeft altijd
beweerd tegen dogma’s te zijn. Op de vele vragen die ik
stel, krijg ik evenwel een dogmatisch antwoord. Op zinnige vragen
van de oppositie wordt afwijzend gereageerd met een dogmatisch
refrein.
Met dit antwoord houdt de regering
ook geen rekening met een ander politiek punt van haar programma:
het actief inschakelen van oudere personen. Terecht wordt gezegd
dat de leeftijd de belangrijkste discriminatiefactor in ons land
is. Als de minister van Pensioenen en zijn ambtenaren volharden
in hun standpunt aangaande de voorzitters van de
visitatiecommissies, die zich jarenlang verdienstelijk hebben
gemaakt in openbare functies, waar de wedden lager liggen dan in
de privésector, en later geroepen worden om de gemeenschap
diensten te bewijzen, dan geven zij geen enkele blijk van
hartelijkheid, edelmoedigheid of zin voor menselijkheid. Ze
verschuilen zich achter een bureaucratisch verhaal dat geen
enkele juridische consistentie heeft.
|
|
Demande
d’explications de Mme Jacinta De Roeck au
secrétaire d’État à la Simplification
administrative sur «l’enregistrement des baux»
(nº 3-1832).
|
Vraag
om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de
staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging over «de
registratie van huurcontracten» (nr. 3-1832).
|
|
M. le président.
– M. Didier Donfut, secrétaire d’État
aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires
étrangères, répondra.
|
De voorzitter. –
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese
Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken,
antwoordt.
|
|
Mme Jacinta
De Roeck (SP.A-SPIRIT). – Le 10 mars, le
ministre annonçait son intention de supprimer, dans le
cadre d’une simplification de l’enregistrement des
baux, le timbre fiscal et le droit d’enregistrement sur les
baux.
Les chiffres
du SPF Finances nous apprennent qu’à peine un
locataire sur quatre fait enregistrer son bail. L’enregistrement
est pourtant légalement obligatoire si l’on veut que
le contrat soit opposable aux tiers, élément
essentiel en cas de procès ou de procédure devant
le juge de paix. Par ailleurs, en cas de changement de
propriétaire, le loyer demandé au locataire ne peut
pas davantage être augmenté.
La suppression
du timbre est une bonne chose. Le ministre a annoncé que
le locataire pourrait se mettre en règle en envoyant une
copie du bail par courrier électronique ou par courrier
postal.
J’aimerais
obtenir une réponse aux questions suivantes :
1. Dans quel
délai le ministre entend-il mettre la simplification en
œuvre ? Un projet de loi est-il déjà
prêt ? Dans la négative, où en est-on ?
2. En quoi la
simplification consistera-t-elle concrètement ? Un
accord a-t-il déjà été conclu avec
l’administration du Cadastre, de l’enregistrement et
des domaines sur les mesures à prendre pour réaliser
cette simplification ?
|
Mevrouw Jacinta De Roeck
(SP.A-SPIRIT). – Op 10 maart kondigde de minister
aan dat hij het belastingzegel en het registratierecht op
huurcontracten zou afschaffen in het kader van een
vereenvoudiging van de registratie van huurcontracten.
Uit cijfers van de FOD Financiën
blijkt dat amper een huurder op vier zijn huurcontract laat
registreren. Registratie is nochtans wettelijk verplicht en nodig
om het contract tegen derden inroepbaar te maken, een cruciaal
element als het ooit tot een rechtszaak komt of een procedure
voor de vrederechter. Bij verandering van eigenaar kan ook de
huurprijs voor de huurder niet zomaar de hoogte in.
De afschaffing van het zegel is een
goede zaak. De minister kondigde aan dat de huurder via e-mail,
of via een kopie van het contract per brief de registratie in
orde zou kunnen maken.
Graag kreeg ik een antwoord op
volgende vragen:
1. Welke timing plant de minister om
de vereenvoudiging effectief te realiseren? Is er reeds een
wetsontwerp klaar? Zo nee, hoever staat het ermee?
2. Hoe zal de vereenvoudiging er in
concreto uitzien? Is er reeds een akkoord met de administratie
van het Kadaster, Registratie en Domeinen over de maatregelen om
de vereenvoudiging door te voeren?
|
|
M. Didier
Donfut, secrétaire d’État aux Affaires
européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères.
– Je vous lis la réponse du secrétaire
d’État.
La suppression
du timbre fiscal qui était requis lors de l’enregistrement
des baux figure dans la suppression du Code des Droits de timbre.
Le ministre a prévu l’entrée en vigueur de
cette simplification pour le début de l’année
prochaine, lors de l’instauration d’un nouveau Code
des droits et taxes divers.
Le groupe de
travail chargé de cette matière a proposé la
suppression intégrale du droit fixe de 25 euros applicable
à l’enregistrement des baux relatifs aux biens
immobiliers destinés aux logement.
Lors d’une
réunion du groupe de travail, on a également
proposé d’adapter le Code des droits
d’enregistrement de façon à ce que les baux
puissent désormais être enregistrés via
internet. La discussion des propositions est encore actuellement
en cours. En principe, les propositions, qui figureront dans la
loi-programme, entreront en vigueur début 2007.
Le bailleur
sera désormais responsable de l’enregistrement du
bail. S’il néglige de le faire, il ne pourra
prétendre à aucune résiliation de bail à
charge du locataire. L’enregistrement du bail est
entièrement gratuit pour le bailleur qui peut soit se
présenter au bureau d’enregistrement soit envoyer le
bail par courrier électronique. Cette dernière
possibilité est une nouveauté, car l’enregistrement
devait auparavant se faire au moyen de l’acte original sur
lequel devait être apposé un timbre fiscal de cinq
euros. Un accord sur les adaptions requises du Code des droits
d’enregistrement a déjà été
obtenu avec l’Administration générale de la
documentation patrimoniale. Cette adaptation doit être
concrétisée au cours des prochains mois.
|
De heer Didier Donfut,
staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister
van Buitenlandse Zaken. – Ik lees het antwoord van de
staatssecretaris.
De afschaffing van de fiscale zegel
die vereist was bij de registratie van huurovereenkomsten, werd
opgenomen in de afschaffing van het Wetboek Zegelrechten. De
ministerraad plant de inwerkingtreding van deze vereenvoudiging,
door de invoering van het nieuwe Wetboek diverse rechten en
taksen, voor begin volgend jaar.
De werkgroep die zich met deze
materie bezighoudt, heeft voorgesteld het vaste recht van 25
euro, dat verschuldigd is voor de registratie van huurcontracten
met betrekking tot onroerende goederen bestemd voor bewoning,
integraal af te schaffen.
Tijdens een bijeenkomst van de
werkgroep werd ook een aanpassing van het Wetboek van
registratierechten voorgesteld, zodat de huurcontracten voortaan
via het internet ter registratie kunnen worden aangeboden. De
bespreking van de voorstellen is nog volop aan de gang. De
voorstellen zullen normaal worden opgenomen in de programmawet en
begin 2007 in werking treden.
De verhuurder zal voortaan instaan
voor de registratie van het huurcontract. Indien hij dat nalaat,
kan hij geen aanspraak maken op enige huuropzeg ten laste van de
huurder. De verhuurder kan het contract volledig gratis laten
registreren. Hij kan zich hiervoor nog steeds persoonlijk op het
registratiekantoor aanmelden, maar de huurovereenkomst ook via
e-mail versturen. Dat laatste was tot nu toe onmogelijk, omdat de
registratie aan de hand van de originele akte diende te gebeuren
en er een fiscale zegel van vijf euro moest worden gekleefd. Met
de algemene administratie Patrimoniumdocumentatie werd al
overeenstemming bereikt over de nodige aanpassingen in het
Wetboek van registratierechten. In de komende maanden willen we
de praktische uitwerking ervan in handen nemen.
|
|
Mme Jacinta
De Roeck (SP.A-SPIRIT). – Le ministre donne un tas
de réponses mais il reste dans le flou en ce qui concerne
le calendrier. La suppression des droits de timbre est « pour
l’année prochaine », la suppression du
droit fixe figurera dans la loi-programme et entrera en vigueur
« début 2007 » ; la dernière
mesure est « pour les prochains mois ».
J’ai la
ferme intention de tenir le calendrier à l’œil.
La promesse date en effet du 10 mars de l’année
dernière. À présent que certains points
figurent explicitement dans la déclaration de
gouvernement, j’ose espérer que toutes les mesures
entreront en vigueur pour le 10 mars de l’année
prochaine.
|
Mevrouw Jacinta De Roeck
(SP.A-SPIRIT). – De minister geeft heel wat antwoorden,
maar hij blijft erg vaag over de timing. De afschaffing van het
zegelrecht is iets voor ‘volgend jaar’, de
afschaffing van het vaste recht komt in de programmawet en wordt
‘begin 2007’ van kracht en de laatste maatregel is
iets voor ‘de komende maanden’.
Ik ben vast van plan de timing in
het oog te houden. De belofte is immers al op 10 maart van
vorig jaar gemaakt. Zeker nu een en ander zo duidelijk in de
beleidsverklaring is opgenomen, durf ik te hopen dat op 10 maart
volgend jaar alle maatregelen van kracht zullen zijn.
|
|
M. le président.
– L’ordre du jour de la présente séance
est ainsi épuisé.
La prochaine séance aura lieu
le vendredi 20 octobre à 10 h 00.
|
De voorzitter. – De
agenda van deze vergadering is afgewerkt.
De volgende vergadering vindt plaats
vrijdag 20 oktober om 10.00 uur.
|
|
(La séance est levée
à 18 h 30.)
|
(De vergadering wordt gesloten om
18.30 uur.)
|
|
Excusés
|
Berichten
van verhindering
|
|
M. Dubié, pour raison de
santé, Mme Pehlivan, MM. Brotchi et Roelants du
Vivier, à l’étranger, MM. Cheffert et
Wilmots, pour d’autres devoirs, demandent d’excuser
leur absence à la présente séance.
|
Afwezig met bericht van
verhindering: de heer Dubié, om
gezondheidsredenen, mevrouw Pehlivan, de heren Brotchi
en Roelants du Vivier, in het buitenland, de heren Cheffert
en Wilmots, wegens andere plichten.
|
|
– Pris pour information.
|
– Voor kennisgeving
aangenomen.
|