3-183

Sénat de Belgique

Session ordinaire 2006-2007

Séances plénières

Jeudi 19 octobre 2006

Séance de l’après-midi

3-183

Belgische Senaat

Gewone Zitting 2006-2007

Plenaire vergaderingen

Donderdag 19 oktober 2006

Namiddagvergadering

Annales

Handelingen

 

Sommaire

Inhoudsopgave

Pétitions

Prise en considération de propositions

Questions orales

Conflit d’intérêts entre, d’une part, le Parlement flamand et, d’autre part, le Parlement wallon et le Parlement de la Communauté française sur le projet de décret, déposé au Parlement flamand, modifiant le décret du 15 juillet 1997 contenant le Code flamand du logement (Parlement flamand, doc. 824 (2005-2006) – Nº 1) (Doc. 3-1853)

Demande d’explications de M. Jan Steverlynck au vice-premier ministre et ministre des Finances sur «le prélèvement à la source sur des dividendes distribués à des entreprises étrangères» (nº 3-1825)

Votes

Ordre des travaux

Demande d’explications de Mme Sabine de Bethune au ministre de la Coopération au Développement sur «les mesures d’exécution à prendre en ce qui concerne l’Office de sécurité sociale d’outre-mer» (nº 3-1842)

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre de l’Environnement et ministre des Pensions sur «la problématique de l’Office de sécurité sociale d’outre-mer et le risque d’une diminution significative des indemnités de pension pour plus de 50.000 affiliés» (nº 3-1833)

Demande d’explications de M. Jan Steverlynck au vice-premier ministre et ministre des Finances et au ministre de l’Économie, de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la Politique Scientifique sur «les avantages fiscaux visant à rendre la Belgique attrayante pour les fonds de pension d’entreprise» (nº 3-1827)

Demande d’explications de M. Berni Collas au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur «le Centre d’information et de communication (CIC) pour la province de Liège» (nº 3-1841)

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires étrangères sur «les conséquences de l’arrêt de la Cour de justice sur la transmission de données relatives aux passagers de l’Union européenne aux États-Unis et la nouvelle solution appropriée» (nº 3-1836)

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «le taux de nicotine dans nos cigarettes» (nº 3-1835)

Demande d’explications de Mme Annemie Van de Casteele au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «le numéro de nomenclature de la reconstruction mammaire dite par lambeau libre» (nº 3-1838)

Demande d’explications de Mme Annemie Van de Casteele au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «les mesures relatives au traitement des plaies chroniques» (nº 3-1840)

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre de l’Environnement et ministre des Pensions sur «le cumul d’une pension de retraite et d’une activité d’expert» (nº 3-1834)

Demande d’explications de Mme Jacinta De Roeck au secrétaire d’État à la Simplification administrative sur «l’enregistrement des baux» (nº 3-1832).

Excusés

Annexe

Votes nominatifs

Propositions prises en considération

Demandes d’explications

Chambre des représentants

Évocations

Non-évocations

Dépôt d’un projet de loi

Cour d’arbitrage – Arrêts

Cour d’arbitrage – Questions préjudicielles

Verzoekschriften

Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Belangenconflict tussen, enerzijds, het Vlaams Parlement en, anderzijds, het Waals Parlement en het Parlement van de Franse Gemeenschap over het in het Vlaams Parlement ingediende ontwerp van decreet houdende de Vlaamse Wooncode (Vlaams Parlement, Stuk 824 (2005-2006) – Nr. 1) (Stuk 3-1853)

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de vice-eerste minister en minister van Financiën over «de bronheffing op dividendbetalingen aan buitenlandse ondernemingen» (nr. 3-1825)

Stemmingen

Regeling van de werkzaamheden

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «de uitvoeringsmaatregelen inzake de Dienst voor Overzeese Sociale Zekerheid (DOSZ)» (nr. 3-1842)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen over «de problematiek van de Dienst voor Overzeese Sociale Zekerheid en het risico op een significante verlaging van de pensioenuitkeringen voor meer dan 50.000 aangeslotenen» (nr. 3-1833)

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de fiscale gunstmaatregelen om België aantrekkelijk te maken voor bedrijfspensioenfondsen» (nr. 3-1827)

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «het Centrum voor informatie en communicatie (CIC) voor de provincie Luik» (nr. 3-1841)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie over het doorspelen van passagiersgegevens vanuit de Europese Unie aan de Verenigde Staten en de nieuwe ad-hocoplossing ter zake» (nr. 3-1836)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het nicotinegehalte in onze sigaretten» (nr. 3-1835)

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het nomenclatuurnummer voor borstreconstructie met vrije flap» (nr. 3-1838)

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de maatregelen betreffende de verzorging van chronische wonden» (nr. 3-1840)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen over «de cumulatie van een rustpensioen met een activiteit van expert» (nr. 3-1834)

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging over «de registratie van huurcontracten» (nr. 3-1832).

Berichten van verhindering

Bijlage

Naamstemmingen

In overweging genomen voorstellen

Vragen om uitleg

Kamer van volksvertegenwoordigers

Evocaties

Niet-evocaties

Indiening van een wetsontwerp

Arbitragehof – Arresten

Arbitragehof – Prejudiciële vragen

 

Présidence de Mme Anne-Marie Lizin

(La séance est ouverte à 15 h 10.)

Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin

(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)

Pétitions

Verzoekschriften

Mme la présidente. – M. Albert Blondin a transmis au Sénat une pétition concernant les pensions versées par l’Office de sécurité sociale d’outre-mer.

De voorzitter. – De heer Albert Blondin heeft aan de Senaat overgezonden een verzoekschrift over de pensioenen uitgekeerd door de Dienst voor Overzeese Sociale Zekerheid.

Envoi à la commission de l’Intérieur et des Affaires administratives et à la commission des Affaires sociales.

Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden en aan de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Par lettre du 27 septembre 2006, M. Ronald Parys, bourgmestre de Ternat, a transmis au Sénat une motion relative à la scission de la circonscription électorale de Bruxelles-Hal-Vilvorde et de l’arrondissement judiciaire de Bruxelles.

Bij brief van 27 september 2006 heeft de heer Ronald Parys, burgemeester van Ternat, aan de Senaat overgezonden, een motie met betrekking tot de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde en het gerechtelijk arrondissement Brussel.

Envoi à la commission de l’Intérieur et des Affaires administratives.

Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Prise en considération de propositions

Inoverwegingneming van voorstellen

Mme la présidente. – La liste des propositions à prendre en considération a été distribuée.

Je prie les membres qui auraient des observations à formuler de me les faire connaître avant la fin de la séance.

Sauf suggestion divergente, je considérerai ces propositions comme prises en considération et renvoyées à la commission indiquée par le Bureau. (Assentiment)

De voorzitter. – De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(La liste des propositions prises en considération figure en annexe.)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Questions orales

Mondelinge vragen

Question orale de Mme Margriet Hermans au ministre des Affaires étrangères sur «la démobilisation des enfants-soldats dans le cadre du mandat de la Belgique en tant que membre du Conseil de sécurité des Nations unies» (nº 3-1237)

Mondelinge vraag van mevrouw Margriet Hermans aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de demobilisatie van de kindsoldaten in het kader van het Belgische lidmaatschap van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties» (nr. 3-1237)

Mme Margriet Hermans (VLD). – C’est un grand honneur pour la Belgique de devenir, dès janvier 2007 et pour deux ans, membre du Conseil de sécurité des Nations unies. À la suite de cette élection, le ministre des Affaires étrangères a déclaré que la Belgique entend notamment s’occuper du problème des enfants-soldats, toujours actifs dans de nombreuses zones de conflit et malheureusement pas seulement dans les pays d’Afrique centrale où ils font partie des forces armées. Plus de onze mille enfants-soldats circuleraient en République démocratique du Congo, malgré un programme de désarmement et de démobilisation de plus de 200 millions de dollars. Selon un rapport d’Amnesty International, ces enfants se battent tant dans des milices armées qu’au sein des troupes gouvernementales. Non seulement ils sont recrutés par les gouvernements mais leurs parents ne s’opposent absolument pas à leur envoi dans ces armées parce qu’ils espèrent y obtenir des garanties pour leur éducation, leur accueil, etc. Souvent, des enfants sont également recrutés de force par des groupes d’opposition armée qui peuvent utiliser n’importe quel combattant dans leur lutte contre le pouvoir. Du point de vue des droits de l’homme et selon la Convention des droits de l’enfant, aucune excuse ou aucun argument n’est concevable pour abuser des enfants et les exploiter comme soldats.

Pour toutes ces raisons, j’aimerais recevoir du ministre une réponse aux questions suivantes.

Comment la Belgique concrétisera-t-elle, au Conseil de sécurité, ses intentions de démobiliser les enfants-soldats ? Quels objectifs concrets le ministre poursuit-il et quelle est la deadline ?

L’accueil, le traitement des traumatismes, la réintégration et la rescolarisation des enfants-soldats requièrent un effort particulier. J’ai appris aujourd’hui que Mme De Temmerman transformera en scolarisation son initiative d’accueil des enfants-soldats en Ouganda parce qu’elle estime que leur situation s’y est améliorée. La réalité montre toutefois que onze mille enfants-soldats sont encore actifs en Afrique.

Quels efforts complémentaires la Belgique fera-t-elle, notamment sous la forme de budgets complémentaires, pour démobiliser les enfants-soldats ?

Mevrouw Margriet Hermans (VLD). – Het is een hele eer dat België vanaf januari 2007 voor twee jaar lid zal zijn van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Naar aanleiding daarvan verklaarde de minister van Buitenlandse Zaken dat België zich onder meer wil inzetten voor de problematiek van de kindsoldaten. Kindsoldaten worden nog altijd ingezet in vele conflictgebieden, helaas niet alleen in de Centraal-Afrikaanse landen, waar ze optreden als strijdkrachten. Zo zouden er in de Democratische Republiek Congo meer dan elfduizend kindsoldaten circuleren, ondanks een ontwapenings- en demobilisatieprogramma van meer dan 200 miljoen dollar. Die kinderen vechten zowel in gewapende milities als bij regeringstroepen, aldus een rapport van Amnesty International. De kinderen worden niet alleen gerekruteerd door de regeringen, ook hun ouders maken geen enkel bezwaar om ze naar die legers te sturen omdat ze hopen daar garanties te krijgen voor hun opvoeding, opvang en dergelijke. Vaak worden kinderen ook gedwongen gerekruteerd door gewapende oppositiegroepen die in strijd tegen de machthebbers elke strijder kunnen gebruiken. Vanuit mensenrechtenperspectief en het Verdrag inzake de Rechten van het Kind is er geen enkel excuus of argument denkbaar om kinderen te misbruiken en te exploiteren als soldaat.

Om al die redenen kreeg ik van de minister graag een antwoord op de volgende vragen.

Welke invulling zal België in de Veiligheidsraad geven aan zijn voornemen om de kindsoldaten te demobiliseren? Welke concrete doelstellingen streeft de minister na en wat is de deadline?

Ook inzake de opvang, verwerking van traumata, herintegratie en heropvoeding van kindsoldaten is een bijzondere inspanning vereist. Ik verneem vandaag dat mevrouw De Temmerman haar initiatief inzake kindsoldatenopvang in Uganda zal ombouwen tot scholing omdat ze oordeelt dat de situatie van de kindsoldaten er verbeterd is. Toch is het een realiteit dat er nog altijd elfduizend kindsoldaten in Afrika zijn.

Welke bijkomende inspanningen zal België doen, onder meer inzake bijkomende budgetten, om de kindsoldaten te demobiliseren?

M. Karel De Gucht, ministre des Affaires étrangères. – Depuis 1999, le Conseil de sécurité de l’ONU a adopté une longue série de recommandations relatives à la protection des enfants et en particulier des filles contre l’exploitation sexuelle dans les conflits armés, la question des armes légères dans les conflits interminables et l’attention accordée aux enfants lors du désarmement, de la démobilisation, des programmes de réintégration et des processus de paix.

Depuis 2001, le secrétaire général publie chaque année une liste de groupes qui emploient des enfants-soldats. Ces groupes sont incités par la résolution 1612 du Conseil de sécurité à amorcer immédiatement des plans d’actions concrets et limités dans le temps pour mettre un terme aux violations. Toutes les opérations de maintien de la paix de l’ONU et les groupes de pays de l’ONU sont chargés d’aider à l’élaboration de ces plans d’action. À cet effet, des monitoring and reporting task forces ont été créées avec des experts de l’UNICEF, le Department of Peacekeeping Operations (DPKO), le Haut Commissariat aux réfugiés, le PNUD et un certain nombre d’ONG importantes. Ces task forces font rapport au groupe de travail sur les enfants dans les conflits armés, créé par la résolution 1612, groupe dont la Belgique fera également partie dès janvier 2007 en tant que membre non permanent. Il est même possible que notre pays le préside. À ce sujet, nous collaborons étroitement avec le représentant spécial du secrétaire général pour les enfants et les conflits armés.

La Belgique travaillera activement à la poursuite de l’opérationnalisation d’un toolkit qui a été adopté au début de septembre 2006. Il s’agit d’une liste de mesures que le groupe de travail peut prendre à la suite d’un rapport spécifique à un pays, y compris des recommandations du Conseil de sécurité. Ces mesures vont de l’assistance, par exemple la capacity building, des démarches, des améliorations du monitoring, de l’adaptation ou du renforcement notamment des opérations de paix, aux « autres mesures » telles que la communication aux comités de sanction existants d’informations provenant du groupe de travail.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. – Sinds 1999 keurde de VN-Veiligheidsraad een lange reeks aanbevelingen goed inzake de bescherming van kinderen en in het bijzonder van meisjes tegen seksuele uitbuiting in gewapende conflicten, de problematiek van kleine wapens bij aanslepende conflicten en aandacht voor kinderen bij ontwapening, demobilisatie en reïntegratieprogramma’s en vredesprocessen.

Sinds 2001 publiceert de secretaris-generaal jaarlijks een lijst van groepen die kindsoldaten inzetten. Die groepen worden door de Veiligheidsresolutie 1612 aangezet tot het onmiddellijk opzetten van concrete in de tijd beperkte actieplannen, die een einde maken aan de schendingen. Alle VN-vredesbewarende operaties en VN-landenteams wordt opgedragen die groepen bij te staan in het uitwerken van de actieplannen. Hiertoe werden monitoring and reporting task forces opgezet met experts van UNICEF, het Department of Peacekeeping Operations (DPKO), het VN-Commissariaat voor vluchtelingen (UNHCR), het UNDP en een aantal centrale NGO’s. Die task forces brengen verslag aan de door resolutie 1612 opgezette werkgroep Kinderen en gewapende conflicten van de Veiligheidsraad, waarin ook België vanaf januari 2007 deel zal uitmaken als niet-permanent lid. Mogelijk zal ons land de werkgroep zelfs voorzitten. Hierbij wordt ook nauw samengewerkt met de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal voor de problematiek van kinderen en gewapende conflicten.

België zal actief meewerken aan de verdere operationalisering van een toolkit die begin september 2006 werd goedgekeurd. Dat is een lijst van maatregelen die de werkgroep kan nemen in opvolging van een specifiek landenrapport met inbegrip van aanbevelingen aan de Veiligheidsraad zelf. Deze maatregelen gaan van assistentie, bijvoorbeeld capacity building, demarches, verbeteringen van de monitoring, bijsturing of versterking van onder meer vredesoperaties tot de zogenaamde ‘andere maatregelen’, zoals het doorspelen van informatie uit de werkgroep naar de bestaande sanctiecomités.

Mme Margriet Hermans (VLD). – Je me réjouis que le ministre s’engage personnellement et qu’il ait été convenu avec de nombreux acteurs de s’attaquer au problème. Cela reste en effet nécessaire.

Mevrouw Margriet Hermans (VLD). – Ik ben blij dat de minister zich persoonlijk engageert en dat er heel wat actoren werden aangesproken om de problematiek aan te pakken, want dat blijft noodzakelijk.

Question orale de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «l’insuffisance des effectifs mis à la disposition des tribunaux d’application des peines» (nº 3-1240)

Mondelinge vraag van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de ontoereikende personeelsbezetting voor de strafuitvoeringsrechtbanken» (nr. 3-1240)

Question orale de Mme Clotilde Nyssens à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «les moyens qui seront alloués aux tribunaux d’application des peines» (nº 3-1242)

Mondelinge vraag van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de middelen die zullen worden toegekend aan de strafuitvoeringsrechtbanken» (nr. 3-1242)

Mme la présidente. – Je vous propose de joindre ces questions orales. (Assentiment)

M. Christian Dupont, ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances, répondra.

De voorzitter. – Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, antwoordt.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Je proteste formellement contre le fait que, comme la semaine dernière, la ministre de la Justice n’est pas là pour répondre à nos questions. On la voit sans cesse à la télévision mais elle n’a pas de temps à consacrer au Sénat, un organe élu constitutionnellement. J’aurais aimé que la présidente du Sénat se montre plus énergique et exige que le gouvernement respecte notre institution. L’attitude du gouvernement ne changera plus au cours de cette législature. Ce gouvernement manque totalement d’esprit démocratique. Je ne poserai donc pas ma question.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Ik protesteer formeel tegen het feit dat, net zoals vorige week, de minister van Justitie niet aanwezig is om onze vragen te beantwoorden. De minister van Justitie is voortdurend op televisie te zien, maar voor de Senaat, een gekozen constitutioneel orgaan, heeft ze geen tijd. Ik had van de voorzitter van de Senaat meer daadkracht verwacht in de eis om respect van de regering voor deze instelling. In deze regeerperiode zal de houding van de regering niet meer veranderen. Deze regering heeft een totaal gebrek aan democratische ingesteldheid. Ik zal mijn vraag dan ook niet stellen.

Mme Clotilde Nyssens (CDH). – Je me trouve dans le même état d’esprit que M. Vandenberghe. Nous pouvons effectivement nous demander si nous vivons dans une démocratie des médias parce que la problématique des tribunaux d’application des peines me semble cruciale. Après tous ces faits divers qui ont fait couler autant d’encre que de sang, les citoyens attendent des réponses concrètes.

Le dialogue ne sera certainement pas possible aujourd’hui mais j’ai quand même envie de poser ma question pour connaître à tout le moins ce que contient la réponse écrite de la ministre de la Justice.

Le Conseil supérieur de la Justice, qui a présenté son rapport hier, a été créé, non pour rendre des avis, mais pour jouer son rôle d’organe constitutionnel entre les pouvoirs législatif, exécutif et judiciaire. Je poserai donc ma question, par respect pour ce conseil et surtout pour tous ceux qui se trouvent dans nos prisons et qui voudraient en savoir plus sur leur sort, soit à quelle sauce ils vont être mangés.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). – Ik ben het eens met de heer Vandenberghe. We kunnen ons inderdaad afvragen of we in een mediademocratie leven. De problematiek van de strafuitvoeringsrechtbanken is fundamenteel. Na alle faits divers die evenveel inkt als bloed deden vloeien, verwachten de mensen concrete antwoorden.

Vandaag zullen we hierover zeker niet van gedachten kunnen wisselen, maar toch zou ik mijn vraag willen stellen, al was het maar om de inhoud te kennen van het schriftelijke antwoord van de minister.

De Hoge Raad voor de Justitie werd niet opgericht om adviezen uit te brengen, maar wel als een grondwettelijke orgaan tussen de uitvoerende, de wetgevende en de rechterlijke macht. Uit eerbied voor de Raad en voor al wie in de gevangenis meer wil weten over het lot dat hem of haar is beschoren, stel ik dus mijn vraag.

Mme la présidente. – Il va de soi que je transmettrai à Mme la ministre les sentiments formulés par M. Vandenberghe.

De voorzitter. – Het spreekt vanzelf dat ik mevrouw de minister zal inlichten over de mening van de heer Vandenberghe.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Les sentiments, nous en avons tous. Ce sont les actes qui comptent.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Wij hebben allemaal een mening. Wat telt zijn daden.

Mme Clotilde Nyssens (CDH). – Le Conseil supérieur de la Justice a donc présenté, ce mercredi, son rapport 2005. Il se montre particulièrement dubitatif quant à la mise en application prochaine des TAP, soit des tribunaux d’application des peines. Il craint en effet que ceux-ci ne soient rapidement surchargés. Ils devront, relève-t-il, traiter un nombre accru de dossiers, sans réels moyens supplémentaires. Même l’annonce d’une augmentation du nombre des chambres – de six à neuf, dont trois seraient – et je pose la question – situées à Liège, décidée par le gouvernement lors du bouclage du budget 2007 ne rassure pas le Conseil supérieur de la Justice.

Selon un membre du bureau cité dans la presse de ce matin, « l’augmentation du volume des tâches sera de 70% et ne concernerait pas seulement les magistrats. Les services sociaux devront, eux aussi, être renforcés ».

Tout d’abord, disposez-vous déjà d’un cadre complet de magistrats et d’assesseurs ? En outre, le budget sera-t-il suffisant, étant donné, notamment, les compétences prévues en matière de défense sociale ?

Ensuite, il est question d’une entrée en vigueur en plusieurs étapes. Ces étapes sont-elles déjà clairement établies ? Si oui, pouvez-vous nous les préciser ?

Enfin, la déclaration gouvernementale prévoit que les personnes mises à disposition du gouvernement seront aussi suivies par les TAP. Qu’en est-il de cette réforme et de son applicabilité ?

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). – De Hoge Raad voor de Justitie heeft woensdag zijn verslag 2005 voorgesteld. Hij heeft heel wat bedenkingen bij de strafuitvoeringsrechtbanken. Hij vreest immers dat ze snel overbelast zullen zijn. Ze zullen een veel groter aantal zaken moeten behandelen zonder dat ze daarvoor extra middelen krijgen. Zelfs de verhoging van het aantal kamers van zes naar negen waartoe de regering op het einde van de begrotingsronde 2007 heeft besloten, stelt de Hoge Raad voor de Justitie niet gerust.

Volgens een lid van het bureau dat wordt geciteerd in de media, zou het takenpakket met 70% stijgen, en dat niet alleen voor de magistraten. Ook de sociale diensten zullen versterkt moeten worden.

Beschikt u al over een volledige formatie magistraten en assessoren? Zal de begroting volstaan om de bevoegdheden inzake sociaal verweer in te vullen?

Verder is er sprake van een stapsgewijze inwerkingtreding. Zijn die stappen al duidelijk uitgewerkt? Zo ja, kunt u ze detailleren?

Tot slot zullen volgens de beleidsverklaring personen die ter beschikking worden gesteld van de regering ook door een strafuitvoeringsrechtbank worden gevolgd. Hoe ver staat het met die hervorming en met de uitvoering ervan?

M. Christian Dupont, ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances. – Je voudrais tout d’abord excuser Mme la ministre de la Justice, retenue à la Chambre.

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. – Eerst en vooral zou ik mevrouw de minister willen verontschuldigen. Ze is verhinderd wegens verplichtingen in de Kamer.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Pourquoi toujours la Chambre ? Nous sommes aussi des élus. Ce gouvernement fait preuve d’arrogance.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Waarom altijd de Kamer? Ook wij zijn verkozen. De regering is arrogant.

Tout débat devient impossible par l’absence du ministre responsable.

Madame la présidente, vous devriez mettre tout en œuvre pour que nous puissions mener ici un véritable débat.

Elk debat wordt onmogelijk door de afwezigheid van de verantwoordelijke minister.

Mevrouw de voorzitter, u zou alles in het werk moeten stellen opdat we hier een echt debat zouden kunnen voeren.

M. Christian Dupont, ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances. – Je vous lis la réponse de la ministre.

Les tribunaux d’application des peines seront effectivement installés le 1er février 2007. En proposant cette loi au parlement, l’ensemble du gouvernement s’est engagé à donner aux TAP les moyens nécessaires à leur bon fonctionnement. Je peux vous affirmer au nom de Mme la ministre de la Justice que tel sera bien le cas. Il a été indiqué à plusieurs reprises lors des débats parlementaires concernant la loi du 17 mai 2006 définissant le statut externe des condamnés que celle-ci entrerait en vigueur en deux grandes étapes. La première étape concernera uniquement les modalités d’exécution des peines de plus de trois ans.

Ce n’est que dans un second temps, au plus tôt en janvier 2008, que tout ce qui concerne les peines de moins de trois ans entrera en application. Or, il faut savoir que l’augmentation très importante de la charge de travail dont parle le Conseil supérieur de la justice concernera essentiellement les peines de moins de trois ans et n’entrera donc pas en vigueur en 2007.

Les tribunaux d’application des peines vont, dans un premier temps, reprendre les missions actuelles des commissions de libération conditionnelle, en y ajoutant, mais uniquement pour ce qui concerne les peines de plus de trois ans, la détention limitée, la surveillance électronique et les libérations en vue de l’éloignement du pays. Il y aura donc bien un accroissement de la charge de travail par rapport aux missions des commissions de libération conditionnelle mais cette augmentation a été prise en considération dès le début de l’année 2007, le nombre de chambres passant de six à neuf. Il faut rappeler qu’il y a actuellement six commissions de libération conditionnelle. Cela constitue donc une augmentation de 50% de personnel et de budget.

La ministre de la Justice tient également à souligner que le passage de six à neuf chambres n’est en rien lié à l’intégration des commissions de défense sociale au sein des tribunaux d’application des peines. Cette éventuelle intégration nécessitera d’autres moyens budgétaires, lesquels ont été demandés et obtenus lors du récent conclave budgétaire.

Par ailleurs, les TAP disposeront d’un soutien administratif plus important que les commissions de libération conditionnelle. En effet, chaque commission dispose actuellement de deux personnes pour remplir les tâches administratives, alors que chaque chambre des tribunaux d’application des peines disposera d’un greffier adjoint et d’un employé et que le ministère public auprès du tribunal d’application des peines disposera, lui aussi, d’un secrétaire adjoint. De plus, nous avons proposé un nouveau contrat au sein de l’ordre judiciaire aux employés contractuels des actuelles commissions. Cela nous permettra de garder l’expérience acquise par ces derniers.

Enfin, dès l’entrée en vigueur des tribunaux d’application des peines, ceux-ci disposeront également d’un nouvel outil informatique, le Surtap, qui leur permettra une gestion et un suivi plus efficaces des dossiers. Les moyens nécessaires ont également été obtenus lors de l’élaboration du budget 2007 pour renforcer les équipes psychosociales des établissements pénitentiaires, ainsi que pour engager les assistants de justice qui seront nécessaires en vue de l’application de la nouvelle loi, tant pour le volet information des victimes que pour la guidance des auteurs.

La mise en place des tribunaux d’application des peines constituera une étape marquante de notre histoire judiciaire et la ministre de la Justice partage avec tous les acteurs concernés le souci de réussir la mise en œuvre de cette loi. C’est la raison pour laquelle, en plus des moyens budgétaires supplémentaires obtenus, une concertation permanente a également été mise sur pied avec l’ensemble des acteurs concernés et, plus spécialement, les magistrats des actuelles commissions de libération conditionnelle afin de préparer au mieux l’entrée en vigueur de ces nouveaux tribunaux. Une nouvelle réunion est par ailleurs programmée ce vendredi.

Voilà les réponses de la ministre de la Justice qui, me semble-t-il, sont de nature à répondre à vos préoccupations.

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. – Ik lees het antwoord van de minister.

Op 1 februari 2007 zullen de strafuitvoeringsrechtbanken daadwerkelijk opgericht worden. Door de wet bij het Parlement in te dienen heeft heel de regering zich ertoe verbonden om de middelen ter beschikking te stellen die de strafuitvoeringsrechtbanken nodig hebben om hun taak naar behoren te vervullen. Namens de minister van Justitie kan ik bevestigen dat dit wel degelijk het geval zal zijn. Tijdens de bespreking van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf werd meer dan eens gesteld dat ze in twee fasen in werking zou treden. De eerste fase betreft de uitvoeringsbepalingen van straffen van meer dan drie jaar.

De zeer aanzienlijke toename van de werklast waarnaar de Hoge Raad van Justitie verwijst, heeft vooral te maken met de straffen van minder dan drie jaar. De bepalingen in verband met die straffen worden echter pas in een tweede fase en ten vroegste begin 2008 uitgevoerd.

In een eerste fase nemen de strafuitvoeringsrechtbanken de huidige opdrachten van de commissies voor voorwaardelijke invrijheidstelling over. Daarnaast zullen ze, voor zover het straffen van meer dan drie jaar betreft, ook bevoegd zijn voor de beperkte detentie, het elektronisch toezicht en de invrijheidstellingen met het oog op de verwijdering uit het land. De werklast zal dus wel degelijk toenemen, maar begin 2007 stijgt ook het aantal kamers van zes naar negen. Momenteel zijn er slechts zes commissies voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Het personeel en de begroting nemen dus met 50% toe.

De minister van Justitie wenst tevens te beklemtonen dat de overgang van zes naar negen kamers geen enkel verband houdt met de opname van de commissies voor de bescherming van de maatschappij in de strafuitvoeringsrechtbanken. Voor die eventuele opname zijn er extra financiële middelen nodig, die gevraagd en toegekend werden tijdens het jongste begrotingsconclaaf.

De strafuitvoeringsrechtbanken zullen overigens kunnen rekenen op een meer uitgebreide administratieve ondersteuning dan de commissies voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Terwijl elke commissie vandaag over twee administratieve krachten beschikt, zal elke kamer van de strafuitvoeringsrechtbanken over een adjunct-griffier en een bediende beschikken en het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank over een adjunct-secretaris. Bovendien hebben we de contractuele bedienden van de huidige commissies een nieuw contract aangeboden zodat hun ervaring niet verloren gaat.

Van bij hun oprichting zullen de strafuitvoeringsrechtbanken kunnen beschikken over het nieuwe softwareprogramma ‘Surtap’ om de dossiers efficiënter te beheren en te volgen. De begroting 2007 voorziet ook in de vereiste middelen om de psychosociale equipes van de strafinrichtingen te versterken en om de justitieassistenten in dienst te nemen die met toepassing van de nieuwe wet nodig zullen zijn om de slachtoffers voor te lichten en de daders te begeleiden.

De oprichting van de strafuitvoeringsrechtbanken vormt een opmerkelijke mijlpaal in onze gerechtelijke geschiedenis en de minister van Justitie deelt met alle betrokken actoren de zorg om de uitvoering van de wet tot een goed einde te brengen. Om die reden werd er naast extra financiële middelen ook voorzien in een permanent overleg met alle betrokken actoren, meer in het bijzonder met de magistraten van de huidige commissie voor voorwaardelijke invrijheidstelling, om de inwerkingtreding van de strafuitvoeringsrechtbanken zo goed mogelijk voor te bereiden. Vrijdag is overigens een nieuwe vergadering gepland.

Tot daar de antwoorden van de minister van Justitie. In mijn ogen komen ze tegemoet aan de bezorgdheid van de vraagstellers.

Mme Clotilde Nyssens (CDH). – Je prends acte de la lecture de la réponse.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). – Ik neem akte van de voorlezing van het antwoord.

Question orale de Mme Anke Van dermeersch à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «l’absence d’assesseurs lors des élections du 8 octobre et les électeurs qui ne se sont pas présentés au bureau de vote» (nº 3-1243)

Mondelinge vraag van mevrouw Anke Van dermeersch aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de afwezigheden van bijzitters op 8 oktober 2006 en de niet-opgedaagde kiezers» (nr. 3-1243)

Mme la présidente. – M. Christian Dupont, ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances, répondra.

De voorzitter. – De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, antwoordt.

Mme Anke Van dermeersch (VL. BELANG). – En vertu de l’article 95 du Code électoral, celui qui, sans cause légitime, s’abstient de remplir la fonction d’assesseur est passible d’une forte amende.

En Belgique, le vote est obligatoire mais de nombreux électeurs ne se présentent pas au bureau de vote. Les articles 207 à 210 du Code électoral prévoient pourtant des sanctions pénales.

Combien de médecins légistes les parquets ont-ils envoyé, le dimanche 8 octobre 2006, chez des assesseurs portés malades ? Le ministre peut-il ventiler ce chiffre par arrondissement judiciaire ou par parquet ?

Combien d’absents ont-ils subi un contrôle pour vérifier s’ils n’étaient pas en état de remplir leur devoir ?

Dans combien de cas les médecins légistes ont-ils constaté que l’intéressé était réellement malade ?

Combien de personnes contrôlées ont-elles refusé de se faire examiner par le médecin légiste ?

Combien de rapports médicaux ont-ils été transmis aux parquets ?

Des propositions d’arrangement à l’amiable ont-elle déjà été formulées ? Dans l’affirmative, combien ?

Quelle a été l’attitude à l’égard des électeurs qui ne se sont pas présentés au bureau de vote ?

Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BELANG). – Artikel 95 van de kieswet luidt als volgt: ‘Wie zonder wettige reden afwezig blijft als bijzitter van een kiesbureau, maakt zich schuldig aan een misdrijf dat beteugeld wordt met een geldboete tussen 2.750 en 11.000 euro.’

In België bestaat er stemplicht, maar desondanks komen heel wat kiezers niet opdagen. De artikelen 207 tot 210 van het Kieswetboek voorzien nochtans in een aantal strafbepalingen ter zake.

Van de minister had ik graag vernomen hoeveel wetsdokters de parketten op zondag 8 oktober 2006 hebben uitgestuurd om zieke bijzitters die niet opdaagden te controleren? Kan hij dat cijfer uitsplitsen per gerechtelijk arrondissement of parket?

Bij hoeveel afwezigen werd gecontroleerd of ze al dan niet in staat waren hun plicht na te komen?

In hoeveel gevallen stelde de wetsdokters vast dat de betrokkene daadwerkelijk ziek was?

Hoeveel gecontroleerden weigerden zich te laten onderzoeken door de wetsdokter?

Hoeveel medische verslagen werden overgelegd aan de parketten?

Werden al voorstellen tot minnelijke schikking getroffen? Zo ja, hoeveel?

Welke houding wordt aangenomen ten aanzien van kiezers die niet zijn komen opdagen?

M. Christian Dupont, ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances. – Je vous lis la réponse de la ministre Onkelinx.

Comme les élections ont eu lieu le 8 octobre 2006, il est impossible d’avoir les données chiffrées très détaillées que demande la sénatrice.

Je lui propose de reposer sa question ultérieurement ou de la poser par écrit. Puisqu’il s’agit de données chiffrées, cette dernière solution est sans doute la meilleure.

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. – Ik lees het antwoord van de minister.

De verkiezingen vonden pas plaats op 8 oktober 2006. Het is dus onmogelijk om de zeer gedetailleerde cijfergegevens die de senator vraagt, nu al ter beschikking te stellen.

Ik stel voor dat zij haar vraag op een nuttiger tijdstip stelt of dat ze deze omvormt tot een schriftelijke vraag. Aangezien het om gedetailleerde cijfergegevens gaat, is de laatste oplossing wellicht de beste.

Mme Anke Van dermeersch (VL. BELANG). – Une telle réponse ne m’avance à rien puisque jamais je ne reçois de réponse à mes questions écrites dans l’année.

Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BELANG). – Met zulk een antwoord sta ik geen stap verder, want op mijn schriftelijke vragen wordt nooit binnen het jaar geantwoord.

Question orale de M. Stefaan Noreilde à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur «les nouveaux établissements réservés aux délinquants psychiatriques» (nº 3-1246)

Mondelinge vraag van de heer Stefaan Noreilde aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over «de nieuwe instellingen voor psychiatrische delinquenten» (nr. 3-1246)

Mme la présidente. – M. Christian Dupont, ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances, répondra.

De voorzitter. – De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, antwoordt.

M. Stefaan Noreilde (VLD). – Dans sa déclaration, le gouvernement a annoncé une nouvelle série de mesures en matière d’internement des délinquants psychiatriques. Il est évident que ceux-ci ne sont pas à leur place en prison. C’est pourquoi ces mesures constituent un progrès important et nécessaire. De plus, elles permettront de libérer 800 places dans les prisons. Huit cents lits d’hôpital supplémentaires seront créés dans le cadre de l’internement de délinquants psychiatriques qui ne représentent aucun risque ou un risque minime pour la société.

Dans un premier temps, les internés dangereux resteront incarcérés en prison. Par la suite, ils recevront chacun une des 250 places attribuées au nouvel établissement pour délinquants psychiatriques à Gand ou une des 150 places d’Anvers.

La ministre pourrait-elle me dire combien de délinquants psychiatriques sont actuellement incarcérés en prison ? Bénéficient-ils d’un accompagnement supplémentaire en attendant d’être transférés ? Un montant a-t-il été prévu à cet effet au budget ?

Les sites destinés aux nouveaux établissements à Gand et à Bruxelles ont-ils déjà été définitivement attribués ? Dans l’affirmative, quels sont-ils ? Quand ouvrira-t-on ces établissements ?

Quels montants a-t-on prévus au budget pour ces nouveaux instituts ? Engagera-t-on du nouveau personnel ou est-il seulement question d’en déplacer ? Combien d’équivalents temps plein seront affectés à chaque établissement ?

De heer Stefaan Noreilde (VLD). – De regering kondigde in haar beleidsverklaring een nieuw pakket maatregelen aan inzake de internering van psychiatrische delinquenten. Het spreekt voor zich dat die mensen in een gevangenis niet op hun plaats zitten. De regering doet hiermee dan ook een positieve en noodzakelijke stap vooruit. Bovendien zouden op die manier 800 plaatsen vrijkomen in de gevangenissen. In plaats van te verdwijnen, komen er immers 800 ziekenhuisbedden bij, bestemd voor de internering van psychiatrische delinquenten die geen of slechts een gering risico voor de samenleving betekenen.

De gevaarlijke geïnterneerden blijven eerst nog een periode in de gevangenis opgesloten. Later krijgen ze een van de 250 plaatsen toegewezen in de nieuwe instelling voor psychiatrische delinquenten te Gent of een van de 150 in die te Antwerpen.

Van de minister had ik graag vernomen hoeveel psychiatrische delinquenten vandaag in de gevangenis zitten? Worden ze in de periode van vandaag tot aan hun overplaatsing extra begeleid? Is hiervoor een extra bedrag op de begroting uitgetrokken?

Zijn de locaties voor de nieuwe instellingen in Gent en Antwerpen reeds definitief toegewezen. Zo ja, waar? Voor wanneer is de opening van die instellingen gepland?

Welke bedragen zijn er voor de nieuwe instellingen op de begroting uitgetrokken? Zal nieuw personeel worden in dienst genomen of is er enkel sprake van verschuivingen? Over hoeveel voltijdse equivalenten per instelling gaat het?

M. Christian Dupont, ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances. – Je vous lis la réponse de la ministre Onkelinx.

Actuellement, 850 délinquants psychiatriques sont incarcérés en prison : 500 en Flandre et 350 en Wallonie, dont 170 à Paifve. Ils sont traités comme des détenus mais depuis septembre 2006, j’ai mis sur pied des équipes de soins multidisciplinaires dans chaque section psychiatrique de la prison et dans la section de défense sociale. Ces équipes de soins comprennent un psychologue, un assistant social, un psychiatre, un ergothérapeute, un éducateur et infirmier psychiatrique. J’ai libéré à cette fin les budgets nécessaires.

À Gand, l’attribution est définitive et le terrain sera acheté par la Régie des Bâtiments cette année encore. L’ouverture est prévue en 2009. I1 s’agit du site Wondelgemse Meersen.

Pour Anvers, c’est le site du Stuyvenberg qui a été choisi. La transaction pourra avoir lieu et les travaux pourront commencer dès que le déménagement de la clinique actuelle du Stuyvenberg vers le nouveau campus hospitalier Noord sera décidé.

Les départements de la Santé publique et de la Justice se concerteront quant au cadre du personnel. Ils s’inspireront des normes utilisées pour le nouveau circuit des soins en matière de personnel. L’objectif est d’avoir un campus hospitalier sécurisé, disposant sur place de personnel soignant et de surveillance.

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. – Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

Momenteel zitten er 850 psychiatrische delinquenten in de gevangenis. Het gaat om 500 geïnterneerden in Vlaanderen en 350 in Wallonië waarvan 170 in Paifve. Tot voor kort werden de psychiatrische delinquenten behandeld zoals gedetineerden, maar dat is sedert september 2006 niet langer het geval. Ik heb immers multidisciplinaire zorgequipes opgericht in de psychiatrische afdelingen en in de afdelingen sociaal verweer van elke gevangenis. Die equipes bestaan minimaal uit een psycholoog, een maatschappelijk werker, een psychiater, een ergotherapeut, een opvoeder en een psychiatrisch verpleegkundige. Ik heb de hiervoor vereiste bedragen op de begroting vrijgemaakt.

De ‘Wondelgemse Meersen’ zijn definitief toegewezen als locatie voor de instelling in Gent en de Regie der Gebouwen zal de grond nog in 2006 aankopen. De opening is gepland voor 2009.

In Antwerpen is de locatie Stuyvenberg toegewezen. Zodra er duidelijkheid is over de verhuizing van het Stuyvenbergziekenhuis naar de ziekenhuiscampus Noord, kan de verkoop plaatsvinden en kan worden gestart met de bouwwerken.

Over de invulling van de personeelsformatie zullen de departementen Volksgezondheid en Justitie overleg plegen. Ze zullen zich daarbij laten leiden door de personeelsnormen in het zonet opgerichte zorgcircuit. Het is de bedoeling om de ziekenhuiscampus te beveiligen; er zal dus zowel verzorgend als bewakingspersoneel aanwezig zijn.

Question orale de Mme Nele Jansegers au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur «la résistance croissante que les illégaux et les demandeurs d’asile déboutés opposent à leur expulsion» (nº 3-1244)

Mondelinge vraag van mevrouw Nele Jansegers aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «het toenemende verzet van illegalen en uitgeprocedeerde asielzoekers tegen hun uitwijzing» (nr. 3-1244)

Mme Nele Jansegers (VL. BELANG). – Voici quelques jours, les journaux nous apprenaient que les demandeurs d’asile déboutés et les illégaux opposent de plus en plus de résistance à leur expulsion et se montrent de plus en plus souvent agressifs envers leurs accompagnateurs. Voici trois ans, il fallait recourir à la police dans un cas sur vingt pour mener à bien une expulsion. Il s’agirait à présent d’un cas sur dix.

Les syndicats de police nous apprennent en même temps que les services de police concernés subissent une forte pression. Non seulement leur charge de travail a atteint un point de saturation mais il est également question d’une hausse draconienne du nombre d’accidents de travail et de la pression psychologique importante que subissent les agents à la suite des contrôle intensifs permanents dont ils font l’objet.

Combien d’accidents de travail a-t-on enregistrés ces dernières années dans ce service de police et est-il exact que le nombre d’accidents de travail est en forte hausse ?

Le ministre envisage-t-il de prendre des mesures pour briser ce cercle vicieux et mettre ainsi un terme au malaise qui règne depuis des années dans la politique d’éloignement ? Si oui, lesquelles ?

Quelles sont les mesures prises en vue d’alléger la charge pesant sur les agents et d’assurer la sécurité des agents dans l’accomplissement de leur mission ?

Quelles compagnies aériennes rechignent-elles à rapatrier les illégaux et que fait-on pour les ramener à de meilleurs sentiments ? Combien de rapatriements ont-ils été effectués par des vols charters spéciaux ? A-t-on l’intention de recourir plus souvent à cette procédure ?

Mevrouw Nele Jansegers (VL. BELANG). – Enkele dagen terug mochten wij uit de kranten vernemen dat er bij uitgeprocedeerde asielzoekers en illegalen een toenemend verzet groeit tegen hun uitwijzing en dat agressie tegenover hun begeleiders steeds frequenter wordt. Naar verluidt was er drie jaar geleden in één op de 20 gevallen politiebegeleiding noodzakelijk om een uitwijzing tot een goed einde te brengen. Nu zou die in één op de tien gevallen nodig zijn.

Tegelijkertijd vernemen wij van de politievakbonden dat de politiediensten die zich hiermee bezighouden daardoor op verschillende vlakken onder zware druk komen te staan. Er is sprake van een saturatiepunt wat de werkdruk in het algemeen betreft, maar ook van een drastische stijging van het aantal arbeidsongevallen en van zware psychologische druk op de agenten ingevolge de intensieve en permanente controles op hun werkzaamheden.

Hoeveel arbeidsongevallen werden er de voorbije jaren bij deze politiedienst geregistreerd en is het correct dat er een drastische stijging is van het aantal arbeidsongevallen?

Overweegt de minister maatregelen te nemen om deze vicieuze cirkel te doorbreken en een einde te stellen aan de nu al jaren heersende malaise in het uitwijzingsbeleid? Zo ja, welke?

Welke maatregelen worden er genomen om de druk op de agenten te verlichten en om hun veiligheid tijdens het uitvoeren van hun werk te verzekeren?

Welke vliegtuigmaatschappijen staan weigerachtig om illegalen terug naar hun land van herkomst te vervoeren en wordt er iets ondernomen om deze maatschappijen op betere gedachten te brengen? Hoeveel uitwijzingen gebeurden met speciale chartervluchten? Zal hier meer gebruik van worden gemaakt?

M. Patrick Dewael, vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur. – La police de l’aéroport de Zaventem confirme en effet une multiplication des accidents de travail parmi le personnel chargé des rapatriements. Cette tendance s’est entre-temps arrêtée après la prise d’une série de nouvelles mesures en exécution des recommandations de la commission Vermeersch. En 2005, on avait enregistré 17 accidents de travail. En septembre de cette année, on en dénombre dix. La police fédérale conteste énergiquement l’augmentation du recours à la force annoncée dans la presse. Les informations dont je dispose à l’heure actuelle ne correspondent pas à ce que j’ai lu dernièrement dans un certain nombre de journaux.

De nombreuses mesures ont été prises. Les recommandations de la commission Vermeersch concernant la police ont fait l’objet d’une directive ad hoc. En autorisant l’emploi de ceintures spéciales et de techniques particulières, on a permis de réduire le recours à la force à l’encontre des récalcitrants. De ce fait, les policiers courent moins de risques d’être blessés.

De nombreux efforts ont également été faits pour améliorer l’encadrement des policiers dans l’accomplissement des tâches ingrates qui leur sont confiées. Les conditions dans lesquelles cette mission doit se dérouler ont été optimalisées, tant pour les policiers que pour les personnes à rapatrier. Lors des travaux de la commission Vermeersch, j’ai rencontré à plusieurs reprises les intéressés et leurs représentants. Les accords concrets qui s’en sont suivis ont été mis en pratique.

Aucune compagnie aérienne ne refuse de manière générale les rapatriements d’illégaux. Dans certains cas, l’éloignement ne peut se dérouler via un vol commercial en raison de la rébellion de l’intéressé. Le commandant de bord refuse alors souvent de laisser monter la personne à bord de son appareil. On doit opter pour un vol « sécurisé ». Mes services ont déjà organisé 14 vols de ce type cette année et ils ont aussi participé à un vol sécurisé organisé par la Grande-Bretagne. Quelque 133 personnes ont été rapatriées de cette manière.

J’essaie dans la mesure du possible de favoriser les retours volontaires. Lorsqu’un étranger refuse ce retour, il ne reste d’autre choix que d’imposer le respect de la loi. Le nombre de vols sécurisés ne peut augmenter que si toutes les autres options ont échoué.

De heer Patrick Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. – De luchtvaartpolitie van Zaventem bevestigt dat er inderdaad een stijging werd vastgesteld van het aantal arbeidsongevallen bij het personeel van de dienst die voor repatriëringen instaat. Die tendens is inmiddels gestopt nadat in uitvoering van de aanbevelingen van de commissie-Vermeersch een aantal nieuwe maatregelen werden getroffen. In 2005 werden er 17 arbeidsongevallen geregistreerd. Tot en met september van dit jaar staat de teller op 10. De in de pers aangekondigde stijging van het gebruik van dwang wordt door de Federale Politie ten stelligste tegengesproken. De informatie waar ik momenteel over beschik strookt niet met wat recent in een aantal kranten werd geschreven.

Er zijn al heel wat maatregelen genomen. Ik verwees al naar de aanbevelingen van de commissie-Vermeersch met betrekking tot de politie die vertaald werden in een aangepaste richtlijn. Ik geef u een concreet voorbeeld. De toelating om gebruik te maken van speciale gordels en van bepaalde technieken heeft ertoe geleid dat er minder geweld moet worden gebruikt tegenover eventuele weerspannige personen. Hierdoor lopen de politiemensen veel minder kans op een persoonlijk letsel.

Er werden ook heel wat inspanningen geleverd om de ondankbare en miskende taak waarmee de overheid deze mensen belast beter te omkaderen. Er werd voor gezorgd dat de omstandigheden waarin die taak moet worden uitgevoerd zowel voor hen als voor de te repatriëren personen zo optimaal mogelijk zijn. Ter gelegenheid van de werkzaamheden van de commissie-Vermeersch heb ik de betrokkenen en hun vertegenwoordigers meermaals ontmoet. Dat leidde tot concrete afspraken die ook in de praktijk zijn uitgevoerd.

Er zijn geen luchtvaartmaatschappijen die op algemene wijze weigeren om illegalen terug te brengen naar hun land van herkomst. In individuele gevallen kan een verwijdering met een commerciële vlucht soms niet doorgaan, wegens het verzet van de te verwijderen persoon. Dan weigert de boordcommandant de betrokkene immers vaak de toegang tot zijn toestel. Indien het vertrek met een gewone lijnvlucht niet mogelijk is, wordt er geopteerd voor een ‘beveiligde’ vlucht. Mijn diensten organiseerden dit jaar al 14 dergelijke vluchten en namen ook deel aan een beveiligde vlucht georganiseerd door Nederland en een beveiligde vlucht georganiseerd door Groot-Brittannië. Op die manier werden 133 personen ook effectief gerepatrieerd.

Ik probeer zoveel mogelijk de vrijwillige terugkeer te stimuleren. Wanneer een vreemdeling niet vrijwillig wil vertrekken, rest er geen andere keuze dan de naleving van de wet effectief af te dwingen. Het aantal beveiligde vluchten kan alleen worden verhoogd als alle andere opties falen.

Mme Nele Jansegers (VL. BELANG). – Le porte-parole du SNPS, Willy Baugniet, a déclaré au quotidien Het Belang van Limburg du 16 octobre que le rapport Vermeersch demeure intact et qu’un certain nombre de nouvelles mesures coercitives sont en effet mises en œuvre mais que par exemple, l’utilisation de la ceinture française recommandée par le rapport n’est pas encore réglée par la loi. Le ministre vient de dire qu’une directive réglemente son utilisation et j’aimerais avoir des précisions à ce propos.

Mevrouw Nele Jansegers (VL. BELANG). – In Het Belang van Limburg van 16 oktober zegt NSPV-woordvoerder Willy Baugniet dat het rapport-Vermeersch voorlopig onaangeroerd blijft en dat er inderdaad een aantal nieuwe dwangmiddelen in gebruik zijn, maar dat bijvoorbeeld het gebruik van de Franse gordel in het rapport wel wordt aanbevolen maar nog niet wettelijk geregeld is. De minister zegt zojuist dat het gebruik ervan werd vastgelegd in een richtlijn. Ik zou daarover graag meer duidelijkheid krijgen.

M. Patrick Dewael, vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur. – Toutes les recommandations de la commission Vermeersch sont actuellement mises en œuvre. Il y a en effet davantage d’escortes mais cela ne veut pas dire que la résistance augmente et qu’on recourt davantage à la force. Ce n’est qu’une conséquence de la mise en œuvre des recommandations de la commission Vermeersch, laquelle a en effet conseillé une plus grande prudence. Cela signifie qu’il faut prévoir une escorte si la sécurité ne peut être assurée par un vol régulier. C’était d’ailleurs ce que demandait le syndicat de police, représenté dans la commission Vermeersch.

Le détachement de la police fédérale de Zaventem a obtenu, comme il le demandait, un ballon d’oxygène. Le budget 2007 lui alloue en effet 32 agents supplémentaires.

De heer Patrick Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. – Al de aanbevelingen van de commissie-Vermeersch worden thans in uitvoering gebracht. Er zijn wel meer escortes, maar dat betekent niet dat er meer verzet en meer geweld zou zijn. Dat is alleen het gevolg van het feit dat de aanbevelingen van de commissie-Vermeersch worden uitgevoerd. De commissie-Vermeersch heeft immers aanbevolen meer voorzichtigheid aan de dag te leggen. Dat betekent dat wanneer de veiligheid niet kan worden gewaarborgd in een lijnvlucht, er moet worden overgegaan tot een escorte. Dat was ook de vraag van de politievakbond, die vertegenwoordigd is in de commissie-Vermeersch.

Het detachement federale politie in Zaventem krijgt meer ademruimte, zoals gevraagd. In de begroting 2007 worden in totaal 32 extra agenten toegewezen aan dit detachement.

Question orale de M. Lionel Vandenberghe au ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances sur «le développement annoncé du baromètre de la tolérance» (nº 3-1245)

Mondelinge vraag van de heer Lionel Vandenberghe aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de aangekondigde tolerantiebarometer» (nr. 3-1245)

M. Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Le 27 octobre 2004, j’avais interrogé le ministre sur la réalisation de la vaste étude sur le succès de l’extrême droite, étude qu’il avait annoncée dans les médias. Six mois plus tard, le 23 mai 2006, le ministre m’a fait part de la nécessité de disposer d’un véritable baromètre de la tolérance. Pratiquement tous les acteurs concernés plaident en faveur d’un tel instrument de recherche qui permettrait de mesurer l’évolution de la tolérance dans les quartiers et qui servirait, le cas échéant, de signal d’alarme.

En ce début d’année parlementaire, je voudrais à nouveau interroger le ministre sur le développement de ce baromètre. L’arrestation le 7 septembre 2006, pour xénophobie et détention d’armes, de 19 individus d’extrême droite issus de Bloed, Bodem, Eer en Trouw et la progression des partis d’extrême droite aux dernières élections communales dans plusieurs communes flamandes et wallonnes, montrent bien que ce problème est plus que jamais d’actualité.

Quel institut de recherche a-t-il été chargé du développement de ce baromètre de la tolérance ? Où en est cette recherche ?

Ce baromètre sera-t-il utilisé en dehors des villes ?

Étudie-t-on également les solutions spécifiques qui pourraient être mises en œuvre si un niveau d’intolérance alarmant était atteint, afin que le baromètre puisse être un véritable instrument politique pour les nouveaux dirigeants des villes et des communes ?

De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Op 27 oktober 2004 heb ik de minister een schriftelijke vraag gesteld over de grootschalige studie naar het succes van extreem rechts die hij in de media had aangekondigd. Op 23 mei 2006, anderhalf jaar later, antwoordde de minister mij dat er nood is aan een echte tolerantiebarometer. Ook de betrokken actoren pleiten nagenoeg unaniem voor zo’n onderzoeksinstrument, waarmee onderzoekers de evolutie van tolerantie in de wijken kunnen meten en dat, indien nodig, als alarm kan fungeren.

Bij de aanvang van dit parlementaire jaar wil ik de minister opnieuw naar de ontwikkeling van deze tolerantiebarometer vragen. De arrestatie op 7 september 2006 van 19 extreemrechtse figuren uit het milieu van Bloed, Bodem, Eer en Trouw wegens xenofobie en wapenbezit en de recente gemeenteraadsverkiezingen, met in verschillende Vlaamse én Waalse gemeenten een vooruitgang van extreem rechtse partijen, tonen duidelijk aan dat deze problematiek meer dan ooit actueel is.

Aan welke onderzoeksinstelling werd de ontwikkeling van de tolerantiebarometer uitbesteed?

Hoever staat dit onderzoek?

Zal deze tolerantiebarometer niet enkel in steden, maar ook in gemeenten bruikbaar zijn?

Wordt er ook onderzoek gedaan naar specifieke oplossingen die kunnen worden aangewend wanneer een alarmerend niveau van intolerantie bereikt wordt, zodat de tolerantiebarometer een echt beleidsinstrument voor de nieuw aan te treden stads- en gemeentebesturen kan zijn?

M. Christian Dupont, ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances. – Sur mes instances, le Centre pour l’égalité des chances et la lutte contre le racisme a demandé au professeur Marc Swyngedouw de la KULeuven et au professeur Andrea Rea de l’ULB de mener une étude exploratoire concernant les indicateurs de collecte de données sur les sentiments xénophobes, la manière dont ils s’expriment et le comportement discriminatoire qui peut en résulter.

Cette étude s’est achevée fin juillet et le Centre travaille à présent à une proposition visant à instaurer un instrument permettant de prendre régulièrement le pouls de la société belge. Cette proposition devrait conduire à la conclusion d’accords avant la fin de l’année.

J’ai déjà prévu des crédits pour l’instauration de ce baromètre et je suis prêt à confier son développement aux universités qui collaboreront dans ce cadre avec le Centre.

L’approche suivie jusqu’ici tend plutôt à fournir un panorama de la situation en matière de racisme ; elle ne cible pas une communauté ou une ville en particulier. À la demande des administrations communales, j’ai demandé au Centre de rédiger la proposition de manière à permettre la conclusion d’accords de coopération locaux.

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. – Het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding heeft op mijn vraag, in het kader van het regeringsplan tegen racisme, vreemdelingenhaat en antisemitisme, professor Marc Swyngedouw van de KULeuven en professor Andrea Rea van de ULB gevraagd een verkennende studie uit te voeren over de indicatoren voor het verzamelen van gegevens over xenofobe gevoelens, over de manier waarop die gevoelens tot uiting worden gebracht en over het discriminerend gedrag dat er soms uit voortvloeit.

De studie werd eind juli voltooid en het Centrum werkt nu aan een voorstel tot invoering van een instrument waarmee regelmatig de vinger aan de pols van de Belgische samenleving kan worden gelegd. Dit voorstel zou moeten leiden tot het sluiten van overeenkomsten voor het einde van het jaar.

Ik heb al kredieten gereserveerd voor de invoering van de barometer en ben van plan de ontwikkeling ervan toe te vertrouwen aan universiteiten, die in dit kader zullen samenwerken met het Centrum.

De aanpak die tot op heden werd gevolgd, neigt veeleer naar een algemeen beeld van de stand van zaken inzake racisme en is niet toegespitst op één gemeenschap of één stad. Op vraag van de gemeentebesturen heb ik het Centrum verzocht het voorstel zodanig op te stellen dat het de ontwikkeling van lokale samenwerkingsverbanden mogelijk maakt.

M. Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Je trouve positif que l’étude soit enfin prête. Sera-t-elle également publiée ? L’Université d’Anvers sera-t-elle associée au projet dans une phase ultérieure ? Anvers a en effet une grande expérience de ce problème.

De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Ik vind het positief dat de studie eindelijk klaar is. Zal ze ook worden gepubliceerd? Wordt in een latere fase ook de Universiteit Antwerpen bij het project betrokken? Antwerpen heeft immers veel ervaring met deze problematiek.

M. Christian Dupont, ministre de la Fonction publique, de l’Intégration sociale, de la Politique des grandes villes et de l’Égalité des chances. – L’étude exploratoire a été confiée à la KULeuven et à l’ULB. En ce qui concerne l’étude proprement dite, une procédure ouverte est suivie et toutes les universités entrent en ligne de compte.

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. – De verkennende studie werd toevertrouwd aan de KULeuven en de ULB. Voor de studie zelf wordt een open procedure gevolgd waarvoor alle universiteiten in aanmerking komen.

Question orale de Mme Erika Thijs au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «les nombreuses victimes, ces dernières semaines, d’intoxication au monoxyde de carbone» (nº 3-1238)

Mondelinge vraag van mevrouw Erika Thijs aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de koolstofmonoxidevergiftiging en de vele slachtoffers de jongste weken» (nr. 3-1238)

Mme Erika Thijs (CD&V). – Ces derniers jours, plusieurs cas d’intoxication au monoxyde de carbone se sont à nouveau présentés. J’ai déjà posé à plusieurs reprises des questions à ce sujet. Cependant, hormis le CO-phone, peu de mesures ont été prises.

Où en est le nouveau système d’enregistrement des cas d’intoxication ? Le ministre se concertera-t-il avec les différentes instances telles que les pompiers, la police et les hôpitaux, pour assurer un meilleur enregistrement ?

Le SPF Santé publique devrait lancer, dans différentes langues, une campagne générale de sensibilisation relative à l’intoxication au monoxyde de carbone. Mais tout le monde ne regarde pas les infos ou ne lit pas le journal. Ce sont surtout les familles défavorisées qui doivent faire face à ce problème alors qu’il fait de moins en moins chaud.

Les médecins généralistes doivent eux aussi être attentifs à ce problème. Le ministre est-il compétent à ce sujet ? Quelles initiatives prendra-t-on dans les semaines à venir ?

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). – De jongste dagen deden zich opnieuw verschillende gevallen van koolmonoxidevergiftiging voor. Reeds verschillende malen heb ik hierover vragen gesteld. Buiten de CO-foon werden echter nog maar weinig maatregelen genomen.

Hoe ver staat het met het nieuwe registratiesysteem voor intoxicatiegevallen? Zal de minister met de verschillende instanties, zoals brandweer, politie en ziekenhuizen, overleggen om tot een betere registratie te komen?

De FOD Volksgezondheid zou in verschillende talen een algemene sensibilisatiecampagne omtrent CO-vergiftiging moeten opzetten. Niet iedereen kijkt naar het journaal of leest een krant. Vooral kansarme gezinnen hebben, nu het stilaan kouder wordt, met dit probleem te maken.

Ook de huisartsen moeten opmerkzaam zijn voor dit probleem. Is de minister hiervoor bevoegd? Welke initiatieven worden de komende weken genomen?

M. Rudy Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – Le Service Vigilance sanitaire et le Centre antipoisons n’ont signalé aucune irrégularité ces derniers jours ou ces dernières semaines.

Le Centre antipoisons veille depuis 1995 à la collecte des données sur ce sujet. Le système d’enregistrement se base sur des questionnaires ad hoc envoyés chaque année aux services d’urgences des hôpitaux et aux services de médecine hyperbare. Les données enregistrées sont complétées par celles des dossiers déposés auprès des parquets.

Le rapport le plus récent relatif au CO, portant sur 2005, a été terminé en juin. L’évolution d’année en année est stable. En 2005, lors de 576 accidents, 1224 personnes ont été victimes d’une intoxication au CO.

Le SPF prépare un nouveau système de collecte informatisée des données. Puisque le nombre de cas d’intoxication au CO est relativement petit et qu’il n’existe aucun suivi général informatisé des données dans les hôpitaux, ce système serait particulièrement onéreux. Le traitement des données a également engendré des problèmes de protection de la vie privée.

J’ai l’intention d’intégrer le suivi des cas d’intoxication au CO dans un projet général de monitoring des données relatives à la santé dans les services d’urgences. Pour optimaliser le rapport des données, on met actuellement la dernière main à un projet de campagne de sensibilisation dans les hôpitaux, spécialement adressée aux victimes et à leur famille.

Pour une campagne de sensibilisation destinée au grand public on collabore avec les Communautés, compétentes pour la prévention.

Il est préférable de discuter de la sensibilisation des médecins généralistes au sein des organes chargés de la coordination de la formation permanente des médecins dans le cadre de l’accréditation.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – De dienst Gezondheidsmonitoring en het Antigifcentrum hebben de afgelopen dagen of weken geen opvallende onregelmatigheden gemeld.

Het Antigifcentrum staat sinds 1995 in voor de verzameling van gegevens over dit onderwerp. Het registratiesysteem steunt op vragenlijsten ad hoc die jaarlijks naar de spoeddiensten van de ziekenhuizen en naar de diensten voor hyperbare geneeskunde worden verstuurd. De registratiegegevens worden aangevuld met gegevens van dossiers die bij de parketten worden ingediend.

Het meest recente CO-rapport, dat voor 2005, werd in juni voltooid. De evolutie is van jaar tot jaar stabiel. In 2005 werden 1.224 mensen in 576 ongevallen het slachtoffer van een CO-vergiftiging.

Binnen de FOD werd een nieuw systeem voor geïnformatiseerde gegevensverzameling voorbereid. Daar het aantal gevallen van CO-vergiftiging relatief klein is en er geen algemene geïnformatiseerde follow-up van de gegevens op het niveau van de ziekenhuizen is, zou dat systeem bijzonder duur uitvallen. De gegevensverwerking deed ook problemen rijzen met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Ik ben van plan de follow-up van gevallen van CO-vergiftiging te integreren in een algemeen project voor de monitoring van gezondheidgegevens op het niveau van de spoeddiensten. Teneinde de rapportering van de gegevens te optimaliseren wordt momenteel de laatste hand gelegd aan een project voor een sensibilisatiecampagne in de ziekenhuizen, die speciaal gericht is op de slachtoffers en hun familie.

Voor een sensibilisatiecampagne voor het grote publiek zal moeten worden samengewerkt met de gemeenschappen, die voor de preventieve gezondheidszorg bevoegd zijn.

De sensibilisatie van de huisartsen wordt best besproken in de organen die instaan voor de coördinatie van de permanente opleiding van artsen in het kader van de accreditatie.

Mme Erika Thijs (CD&V). – J’ai l’impression que le ministre m’a tout simplement donné la même réponse que l’an passé. Plusieurs services me signalent que, lors de l’enregistrement ad hoc, on ne tient pas toujours compte de l’intoxication chronique. On oublie aussi parfois d’enregistrer, d’où une image faussée.

Si les autorités fédérales et les Communautés se renvoient constamment la balle, on ne travaillera bien entendu jamais vraiment à la sensibilisation. Je propose dès lors que les départements compétents se concertent entre eux. Chaque année, un nombre affolant de personnes sont victimes du CO en octobre, novembre, février et mars. La sensibilisation est donc très importante.

Il importe tout autant que les campagnes soient menées dans différentes langues. Parmi les victimes, on trouve de très nombreux allochtones qui ne comprennent pas toujours les mises en garde des bulletins météorologiques.

Enfin, qui est compétent pour établir l’agenda de la formation permanente des médecins généralistes ?

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). – Ik heb de indruk dat de minister gewoon hetzelfde antwoord heeft gegeven als vorig jaar. Verschillende diensten melden me dat bij de ad-hocregistratie niet altijd rekening wordt gehouden met de chronische intoxicatie. Ook vergeet men soms wel eens te registreren. Hierdoor krijgt men een vertekend beeld.

Als de federale overheden en de gemeenschappen constant de bal naar elkaar doorspelen, zal er natuurlijk nooit echt werk van de sensibilisatie worden gemaakt. Ik stel dan ook voor dat de bevoegde departementen eens met elkaar overleggen. Elk jaar vallen in oktober-november en februari-maart ontzettend veel slachtoffers. Sensibilisatie is dus heel belangrijk.

Net zo belangrijk is dat de campagnes in verschillende talen worden opgesteld. Onder de slachtoffers bevinden zich heel wat allochtonen die de waarschuwingen die tijdens een weerbericht worden gegeven, niet altijd begrijpen.

Wie is, ten slotte, bevoegd voor de bepaling van de agenda voor de permanente opleiding van de huisartsen?

M. Rudy Demotte, ministre des Affaires sociales et de la Santé publique. – Je peux toujours le proposer.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. – Ik kan het altijd voorstellen.

Question orale de Mme Joëlle Kapompolé à la secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale sur «l’utilisation d’indicateurs de développement humain» (nº 3-1235)

Mondelinge vraag van mevrouw Joëlle Kapompolé aan de staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie over «het gebruik van indicatoren voor menselijke ontwikkeling» (nr. 3-1235)

Mme Joëlle Kapompolé (PS). – À l’échelon national comme à celui des régions, les deux indicateurs qui dominent dans les débats sur le progrès sociétal, l’emploi ou la comparaison des performances sont la croissance économique traduite en croissance du PNB et le PIB par habitant.

Or, l’assimilation de la richesse et du bien-être au PIB et celle des performances d’un territoire à sa croissance peuvent être contestables. La croissance, par exemple, n’entraîne pas automatiquement la réduction des inégalités et de la pauvreté, elle n’implique pas automatiquement des progrès éducatifs ou sanitaires et il est fréquent qu’elle s’accompagne d’une aggravation de la pression sur l’environnement.

De nombreuses études sur la possibilité d’ajouter aux indicateurs existants d’autres repères chiffrés concernant les principaux aspects du développement humain ou du développement durable ont déjà été réalisées. À titre d’exemple, je citerai une étude effectuée pour le Conseil régional du Nord–Pas de Calais et pour l’Institut wallon de l’évaluation, de la prospective et de la statistique, qui met en évidence trois indicateurs : l’IDH, indicateur de développement humain, l’IPH, indicateur de pauvreté humaine et l’IPF, indicateur de participation des femmes à la vie économique et politique.

Par ailleurs, le Bureau fédéral du plan a remis en supplément au troisième rapport fédéral sur le développement durable un tableau d’indicateurs de développement durable.

Je signale que vendredi dernier avait lieu un symposium du Conseil fédéral du développement durable, auquel vous avez participé, madame la secrétaire d’État, portant sur ce thème.

Quelle est la réflexion menée au sein du gouvernement à ce propos ? A-t-il la volonté d’avancer sur ce sujet ? Quelles seraient les synergies élaborées avec les entités fédérées ?

Mevrouw Joëlle Kapompolé (PS). – Zowel op federaal als op gewestelijk niveau wordt het debat over maatschappelijke vooruitgang, werkgelegenheid en prestaties gedomineerd door twee indicatoren, namelijk de economische groei, uitgedrukt in groei van het BNP, en het BBP per inwoner.

Rijkdom en welvaart gelijkstellen met het BBP en de prestaties van een gebied gelijkstellen met zijn groei is vatbaar voor kritiek. Groei doet bijvoorbeeld ongelijkheden en armoede niet automatisch afnemen, impliceert niet automatisch vooruitgang op het vlak van onderwijs en gezondheidszorg en gaat vaak gepaard met een hogere druk op het milieu.

Er zijn al talloze studies gemaakt over de mogelijkheid om aan de bestaande indicatoren andere toe te voegen betreffende de belangrijkste aspecten van de menselijke of de duurzame ontwikkeling. Zo zou ik een studie willen citeren die werd verricht voor de Conseil régional du Nord–Pas de Calais en voor het Institut wallon de l’évaluation, de la prospective et de la statistique (Waals Instituut voor evaluatie, toekomstverwachting en statistiek), die de aandacht vestigt op drie indicatoren: de HDI, Human Development Index of index voor menselijke ontwikkeling, de HPI, Human Poverty Index of de menselijke armoede-index en de GEM, Gender Empowerment Measure.

Het Federaal Planbureau heeft als bijlage bij het derde Federaal Rapport inzake Duurzame Ontwikkeling een tabel met indicatoren voor duurzame ontwikkeling gepubliceerd.

Vrijdag jongstleden heeft de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling overigens een symposium over dat thema georganiseerd, waaraan mevrouw de staatssecretaris heeft deelgenomen.

Hoe denkt de regering daarover? Wil ze vooruitgang boeken op dat vlak? Welke synergieën worden met de deelgebieden uitgewerkt?

Mme Els Van Weert, secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale, adjointe au ministre du Budget et des Entreprises publiques. – De manière générale, je puis dire que ce débat est en cours depuis longtemps et pas seulement en Belgique. Un des points de la discussion est la question de savoir s’il convient d’utiliser un index agrégé alternatif pour le développement durable ou une série d’indicateurs clé.

Dans le premier cas, par exemple, on peut songer aux index que vous avez cités, madame, et qui ont été calculés par le Programme de développement des Nations unies pour tous les pays du monde. Il existe encore d’autres index agrégés comme l’Index of Sustainable Economic Welfare, l’Empreinte écologique, etc. Il est cependant clair que ces index, soit ne couvrent pas tous les piliers du développement durable, soit perdent de l’information du fait de l’agrégation.

C’est dès lors la raison pour laquelle on opte souvent, aux plans intranational et international, pour une série d’indicateurs clé qui couvrent tous les piliers du développement durable et restent suffisamment spécifiques.

Vous citez vous-même le troisième Rapport fédéral du développement durable, mais il existe d’autres pratiques couramment utilisées à d’autres niveaux de pouvoir. Ce sujet a aussi été abordé au forum « Redefining prosperity : une vision durable sur la croissance et la consommation », organisé par le Conseil fédéral du développement durable le vendredi 13 octobre dernier.

Je vous invite à prendre connaissance des différentes contributions. Vous étiez présente, mais un rapport écrit est prévu.

Pour répondre concrètement à votre première question, je puis dire que des initiatives sont actuellement prises au sein de deux forums différents.

D’une part, dans le cadre de la Stratégie nationale du développement durable, je mets en œuvre un cadre de référence commun en collaboration avec les régions et les communautés. D’autre part, je souligne l’initiative prise par le Sénat, où une résolution a été mise aux voix et dans laquelle il est proposé de procéder à l’adoption d’une telle série d’indicateurs clé pour le développement durable.

Remarquez d’ailleurs que les avis du Conseil fédéral du développement durable sont notamment à la base de la méthode participative sous-tendant l’élaboration de ces initiatives.

En réponse à votre deuxième question, je vous informe que le gouvernement dispose d’ores et déjà du troisième Rapport fédéral de développement durable pour orienter sa politique.

En outre, le gouvernement utilise également un système de monitorage pour vérifier si les mesures du plan fédéral sont effectivement mises en œuvre. Ce système a été développé au sein de la Commission interdépartementale du développement durable. Selon toute probabilité, le débat se poursuivra dans les prochaines années sur la question de savoir si, outre le recours à une série d’indicateurs clé, l’instauration d’un index alternatif est indiquée. Ces index sont d’ores et déjà souvent utilisés comme instrument éducatif pour mener le débat.

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. – Deze discussie loopt al lang, en niet alleen in België. Een van de discussiepunten is of men een samengestelde alternatieve index moet gebruiken dan wel een reeks van sleutelindicatoren.

In het eerste geval kunnen we denken aan de indices die vraagstelster heeft geciteerd en die voor alle landen werden berekend door het UNDP. Er bestaan nog andere samengestelde indices zoals de Index of Sustainable Economic Welfare (ISEW), de Ecologische Voetafdruk, enzovoorts. Natuurlijk dekken die indicatoren ofwel niet alle pijlers van de duurzame ontwikkeling, ofwel gaat er bij hun samenstelling informatie verloren.

Daarom wordt op intranationaal en internationaal niveau vaak gebruik gemaakt van een reeks indicatoren die alle pijlers van de duurzame ontwikkeling dekken en voldoende specifiek blijven.

Vraagstelster heeft zelf verwezen naar het derde verslag van de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling, maar op andere bestuursniveaus worden gewoonlijk andere methoden gebruikt. Dat onderwerp werd ook aangesneden op het forum ‘Redefining prosperity: een duurzame visie op groei en consumptie’, dat op 13 oktober jongstleden werd georganiseerd door de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling.

Mevrouw Kapompolé heeft aan het forum deelgenomen, maar ik nodig haar uit om ook kennis te nemen van de verschillende bijdragen in het schriftelijke verslag.

Op haar eerste vraag kan ik antwoorden dat momenteel in twee verschillende fora initiatieven worden genomen.

Enerzijds werk ik, in samenwerking met de gewesten en de gemeenschappen, aan een gemeenschappelijk referentiekader dat past in de federale strategie voor duurzame ontwikkeling. Anderzijds verwijs ik naar de resolutie die werd goedgekeurd door de Senaat en waarin wordt voorgesteld om een reeks sleutelindicatoren voor duurzame ontwikkeling goed te keuren.

De adviezen van de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling liggen aan de basis van de participatieve methode waarop de uitwerking van die initiatieven steunt.

In antwoord op de tweede vraag kan ik bevestigen dat de regering voortaan over het derde Federale Rapport inzake Duurzame Ontwikkeling kan beschikken om haar beleid te oriënteren.

De regering gebruikt ook een systeem van monitoring om na te gaan of de maatregelen van het federaal plan daadwerkelijk zijn genomen. Dat systeem werd ontwikkeld door de Interdepartementale Commissie voor Duurzame Ontwikkeling. Naar alle waarschijnlijkheid zal de discussie over de vraag of naast een reeks van sleutelindicatoren ook een alternatieve index moet worden ingevoerd, ook in de komende jaren worden voortgezet. Voortaan worden die indicatoren vaak als educatief instrument in het debat gebruikt.

Question orale de Mme Christel Geerts au secrétaire d’État aux Entreprises publiques sur «le nouvel horaire de la SNCB» (nº 3-1241)

Mondelinge vraag van mevrouw Christel Geerts aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over «de nieuwe dienstregeling van de NMBS» (nr. 3-1241)

Mme Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). – Le Pays de Waes vient de prendre connaissance du nouvel horaire de la SNCB qui entrera en vigueur le 10 décembre 2006 et est bien pire qu’auparavant.

Je vous donne quelques exemples. Le temps d’attente entre deux trains IC reliant Gand à Anvers est allongé. La durée du trajet de Saint-Nicolas à Hasselt, Herentals et les Pays-Bas est plus longue. La liaison directe entre Saint-Nicolas et Bruxelles est peu fréquente et très lente.

La mauvaise liaison ferroviaire depuis Saint-Nicolas a été mise en évidence à plusieurs reprises et diverses actions ont été menées pour l’illustrer.

L’annonce du nouvel horaire a dès lors provoqué une immense surprise. Le conseil communal de Saint-Nicolas lui donnera d’ailleurs la publicité nécessaire. Le Pays de Waes est encore plus mal desservi que précédemment. Le nouvel horaire rendra le service proposé sur cet axe ferroviaire important inintéressant, l’occupation des trains sera irrégulière et la durée des trajets pour les voyageurs sera allongée.

Des voix s’élèvent à nouveau pour réclamer une liaison correcte avec Bruxelles et pour proposer d’ajouter des trains afin de réduire les temps d’attente et d’améliorer le service.

Sur la base de quels critères le nouvel horaire a-t-il été établi ? Pourquoi le service offert n’a-t-il pas été amélioré ? Ce nouvel horaire peut-il encore être évalué et modifié ?

Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). – Onlangs werd in het Waasland kennis genomen van de nieuwe NMBS-dienstregeling. Die gaat in vanaf 10 december 2006 en is heel wat slechter dan voordien.

Ik geef enkele voorbeelden. De spreiding van de treinen tussen Gent en Antwerpen wordt slechter. Nu bedraagt de wachttijd tussen twee opeenvolgende IC-treinen in beide richtingen maximaal 34 minuten. In het ontwerp van nieuwe dienstregeling is dat 40 minuten. Bijna alle reistijden vanuit Sint-Niklaas naar bestemmingen voorbij Antwerpen, richting Hasselt, Herentals en Nederland, duren langer. Reizigers van Sint-Niklaas richting Brussel moeten nog steeds 14 minuten wachten in Dendermonde. De rechtstreekse verbinding tussen Sint-Niklaas en Brussel is niet alleen te weinig frequent, maar duurt bovendien voor amper 50 km niet minder dan 67 minuten.

Herhaaldelijk werd gewezen op de slechte treinbediening vanuit Sint-Niklaas. Diverse acties werden ondernomen en er werd heel wat papier vol geschreven om de slechte bediening uitvoerig met cijfers te illustreren.

Toen de nieuwe dienstregeling bekend raakte, was de verbazing dan ook groot. De gemeenteraad van Sint-Niklaas zal daar trouwens nog de nodige ruchtbaarheid aan geven. We hadden op zijn minst gerekend op een begin van inhaaloperatie, maar niets is minder waar. Het Waasland wordt nog slechter bediend dan voorheen. De ongelukkig gekozen uurregeling zal leiden tot een onaantrekkelijke dienstregeling op deze belangrijke spoorwegas in Vlaanderen, tot een ongelijkmatige bezetting van de treinen en langere reistijden voor de reizigers.

De roep naar een goede verbinding met Brussel klinkt weer luid en er wordt ook voorgesteld om de dienstregeling te verbeteren door een extra treinserie, zodat de wachttijden korter worden.

Op basis van welke criteria kwam die nieuwe dienstregeling tot stand? Waarom wordt ten opzichte van deze regio niet remediërend opgetreden? Kan deze nieuwe dienstregeling nog worden geëvalueerd en gewijzigd?

M. Bruno Tuybens, secrétaire d’État aux Entreprises publiques, adjoint à la ministre du Budget et de la Protection de la consommation. – L’élaboration des horaires est particulièrement compliquée car il faut tenir compte de très nombreux facteurs, comme les travaux d’infrastructure, les correspondances à assurer et le matériel disponible. Vu la densité du réseau et les interactions, certaines améliorations significatives à un endroit peuvent entraîner une détérioration à un autre endroit. Par la mise en service des quatre voies entre Louvain et Bruxelles, la vitesse commerciale des trains IC A Eupen-Louvain-Bruxelles-Gand-Ostende est accrue et les trains arrivent plus vite à Gand. Il faut dès lors adapter l’horaire des trains IC G Anvers-Gand-Ostende.

La SNCB veut tirer profit des nouvelles infrastructures qu’Infrabel mettra à sa disposition en décembre 2006, comme les quatre voies Louvain-Bruxelles ou Hal-Bruxelles.

On a en outre veillé à élargir l’offre, surtout pour les navetteurs, et à offrir des temps de voyage commerciaux. L’infrastructure ferroviaire actuelle et les grands travaux d’infrastructure en cours ne permettaient pas d’améliorer le service ferroviaire dans le Pays de Waes.

Les horaires sont en principe valables pour un an. L’installation des troisième et quatrième voies sur la ligne 50A débutera en décembre 2007. Ces travaux auront une incidence considérable sur toutes les liaisons ferroviaires. Les horaires des différents trains cadencés et des trains des heures de pointe seront à nouveau modifiés dès décembre 2007. La situation actuelle vaudra donc pour une période transitoire d’un an. L’horaire qui sera établi en décembre 2007 apportera sans doute une solution à certains des problèmes dénoncés ici.

De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. – Het opstellen van dienstregelingen is een bijzonder moeilijke klus, omdat met heel wat factoren, zoals werkzaamheden aan de infrastructuur, te realiseren aansluitingen en het beschikbaar treinmateriaal, rekening moet worden gehouden. Door de dichtheid van het spoorwegnet en de onderlinge interacties durven beduidende verbeteringen op een bepaalde plaats van het net elders wel eens anders uit te draaien. Een mooi voorbeeld hiervan is de ingebruikneming van het viersporige baanvak tussen Leuven en Brussel, waardoor de commerciële snelheid van de IC A-treinen, Eupen/Leuven/Brussel/Gent/Oostende vergroot en de treinen vroeger in Gent aankomen. Dit maakte het echter ook noodzakelijk de dienstregeling van de IC G-treinen Antwerpen/Gent/Oostende aan te passen.

De NMBS wil profiteren van de nieuwe infrastructuren die de infrastructuurbeheerder Infrabel in december 2006 ter beschikking stelt. Denk maar aan de viersporen Leuven/Brussel, de bocht van Leuven of de vier sporen Halle/Brussel.

Verder werd er aandacht besteed aan de uitbreiding van het aanbod, vooral voor de pendelaars, en aan het aanbieden, waar mogelijk, van commerciële reistijden, opnieuw vooral voor de pendelaars. Met de huidige spoorinfrastructuur en de aan de gang zijnde grote infrastructuurwerken was het spoortechnisch niet mogelijk vanuit de regio Waasland een beter presterende treindienst te bieden.

Dienstregelingen zijn in principe één jaar geldig. In december 2007 start de aanleg van het derde en vierde spoor op lijn 50A, meer bepaald tussen Denderleeuw en Brussel. Deze belangrijke infrastructuurwerken zullen een ruime impact hebben op alle treinverbindingen. De dienstregelingen van de verschillende gecadanceerde treinen en piekuurtreinen zullen vanaf december 2007 opnieuw gewijzigd worden. De huidige toestand is dus geldig voor een overgangsperiode van één jaar. De dienstregeling december 2007 zal vermoedelijk een oplossing bieden voor een deel van de hier opgeworpen bezwaren.

Mme Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). – J’admets que l’élaboration des horaires est compliquée mais cela ne peut justifier que le Pays de Waes soit systématiquement mal desservi. Le secrétaire d’État doit reconnaître qu’il n’est pas normal que le voyageur qui se rend à Bruxelles doive attendre un quart d’heure à Termonde. On est en droit d’attendre mieux des transports en commun. Le secrétaire d’État a fait référence aux navetteurs. Ce sont justement les travailleurs qui se rendent tous les jours de Saint-Nicolas à Bruxelles qui ont inspiré mes questions.

J’espère que les interventions techniques évoquées par le secrétaire d’État amélioreront effectivement la situation de Saint-Nicolas. J’estime cependant que cette amélioration requiert aussi une dose de bonne volonté.

Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). – Dat het opstellen van dienstregelingen een gigantisch moeilijke klus is, kan ik me wel voorstellen. Toch vind ik dat een zwak argument om de systematisch slechte bediening van de regio Waasland van de tafel te vegen. De staatssecretaris moet toch toegeven dat het niet normaal is dat we van de 70 minuten die het ons kost om in Brussel te geraken, bijna een kwartier in Dendermonde stil staan. Dat staat toch haaks op wat we van het openbaar vervoer mogen verwachten. De staatssecretaris verwees meermaals naar de pendelaars. Mijn vraag werd vooral geïnspireerd door die vele werknemers die dagelijks van Sint-Niklaas naar Brussel pendelen.

Ik hoop dat de spoortechnische ingrepen die de staatssecretaris in het vooruitzicht stelt voor Sint-Niklaas inderdaad een verbetering zullen inhouden. Toch denk ik dat er ook een dosis goede wil nodig is om komaf te maken met de slechte bediening van onze regio.

Conflit d’intérêts entre, d’une part, le Parlement flamand et, d’autre part, le Parlement wallon et le Parlement de la Communauté française sur le projet de décret, déposé au Parlement flamand, modifiant le décret du 15 juillet 1997 contenant le Code flamand du logement (Parlement flamand, doc. 824 (2005-2006) – Nº 1) (Doc. 3-1853)

Belangenconflict tussen, enerzijds, het Vlaams Parlement en, anderzijds, het Waals Parlement en het Parlement van de Franse Gemeenschap over het in het Vlaams Parlement ingediende ontwerp van decreet houdende de Vlaamse Wooncode (Vlaams Parlement, Stuk 824 (2005-2006) – Nr. 1) (Stuk 3-1853)

Discussion

Bespreking

(Pour le texte adopté par la commission des Affaires institutionnelles, voir document 3-1853/2.)

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden, zie stuk 3-1853/2.)

M. Hugo Vandenberghe (CD&V), corapporteur. – Je me réfère à mon rapport écrit.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V), corapporteur. – Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

Mme la présidente. – M. Happart se réfère à son rapport écrit.

De voorzitter. – De heer Happart verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V), corapporteur. – Je voudrais présenter le point de vue du CD&V. Le « conflit d’intérêts » relatif au Code flamand du logement doit bien entendu être interprété correctement. Le CD&V estime qu’il n’y a pas conflit d’intérêts et que nous ne devons dès lors pas prendre position.

Nous constatons que ni les partenaires wallons, ni les gouvernements et parlements de la Région wallonne et de la Communauté française n’ont indiqué de quel conflit d’intérêts il s’agit précisément. On a avancé des arguments juridiques tels que la protection de la vie privée ou l’interdiction des discriminations mais, lors de la discussion en commission, M. Delpérée a reconnu que les considérations juridiques n’ont rien à faire ici.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V), corapporteur. – Ik geef het standpunt van CD&V. Het ‘belangenconflict’ rond de Vlaamse huisvestingscode moet uiteraard correct worden geïnterpreteerd. CD&V is van oordeel dat er geen belangenconflict is en dat we daarom ook geen standpunt moeten innemen.

We stellen vast dat de Waalse partners, noch de regeringen en parlementen van het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschap, hebben aangegeven welk belangenconflict er precies bestaat. Er worden juridische argumenten aangehaald, zoals de bescherming van het privéleven of het discriminatieverbod, maar collega Delpérée heeft tijdens de discussie in de commissie erkend dat juridische overwegingen hier niet ter zake doen.

M. Francis Delpérée (CDH). – Je n’ai pas dit cela. Je me suis uniquement prononcé sur l’aspect politique puisque nous discutions d’un conflit d’intérêt. J’ai laissé entier le problème juridique. Ne dites pas que ce dernier n’existe pas.

De heer Francis Delpérée (CDH). – Dat heb ik niet gezegd. Ik heb me alleen uitgesproken over het politieke aspect omdat we het over een belangenconflict hadden. Ik heb het niet over het juridische probleem gehad. Er kan niet worden beweerd dat dit niet bestaat.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Vous avez dû mal traduire mes propos. J’ai souligné que vous aviez indiqué que l’aspect juridique ne jouait pas dans un conflit d’intérêt. C’est d’ailleurs ce que j’ai également déclaré en commission.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – U hebt mijn woorden verkeerd begrepen. Ik heb benadrukt dat u hebt gezegd dat het juridische aspect geen rol speelt in een belangenconflict. Dat is trouwens wat ook ik in de commissie heb verklaard.

D’autres membres de la majorité, comme Mme de T’ Serclaes, sont par contre entrés dans le champ juridique en affirmant qu’un conflit d’intérêts est un conflit juridique.

Si le Sénat est chargé de régler un conflit d’intérêts et si on veut un peu de sérieux, on devrait pouvoir s’attendre à recevoir une note écrite du gouvernement wallon, du gouvernement de la Communauté française, du parlement wallon ou du parlement de la Communauté française. Lorsqu’un avocat veut soumettre une affaire à un tribunal, il doit le faire avec un document écrit. Il n’en va pas de même dans les pays bantous mais dans la culture occidentale si.

Je ne m’étendrai pas sur le débat de fond : l’exigence linguistique reprise dans le Code flamand du logement afin de mener une politique d’intégration. Cela relève par essence de la compétence des élus flamands. Il me paraît légitime de tendre, là où les gens cohabitent, vers une situation où ils se comprennent entre eux et comprennent la langue dans laquelle les autorités compétentes s’adressent au public, de sorte que les querelles de voisinage ne deviennent pas des problèmes communautaires. Nous pouvons comparer les démarches du gouvernement flamand aux exigences imposées par le gouvernement néerlandais Balkenende dans le cadre de la politique d’intégration ou à celles du Land de Bade-Wurtemberg où on utilise la notion de Leitkultur et où les nouveaux venus sont supposés connaître certains grands Allemands. Les Pays-Bas connaissent eux aussi un nouvel essor culturel. Ce lundi, le canon de l’histoire néerlandaise a été présenté, soit cinquante événements historiques que chaque habitant du pays devrait connaître.

Nous devons apprendre à vivre avec la constatation qu’il peut y avoir des conceptions différentes mais aussi qu’il y a des normes, qu’on doit s’intégrer et qu’on doit être prêt à cohabiter dans la diversité.

Le CD&V estime que ce conflit d’intérêts est dépassé. Il n’y a rien de mal à ce qu’une langue doive être parlée dans une région. C’est le cas dans de nombreux pays. Il n’est pas exact que l’usage d’autres langues dans la sphère privée n’est pas possible en Flandre. Les conditions du décret flamand doivent être correctement interprétées. On ne peut les caricaturer.

Je constate que personne ne conteste la compétence exclusive de la Région flamande dans ce domaine. Les arguments juridiques sur lesquels on prétend s’appuyer sont à mon sens réfutés de manière très convaincante dans l’avis du Conseil d’État. Celui qui ne partage pas cet avis peut bien entendu soumettre l’affaire aux instance judiciaires compétentes, de manière à ce qu’elles puissent juger s’il y a violation du principe d’égalité ou de la protection de la vie privée.

Le gouvernement violet a fait adopter ces sept dernières années de très nombreuses lois qui interviennent bien davantage dans la vie privée que cette formule très modeste proposée par le gouvernement flamand.

Enfin, je rappelle que l’article 143 de la Constitution fixe la procédure de soulèvement et de règlement des conflits d’intérêts, tant entre les assemblées législatives qu’entre les différents gouvernements. On a affirmé à juste titre que le législateur spécial a manqué à ses devoirs en n’appliquant pas ces dispositions, si bien que les incidents les plus fantaisistes sont travestis en conflits d’intérêts. Dans le cas présent, il n’existe même pas de document écrit. Je ne saurais donc même pas de quoi exactement nous devons débattre. Un parlement qui invoque un conflit d’intérêts devrait à tout le moins démontrer qu’il n’agit pas à la légère sur la base de l’une ou l’autre inspiration du moment, surtout lorsque la ministre de la Justice fait condamner des avocats à des amendes administratives fabuleuses parce qu’ils ont par erreur introduit une procédure de trop.

Bref, le CD&V se ralliera aux conclusions de la commission. Pour nous, il n’existe aucun conflit d’intérêts et on ne peut donc reprocher au Sénat de négliger son devoir.

Andere leden van de meerderheid, zoals mevrouw de T’ Serclaes zijn wel de juridische toer opgegaan door te stellen dat het belangenconflict een juridisch conflict is.

Als de Senaat met de regeling van een belangenconflict belast wordt en er is enig sérieux, dan zou men van de Waalse regering, de Franse Gemeenschapsregering, het Waals Parlement of het Parlement van de Franse Gemeenschap toch een geschreven nota mogen verwachten. Als een advocaat een zaak aan de rechtbank wil voorleggen, moet hij dat met een geschreven stuk doen. In Bantoelanden is dat niet zo, maar in de Westerse cultuur wel.

Ik ga niet in op het debat ten gronde; de taalvereiste die met het oog op een integratiepolitiek in de Vlaamse wooncode is opgenomen. Dat is in wezen de bevoegdheid van de Vlaamse gekozenen. Waar mensen samenleven, is het volgens mij terecht dat ernaar wordt gestreefd dat ze elkaars taal verstaan en de taal waarin de bevoegde overheid mededelingen doet aan het publiek opdat burenruzies niet zouden uitgroeien tot communautaire problemen. We kunnen de stappen van de Vlaamse regering vergelijken met de eisen die de Nederlandse regering-Balkenende oplegt in het kader van de integratiepolitiek of met die van de deelstaat Baden-Württemberg, waar het begrip Leitkultur wordt gehanteerd en nieuwkomers verondersteld worden een aantal grote Duitsers te kennen. Ook Nederland kent een cultuurherleving. Maandag werd de canon van de Nederlandse geschiedenis voorgesteld, vijftig ijkpunten die elke inwoner van het land zou moeten kennen.

We moeten leren leven met de vaststelling dat er verschillende opvattingen kunnen bestaan, maar ook dat er normen zijn, dat men zich moet integreren en dat men bereid moet zijn in verscheidenheid samen te leven.

CD&V vindt dit belangenconflict achterhaald. Het is niet meer van deze tijd. Er is niets verkeerds aan dat er in een bepaald gebied een bepaalde taal moet worden gesproken. Dat is in vele landen het geval. Het is ook niet zo dat het gebruik van andere talen in de privésfeer in Vlaanderen niet mogelijk is. De voorwaarden van het Vlaamse decreet moeten juist worden geïnterpreteerd. Men mag er geen karikatuur van maken.

Ik stel vast dat niemand de exclusieve bevoegdheid ter zake van het Vlaamse Gewest betwist. De juridische argumenten waarop men beweert te steunen, zijn naar mijn oordeel in het advies van de Raad van State heel overtuigend weerlegd. Wie het daar niet mee eens is, is uiteraard gerechtigd de zaak aan de bevoegde rechterlijke instanties voor te leggen, zodat die kunnen oordelen of er een schending is van het gelijkheidsbeginsel of van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

De paarse regering heeft de afgelopen zeven jaar heel wat wetten laten goedkeuren die veel dieper in het privéleven ingrijpen dan deze heel bescheiden formule die de Vlaamse regering voorstelt.

Ten slotte herinner ik eraan dat artikel 143 van de Grondwet de procedure vastlegt voor de voorkoming en de regeling van belangenconflicten, zowel tussen wetgevende vergaderingen als tussen verschillende regeringen. Terecht wordt gesteld dat de bijzondere wetgever in gebreke is gebleven door die bepalingen niet uit te voeren, zodat de meest fantaisistische incidenten in een belangenconflict worden verkleed. In dit geval bestaat er niet eens een geschreven stuk. Ik zou dus niet weten waarover we precies een debat moeten voeren. Een parlement dat een belangenconflict inroept, zou toch ten minste moeten aantonen dat het niet lichtzinnig handelt op basis van een of andere ingeving van het ogenblik, zeker wanneer de minister van Justitie advocaten die bij vergissing een procedure te veel hebben aangespannen, doet veroordelen tot fabuleuze administratieve boetes.

Kortom, de CD&V-fractie zal instemmen met de conclusie van de commissie. Voor ons bestaat er geen belangenconflict en dus kan de Senaat ook niet in gebreke gebleven zijn.

M. Philippe Mahoux (PS). – Je viens d’entendre M. Vandenberghe assimiler les francophones et leur représentation parlementaire à des Bantous.

C’est désobligeant pour les francophones comme pour les Bantous. Mais c’est en droite ligne de la considération et du mépris que le président de son parti a manifestés récemment pour les francophones.

J’en viens au fond du problème. (Interruptions de M. Vandenberghe) J’ai entendu ce que vous avez dit, monsieur Vandenberghe.

J’en viens donc au fond du problème. L’article 143 de la Constitution… (Interruptions de M. Vandenberghe) Je vous ai entendu, monsieur Vandenberghe. C’est en droite ligne des considérations que vous et votre parti faites de manière assez régulière à propos des francophones. (Interruptions de M. Vandenberghe) Madame la présidente, puis-je parler ?

De heer Philippe Mahoux (PS). – Ik hoor dat de heer Vandenberghe de Franstaligen en hun vertegenwoordigers in het parlement als Bantoes beschouwt.

Dat is beledigend, zowel voor de Franstaligen als voor de Bantoes. Maar dat ligt in de lijn van het misprijzen voor de Franstaligen dat de voorzitter van zijn partij onlangs heeft geuit.

Ik kom tot de kern van het probleem. (Onderbrekingen van de heer Vandenberghe) Ik heb duidelijk gehoord wat u hebt gezegd, mijnheer Vandenberghe.

Ik kom dus tot de kern van het probleem. Artikel 143 van de Grondwet … (Onderbrekingen van de heer Vandenberghe) Ik heb u goed gehoord, mijnheer Vandenberghe. Het ligt in de lijn van wat u en uw partij geregeld over de Franstaligen beweren. (Onderbrekingen van de heer Vandenberghe) Mevrouw de voorzitter, mag ik voortgaan?

M. Hugo Vandenberghe (CD&V) (fait personnel). – Je maintiens ce que j’ai dit. M. Mahoux n’est d’ailleurs pas homme à me faire la leçon. Il pourrait au moins faire l’effort d’apprendre les deux langues nationales avant de prétendre expliquer comment il faut comprendre un exposé.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V) (persoonlijk feit). – Ik blijf bij wat ik heb gezegd. De heer Mahoux is overigens niet de man om mij de les te lezen. Hij zou minstens de inspanning kunnen doen om de twee landstalen te leren, voordat hij iemand wil leren hoe een uiteenzetting te begrijpen.

M. Philippe Mahoux (PS). – L’article 143 de la Constitution a donné comme missions au Sénat de procéder à une concertation politique sur les dossiers lésant les intérêts d’une des communautés du pays et de chercher d’éventuelles solutions politiques.

Je constate que, pour la première fois, le Sénat n’a pas pu rendre d’avis motivé au comité de concertation. Je n’irai pas jusqu’à dire qu’il s’agit d’un constat d’impuissance du Sénat, comme certains l’on écrit dans la presse. Mais il est vrai qu’il n’a pas été possible de trouver un consensus au Sénat entre des thèses, on vient encore de l’entendre, diamétralement opposées.

Les débats qui ont eu lieu en commission ont permis aux thèses en présence d’être développées, ce qui a mené au constat qu’il n’y avait pas de consensus possible. On se rend donc aisément compte que faute d’avoir une loi qui institue un Sénat paritaire, il est assez compliqué de trouver une solution de consensus au Sénat, sauf à penser qu’il serait possible d’agir au Sénat dans ce genre de problème selon une règle majoritaire. Ce qui va à l’encontre du rôle imparti au Sénat pour remplir cette mission.

Il y a un véritable blocage dû à la position des uns et des autres. La divergence manifeste des points de vue entre les communautés est telle qu’aucune solution politique au conflit d’intérêt ne semble possible à trouver au Sénat.

Pour nous, cependant, le conflit d’intérêt existe. Il est bien réel, tandis que les néerlandophones ne voient pas en quoi ce projet de décret, qui impose aux locataires d’un logement social l’engagement à apprendre le néerlandais, mettrait à mal les intérêts des francophones.

Je voudrais faire une parenthèse. On peut discuter du fond du problème. La condition de connaissance linguistique peut-elle être imposée politiquement, éthiquement, moralement pour avoir accès à un logement ? Mon opinion sur ce point serait évidemment négative, mais ce n’est pas de cela que l’on discute.

Ce dont nous débattons, c’est de savoir si les intérêts des francophones sont lésés. Notre thèse est qu’ils le sont gravement, parce que ce projet porte atteinte au régime des facilités linguistiques. On comprend aussi que soulevant la question des facilités linguistiques, il soit difficile de trouver dans cette assemblée un consensus, puisque les thèses sont diamétralement opposées.

Comme l’a souligné le Conseil d’État, la taalbereidheid ne peut pas être imposée aux locataires des logements sociaux situés sur le territoire des communes à statut spécial, étant donné qu’en vertu du régime des facilités linguistiques, ces personnes ont le droit de s’adresser en français aux bailleurs.

L’objectif du projet qui est d’assurer la bonne communication entre le bailleur et les locataires est ainsi atteint. La thèse systématiquement avancée par certains selon laquelle les facilités linguistiques seraient un régime provisoire est donc implicitement remise en cause – et le terme est faible.

De plus, le projet de décret ne contient que l’obligation pour le candidat locataire de démontrer sa disposition à apprendre le néerlandais, le gouvernement flamand étant habilité à définir l’ensemble des règles qui permettent de savoir s’il satisfait à cette obligation. Que se passe-t-il en cas de non-respect de cette obligation ou comment déterminer ce non-respect ? De nouveau se pose le problème des francophones des communes à statut spécial car, je le répète, le conflit d’intérêts est lié à la situation de ces personnes.

En résumé, l’habilitation est beaucoup trop vaste et on ne peut préjuger, comme le précise d’ailleurs le Conseil d’État, de l’absence de la violation des droits fondamentaux et plus particulièrement du droit à un logement décent tel que le prévoit l’article 23 de la Constitution. Cependant, tel n’est pas l’objet de la discussion.

Je précise également que ces habilitations rendraient impossible tout contrôle parlementaire, notamment quand l’objectif est d’assurer le respect des droits des francophones dans les communes à facilités.

Il ne nous paraît pas acceptable que, par l’usage de ses compétences en matière de logement, le gouvernement flamand vise un objectif qu’il ne peut atteindre, par le biais de la mise en cause des facilités linguistiques, à savoir l’intégration des non-Belges en Flandre, l’homogénéisation de la population de la Région flamande et la lutte contre la francisation de la périphérie.

Il s’agit de propos tenus par le ministre Keulen. Selon nous, seule une exclusion de la taalbereidheid des dispositions relatives aux candidats locataires habitant dans les communes à facilités et communes à statut linguistique spécial permettrait de mettre fin à cette atteinte aux droits des francophones.

On comprendra aisément que cette position est en contradiction totale avec celle défendue par d’autres collègues au Sénat. Il s’avère donc que le constat de carence dressé dans le rapport et sur lequel nous devons nous prononcer est la seule solution.

De heer Philippe Mahoux (PS). – Artikel 143 van de Grondwet belast de Senaat met de organisatie van een politiek overleg over kwesties die de belangen van één van de gemeenschappen van dit land in het gedrang brengen en met het zoeken van mogelijke politieke oplossingen te zoeken.

Ik stel vast dat de Senaat nu voor de eerste keer geen gemotiveerd advies aan het Overlegcomité kan geven. Ik ga niet zover om te zeggen dat de Senaat hier blijk geeft van onmacht, zoals sommigen in de pers hebben geschreven. Het is wel juist dat het niet mogelijk bleek in de Senaat eensgezindheid te bereiken over standpunten die, zoals men juist kon horen, diametraal tegenover elkaar staan.

In de commissie kwamen de standpunten ruim aan bod, wat heeft geleid tot de vaststelling dat een consensus niet mogelijk was. Men moet dus vaststellen dat het zonder een paritaire Senaat erg moeilijk is eensgezindheid te bereiken, tenzij men meent dat het mogelijk is dat de Senaat zich over dat soort problemen kan uitspreken volgens de meerderheidsregel. Dat gaat in tegen de onpartijdige rol die de Senaat in die gevallen moet vervullen.

Er bestaat een echte blokkering. De standpunten van de gemeenschappen lopen zo sterk uiteen dat er blijkbaar geen enkele politieke oplossing voor het belangenconflict in de Senaat kan worden gevonden.

Toch bestaat volgens ons dat belangenconflict wel degelijk, terwijl de Nederlandstaligen niet inzien in welke zin dat ontwerp van decreet, dat aan huurders van een sociale woning oplegt Nederlands te leren, de belangen van de Franstaligen zou kunnen schaden.

Er kan over de grond van het probleem worden gepraat, namelijk of het politiek of ethisch gerechtvaardigd is taalkennis op te leggen om een woning te krijgen. Volgens mij is dat uiteraard niet aanvaardbaar, maar daarover gaat de discussie niet.

De vraag is of de belangen van de Franstaligen worden geschaad. Volgens ons worden die belangen ernstig geschaad, omdat dit ontwerp een inbreuk vormt op de taalfaciliteiten. Het is moeilijk om in deze assemblee een consensus te bereiken over dat onderwerp, aangezien de standpunten daarover diametraal tegenover elkaar staan.

Zoals de Raad van State heeft gezegd, kan de taalbereidheid niet worden opgelegd aan huurders van sociale woningen op het grondgebied van de gemeenten met een bijzonder taalstatuut. Door de taalfaciliteiten hebben die mensen het recht zich in het Frans tot hun verhuurder te wenden.

Het doel van het ontwerp, een goede communicatie tussen verhuurder en huurder tot stand brengen, is op die manier bereikt. De door sommigen stelselmatig geuite stelling dat de taalfaciliteiten een voorlopige toestand vormen, wordt dus impliciet op de helling gezet – en die term is nog zwak.

Bovendien voorziet het ontwerp van decreet voor de kandidaat-huurder enkel in de verplichting zijn bereidheid te tonen om Nederlands te leren. De Vlaamse Regering is dan bevoegd om de regels vast te stellen op basis waarvan kan worden nagegaan of aan die verplichting wordt voldaan. Wat gebeurt er als die verplichting niet wordt nagekomen? Hoe wordt dat gedefinieerd? Opnieuw rijst het probleem van de Franstaligen van de gemeenten met een bijzonder taalstatuut. Het belangenconflict hangt samen met de situatie van die mensen.

De bevoegdheid ter zake is dus veel te ruim en er mag, zoals de Raad van State preciseert, geen afbreuk worden gedaan aan de grondrechten en in het bijzonder aan het recht op behoorlijke huisvesting, dat in artikel 23 van de Grondwet wordt gewaarborgd. Toch is dit niet het onderwerp van de discussie.

Ik wijs er ook op dat die toe-eigening van bevoegdheid elke parlementaire controle onmogelijk maakt, met name wanneer het erom gaat het respect voor de rechten van de Franstaligen in de gemeenten met taalfaciliteiten te waarborgen.

Het is onaanvaardbaar dat, door gebruik te maken van haar bevoegdheden inzake huisvesting, de Vlaamse Regering een doel nastreeft dat zij slechts kan bereiken door de taalfaciliteiten op de helling te zetten, namelijk door de integratie van niet-Belgen in Vlaanderen, de homogenisering van de bevolking van het Vlaamse Gewest en de strijd tegen de verfransing van de rand.

Dat zijn de woorden van minister Keulen. De clausule van de taalbereidheid moet uit de bepalingen met betrekking tot de kandidaat-huurders die in gemeenten met taalfaciliteiten en in de taalgrensgemeenten wonen, worden verwijderd om een einde stellen aan de schending van de rechten van de Franstaligen.

Dit standpunt is volledig in tegenspraak met dat van andere collega’s van de Senaat. We kunnen dus alleen maar vaststellen dat het inderdaad onmogelijk is tot een oplossing te komen.

M. Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – L’intervention de M. Mahoux montre bien que celui qui ne maîtrise pas le néerlandais ne peut comprendre la teneur du décret. Ce décret ne concerne pas les communes à facilités. Il est donc faux de prétendre qu’il porte atteinte aux droits des francophones dans les communes à facilités.

Le Sénat doit donner un avis motivé au Comité de concertation. C’est curieux puisque le Comité de concertation a traité de cette affaire en mars 2006. Les divers gouvernements n’ayant pu s’accorder, les parlements de la Région wallonne et de la Communauté française n’ont rien trouvé de mieux que d’invoquer un conflit d’intérêts contre la mesure imposant aux personnes qui sollicitent une habitation sociale en Flandre de prouver qu’elles sont disposées à apprendre le néerlandais. Les francophones se servent de cette mesure pour créer un conflit, qualifiant le décret flamand de « politique d’assimilation ».

Il n’y a à nos yeux aucun conflit d’intérêts. En quoi les intérêts de la Communauté française et de la Région wallonne sont-ils compromis ? La Communauté française se pose en défenseur des francophones, non seulement de Wallonie et de Bruxelles – ce qui est son rôle constitutionnel – mais de l’ensemble du pays.

La première fois que les trois parlements ont discuté de ce décret, certains ont parlé d’une violation de la Constitution et même de la Convention européenne des droits de l’homme.

Pourquoi alors ne demandent-ils pas au Conseil d’État de priver les partis flamands qui ont adopté ce Code du logement de leur financement ?

Tant lors de la rencontre des trois parlements que dans notre commission, on a invoqué l’argument que pour le Conseil d’État, il n’y a manifestement aucun problème : il s’agit d’une mesure relative au logement, compétence de la Région flamande, et il n’y a aucun problème constitutionnel. On a en outre dû constater en commission que Mme de T’ Serclaes demandait une traduction de l’avis du Conseil d’État, peut-être parce qu’elle ne le comprenait pas, comme M. Mahoux qui ne comprend pas le décret.

De quoi s’agit-il alors ? N’est-il pas utile d’inciter des candidats locataires d’une maison sociale à apprendre la langue de la région où ils vont habiter ?

Lors de la brève discussion en commission, MM. Roelants du Vivier et Delpérée ont déclaré que le Sénat ne pouvait dégager de consensus puisque sa composition n’est pas paritaire. Ils anticipent manifestement la composition du nouveau Sénat à l’issue des prochaines élections ! Collègues du CD&V, Monsieur Leterme, sachez ce qui vous attend si vous voulez gouverner avec la coalition violette. Nous, en tout cas, nous veillerons à la parité !

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – Het betoog van de heer Mahoux toont duidelijk aan dat wie het Nederlands niet beheerst, niet begrijpt waarover het decreet gaat. Uit zijn betoog blijkt dat hij het decreet niet eens heeft gelezen. Het decreet gaat immers niet over de faciliteitengemeenten; op die gemeenten heeft de regeling geen betrekking. Het is dus manifest onjuist te beweren dat de rechten van de Franstaligen in de faciliteitengemeenten worden aangetast.

Van de Senaat wordt een gemotiveerd advies aan het Overlegcomité verwacht. Dat is bizar, want het Overlegcomité heeft die zaak al behandeld in maart 2006. De verschillende regeringen hebben toen evenmin een consensus gevonden. Het Waals Parlement en het Parlement van de Franse Gemeenschap hebben er dan maar niets beter op gevonden dan een belangenconflict in te roepen tegen het decreet, meer bepaald tegen de maatregel die erin bestaat dat wie in Vlaanderen een sociale huur- of koopwoning wil, tenminste aantoont dat hij bereid is Nederlands te leren, iets wat overigens gratis kan. De maatregel wordt in het zuiden van het land aangegrepen om een rel te ontketenen en om het decreet als ‘assimilatiepolitiek’ van de Vlaamse regering te bestempelen. Dat is flauwekul! Naast inkomensgrenzen wordt enkel als voorwaarde gesteld dat de aanvrager bereid is de taal te leren van de regio waar hij zich komt vestigen. Wat kan daar tegenin worden gebracht? Juridisch gezien is er een belangenconflict omdat drie vierden van het Waals Parlement en het Parlement van de Franse Gemeenschap gezegd hebben dat er volgens hen een belangenconflict bestaat. Maar in onze ogen bestaat er geen belangenconflict. Op welk punt zijn de belangen van de Franse Gemeenschap en van het Waals gewest geschaad? De Franse Gemeenschap ziet zichzelf niet alleen als de vertegenwoordiger van de Franstaligen in Wallonië en in Brussel – wat ze constitutioneel is – maar ook als de vertegenwoordiger van de Franstaligen in heel België. Die opstelling hebben we al gezien bij vorige belangenconflicten en zelfs bij procedures voor het Arbitragehof. Ze wordt expliciet vermeld in een aantal arresten van het Arbitragehof, onder meer in de zaak Carrefour. Dat is uiteraard institutionele nonsens, maar het wordt wel als een politiek argument gebruikt.

Toen de drie parlementen een eerste keer over dit punt hebben vergaderd in de Senaat, werd gewag gemaakt van schending van de Grondwet en zelfs van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Als dat het standpunt van de Franstalige collega’s is, wat houdt hen dan tegen om naar de Raad van State te stappen en te eisen dat de partijfinanciering wordt afgenomen van alle partijen die de Vlaamse wooncode in het Vlaams Parlement durven goed te keuren en aldus het EVRM schenden? Op die vraag zal ik wellicht geen antwoord krijgen.

Zowel tijdens de ontmoeting met de drie parlementen als in onze commissie werd het argument ingeroepen dat de Raad van State heel duidelijk heeft gesteld dat in deze aangelegenheid geen enkel probleem rijst. Volgens de Raad van State gaat het ten eerste om een maatregel inzake huisvesting – een bevoegdheid van het Vlaamse Gewest – en bestaat er ten tweede geen grondwettelijk probleem. In de commissie moesten we daarenboven vaststellen dat mevrouw de T’ Serclaes een vertaling vroeg van het advies van de Raad van State, wellicht omdat ze het niet begreep, zoals ook de heer Mahoux het decreet niet verstaat.

Waarmee zijn we dan bezig? Is het dan niet nuttig kandidaat-huurders van een sociale woning ertoe aan te zetten de taal te leren van de streek waar ze gaan wonen?

Tijdens de korte bespreking in de commissie heeft zowel de heer Roelants als de heer Delpérée verklaard dat de Senaat de consensus die moet uitmonden in een gemotiveerd advies, onmogelijk kan bewerkstellingen omdat hij niet paritair is samengesteld! Blijkbaar wordt vooruitgelopen op de samenstelling van de nieuwe Senaat na de volgende verkiezingen! Mensen van CD&V en mijnheer Yves Leterme, weet wat u te wachten staat als u met paars wil regeren! Voor de pariteit passen wij in elk geval!

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Ne faites pas de procès d’intention. Nous ne céderons pas !

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – U mag geen intentieproces voeren, mijnheer Van Hauthem. Wij zullen niet zwichten.

M. Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – Je ne fais pas de procès d’intention, je me borne à constater quelles sont les intentions de certains ici. Ils considèrent bêtement que si le Sénat n’est pas composé de manière paritaire, il ne peut réconcilier les deux Communautés.

Comme bien d’autres, ce conflit d’intérêts démontre que le Sénat est en effet incapable de trancher et de dégager un consensus. Ce constat est déjà une bonne chose.

L’obstruction des parlements de la Région wallonne et de la Communauté française au Code flamand du logement n’a rien à voir avec la CEDH, ni avec la Constitution et s’explique uniquement par la philosophie politique des francophones qui se font passer pour une minorité à protéger partout.

Quand j’entends certains francophones, je finis par croire que même sur les îles Fidji ils exigeraient d’être traités en français.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – Ik voer geen intentieproces tegen u, mijnheer Vandenberghe, ik stel alleen vast welke intenties sommigen hier hebben. Zij volgen de dwaze redenering dat als de Senaat niet paritair is samengesteld, hij de gemeenschappen onmogelijk met elkaar kan verzoenen.

Net als vele voorgaande, toont dit belangenconflict aan dat de Senaat inderdaad niet kan trancheren en geen consensus kan bewerkstellingen. Dat vaststellen vind ik op zich een goede zaak.

Laten we wel wezen, de obstructie van het Waals Parlement en van het Parlement van de Franse Gemeenschap tegen de Vlaamse Wooncode heeft niets te maken met het EVRM, noch met de Grondwet, maar alles met een bepaalde politieke filosofie van de Franstaligen die zich opstellen als een overal te beschermen minderheid.

Als ik sommige Franstaligen bezig hoor, dan begin ik te geloven dat ze zelfs op de Fiji-eilanden in het Frans behandeld zouden moeten worden, mochten ze zich daar ooit vestigen.

M. Francis Delpérée (CDH). – Après les Bantous, on en arrive aux Fidji.

De heer Francis Delpérée (CDH). – Na de Bantoe is Fiji aan de beurt.

M. Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – J’ai de la famille en Wallonie, en Espagne, à New York, au Brésil et en Argentine. Tous ont appris la langue du pays d’accueil.

Les francophones qui s’installent chez nous ne voient pas d’inconvénient à utiliser le français dans la vie publique. Au sud de la frontière linguistique, on devrait quand même se mettre à réfléchir.

Dans la région de Hal-Vilvorde, 70% des chômeurs sont des francophones qui ne maîtrisent pas le néerlandais.

Je suppose que les personnes qui se retrouvent dans un logement social ne sont pas les économiquement fortes.

Or, lorsque le gouvernement flamand décide d’encourager les citoyens à apprendre le néerlandais – et en fait certes une condition d’obtention d’un logement social – pour accroître leurs chances sur le marché de l’emploi, les francophones s’insurgent. L’obstruction du Parlement wallon et du Parlement de la Communauté française est inspirée par la fièvre communautaire mais elle est aussi antisociale.

Les francophones de la périphérie ne veulent pas s’adapter et sont même confortés dans leur attitude par le vice-premier ministre et ministre des Affaires institutionnelles, Didier Reynders. Lors des dernières élections, il affirma dans un pamphlet de l’Union francophone adressé aux électeurs de Hal-Vilvorde que « s’il y a une patrie à donner aux francophones, s’il y a une patrie à leur faire aimer, c’est une patrie francophone, une Belgique francophone ». Autrement dit, la Belgique sera latine ou ne sera pas !

L’obstruction est purement politique et j’approuve dès lors la conclusion de notre commission : il est insensé que le Sénat remette un avis motivé au Comité de concertation. Le Sénat n’est en effet pas capable de dégager un consensus, consensus qui, pour M. Mahoux, ne saurait consister qu’en la suppression de la disposition contestée du Code flamand du logement. Je me réjouis donc que le Sénat n’ait dégagé aucun consensus en ce sens et que le Parlement flamand puisse bientôt adopter la disposition contestée.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). – Mijnheer Delpérée, ik heb familie in Wallonië, in Spanje, in New York, in Brazilië en in Argentinië. Ze hebben allemaal de taal geleerd van het land waar ze zich hebben gevestigd. Ze hebben niet geëist in hun moedertaal te worden behandeld.

Franstaligen die zich bij ons komen vestigen, zien er geen graten in om zich in het openbare leven van de Franse taal te bedienen.

Ten zuiden van de taalgrens zou men toch eens moeten nadenken.

In Halle-Vilvoorde, waarover het voor de Franstaligen blijkbaar toch gaat, is de werkloosheid – gelukkig – zeer laag, maar 37 procent van de werklozen in Halle-Vilvoorde zijn wel Franstaligen. De voornaamste reden van hun werkloosheid is precies die gebrekkige kennis van het Nederlands.

Ik neem aan dat wie in de sociale huisvesting terechtkomt niet tot de economisch sterken hoort.

Wanneer de Vlaamse regering dan beslist om, weliswaar als voorwaarde om een sociale woning te kunnen huren, een incentive te geven om de taal te leren, zodat die mensen ook meer kansen hebben op de arbeidsmarkt, oordelen de Franstaligen dat dit niet hoeft. De obstructie door het Waals Parlement en het Parlement van de Franse Gemeenschap is ingegeven door communautaire koorts, maar is ook asociaal en antisociaal.

De Franstaligen in de rand wensen zich niet aan te passen. Ze huldigen nog altijd de filosofie dat niemand hun iets kan maken. Naar aanleiding van de voorbije gemeenteraads- en provincieraadsverkiezingen heb ik, in Lennik dan nog wel, Franstalige pamfletten van de Union francophone in de bus gekregen, met een voorwoord van de heer Reynders, voorzitter van de MR, maar tot nader order ook nog altijd vice-premier en minister van Institutionele Hervormingen. Hij eindigt zijn voorwoord, bestemd voor de kiezers van Halle-Vilvoorde, met de woorden: ‘s’il y a une patrie à donner aux francophones, s’il y a une patrie à leur faire aimer, c’est une patrie francophone, une Belgique francophone’. Met andere woorden: la Belgique sera latine ou ne sera pas!

De obstructie van het Waals Parlement en van het Parlement van de Franse Gemeenschap is een pure politieke obstructie. Ik ben het dan ook eens met het besluit van onze commissie, namelijk dat het geen zin meer heeft dat de Senaat een gemotiveerd advies bezorgt aan het Overlegcomité. De Senaat is inderdaad niet in staat een consensus te vinden, want volgens de heer Mahoux komt consensus er immers op neer dat de betwiste bepaling uit de wooncode moet worden geschrapt. Dat is de enige consensus die de Franstaligen kennen. Ik ben dan ook blij dat de Senaat wat dat betreft geen consensus gevonden heeft, dat we niet de volle termijn van 30 dagen hebben uitgeput, dat het dossier nu snel naar het Overlegcomité gaat en dat de bepaling nadien snel door het Vlaams Parlement kan worden goedgekeurd.

M. Francis Delpérée (CDH). – Nous sommes invités aujourd’hui à donner un avis motivé sur le conflit d’intérêts que suscite le Code flamand du logement.

Je me limiterai à deux observations. L’une portera sur les textes qui sont d’application en cette matière. L’autre portera sur le contexte du dossier qui nous est soumis.

Je relève deux textes. Il y a d’abord – M. Mahoux vient de le rappeler – l’article 143 de la Constitution qui veut que le Sénat se prononce, par voie d’avis motivé, sur les conflits d’intérêts entre les assemblées qui légifèrent par voie de loi, de décret ou d’ordonnance, dans les conditions et suivant les modalités qu’une loi spéciale détermine.

Je l’ai dit en commission, cette disposition constitutionnelle est éminemment curieuse. En effet, la Constitution prévoit l’intervention du Sénat dans le cadre de la prévention et du règlement des conflits d’intérêts. Or, chacun sait, spécialement dans cette enceinte, que le Sénat n’est pas une institution paritaire. Comment concevoir un arbitrage digne de ce nom entre des composantes d’un Sénat qui ne seraient pas mises sur un pied d’égalité ou, à tout le moins, s’il n’était pas organisé, au sein du Sénat, une institution qui se donne une telle composition ? Première curiosité.

Deuxième curiosité. La Constitution prévoit que le Sénat doit donner un avis motivé. Par contre, elle n’indique pas le destinataire de cet avis. La Constitution ne dit pas non plus sur quoi doit porter cet avis. S’agit-il de se prononcer sur l’existence du conflit ou d’esquisser les solutions pour le règlement d’un conflit ? Mystère !

Autre curiosité. On aurait pu imaginer qu’une loi spéciale de réformes institutionnelles – c’est ce que prévoit l’article 143 de la Constitution – intervienne pour préciser ces modalités. Il n’en est rien. Il n’y a pas de loi spéciale à ce sujet ; il n’y a pas de disposition dans la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles. C’est une anomalie puisque l’article 143 de la Constitution est, somme toute, en sommeil. C’est dans la perspective de ce sommeil que le législateur ordinaire est intervenu pour préciser quelques modalités de procédure.

Le deuxième texte est celui de la loi ordinaire du 9 août 1980 de réformes institutionnelles qui indique, de manière on ne peut plus sommaire, les conditions dans lesquelles le Sénat doit intervenir et les modalités suivant lesquelles il doit se manifester.

La loi ordinaire n’est évidemment pas en mesure d’organiser, au sein du Sénat, une institution paritaire pour connaître des conflits d’intérêts. De ce point de vue, la procédure inscrite dans la loi ordinaire est évidemment dépourvue du moindre intérêt pour la Communauté française et, a fortiori, pour les régions wallonne et bruxelloise.

La loi ordinaire a cependant un mérite. Elle indique quel est le destinataire de l’avis, à savoir le comité de concertation qui, de manière paritaire, va connaître de ce problème et de ce litige. Par contre, la loi ordinaire ne se prononce d’aucune manière sur la nature de l’avis motivé que nous devons remettre. S’agit-il de se prononcer sur l’existence du conflit ou sur l’objet du conflit ? S’agit-il d’esquisser le règlement du conflit ou, éventuellement, d’apporter des amendements au projet de décret si l’on veut se référer à la procédure de la sonnette d’alarme prévue par un autre article de la Constitution ? Le mystère reste entier.

En réalité, le Sénat joue le rôle d’un filtre. S’il peut aboutir à un consensus, tant mieux ; sinon, tant pis.

C’est une autre institution, à savoir le Comité de concertation, qui devra déployer des efforts d’imagination en vue d’aboutir à un début de solution négociable.

J’en viens au contexte de l’affaire.

Le Sénat n’a pas à se prononcer sur un conflit de compétences mais sur un conflit d’intérêts. Les conflits de compétence relèvent du Conseil d’État, en amont, ou de la Cour d’arbitrage, en aval. Cela n’exclut pas un problème juridique mais tel n’est pas l’objet de notre débat d’aujourd’hui.

Par ailleurs, je suis quand même amené à constater qu’il y a un conflit d’intérêts et ce, pour une raison très simple. Le fait que la Région flamande adopte des mesures restrictives dans le domaine du logement social risque de se répercuter sur les deux autres régions. Les personnes dont la demande de logement social a été rejetée par la Région flamande, pourraient s’adresser à la Région bruxelloise et à la Région wallonne et venir s’ajouter aux listes de demandeurs de logements sociaux, listes qui ne désempliront pas avant de longues années.

Pour ma part, je me réjouis que chacun apprenne la langue de son voisin, la langue des autres habitants du pays, qu’il pratique des langues étrangères – et je ne sais pas si quelqu’un, au sein de cette assemblée, pourrait y trouver à redire – pour autant qu’il n’y ait pas de contrainte, explicite ou déguisée. Je ne puis qu’applaudir au fait que chacun s’intègre dans la communauté dans laquelle il vit, pour autant, de nouveau, qu’il n’y ait pas d’assimilation forcée. À ce propos, j’avoue ne pas comprendre le lien qui doit exister, aux yeux des auteurs du projet de décret, entre l’apprentissage d’une langue et, si possible, à terme, la connaissance de cette langue, et l’obtention d’un logement social. Il y a un chaînon manquant. L’intégration des habitants d’un logement social relève non pas de l’autorité publique mais des relations entre particuliers.

Je suis quelque peu effrayé par certains propos exprimés à l’occasion d’une rencontre entre délégations parlementaires. Un parlementaire issu d’un parti démocratique n’a pas hésité à affirmer que pour le « développement optimal du sens de la communauté, il faut une langue commune ». Cela correspond vraiment à une vision archaïque de la vie sociale.

En conclusion, je regrette que le Sénat ne soit pas en mesure de donner un avis motivé et de contribuer à l’apaisement des esprits et à l’élaboration de solutions équilibrées. Mais je suis réaliste et je crois que, pour le moment, il est préférable de ne pas jeter de l’huile sur le feu.

Le groupe CDH votera donc dans le sens indiqué par les rapporteurs, non pas parce qu’il n’y a pas de conflit d’intérêts mais parce qu’il n’y a pas d’accord pour régler le conflit d’intérêts au sein de cette assemblée.

De heer Francis Delpérée (CDH). – We moeten vandaag een gemotiveerd advies geven over het belangenconflict waartoe de Vlaamse Wooncode aanleiding heeft gegeven.

Ik zal slechts twee opmerkingen formuleren. De eerste betreft de teksten die ter zake van toepassing zijn. De andere heeft betrekking op de context van het dossier waarover we ons moeten uitspreken.

Er is ten eerste – de heer Mahoux heeft eraan herinnerd – artikel 143 van de Grondwet dat bepaalt dat de Senaat bij wege van gemotiveerd advies uitspraak doet over belangenconflicten tussen de vergaderingen die wetgevend optreden bij wege van wet, decreet of ordonnantie, onder de voorwaarden en op een wijze die een bijzondere wet vaststelt.

Ik heb in de commissie al gezegd dat dit een merkwaardige grondwettelijke bepaling is. De Grondwet bepaalt dat de Senaat moet tussenkomen bij de preventie en regeling van belangenconflicten. Iedereen weet echter dat de Senaat geen paritaire instelling is. Hoe is een echte arbitrage mogelijk tussen de componenten van een Senaat als die niet op gelijke voet staan of wanneer er, op zijn minst, binnen de Senaat geen orgaan met een gelijkwaardige samenstelling bestaat? Dat is een eerste vaststelling.

Tweede eigenaardigheid. Volgens de Grondwet moet de Senaat een gemotiveerd advies geven, maar ze definieert de bestemmeling van dat advies niet. De Grondwet zegt evenmin waarover dit advies moet gaan. Moet de Senaat zich uitspreken over het bestaan van dit conflict of moet hij oplossingen uitwerken voor de regeling ervan?

Andere eigenaardigheid. Men zou kunnen denken dat een bijzondere wet tot hervorming der instellingen – dat staat in artikel 143 van de Grondwet – die voorwaarden zou preciseren. Er bestaat daarover echter geen bijzondere wet en er staat daarover niets in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Dat is een anomalie. Artikel 143 leidt een slapend bestaan. Daarom heeft de gewone wetgever enkele procedurevoorwaarden vastgelegd.

De tweede tekst is de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Daarin staat bijzonder bondig wanneer de Senaat moet optreden en op welke wijze hij dat moet doen.

De gewone wet kan uiteraard binnen de Senaat geen paritair orgaan instellen voor de behandeling van belangenconflicten. Daarom is de procedure van de gewone wet van geen tel voor de Franse Gemeenschap en, a fortiori, voor het Waalse en Brusselse Gewest.

Nochtans heeft de gewone wet een verdienste. Ze bepaalt wie de bestemmeling van het advies is, namelijk het Overlegcomité. Dat zal op paritaire wijze kennis nemen van het conflict. Daarentegen spreekt de gewone wet zich niet uit over de aard van het gemotiveerd advies dat de Senaat moet uitbrengen. Gaat het over het bestaan of over de inhoud van het conflict? Moet er een regeling van het conflict worden voorgesteld of moeten eventueel amendementen worden voorgesteld voor het ontwerp van decreet, naar het voorbeeld van de alarmbelprocedure waarvan sprake is in een ander Grondwetsartikel? Dat blijft een mysterie.

In werkelijkheid fungeert de Senaat als een filter. Als hij tot een consensus kan komen, des te beter, zo niet, dan is dat jammer.

Het Overlegcomité zal dus voldoende verbeelding aan de dag moeten leggen om tot een oplossing te komen.

Ik kom nu tot de context van het dossier.

De Senaat moet zich niet uitspreken over een bevoegdheidsconflict, maar over een belangenconflict. Bevoegdheidsconflicten dienen te worden behandeld door de Raad van State of door het Arbitragehof. Dat sluit niet uit dat er een juridisch probleem kan rijzen, maar dat is niet het onderwerp van het debat van vandaag.

Toch moet ik vaststellen dat er een belangenconflict is, en dat om een eenvoudige reden. Het feit dat het Vlaamse Gewest restrictieve maatregelen neemt inzake sociale huisvesting, dreigt gevolgen te hebben voor de twee andere gewesten. De mensen wier aanvraag voor een sociale woning door het Vlaamse Gewest werd verworpen, zouden zich tot het Waalse of Brusselse gewest kunnen richten om hun naam aan de eindeloze lijst van aanvragers voor een sociale woning te laten toevoegen.

Ik ben altijd verheugd dat iemand de taal van zijn buur en van de andere inwoners van het land leert, dat iemand vreemde talen spreekt – ik kan me niet voorstellen dat iemand in deze assemblee daar tegen zou zijn –, voor zover er geen sprake is van expliciete of verdoken dwang. Ik kan enkel toejuichen dat iemand zich integreert in de gemeenschap waarin hij leeft, voor zover er geen sprake is van gedwongen assimilatie. Ik begrijp dan ook niet dat er volgens de auteurs van het ontwerp van decreet een band moet bestaan tussen het aanleren van een taal en, voor zover mogelijk, op termijn de kennis van die taal, en het verkrijgen van een sociale woning. Er ontbreekt een schakel. De integratie van bewoners van een sociale woning gebeurt niet door de overheid, maar via de relaties tussen particulieren.

Sommige uitlatingen die ik tijdens een ontmoeting van parlementaire delegaties heb opgevangen, zijn enigszins angstaanjagend. Een parlementslid van een democratische partij aarzelde niet om te zeggen dat voor de ‘optimale ontwikkeling van gemeenschapszin het gebruik van een gemeenschappelijke taal vereist is’. Dat is werkelijke een archaïsche visie op het sociale leven.

Ik betreur dat de Senaat niet in staat is een gemotiveerd advies uit te brengen, bij te dragen aan het kalmeren van de geesten en de uitwerking van evenwichtige oplossingen. Ik ben echter een realist en ik meen dat het voor het ogenblik beter is geen olie op het vuur te gooien.

De CDH-fractie zal voor de conclusie van de commissie stemmen, niet omdat er geen belangenconflict bestaat, maar omdat het belangenconflict niet binnen deze assemblee kan worden opgelost.

M. Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Chacun savait d’avance à quelle impasse nous aboutirions. Le Sénat compte des sénateurs de Communauté qui ne vont quand même pas voter contre un décret de leur propre assemblée.

Nous n’avons pas à parler ici du problème juridique mais plusieurs arguments juridiques ont pourtant été avancés.

Le Code flamand du logement este en fait une réglementation bien intentionnée qui cherche à répondre aux besoins de groupes de la population socialement défavorisés. Il est de notre devoir d’aider ces personnes.

On veut mettre des maisons payables à la disposition des moins favorisés. Lorsqu’elles parlent une autre langue, ces personnes éprouvent en outre des problèmes d’adaptation. Le Parlement flamand a aussi adopté un décret de citoyenneté pour permettre aux personnes de toute origine de s’adapter plus facilement à notre région. L’autorité flamande veut les assister dans ce processus. Il n’y a là rien de mal.

Pour construire une société et assurer une bonne entente entre les personnes, il faut que ces personnes puissent s’entendre, que des voisins puissent parler la langue du quartier et de la région.

Les groupes vulnérables sont davantage touchés par le chômage, surtout les jeunes. S’ils ne connaissent pas suffisamment la langue, ils auront du mal à trouver du travail. Les enfants de familles qui parlent une autre langue éprouvent davantage de difficultés à l’école.

Le gouvernement flamand dégage des budgets considérables pour offrir des cours de néerlandais gratuits. Je suis convaincu que l’apprentissage de la langue de la région favorise la cohabitation. Qu’y a-t-il de coupable à demander à un locataire d’apprendre cette langue ? S’opposer à cela, c’est nuire aux intérêts de groupes précaires de notre population. Qu’y a-t-il de mal à devoir montrer qu’on est disposé à apprendre le néerlandais ?

La récompense favorise l’apprentissage. Celui qui veut vraiment un logement social sera tout disposé à s’engager à apprendre la langue. Qu’y a-t-il de mal à cela ?

De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). – Ik zal niet herhalen wat in de commissie al werd gezegd. Ik zal ook proberen niet te veel in te gaan op wat hier al werd gezegd.

Iedereen wist vooraf in welke situatie wij zouden terechtkomen. In onze assemblee hebben gemeenschapssenatoren zitting, die toch niet tegen een decreet van hun eigen assemblee kunnen stemmen. We zijn ook allemaal in een eigen kiesgebied gekozen.

Het juridische probleem moet niet hier worden besproken, maar toch werden hier al veel juridische argumenten gehanteerd.

De Vlaamse wooncode is eigenlijk een goed bedoelde regeling om aan de noden van bepaalde sociaal achtergestelde bevolkingsgroepen tegemoet te komen. Vanuit een sociaal engagement zijn wij verplicht die mensen te helpen.

Het is de bedoeling betaalbare woningen ter beschikking te stellen van wie het minder breed heeft. Als het om anderstaligen gaat, hebben die mensen bovendien nog aanpassingsproblemen. Het Vlaams Parlement heeft ook een inburgeringsdecreet aangenomen, waardoor mensen van allerlei origine de kans krijgen zich in onze contreien gemakkelijker aan te passen. De Vlaamse overheid wil de mensen daarin bijstaan. Daar is niets mis mee.

Wanneer men een samenleving wil opbouwen en een goede verstandhouding tussen de mensen tot stand wil brengen, moet men toch met elkaar kunnen praten. Het is van belang dat buren de taal van de streek kunnen spreken, zeker als het gaat om de kleine ongemakken van het samenleven in een wijk of appartementsgebouw.

In kwetsbare groepen zijn er ook meer werklozen, vaak jongeren. Zij geraken minder gemakkelijk aan de slag als ze de taal onvoldoende kennen. Kinderen van anderstalige gezinnen presteren minder goed op school vanwege de taalachterstand.

De Vlaamse regering trekt aanzienlijke budgetten uit zodat anderstaligen gratis lessen Nederlands kunnen volgen. We zijn ervan overtuigd dat het aanleren van de streektaal het samenleven bevordert en ingaat tegen de veelbesproken verzuring van de maatschappij.

De maatregel om aan de huurder een engagement te vragen om de taal te leren kan niemand toch als een misdrijf beschouwen? Meer nog, wie zich hiertegen verzet, schaadt de belangen van een precaire bevolkingsgroep, die juist alle hulp kan gebruiken. Wat is er mis met de verplichting om aan te tonen dat men bereid is Nederlands te leren? Men moet geen spoken zien!

In het leerproces is de motivatie heel belangrijk. Belonen bevordert het leren. Wie echt een sociale woning wil, zal ook bereid zijn te verklaren dat hij de taal wil leren. Het huren van een woning wordt in het vooruitzicht gesteld voor wie bereid is om de streektaal te leren. Zo simpel is het. Wat is daar verkeerd aan? Waar is het probleem, collega’s?

La discussion est close.

De bespreking is gesloten.

Il sera procédé ultérieurement au vote sur les conclusions de la commission.

De stemming over de conclusie van de commissie heeft later plaats.

Demande d’explications de M. Jan Steverlynck au vice-premier ministre et ministre des Finances sur «le prélèvement à la source sur des dividendes distribués à des entreprises étrangères» (nº 3-1825)

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de vice-eerste minister en minister van Financiën over «de bronheffing op dividendbetalingen aan buitenlandse ondernemingen» (nr. 3-1825)

Mme la présidente. – M. Didier Donfut, secrétaire d’État aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères, répondra.

De voorzitter. – De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

M. Jan Steverlynck (CD&V). – La Commission européenne a récemment fait part de son désaccord concernant le prélèvement à la source sur des dividendes distribués à des entreprises étrangères. Ce prélèvement n’est pas opéré sur les paiements de dividendes à des entreprises nationales. De ce fait, une des règles de base du marché interne est violée. Les États membres ne peuvent en effet imposer plus lourdement des entreprises d’autres États membres que leurs propres entreprises.

Le gouvernement avait jusqu’à fin septembre pour donner une réponse concluante à la Commission. Si cette réponse ne suffit pas, la Commission peut alors introduire l’affaire auprès de la Cour européenne de Justice.

Combien le prélèvement à la source sur des dividendes distribués à des entreprises étrangères a-t-il rapporté à l’État en 2003, 2004 et 2005 ?

Quelle sera la réponse du ministre à la Commission européenne ?

Quand ce prélèvement sera-t-il effectivement supprimé, ou le ministre envisage-t-il un impôt semblable sur des dividendes distribués à des entreprises nationales ?

De heer Jan Steverlynck (CD&V). – De Europese Commissie heeft onlangs bekendgemaakt niet akkoord te gaan met de bronheffing op dividenden die aan buitenlandse vennootschappen worden uitgekeerd. Die bronheffing valt weg voor betalingen van dividenden aan binnenlandse vennootschappen. Hierdoor wordt één van de basisregels van de interne markt overtreden. Lidstaten mogen bedrijven van andere lidstaten immers niet zwaarder belasten dan hun eigen bedrijven.

De regering had tot eind september de tijd om een afdoend antwoord te bezorgen aan de Commissie. Volstaat dit antwoord niet, dan kan de Commissie de zaak aanhangig maken bij het Europees Hof van Justitie.

Hoeveel ontving de Staat aan bronheffing op dividenden die aan buitenlandse bedrijven werden uitgekeerd in 2003, 2004 en 2005?

Welk antwoord zal de minister geven aan de Europese Commissie?

Wanneer zal deze bronheffing effectief worden afgeschaft of overweegt de minister een gelijkaardige belasting op dividendbetalingen aan binnenlandse vennootschappen?

M. Didier Donfut, secrétaire d’État aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères. – Je vous lis la réponse du ministre Reynders.

Les statistiques dont l’Administration du recouvrement dispose ne permettent aucune ventilation du prélèvement à la source sur des dividendes selon la nature de la société à laquelle ces derniers sont distribués.

La Belgique ne partage pas la position de la Commission européenne en matière de prélèvement à la source sur des dividendes distribués à des sociétés mères étrangères établies en Union européenne ou dans l’Espace économique européen. L’affaire sera donc soumise à la Cour européenne de Justice.

Vu le démantèlement progressif des taux de participation bénéficiaire prévus par la directive mère-filiale, le problème sera résolu à partir du 1er janvier 2009 sans que le législateur belge ne doive intervenir.

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. – Ik lees het antwoord van minister Reynders.

De statistieken waarover de Administratie van de Invordering beschikt, laten geen opsplitsing toe van de bronheffing op dividenden volgens de aard van de vennootschap waaraan ze worden uitgekeerd.

België gaat niet akkoord met het standpunt van de Europese Commissie inzake bronheffing op dividendbetalingen aan buitenlandse moedermaatschappijen die gevestigd zijn in de Europese Unie of in de Europese Economische Ruimte. Deze kwestie zal dus worden voorgelegd aan het Europees Hof van Justitie.

Gezien de geleidelijke afbouw van de winstdelingsvoeten waarin wordt voorzien door de moeder-dochterrichtlijn, zal het probleem met ingang van 1 januari 2009 opgelost zijn zonder dat de Belgische wetgever dient op te treden.

M. Jan Steverlynck (CD&V). – La réponse renvoie à 2009, mais il n’y a pas encore de solution pour 2007 et 2008. J’apprends maintenant que le gouvernement ne modifiera pas la loi et qu’il sera donc en infraction, au moins pour deux ans.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). – Het antwoord verwijst naar 2009. Er is echter nog geen oplossing voor 2007 en 2008. Ik verneem nu dat de regering de wet niet zal wijzigen en dus minstens twee jaar in overtreding is.

Votes

Stemmingen

(Les listes nominatives figurent en annexe.)

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Conflit d’intérêts entre, d’une part, le Parlement flamand et, d’autre part, le Parlement wallon et le Parlement de la Communauté française sur le projet de décret, déposé au Parlement flamand, modifiant le décret du 15 juillet 1997 contenant le Code flamand du logement (Parlement flamand, doc. 824 (2005-2006) – Nº 1) (Doc. 3-1853)

Belangenconflict tussen, enerzijds, het Vlaams Parlement en, anderzijds, het Waals Parlement en het Parlement van de Franse Gemeenschap over het in het Vlaams Parlement ingediende ontwerp van decreet houdende de Vlaamse Wooncode (Vlaams Parlement, Stuk 824 (2005-2006) – Nr. 1) (Stuk 3-1853)

Mme la présidente. – Nous votons sur les conclusions de la commission, qui propose de ne pas rendre d’avis motivé au Comité de concertation.

De voorzitter. – Wij stemmen over de conclusie van de commissie, die voorstelt geen gemotiveerd advies uit te brengen aan het Overlegcomité.

Vote nº 1

Stemming 1

Présents : 52
Pour : 51
Contre : 0
Abstentions : 1

Aanwezig: 52
Voor: 51
Tegen: 0
Onthoudingen: 1

Les conclusions de la commission sont adoptées.

De conclusie van de commissie is aangenomen.

Elles seront transmises au premier ministre, à la présidente du Parlement flamand, au président du Parlement wallon et au président du Parlement de la Communauté française.

Ze zal worden medegedeeld aan de eerste minister, aan de voorzitter van het Vlaams Parlement, aan de voorzitter van het Waals Parlement en aan de voorzitter van het Parlement van de Franse Gemeenschap.

Ordre des travaux

Regeling van de werkzaamheden

Mme la présidente. – Le Bureau propose l’ordre du jour suivant pour la semaine prochaine :

De voorzitter. – Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Jeudi 26 octobre 2006 à 15 heures

Donderdag 26 oktober 2006 om 15 uur

Prise en considération de propositions.

Inoverwegingneming van voorstellen.

Débat d’actualité et questions orales.

Actualiteitendebat en mondelinge vragen.

Projet de loi modifiant l’article 46bis du Code d’instruction criminelle ; Doc. 3-1824/1 à 4.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 46bis van het Wetboek van Strafvordering; Stuk 3-1824/1 tot 4.

Proposition de résolution relative à la position des femmes âgées (de Mme Christel Geerts et consorts) ; Doc. 3-1589/1 à 6.

Voorstel van resolutie over de positie van oudere vrouwen (van mevrouw Christel Geerts c.s.); Stuk 3-1589/1 tot 6.

À partir de 17 heures : Votes nominatifs sur l’ensemble des points à l’ordre du jour dont la discussion est terminée.

Vanaf 17 uur: Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

Demandes d’explications :

Vragen om uitleg:

de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur « la conduite sous influence de drogues » (nº 3-1854) ;

van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over “het rijden onder invloed van drugs” (nr. 3-1854);

de Mme Anke Van dermeersch à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur « l’exécution de la loi sur les armes » (nº 3-1859) ;

van mevrouw Anke Van dermeersch aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over “de uitvoering van de wapenwet” (nr. 3-1859);

de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur « l’augmentation de la charge de travail des juges de la jeunesse à la suite des réformes qui ont récemment été apportées au droit de la jeunesse » (nº 3-1860) ;

van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over “de toenemende werklast van de jeugdrechters naar aanleiding van de recente hervormingen van het jeugdrecht” (nr. 3-1860);

de Mme Erika Thijs à la vice-première ministre et ministre du Budget et de la Protection de la consommation sur « le risque d’intoxication au CO avec les poêles à pétrole » (nº 3-1853) ;

van mevrouw Erika Thijs aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken over “het gevaar van CO-intoxicatie bij petroleumkachels” (nr. 3-1853);

de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre du Budget et de la Protection de la consommation et au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « les aliments fonctionnels » (nº 3-1855) ;

van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken en aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “de functionele voedingsmiddelen” (nr. 3-1855);

de M. Christian Brotcorne à la vice-première ministre et ministre du Budget et de la Protection de la consommation sur « l’urgence d’un financement adéquat du Fonds de traitement du surendettement telle que constatée déjà en janvier dernier » (nº 3-1857) ;

van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken over “de reeds in januari jongstleden vastgestelde dringende behoefte aan een adequate financiering van het Fonds ter bestrijding van overmatige schuldenlast” (nr. 3-1857);

de Mme Erika Thijs au ministre des Affaires étrangères sur « la situation précaire dans laquelle se trouve le Burundi » (nº 3-1852) ;

van mevrouw Erika Thijs aan de minister van Buitenlandse Zaken over “de precaire situatie in Burundi” (nr. 3-1852);

de Mme Jacinta De Roeck au ministre de l’Économie, de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la Politique scientifique sur « la dotation attribuée au Centre d’étude de l’énergie nucléaire » (nº 3-1845) ;

van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over “de dotatie voor het Studiecentrum voor Kernenergie” (nr. 3-1845);

de Mme Fauzaya Talhaoui au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « le remboursement des analogues d’insuline à effet prolongé Levemir et Lantus » (nº 3-1856) ;

van mevrouw Fauzaya Talhaoui aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “de terugbetaling van de traagwerkende insulineanalogen Levemir en Lantus” (nr. 3-1856);

de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « la maladie d’Alzheimer » (nº 3-1858) ;

van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “de ziekte van Alzheimer” (nr. 3-1858);

de Mme Annemie Van de Casteele au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « le fonctionnement de la commission d’implantation » (nº 3-1861) ;

van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “de werking van de vestigingscommissie” (nr. 3-1861);

de Mme Sabine de Bethune au ministre de la Coopération au Développement sur « les programmes indicatifs de coopération » (nº 3-1848) ;

van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over “de indicatieve samenwerkingsprogramma’s” (nr. 3-1848);

de Mme Sabine de Bethune au ministre de la Coopération au Développement sur « le centre de référence pour l’Afrique centrale » (nº 3-1849) ;

van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over “het referentiecentrum voor Centraal-Afrika” (nr. 3-1849);

de Mme Sabine de Bethune au ministre de la Coopération au Développement sur « la coopération au développement au cours de la présidence finlandaise de l’Union européenne » (nº 3-1850) ;

van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over “de ontwikkelingssamenwerking tijdens het Finse Voorzitterschap van de Europese Unie” (nr. 3-1850);

de Mme Sabine de Bethune au ministre de la Coopération au Développement sur « les forums des acteurs indirects » (nº 3-1851) ;

van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over “de fora van de indirecte actoren” (nr. 3-1851);

de Mme Mia De Schamphelaere au ministre de la Mobilité sur « les pertes de chargements » (nº 3-1862) ;

van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister van Mobiliteit over “het verlies van lading” (nr. 3-1862);

de M. Luc Willems au ministre de l’Emploi et à la secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale sur « le regroupement dans une entreprise distincte d’activités exercées dans le cadre des titres-services » (nº 3-1844) ;

van de heer Luc Willems aan de minister van Werk en aan de staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie over “de afsplitsing van activiteiten met dienstencheques in een aparte onderneming” (nr. 3-1844);

de M. Luc Willems au secrétaire d’État à la Simplification administrative et à la secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées sur « le renouvellement et le remplacement de la carte de stationnement spéciale pour personnes handicapées » (nº 3-1847) ;

van de heer Luc Willems aan de staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging en aan de staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap over “de vernieuwing en vervanging van de speciale parkeerkaart voor gehandicapten” (nr. 3-1847);

de M. Luc Willems au secrétaire d’État aux Entreprises publiques sur « l’évaluation du projet pilote “parking gratuit pour les déplacements domicile-lieu de travail” sur les parkings de la SNCB » (nº 3-1846).

van de heer Luc Willems aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over “de evaluatie van het proefproject ‘gratis woon-werkverkeer’ op de NMBS-parkeerplaatsen” (nr. 3-1846).

Le Sénat est d’accord sur cet ordre des travaux.

De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Demande d’explications de Mme Sabine de Bethune au ministre de la Coopération au Développement sur «les mesures d’exécution à prendre en ce qui concerne l’Office de sécurité sociale d’outre-mer» (nº 3-1842)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «de uitvoeringsmaatregelen inzake de Dienst voor Overzeese Sociale Zekerheid (DOSZ)» (nr. 3-1842)

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre de l’Environnement et ministre des Pensions sur «la problématique de l’Office de sécurité sociale d’outre-mer et le risque d’une diminution significative des indemnités de pension pour plus de 50.000 affiliés» (nº 3-1833)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen over «de problematiek van de Dienst voor Overzeese Sociale Zekerheid en het risico op een significante verlaging van de pensioenuitkeringen voor meer dan 50.000 aangeslotenen» (nr. 3-1833)

Mme la présidente. – Je vous propose de joindre ces demandes d’explications. (Assentiment)

M. Didier Donfut, secrétaire d’État aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères, répondra.

De voorzitter. – Ik stel voor deze vragen om uitleg samen te voegen. (Instemming)

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mme Sabine de Bethune (CD&V). – Le régime de pension de l’OSSOM était à l’origine basé sur le principe de la capitalisation. Simultanément, les cotisations versées étaient revalorisées sur la base d’un certain coefficient. La pension finalement payée varie en fonction d’une série de critères.

Les conclusions d’un audit de la sécurité sociale d’outre-mer réalisé par la Cour des comptes sont tout sauf positives : la situation financière du régime est précaire. La Cour des comptes désigne également le gouvernement comme responsable : « Durant plusieurs années, le gouvernement a en effet obligé l’OSSOM à utiliser ses capitaux pour financer le paiement des prestations sociales au lieu de verser la subvention prévue par la loi ».

Pour rencontrer les conclusions de la Cour des comptes, le gouvernement a pris, dans la loi-programme du 20 juillet 2006, une série de mesures qui devraient entrer en vigueur par arrêtés d’exécution au plus tard fin décembre 2006.

La loi-programme contient une série d’évidences comme le traitement égal des hommes et des femmes et l’alignement de l’âge légal de la retraite. Ces dernières semaines, les quelques dizaines de milliers de futurs ayants droit ont exprimé beaucoup de critiques. Ils sont fort inquiets d’une série de révisions à intervenir par arrêté royal en matière de revalorisation, de calcul d’intérêts et d’indexation. Ces arrêtés se font attendre. Les ayants droit sont ainsi dans l’incapacité de comparer les anciennes et les nouvelles échelles, de manière à pouvoir opérer un choix réfléchi. En tout cas, les mesures entraîneront une diminution des droits à la pension dont on n’a pas encore bénéficié. C’est pourquoi on demande que ces échelles soient publiées aussi rapidement que possible et que l’on prenne également les mesures transitoires nécessaires, d’autant plus qu’au niveau politique aucune décision n’est encore prise sur l’avenir de l’OSSOM.

L’OSSOM avait été créé à l’origine comme un instrument de la politique étrangère belge et avait pour but la promotion de l’expansion économique belge. En effet, il s’agit principalement de personnes qui aident au développement dans le Sud, comme les coopérants, ou qui accomplissent des missions économiques dans les territoires d’outre-mer.

Quelle ligne le gouvernement a-t-il suivie pour l’élaboration des dispositions de la loi-programme du 20 juillet 2006 ? Le ministre de la Coopération au développement a-t-il été associé à l’élaboration des dispositions de loi ?

Le secteur de la coopération internationale a connu beaucoup de remous. Il est étonnant que les ayants droit ne soient en aucune façon associés à la mise en œuvre de cette profonde réforme. Maintenant, la réforme a été subrepticement insérée dans une loi-programme.

Quand les arrêtés d’exécution seront-ils publiés ? Une concertation aura-t-elle lieu avec le secteur ?

Les droits à la pension constitués par le passé sont-ils intégralement préservés, y compris pour les affiliés à l’OSSOM qui ne feront valoir leurs droits qu’à 65 ans ?

Pour quelles raisons le gouvernement est-il opposé à une période transitoire ? Quelle attitude le ministre de la Coopération au développement adopte-t-il à cet égard ?

Le ministre est-il disposé à prendre toutes les décisions relatives à l’OSSOM et à honorer les engagements pris par le passé, en concertation étroite avec le parlement et les partenaires sociaux ?

Quel rôle sera-t-il encore réservé à l’avenir à l’OSSOM ?

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). – Het pensioenstelsel van de DOSZ was oorspronkelijk gebaseerd op het kapitalisatieprincipe. Tegelijkertijd werden de gestorte bijdragen aan de hand van een bepaalde coëfficiënt geherwaardeerd. Het uiteindelijk uitbetaalde pensioen varieert naargelang van een aantal criteria.

De conclusies van een audit van de overzeese sociale zekerheid door het Rekenhof zijn allesbehalve positief: de financiële toestand van het stelsel is precair. Het Rekenhof wijst ook de regering als verantwoordelijke aan: ‘Gedurende verscheidene jaren heeft de regering immers de DOSZ ertoe verplicht zijn kapitaal aan te spreken om de betaling van de sociale prestaties te financieren en heeft ze niet de subsidies gestort waartoe ze volgens de wet verplicht was.’

Om aan de bevindingen van het Rekenhof tegemoet te komen, heeft de regering in de programmawet van 20 juli 2006 een aantal maatregelen opgenomen die middels uitvoeringsbesluiten uiterlijk tegen einde december 2006 in werking zouden moeten treden.

De programmawet bevat een aantal evidenties zoals de gelijkschakeling man-vrouw en de stroomlijning van de pensioengerechtigde leeftijd. De jongste weken hebben de enkele tienduizenden toekomstige rechthebbenden echter heel wat kritiek geuit. Ze zijn ten zeerste verontrust over een aantal herzieningen per koninklijk besluit inzake revalorisering, rentevoetberekening en indexering. Die besluiten laten op zich wachten. Hierdoor zijn de rechthebbenden niet in staat om de oude en nieuwe schalen met elkaar te vergelijken zodat eenieder een weloverwogen keuze kan maken. Sowieso zullen de maatregelen een vermindering van de nog niet opgenomen pensioenrechten tot gevolg hebben. Daarom vraagt men om deze schalen zo snel mogelijk te publiceren en ook om de nodige overgangsmaatregelen te nemen, temeer omdat er op politiek niveau nog geen beslissing is genomen over de toekomst van de DOSZ.

De DOSZ werd oorspronkelijk opgericht als een instrument van het Belgische buitenlandse beleid en had als doel de bevordering van de Belgische Economische expansie. Uiteraard gaat het hoofdzakelijk om mensen die ontwikkelingswerk in het Zuiden verrichten zoals de coöperanten of economische opdrachten vervullen in overzeese gebieden. Om die reden ligt de bevoegdheid over de DOSZ bij verschillende ministers.

Welke lijn volgde de regering bij de uitwerking van de bepalingen van de programmawet van 20 juli 2006? Is de minister van Ontwikkelingssamenwerking bij de uitwerking van de wetsbepalingen betrokken geweest?

In de sector van de internationale samenwerking is heel wat beroering ontstaan. Het is opvallend dat de belanghebbenden op generlei wijze worden betrokken bij de uitwerking van een dergelijke ingrijpende hervorming. Nu werd de hervorming sluiks in een programmawet opgenomen.

Wanneer zullen de uitvoeringsbesluiten worden gepubliceerd? Zal hierover met de sector worden overlegd?

Blijven de in het verleden opgebouwde pensioenrechten integraal gevrijwaard, inclusief voor de DOSZ-aangeslotenen die pas op 65 jaar hun rechten opnemen?

Om welke reden is de regering gekant tegen een overgangsperiode? Welke houding neemt de minister van Ontwikkelingssamenwerking in deze aan?

Is de minister bereid om alle beslissingen over het DOSZ te nemen en de in het verleden aangegane verplichtingen te honoreren in nauw overleg met het parlement en de sociale partners?

Welke rol is in de toekomst nog weggelegd voor de DOSZ?

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – La loi-programme parue au Moniteur belge le 28 juillet dernier modifie profondément la législation qui réglemente les pensions versées par l’Office de sécurité sociale d’outre-mer, et ce à partir du 1er janvier 2007.

Il est question ici de la loi du 16 juin 1960 relative aux prestations effectuées durant la période coloniale, mais surtout de la loi du 17 juillet 1963 pour les prestations effectuées par les coopérants, envoyés tant par l’État que par les ONG, et les travailleurs du secteur privé après l’indépendance du Congo, du Rwanda et du Burundi.

Les modifications de loi précitées font référence au rapport de la Cour des comptes du 15 février 2006. J’y lis entre autres : « Au fil du temps, ce régime est devenu un système de capitalisation sans actifs pour couvrir les réserves mathématiques. Durant plusieurs années, le gouvernement a en effet obligé l’OSSOM à utiliser ses capitaux pour financer le paiement des prestations sociales au lieu de verser la subvention prévue par la loi ».

Le passage suivant est également important : « La Cour des comptes constate que le mode actuel de financement ne favorise pas son autorégulation. »

L’OSSOM a été créé comme un instrument de la politique étrangère belge et la promotion de l’expansion économique de la Belgique.

Alors que les adaptations figurant dans la loi-programme contiennent des évidences, comme le traitement égal des hommes et des femmes et l’alignement de l’âge légal de la retraite sur celui des autres régimes de pensions belges, il est inquiétant que l’on envisage également de réaliser par arrêté royal des révisions en matière de revalorisation, de calcul d’intérêts et d’indexation. Ces éléments entraîneront une diminution des droits à la pension dont on n’a pas encore bénéficié, bien qu’ils aient été constitués par le passé.

Les droits à la pension constitués par le passé doivent être considérés comme un salaire différé et les paiements prévus en conséquence doivent être intégralement effectués.

Contrairement à la situation belge, un emploi à l’étranger impliquait généralement qu’un seul membre du ménage pouvait exercer une activité professionnelle, de sorte que la majeure partie des allocataires ne bénéficie que d’une seule pension.

Le ministre peut-il m’indiquer, à la lumière de ces remarques, s’il peut avoir une attitude plus raisonnable à l’avenir ?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – De programmawet die op 28 juli jongstleden in het Belgisch Staatsblad verscheen, verandert grondig de wetgeving die de door de Dienst voor Overzeese Sociale Zekerheid uitgekeerde pensioenen regelt en dit vanaf 1 januari 2007.

Hierbij gaat het om de wet van 16 juni 1960 betreffende de prestaties geleverd tijdens de koloniale periode, maar vooral om de wet van 17 juli 1963 voor de prestaties geleverd door de ontwikkelingswerkers, zowel uitgestuurd door de Staat als door de NGO’s, en van privéwerknemers na de onafhankelijkheid van Congo, Rwanda en Burundi.

Bovenvermelde wetswijzigingen gaan terug op een verslag van het Rekenhof van 15 februari 2006. Daarin lees ik onder meer: ‘Het stelsel is in de loop der jaren uitgegroeid tot een kapitalisatiesysteem, zonder dat echter activa voorhanden zijn voor het dekken van de wiskundige reserves. Gedurende verscheidene jaren heeft de regering immers de DOSZ ertoe verplicht zijn kapitaal aan te spreken om de betaling van de sociale prestaties te financieren en heeft ze niet de subsidies gestort waartoe ze volgens de wet verplicht was.’

Ook volgende passage is van belang: ‘Het Rekenhof stelt vast dat de huidige financieringswijze de zelfregulering niet in de hand werkt.’

De DOSZ werd opgericht als een instrument van het Belgische buitenlandse beleid en het bevorderen van de Belgische economische expansie. Het verslag van het Rekenhof bevestigt dit met evenveel woorden.

Wanneer de aanpassingen opgenomen in de programmawet evidenties bevatten, zoals de gelijkschakeling van man en vrouw en het stroomlijnen van de pensioengerechtigde leeftijd met wat gangbaar is in andere Belgische pensioenstelsels, is het verontrustend dat per koninklijk besluit ook herzieningen inzake revalorisering, rentevoetberekening en indexering in het vooruitzicht worden gesteld. Een en ander zal een vermindering van de nog niet opgenomen pensioenrechten tot gevolg hebben, niettegenstaande ze in het verleden werden opgebouwd.

De in het verleden opgebouwde pensioenrechten dienen als een uitgesteld loon te worden beschouwd en de dienvolgens in het vooruitzicht gestelde uitkeringen dienen onverkort gerespecteerd te blijven.

Een tewerkstelling in het buitenland bracht meestal mee dat, in tegenstelling tot de Belgische situatie, slechts één van de partners erin slaagde een beroepsactiviteit uit te oefenen, zodat het overgrote deel van de uitkeringstrekkers terugvalt op één pensioen.

Kan de minister mij mededelen of hij, in het licht van deze opmerkingen, een meer redelijke houding in het vooruitzicht kan stellen?

M. Didier Donfut, secrétaire d’État aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères. – Je répondrai tout d’abord à Mme de Bethune car cette réponse – dont je viens de recevoir le texte – est la plus complète et contient les éléments qui intéressent aussi M. Vandenberghe.

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. – Ik zal eerst het antwoord op de vraag van mevrouw de Bethune voorlezen want de tekst van dat antwoord is de meest volledige en bevat elementen die ook de heer Vandenberghe interesseren.

La loi du 20 juillet 2006 introduit une profonde réforme du régime de pensions de la sécurité sociale d’outre-mer. Cette réforme était nécessaire pour des raisons juridico-sociales, comme l’égalité homme-femme et des conditions de carrière devant concorder avec celles qui sont d’usage en Belgique, de même que pour des raisons d’économie de marché.

Avec cette loi, le législateur a donné au Roi la compétence de réaliser ce dernier aspect. Le législateur doit cependant ratifier ces arrêtés dans l’année.

Avant de poser mes questions, je souligne qu’il ne s’agit pas d’une opération d’économie. Les modifications réglementaires répondent aux recommandations de l’audit de la Cour des comptes, mais correspondent également à l’esprit du Pacte des générations conclu l’année dernière. De plus, on a réfléchi à des mesures transitoires, qui tiennent compte de certains droits acquis.

À l’heure actuelle, on discute des mesures qui doivent être prises et de la manière dont elle seront transposées en arrêtés royaux.

Avec les réserves d’usage, le fil conducteur des mesures peut être résumé comme suit.

Les droits acquis en matière de capital constitué et de revalorisation sont garantis. Les « droits acquis » doivent être compris en premier lieu comme les droits des assurés qui perçoivent déjà une pension.

Les droits acquis s’appliqueront aussi aux assurés de plus de 55 ans qui ont versé des cotisations avant le 1er janvier 2007. Pour eux, le mode de calcul actuel sera maintenu pour le calcul de la pension sur la base des cotisations versées avant cette date. Pour le calcul de la pension sur la base des cotisations versées après cette date, les nouvelles dispositions réglementaires seront appliquées.

Pour ceux qui ont moins de 55 ans, les droits acquis à la date du 31 décembre 2006 seront également garantis, mais la constitution de la future pension complète, tant pour l’évolution nouvelle que future des droits acquis au 31 décembre 2006, s’effectuera selon les nouvelles règles.

Dans ce contexte, j’attire l’attention sur le fait qu’en aucun cas on ne dérogera au nouvel âge légal de la pension fixé à 65 ans à partir du 1er janvier 2007. Prendre une pension anticipée n’est donc possible, à dater du 1er janvier 2007, qu’à partir de l’âge de 60 ans.

En ce qui concerne le nouveau mode de calcul de la pension, on utilisera, pour les cotisations versées à partir du 1er janvier 2007, de nouvelles tables de mortalité et un nouveau taux d’intérêt. Indépendamment de ce taux d’intérêt il faut encore déterminer s’il y aura ou non une revalorisation.

La notion de « salaire différé » ne peut avoir aucun sens en cette matière, parce que les droits à la pension sont établis sur la base de droits forfaitaires, fixés par la loi, qui n’ont aucun lien avec le salaire perçu.

Pour être clair, j’ajoute encore qu’il s’agit d’une proposition sur laquelle nous nous concerterons avec les partenaires sociaux et les ONG.

Toutefois, comme cela figure tant dans l’annexe au rapport d’audit de la Cour des comptes que dans la lettre commune du ministre des Affaires sociales, un commissaire du gouvernement sera sous peu désigné à l’OSSOM. Il fera une analyse du cadre réglementaire et du contexte économique et social dans lequel agit celui-ci. En outre, il établira des propositions relatives au positionnement futur, à l’accomplissement des tâches et au mode de fonctionnement de l’OSSOM. Il devra aussi effectuer une estimation des conséquences budgétaires, sociales et organisationnelles de ces propositions. En aucun cas il ne sera porté atteinte aux conditions de travail du personnel et de l’office.

J’espère achever la réforme pour le début de l’année 2007. Dans le courant du mois de novembre, l’OSSOM lancera une campagne d’information pour les intéressés.

Je n’ai pas l’intention de modifier le mécanisme d’indexation, fixé dans la loi du 16 juin 1960 relative à la sécurité sociale coloniale.

Met de wet van 20 juli 2006 wordt een grondige hervorming ingevoerd van de pensioenregeling in de overzeese sociale zekerheid. Deze hervorming was noodzakelijk om juridisch-sociale redenen, zoals de gelijkheid van man en vrouw en loopbaanvereisten die gelijk moeten lopen met deze die gangbaar zijn in België, evenals om markteconomische redenen.

Met deze wet heeft de wetgever de Koning de bevoegdheid gegeven om dit laatste aspect te realiseren. Wel moet de wetgever deze besluiten binnen het jaar bekrachtigen.

Voor ik nader inga op de vragen, wens ik te benadrukken dat het niet om een besparingsoperatie gaat. De reglementaire wijzigingen komen tegemoet aan de aanbevelingen in de audit van het Rekenhof, maar worden ook afgestemd op de geest van het vorig jaar gesloten Generatiepact. Daarbij wordt gedacht aan overgangsmaatregelen, die rekening houden met bepaalde verworven rechten.

Op het ogenblik wordt besproken welke maatregelen moeten worden genomen en hoe ze in koninklijke besluiten zullen worden omgezet.

Aangezien we ons nog in de voorbereidende fase bevinden, is het nog niet mogelijk details te geven. De leidraad voor de maatregelen kan, met het nodige voorbehoud, als volgt worden samengevat.

De verworven rechten inzake verworven kapitaal en herwaardering blijven gewaarborgd. ‘Verworven rechten’ moeten we in de eerste plaats begrijpen als de rechten van de verzekerden die reeds een pensioen krijgen.

Daarbij zullen ook verworven rechten gelden voor de verzekerden ouder dan 55 jaar die bijdragen hebben gestort vóór 1 januari 2007. Voor hen zal de huidige berekeningswijze worden voortgezet voor de berekening van het pensioen op basis van de bijdragen die vóór deze datum werden gestort. Voor de berekening van het pensioen op basis van de bijdragen gestort na deze datum zullen de nieuwe reglementaire bepalingen worden toegepast.

Voor wie jonger is dan 55 zijn de verworven rechten op datum van 31 december 2006 eveneens gegarandeerd, maar zal de volledige toekomstige pensioenopbouw, zowel voor de nieuwe als voor de toekomstige evolutie van de op 31 december 2006 verworven rechten, verlopen volgens de nieuwe regels.

In dit verband vestig ik er wel de aandacht op dat er in geen geval zal worden afgeweken van de nieuwe pensioenleeftijd die met ingang van 1 januari 2007 op 65 jaar is vastgelegd. Een vervroegd pensioen opnemen blijft vanaf 1 januari 2007 dus enkel mogelijk vanaf de leeftijd van 60 jaar.

Wat de nieuwe berekeningswijze van het pensioen betreft, zullen voor de bijdragen gestort vanaf 1 januari 2007 nieuwe mortaliteitstabellen en een nieuwe rentevoet worden gehanteerd. Afhankelijk van deze rentevoet moet nog worden bepaald of er al dan niet een herwaardering komt.

Het begrip ‘uitgesteld loon’ kan in deze materie geen betekenis hebben, omdat de pensioenrechten zijn opgebouwd op basis van forfaitaire rechten, vastgesteld door de wet, die geen enkele binding hebben met het verdiende loon.

Voor alle duidelijkheid voeg ik er nog aan toe dat dit een voorstel is waarover we overleg zullen plegen met de sociale partners en de NGO’s. Over dit alles hebben we overigens al contact gehad met de sociale partners en vertegenwoordigers van de NGO’s. Bij de verdere uitvoering zullen we dit ook blijven doen.

Evenwel zal, zoals zowel in de bijlage bij het auditrapport van het Rekenhof als in de gemeenschappelijke brief van de minister van Sociale Zaken wordt aangegeven, eerlang een regeringscommissaris bij de DOSZ worden aangesteld. Hij zal een analyse maken van het reglementaire kader en de economische en sociale context waarbinnen de DOSZ actief is. Daarbij zal hij voorstellen uitwerken met betrekking tot de toekomstige positionering, taakinvullingen en de werkwijze van de DOSZ. Hij zal ook een raming moeten maken van mogelijke budgettaire, sociale en organisatorische gevolgen van deze voorstellen. De arbeidsvoorwaarden van het personeel en de instelling zullen in geen geval worden aangetast. Ten slotte zal de commissaris in voorkomend geval de implementatie leiden van de in aanmerking genomen voorstellen.

Ik hoop de hervorming tegen nieuwjaar 2007 rond te krijgen. De DOSZ zal in de loop van de maand november een communicatiecampagne opzetten voor de betrokkenen.

Het is niet mijn bedoeling om ook het indexeringmechanisme, bedoeld in de wet van 16 juni 1960 betreffende de koloniale sociale zekerheid, te wijzigen.

Mme Sabine de Bethune (CD&V). – J’estime qu’il est inconvenant d’avoir pris de telles mesures dans la loi-programme. On n’a jamais indiqué au sujet des articles en question que l’objectif était de prendre une telle mesure. On n’a mené aucune concertation avec le secteur. De cette manière, un vent de panique a soufflé dans le secteur des ONG, le secteur privé, le secteur des agents internationaux et des missionnaires. Un élément supplémentaire réside dans le fait que la plupart des personnes résident à l’étranger et ont des difficultés à obtenir des informations exactes.

On ne peut nullement porter atteinte aux droits à la pension qui ont été constitués.

Lors des calculs, il faut tenir compte du facteur humain et du contexte spécifique. Beaucoup de personnes ont opté pour une carrière internationale. Il s’agit souvent de carrières lucratives, mais ce sont souvent aussi des carrières à risque, un engagement spécial ou un appel à s’engager solidairement avec d’autres dans une autre partie du monde. En faisant ce choix, ces personnes ont estimé qu’il était sécurisant d’avoir un régime de pension stable. Pour beaucoup, cet élément fut déterminant dans leur choix de carrière. Lorsqu’il s’agira de concrétiser les dispositions dans les prochaines semaines et les prochains mois, il faudra tenir compte des spécificités et des risques du secteur.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). – Ik zal het debat niet ten gronde voeren, want ik stel vast dat de bevoegde minister hier niet durft te verschijnen.

Dat men dergelijke maatregelen in de programmawet heeft opgenomen, vind ik onbehoorlijk. Nooit werd bij de artikelen in kwestie toegelicht dat het de bedoeling was een dergelijke maatregel te nemen. Men heeft geen overleg gepleegd met de sector. Op die manier is een paniekgolf ontstaan in de NGO-sector, de privésector, de sector van de internationale ambtenaren en missionarissen. Een bijkomend element is dat de meeste mensen in het buitenland verblijven en moeite hebben om de juiste informatie te krijgen.

Er kan onmogelijk aan de opgebouwde pensioenrechten worden geraakt.

Bij de berekeningen moet men rekening houden met de menselijke factor en de specifieke context. Vele mensen hebben voor een internationale loopbaan gekozen. Vaak gaat het om een lucratieve carrière, maar dikwijls zijn het ook risicovolle loopbanen, een speciaal engagement of een roeping om zich solidair met anderen in een ander deel van de wereld in te zetten. Bij het maken van die keuze hebben deze mensen zekerheid gevonden in een stabiel pensioenstelsel. Bij velen was dit trouwens determinerend voor hun loopbaankeuze. Vaak heeft de partner ook de eigen loopbaan moeten onderbreken. Wanneer men de komende weken en maanden de bepalingen gaat concretiseren, moet men rekening houden met de specificiteit en de risico’s van de sector.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Nous ne pouvons malheureusement pas discuter de cette question avec le ministre. Je ne puis absolument pas partager son avis selon lequel une pension n’est pas un salaire différé pour les personnes ayant une telle carrière. Nous signalerons aux organisations sociales en Belgique que le gouvernement considère les droits à la pension comme des cadeaux et que celui qui les donne peut à tout moment les reprendre.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Jammer genoeg kunnen we over deze kwestie niet met de minister in debat gaan. Louter voor het verslag wil ik toch het volgende zeggen. Ik kan het volstrekt niet eens zijn met de bewering van de minister dat een pensioen geen uitgesteld loon is voor personen met een dergelijke loopbaan. We zullen aan de sociale organisaties in België meedelen dat de regering pensioenrechten beschouwt als giften en dat degene die ze geeft, ze op ieder ogenblik weer kan terugnemen. In het oude recht gold altijd: ‘donner et retenir ne vaut’. Nochtans is dat wat de regering hier komt zeggen.

Demande d’explications de M. Jan Steverlynck au vice-premier ministre et ministre des Finances et au ministre de l’Économie, de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la Politique Scientifique sur «les avantages fiscaux visant à rendre la Belgique attrayante pour les fonds de pension d’entreprise» (nº 3-1827)

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de fiscale gunstmaatregelen om België aantrekkelijk te maken voor bedrijfspensioenfondsen» (nr. 3-1827)

Mme la présidente. – M. Didier Donfut, secrétaire d’État aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères, répondra.

De voorzitter. – De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

M. Jan Steverlynck (CD&V). – Le gouvernement a déjà annoncé plusieurs fois qu’il avait l’intention d’améliorer l’attractivité de la Belgique pour les fonds de pension d’entreprise.

Le 13 juillet 2006, la Chambre a adopté le projet de loi relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle, lequel transpose la directive européenne concernant les activités et la surveillance des institutions de retraite professionnelle. Le gouvernement en a profité pour rendre la Belgique concurrentielle vis-à-vis de pays tels que l’Irlande, le Luxembourg, les Pays-Bas et la Grande Bretagne.

De nombreuses questions subsistent quant à la manière dont le projet de loi a été adopté par le parlement et quant à son contenu trop limité.

Outre le contrôle prudentiel et la nouvelle forme juridique, un statut fiscal attractif est indispensable pour améliorer la compétitivité de la Belgique et attirer des entreprises multinationales qui veulent établir leurs fonds de pension dans notre pays. En effet, il y a une forte concurrence de pays tels que l’Irlande et le Luxembourg. Les fonds de pension établis dans notre pays étant bénéfiques aux gestionnaires de fortunes, au secteur bancaire et à l’emploi, je continue à insister sur une mise en œuvre rapide et efficace de mesures stimulant l’attractivité fiscale de notre pays sur ce plan.

Un statut fiscal attractif comportant des éléments identifiables sur le plan international constitue un must. Un bon point de départ pourrait être le régime fiscal d’un organisme de placement collectif, sans pour autant que le fonds ne doive être un OPC.

À ce jour, le gouvernement n’a pris aucune initiative au niveau fiscal et ce, malgré mes différentes questions parlementaires réclamant une initiative législative dans ce domaine.

Dans sa réponse à ma demande d’explications relative à la position concurrentielle de la Belgique comme lieu d’établissement de fonds de pension paneuropéens, le ministre a signalé qu’un groupe de travail intercabinets discutait d’un projet de loi qui sera déposé au Parlement dans un délai rapproché. Je n’ai toutefois pas obtenu de réponse valable quant au régime fiscal prévu par le gouvernement, pas plus qu’à ma question parlementaire du 27 avril dernier. Le Conseil des ministres des 21 et 22 mars 2004 a chargé les ministres des Finances, des Pensions et de l’Économie de convoquer un groupe de travail pour examiner la manière dont la Belgique peut se profiler comme lieu d’établissement pour des fonds de pension paneuropéens. Nous n’avons jamais eu connaissance des résultats éventuels des travaux de ce groupe de travail.

Le chapitre fiscal n’avait manifestement pas sa place dans le projet de loi en question.

J’ai donc été surpris de lire à plusieurs reprises dans le journal De Tijd que l’adoption du projet le 13 juillet dernier avait permis au gouvernement d’esquisser une nouvelle législation fiscale attrayante afin d’ancrer les fonds de grandes entreprises étrangères en Belgique et d’attirer de nouveaux fonds de pension, alors que ce projet ne prévoit absolument rien au plan fiscal.

Enfin, en réponse à une question parlementaire de ma collègue, Erika Thijs, le gouvernement a promis d’élaborer un ensemble d’initiatives de promotion avant le contrôle budgétaire de juillet 2006.

Pourquoi le ministre n’a-t-il pris encore aucune initiative au niveau fiscal ?

Pourquoi les médias diffusent-ils sans cesse de fausses informations, à savoir l’existence d’un cadre légal, alors que le parlement n’a encore adopté aucune mesure dans le domaine fiscal ?

Pourquoi le projet de loi adopté le 13 juillet 2006 à la Chambre ne comprend-il aucun volet fiscal ? Cela aurait été possible si le gouvernement avait déjà pris des initiatives. Il a d’ailleurs déposé des centaines d’amendements relatifs au statut juridique.

Quelles mesures fiscales le gouvernement compte-t-il prendre pour stimuler les fonds de retraite paneuropéens ?

Quand le gouvernement prendra-t-il ces mesures fiscales ? A-t-il déjà élaboré les initiatives promises et en quoi consistent-elles ?

De heer Jan Steverlynck (CD&V). – De regering heeft al meermaals verkondigd dat ze de intentie heeft om België aantrekkelijk te maken voor bedrijfspensioenfondsen.

Op 13 juli 2006 werd het wetsontwerp betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening door de Kamer aangenomen. Het regeringsinitiatief volgde op de vraag tot omzetting van de Europese richtlijn inzake het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen. De regering maakte van de gelegenheid gebruik om de Belgische wetgeving concurrentieel te maken met de instellingen van landen als Ierland, Luxemburg, Nederland en Groot-Brittannië.

Niet alleen over de manier waarop het wetsontwerp in het parlement werd aangenomen – de regering diende na de indiening nog meer dan honderd amendementen in voor de oprichting van een nieuw juridisch vehikel – maar ook over de te beperkte inhoud rijzen er vele vragen.

Naast het prudentieel toezicht en het juridische kader via een nieuwe rechtsvorm is een nieuwe fiscale gunstige regeling een absolute voorwaarde om de concurrentiekracht van ons land aan te scherpen en multinationale bedrijven aan te trekken die hier hun pensioenfonds willen vestigen. Er is immers sterke concurrentie van landen als Ierland en Luxemburg. Omdat pensioenfondsen die in ons land worden opgericht, vermogensbeheerders, de banksector en ook de tewerkstelling ten goede komen, blijf ik aandringen op een snelle en efficiënte uitvoering van maatregelen die de fiscale aantrekkelijkheid van ons land op dat vlak bevorderen.

Een aantrekkelijk fiscaal statuut dat internationaal herkenbare elementen bevat, is daarbij een must. Een goed uitgangspunt zou hierbij het fiscaal regime van een instelling voor collectieve belegging kunnen zijn, zonder dat het fonds op zich een instelling voor collectieve belegging of ICB hoeft te worden.

Tot op heden nam de regering geen enkel initiatief op fiscaal vlak, hoewel ik via verschillende parlementaire vragen reeds meermaals naar een wetgevend fiscaal initiatief vroeg.

In zijn antwoord op mijn vraag om uitleg over de concurrentiepositie van België als vestigingsplaats voor pan-Europese pensioenfondsen deelde de minister mee dat een interkabinettenwerkgroep een wetsontwerp bespreekt dat binnen afzienbare termijn bij het parlement zal worden ingediend. Op de vraag over het geplande fiscaal regime kreeg ik echter geen afdoend antwoord. Op 27 april stelde ik opnieuw een parlementaire vraag. Een afdoend antwoord kwam er weer niet. De Ministerraad van 21 en 22 maart 2004 belastte nochtans de ministers van Financiën, van Pensioenen en van Economie met het bijeenroepen van een werkgroep om te onderzoeken hoe België zich kan profileren als vestigingsplaats voor pan-Europese pensioenfondsen. Over eventuele resultaten van die werkgroep werd nooit iets vernomen.

In het reeds vermelde wetsontwerp was er blijkbaar geen ruimte voor het fiscale hoofdstuk.

Ik was dan ook verwonderd in De Tijd meermaals te lezen dat de regering met de goedkeuring van het ontwerp op 13 juli een nieuwe, fiscaal vriendelijke wetgeving uittekende om de fondsen van grote buitenlandse bedrijven in België te verankeren en nieuwe pensioenfondsen aan te trekken, terwijl er op fiscaal vlak in dit ontwerp eigenlijk niets is voorzien.

Ten slotte beloofde de regering in een antwoord op een parlementaire vraag van collega Erika Thijs een omvattend pakket van promotie-initiatieven inzake het Belgische IBP-beleid uit te werken. De regering beloofde dat de initiatieven klaar zouden zijn tegen de budgettaire controle van juli 2006.

Waarom nam de minister tot op heden geen initiatieven op fiscaal vlak?

Waarom wordt via de media voortdurend verkeerde informatie verspreid, namelijk dat er een allesomvattend wettelijk kader is, terwijl op fiscaal vlak door het parlement nog niets werd goedgekeurd?

Waarom werd in het wetsontwerp dat op 13 juli 2006 in de Kamer werd goedgekeurd geen fiscaal hoofdstuk ingebouwd? Dat had perfect gekund, indien de regering reeds initiatieven had genomen. Ze diende trouwens honderden amendementen in over het juridisch statuut.

Welke concrete fiscale maatregelen zal de regering nemen om de pan-Europese pensioenfondsen te stimuleren?

Wanneer zal de regering deze fiscale maatregelen nemen?

Heeft de regering al de beloofde promotie-initiatieven uitgewerkt en hoe zien die eruit?

M. Didier Donfut, secrétaire d’État aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères. – Je vous lis la réponse du ministre Reynders.

Un avant-projet de loi relative au régime fiscal des organismes de financement des pensions et des institutions de pensions a été adopté le 20 juillet 2006. Cet avant-projet a été transmis au Conseil d’État. Ce dernier rendra prochainement un avis définitif en la matière et un projet de loi sera déposé sans délai à la Chambre.

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. – Ik lees het antwoord van minister Reynders.

Op 20 juli 2006 werd een voorontwerp van wet betreffende het fiscale regime van de organismen voor de financiering van de pensioenen en van de instellingen voor de pensioenen goedgekeurd. Dit voorontwerp is aan de Raad van State gezonden. Eerstdaags zal de Raad van State haar definitief advies ter zake uitbrengen en zal onverwijld een wetsontwerp bij de Kamer worden ingediend.

M. Jan Steverlynck (CD&V). – Cette réponse ne me satisfait pas totalement. Une initiative a manifestement été prise, mais le ministre ne répond toujours pas à ma question relative aux mesures concrètes qui ont été prises. Il ne répond pas davantage à la question relative aux initiatives de promotion promises. Toutefois, en réponse à une question de ma collègue Thijs, le ministre a signalé que des mesures concrètes pouvaient être prises après l’élaboration du budget. Le gouvernement ne souhaite manifestement pas répondre à mes questions concrètes sur le régime fiscal des fonds de pension. Celles-ci sont pourtant d’un intérêt capital pour les entreprises multinationales qui veulent établir leurs fonds de pension d’entreprise dans notre pays. Il subsiste pas mal de confusion dans ce domaine.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). – Dit antwoord is wat mager. Er is blijkbaar een initiatief genomen, maar op mijn vraag over welke concrete maatregelen genomen zijn, blijft de minister het antwoord schuldig. Hij antwoordt evenmin op de vraag over de beloofde promotie-initiatieven. De minister antwoordde nochtans op een vraag van collega Thijs dat na de begrotingsopmaak concrete maatregelen konden worden getroffen. De regering wenst blijkbaar niet te antwoorden op mijn concrete vragen over de fiscale regeling van de pensioenfondsen. Deze vragen zijn nochtans uitermate belangrijk voor de multinationale bedrijven die in ons land bedrijfspensioenfondsen willen oprichten. Er blijft onduidelijkheid op dit vlak.

M. Didier Donfut, secrétaire d’État aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères. – Le gouvernement a précisé qu’un projet de loi serait rapidement présenté à la Chambre. J’imagine que mes collègues pourront, dans le cadre de ce débat, apporter tous les éléments de réponse.

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. – De regering benadrukte dat binnenkort in de Kamer een wetsontwerp zal worden ingediend. Ik veronderstel dat mijn collega’s in het kader van het debat dat daarover zal plaatsvinden, alle elementen van antwoord zullen kunnen meedelen.

Demande d’explications de M. Berni Collas au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur «le Centre d’information et de communication (CIC) pour la province de Liège» (nº 3-1841)

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «het Centrum voor informatie en communicatie (CIC) voor de provincie Luik» (nr. 3-1841)

Mme la présidente. – M. Didier Donfut, secrétaire d’État aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères, répondra.

De voorzitter. – De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

M. Berni Collas (MR). – Sehr geehrte Frau Vorsitzende, sehr geehrter Staatssekretär, werte Kollegen, ich hatte bereits vergangenes Jahr die Gelegenheit, in der vorliegenden Problematik zu intervenieren, aber da in meinem Auge noch einiges im Argen liegt, sehe ich mich dazu veranlasst hier nachzuhaken.

De heer Berni Collas (MR). – Sehr geehrte Frau Vorsitzende, sehr geehrter Staatssekretär, werte Kollegen, ich hatte bereits vergangenes Jahr die Gelegenheit, in der vorliegenden Problematik zu intervenieren, aber da in meinem Auge noch einiges im Argen liegt, sehe ich mich dazu veranlasst hier nachzuhaken.

Mme la présidente, M. le secrétaire d’État, chers collègues, j’ai déjà eu l’occasion l’année dernière d’intervenir dans la présente problématique, mais comme je suis d’avis qu’il y a encore quelques difficultés, je me sens obligé d’intervenir à nouveau.

Mevrouw de voorzitter, mijnheer de staatssecretaris, beste collega’s, ik heb vorig jaar al de gelegenheid gehad een bijdrage te leveren tot de oplossing van dit probleem, maar aangezien er toch nog enkele moeilijkheden zijn, zie ik me verplicht dit onderwerp opnieuw ter sprake te brengen.

Comme je l’évoquais dans ma demande d’explications du 28 avril 2005, la province de Liège est confrontée à une difficulté particulière, compte tenu de son caractère bilingue. En effet, le CIC de Liège devrait être composé de quatorze policiers qui comprennent et parlent l’allemand et soient issus, à parts égales, de la police fédérale et de la police locale, afin d’assurer un service vingt-quatre heures sur vingt-quatre.

Je me permets dès lors de revenir sur la problématique des CIC à Liège et de la couverture ASTRID à l’Est du pays.

Depuis le 1er octobre 2006, la centrale 101 de la police fédérale d’Eupen est fermée. Le dispatching est organisé par la centrale CIC de Liège, qui assure aussi les appels de détresse urgents – 101. Malheureusement, la centrale ne dispose toujours pas de personnel bilingue en suffisance, afin d’assurer un service permanent en langue allemande.

Une autre difficulté réside dans le fait que la couverture ASTRID n’est pas assurée pour tout le territoire des neuf communes germanophones, ce qui oblige la police à travailler avec le vieux système analogue. Le raccord du réseau analogue au réseau digital – back-to-back system – est techniquement possible jusqu’à fin 2007 – si je suis bien informé –, mais ne donne pas entière satisfaction.

Mes questions sont les suivantes.

Où en est le recrutement des quatorze membres germanophones tant de la police fédérale que de la police locale ?

Qu’en est-il de la couverture ASTRID dans les neuf communes de langue allemande ?

Zoals vermeld in mijn vraag om uitleg van 28 april 2005, wordt de provincie Luik met het bijzondere probleem van de tweetaligheid geconfronteerd. Het CIC van Luik moet samengesteld zijn uit veertien politiemensen die Duits spreken en begrijpen. De helft moet van de lokale politie komen en de andere helft van de federale politie, teneinde vierentwintig uur op vierentwintig de dienst te kunnen verzekeren.

Ik kom terug op het probleem van het CIC te Luik en de dekking van het ASTRID-netwerk in het oosten van het land.

De 101-centrale van de federale politie te Eupen is sinds 1 oktober 2006 gesloten. De dispatching wordt georganiseerd door de CIC-centrale van Luik. Die behandelt eveneens de 101-noodoproepen. Spijtig genoeg beschikt de centrale nog altijd niet over voldoende tweetalig personeel om een permanente dienst in de Duitse taal te verzekeren.

Een ander probleem is dat het ASTRID-netwerk niet het hele grondgebied van de negen Duitstalige gemeenten bestrijkt. Hierdoor moet de politie met het oude analoge systeem werken. De aansluiting van het analoge netwerk op het digitale netwerk – back-to-back system – is technisch mogelijk tot einde 2007, maar het geeft geen voldoening.

Ik heb volgende vragen.

Hoever staat het met de aanwerving van de veertien Duitstalige personeelsleden, zowel bij de federale politie als bij de lokale politie?

Hoever staat het met de dekking van het ASTRID-netwerk in de negen Duitstalige gemeenten?

M. Didier Donfut, secrétaire d’État aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères. – Je lis la réponse de M. le ministre Dewael.

Il y a actuellement huit membres germanophones au sein du CIC pour la province de Liège. Selon la direction générale de l’appui opérationnel, ce nombre permet de fonctionner.

Quatre membres sont issus de la police fédérale et quatre autres de la police locale.

En outre, un opérateur de la police fédérale et un call taker neutre suivent des cours d’allemand mais ne sont pas encore reconnus bilingues.

En ce qui concerne la couverture du réseau radio, ASTRID finalise actuellement le réseau radio dans la province de Liège. Le nombre initial d’antennes en province de Liège était de 59.

En étroite collaboration avec le Comité Consultatif des Usagers, des critères objectifs ont été définis en vue de la mise en place d’environ 80 mâts supplémentaires sur l’ensemble du territoire belge, y compris dans la province de Liège.

Dans le cadre de cette extension du réseau, ASTRID a déjà commandé plusieurs mâts supplémentaires pour la province de Liège – neuf unités pour lesquelles un dossier a été ouvert ainsi que huit unités ultérieures.

Pour rappel, au cours de l’installation des 59 mâts initiaux, ASTRID a connu de très nombreuses difficultés d’obtention de permis de bâtir. Sur les 59 mâts initiaux, il en reste encore deux à installer, à Manderfeld et à Saint-Vith. Pour ce dernier, la demande de permis sera introduite à très court terme. Quant à celui de Manderfeld, la demande a été acceptée mais la commune refuse d’autoriser la construction.

En ce qui concerne l’installation des mâts supplémentaires en province de Liège, neuf nouveaux mâts ont été commandés. Un dossier a été lancé pour chacun d’eux. Ces sites sont Recht, Schönberg, Aldringen, Amel, Waimes, Stoumont, Lierneux, Stavelot et Jalhay.

Les communes et les services de secours et de sécurité des Cantons de l’Est bénéficieront de la couverture radio des sites qui seront installés à Recht, Schönberg, Aldringen, Amel ainsi qu’à Stavelot.

Outre les neuf mâts pour lesquels un dossier a été ouvert, ASTRID prévoit encore huit autres mâts supplémentaires en province de Liège. Les lieux d’implantation de ces mâts ne sont pas encore définis avec exactitude.

Soucieux d’offrir un outil de communication efficace aux services de secours et de sécurité, ASTRID met tout en œuvre pour installer, dans les meilleurs délais, les derniers mâts nécessaires pour compléter le réseau de radiocommunication.

À cet effet, il importe que tous les pouvoirs publics concernés, tant du point de vue de la sécurité du citoyen que du point de vue de l’aménagement du territoire, soient volontaristes dans la gestion des dossiers d’implantation de mâts ASTRID.

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. – Ik lees het antwoord van minister Dewael.

Het CIC voor de provincie Luik telt momenteel acht Duitstalige personeelsleden. Volgens de algemene directie operationele ondersteuning is dit aantal voldoende om te functioneren.

Vier personeelsleden komen van de federale politie en vier van de lokale politie.

Bovendien volgen een operator van de federale politie en een neutrale centralist een cursus Duits, maar ze zijn nog niet als tweetalig erkend.

Wat de dekking van het radionetwerk betreft, kan ik u meedelen dat ASTRID momenteel een radionetwerk in de provincie Luik installeert. Oorspronkelijk zouden er 59 antennes in de provincie Luik worden geplaatst.

Met het oog op de plaatsing van ongeveer 80 bijkomende masten over het hele Belgische grondgebied, de provincie Luik inbegrepen, werden in nauw overleg met het Raadgevend Gebruikerscomité objectieve criteria opgesteld.

In het kader van deze uitbreiding van het ASTRID-netwerk werden al verschillende bijkomende masten voor de provincie Luik besteld. Voor negen stuks werd al een dossier geopend, later komen er nog acht bij.

Voor de installatie van de 59 oorspronkelijke masten was het moeilijk om een bouwvergunning te verkrijgen. Twee van de 59 masten moeten nog worden geplaatst, in Manderfeld en in Sankt Vith. Voor deze laatste zal de bouwaanvraag binnenkort worden ingediend. Voor Manderfeld is de aanvraag aanvaard, maar de gemeente weigert de bouwvergunning toe te kennen.

Er werden negen nieuwe bijkomende masten voor de provincie Luik besteld. Voor elk van de sites werd een dossier aangelegd: Recht, Schönberg, Aldringen, Amel, Waimes, Stoumont, Lierneux, Stavelot en Jalhay.

De gemeenten en de hulpdiensten van de Oostkantons zullen gebruik kunnen maken van de radiodekking van het netwerk van de sites Recht, Schönberg, Aldringen, Amel en Stavelot.

Naast de negen masten waarvoor een dossier werd geopend, voorziet het ASTRID-netwerk nog in acht andere bijkomende masten in de provincie Luik. De vestigingsplaats van deze masten is nog niet precies bepaald.

Via het ASTRID-netwerk wil men de hulpdiensten een efficiënt communicatieinstrument ter beschikking stellen. Alles wordt in het werk gesteld om zo snel mogelijk de laatste masten te bouwen, zodat het radiocommunicatienetwerk compleet is.

Alle betrokken overheden moeten, zowel rekening houdend met de veiligheid van de burgers als met de ruimtelijke ordening, samenwerken in de dossiers voor de plaatsing van de ASTRID-masten.

M. Berni Collas (MR). – Je remercie le secrétaire d’État des précisions qu’il a apportées sur la couverture ASTRID. J’en prends acte.

En ce qui concerne le CIC, il faut veiller à recruter le plus rapidement possible le personnel nécessaire, même si le centre fonctionne pour l’instant, afin d’éviter des problèmes ou retards lors du traitement des appels de détresse en allemand. Si des personnes lançant un appel de détresse au CIC de Liège ne pouvaient se faire comprendre, cela pourrait en effet avoir des conséquences fâcheuses.

De heer Berni Collas (MR). – Ik dank de staatssecretaris voor de informatie over de ASTRID-dekking.

Wat het CIC betreft, moet zo snel mogelijk het nodige personeel worden aangeworven. Ook al functioneert het centrum momenteel, toch moeten problemen of vertragingen bij noodhulpoproepen in het Duits worden vermeden. Als mensen een noodoproep richten tot het CIC van Luik en ze kunnen zich niet verstaanbaar maken, dan kan dat verstrekkende gevolgen hebben.

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires étrangères sur «les conséquences de l’arrêt de la Cour de justice sur la transmission de données relatives aux passagers de l’Union européenne aux États-Unis et la nouvelle solution appropriée» (nº 3-1836)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie over het doorspelen van passagiersgegevens vanuit de Europese Unie aan de Verenigde Staten en de nieuwe ad-hocoplossing ter zake» (nr. 3-1836)

Mme la présidente. – M. Didier Donfut, secrétaire d’État aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères, répondra.

De voorzitter. – De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

(M. Staf Nimmegeers, premier vice-président, prend place au fauteuil présidentiel.)

(Voorzitter: de heer Staf Nimmegeers, eerste ondervoorzitter.)

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – L’arrêt du 30 mai 2006 de la Cour de Justice annule la décision du Conseil des ministres européen autorisant la Commission européenne à conclure un accord avec les États-Unis au nom de l’Union européenne.

Selon cet accord, les transporteurs aériens assurant les liaisons à destination, au départ ou à travers les États-Unis sont tenus de fournir aux autorités américaines un accès électronique aux données contenues dans leurs systèmes de réservation et de contrôle des départs.

Cela concerne 34 données, allant de l’identité des passagers à leur adresse en passant par leurs habitudes alimentaires. C’est la Communauté européenne qui a négocié avec les États-Unis car la réglementation européenne sur la protection des données était en cause.

Le 14 mai 2004, la Commission a estimé que le Bureau des douanes et de la protection des frontières des États-Unis d’Amérique garantissait une protection suffisante. Trois jours plus tard, le Conseil des ministres européen adoptait une décision autorisant la Commission à conclure avec les États-Unis un accord qui fut signé à Washington le 28 mai 2004, avec effet immédiat. Les objections du Parlement européen étaient ainsi écartées.

La Cour de Justice a annulé cette décision mais cette annulation n’est entrée en vigueur que le 30 septembre 2006. En réponse à ma demande d’explication du 8 juin 2006, le ministre a déclaré que l’on trouverait une solution appropriée avant le 30 septembre 2006 en ce qui concerne les problèmes juridiques.

Entre-temps, un accord a été conclu entre l’Union européenne et les États-Unis d’Amérique sur le traitement et le transfert des données PNR par des transporteurs aériens au ministère de la Sécurité intérieure des États-Unis d’Amérique.

Le point 1 des conclusions de cet Accord prévoit que, se fiant à l’exécution poursuivie des engagements précité par le DHS, le « Department of Homeland Security », comme interprété à la lumière des événements ultérieurs, l’Union européenne veillera à ce que les transporteurs aériens assurant un service de transport international de passagers à destination ou au départ des États-Unis, traitent les données PNR stockées dans leurs systèmes informatiques de réservation comme demandé par le DHS.

Le point 3 dispose que le DHS traite les données PNR reçues et les personnes concernées par les données conformément aux lois et exigences constitutionnelles applicables aux États-Unis, sans discrimination, en particulier sur la base de la nationalité et/ou du pays de résidence.

Le point 5 précise qu’en cas de mise en œuvre dans l’Union européenne, ou dans un ou plusieurs de ses États-membres, d’un système d’identification des passagers aériens qui imposerait aux transporteurs aériens de donner aux autorités l’accès aux données PNR des passagers dont le voyage en cours inclut un vol à destination ou au départ de l’Union européenne, le DHS encouragera activement, autant que possible et dans le strict respect du principe de réciprocité, les compagnies aériennes relevant de sa compétence à coopérer.

Reconnaissez, monsieur le ministre, que cet accord témoigne du flou le plus total. Je me demande dès lors si les principes de droit sont bien pris en considération et si nous ne devons pas à nouveau introduire un recours devant la Cour européenne de Justice.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Bij arrest van 30 mei 2006 heeft het Hof van Justitie het besluit vernietigd van de Europese Ministerraad waardoor de Europese Commissie in naam van de Europese Unie een overeenkomst mocht afsluiten met de Verenigde Staten.

Die overeenkomst bepaalde dat Europese luchtvaartmaatschappijen die verbindingen naar of vanuit de Verenigde Staten verzorgen of over het grondgebied van de Verenigde Staten vliegen, aan de Amerikaanse autoriteiten elektronische toegang moeten geven tot de gegevens in het boeking- en vertrekcontrolesysteem.

Het slaat op 34 gegevens, gaande van de identiteit over het adres tot en met de eetgewoonten.

Het was de Europese Commissie die onderhandelde met de Verenigde Staten, omdat de Europese regels over de gegevensbescherming in het geding waren.

Op 14 mei 2004 oordeelde de Commissie dat het Amerikaanse Bureau voor Douane- en Grensbescherming voldoende bescherming waarborgt. Drie dagen later al kwam er een besluit van de Europese Ministerraad waardoor de Commissie groen licht kreeg om een overeenkomst te sluiten met de Verenigde Staten die op 28 mei 2004 werd ondertekend in Washington en ook meteen van kracht werd. De bezwaren van het Europees Parlement werden daarbij opzij geschoven.

Het Hof van Justitie heeft die beslissing nu vernietigd maar de vernietiging had pas rechtsgevolg op 30 september 2006. In antwoord op mijn vraag om uitleg van 8 juni 2006 stelde de minister dat er vóór 30 september 2006 een ad-hocoplossing voor de juridische problemen zou worden gevonden.

Intussen is er een overeenkomst gesloten tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika inzake de verwerking en de overdracht van persoonsgegevens, de zogenaamde PNR-gegevens door luchtvaartmaatschappijen aan het ministerie van Binnenlandse Veiligheid van de Verenigde Staten van Amerika.

Onder punt 1 van de besluiten van die overeenkomst lees ik: ‘Vertrouwend op de voortgezette uitvoering van genoemde verbintenissen door het DHS, het Department of Homeland Security, zoals geïnterpreteerd in het licht van de verdere gebeurtenissen, zorgt de Europese Unie ervoor dat luchtvaartmaatschappijen die internationale passagiersvluchten van of naar de Verenigde Staten uitvoeren, PNR-gegevens uit hun boekingssysteem verwerken, zoals gevraagd door het DHS.’

Onder punt 3 lees ik verder: ‘Het DHS verwerkt de ontvangen PNR-gegevens en behandelt de personen wier gegevens worden verwerkt, overeenkomstig de toepasselijke wetgeving en de grondwettelijke vereisten van de Verenigde Staten zonder onwettige discriminatie en met name zonder aanzien van nationaliteit en/of land van verblijf.’

Punt 5 bepaalt: ‘Indien de Europese Unie of een of meer van haar lidstaten een systeem van identificatie van luchtreizigers invoert dat luchtvaartmaatschappijen ertoe verplicht de autoriteiten toegang te bieden tot de PNR-gegevens inzake personen van wie de reisroute een vlucht van of naar de Europese Unie inhoudt, zal het DHS, voor zover haalbaar en op basis van strikte wederkerigheid, de medewerking van de onder zijn bevoegdheid vallende luchtvaartmaatschappijen actief bevorderen.’

Geef toe dat die overeenkomst van een uitzonderlijke vaagheid getuigt. Ik vraag me dus af of de rechtsbeginselen wel in acht worden genomen en of we niet opnieuw een vordering voor het Europese Hof van Justitie moeten instellen.

M. Didier Donfut, secrétaire d’État aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères. – Je vous lis la réponse du ministre De Gucht.

Le 30 mai 2006, la Cour de Justice a déclaré nulle la décision d’adéquation 2004/535/CE de la Commission du 14 mai 2004, ainsi que l’arrêté 2004/496/CE, portant approbation de l’Accord signé le 28 mai 2004 entre la Communauté européenne et les États-Unis en ce qui concerne le traitement et la transmission des données PNR. La Cour a suivi l’argumentation du Parlement européen estimant que ces instruments n’avaient pas la base juridique requise. Mais elle ne s’est pas prononcée sur le contenu proprement dit de l’Accord. Elle a toutefois reconnu les conséquences de son arrêt sur le droit international et a autorisé que l’on respecte le délai de dénonciation prévu dans l’Accord. Or, pour garantir la sécurité juridique des passagers et des compagnies aériennes, il fallait aboutir immédiatement à un nouvel accord.

Après de brèves mais difficiles négociations sur la base d’un mandat strict du Conseil, la Commission et la Présidence sont parvenues, le 6 octobre, à un nouvel accord avec les États-Unis. Celui-ci est basé sur l’accord précédent et ne modifie en rien les engagements – « undertakings » – qui garantissent que les États-Unis respectent un niveau de protection adéquat. Compte tenu de la législation américaine relative à la lutte contre le terrorisme, modifiée entre-temps, le nouvel accord a été conclu avec le « Department of Homeland Security ». Une lettre unilatérale a été rédigée, dans laquelle les États-Unis interprètent les clauses de l’accord et les « undertakings » à la lumière de la nouvelle législation.

Il a été convenu que cet accord ne serait applicable que jusqu’au 31 juillet 2007 et que les négociations pour un nouvel accord global sur la Transmission d’ « Advance Passenger Information » commenceraient sans tarder.

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. – Ik lees het antwoord van minister De Gucht.

Op 30 mei 2006 vernietigde het Hof van Justitie de gelijkwaardigheidsbeschikking 2004/535/EG van de Commissie van 14 mei 2004, alsook het besluit 2004/496/EG van de Raad, tot goedkeuring van de op 28 mei 2004 ondertekende overeenkomst tussen de EG en de VS over de verwerking en de overdracht van PNR-gegevens. Het Hof volgde de argumentering van het Europees Parlement dat deze instrumenten niet de juiste rechtsgrondslag hebben. Het Hof ging evenwel niet in op de inhoud van de overeenkomst. Het erkende wel de internationaalrechtelijke gevolgen van zijn arrest en stond toe dat de in de overeenkomst vastgestelde opzegtermijn werd gerespecteerd. Teneinde de rechtszekerheid van passagiers en luchtvaartmaatschappijen te vrijwaren, moest wel onmiddellijk een nieuwe overeenkomst worden bereikt.

Na korte, maar moeilijke onderhandelingen op basis van een strikt mandaat van de Raad, hebben de Commissie en het Voorzitterschap op 6 oktober een nieuwe overeenkomst bereikt met de VS. Deze overeenkomst is gebaseerd op de opgezegde overeenkomst en laat de in 2004 onderhandelde verbintenissen – undertakings – die de garantie bieden dat de VS een adequaat beschermingsniveau respecteren, ongewijzigd. Rekening houdend met de intussen gewijzigde Amerikaanse wetgeving met betrekking tot de bestrijding van het terrorisme, werd de nieuwe overeenkomt gesloten met het Department of Homeland Security. Er werd ook een unilaterale brief opgesteld waarin de VS de bepalingen van de overeenkomst en de verbintenissen interpreteren in het licht van de nieuwe wetgeving.

Er werd overeengekomen dat deze overeenkomst slechts tot 31 juli 2007 geldig zal zijn en dat onverwijld gestart wordt met de onderhandelingen over een nieuw totaalakkoord inzake de overdracht van Advance Passenger Information.

L’intérêt de l’accord obtenu le 6 octobre réside principalement dans la sécurité juridique et l’égalité pour les citoyens européens qui voyagent aux États-Unis. En effet, la disparité entre les législations nationales concernées risquait de causer des problèmes. De plus, un accord rapide s’imposait pour permettre aux compagnies aériennes européennes ayant des destinations aux États-Unis de se conformer, sur pied d’égalité, à la loi américaine pour ces vols.

En ce qui concerne la Belgique, on peut supposer que l’accord obtenu est conforme aux prescriptions reprises sous le chapitre VI de la loi du 8 décembre 1992 pour la protection de la vie privée en ce qui concerne le traitement de données de personnes et qu’il peut dès lors être appliqué directement.

Het op 6 oktober bereikte akkoord draagt bij tot de verhoging van de rechtszekerheid en de gelijke behandeling van de Europese burgers die naar de VS reizen. De discrepantie tussen de betreffende nationale wetgevingen dreigde immers tot moeilijkheden te leiden. Bovendien was een snel akkoord nodig, zodat de Europese luchtvaartmaatschappijen die naar de VS vliegen zich voor deze vluchten konden aanpassen aan de Amerikaanse wetgeving.

Voor België stemt het bereikte akkoord inzake de verwerking van persoonsgegevens overeen met de vereisten vermeld in hoofdstuk VI van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Het kan dus onmiddellijk worden toegepast.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Je ne vais pas entamer la discussion maintenant. La question est de savoir si les données stockées aux États-Unis bénéficient d’une protection comparable, qui soit compatible avec les exigences du droit européen. Les législations nationales sont en effet différentes mais on oublie que les 46 pays membres du Conseil de l’Europe tombent sous le champ d’application de ladite convention et que les États membres de l’Union européenne ont élaboré une directive concernant la protection des données. Il s’agit là de problèmes juridiques importants.

Je n’ai pas obtenu de réponse à ma question principale. Nous devrons dès lors continuer à user des moyens de droit dont nous disposons pour protéger les droits fondamentaux de nos citoyens.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Ik zal de discussie nu niet aangaan. Het gaat erom of de gegevens die in de VS worden opgeslagen, een vergelijkbare bescherming hebben die verzoenbaar is met de vereisten van het Europese recht. De nationale wetgevingen zijn inderdaad verschillend, maar men vergeet dat alle 46 landen van de Raad van Europa onder het gezag van de desbetreffende conventie vallen en dat de lidstaten van de Europese Unie een richtlijn hebben uitgevaardigd die betrekking heeft op de databescherming. Dat zijn de grote juridische problemen die rijzen.

Ik heb geen antwoord gekregen op de kern van mijn vraag. We zullen dus verder de rechtsmiddelen moeten aanwenden om de fundamentele rechten van onze burgers te beschermen.

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «le taux de nicotine dans nos cigarettes» (nº 3-1835)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het nicotinegehalte in onze sigaretten» (nr. 3-1835)

M. le président. – M. Didier Donfut, secrétaire d’État aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères, répondra.

De voorzitter. – De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – Selon le magazine Le Généraliste, le taux de nicotine par cigarette a augmenté de quelque 10% ces dix dernières années. Cette affirmation est basée sur une étude du département de la Santé publique du Massachusetts.

L’augmentation s’applique à toutes les marques et à tous les types de cigarettes.

Un taux de nicotine plus élevé signifie également une augmentation du risque d’assuétude.

Quelles conclusions le ministre tire-t-il de cette étude ?

De quelle manière contrôle-t-on le taux de nicotine contenu dans les cigarettes ?

Des infractions ont-elles déjà été constatées ?

Quelles mesures le ministre compte-t-il prendre pour, à l’avenir, mieux contrôler le taux de nicotine présent dans les cigarettes ?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Volgens De Huisarts is het nicotinegehalte dat rokers per sigaret inhaleren de voorbije tien jaar met gemiddeld tien procent gestegen.

De Huisarts baseert zich hierbij op een onderzoek van het Massachusetts Department of Public Health.

De stijging doet zich voor bij alle merken en alle soorten.

Een hoger nicotinegehalte betekent ook een hogere kans op verslaving.

Welke conclusies trekt de minister uit het onderzoek?

Op welke wijze wordt het nicotinegehalte in de sigaretten gecontroleerd?

Werden hierbij reeds overtredingen vastgesteld?

Welke maatregelen wil de minister nemen om het nicotinegehalte in de sigaretten in de toekomst beter te controleren en onder controle te houden?

M. Didier Donfut, secrétaire d’État aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères. – Je vous lis la réponse du ministre Demotte.

Si les propos de M. Vandenberghe sont exacts, la seule conclusion que je puis en tirer est la grande inventivité dont les fabricants de tabac doivent faire preuve pour contourner la législation et manipuler les résultats de la méthode type d’analyse développée à l’échelon international. Selon les résultats des contrôles dont dispose mon administration, il n’y a guère de problèmes en la matière.

Durant le premier semestre de cette année, le service de contrôle du SPF Santé publique a fait procéder à l’analyse de 51 marques de cigarettes, concernant entre autres le taux de nicotine.

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. – Ik lees het antwoord van minister Demotte.

Indien wat de heer Vandenberghe beweert, klopt, kan ik enkel concluderen dat de tabaksfabrikanten zeer inventief zouden moeten zijn om de wetgeving te omzeilen en de resultaten van de standaard internationale analysemethode te manipuleren. Volgens de controleresultaten van mijn administratie zijn er weinig problemen.

De tabakscontroledienst van de FOD Volksgezondheid heeft in de eerste helft van dit jaar 51 verschillende sigarettenmerken laten analyseren, onder meer met betrekking tot het nicotinegehalte.

En tenant compte de l’incertitude de mesure des méthodes d’analyse, deux marques présentaient un taux de nicotine trop élevé. Pour le goudron et le CO, il y avait davantage de dépassements des taux maximums autorisés, à savoir respectivement 9 et 11 dépassements.

Les fabricants de tabac dont les cigarettes avaient un taux trop élevé de nicotine, goudron et CO ont reçu un avertissement. Les produits en infraction seront suivis par le Service de contrôle du tabac. Ainsi, lors d’un prochain contrôle, les marques qui sont en infraction seront à nouveau analysées.

Dans la législation belge – arrêté royal du 13 août 1990 relatif à la fabrication et à la mise dans le commerce de produits à base de tabac et de produites similaires –, des taux maximums pour la nicotine et le goudron ont déjà été fixés depuis 1990. Le taux de nicotine maximum autorisé était en 1990 de 1,5 mg par cigarette. Depuis 1990, le législateur a déjà renforcé à deux reprises la sévérité de ces normes. En 1990, ce taux maximum est passé à 1,2 et, en 2004, il a été ramené à 1,0 mg par cigarette.

Par conséquent, depuis 1990, l’industrie du tabac a déjà dû revoir deux fois à la baisse le taux de nicotine des cigarettes.

Depuis 2004, des taux maximums spécifiques ont également été fixés pour le CO toxique : 10 mg par cigarette.

Rekening houdend met de meetonzekerheid van de analysemethoden waren er twee merken met een te hoog nicotinegehalte. Voor teer en CO werden meer overschrijdingen van de maximum toegelaten gehaltes vastgesteld, respectievelijk 9 en 11 overschrijdingen.

De tabaksfabrikanten van wie de sigaretten een te hoog gehalte aan nicotine, teer en CO bevatten, kregen een waarschuwing. De producten in overtreding zullen door de tabakscontroledienst worden opgevolgd. Zo zullen bij een volgende controle de merken die in overtreding zijn, opnieuw worden geanalyseerd.

In de Belgische wetgeving – het koninklijk besluit van 13 augustus betreffende het fabriceren en het in de handel brengen van producten op basis van tabak en soortgelijke producten – zijn reeds sedert 1990 maximumgehaltes voor nicotine en teer vastgelegd. Het maximum toegelaten gehalte aan nicotine bedroeg in 1990 1,5 mg per sigaret. Sedert 1990 heeft de wetgever deze normen reeds tweemaal strenger gemaakt. In 1997 werd het op 1,2 gebracht. In 2004 werd het maximum nicotinegehalte teruggebracht op 1,0 mg per sigaret.

De tabaksindustrie heeft sedert 1990 het nicotinegehalte van sigaretten dus reeds tweemaal moeten verlagen.

Sedert 2004 zijn er ook specifieke maximumgehaltes vastgelegd voor CO: 10 mg per sigaret.

Demande d’explications de Mme Annemie Van de Casteele au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «le numéro de nomenclature de la reconstruction mammaire dite par lambeau libre» (nº 3-1838)

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het nomenclatuurnummer voor borstreconstructie met vrije flap» (nr. 3-1838)

M. le président. – M. Didier Donfut, secrétaire d’État aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères, répondra.

De voorzitter. – De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mme Annemie Van de Casteele (VLD). – Si je pose cette question, c’est parce que je n’ai pas encore reçu de réponse à la lettre que j’avais adressée au ministre, avec mon collègue Noreilde.

Hier encore, nous avons rencontré au Sénat des femmes de groupes interparlementaires qui s’occupent de ce problème en collaboration avec Europa Donna. De plus en plus de femmes (jeunes) atteintes d’un cancer du sein doivent subir une mammectomie. Il est essentiel qu’elles puissent subir immédiatement une reconstruction mammaire. Il existe à l’heure actuelle trois techniques : une reconstruction simple à l’aide d’une prothèse, un lambeau myocutané ou une reconstruction par lambeau libre, en utilisant uniquement des tissus autologues, des techniques de microchirurgie permettant au sang de circuler dans le sein reconstruit. C’est la raison pour laquelle on parle d’opération « à chaud ». La femme retrouve les mêmes sensations qu’avant l’opération, ce qui est essentiel du point de vue psychologique. Le fait qu’il existe des numéros de nomenclature spécifiques pour les deux premières techniques mais pas pour la troisième suscite pas mal de confusion.

Un numéro de nomenclature existant devrait être utilisé temporairement pour la troisième technique, mais il ne correspond ni à la complexité ni à la durée de l’intervention, ni à l’expertise nécessaire.

L’absence de remboursement correct risque non seulement de conduire à une mauvaise utilisation des numéros de nomenclature mais peut également comporter un risque pour les femmes qui entrent en considération pour une reconstruction mammaire à chaud, dans le sens que les interventions sont effectuées par étapes alors qu’elles pourraient normalement être réalisées simultanément. Le risque existe aussi que les médecins se montrent réticents pour réaliser le traitement ou facturent des suppléments.

Le ministre a-t-il connaissance de ce problème ?

Est-il disposé à faire examiner par le Conseil technique médical de l’INAMI la possibilité de créer un numéro de nomenclature propre pour la reconstruction mammaire par lambeau libre et les révisions éventuelles ?

À combien se monterait le remboursement correct de cette technique ?

Les moyens budgétaires nécessaires pourraient-ils être dégagés à cet effet ?

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). – Ik stel deze vraag omdat ik nog geen antwoord heb gekregen op het schrijven dat ik samen met collega Noreilde tot de minister richtte.

Gisteren nog hebben we hier in de Senaat een ontmoeting gehad met vrouwen van interparlementaire groepen die zich bezighouden met de problematiek in samenwerking met Europa Donna. Bij steeds meer (jonge) vrouwen met borstkanker wordt een borstamputatie onvermijdelijk. Het is daarbij van belang dat onmiddellijk een borstreconstructie kan worden uitgevoerd. Momenteel bestaan daartoe drie technieken: een eenvoudige reconstructie met behulp van een prothese, een gesteelde huidflap of spier-huidflap, of de zogenaamde reconstructie met vrije flap, met alleen autoloog weefsel waarbij via microchirurgische technieken de bloedcirculatie in de gereconstrueerde borst wordt verzekerd. Daarom noemt men dit ook een ‘warme’ borstoperatie. Het gevoel is na afloop hetzelfde als voordien en dat is voor de vrouw psychologisch van groot belang. Voor de eerste twee technieken bestaan specifieke RIZIV-nomenclatuurnummers, voor de derde techniek niet, wat heel wat verwarring veroorzaakt.

Momenteel zou voor de derde techniek een bestaand nomenclatuurnummer moeten worden gebruikt, dat evenwel niet overeenstemt met de complexiteit, de duur van en de expertise die nodig is voor de ingreep.

Het ontbreken van een redelijke terugbetaling leidt niet alleen tot een risico van verkeerd gebruik van nomenclatuurnummers. Het kan ook een risico inhouden voor vrouwen die in aanmerking komen voor een ‘warme’ borstreconstructie, in die zin dat de ingrepen stapsgewijs worden uitgevoerd, terwijl ze normaal gezien gelijktijdig kunnen gebeuren. Het risico bestaat ook dat artsen terughoudend zijn om de behandeling uit te voeren of supplementen gaan aanrekenen.

Kent de minister het probleem?

Is hij bereid de Technische Geneeskundige Raad van het RIZIV ermee te belasten na te gaan of voor de borstreconstructie met vrije flap en de eventuele revisies in een eigen nomenclatuurnummer kan worden voorzien?

Wat zou een billijke vergoeding zijn voor die techniek?

Kunnen hiervoor de nodige budgettaire middelen worden vrijgemaakt?

M. Didier Donfut, secrétaire d’État aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères. – Je vous lis la réponse du ministre Demotte.

La problématique de la reconstruction mammaire après mammectomie pour pathologie cancéreuse nous est bien connue depuis longtemps.

L’arrêté royal du 26 mars 2003 a entraîné une révision substantielle de la nomenclature de chirurgie plastique. La nouvelle nomenclature comprend des prestations spécifiques pour la reconstruction du sein amputé selon différentes méthodes et le remodelage, si nécessaire, du sein hétérolatéral.

Une prestation existe pour la reconstruction mammaire après intervention mutilante du sein par implantation de prothèse.

Pour des cas plus complexes, ou pour des patientes chez qui l’implantation d’une prothèse n’est pas indiquée pour des raisons médicales, une série d’autres prestations existent pour la reconstruction mammaire : lambeau myocutané vascularisé pédiculé ou lambeau du grand dorsal.

Pour ce qui concerne le remodelage du sein contralatéral, des prestations sont prévues.

La reconstruction mammaire après mammectomie pour pathologie cancéreuse est bien prise en compte dans la nomenclature actuelle des prestations de santé.

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. – Ik lees het antwoord van minister Demotte.

De problematiek van de borstreconstructie na een borstamputatie wegens kanker kennen wij al lang.

Het koninklijk besluit van 26 maart 2003 heeft de nomenclatuur inzake plastische heelkunde grondig herzien. De nieuwe nomenclatuur bevat specifieke verstrekkingen voor de reconstructie van de geamputeerde borst volgens verschillende methodes en indien nodig, het opnieuw modelleren van de heterolaterale borst.

Er bestaat een verstrekking voor de borstreconstructie na een mutilerende ingreep door implantatie van een prothese.

Voor complexere gevallen of voor patiënten bij wie een implantatie van een prothese om medische redenen niet is aangewezen, bestaat een reeks andere verstrekkingen voor de borstreconstructie: gesteelde myocutane gevasculariseerde flap of groterugspierflap.

Met betrekking tot het opnieuw modelleren van de contralaterale borst wordt eveneens in verstrekkingen voorzien.

Borstreconstructie na een borstamputatie wegens kanker komt in de huidige nomenclatuur voor de geneeskundige verstrekkingen goed aan bod.

Deuxièmement, dans ce même chapitre de chirurgie plastique au sujet des prestations de chirurgie plastique générale, des interventions micro-chirurgicales, et plus particulièrement les techniques de reconstruction par lambeaux libres, ont été prévues.

Ces lambeaux libres permettent des reconstructions complexes comportant des éléments myocutanés vascularisés et innervés. Il s’agit des prestations sur le site donneur et sur le site receveur.

Des règles d’application habituelles sont actuellement en vigueur et les questions qui sont posées à ce propos à l’INAMI seront analysées lors du prochain Conseil technique médical plénier.

Troisièmement, d’après nos explications, vous nous semblez assez bien informé des différentes prestations actuellement en vigueur.

Par ailleurs, nous ne manquerons pas de poser au Conseil technique médical la question de savoir s’il est opportun de modifier la nomenclature récente.

Ten tweede, in hetzelfde hoofdstuk van de plastische heelkunde, maar dan wel in de verstrekkingen inzake algemene plastische heelkunde zijn microchirurgische ingrepen opgenomen, en in het bijzonder de technieken voor de reconstructie met vrije flap.

Vrije flappen maken complexe reconstructie mogelijk met myocutane elementen die bloedvaten en zenuwen bevatten. Het gaat om verstrekkingen betreffende zowel de donorplaats als de receptorplaats, met gebruik van microchirurgische technieken.

Momenteel zijn de gebruikelijke toepassingsregels van kracht. In dat verband krijgt het RIZIV talrijke vragen die op de volgende voltallige zitting van de Technische Geneeskundige Raad zullen worden geanalyseerd.

Ten derde, met deze toelichting is de senator wellicht voldoende geïnformeerd over de verschillende verstrekkingen die thans van kracht zijn.

We zullen de Technische Geneeskundige Raad zeker de vraag stellen of een wijziging van de recente nomenclatuur opportuun is.

Les budgets pour les prestations relatives aux lambeaux libres ont été prévus lors des modifications de la nomenclature de chirurgie plastique en prenant comme hypothèse que le nombre de cas pour lesquels ces prestations étaient d’indication absolue resterait stable.

De budgetten voor de verstrekkingen met betrekking tot de vrije flappen werden vastgelegd bij de wijziging van de nomenclatuur inzake plastische heelkunde in de veronderstelling dat het aantal gevallen waarvoor die verstrekkingen een indicatie waren, stabiel zou blijven.

Mme Annemie Van de Casteele (VLD). – S’agissant d’une matière très technique, la réponse lue en néerlandais par le secrétaire d’État était difficile à suivre.

Je crois comprendre que le ministre dit que les interventions pour raisons médicales sont remboursées. La demande de remboursement de prestations pour raisons esthétiques est cependant en augmentation, surtout chez les femmes jeunes qui doivent pouvoir à nouveau se sentir bien après une maladie aussi invalidante. Étant donné que la situation évolue sans cesse, il convient d’adapter la nomenclature et de dégager les moyens nécessaires.

J’insiste pour que le problème soit à nouveau soumis au prochain Conseil technique médical. Le ministre laisse d’ailleurs entendre que le Conseil examinera les nombreuses questions qui se posent à ce sujet. En tout état de cause, nous demeurons vigilants.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). – Het gaat om een zeer technische materie en mede daardoor was het antwoord in het Nederlands gelezen door staatssecretaris Donfut moeilijk te volgen.

Ik meen te begrijpen dat de minister zegt dat ingrepen om medische redenen worden vergoed. De vraag naar de vergoeding van prestaties om esthetische redenen neemt echter toe, vooral van jonge vrouwen die zich na een dergelijke ingrijpende ziekte opnieuw goed moeten kunnen voelen. De toestand evolueert voortdurend. De nomenclatuur moet dus worden aangepast en de nodige middelen moeten ter beschikking worden gesteld.

Ik dring erop aan dat het probleem opnieuw wordt voorgelegd aan de volgende Technische Geneeskundige Raad. De minister laat overigens verstaan dat de raad de talrijke vragen in dat verband zal onderzoeken. Wij zullen in elk geval waakzaam blijven toekijken.

Demande d’explications de Mme Annemie Van de Casteele au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «les mesures relatives au traitement des plaies chroniques» (nº 3-1840)

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de maatregelen betreffende de verzorging van chronische wonden» (nr. 3-1840)

M. le président. – M. Didier Donfut, secrétaire d’État aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères, répondra.

De voorzitter. – De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mme Annemie Van de Casteele (VLD). – Le nombre de patients souffrant de plaies chroniques augmente en raison du vieillissement de la population et de la prévalence des maladies chroniques.

Grâce aux pansements modernes, ces plaies chroniques peuvent quand même être traitées, de sorte que les complications sont réduites au minimum ; dans de nombreux cas, la qualité de la vie s’améliore, la perte de fonctions et les congés de maladie diminuent.

Souvent, les pansements peuvent être maintenus plusieurs jours sur la plaie, de sorte que les dépenses de soins de santé sont moindres. L’utilisation de ces pansements entraîne donc aussi des avantages économiques.

Cependant, le remboursement de ces pansements n’a pas suivi cette évolution sur le terrain. Le ministre a déjà été interrogé sur le sujet lors d’une campagne d’information destinée aux parlementaires. Il a alors expliqué qu’un arrêté royal visant à introduire un forfait de 20 euros par mois était en préparation. Pour savoir si les coûts relatifs à ces pansements seraient intégrés dans le MAF, le maximum à facturer, il fallait attendre les débats budgétaires, les dépenses supplémentaires étant évaluées à environ 1 million d’euros. Quelques mois se sont écoulés depuis cette réponse et j’ai cru comprendre que le projet d’arrêté royal restait bloqué quelque part.

Le projet d’arrêté royal annoncé par le ministre a-t-il été approuvé par les organes de l’INAMI ? Dans la négative, pourquoi ?

Quelle procédure l’arrêté prévoit-il pour l’attribution du forfait ? Le forfait s’applique-t-il tant aux soins ambulatoires qu’aux soins hospitaliers ?

A-t-on pu trouver les moyens budgétaires permettant d’intégrer dans le maximum à facturer les frais relatifs aux tickets modérateurs concernant les pansements ?

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). – Het aantal patiënten met chronische wonden neemt toe door de veroudering van de bevolking en de prevalentie van chronische ziektes.

Dankzij moderne wondverbanden kunnen die chronische wonden toch worden behandeld zodat de complicaties tot een minimum worden herleid en in veel gevallen ook de levenskwaliteit verbetert en functieverlies en ziekteverlof kan worden verminderd.

De verbanden kunnen vaak meerdere dagen op de wonde blijven zodat ook de verzorgingskosten lager zijn. Op die manier zijn aan het gebruik hiervan ook economische voordelen verbonden.

De terugbetaling van die verbanden heeft evenwel die evolutie op het terrein niet gevolgd. Naar aanleiding van een informatiecampagne voor parlementsleden werd de minister hierover al ondervraagd. Hij stelde toen dat een koninklijk besluit in voorbereiding was om een forfait van 20 euro per maand in te voeren. Om te weten of de kosten van wondverband in de MAF, de maximumfactuur, worden opgenomen, moest de begrotingsbespreking worden afgewacht, aangezien de meerkost op ongeveer 1 miljoen euro werd geschat. We zijn inmiddels enkele maanden verder en ik heb begrepen dat het ontwerp van koninklijk besluit ergens geblokkeerd is.

Werd het ontwerp van koninklijk besluit dat de minister aankondigde door de RIZIV-organen goedgekeurd? Zo neen, waarom niet?

In welke procedure voorziet het besluit voor de toekenning van het forfait? Geldt het forfait zowel ambulant als voor patiënten in een ziekenhuis?

Is in de begroting ruimte gevonden om de kosten van de remgelden voor wondverband in de maximumfactuur op te nemen?

M. Didier Donfut, secrétaire d’État aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères. – Je vous lis la réponse du ministre.

Le projet d’arrêté royal a déjà été approuvé par le Conseil technique des moyens diagnostiques et matériel de soins et est actuellement traité par le Comité de l’assurance, qui a signalé quelques problèmes techniques.

La Commission des conventions pharmaciens–organismes assureurs tentera de résoudre ces problèmes lors de sa réunion du 27 octobre 2006. Ensuite, le projet sera à nouveau soumis pour avis au Comité de l’assurance.

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. – Ik lees het antwoord van de minister.

De Technische Raad voor diagnostische middelen en verzorgingsmiddelen heeft het betrokken ontwerp van koninklijk besluit reeds goedgekeurd. Het wordt momenteel besproken door het Verzekeringscomité, dat enkele technische problemen signaleerde.

De Overeenkomstencommissie ‘apothekers–verzekeringsinstellingen’ zal op zijn vergadering van 27 oktober 2006 een oplossing voor die problemen proberen te vinden. Hierna zal het ontwerp opnieuw voor advies aan het Verzekeringscomité worden voorgelegd.

L’intervention est accordée par le médecin conseil de la mutualité du bénéficiaire après une demande du médecin traitant. Cette demande se fait sur un formulaire standardisé. L’intervention n’est accordée qu’aux bénéficiaires qui souffrent de plaies qui ne sont pas guéries après un traitement de trente jours.

L’intervention maximale est accordée aux patients ambulatoires en officine publique et aux patients ambulatoires en hôpital. Ces deux groupes de patients constituent environ 90 à 95 pour-cent du nombre total des patients qui utilisent des pansements actifs.

L’intervention maximale n’est pas prévue pour des bénéficiaires hospitalisés puisque le coût des pansements actifs est pris en charge par le budget de l’hôpital.

De tegemoetkoming wordt toegekend door de adviserende geneesheer van het ziekenfonds van de betrokken rechthebbende, na een aanvraag door de behandelende arts. De aanvraag gebeurt met een gestandaardiseerd aanvraagformulier. De tegemoetkoming wordt enkel toegekend aan rechthebbenden die lijden aan wonden die na een behandeling gedurende dertig dagen nog niet geheeld zijn.

De maximale tegemoetkoming geldt zowel voor ambulante patiënten in een openbare officina als voor ambulante patiënten in het ziekenhuis. Deze twee patiëntengroepen vormen ongeveer 90% tot 95% van het totaal aantal patiënten die gebruik maken van actieve verbandmiddelen.

Deze maximale tegemoetkoming heeft geen betrekking op rechthebbenden die in het ziekenhuis opgenomen zijn. De kosten van de actieve verbandmiddelen wordt immers door het ziekenhuis gedragen.

Le supplément à charge du bénéficiaire entrera en ligne de compte pour le maximum à facturer à partir du 1er janvier 2007. Cela fait partie des mesures prises en faveur des malades chroniques. Un budget de 759.000 euros sera libéré pour l’exécution de cette mesure.

Het supplement ten laste van de rechthebbende zal vanaf 1 januari 2007 in aanmerking komen voor de maximumfactuur. Dat maakt deel uit van de maatregelen ten voordele van chronisch zieken. Er zal 759.000 euro voor de uitvoering van de maatregel worden vrijgemaakt.

Mme Annemie Van de Casteele (VLD). – J’espère que les problèmes techniques pourront être résolus le 27 octobre. Il s’agit apparemment de déterminer si certains pansements peuvent être distribués par l’intermédiaire de Pharmanet.

Je me réjouis d’apprendre qu’une partie des frais seront remboursés à partir du 1er janvier 2007 par le biais du MAF. Le budget de 759.000 euros me semble toutefois plutôt modeste.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). – Hopelijk kunnen de technische problemen op 27 oktober worden opgelost. Blijkbaar gaat het om de vraag of bepaalde wondverbanden via Farmanet kunnen worden verdeeld.

Het verheugt me dat vanaf 1 januari 2007 een deel van de kosten via de MAF zal worden terugbetaald. Het budget van 759.000 euro lijkt me echter nogal laag.

Demande d’explications de M. Hugo Vandenberghe au ministre de l’Environnement et ministre des Pensions sur «le cumul d’une pension de retraite et d’une activité d’expert» (nº 3-1834)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen over «de cumulatie van een rustpensioen met een activiteit van expert» (nr. 3-1834)

M. le président. – M. Didier Donfut, secrétaire d’État aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères, répondra.

De voorzitter. – De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – En vertu de l’article 4, §1er, 3º, de la loi du 5 avril 1994, un retraité peut exercer sans restriction une activité consistant en la création d’œuvres scientifiques n’ayant pas de répercussion sur le marché du travail.

Le cumul d’une pension de retraite et de la rémunération accordée pour la présidence d’une commission d’évaluation prête toutefois à discussion. Certains considèrent en effet que la présidence d’une commission d’évaluation, chargée de contrôler le niveau scientifique de nos universités, n’a pas de caractère scientifique et que, bien que non récurrente, cette activité constitue une activité professionnelle ayant des répercussions sur le marché du travail.

La mission d’une commission d’évaluation a pourtant un caractère scientifique très net.

En outre, cette mission ne peut être exercée que par un retraité ayant une certaine expertise puisqu’un magistrat ou professeur en fonction n’en ont pas le temps.

Celui qui exerce une mission d’évaluation ne prend de surcroît la place de personne sur le marché du travail. C’est une fonction de confiance très spécialisée, exercée par des personnes ayant des qualifications scientifiques exceptionnelles et une grande sagesse.

J’ai déjà interrogé le ministre à ce sujet à maintes reprises mais il est aux mains d’une bureaucratie cloisonnée qui persiste à affirmer qu’une commission d’évaluation n’a aucun caractère scientifique.

Si la bureaucratie s’obstine à défendre un point de vue aussi ridicule, que le ministre le confirme alors publiquement à la tribune du Sénat. Je pourrai ainsi le citer dans mes discours comme un exemple de la façon dont la majorité, avec ses nombreux rois-soleils, nie constamment la lumière du soleil.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Krachtens artikel 4, paragraaf 1, 3º van de wet van 5 april 1994 mag een gepensioneerde zonder beperking een activiteit uitoefenen die bestaat in het scheppen van wetenschappelijke werken zonder weerslag op de arbeidsmarkt.

Over de cumulatie van een rustpensioen met de vergoeding van het voorzitterschap van een visitatiecommissie bestaat echter enige discussie. Er wordt immers gesteld dat het voorzitterschap van een visitatiecommissie, die het wetenschappelijk niveau van onze universiteiten moet controleren, geen wetenschappelijk karakter heeft en dat deze activiteit, ondanks haar eenmalig karakter, een beroepsbezigheid is, met weerslag op de arbeidsmarkt.

De opdracht van een visitatiecommissie heeft nochtans een uitgesproken wetenschappelijk karakter. Het tegendeel beweren is hetzelfde als te zeggen dat men naar de wedstrijd Anderlecht-Juventus kijkt als men de wielerwedstrijd Milaan-San Remo volgt.

Bovendien kan alleen een gepensioneerde met expertise die opdracht vervullen, omdat een magistraat of professor in functie niet over de nodige tijd beschikt.

Wie een visitatieopdracht uitvoert, neemt ook geen plaats op de arbeidsmarkt in. Het gaat immers om een eenmalige, uiterst gespecialiseerde, vertrouwensvolle functie, die wordt uitgeoefend door personen met een uitzonderlijke wetenschappelijke kwalificatie en een grote wijsheid.

Ik heb de minister hierover reeds meermaals ondervraagd, maar hij is in handen van een verkokerde bureaucratie, die, zoals ten tijde van Galilei, het zonlicht negeert en die blijft beweren dat een visitatiecommissie geen wetenschappelijk karakter heeft. Alsof het om een partijtje petanque gaat.

Als de bureaucratie zo’n lachwekkend standpunt blijft innemen, dan moet de minister dat maar openlijk op het spreekgestoelte van de Senaat bevestigen, zodat ik het in al mijn toespraken kan aanhalen als een voorbeeld van de wijze waarop de meerderheid, ook al beschikt ze over talloze zonnekoningen, het zonlicht permanent ontkent.

M. Didier Donfut, secrétaire d’État aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères. – Je vous lis la réponse du ministre Tobback.

L’article 4, §1er, 3º, de la loi du 5 avril 1994 régissant le cumul des pensions du secteur public avec des revenus provenant de l’exercice d’une activité professionnelle ou avec un revenu de remplacement prévoit que, pour les années civiles postérieures à celle au cours de laquelle elle atteint l’âge de 65 ans, la personne qui bénéficie d’une pension de retraite est, moyennant déclaration préalable, autorisée à exercer une activité consistant en la création d’œuvres scientifiques ou en la réalisation d’une création artistique n’ayant pas de répercussion sur le marché du travail, pour autant que l’intéressé n’ait pas la qualité de commerçant au sens du Code de commerce.

Pour que le cumul de l’exercice d’une activité professionnelle consistant en la création d’œuvres scientifiques et d’une pension de retraite soit autorisé sans restriction, trois conditions doivent être remplies : une activité scientifique, sans répercussion sur le marché du travail et sans la qualité de commerçant.

La présidence d’une commission d’évaluation doit être considérée comme une fonction englobant la participation à des missions d’audit et leur coordination, lesquelles visent à déterminer, à partir d’un cadre méthodologique fixé de manière scientifique, la qualité des formations et processus pédagogiques et à formuler des propositions d’amélioration les concernant.

Ce n’est pas parce qu’on travaille sur la base d’un cadre de référence scientifique sur des processus de transmission de connaissances scientifiques que ces prestations et le rapport d’évaluation qui en découle peuvent être considérés comme des œuvres scientifiques au sens de la législation sur le cumul.

Les œuvres scientifiques sont des créations originales développant des connaissances scientifiques en vue de les diffuser dans un public de spécialistes et de personnes intéressées.

La présidence d’une commission d’évaluation ne remplit pas ces conditions et ne peut être considérée comme une œuvre scientifique. Il s’agit plutôt de l’application de connaissances.

De plus, la condition relative à l’absence de répercussion sur le marché du travail n’est pas davantage remplie. Les services rendus par les intéressés peuvent également l’être par des personnes toujours actives sur le marché du travail, ce qui est d’ailleurs le cas dans la pratique.

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. – Ik lees het antwoord van minister Tobback.

Artikel 4, paragraaf 1, eerste lid, 3º, van de wet van 5 april 1994 houdende regeling van de cumulatie van pensioenen van de openbare sector met inkomsten voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit of met een vervangingsinkomen, bepaalt dat in de kalenderjaren die volgen op dat waarin de persoon die een rustpensioen geniet, de leeftijd van 65 jaar bereikt, de betrokken persoon, na voorafgaande verklaring, een beroepsactiviteit mag uitoefenen die bestaat in het scheppen van wetenschappelijke werken of in het tot stand brengen van een artistieke schepping die geen weerslag heeft op de arbeidsmarkt, voor zover de betrokkene geen handelaar is in de zin van het Wetboek van koophandel.

Opdat de uitoefening van een beroepsactiviteit die bestaat in het scheppen van wetenschappelijke werken onbeperkt gecumuleerd kan worden met een rustpensioen, dienen drie voorwaarden tegelijk vervuld te zijn: een wetenschappelijke activiteit, zonder weerslag op de arbeidsmarkt, zonder de hoedanigheid van handelaar.

Het voorzitterschap van een visitatiecommissie moet worden beschouwd als een opdracht die de deelname aan en de coördinatie van een reeks audittaken omvat die, uitgaande van een wetenschappelijk vastgelegd methodologisch kader, de bedoeling hebben de kwaliteit van opleidingen en onderwijsprocessen te bepalen en verbeteringsvoorstellen dienaangaande te formuleren.

Werken op basis van een wetenschappelijk referentiekader omtrent processen die de overdracht van wetenschap betreffen, heeft echter niet tot gevolg dat de uitgevoerde werkzaamheden, die daarenboven voor rekening van een opdrachtgever gebeuren, en het eruit voortvloeiend evaluatierapport zelf als wetenschappelijk werk in de zin van de cumulatiewetgeving kunnen worden beschouwd.

Wetenschappelijke werken in de zin van deze wetgeving zijn veeleer originele creaties waarin wetenschappelijke kennis wordt ontwikkeld met het oog op de verspreiding ervan onder een publiek van specialisten of geïnteresseerden.

Het voorzitterschap van een visitatiecommissie voldoet niet aan deze voorwaarden en kan niet worden beschouwd als wetenschappelijk werk in de zin van de cumulatiewetgeving, maar dient eerder te worden beschouwd als een toepassing van kennis.

Bovendien voldoet deze activiteit ook niet aan de voorwaarde dat zij geen weerslag heeft op de arbeidsmarkt. De door de betrokkenen geleverde diensten kunnen ook worden geleverd door personen die nog actief zijn op de arbeidsmarkt, wat in de praktijk trouwens ook gebeurt.

M. Hugo Vandenberghe (CD&V). – À ma grande déception, j’ai eu la réponse que j’attendais. Cela restera pour moi un bel exemple de rhétorique bureaucratique : le contrôle d’activités scientifiques n’est pas une activité scientifique !

Or, pour contrôler des activités scientifiques, il faut avoir les compétences, les qualités, la sagesse et le curriculum vitae nécessaires. La bureaucratie fait ce que plus aucun juriste ne fait : ériger en dogme la ratio legis historique d’un concept.

La coalition violette a toujours prétendu s’opposer aux dogmes. Or les nombreuses questions que je pose reçoivent une réponse dogmatique.

En répondant de la sorte, le gouvernement fait fi d’une autre point politique inscrit à son programme : l’insertion active des personnes âgées. Si le ministre des Pensions et son administration campent sur leur position pour les présidents des commissions d’évaluation qui, pendant de longues années, ont exercé des fonctions publiques moins bien rémunérées et sont ensuite appelés à rendre d’autres services à la collectivité, ils feront preuve d’un manque de générosité et d’humanité. Ils se réfugient derrière une argumentation bureaucratique dépourvue de toute consistance juridique.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). – Tot mijn grote ontgoocheling heb ik het verwachte antwoord gekregen. Het zal bij mij een mooie plaats krijgen als een typevoorbeeld van verkokerde, bureaucratische prietpraat: het controleren van wetenschappelijke activiteiten is geen wetenschappelijke activiteit.

Voor het controleren van wetenschappelijke activiteiten moet men de nodige competentie, hoedanigheden, wijsheid, ervaring en curriculum hebben. De bureaucratie doet iets wat geen enkele ernstige jurist in ons land nog doet, namelijk de historische ratio legis van een begrip extrapoleren als een dogma.

De paarse regering heeft altijd beweerd tegen dogma’s te zijn. Op de vele vragen die ik stel, krijg ik evenwel een dogmatisch antwoord. Op zinnige vragen van de oppositie wordt afwijzend gereageerd met een dogmatisch refrein.

Met dit antwoord houdt de regering ook geen rekening met een ander politiek punt van haar programma: het actief inschakelen van oudere personen. Terecht wordt gezegd dat de leeftijd de belangrijkste discriminatiefactor in ons land is. Als de minister van Pensioenen en zijn ambtenaren volharden in hun standpunt aangaande de voorzitters van de visitatiecommissies, die zich jarenlang verdienstelijk hebben gemaakt in openbare functies, waar de wedden lager liggen dan in de privésector, en later geroepen worden om de gemeenschap diensten te bewijzen, dan geven zij geen enkele blijk van hartelijkheid, edelmoedigheid of zin voor menselijkheid. Ze verschuilen zich achter een bureaucratisch verhaal dat geen enkele juridische consistentie heeft.

Demande d’explications de Mme Jacinta De Roeck au secrétaire d’État à la Simplification administrative sur «l’enregistrement des baux» (nº 3-1832).

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging over «de registratie van huurcontracten» (nr. 3-1832).

M. le président. – M. Didier Donfut, secrétaire d’État aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères, répondra.

De voorzitter. – De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mme Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). – Le 10 mars, le ministre annonçait son intention de supprimer, dans le cadre d’une simplification de l’enregistrement des baux, le timbre fiscal et le droit d’enregistrement sur les baux.

Les chiffres du SPF Finances nous apprennent qu’à peine un locataire sur quatre fait enregistrer son bail. L’enregistrement est pourtant légalement obligatoire si l’on veut que le contrat soit opposable aux tiers, élément essentiel en cas de procès ou de procédure devant le juge de paix. Par ailleurs, en cas de changement de propriétaire, le loyer demandé au locataire ne peut pas davantage être augmenté.

La suppression du timbre est une bonne chose. Le ministre a annoncé que le locataire pourrait se mettre en règle en envoyant une copie du bail par courrier électronique ou par courrier postal.

J’aimerais obtenir une réponse aux questions suivantes :

1. Dans quel délai le ministre entend-il mettre la simplification en œuvre ? Un projet de loi est-il déjà prêt ? Dans la négative, où en est-on ?

2. En quoi la simplification consistera-t-elle concrètement ? Un accord a-t-il déjà été conclu avec l’administration du Cadastre, de l’enregistrement et des domaines sur les mesures à prendre pour réaliser cette simplification ?

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). – Op 10 maart kondigde de minister aan dat hij het belastingzegel en het registratierecht op huurcontracten zou afschaffen in het kader van een vereenvoudiging van de registratie van huurcontracten.

Uit cijfers van de FOD Financiën blijkt dat amper een huurder op vier zijn huurcontract laat registreren. Registratie is nochtans wettelijk verplicht en nodig om het contract tegen derden inroepbaar te maken, een cruciaal element als het ooit tot een rechtszaak komt of een procedure voor de vrederechter. Bij verandering van eigenaar kan ook de huurprijs voor de huurder niet zomaar de hoogte in.

De afschaffing van het zegel is een goede zaak. De minister kondigde aan dat de huurder via e-mail, of via een kopie van het contract per brief de registratie in orde zou kunnen maken.

Graag kreeg ik een antwoord op volgende vragen:

1. Welke timing plant de minister om de vereenvoudiging effectief te realiseren? Is er reeds een wetsontwerp klaar? Zo nee, hoever staat het ermee?

2. Hoe zal de vereenvoudiging er in concreto uitzien? Is er reeds een akkoord met de administratie van het Kadaster, Registratie en Domeinen over de maatregelen om de vereenvoudiging door te voeren?

M. Didier Donfut, secrétaire d’État aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères. – Je vous lis la réponse du secrétaire d’État.

La suppression du timbre fiscal qui était requis lors de l’enregistrement des baux figure dans la suppression du Code des Droits de timbre. Le ministre a prévu l’entrée en vigueur de cette simplification pour le début de l’année prochaine, lors de l’instauration d’un nouveau Code des droits et taxes divers.

Le groupe de travail chargé de cette matière a proposé la suppression intégrale du droit fixe de 25 euros applicable à l’enregistrement des baux relatifs aux biens immobiliers destinés aux logement.

Lors d’une réunion du groupe de travail, on a également proposé d’adapter le Code des droits d’enregistrement de façon à ce que les baux puissent désormais être enregistrés via internet. La discussion des propositions est encore actuellement en cours. En principe, les propositions, qui figureront dans la loi-programme, entreront en vigueur début 2007.

Le bailleur sera désormais responsable de l’enregistrement du bail. S’il néglige de le faire, il ne pourra prétendre à aucune résiliation de bail à charge du locataire. L’enregistrement du bail est entièrement gratuit pour le bailleur qui peut soit se présenter au bureau d’enregistrement soit envoyer le bail par courrier électronique. Cette dernière possibilité est une nouveauté, car l’enregistrement devait auparavant se faire au moyen de l’acte original sur lequel devait être apposé un timbre fiscal de cinq euros. Un accord sur les adaptions requises du Code des droits d’enregistrement a déjà été obtenu avec l’Administration générale de la documentation patrimoniale. Cette adaptation doit être concrétisée au cours des prochains mois.

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. – Ik lees het antwoord van de staatssecretaris.

De afschaffing van de fiscale zegel die vereist was bij de registratie van huurovereenkomsten, werd opgenomen in de afschaffing van het Wetboek Zegelrechten. De ministerraad plant de inwerkingtreding van deze vereenvoudiging, door de invoering van het nieuwe Wetboek diverse rechten en taksen, voor begin volgend jaar.

De werkgroep die zich met deze materie bezighoudt, heeft voorgesteld het vaste recht van 25 euro, dat verschuldigd is voor de registratie van huurcontracten met betrekking tot onroerende goederen bestemd voor bewoning, integraal af te schaffen.

Tijdens een bijeenkomst van de werkgroep werd ook een aanpassing van het Wetboek van registratierechten voorgesteld, zodat de huurcontracten voortaan via het internet ter registratie kunnen worden aangeboden. De bespreking van de voorstellen is nog volop aan de gang. De voorstellen zullen normaal worden opgenomen in de programmawet en begin 2007 in werking treden.

De verhuurder zal voortaan instaan voor de registratie van het huurcontract. Indien hij dat nalaat, kan hij geen aanspraak maken op enige huuropzeg ten laste van de huurder. De verhuurder kan het contract volledig gratis laten registreren. Hij kan zich hiervoor nog steeds persoonlijk op het registratiekantoor aanmelden, maar de huurovereenkomst ook via e-mail versturen. Dat laatste was tot nu toe onmogelijk, omdat de registratie aan de hand van de originele akte diende te gebeuren en er een fiscale zegel van vijf euro moest worden gekleefd. Met de algemene administratie Patrimoniumdocumentatie werd al overeenstemming bereikt over de nodige aanpassingen in het Wetboek van registratierechten. In de komende maanden willen we de praktische uitwerking ervan in handen nemen.

Mme Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). – Le ministre donne un tas de réponses mais il reste dans le flou en ce qui concerne le calendrier. La suppression des droits de timbre est « pour l’année prochaine », la suppression du droit fixe figurera dans la loi-programme et entrera en vigueur « début 2007 » ; la dernière mesure est « pour les prochains mois ».

J’ai la ferme intention de tenir le calendrier à l’œil. La promesse date en effet du 10 mars de l’année dernière. À présent que certains points figurent explicitement dans la déclaration de gouvernement, j’ose espérer que toutes les mesures entreront en vigueur pour le 10 mars de l’année prochaine.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). – De minister geeft heel wat antwoorden, maar hij blijft erg vaag over de timing. De afschaffing van het zegelrecht is iets voor ‘volgend jaar’, de afschaffing van het vaste recht komt in de programmawet en wordt ‘begin 2007’ van kracht en de laatste maatregel is iets voor ‘de komende maanden’.

Ik ben vast van plan de timing in het oog te houden. De belofte is immers al op 10 maart van vorig jaar gemaakt. Zeker nu een en ander zo duidelijk in de beleidsverklaring is opgenomen, durf ik te hopen dat op 10 maart volgend jaar alle maatregelen van kracht zullen zijn.

M. le président. – L’ordre du jour de la présente séance est ainsi épuisé.

La prochaine séance aura lieu le vendredi 20 octobre à 10 h 00.

De voorzitter. – De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats vrijdag 20 oktober om 10.00 uur.

(La séance est levée à 18 h 30.)

(De vergadering wordt gesloten om 18.30 uur.)

Excusés

Berichten van verhindering

M. Dubié, pour raison de santé, Mme Pehlivan, MM. Brotchi et Roelants du Vivier, à l’étranger, MM. Cheffert et Wilmots, pour d’autres devoirs, demandent d’excuser leur absence à la présente séance.

Afwezig met bericht van verhindering: de heer Dubié, om gezondheidsredenen, mevrouw Pehlivan, de heren Brotchi en Roelants du Vivier, in het buitenland, de heren Cheffert en Wilmots, wegens andere plichten.

Pris pour information.

Voor kennisgeving aangenomen.

Annexe

Bijlage

Votes nominatifs

Naamstemmingen

Vote nº 1

Stemming 1

Présents : 52
Pour : 51
Contre : 0
Abstentions : 1

Aanwezig: 52
Voor: 51
Tegen: 0
Onthoudingen: 1

Pour

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Berni Collas, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T’ Serclaes, Christel Geerts, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Abstentions

Onthoudingen

Anne-Marie Lizin.

Propositions prises en considération

In overweging genomen voorstellen

Propositions de loi

Wetsvoorstellen

Article 81 de la Constitution

Artikel 81 van de Grondwet

Proposition de loi modifiant les lois coordonnées du 19 décembre 1939 relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés et l’arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants (de M. Patrik Vankrunkelsven et Mme Margriet Hermans ; Doc. 3-1842/1).

Wetsvoorstel tot wijziging van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van zelfstandigen (van de heer Patrik Vankrunkelsven en mevrouw Margriet Hermans; Stuk 3-1842/1).

Envoi à la commission des Affaires sociales.

Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Proposition de loi modifiant la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques, en vue d’assurer une meilleure protection de la vie privée pour les services à données de localisation ou les services de géolocalisation par téléphone portable (de M. Christian Brotcorne ; Doc. 3-1856/1).

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, teneinde de persoonlijke levenssfeer beter te beschermen in het kader van de op locatiegegevens gebaseerde diensten of de locatiediensten via mobiele telefoon (van de heer Christian Brotcorne; Stuk 3-1856/1).

Envoi à la commission des Finances et des Affaires économiques.

Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Proposition de loi modifiant la loi du 22 mars 1999 relative à la procédure d’identification par analyse ADN en matière pénale en vue d’étendre le système du prélèvement obligatoire de l’ADN chez certains groupes de condamnés (de Mme Anke Van dermeersch et M. Jurgen Ceder ; Doc. 3-1857/1).

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 22 maart 1999 betreffende de identificatieprocedure via DNA-onderzoek in strafzaken met het oog op de uitbreiding van de regeling van de verplichte DNA-afname bij bepaalde groepen van veroordeelden (van mevrouw Anke Van dermeersch en de heer Jurgen Ceder; Stuk 3-1857/1).

Envoi à la commission de la Justice.

Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Proposition de loi relative à l’application d’un nouveau mode de calcul aux pensions de retraite afférentes à des fonctions multiples (de M. Christian Brotcorne ; Doc. 3-1858/1).

Wetsvoorstel betreffende de toepassing van een nieuwe berekeningswijze inzake rustpensioenen voor verschillende ambten (van de heer Christian Brotcorne; Stuk 3-1858/1).

Envoi à la commission des Affaires sociales.

Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Proposition de loi modifiant l’article 138 du Code pénal en vue d’incriminer plus sévèrement les infractions terroristes (de M. Michel Delacroix ; Doc. 3-1859/1).

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 138 van het Strafwetboek met het oog op een strengere bestraffing van terroristische misdrijven (van de heer Michel Delacroix; Stuk 3-1859/1).

Envoi à la commission de la Justice.

Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Proposition de loi modifiant le Code d’instruction criminelle en vue d’imposer au ministère public de fixer la peine qu’il entend requérir en matière correctionnelle dès le règlement de la procédure ou la citation (de M. Michel Delacroix ; Doc. 3-1860/1).

Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van strafvordering teneinde het openbaar ministerie te verplichten de correctionele straf die het wil vorderen reeds te bepalen bij de regeling van de rechtspleging of de dagvaarding (van de heer Michel Delacroix; Stuk 3-1860/1).

Envoi à la commission de la Justice.

Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Demandes d’explications

Vragen om uitleg

Le Bureau a été saisi des demandes d’explications suivantes :

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

de M. Luc Willems au ministre de l’Emploi et à la secrétaire d’État au Développement durable et à l’Économie sociale sur « le regroupement dans une entreprise distincte d’activités exercées dans le cadre des titres-services » (nº 3-1844)

van de heer Luc Willems aan de minister van Werk en aan de staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie over “de afsplitsing van activiteiten met dienstencheques in een aparte onderneming” (nr. 3-1844)

de Mme Jacinta De Roeck au ministre de l’Économie, de l’Énergie, du Commerce extérieur et de la Politique scientifique sur « la dotation attribuée au Centre d’étude de l’énergie nucléaire » (nº 3-1845)

van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over “de dotatie voor het Studiecentrum voor Kernenergie” (nr. 3-1845)

de M. Luc Willems au secrétaire d’État aux Entreprises publiques sur « l’évaluation du projet pilote “parking gratuit pour les déplacements domicile-lieu de travail” sur les parkings de la SNCB » (nº 3-1846)

van de heer Luc Willems aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over “de evaluatie van het proefproject ‘gratis woon-werkverkeer’ op de NMBS-parkeerplaatsen” (nr. 3-1846)

de M. Luc Willems au secrétaire d’État à la Simplification administrative et à la secrétaire d’État aux Familles et aux Personnes handicapées sur « le renouvellement et le remplacement de la carte de stationnement spéciale pour personnes handicapées » (nº 3-1847)

van de heer Luc Willems aan de staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging en aan de staatssecretaris voor het Gezin en Personen met een handicap over “de vernieuwing en vervanging van de speciale parkeerkaart voor gehandicapten” (nr. 3-1847)

de Mme Sabine de Bethune au ministre de la Coopération au Développement sur « les programmes indicatifs de coopération » (nº 3-1848)

van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over “de indicatieve samenwerkingsprogramma’s” (nr. 3-1848)

de Mme Sabine de Bethune au ministre de la Coopération au Développement sur « le centre de référence pour l’Afrique centrale » (nº 3-1849)

van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over “het referentiecentrum voor Centraal-Afrika” (nr. 3-1849)

de Mme Sabine de Bethune au ministre de la Coopération au Développement sur « la coopération au développement au cours de la présidence finlandaise de l’Union européenne » (nº 3-1850)

van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over “de ontwikkelingssamenwerking tijdens het Finse Voorzitterschap van de Europese Unie” (nr. 3-1850)

de Mme Sabine de Bethune au ministre de la Coopération au Développement sur « les forums des acteurs indirects » (nº 3-1851)

van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over “de fora van de indirecte actoren” (nr. 3-1851)

de Mme Erika Thijs au ministre des Affaires étrangères sur « la situation précaire dans laquelle se trouve le Burundi » (nº 3-1852)

van mevrouw Erika Thijs aan de minister van Buitenlandse Zaken over “de precaire situatie in Burundi” (nr. 3-1852)

de Mme Erika Thijs à la vice-première ministre et ministre du Budget et de la Protection de la consommation sur « le risque d’intoxication au CO avec les poêles à pétrole » (nº 3-1853)

van mevrouw Erika Thijs aan de vice-eerste minister en minister van Begroting en Consumentenzaken over “het gevaar van CO-intoxicatie bij petroleumkachels” (nr. 3-1853)

de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice et au vice-premier ministre et ministre de l’Intérieur sur « la conduite sous influence de drogues » (nº 3-1854)

van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over “het rijden onder invloed van drugs” (nr. 3-1854)

de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre du Budget et de la Protection de la consommation et au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « les aliments fonctionnels » (nº 3-1855)

van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Begroting en Consumentenzaken en aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “de functionele voedingsmiddelen” (nr. 3-1855)

de Mme Fauzaya Talhaoui au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « le remboursement des analogues d’insuline à effet prolongé Levemir et Lantus » (nº 3-1856)

van mevrouw Fauzaya Talhaoui aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “de terugbetaling van de traagwerkende insulineanalogen Levemir en Lantus” (nr. 3-1856)

de M. Christian Brotcorne à la vice-première ministre et ministre du Budget et de la Protection de la consommation sur « l’urgence d’un financement adéquat du Fonds de traitement du surendettement telle que constatée déjà en janvier dernier » (nº 3-1857)

van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eerste minister en minister van Begroting en Consumentenzaken over “de reeds in januari jongstleden vastgestelde dringende behoefte aan een adequate financiering van het Fonds ter bestrijding van overmatige schuldenlast” (nr. 3-1857)

de M. Hugo Vandenberghe au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « la maladie d’Alzheimer » (nº 3-1858)

van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “de ziekte van Alzheimer” (nr. 3-1858)

de Mme Anke Van dermeersch à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur « l’exécution de la loi sur les armes » (nº 3-1859)

van mevrouw Anke Van dermeersch aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over “de uitvoering van de wapenwet” (nr. 3-1859)

de M. Hugo Vandenberghe à la vice-première ministre et ministre de la Justice sur « l’augmentation de la charge de travail des juges de la jeunesse à la suite des réformes qui ont récemment été apportées au droit de la jeunesse » (nº 3-1860)

van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over “de toenemende werklast van de jeugdrechters naar aanleiding van de recente hervormingen van het jeugdrecht” (nr. 3-1860)

de Mme Annemie Van de Casteele au ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur « le fonctionnement de la commission d’implantation » (nº 3-1861)

van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over “de werking van de vestigingscommissie” (nr. 3-1861)

de Mme Mia De Schamphelaere au ministre de la Mobilité sur « les pertes de chargements » (nº 3-1862)

van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister van Mobiliteit over “het verlies van lading” (nr. 3-1862)

Ces demandes sont envoyées à la séance plénière.

Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Chambre des représentants

Kamer van volksvertegenwoordigers

Par messages du 10 octobre 2006 la Chambre des représentants a fait connaître au Sénat qu’elle s’est constituée en sa séance de ce jour.

Bij boodschap van 10 oktober 2006 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat laten weten dat zij zich ter vergadering van die dag geconstitueerd heeft.

Pris pour notification.

Voor kennisgeving aangenomen.

Évocations

Evocaties

Par messages des 13 et 17 octobre 2006, le Sénat a informé la Chambre des représentants de la mise en œuvre, ce même jour, de l’évocation :

De Senaat heeft bij boodschappen van 13 en 17 oktober 2006 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van:

Projet de loi modifiant le Code pénal en vue de réprimer plus sévèrement la violence contre certaines catégories de personnes (Doc. 3-1791/1).

Wetsontwerp tot wijziging van het Strafwetboek met het oog op het strenger bestraffen van geweld tegen bepaalde categorieën van personen (Stuk 3-1791/1).

Le projet de loi a été envoyé à la commission de la Justice.

Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Projet de loi modifiant diverses dispositions relatives à l’absence et à la déclaration judiciaire de décès (Doc. 3-1792/1).

Wetsontwerp tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de afwezigheid en de gerechtelijke verklaring van overlijden (Stuk 3-1792/1).

Le projet de loi a été envoyé à la commission de la Justice.

Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Projet de loi relative à la transsexualité (Doc. 3-1794/1).

Wetsontwerp betreffende de transseksualiteit (Stuk 3-1794/1).

Le projet de loi a été envoyé à la commission de la Justice.

Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Projet de loi portant dispositions diverses en matière de santé (Doc. 3-1812/1).

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen betreffende gezondheid (Stuk 3-1812/1).

Le projet de loi a été envoyé à la commission des Affaires sociales.

Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Non-évocations

Niet-evocaties

Par messages du 18 octobre 2006, le Sénat a retourné à la Chambre des représentants, en vue de la sanction royale, les projets de loi non évoqués qui suivent :

Bij boodschappen van 18 oktober 2006 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de bekrachtiging door de Koning, de volgende niet geëvoceerde wetsontwerpen:

Projet de loi concernant GSM-R (Doc. 3-1789/1).

Wetsontwerp betreffende GSM-R (Stuk 3-1789/1).

Projet de loi modifiant la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l’intégration sociale afin d’encourager l’effort d’intégration des personnes sans abri consenti par un centre public d’action sociale (Doc. 3-1797/1).

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, tot aanmoediging van de inspanning die een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn levert voor de integratie van daklozen (Stuk 3-1797/1).

Projet de loi modifiant la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d’action sociale en ce qui concerne les bénéficiaires âgés qui réduisent leur patrimoine (Doc. 3-1798/1).

Wetsontwerp tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wat betreft bejaarde hulpgenieters die hun patrimonium verminderen (Stuk 3-1798/1).

Projet de loi modifiant la loi du 24 janvier 1977 relative à la protection de la santé des consommateurs en ce qui concerne les denrées alimentaires et les autres produits (Doc. 3-1799/1).

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de gebruikers op het vlak van de voedingsmiddelen en andere producten (Stuk 3-1799/1).

Projet de loi relatif aux heures d’ouverture dans le commerce, l’artisanat et les services (Doc. 3-1801/1).

Wetsontwerp betreffende de openingsuren in handel, ambacht en dienstverlening (Stuk 3-1801/1).

Pris pour notification.

Voor kennisgeving aangenomen.

Dépôt d’un projet de loi

Indiening van een wetsontwerp

Le Gouvernement a déposé le projet de loi ci-après :

De Regering heeft volgend wetsontwerp ingediend:

Projet de loi portant assentiment à l’Accord sur les privilèges et immunités du Tribunal international du Droit de la Mer, fait à New York le 23 mai 1997 (Doc. 3-1861/1).

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag betreffende de voorrechten en immuniteiten van het Internationaal Hof voor het Recht van de Zee, gedaan te New York op 23 mei 1997 (Stuk 3-1861/1).

Le projet de loi a été envoyé à la commission des Relations extérieures et de la Défense.

Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Cour d’arbitrage – Arrêts

Arbitragehof – Arresten

En application de l’article 113 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour d’arbitrage, le greffier de la Cour d’arbitrage notifie à la présidente du Sénat :

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

l’arrêt nº 149/2006, rendu le 11 octobre 2006, en cause les recours en annulation partielle de la loi du 3 juillet 2005 portant modification de certains aspects du statut des membres du personnel des services de police et portant diverses autres dispositions relatives aux services de police, introduits par E. Rector et autres (numéros du rôle 3797, 3798, 3799, 3800, 3801 et 3802, affaires jointes) ;

het arrest nr. 149/2006, uitgesproken op 11 oktober 2006, inzake de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten, ingesteld door E. Rector en anderen (rolnummers 3797, 3798, 3799, 3800, 3801 en 3802, samengevoegde zaken);

l’arrêt nº 150/2006, rendu le 11 octobre 2006, en cause le recours en annulation des articles 58, 65, 67, 68 et 69 de la loi du 27 avril 2005 relative à la maîtrise du budget des soins de santé et portant diverses dispositions en matière de santé, introduit par la société de droit néerlandais Merck Sharp & Dohme BV (numéro de rôle 3817).

het arrest nr. 150/2006, uitgesproken op 11 oktober 2006, inzake het beroep tot vernietiging van de artikelen 58, 65, 67, 68 en 69 van de wet van 27 april 2005 betreffende de beheersing van de begroting van de gezondheidszorg en houdende diverse bepalingen inzake gezondheid, ingesteld door de vennootschap naar Nederlands recht Merck Sharp & Dohme BV (rolnummer 3817).

Pris pour notification.

Voor kennisgeving aangenomen.

Cour d’arbitrage – Questions préjudicielles

Arbitragehof – Prejudiciële vragen

En application de l’article 77 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour d’arbitrage, le greffier de la Cour d’arbitrage notifie à la présidente du Sénat :

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

la question préjudicielle relative à l’articles 462 du Code pénal, posée par un juge d’instruction du Tribunal de première instance de Bruxelles (numéro du rôle 4051).

de prejudiciële vraag betreffende artikel 462 van het Strafwetboek, gesteld door een onderzoeksrechter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (rolnummer 4051).

Pris pour notification.

Voor kennisgeving aangenomen.